Artikel 1. § 1. Deze wet, met inbegrip van de Bijlage ervan, regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
§ 2. Om de beleggers en de soliditeit en de goede werking van het financiële stelsel te beschermen, regelt deze wet de vestiging en de werkzaamheden van, alsook het toezicht op in België werkzame beleggingsondernemingen die de hoedanigheid hebben van beursvennootschap.
§ 3. Deze wet, met inbegrip van de Bijlage, zorgt voor de gedeeltelijke omzetting, die beperkt blijft tot de beleggingsondernemingen die de hoedanigheid hebben van beursvennootschap, van:
- richtlijn 2019/2034;
- richtlijn 2011/89/EU;
- richtlijn 2014/59/EU;
- richtlijn 2014/65/EU;
- richtlijn 97/9/EG.
§ 4. Naar deze wet mag worden verwezen onder het opschrift "wet op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JULI 2022. - Wet op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-09-2022 en tekstbijwerking tot 28-04-2025)
Titre
20 JUILLET 2022. - Loi relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-09-2022 et mise à jour au 28-04-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2022015582
Datum: 2022-07-20
Info du document
Numac: 2022015582
Date: 2022-07-20
Inhoud
TITEL I. - Toepassingsgebied
TITEL II. - Definities
BOEK II. - BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BELGISCH R...
TITEL I. - Toegang tot het bedrijf
HOOFDSTUK I. - Vergunning
Afdeling I. - Vergunningsplicht
Afdeling II. - Procedure
HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Afdeling II. - Vennootschapsvorm
Afdeling III. - Aanvangskapitaal
Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten
Afdeling V. - Leiding
Afdeling VI. - Organisatie
Onderafdeling I. - Algemene beginselen
Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen
Onderafdeling III. - Oprichting van comités bin...
Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke...
Onderafdeling V. - Specifieke organisatie voor ...
Onderafdeling IV. - Bepalingen die van toepassi...
Afdeling VII. - Hoofdbestuur
Afdeling VII. - Beleggersbescherming
TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstruc...
HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden
Afdeling I. - Minimum eigen vermogen
Afdeling II. - Leiding en leiders
Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door...
Onderafdeling II. - Door de personen die deelne...
Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en ...
Onderafdeling IV. - Bepalingen die van toepassi...
Afdeling III. - Risicobeheer
Onderafdeling I. - Behandeling van risico's
Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verb...
Afdeling IV. - Uitbesteding
Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitv...
Onderafdeling I. - Beginselen
Onderafdeling II. - Beursvennootschappen die ui...
Onderafdeling III. - Bepalingen die van toepass...
Afdeling VI. - Verrichtingen die beperkt of ver...
Onderafdeling I. - Verrichtingen die beperkt of...
Onderafdeling II. - Aanhouden van tegoeden van ...
Onderafdeling III. - Verrichtingen met entiteit...
Onderafdeling IV. - Beroep op tussenpersonen in...
Afdeling VII. - Mededeling van informatie over ...
Afdeling VII. - Transparantie met betrekking to...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de prudentiële ve...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in het programma van...
Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van ...
Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleg...
Afdeling III. - Opening of verwerving van docht...
Afdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in...
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in h...
Onderafdeling II. - Vrij verrichten van beleggi...
HOOFDSTUK VI. - Reglementaire normen en verplic...
Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen verm...
Afdeling II. - Reglementeringsbevoegdheid van d...
Afdeling III. - Bepalingen die van toepassing z...
HOOFDSTUK VII. - Periodieke informatieverstrekk...
HOOFDSTUK VIII. - Herstelplannen
Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen
Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen
TITEL III. - Toezicht op de beursvennootschappen
HOOFDSTUK I. - Toezicht door de Bank en de FSMA
HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht
Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht
Afdeling II. - Procedure van prudentiële toetsi...
Afdeling III. - Onderzoek van de interne benade...
Afdeling IV. - Stresstests
Afdeling V. - Prudentiële maatregelen
Afdeling VI. - Bepalingen die van toepassing zi...
HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lids...
Afdeling I. - Definities
Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden
Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen
Afdeling IV. - Samenwerking
Afdeling V. - Controle ter plaatse
Afdeling VI. - Bepalingen die van toepassing zi...
HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht
Afdeling I. - Definities
Afdeling II. - Toezicht op geconsolideerde basi...
Afdeling III. - Het toezicht op geconsolideerde...
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Onderafdeling II. - Maatregelen om het toezicht...
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Onderafdeling IV. - Moederondernemingen, in het...
Onderafdeling V. - Toezichtsmaatregelen
Onderafdeling VI. - Moederondernemingen uit der...
Afdeling IV. - Aanvullend conglomeraatstoezicht
Afdeling V. - Bepalingen die van toepassing zij...
HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht
TITEL IV. - Beëindiging van de vergunning
HOOFDSTUK I. - Intrekking van de vergunning
HOOFDSTUK II. - Aanhangigmaking bij de insolven...
TITEL V. - Herstelmaatregelen
HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen
HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan
HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
HOOFDSTUK IV. - Bekendmaking en informatieverst...
BOEK III. - BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BUITENLAN...
TITEL I. - Inleidende bepaling
TITEL II. - Bijkantoren in België van beursvenn...
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekk...
HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren
Afdeling I. - De Bank in haar hoedanigheid van ...
Afdeling II. - Significante bijkantoren
Afdeling III. - Controle ter plaatse
HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen
HOOFDSTUK VI. - Bijkantoren in België van buite...
TITEL III. - Bijkantoren in België van beursven...
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK II. - Toegang tot het bedrijf in België
HOOFDSTUK III. - Bedrijfsuitoefening
HOOFDSTUK IV. - Toezicht
HOOFDSTUK V. - Intrekking, uitzonderingsmaatreg...
BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
BOEK V. - SANCTIES
TITEL I. - Administratieve boetes
TITEL II. - Strafrechtelijke sancties
BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAA...
TITEL I. - Saneringsmaatregelen
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkennin...
HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie
HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van beursvennootsc...
TITEL II. - Liquidatieprocedures
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkennin...
HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de b...
Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling
Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasseli...
Afdeling III. - Intrekking van de vergunning
TITEL III. - Regels die zowel voor de sanerings...
HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of veref...
HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuancering...
HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liq...
Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatre...
Afdeling II. - Belgische saneringscommissarisse...
TITEL IV. - Aanvullende bepaling
BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN L...
BOEK VIII. - BELEGGERSBESCHERMINGSREGELINGEN
BOEK IX. - DIVERSE EN SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERG...
TITEL I. - Diverse bepaling
TITEL II. - Slotbepaling
TITEL III. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de hypotheekwet v...
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 22 fe...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in de wet van 25 a...
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in de wet van 13 ma...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 18 sep...
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in de wet van 11 ma...
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 11 j...
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het Wetboek va...
TITEL IV. - Overgangsbepaling
TITEL V. - Opheffingsbepaling
BOEK X. - INWERKINGTREDING
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE 1er. - Champ d'application
TITRE II. - Définitions
LIVRE II. - DES SOCIETES DE BOURSE DE DROIT BELGE
TITRE Ier. - De l'accès à l'activité
CHAPITRE Ier. - L'agrément
Section Ire. - Obligation d'agrément
Section II. - Procédure
CHAPITRE II. - Des conditions d'agrément
Section Ire. - Généralités
Section II. - Forme sociétaire
Section III. - Capital initial
Section IV. - Détenteurs du capital
Section V. - Dirigeants
Section VI. - Organisation
Sous-section Ire. - Principes généraux
Sous-section II. - Organes sociétaires
Sous-section III. - Mise en place de comités au...
Sous-section IV. - Fonctions de contrôle indépe...
Sous-section V. - Organisation spécifique liée ...
Sous-section IV. - Dispositions applicables aux...
Section VII. - Administration centrale
Section VII. - Protection des investisseurs
TITRE II. - Des conditions d'exercice de l'acti...
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Des modifications dans la struct...
CHAPITRE III. - Des conditions générales de fon...
Section Ire. - Des fonds propres minimums
Section II. - De la direction et des dirigeants
Sous-section Ière. - Du contrôle et de l'évalua...
Sous-section II. - Des mesures à prendre par le...
Sous-section III. - Nominations, démissions et ...
Sous-section IV. - Dispositions applicables aux...
Section III. - De la gestion des risques
Sous-section Ière. - Du traitement des risques
Sous-section II. - De la gestion des risques re...
Section IV. - Du recours à la sous-traitance
Section V. - De la politique de rémunération et...
Sous-section Ière. - Principes
Sous-section II. - Des sociétés de bourse ayant...
Sous-section III. - Dispositions applicables au...
Section VI. - Des opérations sujettes à limitat...
Sous-section Ière. - Opérations sujettes à limi...
Sous-section II. - De la détention des avoirs d...
Sous-section III. - Des opérations avec des ent...
Sous-section IV. - Du recours à des intermédiai...
Section VII. - De la communication d'informatio...
Section VII. - De la transparence en matière de...
CHAPITRE IV. - De la modification des exigences...
CHAPITRE V. - Des modifications du programme d'...
Section Ire. - Des modifications du programme d...
Section II. - Des décisions stratégiques, des d...
Section III. - De l'ouverture ou de l'acquisiti...
Section IV. - De l'exercice d'activités à l'étr...
Sous-section Ière. - De l'ouverture de succursa...
Sous-section II. - Exercice de la libre prestat...
CHAPITRE VI. - Des normes et obligations réglem...
Section Ière. - Gestion prospective des fonds p...
Section II. - Pouvoir réglementaire de la Banque
Section III. - Dispositions applicables aux soc...
CHAPITRE VII. - Des informations périodiques et...
CHAPITRE VIII. - Plans de redressement
Section Ière. - Etablissement des plans de redr...
Section II. - Evaluation des plans de redressement
TITRE III. - Contrôle des sociétés de bourse
CHAPITRE Ier. - Contrôle exercé par la Banque e...
CHAPITRE II. - Processus de surveillance pruden...
Section Ire. - Programme de contrôle prudentiel
Section II. - Procédure de contrôle et d'évalua...
Section III. - Examen des approches et des méth...
Section IV. - Tests de résistance
Section V. - Mesures prudentielles
Section VI. - Dispositions applicables aux soci...
CHAPITRE III. - Contrôle des activités exercées...
Section Ire. - Définitions
Section II. - Contrôle des activités
Section III. - Mesures exceptionnelles
Section IV. - Coopération
Section V. - Contrôle sur place
Section VI. - Dispositions applicables aux soci...
CHAPITRE IV. - Surveillance du groupe
Section Ire. - Définitions
Section II. - Contrôle sur base consolidée des ...
Section III. - Contrôle sur base consolidée et ...
Sous-section Ire. - Champ d'application
Sous-section II. - Mesures visant à faciliter l...
Sous-section III. - Autres cas d'application
Sous-section IV. - Les entreprises mères, en pa...
Sous-section V. - Mesures de surveillance
Sous-section VI. - Les sociétés mères de pays t...
Section IV. - Surveillance complémentaire des c...
Section V. - Dispositions applicables aux socié...
CHAPITRE V. - Du contrôle révisoral
TITRE IV. - De la fin de l'agrément
CHAPITRE Ier. - Radiation de l'agrément
CHAPITRE II. - Saisine du tribunal d'insolvabilité
TITRE V. - Des mesures de redressement
CHAPITRE Ier. - Des mesures contraignantes
CHAPITRE II. - De la mise en oeuvre du plan de ...
CHAPITRE III. - Des mesures de redressement exc...
CHAPITRE IV. - Publication et information
LIVRE III. - DES SOCIETE DE BOURSE DE DROIT ETR...
TITRE Ier. - Disposition liminaire
TITRE II. - Des succursales en Belgique des soc...
CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belg...
CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité
CHAPITRE III. - Informations périodiques et règ...
CHAPITRE IV. - Du contrôle des succursales
Section Ire. - La Banque en sa qualité d'autori...
Section II. - Des succursales significatives
Section III. - Du contrôle sur place
CHAPITRE V. - Des mesures exceptionnelles
CHAPITRE VI. - Des succursales en Belgique des ...
TITRE III. - Des succursales en Belgique de soc...
CHAPITRE Ier. - Disposition liminaire
CHAPITRE II. - De l'accès à l'activité en Belgique
CHAPITRE III. - De l'exercice de l'activité
CHAPITRE IV. - Du contrôle
CHAPITRE V. - Radiation, mesures exceptionnelle...
LIVRE IV. - DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES CO...
LIVRE V. - DES SANCTIONS
TITRE Ier. - Des amendes administratives
TITRE II. - Des sanctions pénales
LIVRE VI. - REGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVE...
TITRE Ier. - Des mesures d'assainissement
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réceptio...
CHAPITRE II. - Concertation et information
CHAPITRE III. - Des succursales de sociétés de ...
TITRE II. - Des procédures de liquidation
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réceptio...
CHAPITRE II. - Procédures relatives aux société...
Section Ire. - Concertation et information
Section II. - Eléments de procédure - Loi appli...
Section III. - Radiation de l'agrément
TITRE III. - Des règles communes aux mesures d'...
CHAPITRE Ier. - De la liquidation volontaire ou...
CHAPITRE II. - Des exceptions ou tempéraments à...
CHAPITRE III. - Des commissaires à l'assainisse...
Section Ire. - Réception des mesures et procédu...
Section II. - Des commissaires à l'assainisseme...
TITRE IV. - Disposition complémentaire
LIVRE VII. - ASPECTS DE DROIT MATERIEL DES PROC...
LIVRE VIII. - DU SYSTEME DE PROTECTION DES INVE...
LIVRE IX. - DISPOSITIONS DIVERSES, FINALES, MOD...
TITRE I. - Disposition diverse
TITRE II. - Disposition finale
TITRE III. - Dispositions modificatives
CHAPITRE Ier. - Modifications de la loi hypothé...
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 22 fé...
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 25 a...
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 13 ma...
CHAPITRE V. - Modifications de la loi du 18 sep...
CHAPITRE VI. - Modifications de la loi du 11 ma...
CHAPITRE VII. - Modifications de la loi du 11 j...
CHAPITRE VIII. - Modifications du Code des soci...
TITRE IV. - Disposition transitoire
TITRE V. - Disposition abrogatoire
LIVRE X. - ENTREE EN VIGUEUR
ANNEXE.
Tekst (587)
Texte (587)
TITEL I. - Toepassingsgebied
TITRE 1er. - Champ d'application
Article 1er. § 1er. La présente loi, en ce compris son Annexe, règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
§ 2. La présente loi a pour objet de régler, dans un but de protection des investisseurs et de la solidité et du bon fonctionnement du système financier, l'établissement, l'activité et le contrôle des entreprises d'investissement ayant la qualité de société de bourse, opérant en Belgique.
§ 3. La présente loi, en ce compris l'Annexe, assure la transposition partielle, limitée aux entreprises d'investissement ayant la qualité de sociétés de bourse,
- de la directive 2019/2034 ;
- de la directive 2011/89/UE ;
- de la directive 2014/59/UE ;
- de la directive 2014/65/UE ;
- de la directive 97/9/CE.
§ 4. La présente loi peut être citée sous l'intitulé "loi relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse".
§ 2. La présente loi a pour objet de régler, dans un but de protection des investisseurs et de la solidité et du bon fonctionnement du système financier, l'établissement, l'activité et le contrôle des entreprises d'investissement ayant la qualité de société de bourse, opérant en Belgique.
§ 3. La présente loi, en ce compris l'Annexe, assure la transposition partielle, limitée aux entreprises d'investissement ayant la qualité de sociétés de bourse,
- de la directive 2019/2034 ;
- de la directive 2011/89/UE ;
- de la directive 2014/59/UE ;
- de la directive 2014/65/UE ;
- de la directive 97/9/CE.
§ 4. La présente loi peut être citée sous l'intitulé "loi relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse".
Art.2. Onder "beursvennootschap" wordt verstaan een beleggingsonderneming naar Belgisch of buitenlands recht die met name een van de in artikel 3, 2°, 3), 6), 7), 8) of 9) bedoelde beleggingsdiensten of -activiteiten verricht en/of een van de in artikel 3, 3°, 1), 2), 4) of 6) bedoelde nevendiensten, voor zover geen van de voorwaarden van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, b) van de wet van 25 april 2014 vervuld zijn.
Art.2. Sont définies comme société de bourse, les entreprises d'investissement de droit belge ou de droit étranger qui exercent et/ou fournissent notamment un des services ou une des activités d'investissement visés à l'article 3, 2°, 3), 6), 7), 8) ou 9) et/ou un des services auxiliaires visés à l'article 3, 3°, 1), 2), 4) ou 6), pour autant qu'aucune des conditions de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, b) de la loi du 25 avril 2014 ne soit remplie.
TITEL II. - Definities
TITRE II. - Définitions
Art.3. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen wordt verstaan onder:
1° beleggingsonderneming: een beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016;
2° beleggingsdiensten en -activiteiten: de volgende diensten en activiteiten die betrekking hebben op financiële instrumenten:
1) het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten, met inbegrip van het met elkaar in contact brengen van twee of meer beleggers waardoor tussen deze beleggers een verrichting tot stand kan komen;
2) het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten;
3) het handelen voor eigen rekening;
4) vermogensbeheer;
5) beleggingsadvies;
6) het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
7) het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
8) het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's);
9) het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's).
3° nevendiensten: de volgende diensten:
1) bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;
2) het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
3) advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen;
4) valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten;
5) onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten;
6) diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
7) de hierboven bedoelde beleggingsdiensten en -activiteiten alsmede nevendiensten die verband houden met de onderliggende waarde van de derivaten, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, e), f), g) en j) van de wet van 2 augustus 2002, wanneer verstrekt in samenhang met de verstrekking van beleggings- en nevendiensten;
4° kleine beursvennootschap: een beursvennootschap als bedoeld in artikel 23;
5° grote beursvennootschap: een beursvennootschap die:
- voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 2, punten a) of b) van Verordening 2019/2033;
- onderworpen is aan een besluit van de Bank met toepassing van artikel 91 van deze wet of artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033;
- onderworpen is aan een besluit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de beursvennootschap vergund is, met toepassing van de wetgeving van die lidstaat ter omzetting van artikel 5 van richtlijn 2019/2034 of met toepassing van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033.
6° richtlijn 2019/2034: de richtlijn 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU;
7° Verordening 2019/2033: Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014;
8° richtlijn 2013/36/EU: de richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
9° Verordening nr. 575/2013: Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
10° richtlijn 97/9/EG: de richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels;
11° richtlijn 2011/89/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat;
12° richtlijn 2014/59/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;
13° richtlijn 2014/65/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;
14° richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;
15° Verordening nr. 1092/2010: Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
16° Verordening nr. 1093/2010: Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie;
17° Verordening nr. 648/2012: Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;
18° Verordening nr. 537/2014: Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;
19° Verordening nr. 600/2014: Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
20° Verordening nr. 806/2014: Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;
21° Verordening 2015/2365: Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
22° Verordening 2017/565: Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;
23° Verordening 2017/2402: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;
[1 23° /1 Verordening 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011;]1
24° wet van 22 februari 1998: de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
25° wet van 2 augustus 2002: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
26° wet van 25 april 2014: de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
27° wet van 25 oktober 2016: de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
28° wet van 18 september 2017: de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
29° wet van 21 november 2017: de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU;
30° de Nationale Bank van België: de instelling bedoeld in de wet van 22 februari 1998, hierna "de Bank" genoemd;
31° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten: de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002, hierna "de FSMA" genoemd;
32° voor België als contactpunt fungerende autoriteit: de FSMA in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit die als contactpunt is aangewezen met toepassing van artikel 79, lid 1 van richtlijn 2014/65/EU;
33° bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van richtlijn 2019/2034/EU of richtlijn 2014/65/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op beleggingsondernemingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat;
34° autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de beleggingsondernemingen in een derde land;
35° Europese Bankautoriteit: de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening nr. 1093/2010, hierna ook de "EBA" genoemd;
36° Europese Autoriteit voor Effecten en Markten: de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten opgericht bij Verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
37° ESRB: het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010;
38° gemeenschappelijke afwikkelingsraad: de raad opgericht bij artikel 42 van Verordening nr. 806/2014;
39° lidstaat: een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
40° derde land: een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
41° kredietinstelling: een onderneming als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid van de wet van 25 april 2014;
42° verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
43° herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
44° collectieve beleggingsonderneming: een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
45° beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging: een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
46° alternatieve instellingen voor collectieve belegging of "AICB's": instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van hun beleggingscompartimenten,
a) die bij een aantal beleggers kapitaal aantrekken om het te beleggen overeenkomstig een welomschreven beleggingsbeleid, in het belang van deze beleggers; en
b) die niet voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's);
47° beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging: een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook "AICB-beheerder" genoemd;
48° gereglementeerde onderneming: een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
49° financiële instrumenten: de instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;
50° handelen voor eigen rekening: met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;
51° multilaterale handelsfaciliteit (multilateral trading facility - MTF): een door een beursvennootschap, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017;
52° georganiseerde handelsfaciliteit (organised trading facility - OTF): een multilateraal systeem, anders dan een gereglementeerde markt of een MTF, waarin meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot obligaties, gestructureerde financiële producten, emissierechten en derivaten op zodanige wijze met elkaar kunnen interageren dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017;
53° gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 3, 7° van de wet van 21 november 2017;
54° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i) en j) van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt d) van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt k) van dat artikel;
55° derivaten: derivaten als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 29) van Verordening nr. 600/2014;
56° gestructureerde deposito: een deposito in de zin van artikel 2, 62° van de wet van 25 oktober 2016;
57° financiële contracten: de volgende contracten en overeenkomsten:
a) effectencontracten, met inbegrip van:
1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een effect of een groep of index van effecten;
2° opties op een effect of een groep of index van effecten;
3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijk effect of een dergelijke groep of index;
b) grondstoffencontracten, met inbegrip van:
1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een grondstof of een groep of index van grondstoffen voor de levering ervan in de toekomst;
2° opties op een grondstof of een groep of index van grondstoffen;
3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijke grondstof, groep of index;
c) future- en termijncontracten, met inbegrip van contracten (die geen grondstoffencontracten zijn) voor de aankoop, verkoop of overdracht van een grondstof of eigendom van enigerlei andere aard, dienst, recht of belang tegen een vastgestelde prijs op een tijdstip in de toekomst;
d) swapovereenkomsten, met inbegrip van
1° swaps en opties met betrekking tot rentetarieven, spot- of andere overeenkomsten met betrekking tot wisselkoersen, valuta's, een aandelenindex of aandelen, een schuldindex of schuld, grondstoffenindexen of grondstoffen, weer, emissies of inflatie;
2° totale opbrengsten-, kredietspreidings- of kredietswaps;
3° overeenkomsten of transacties die vergelijkbaar zijn met een in punten 1° of 2° bedoelde overeenkomst die herhaaldelijk op de swap- of derivatenmarkten wordt verhandeld;
e) interbancaire leningsovereenkomsten indien de leningstermijn ten hoogste drie maanden bedraagt;
f) raamovereenkomsten met betrekking tot de punten a) tot en met e) bedoelde contracten of overeenkomsten;
58° systematische internaliseerder: een beursvennootschap die de activiteit als omschreven in artikel 3, 29° van de wet van 21 november 2017 uitoefent;
59° algoritmische handel: de algoritmische handel in de zin van artikel 2, 59° van de wet van 25 oktober 2016;
60° directe elektronische toegang: de directe elektronische toegang in de zin van artikel 2, 61° van de wet van 25 oktober 2016;
61° systeemrisico: een risico op verstoring van het financiële stelsel met mogelijk ernstige negatieve gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie;
62° uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan: een lid van het wettelijk bestuursorgaan dat deelneemt aan de effectieve leiding van de vennootschap; onder meer de volgende personen zijn uitvoerende leden: het lid van het wettelijk bestuursorgaan dat lid is van het directiecomité, dat deelneemt aan de effectieve leiding of aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen in de zin van de artikelen 6:67, tweede lid of 7:121, tweede lid van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
63° persoon die deelneemt aan de effectieve leiding: een uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan, een lid van het directiecomité of een personeelslid met een functie die zich op een hiërarchisch niveau net daaronder bevindt, voor zover dit personeelslid in die hoedanigheid een rechtstreekse en beslissende invloed uitoefent op het beheer van alle of een deel van de activiteiten van de vennootschap, met inbegrip van de leiders van de in de EER gevestigde bijkantoren van een beursvennootschap naar Belgisch recht;
64° onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
a) gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de beursvennootschap, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
b) niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet-uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
c) gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
d) geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de beursvennootschap;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde beursvennootschap worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de beursvennootschap; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;
f) geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de beursvennootschap of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen of verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
g) in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
h) geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de beursvennootschap zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de beursvennootschap uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
i) geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de beursvennootschap of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten a) tot en met h) beschreven gevallen bevinden.
Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien.
Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de Bank, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een beursvennootschap van de in het eerste lid bedoelde criteria afwijken;
65° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, ongeacht hun gender;
66° uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een beursvennootschap wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze beursvennootschap te vrijwaren of te herstellen;
67° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een beursvennootschap of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de vennootschap, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de vennootschap, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de vennootschap, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere vennootschap, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de vennootschappen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de beursvennootschap en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de vennootschap;
68° onafhankelijke controlefuncties: de interne auditfunctie, de compliancefunctie of de risicobeheerfunctie als bedoeld in artikel 31;
69° kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een beursvennootschap waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de beursvennootschap of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;
70° de begrippen controle, deelneming, deelnemingsverhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, waarbij deze begrippen ook de in het genoemde Wetboek bedoelde situaties met verenigingen omvatten, wanneer de juridische aard van de vereniging dit toelaat;
71° nauwe banden:
a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat;
b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn; of
c) een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande punten a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
72° gekwalificeerde deelneming: het rechtstreeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 pct. van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen;
73° verbonden personen: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad;
74° reglementaire eigenvermogensvereisten: de eigenvermogensvereisten die vastgesteld zijn in artikel 11 van Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, artikel 92 van Verordening nr. 575/2013;
75° tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal: de reglementaire eigenvermogensbestanddelen die respectievelijk zijn vastgesteld in Deel 2, Titel I, Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Verordening nr. 575/2013;
76° stabiliteit van het financiële stelsel: situatie waarin de kans op discontinuïteit of verstoring van de werking van het financiële stelsel gering is of, indien zich dergelijke verstoringen zouden voordoen, waarin de gevolgen voor de economie beperkt zouden zijn;
77° Garantiefonds: het Garantiefonds voor financiële diensten opgericht bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten;
78° werkdag: een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, en noch een wettelijke feestdag is;
79° bijkantoor: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beursvennootschap en beleggingsdiensten en/of -activiteiten verricht evenals de nevendiensten waarvoor deze beursvennootschap een vergunning heeft verkregen; alle bedrijfszetels gevestigd in eenzelfde staat van een beursvennootschap met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;
80° significant bijkantoor: een bijkantoor dat overeenkomstig artikel 51, lid 1 van richtlijn 2013/36/EU in een lidstaat als significant wordt aangemerkt;
81° verbonden agent: een verbonden agent in de zin van artikel 2, 25° van de wet van 25 oktober 2016;
82° derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 69, § 2, tweede lid waarbij een beursvennootschap tegoeden van cliënten deponeert;
83° herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschap;
84° groepsherstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 425 van de wet van 25 april 2014 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming;
85° afwikkelingsautoriteit: de Bank of de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014;
86° afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een beursvennootschap, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° van de wet van 25 april 2014 of een entiteit als bedoeld in artikel 424 van de wet van 25 april 2014 af te wikkelen;
87° afwikkeling: de toepassing van een afwikkelingsinstrument om een of meer van de in artikel 243 van de wet van 25 april 2014 bepaalde doelstellingen te verwezenlijken;
88° saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een beursvennootschap in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen bestaan deze maatregelen in:
a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII van de wet van 25 april 2014;
b) de in artikel 204, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 204, § 1, 4° ;
89° saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de Bank wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;
90° saneringscommissaris: elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren;
91° vereffening: de tegeldemaking van de activa van een beursvennootschap volgens een liquidatieprocedure;
92° liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een beursvennootschap onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
93° liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;
94° liquidateur: elke persoon of elk orgaan, waaronder de curator, aangesteld door een liquidatieautoriteit om liquidatieprocedures te beheren;
95° insolventierechtbank: de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4° van het Wetboek van economisch recht;
96° make-whole-clausule: een bepaling die tot doel heeft de belegger te beschermen door ervoor te zorgen dat, in geval van vervroegde aflossing van een obligatie, de emittent aan de houder van de obligatie een bedrag moet betalen dat gelijk is aan de som van de netto contante waarde van de resterende couponbetalingen die tot de vervaldatum worden verwacht, en de hoofdsom van de af te lossen obligatie;
97° financiële holding: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014;
98° gemengde financiële holding: een moederonderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat;
99° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
100° gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
101° beleggingsholding: een financiële instelling, in de zin van artikel 159, § 2, 2° waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of financiële instellingen zijn, die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt, en die geen financiële holding is.
102° gekwalificeerde centrale tegenpartij: een gekwalificeerde centrale tegenpartij in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van Verordening nr. 575/2013, hierna ook "GCTP" genoemd.
103° aanvangskapitaal": het met het oog op het verkrijgen van een vergunning als beursvennootschap vereiste kapitaal, waarvan het bedrag en het type nader is bepaald in artikel 13.
1° beleggingsonderneming: een beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, § 1 van de wet van 25 oktober 2016;
2° beleggingsdiensten en -activiteiten: de volgende diensten en activiteiten die betrekking hebben op financiële instrumenten:
1) het ontvangen en doorgeven van orders met betrekking tot één of meer financiële instrumenten, met inbegrip van het met elkaar in contact brengen van twee of meer beleggers waardoor tussen deze beleggers een verrichting tot stand kan komen;
2) het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten;
3) het handelen voor eigen rekening;
4) vermogensbeheer;
5) beleggingsadvies;
6) het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
7) het plaatsen van financiële instrumenten zonder plaatsingsgarantie;
8) het uitbaten van multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's);
9) het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's).
3° nevendiensten: de volgende diensten:
1) bewaring en beheer van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarnemingsdiensten en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitzondering van het centraal aanhouden van effectenrekeningen op het hoogste niveau;
2) het verstrekken van kredieten of leningen aan een belegger om deze in staat te stellen een transactie in één of meer financiële instrumenten te verrichten, bij welke transactie de onderneming die het krediet of de lening verstrekt, betrokken is;
3) advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen;
4) valutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten;
5) onderzoek op beleggingsgebied en financiële analyse of andere vormen van algemene aanbevelingen in verband met transacties in financiële instrumenten;
6) diensten in verband met het overnemen van financiële instrumenten;
7) de hierboven bedoelde beleggingsdiensten en -activiteiten alsmede nevendiensten die verband houden met de onderliggende waarde van de derivaten, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, e), f), g) en j) van de wet van 2 augustus 2002, wanneer verstrekt in samenhang met de verstrekking van beleggings- en nevendiensten;
4° kleine beursvennootschap: een beursvennootschap als bedoeld in artikel 23;
5° grote beursvennootschap: een beursvennootschap die:
- voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 2, punten a) of b) van Verordening 2019/2033;
- onderworpen is aan een besluit van de Bank met toepassing van artikel 91 van deze wet of artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033;
- onderworpen is aan een besluit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de beursvennootschap vergund is, met toepassing van de wetgeving van die lidstaat ter omzetting van artikel 5 van richtlijn 2019/2034 of met toepassing van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033.
6° richtlijn 2019/2034: de richtlijn 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU;
7° Verordening 2019/2033: Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014;
8° richtlijn 2013/36/EU: de richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG;
9° Verordening nr. 575/2013: Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
10° richtlijn 97/9/EG: de richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels;
11° richtlijn 2011/89/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat;
12° richtlijn 2014/59/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;
13° richtlijn 2014/65/EU: de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU;
14° richtlijn 2015/849/EU: de richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie;
15° Verordening nr. 1092/2010: Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico's;
16° Verordening nr. 1093/2010: Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie;
17° Verordening nr. 648/2012: Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters;
18° Verordening nr. 537/2014: Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;
19° Verordening nr. 600/2014: Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
20° Verordening nr. 806/2014: Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010;
21° Verordening 2015/2365: Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
22° Verordening 2017/565: Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn;
23° Verordening 2017/2402: Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;
[1 23° /1 Verordening 2022/2554: Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011;]1
24° wet van 22 februari 1998: de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
25° wet van 2 augustus 2002: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
26° wet van 25 april 2014: de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
27° wet van 25 oktober 2016: de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies;
28° wet van 18 september 2017: de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
29° wet van 21 november 2017: de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van richtlijn 2014/65/EU;
30° de Nationale Bank van België: de instelling bedoeld in de wet van 22 februari 1998, hierna "de Bank" genoemd;
31° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten: de instelling bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002, hierna "de FSMA" genoemd;
32° voor België als contactpunt fungerende autoriteit: de FSMA in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit die als contactpunt is aangewezen met toepassing van artikel 79, lid 1 van richtlijn 2014/65/EU;
33° bevoegde autoriteit: een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van richtlijn 2019/2034/EU of richtlijn 2014/65/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een lidstaat en die op grond van dat nationaal recht gemachtigd is toezicht uit te oefenen op beleggingsondernemingen in het kader van het toezichtstelsel van die staat;
34° autoriteit van een derde land: een autoriteit die belast is met het toezicht op de beleggingsondernemingen in een derde land;
35° Europese Bankautoriteit: de Europese Bankautoriteit opgericht bij Verordening nr. 1093/2010, hierna ook de "EBA" genoemd;
36° Europese Autoriteit voor Effecten en Markten: de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten opgericht bij Verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie;
37° ESRB: het Europees Comité voor Systeemrisico's opgericht bij Verordening (EU) nr. 1092/2010;
38° gemeenschappelijke afwikkelingsraad: de raad opgericht bij artikel 42 van Verordening nr. 806/2014;
39° lidstaat: een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER);
40° derde land: een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
41° kredietinstelling: een onderneming als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid van de wet van 25 april 2014;
42° verzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
43° herverzekeringsonderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
44° collectieve beleggingsonderneming: een collectieve beleggingsonderneming in de zin van artikel 3, 1° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
45° beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging: een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12° van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
46° alternatieve instellingen voor collectieve belegging of "AICB's": instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van hun beleggingscompartimenten,
a) die bij een aantal beleggers kapitaal aantrekken om het te beleggen overeenkomstig een welomschreven beleggingsbeleid, in het belang van deze beleggers; en
b) die niet voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's);
47° beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging: een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 13° van de wet van 19 april 2014 betreffende alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, hierna ook "AICB-beheerder" genoemd;
48° gereglementeerde onderneming: een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of een beheerder van alternatieve instellingen voor collectieve belegging;
49° financiële instrumenten: de instrumenten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002;
50° handelen voor eigen rekening: met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;
51° multilaterale handelsfaciliteit (multilateral trading facility - MTF): een door een beursvennootschap, een kredietinstelling of een marktonderneming geëxploiteerd multilateraal systeem dat verschillende koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten - binnen dit systeem en volgens niet-discretionaire regels - samenbrengt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017;
52° georganiseerde handelsfaciliteit (organised trading facility - OTF): een multilateraal systeem, anders dan een gereglementeerde markt of een MTF, waarin meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot obligaties, gestructureerde financiële producten, emissierechten en derivaten op zodanige wijze met elkaar kunnen interageren dat er een overeenkomst uit voortvloeit overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II van Titel II van de wet van 21 november 2017;
53° gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 3, 7° van de wet van 21 november 2017;
54° grondstoffen- en emissierechtenhandelaar: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in de punten e), f), g), i) en j) van artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 2 augustus 2002 of emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in punt d) van dat artikel, of emissierechten als bedoeld in punt k) van dat artikel;
55° derivaten: derivaten als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 29) van Verordening nr. 600/2014;
56° gestructureerde deposito: een deposito in de zin van artikel 2, 62° van de wet van 25 oktober 2016;
57° financiële contracten: de volgende contracten en overeenkomsten:
a) effectencontracten, met inbegrip van:
1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een effect of een groep of index van effecten;
2° opties op een effect of een groep of index van effecten;
3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijk effect of een dergelijke groep of index;
b) grondstoffencontracten, met inbegrip van:
1° contracten voor de aankoop, verkoop of lening van een grondstof of een groep of index van grondstoffen voor de levering ervan in de toekomst;
2° opties op een grondstof of een groep of index van grondstoffen;
3° retrocessie- of omgekeerde retrocessietransacties met betrekking tot een dergelijke grondstof, groep of index;
c) future- en termijncontracten, met inbegrip van contracten (die geen grondstoffencontracten zijn) voor de aankoop, verkoop of overdracht van een grondstof of eigendom van enigerlei andere aard, dienst, recht of belang tegen een vastgestelde prijs op een tijdstip in de toekomst;
d) swapovereenkomsten, met inbegrip van
1° swaps en opties met betrekking tot rentetarieven, spot- of andere overeenkomsten met betrekking tot wisselkoersen, valuta's, een aandelenindex of aandelen, een schuldindex of schuld, grondstoffenindexen of grondstoffen, weer, emissies of inflatie;
2° totale opbrengsten-, kredietspreidings- of kredietswaps;
3° overeenkomsten of transacties die vergelijkbaar zijn met een in punten 1° of 2° bedoelde overeenkomst die herhaaldelijk op de swap- of derivatenmarkten wordt verhandeld;
e) interbancaire leningsovereenkomsten indien de leningstermijn ten hoogste drie maanden bedraagt;
f) raamovereenkomsten met betrekking tot de punten a) tot en met e) bedoelde contracten of overeenkomsten;
58° systematische internaliseerder: een beursvennootschap die de activiteit als omschreven in artikel 3, 29° van de wet van 21 november 2017 uitoefent;
59° algoritmische handel: de algoritmische handel in de zin van artikel 2, 59° van de wet van 25 oktober 2016;
60° directe elektronische toegang: de directe elektronische toegang in de zin van artikel 2, 61° van de wet van 25 oktober 2016;
61° systeemrisico: een risico op verstoring van het financiële stelsel met mogelijk ernstige negatieve gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie;
62° uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan: een lid van het wettelijk bestuursorgaan dat deelneemt aan de effectieve leiding van de vennootschap; onder meer de volgende personen zijn uitvoerende leden: het lid van het wettelijk bestuursorgaan dat lid is van het directiecomité, dat deelneemt aan de effectieve leiding of aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen in de zin van de artikelen 6:67, tweede lid of 7:121, tweede lid van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
63° persoon die deelneemt aan de effectieve leiding: een uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan, een lid van het directiecomité of een personeelslid met een functie die zich op een hiërarchisch niveau net daaronder bevindt, voor zover dit personeelslid in die hoedanigheid een rechtstreekse en beslissende invloed uitoefent op het beheer van alle of een deel van de activiteiten van de vennootschap, met inbegrip van de leiders van de in de EER gevestigde bijkantoren van een beursvennootschap naar Belgisch recht;
64° onafhankelijk bestuurder of onafhankelijk lid van het wettelijk bestuursorgaan: personen die voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld door de Europese Bankautoriteit, in voorkomend geval samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, en aan de volgende criteria:
a) gedurende een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan hun benoeming, noch in de beursvennootschap, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, een mandaat van uitvoerend lid van het bestuursorgaan, een functie van lid van de directieraad of van het directiecomité of van persoon belast met het dagelijks bestuur hebben uitgeoefend;
b) niet meer dan drie opeenvolgende mandaten als niet-uitvoerend lid in het bestuursorgaan hebben uitgeoefend, zonder dat dit tijdvak langer mag zijn dan twaalf jaar;
c) gedurende een tijdvak van drie jaar voorafgaand aan hun benoeming, geen deel hebben uitgemaakt van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
d) geen vergoeding of ander belangrijk voordeel van vermogensrechtelijke aard ontvangen of hebben ontvangen van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, buiten de tantièmes en de vergoeding die zij eventueel ontvangen of hebben ontvangen als niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of als lid van het toezichthoudend orgaan;
e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de beursvennootschap;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde beursvennootschap worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de beursvennootschap; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;
f) geen significante zakelijke relatie hebben of in het voorbije boekjaar hebben gehad met de beursvennootschap of met een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen of verenigingen, noch rechtstreeks noch als vennoot, aandeelhouder, lid van het bestuursorgaan of lid van het leidinggevend personeel in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van een vennootschap of persoon die een dergelijke relatie onderhoudt;
g) in de voorbije drie jaar geen vennoot of werknemer zijn geweest van de huidige of vorige commissaris van de beursvennootschap of van een daarmee verbonden vennootschap of persoon in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
h) geen uitvoerend lid zijn van het bestuursorgaan van een andere vennootschap waarin een uitvoerend lid van het bestuursorgaan van de beursvennootschap zitting heeft in de hoedanigheid van niet-uitvoerend lid van het bestuursorgaan of lid van het toezichthoudend orgaan, en geen andere belangrijke banden hebben met de uitvoerende leden van het bestuursorgaan van de beursvennootschap uit hoofde van functies bij andere vennootschappen of organen;
i) geen echtgenoot, wettelijk samenwonende partner of bloed- of aanverwanten tot de tweede graad hebben die in de beursvennootschap of in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, een mandaat van lid van het bestuursorgaan, lid van de directieraad, lid van het directiecomité, persoon belast met het dagelijks bestuur of lid van het leidinggevend personeel, in de zin van artikel 19, 2° van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, uitoefenen, of die zich in een van de andere in de punten a) tot en met h) beschreven gevallen bevinden.
Het benoemingsbesluit maakt melding van de motieven op grond waarvan de hoedanigheid van onafhankelijk bestuurder wordt toegekend. De Koning, alsook de statuten, kunnen in bijkomende of strengere criteria voorzien.
Mits hiervoor een terdege onderbouwde rechtvaardiging wordt verstrekt en onder voorbehoud van een andersluidende beoordeling door de Bank, die de gegrondheid van deze rechtvaardiging verifieert, kan een beursvennootschap van de in het eerste lid bedoelde criteria afwijken;
65° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, ongeacht hun gender;
66° uitzonderlijke overheidssteun: elke staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die aan een beursvennootschap wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit van deze beursvennootschap te vrijwaren of te herstellen;
67° strategische beslissing:
1) een beslissing genomen door een beursvennootschap of door een entiteit waarover zij controle heeft, wanneer deze beslissing een zeker belang heeft en daardoor een globalere impact kan hebben op de vennootschap, in de mate dat zij gevolgen heeft voor verschillende functies van de vennootschap, en die betrekking heeft op elke investering, desinvestering, deelneming of strategische samenwerkingsrelatie van de vennootschap, met name een beslissing tot aankoop of oprichting van een andere vennootschap, tot oprichting van een joint venture, tot vestiging in een andere staat, tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst, tot het inbrengen of het kopen van een bedrijfstak, tot het aangaan van een fusie of een splitsing, of in de mate dat zij leidt tot de initiële toelating van de kapitaalvertegenwoordigende effecten tot de handel op een handelsplatform. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank nader bepalen welke beslissingen als strategisch moeten worden beschouwd in de zin van deze bepaling, met name rekening houdend met het risicoprofiel en de aard van de werkzaamheden van de vennootschappen, of, in voorkomend geval, de groep waartoe ze behoren. Zij maakt deze nadere bepalingen openbaar;
2) elke beslissing die gelijkaardige gevolgen heeft voor de beursvennootschap en die genomen wordt door een aandeelhouder die controle uitoefent over de vennootschap;
68° onafhankelijke controlefuncties: de interne auditfunctie, de compliancefunctie of de risicobeheerfunctie als bedoeld in artikel 31;
69° kritieke functies: de werkzaamheden, diensten of verrichtingen van een beursvennootschap waarvan het waarschijnlijk is dat de onderbreking tot een verstoring leidt, in België of in een of meer andere lidstaten, van diensten die essentieel zijn voor de reële economie, of de financiële stabiliteit verstoort, wegens de omvang, het marktaandeel, de verwevenheid met entiteiten binnen en buiten de groep, de complexiteit of de grensoverschrijdende werkzaamheden van de beursvennootschap of de groep waarvan zij deel uitmaakt, met bijzondere aandacht voor de vervangbaarheid van die werkzaamheden, diensten of verrichtingen;
70° de begrippen controle, deelneming, deelnemingsverhouding, moederonderneming, dochteronderneming, consortium en verbonden onderneming: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, waarbij deze begrippen ook de in het genoemde Wetboek bedoelde situaties met verenigingen omvatten, wanneer de juridische aard van de vereniging dit toelaat;
71° nauwe banden:
a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat;
b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn; of
c) een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande punten a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
72° gekwalificeerde deelneming: het rechtstreeks of onrechtstreeks bezit van ten minste 10 pct. van het kapitaal van een vennootschap of van de stemrechten die zijn verbonden aan de door deze vennootschap uitgegeven effecten, dan wel elke andere mogelijkheid om een invloed van betekenis uit te oefenen op het beleid van de vennootschap waarin wordt deelgenomen; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; er wordt geen rekening gehouden met stemrechten of aandelen die worden gehouden als gevolg van het vast overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie, tenzij die rechten worden uitgeoefend of anderszins worden gebruikt om inspraak uit te oefenen in het bestuur van de uitgevende instelling, en mits ze binnen één jaar na hun verwerving worden overgedragen;
73° verbonden personen: echtgenoten, partners die volgens hun nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote worden aangemerkt en bloedverwanten in de eerste graad;
74° reglementaire eigenvermogensvereisten: de eigenvermogensvereisten die vastgesteld zijn in artikel 11 van Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, artikel 92 van Verordening nr. 575/2013;
75° tier 1-kernkapitaal, aanvullend-tier 1-kapitaal en tier 2-kapitaal: de reglementaire eigenvermogensbestanddelen die respectievelijk zijn vastgesteld in Deel 2, Titel I, Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Verordening nr. 575/2013;
76° stabiliteit van het financiële stelsel: situatie waarin de kans op discontinuïteit of verstoring van de werking van het financiële stelsel gering is of, indien zich dergelijke verstoringen zouden voordoen, waarin de gevolgen voor de economie beperkt zouden zijn;
77° Garantiefonds: het Garantiefonds voor financiële diensten opgericht bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten;
78° werkdag: een dag die noch een zaterdag, noch een zondag, en noch een wettelijke feestdag is;
79° bijkantoor: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beursvennootschap en beleggingsdiensten en/of -activiteiten verricht evenals de nevendiensten waarvoor deze beursvennootschap een vergunning heeft verkregen; alle bedrijfszetels gevestigd in eenzelfde staat van een beursvennootschap met maatschappelijke zetel in een andere staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;
80° significant bijkantoor: een bijkantoor dat overeenkomstig artikel 51, lid 1 van richtlijn 2013/36/EU in een lidstaat als significant wordt aangemerkt;
81° verbonden agent: een verbonden agent in de zin van artikel 2, 25° van de wet van 25 oktober 2016;
82° derde bemiddelaar: een bemiddelaar als bedoeld in artikel 69, § 2, tweede lid waarbij een beursvennootschap tegoeden van cliënten deponeert;
83° herstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 108 wordt opgesteld door een in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschap;
84° groepsherstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 425 van de wet van 25 april 2014 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming;
85° afwikkelingsautoriteit: de Bank of de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014;
86° afwikkelbaarheid: de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een beursvennootschap, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° van de wet van 25 april 2014 of een entiteit als bedoeld in artikel 424 van de wet van 25 april 2014 af te wikkelen;
87° afwikkeling: de toepassing van een afwikkelingsinstrument om een of meer van de in artikel 243 van de wet van 25 april 2014 bepaalde doelstellingen te verwezenlijken;
88° saneringsmaatregelen: de maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een beursvennootschap in stand te houden of te herstellen en van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen bestaan deze maatregelen in:
a) de afwikkelingsinstrumenten en de desbetreffende afwikkelingsbevoegdheden als bedoeld in Boek II, Titel VIII van de wet van 25 april 2014;
b) de in artikel 204, § 1, 1° bedoelde aanstelling van een speciaal commissaris;
c) de schorsing of het verbod tot uitoefening van alle of een deel van de werkzaamheden, als bedoeld in artikel 204, § 1, 4° ;
89° saneringsautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van saneringsmaatregelen. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen zijn dit de afwikkelingsautoriteit en de Bank wat hun respectieve bevoegdheid inzake saneringsmaatregelen betreft;
90° saneringscommissaris: elke persoon of elk orgaan aangesteld door een saneringsautoriteit om saneringsmaatregelen te beheren;
91° vereffening: de tegeldemaking van de activa van een beursvennootschap volgens een liquidatieprocedure;
92° liquidatieprocedure: een collectieve procedure die door administratieve of rechterlijke autoriteiten wordt ingeleid en gecontroleerd teneinde de activa van een beursvennootschap onder toezicht van deze autoriteiten te gelde te maken. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen stemt een dergelijke procedure overeen met een faillissement als geregeld bij Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
93° liquidatieautoriteiten: de administratieve of rechterlijke autoriteiten die bevoegd zijn op het vlak van liquidatieprocedures. Voor de in Boek II bedoelde beursvennootschappen is dit de insolventierechtbank wat haar bevoegdheid op het gebied van faillissementen betreft;
94° liquidateur: elke persoon of elk orgaan, waaronder de curator, aangesteld door een liquidatieautoriteit om liquidatieprocedures te beheren;
95° insolventierechtbank: de insolventierechtbank als bedoeld in artikel I.22, 4° van het Wetboek van economisch recht;
96° make-whole-clausule: een bepaling die tot doel heeft de belegger te beschermen door ervoor te zorgen dat, in geval van vervroegde aflossing van een obligatie, de emittent aan de houder van de obligatie een bedrag moet betalen dat gelijk is aan de som van de netto contante waarde van de resterende couponbetalingen die tot de vervaldatum worden verwacht, en de hoofdsom van de af te lossen obligatie;
97° financiële holding: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014;
98° gemengde financiële holding: een moederonderneming die geen gereglementeerde onderneming is en die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat;
99° verzekeringsholding: een verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 5° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
100° gemengde verzekeringsholding: een gemengde verzekeringsholding in de zin van artikel 338, 6° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
101° beleggingsholding: een financiële instelling, in de zin van artikel 159, § 2, 2° waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of financiële instellingen zijn, die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt, en die geen financiële holding is.
102° gekwalificeerde centrale tegenpartij: een gekwalificeerde centrale tegenpartij in de zin van artikel 4, lid 1, punt 88, van Verordening nr. 575/2013, hierna ook "GCTP" genoemd.
103° aanvangskapitaal": het met het oog op het verkrijgen van een vergunning als beursvennootschap vereiste kapitaal, waarvan het bedrag en het type nader is bepaald in artikel 13.
Art.3. Pour l'application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
1° entreprise d'investissement, une entreprise d'investissement au sens de l'article 3, § 1er de la loi du 25 octobre 2016 ;
2° services et activités d'investissement, les services et activités suivants qui portent sur des instruments financiers :
1) la réception et la transmission d'ordres portant sur un ou plusieurs instruments financiers, en ce compris la mise en rapport de deux ou plusieurs investisseurs permettant ainsi la réalisation, entre ces investisseurs, d'une opération ;
2) l'exécution d'ordres au nom de clients ;
3) la négociation pour compte propre ;
4) la gestion de portefeuille ;
5) le conseil en investissement ;
6) la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
7) le placement d'instruments financiers sans engagement ferme ;
8) l'exploitation d'un système multilatéral de négociation (MTF) ;
9) l'exploitation d'un système organisé de négociation (OTF).
3° services auxiliaires, les services suivants :
1) la conservation et l'administration d'instruments financiers pour le compte de clients, y compris les services de garde et les services connexes, comme la gestion de trésorerie/de garanties, et à l'exclusion de la tenue centralisée de comptes de titres au plus haut niveau ;
2) l'octroi d'un crédit ou d'un prêt à un investisseur pour lui permettre d'effectuer une transaction sur un ou plusieurs instruments financiers, dans laquelle intervient l'entreprise qui octroie le crédit ou le prêt ;
3) le conseil aux entreprises en matière de structure du capital, de stratégie industrielle et de questions connexes ; le conseil et les services en matière de fusions et de rachat d'entreprises ;
4) les services de change lorsque ces services sont liés à la fourniture de services d'investissement ;
5) la recherche en investissements et l'analyse financière ou toute autre forme de recommandation générale concernant les transactions sur instruments financiers ;
6) les services liés à la prise ferme ;
7) ceux des services et activités d'investissement précités et services auxiliaires qui concernent le marché sous-jacent des instruments dérivés visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, e), f), g) et j) de la loi du 2 août 2002, lorsqu'ils sont liés à la prestation de services d'investissement ou de services auxiliaires ;
4° société de bourse de petite taille, une société de bourse visée à l'article 23 ;
5° société de bourse de taille importante, une société de bourse qui :
- remplit les conditions reprises à l'article 1er, paragraphe 2, points a) ou b) du Règlement 2019/2033 ;
- fait l'objet d'une décision de la Banque en application de l'article 91 de la présente loi ou de l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ; ou
- fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente de l'Etat membre où la société de bourse est agréée en application de la législation de cet Etat membre prise en vue de la transposition de l'article 5 de la directive 2019/2034 ou en application de l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033.
6° directive 2019/2034, la directive 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE ;
7° Règlement 2019/2033, le Règlement (UE) 2019/2033 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant les exigences prudentielles applicables aux entreprises d'investissement et modifiant les règlements (UE) n° 1093/2010, (UE) n° 575/2013, (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 806/2014 ;
8° directive 2013/36/UE, la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE ;
9° Règlement n° 575/2013, le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
10° directive 97/9/CE, la directive 97/9/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 mars 1997 relative aux systèmes d'indemnisation des investisseurs ;
11° directive 2011/89/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers ;
12° directive 2014/59/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012 ;
13° directive 2014/65/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE ;
14° directive 2015/849/UE, la directive 2015/849/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission ;
15° Règlement n° 1092/2010, le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l'Union européenne et instituant un Comité européen du risque systémique ;
16° Règlement n° 1093/2010, le Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission ;
17° Règlement n° 648/2012, le Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux ;
18° Règlement n° 537/2014, le Règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission ;
19° Règlement n° 600/2014, le Règlement (UE) n° 600/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant le règlement (UE) n ° 648/2012 ;
20° Règlement n° 806/2014, le Règlement (UE) n° 806/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2014 établissant des règles et une procédure uniformes pour la résolution des établissements de crédit et de certaines entreprises d'investissement dans le cadre d'un mécanisme de résolution unique et d'un Fonds de résolution bancaire unique, et modifiant le règlement (UE) n° 1093/2010 ;
21° Règlement 2015/2365, le Règlement (UE) 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opérations de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
22° Règlement 2017/565, le Règlement délégué (UE) 2017/565 de la Commission du 25 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences organisationnelles et les conditions d'exercice applicables aux entreprises d'investissement et la définition de certains termes aux fins de ladite directive ;
23° Règlement 2017/2402, le Règlement (UE) 2017/2402 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu'un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les directives 2009/65/CE, 2009/138/CE et 2011/61/UE et les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012 ;
[1 23° /1 règlement 2022/2554: le règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011 ;]1
24° loi du 22 février 1998, la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique ;
25° loi du 2 août 2002, la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers ;
26° loi du 25 avril 2014, la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ;
27° loi du 25 octobre 2016, la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ;
28° loi du 18 septembre 2017, la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;
29° loi du 21 novembre 2017, la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la directive 2014/65/UE ;
30° la Banque nationale de Belgique, l'organisme visé par la loi du 22 février 1998, ci-après désignée "la Banque" ;
31° l'Autorité des services et marchés financiers, l'organisme visé à l'article 44 de la loi du 2 août 2002, ci-après désignée "la FSMA" ;
32° autorité qui sert de point de contact pour la Belgique, la FSMA en sa qualité d'autorité compétente désignée comme point de contact en application de l'article 79, paragraphe 1er de la directive 2014/65/UE ;
33° autorité compétente, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un Etat membre en application de la directive 2019/2034/UE ou de la directive 2014/65/UE, qui est habilité en vertu de ce droit national à surveiller les entreprises d'investissement dans le cadre du système de surveillance de cet Etat ;
34° autorité de pays tiers, une autorité en charge du contrôle des entreprises d'investissement au sein d'un pays tiers ;
35° Autorité bancaire européenne, l'Autorité bancaire européenne instituée par le Règlement n° 1093/2010, ci-après, également l'"ABE" ;
36° Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité européenne des marchés financiers instituée par le Règlement n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission ;
37° CERS, le Comité européen du risque systémique créé par le Règlement (UE) n° 1092/2010 ;
38° Conseil de résolution unique, le Conseil institué par l'article 42 du Règlement n° 806/2014 ;
39° Etat membre, un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen (EEE) ;
40° pays tiers, un Etat qui n'est pas partie à l'Accord sur l'Espace économique européen ;
41° établissement de crédit, une entreprise visée à l'article 1er, § 3, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014 ;
42° entreprise d'assurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
43° entreprise de réassurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
44° organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif au sens de l'article 3, 1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
45° société de gestion d'organismes de placement collectif, une société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de l'article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
46° organismes de placement collectif alternatifs ou "OPCA", des organismes de placement collectif, y compris leurs compartiments d'investissement,
a) qui lèvent des capitaux auprès d'un certain nombre d'investisseurs en vue de les investir, conformément à une politique d'investissement définie, dans l'intérêt de ces investisseurs ; et
b) qui ne répondent pas aux conditions de la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM) ;
47° gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs au sens de l'article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également "gestionnaire d'OPCA" ;
48° entreprise réglementée, un établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, une société de gestion d'organismes de placement collectif, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs ;
49° instruments financiers, les instruments visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002 ;
50° négociation pour compte propre, le fait de négocier, en engageant ses propres capitaux, un ou plusieurs instruments financiers en vue de conclure des transactions ;
51° système multilatéral de négociation (multilateral trading facility - MTF), un système multilatéral, exploité par une société de bourse, un établissement de crédit ou une entreprise de marché, qui assure la rencontre - en son sein même et selon des règles non discrétionnaires - de multiples intérêts acheteurs et vendeurs exprimés par des tiers pour des instruments financiers, d'une manière qui aboutisse à la conclusion de contrats conformément aux dispositions du Chapitre II du Titre II de la loi du 21 novembre 2017 ;
52° système organisé de négociation (organised trading facility - OTF), un système multilatéral, autre qu'un marché réglementé ou un MTF, au sein duquel de multiples intérêts acheteurs et vendeurs exprimés par des tiers pour des obligations, des produits financiers structurés, des quotas d'émission ou des instruments dérivés peuvent interagir d'une manière qui aboutisse à la conclusion de contrats conformément aux dispositions du Chapitre II du Titre II de la loi du 21 novembre 2017 ;
53° marché réglementé, un marché réglementé au sens de l'article 3, 7°, de la loi du 21 novembre 2017 ;
54° négociant en matières premières et quotas d'émission, une entreprise dont l'activité principale consiste exclusivement à fournir des services d'investissement ou à exercer des activités d'investissement portant sur les instruments dérivés sur matières premières ou les contrats dérivés sur matières premières visés aux points e), f), g), i) et j) de l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002 ou les contrats dérivés de quotas d'émission visés au point d) dudit article ou les quotas d'émission visés au point k) dudit article ;
55° instruments dérivés, des instruments dérivés tels que définis à l'article 2, paragraphe 1er, point 29), du Règlement n° 600/2014 ;
56° dépôt structuré, un dépôt au sens de l'article 2, 62°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
57° contrats financiers, les contrats et accords suivants :
a) les contrats sur titres, y compris :
1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'un titre ou d'un groupe ou indice de titres ;
2° les options sur un titre ou sur un groupe ou indice de titres ;
3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur un tel titre, un tel groupe ou un tel indice ;
b) les contrats sur matières premières, y compris :
1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'une matière première ou d'un groupe ou indice de matières premières en vue de leur livraison à une date ultérieure ;
2° les options sur une matière première ou sur un groupe ou un indice de matières premières ;
3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur une telle matière première, un tel groupe ou un tel indice ;
c) les contrats à terme, y compris les contrats (autres qu'un contrat sur matières premières) d'achat, de vente ou de transfert, à une date ultérieure, d'une matière première ou de biens de toute autre nature, d'un service, d'un droit ou d'une garantie pour un prix spécifié ;
d) les accords de swap, notamment
1° les swaps et les options relatifs aux taux d'intérêt, les accords au comptant ou autres accords sur devises, les swaps sur monnaies, les indices d'actions ou les actions, les indices de dettes ou les dettes, les indices de matières premières ou les matières premières, le climat, les émissions ou l'inflation ;
2° les swaps sur rendement total, sur spreads de crédit et swaps de crédits ;
3° tout accord ou toute opération similaire à un accord visé au point 1° ou 2° qui fait l'objet d'opérations récurrentes sur les marchés des swaps ou des produits dérivés ;
e) les accords d'emprunt interbancaire dont l'échéance est inférieure ou égale à trois mois ;
f) les accords-cadres relatifs à tous les types de contrats et d'accords visés aux points a) à e) ;
58° internalisateur systématique, une société de bourse qui exerce l'activité définie à l'article 3, 29°, de la loi du 21 novembre 2017 ;
59° trading algorithmique, le trading algorithmique au sens de l'article 2, 59°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
60° accès électronique direct, l'accès électronique direct au sens de l'article 2, 61°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
61° risque systémique, un risque de perturbation du système financier susceptible d'avoir de graves répercussions négatives sur le système financier et l'économie réelle ;
62° membre exécutif de l'organe légal d'administration, un membre de l'organe légal d'administration qui participe à la direction effective de la société ; est notamment membre exécutif, le membre de l'organe légal d'administration qui est membre du comité de direction, qui participe à la direction effective ou qui s'est vu déléguer la gestion journalière au sens des articles 6:67, alinéa 2 ou 7:121, alinéa 2 du Code des sociétés et des associations ;
63° personne participant à la direction effective, un membre exécutif de l'organe légal d'administration, un membre du comité de direction ou une personne dont la fonction est située à un niveau hiérarchique immédiatement inférieur pour autant qu'en cette qualité ce membre exerce une influence directe et déterminante sur la direction de tout ou partie des activités de la société, en ce compris les dirigeants de succursales établie dans l'EEE par une société de bourse de droit belge ;
64° administrateur indépendant ou membre indépendant de l'organe légal d'administration, les personnes qui répondent aux critères définis par l'Autorité bancaire européenne, le cas échéant conjointement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, et aux critères suivants :
a) durant une période de cinq années précédant leur nomination, ne pas avoir exercé un mandat de membre exécutif de l'organe d'administration, ou une fonction de membre du conseil de direction ou du comité de direction ou de délégué à la gestion journalière, ni auprès de la société de bourse, ni auprès d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
b) ne pas avoir siégé au sein de l'organe d'administration en tant que membre non exécutif pendant plus de trois mandats successifs, sans que cette période ne puisse excéder douze ans ;
c) durant une période de trois années précédant leur nomination, ne pas avoir fait partie du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
d) ne pas recevoir, ni avoir reçu, de rémunération ou un autre avantage significatif de nature patrimoniale de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en dehors des tantièmes et honoraires éventuellement perçus comme membre non exécutif de l'organe d'administration ou membre de l'organe de surveillance ;
e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de la société de bourse ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans la même société de bourse par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de la société de bourse ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;
f) ne pas entretenir, ni avoir entretenu au cours du dernier exercice social, une relation d'affaires significative avec la société de bourse ou une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni directement ni en qualité d'associé, d'actionnaire, de membre de l'organe d'administration ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, d'une société ou personne entretenant une telle relation ;
g) ne pas avoir été au cours des trois dernières années, associé ou salarié du commissaire, actuel ou précédent, de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
h) ne pas être membre exécutif de l'organe d'administration d'une autre société dans laquelle un membre exécutif de l'organe d'administration de la société de bourse siège en tant que membre non exécutif de l'organe de d'administration ou membre de l'organe de surveillance, ni entretenir d'autres liens importants avec les membres exécutifs de l'organe d'administration de la société de bourse du fait de fonctions occupées dans d'autres sociétés ou organes ;
i) n'avoir, ni au sein de la société de bourse, ni au sein d'une société ou d'une personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni conjoint ni cohabitant légal, ni parents ni alliés jusqu'au deuxième degré exerçant un mandat de membre de l'organe d'administration, de membre conseil de direction, de membre du comité de direction, de délégué à la gestion journalière ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ou se trouvant dans un des autres cas définis aux points a) à h).
La décision de nomination fait mention des motifs sur la base desquels est octroyée la qualité d'administrateur indépendant. Le Roi, de même que les statuts, peuvent prévoir des critères additionnels ou plus sévères.
Moyennant justification dûment motivée et sous réserve d'une appréciation contraire de la Banque, qui vérifie le bien-fondé de cette justification, une société de bourse peut déroger aux critères visés à l'alinéa 1er ;
65° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs pour un travail identique ou équivalent, et ce quel que soit leur genre ;
66° soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, toute aide d'Etat, au sens de l'article 107, paragraphe 1, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est accordée à une société de bourse dans le but de préserver ou de rétablir la viabilité, la liquidité ou la solvabilité de cette société de bourse ;
67° décision stratégique,
1) une décision prise par une société de bourse ou par une entité sous son contrôle, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur la société, dans la mesure où différentes fonctions de la société seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de la société, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'une autre société, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des sociétés, ou, le cas échéant, le groupe auxquels elles appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de la société de bourse, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur la société ;
68° fonctions de contrôle indépendantes, la fonction d'audit interne, la fonction de conformité (compliance) ou la fonction de gestion des risques visées à l'article 31 ;
69° fonctions critiques, les activités, services ou opérations d'une société de bourse dont l'interruption est susceptible, en Belgique ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, d'entraîner des perturbations de services essentiels à l'économie réelle ou de perturber la stabilité financière, en raison de la taille, de la part de marché, de l'interdépendance interne et externe, de la complexité ou des activités transfrontalières de la société de bourse ou du groupe dont elle fait partie, une attention particulière étant accordée à la substituabilité de ces activités, services ou opérations ;
70° les notions de contrôle, participation, lien de participation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée, le sens qui leur est conféré par le Code des sociétés et des associations, ces notions incluant également les situations visées par ledit Code avec des associations lorsque la nature juridique de l'association le permet ;
71° liens étroits,
a) une situation dans laquelle il existe un lien de participation ;
b) une situation dans laquelle des entreprises sont des entreprises liées ; ou
c) une relation de même nature que sous les points a) et b) ci-dessus entre une personne physique et une personne morale ;
72° participation qualifiée, la détention, directe ou indirecte, de 10 p.c. au moins du capital d'une société ou des droits de vote attachés aux titres émis par cette société, ou toute autre possibilité d'exercer une influence notable sur la gestion de la société dans laquelle est détenue une participation ; le calcul des droits de vote s'établit conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, ainsi qu'à celles de ses arrêtés d'exécution ; il n'est pas tenu compte des droits de vote ou des actions détenues à la suite de la prise ferme d'instruments financiers et/ou du placement d'instruments financiers avec engagement ferme, pour autant que, d'une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans la gestion de l'émetteur et que, d'autre part, ils soient cédés dans un délai d'un an après leur acquisition ;
73° personnes apparentées, conjoints, partenaires qui, selon leur droit national, sont considérés comme l'équivalent d'un conjoint et les parents au premier degré ;
74° exigences de fonds propres réglementaires, les exigences de fonds propres prévues par l'article 11 du Règlement 2019/2033 ou, le cas échéant, par l'article 92 du Règlement n° 575/2013 ;
75° fonds propres de base de catégorie 1, fonds propres additionnels de catégorie 1 et fonds propres de catégorie 2, les composantes de fonds propres réglementaires prévues respectivement à la deuxième Partie, Titre I, Chapitres 2, 3 et 4 du Règlement n° 575/2013 ;
76° stabilité du système financier, une situation dans laquelle la probabilité de discontinuité ou de perturbation du fonctionnement du système financier est faible ou, si de telles perturbations devaient survenir, leurs conséquences sur l'économie seraient limitées ;
77° Fonds de garantie, le Fonds de garantie pour les services financiers créé par l'article 3 de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti-crise prévues dans la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du Fonds de garantie pour les services financiers ;
78° jour ouvrable, un jour qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal ;
79° succursale, un siège d'exploitation autre que l'administration centrale qui constitue une partie dépourvue de personnalité juridique d'une société de bourse et qui fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et les services auxiliaires pour lesquels cette société de bourse a obtenu un agrément ; tous les sièges d'exploitation établis dans le même Etat par une société de bourse ayant son siège social dans un autre Etat sont considérés comme une seule succursale ;
80° succursale d'importance significative, une succursale considérée comme ayant une importance significative dans un Etat membre conformément à l'article 51, paragraphe 1er de la directive 2013/36/UE ;
81° agent lié, un agent lié au sens de l'article 2, 25° de la loi du 25 octobre 2016 ;
82° intermédiaire tiers, un intermédiaire visé à l'article 69, § 2, alinéa 2 auprès duquel une société de bourse dépose des avoirs de clients ;
83° plan de redressement, un plan élaboré par une société de bourse visée à l'article 13, § 2 conformément à l'article 108 ;
84° plan de redressement de groupe, un plan établi conformément à l'article 425 de la loi du 25 avril 2014 ou un plan au sens de l'article 7 de la directive 2014/59/UE établi par une entreprise mère dans l'EEE ;
85° autorité de résolution, la Banque ou le Conseil de résolution unique, selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement (UE) n° 806/2014 ;
86° résolvabilité, la possibilité pour une autorité de résolution de résoudre la défaillance d'une société de bourse, d'un groupe visé à l'article 423, 12° de la loi du 25 avril 2014, ou d'une entité visée à l'article 424 de la loi du 25 avril 2014 ;
87° résolution, l'application d'un instrument de résolution dans le but d'atteindre un ou plusieurs des objectifs énoncés à l'article 243 de la loi du 25 avril 2014 ;
88° mesures d'assainissement, les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d'une société de bourse et susceptibles d'affecter les droits préexistants des tiers. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, ces mesures correspondent :
a) aux instruments de résolution et aux pouvoirs de résolution y afférents visés au Livre II, Titre VIII de la loi du 25 avril 2014 ;
b) à la désignation d'un commissaire spécial visée à l'article 204, § 1er, 1° ;
c) à la suspension ou l'interdiction de tout ou partie des activités, visée à l'article 204 § 1er, 4° ;
89° autorités d'assainissement, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d'assainissement. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, ces autorités sont l'autorité de résolution et la Banque en ce qui concerne leur compétence respective en matière de mesures d'assainissement ;
90° commissaire à l'assainissement, toute personne ou organe nommé par une autorité d'assainissement en vue de gérer des mesures d'assainissement ;
91° liquidation, la réalisation des actifs d'une société de bourse selon une procédure de liquidation ;
92° procédure de liquidation, une procédure collective ouverte et contrôlée par des autorités administratives ou judiciaires dans le but de la réalisation des biens d'une société de bourse sous la surveillance de ces autorités. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, une telle procédure correspond à la faillite régie par le Livre XX du Code de droit économique ;
93° autorités de liquidation, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, une telle autorité correspond au tribunal de l'insolvabilité en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite ;
94° liquidateur, toute personne ou organe, dont le curateur, nommé par une autorité de liquidation en vue de gérer des procédures de liquidation ;
95° tribunal de l'insolvabilité, le tribunal de l'insolvabilité visé à l'article I.22, 4°, du Code de droit économique ;
96° clause de remboursement make-whole, une clause qui vise à protéger les investisseurs en veillant à ce que, en cas de remboursement anticipé d'une obligation, l'émetteur soit tenu de verser à l'investisseur détenant l'obligation un montant égal à la somme de la valeur actuelle nette des paiements de coupons restants attendus jusqu'à la date d'échéance et du montant principal de l'obligation à rembourser ;
97° compagnie financière, le sens qui lui est conféré par la loi du 25 avril 2014 ;
98° compagnie financière mixte, une entreprise mère, autre qu'une entreprise réglementée, qui est à la tête d'un conglomérat financier ;
99° société holding d'assurance, une société holding d'assurance au sens de l'article 338, 5° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
100° société holding mixte d'assurance, une société holding mixte d'assurance au sens de l'article 338, 6° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
101° compagnie holding d'investissement, un établissement financier, au sens de l'article 159, § 2, 2° dont les filiales sont exclusivement ou principalement des entreprises d'investissement ou des établissements financiers, l'une de ces filiales au moins étant une entreprise d'investissement, et qui n'est pas une compagnie financière ;
102° contrepartie centrale éligible, une contrepartie centrale éligible au sens de l'article 4, paragraphe 1, point 88), du Règlement n° 575/2013, ci-après également désignée "QCCP" ;
103° capital initial, le capital exigé aux fins de l'agrément en tant que société de bourse, dont le montant et le type sont précisés à l'article 13.
1° entreprise d'investissement, une entreprise d'investissement au sens de l'article 3, § 1er de la loi du 25 octobre 2016 ;
2° services et activités d'investissement, les services et activités suivants qui portent sur des instruments financiers :
1) la réception et la transmission d'ordres portant sur un ou plusieurs instruments financiers, en ce compris la mise en rapport de deux ou plusieurs investisseurs permettant ainsi la réalisation, entre ces investisseurs, d'une opération ;
2) l'exécution d'ordres au nom de clients ;
3) la négociation pour compte propre ;
4) la gestion de portefeuille ;
5) le conseil en investissement ;
6) la prise ferme d'instruments financiers et/ou le placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
7) le placement d'instruments financiers sans engagement ferme ;
8) l'exploitation d'un système multilatéral de négociation (MTF) ;
9) l'exploitation d'un système organisé de négociation (OTF).
3° services auxiliaires, les services suivants :
1) la conservation et l'administration d'instruments financiers pour le compte de clients, y compris les services de garde et les services connexes, comme la gestion de trésorerie/de garanties, et à l'exclusion de la tenue centralisée de comptes de titres au plus haut niveau ;
2) l'octroi d'un crédit ou d'un prêt à un investisseur pour lui permettre d'effectuer une transaction sur un ou plusieurs instruments financiers, dans laquelle intervient l'entreprise qui octroie le crédit ou le prêt ;
3) le conseil aux entreprises en matière de structure du capital, de stratégie industrielle et de questions connexes ; le conseil et les services en matière de fusions et de rachat d'entreprises ;
4) les services de change lorsque ces services sont liés à la fourniture de services d'investissement ;
5) la recherche en investissements et l'analyse financière ou toute autre forme de recommandation générale concernant les transactions sur instruments financiers ;
6) les services liés à la prise ferme ;
7) ceux des services et activités d'investissement précités et services auxiliaires qui concernent le marché sous-jacent des instruments dérivés visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, e), f), g) et j) de la loi du 2 août 2002, lorsqu'ils sont liés à la prestation de services d'investissement ou de services auxiliaires ;
4° société de bourse de petite taille, une société de bourse visée à l'article 23 ;
5° société de bourse de taille importante, une société de bourse qui :
- remplit les conditions reprises à l'article 1er, paragraphe 2, points a) ou b) du Règlement 2019/2033 ;
- fait l'objet d'une décision de la Banque en application de l'article 91 de la présente loi ou de l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ; ou
- fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente de l'Etat membre où la société de bourse est agréée en application de la législation de cet Etat membre prise en vue de la transposition de l'article 5 de la directive 2019/2034 ou en application de l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033.
6° directive 2019/2034, la directive 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE ;
7° Règlement 2019/2033, le Règlement (UE) 2019/2033 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant les exigences prudentielles applicables aux entreprises d'investissement et modifiant les règlements (UE) n° 1093/2010, (UE) n° 575/2013, (UE) n° 600/2014 et (UE) n° 806/2014 ;
8° directive 2013/36/UE, la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant l'accès des établissements de crédit et la surveillance prudentielle des établissements de crédit modifiant la directive 2002/87/CE et abrogeant les directives 2006/48/CE et 2006/49/CE ;
9° Règlement n° 575/2013, le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
10° directive 97/9/CE, la directive 97/9/CE du Parlement européen et du Conseil du 3 mars 1997 relative aux systèmes d'indemnisation des investisseurs ;
11° directive 2011/89/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 16 novembre 2011 modifiant les directives 98/78/CE, 2002/87/CE, 2006/48/CE et 2009/138/CE en ce qui concerne la surveillance complémentaire des entités financières des conglomérats financiers ;
12° directive 2014/59/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 établissant un cadre pour le redressement et la résolution des établissements de crédit et des entreprises d'investissement et modifiant la directive 82/891/CEE du Conseil ainsi que les directives du Parlement européen et du Conseil 2001/24/CE, 2002/47/CE, 2004/25/CE, 2005/56/CE, 2007/36/CE, 2011/35/UE, 2012/30/UE et 2013/36/UE et les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 1093/2010 et (UE) n° 648/2012 ;
13° directive 2014/65/UE, la directive du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant la directive 2002/92/CE et la directive 2011/61/UE ;
14° directive 2015/849/UE, la directive 2015/849/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission ;
15° Règlement n° 1092/2010, le Règlement (UE) n° 1092/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 relatif à la surveillance macroprudentielle du système financier dans l'Union européenne et instituant un Comité européen du risque systémique ;
16° Règlement n° 1093/2010, le Règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/78/CE de la Commission ;
17° Règlement n° 648/2012, le Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux ;
18° Règlement n° 537/2014, le Règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission ;
19° Règlement n° 600/2014, le Règlement (UE) n° 600/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 concernant les marchés d'instruments financiers et modifiant le règlement (UE) n ° 648/2012 ;
20° Règlement n° 806/2014, le Règlement (UE) n° 806/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 juillet 2014 établissant des règles et une procédure uniformes pour la résolution des établissements de crédit et de certaines entreprises d'investissement dans le cadre d'un mécanisme de résolution unique et d'un Fonds de résolution bancaire unique, et modifiant le règlement (UE) n° 1093/2010 ;
21° Règlement 2015/2365, le Règlement (UE) 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opérations de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012 ;
22° Règlement 2017/565, le Règlement délégué (UE) 2017/565 de la Commission du 25 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences organisationnelles et les conditions d'exercice applicables aux entreprises d'investissement et la définition de certains termes aux fins de ladite directive ;
23° Règlement 2017/2402, le Règlement (UE) 2017/2402 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu'un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les directives 2009/65/CE, 2009/138/CE et 2011/61/UE et les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012 ;
[1 23° /1 règlement 2022/2554: le règlement (UE) 2022/2554 du Parlement européen et du Conseil du 14 décembre 2022 sur la résilience opérationnelle numérique du secteur financier et modifiant les règlements (CE) n° 1060/2009, (UE) n° 648/2012, (UE) n° 600/2014, (UE) n° 909/2014 et (UE) 2016/1011 ;]1
24° loi du 22 février 1998, la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique ;
25° loi du 2 août 2002, la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers ;
26° loi du 25 avril 2014, la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ;
27° loi du 25 octobre 2016, la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ;
28° loi du 18 septembre 2017, la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ;
29° loi du 21 novembre 2017, la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la directive 2014/65/UE ;
30° la Banque nationale de Belgique, l'organisme visé par la loi du 22 février 1998, ci-après désignée "la Banque" ;
31° l'Autorité des services et marchés financiers, l'organisme visé à l'article 44 de la loi du 2 août 2002, ci-après désignée "la FSMA" ;
32° autorité qui sert de point de contact pour la Belgique, la FSMA en sa qualité d'autorité compétente désignée comme point de contact en application de l'article 79, paragraphe 1er de la directive 2014/65/UE ;
33° autorité compétente, une autorité publique ou un organisme officiellement reconnu par le droit national d'un Etat membre en application de la directive 2019/2034/UE ou de la directive 2014/65/UE, qui est habilité en vertu de ce droit national à surveiller les entreprises d'investissement dans le cadre du système de surveillance de cet Etat ;
34° autorité de pays tiers, une autorité en charge du contrôle des entreprises d'investissement au sein d'un pays tiers ;
35° Autorité bancaire européenne, l'Autorité bancaire européenne instituée par le Règlement n° 1093/2010, ci-après, également l'"ABE" ;
36° Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité européenne des marchés financiers instituée par le Règlement n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010 instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité européenne des marchés financiers), modifiant la décision n° 716/2009/CE et abrogeant la décision 2009/77/CE de la Commission ;
37° CERS, le Comité européen du risque systémique créé par le Règlement (UE) n° 1092/2010 ;
38° Conseil de résolution unique, le Conseil institué par l'article 42 du Règlement n° 806/2014 ;
39° Etat membre, un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen (EEE) ;
40° pays tiers, un Etat qui n'est pas partie à l'Accord sur l'Espace économique européen ;
41° établissement de crédit, une entreprise visée à l'article 1er, § 3, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014 ;
42° entreprise d'assurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 1°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
43° entreprise de réassurance, une entreprise visée à l'article 5, alinéa 1er, 2° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
44° organisme de placement collectif, un organisme de placement collectif au sens de l'article 3, 1° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
45° société de gestion d'organismes de placement collectif, une société de gestion d'organismes de placement collectif au sens de l'article 3, 12° de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
46° organismes de placement collectif alternatifs ou "OPCA", des organismes de placement collectif, y compris leurs compartiments d'investissement,
a) qui lèvent des capitaux auprès d'un certain nombre d'investisseurs en vue de les investir, conformément à une politique d'investissement définie, dans l'intérêt de ces investisseurs ; et
b) qui ne répondent pas aux conditions de la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM) ;
47° gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs au sens de l'article 3, 13° de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, ci-après également "gestionnaire d'OPCA" ;
48° entreprise réglementée, un établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, une société de gestion d'organismes de placement collectif, un gestionnaire d'organismes de placement collectif alternatifs ;
49° instruments financiers, les instruments visés à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 2 août 2002 ;
50° négociation pour compte propre, le fait de négocier, en engageant ses propres capitaux, un ou plusieurs instruments financiers en vue de conclure des transactions ;
51° système multilatéral de négociation (multilateral trading facility - MTF), un système multilatéral, exploité par une société de bourse, un établissement de crédit ou une entreprise de marché, qui assure la rencontre - en son sein même et selon des règles non discrétionnaires - de multiples intérêts acheteurs et vendeurs exprimés par des tiers pour des instruments financiers, d'une manière qui aboutisse à la conclusion de contrats conformément aux dispositions du Chapitre II du Titre II de la loi du 21 novembre 2017 ;
52° système organisé de négociation (organised trading facility - OTF), un système multilatéral, autre qu'un marché réglementé ou un MTF, au sein duquel de multiples intérêts acheteurs et vendeurs exprimés par des tiers pour des obligations, des produits financiers structurés, des quotas d'émission ou des instruments dérivés peuvent interagir d'une manière qui aboutisse à la conclusion de contrats conformément aux dispositions du Chapitre II du Titre II de la loi du 21 novembre 2017 ;
53° marché réglementé, un marché réglementé au sens de l'article 3, 7°, de la loi du 21 novembre 2017 ;
54° négociant en matières premières et quotas d'émission, une entreprise dont l'activité principale consiste exclusivement à fournir des services d'investissement ou à exercer des activités d'investissement portant sur les instruments dérivés sur matières premières ou les contrats dérivés sur matières premières visés aux points e), f), g), i) et j) de l'article 2, alinéa 1er, 1° de la loi du 2 août 2002 ou les contrats dérivés de quotas d'émission visés au point d) dudit article ou les quotas d'émission visés au point k) dudit article ;
55° instruments dérivés, des instruments dérivés tels que définis à l'article 2, paragraphe 1er, point 29), du Règlement n° 600/2014 ;
56° dépôt structuré, un dépôt au sens de l'article 2, 62°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
57° contrats financiers, les contrats et accords suivants :
a) les contrats sur titres, y compris :
1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'un titre ou d'un groupe ou indice de titres ;
2° les options sur un titre ou sur un groupe ou indice de titres ;
3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur un tel titre, un tel groupe ou un tel indice ;
b) les contrats sur matières premières, y compris :
1° les contrats d'achat, de vente ou de prêt d'une matière première ou d'un groupe ou indice de matières premières en vue de leur livraison à une date ultérieure ;
2° les options sur une matière première ou sur un groupe ou un indice de matières premières ;
3° les opérations de mise en pension ou de prise en pension sur une telle matière première, un tel groupe ou un tel indice ;
c) les contrats à terme, y compris les contrats (autres qu'un contrat sur matières premières) d'achat, de vente ou de transfert, à une date ultérieure, d'une matière première ou de biens de toute autre nature, d'un service, d'un droit ou d'une garantie pour un prix spécifié ;
d) les accords de swap, notamment
1° les swaps et les options relatifs aux taux d'intérêt, les accords au comptant ou autres accords sur devises, les swaps sur monnaies, les indices d'actions ou les actions, les indices de dettes ou les dettes, les indices de matières premières ou les matières premières, le climat, les émissions ou l'inflation ;
2° les swaps sur rendement total, sur spreads de crédit et swaps de crédits ;
3° tout accord ou toute opération similaire à un accord visé au point 1° ou 2° qui fait l'objet d'opérations récurrentes sur les marchés des swaps ou des produits dérivés ;
e) les accords d'emprunt interbancaire dont l'échéance est inférieure ou égale à trois mois ;
f) les accords-cadres relatifs à tous les types de contrats et d'accords visés aux points a) à e) ;
58° internalisateur systématique, une société de bourse qui exerce l'activité définie à l'article 3, 29°, de la loi du 21 novembre 2017 ;
59° trading algorithmique, le trading algorithmique au sens de l'article 2, 59°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
60° accès électronique direct, l'accès électronique direct au sens de l'article 2, 61°, de la loi du 25 octobre 2016 ;
61° risque systémique, un risque de perturbation du système financier susceptible d'avoir de graves répercussions négatives sur le système financier et l'économie réelle ;
62° membre exécutif de l'organe légal d'administration, un membre de l'organe légal d'administration qui participe à la direction effective de la société ; est notamment membre exécutif, le membre de l'organe légal d'administration qui est membre du comité de direction, qui participe à la direction effective ou qui s'est vu déléguer la gestion journalière au sens des articles 6:67, alinéa 2 ou 7:121, alinéa 2 du Code des sociétés et des associations ;
63° personne participant à la direction effective, un membre exécutif de l'organe légal d'administration, un membre du comité de direction ou une personne dont la fonction est située à un niveau hiérarchique immédiatement inférieur pour autant qu'en cette qualité ce membre exerce une influence directe et déterminante sur la direction de tout ou partie des activités de la société, en ce compris les dirigeants de succursales établie dans l'EEE par une société de bourse de droit belge ;
64° administrateur indépendant ou membre indépendant de l'organe légal d'administration, les personnes qui répondent aux critères définis par l'Autorité bancaire européenne, le cas échéant conjointement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, et aux critères suivants :
a) durant une période de cinq années précédant leur nomination, ne pas avoir exercé un mandat de membre exécutif de l'organe d'administration, ou une fonction de membre du conseil de direction ou du comité de direction ou de délégué à la gestion journalière, ni auprès de la société de bourse, ni auprès d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
b) ne pas avoir siégé au sein de l'organe d'administration en tant que membre non exécutif pendant plus de trois mandats successifs, sans que cette période ne puisse excéder douze ans ;
c) durant une période de trois années précédant leur nomination, ne pas avoir fait partie du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
d) ne pas recevoir, ni avoir reçu, de rémunération ou un autre avantage significatif de nature patrimoniale de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en dehors des tantièmes et honoraires éventuellement perçus comme membre non exécutif de l'organe d'administration ou membre de l'organe de surveillance ;
e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de la société de bourse ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans la même société de bourse par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de la société de bourse ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;
f) ne pas entretenir, ni avoir entretenu au cours du dernier exercice social, une relation d'affaires significative avec la société de bourse ou une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni directement ni en qualité d'associé, d'actionnaire, de membre de l'organe d'administration ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, d'une société ou personne entretenant une telle relation ;
g) ne pas avoir été au cours des trois dernières années, associé ou salarié du commissaire, actuel ou précédent, de la société de bourse ou d'une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations ;
h) ne pas être membre exécutif de l'organe d'administration d'une autre société dans laquelle un membre exécutif de l'organe d'administration de la société de bourse siège en tant que membre non exécutif de l'organe de d'administration ou membre de l'organe de surveillance, ni entretenir d'autres liens importants avec les membres exécutifs de l'organe d'administration de la société de bourse du fait de fonctions occupées dans d'autres sociétés ou organes ;
i) n'avoir, ni au sein de la société de bourse, ni au sein d'une société ou d'une personne liée à celle-ci au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, ni conjoint ni cohabitant légal, ni parents ni alliés jusqu'au deuxième degré exerçant un mandat de membre de l'organe d'administration, de membre conseil de direction, de membre du comité de direction, de délégué à la gestion journalière ou de membre du personnel de direction, au sens de l'article 19, 2°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, ou se trouvant dans un des autres cas définis aux points a) à h).
La décision de nomination fait mention des motifs sur la base desquels est octroyée la qualité d'administrateur indépendant. Le Roi, de même que les statuts, peuvent prévoir des critères additionnels ou plus sévères.
Moyennant justification dûment motivée et sous réserve d'une appréciation contraire de la Banque, qui vérifie le bien-fondé de cette justification, une société de bourse peut déroger aux critères visés à l'alinéa 1er ;
65° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs pour un travail identique ou équivalent, et ce quel que soit leur genre ;
66° soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics, toute aide d'Etat, au sens de l'article 107, paragraphe 1, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est accordée à une société de bourse dans le but de préserver ou de rétablir la viabilité, la liquidité ou la solvabilité de cette société de bourse ;
67° décision stratégique,
1) une décision prise par une société de bourse ou par une entité sous son contrôle, dès lors qu'une telle décision est d'une certaine importance et dès lors susceptible d'avoir un impact plus global sur la société, dans la mesure où différentes fonctions de la société seraient touchées ou remises en question à la suite de pareille décision, qui concerne tout investissement, désinvestissement, participation ou relation de coopération stratégique de la société, notamment, une décision d'acquisition ou de constitution d'une autre société, de constitution d'une joint-venture, d'établissement dans un autre Etat, de conclusion d'accords de coopération, d'apport ou d'acquisition d'une branche d'activité, de fusion ou de scission, ou encore dans la mesure où elle conduit à l'admission initiale à la négociation des titres représentatifs de capital sur une plateforme de négociation. La Banque, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, peut préciser les décisions qui sont à considérer comme stratégiques au sens de la présente disposition en tenant notamment compte du profil de risque et de la nature des activités des sociétés, ou, le cas échéant, le groupe auxquels elles appartiennent. Elle publie ces précisions ;
2) tout type de décision produisant des effets similaires dans le chef de la société de bourse, prise par un actionnaire qui exerce le contrôle sur la société ;
68° fonctions de contrôle indépendantes, la fonction d'audit interne, la fonction de conformité (compliance) ou la fonction de gestion des risques visées à l'article 31 ;
69° fonctions critiques, les activités, services ou opérations d'une société de bourse dont l'interruption est susceptible, en Belgique ou dans un ou plusieurs autres Etats membres, d'entraîner des perturbations de services essentiels à l'économie réelle ou de perturber la stabilité financière, en raison de la taille, de la part de marché, de l'interdépendance interne et externe, de la complexité ou des activités transfrontalières de la société de bourse ou du groupe dont elle fait partie, une attention particulière étant accordée à la substituabilité de ces activités, services ou opérations ;
70° les notions de contrôle, participation, lien de participation, entreprise-mère, filiale, consortium et entreprise liée, le sens qui leur est conféré par le Code des sociétés et des associations, ces notions incluant également les situations visées par ledit Code avec des associations lorsque la nature juridique de l'association le permet ;
71° liens étroits,
a) une situation dans laquelle il existe un lien de participation ;
b) une situation dans laquelle des entreprises sont des entreprises liées ; ou
c) une relation de même nature que sous les points a) et b) ci-dessus entre une personne physique et une personne morale ;
72° participation qualifiée, la détention, directe ou indirecte, de 10 p.c. au moins du capital d'une société ou des droits de vote attachés aux titres émis par cette société, ou toute autre possibilité d'exercer une influence notable sur la gestion de la société dans laquelle est détenue une participation ; le calcul des droits de vote s'établit conformément aux dispositions de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, ainsi qu'à celles de ses arrêtés d'exécution ; il n'est pas tenu compte des droits de vote ou des actions détenues à la suite de la prise ferme d'instruments financiers et/ou du placement d'instruments financiers avec engagement ferme, pour autant que, d'une part, ces droits ne soient pas exercés ni utilisés autrement pour intervenir dans la gestion de l'émetteur et que, d'autre part, ils soient cédés dans un délai d'un an après leur acquisition ;
73° personnes apparentées, conjoints, partenaires qui, selon leur droit national, sont considérés comme l'équivalent d'un conjoint et les parents au premier degré ;
74° exigences de fonds propres réglementaires, les exigences de fonds propres prévues par l'article 11 du Règlement 2019/2033 ou, le cas échéant, par l'article 92 du Règlement n° 575/2013 ;
75° fonds propres de base de catégorie 1, fonds propres additionnels de catégorie 1 et fonds propres de catégorie 2, les composantes de fonds propres réglementaires prévues respectivement à la deuxième Partie, Titre I, Chapitres 2, 3 et 4 du Règlement n° 575/2013 ;
76° stabilité du système financier, une situation dans laquelle la probabilité de discontinuité ou de perturbation du fonctionnement du système financier est faible ou, si de telles perturbations devaient survenir, leurs conséquences sur l'économie seraient limitées ;
77° Fonds de garantie, le Fonds de garantie pour les services financiers créé par l'article 3 de l'arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti-crise prévues dans la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du Fonds de garantie pour les services financiers ;
78° jour ouvrable, un jour qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal ;
79° succursale, un siège d'exploitation autre que l'administration centrale qui constitue une partie dépourvue de personnalité juridique d'une société de bourse et qui fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et les services auxiliaires pour lesquels cette société de bourse a obtenu un agrément ; tous les sièges d'exploitation établis dans le même Etat par une société de bourse ayant son siège social dans un autre Etat sont considérés comme une seule succursale ;
80° succursale d'importance significative, une succursale considérée comme ayant une importance significative dans un Etat membre conformément à l'article 51, paragraphe 1er de la directive 2013/36/UE ;
81° agent lié, un agent lié au sens de l'article 2, 25° de la loi du 25 octobre 2016 ;
82° intermédiaire tiers, un intermédiaire visé à l'article 69, § 2, alinéa 2 auprès duquel une société de bourse dépose des avoirs de clients ;
83° plan de redressement, un plan élaboré par une société de bourse visée à l'article 13, § 2 conformément à l'article 108 ;
84° plan de redressement de groupe, un plan établi conformément à l'article 425 de la loi du 25 avril 2014 ou un plan au sens de l'article 7 de la directive 2014/59/UE établi par une entreprise mère dans l'EEE ;
85° autorité de résolution, la Banque ou le Conseil de résolution unique, selon les répartitions de compétences prévues par ou en vertu du Règlement (UE) n° 806/2014 ;
86° résolvabilité, la possibilité pour une autorité de résolution de résoudre la défaillance d'une société de bourse, d'un groupe visé à l'article 423, 12° de la loi du 25 avril 2014, ou d'une entité visée à l'article 424 de la loi du 25 avril 2014 ;
87° résolution, l'application d'un instrument de résolution dans le but d'atteindre un ou plusieurs des objectifs énoncés à l'article 243 de la loi du 25 avril 2014 ;
88° mesures d'assainissement, les mesures destinées à préserver ou à rétablir la situation financière d'une société de bourse et susceptibles d'affecter les droits préexistants des tiers. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, ces mesures correspondent :
a) aux instruments de résolution et aux pouvoirs de résolution y afférents visés au Livre II, Titre VIII de la loi du 25 avril 2014 ;
b) à la désignation d'un commissaire spécial visée à l'article 204, § 1er, 1° ;
c) à la suspension ou l'interdiction de tout ou partie des activités, visée à l'article 204 § 1er, 4° ;
89° autorités d'assainissement, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de mesures d'assainissement. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, ces autorités sont l'autorité de résolution et la Banque en ce qui concerne leur compétence respective en matière de mesures d'assainissement ;
90° commissaire à l'assainissement, toute personne ou organe nommé par une autorité d'assainissement en vue de gérer des mesures d'assainissement ;
91° liquidation, la réalisation des actifs d'une société de bourse selon une procédure de liquidation ;
92° procédure de liquidation, une procédure collective ouverte et contrôlée par des autorités administratives ou judiciaires dans le but de la réalisation des biens d'une société de bourse sous la surveillance de ces autorités. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, une telle procédure correspond à la faillite régie par le Livre XX du Code de droit économique ;
93° autorités de liquidation, les autorités administratives ou judiciaires compétentes en matière de procédure de liquidation. Pour les sociétés de bourse visées au Livre II, une telle autorité correspond au tribunal de l'insolvabilité en ce qui concerne sa compétence en matière de faillite ;
94° liquidateur, toute personne ou organe, dont le curateur, nommé par une autorité de liquidation en vue de gérer des procédures de liquidation ;
95° tribunal de l'insolvabilité, le tribunal de l'insolvabilité visé à l'article I.22, 4°, du Code de droit économique ;
96° clause de remboursement make-whole, une clause qui vise à protéger les investisseurs en veillant à ce que, en cas de remboursement anticipé d'une obligation, l'émetteur soit tenu de verser à l'investisseur détenant l'obligation un montant égal à la somme de la valeur actuelle nette des paiements de coupons restants attendus jusqu'à la date d'échéance et du montant principal de l'obligation à rembourser ;
97° compagnie financière, le sens qui lui est conféré par la loi du 25 avril 2014 ;
98° compagnie financière mixte, une entreprise mère, autre qu'une entreprise réglementée, qui est à la tête d'un conglomérat financier ;
99° société holding d'assurance, une société holding d'assurance au sens de l'article 338, 5° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
100° société holding mixte d'assurance, une société holding mixte d'assurance au sens de l'article 338, 6° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ;
101° compagnie holding d'investissement, un établissement financier, au sens de l'article 159, § 2, 2° dont les filiales sont exclusivement ou principalement des entreprises d'investissement ou des établissements financiers, l'une de ces filiales au moins étant une entreprise d'investissement, et qui n'est pas une compagnie financière ;
102° contrepartie centrale éligible, une contrepartie centrale éligible au sens de l'article 4, paragraphe 1, point 88), du Règlement n° 575/2013, ci-après également désignée "QCCP" ;
103° capital initial, le capital exigé aux fins de l'agrément en tant que société de bourse, dont le montant et le type sont précisés à l'article 13.
BOEK II. - BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BELGISCH RECHT
LIVRE II. - DES SOCIETES DE BOURSE DE DROIT BELGE
TITEL I. - Toegang tot het bedrijf
TITRE Ier. - De l'accès à l'activité
HOOFDSTUK I. - Vergunning
CHAPITRE Ier. - L'agrément
Afdeling I. - Vergunningsplicht
Section Ire. - Obligation d'agrément
Art.4. Beursvennootschappen naar Belgisch recht moeten, vooraleer hun werkzaamheden aan te vatten, een vergunning verkrijgen overeenkomstig artikel 6 van de wet van 25 oktober 2016, ongeacht de plaats waar zij hun werkzaamheden zullen uitoefenen.
Onverminderd de bijzondere vereisten inzake kapitaal, mag de vergunning als beursvennootschap gelden voor alle beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten als bedoeld in artikel 3, 2° en 3°.
Er kan geen vergunning als beursvennootschap worden verstrekt voor het uitsluitend verrichten van nevendiensten.
Onverminderd de bijzondere vereisten inzake kapitaal, mag de vergunning als beursvennootschap gelden voor alle beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten als bedoeld in artikel 3, 2° en 3°.
Er kan geen vergunning als beursvennootschap worden verstrekt voor het uitsluitend verrichten van nevendiensten.
Art.4. Les sociétés de bourse de droit belge sont tenues, avant de commencer leurs opérations, de se faire agréer conformément à l'article 6 de la loi du 25 octobre 2016, quel que soit le lieu d'exercice de leurs activités.
Sans préjudice des exigences particulières prévues en matière de capital, l'agrément en qualité de société de bourse peut couvrir l'ensemble des services d'investissement, des activités d'investissement et des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3°.
Il ne peut être octroyé d'agrément en qualité de société de bourse pour la seule fourniture de services auxiliaires.
Sans préjudice des exigences particulières prévues en matière de capital, l'agrément en qualité de société de bourse peut couvrir l'ensemble des services d'investissement, des activités d'investissement et des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3°.
Il ne peut être octroyé d'agrément en qualité de société de bourse pour la seule fourniture de services auxiliaires.
Afdeling II. - Procedure
Section II. - Procédure
Art.5. Bij de vergunningsaanvraag die aan de Bank wordt voorgelegd, wordt een administratief dossier gevoegd dat beantwoordt aan de door de Bank gestelde voorwaarden en waarin met name het volgende wordt vermeld:
1° de organisatiestructuur van de vennootschap en de nauwe banden die zij heeft met andere personen; alsook
2° het programma van werkzaamheden, in het bijzonder:
a) de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen;
b) de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° en, in voorkomend geval, de dienst als bedoeld in artikel 94, § 2 die de aanvragers voornemens zijn te verrichten;
c) de categorieën financiële instrumenten waarop deze diensten en activiteiten betrekking hebben; en
d) in voorkomend geval, de datarapporteringsdiensten als bedoeld in de punten 34 tot en met 36 van artikel 2 van Verordening nr. 600/2014 die de aanvragers voornemens zijn te verrichten.
De aanvragers moeten alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.
Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij met toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.
1° de organisatiestructuur van de vennootschap en de nauwe banden die zij heeft met andere personen; alsook
2° het programma van werkzaamheden, in het bijzonder:
a) de aard en de omvang van de voorgenomen verrichtingen;
b) de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° en, in voorkomend geval, de dienst als bedoeld in artikel 94, § 2 die de aanvragers voornemens zijn te verrichten;
c) de categorieën financiële instrumenten waarop deze diensten en activiteiten betrekking hebben; en
d) in voorkomend geval, de datarapporteringsdiensten als bedoeld in de punten 34 tot en met 36 van artikel 2 van Verordening nr. 600/2014 die de aanvragers voornemens zijn te verrichten.
De aanvragers moeten alle inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun aanvraag te kunnen beoordelen.
Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden houdt de Bank rekening met de voorwaarden die de FSMA stelt aangaande de organisatie en de procedures waarop zij met toepassing van artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 toezicht houdt.
Art.5. La demande d'agrément est soumise à la Banque, accompagnée d'un dossier administratif répondant aux conditions fixées par la Banque et dans lequel sont notamment indiqués :
1° la structure de l'organisation de la société et ses liens étroits avec d'autres personnes ; ainsi que
2° le programme d'activités, en particulier :
a) la nature et le volume des opérations envisagées ;
b) les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires visés à l'article 3, 2° et 3°, et le cas échéant, le service visé à l'article 94, § 2 que les requérants envisagent de fournir ;
c) les catégories d'instruments financiers sur lesquels portent ces services et activités ; et
d) le cas échéant, les services de communication de données visés aux points 34 à 36 de l'article 2 du Règlement n° 600/2014 que les requérants envisagent de fournir.
Les demandeurs doivent fournir tout renseignement nécessaire à l'appréciation de leur demande.
La Banque fixe les conditions visées à l'alinéa 1er en tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui concerne l'organisation et les procédures dont elle assure le contrôle en application de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° et § 2, de la loi du 2 août 2002.
1° la structure de l'organisation de la société et ses liens étroits avec d'autres personnes ; ainsi que
2° le programme d'activités, en particulier :
a) la nature et le volume des opérations envisagées ;
b) les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires visés à l'article 3, 2° et 3°, et le cas échéant, le service visé à l'article 94, § 2 que les requérants envisagent de fournir ;
c) les catégories d'instruments financiers sur lesquels portent ces services et activités ; et
d) le cas échéant, les services de communication de données visés aux points 34 à 36 de l'article 2 du Règlement n° 600/2014 que les requérants envisagent de fournir.
Les demandeurs doivent fournir tout renseignement nécessaire à l'appréciation de leur demande.
La Banque fixe les conditions visées à l'alinéa 1er en tenant compte des conditions que la FSMA impose en ce qui concerne l'organisation et les procédures dont elle assure le contrôle en application de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° et § 2, de la loi du 2 août 2002.
Art.6. De aanvrager stelt de Bank tevens in kennis van de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende gekwalificeerde deelneming bezitten in het kapitaal van de beursvennootschap. De kennisgeving moet vermelden welke kapitaalfracties en hoeveel stemrechten deze personen bezitten.
Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.
Bij gebreke van gekwalificeerde deelnemingen heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving betrekking op de identiteit van de twintig grootste aandeelhouders en hun kapitaalfractie.
Art.6. Le requérant communique également à la Banque l'identité des personnes physiques ou morales qui, directement ou indirectement, agissant seules ou de concert avec d'autres, détiennent dans le capital de la société de bourse une participation qualifiée, conférant ou non le droit de vote. La communication doit comporter l'indication des quotités du capital et des droits de vote détenues par ces personnes.
A défaut de participation qualifiée, la communication visée à l'alinéa 1er porte sur l'identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.
A défaut de participation qualifiée, la communication visée à l'alinéa 1er porte sur l'identité des vingt principaux actionnaires et leur quotité dans le capital.
Art.7. De Bank raadpleegt de FSMA vooraleer te beslissen over een vergunningsaanvraag die uitgaat van een vennootschap die hetzij de dochteronderneming is van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, van een AICB-beheerder of van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging naar Belgisch recht.
Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een vennootschap die hetzij de dochteronderneming is van een andere beleggingsonderneming, van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere beleggingsonderneming, van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere beleggingsonderneming, over een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen, AICB-beheerders of beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging.
De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 31, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als respectievelijk bedoeld in het eerste of tweede lid of de persoon die deelneemt aan de leiding van de beursvennootschap eveneens deelneemt aan de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor een onafhankelijke controlefunctie deze functie uitoefent bij de in het eerste of tweede lid bedoelde onderneming of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, de personen die deelnemen aan de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.
Wanneer de vergunningsaanvraag uitgaat van een vennootschap die hetzij de dochteronderneming is van een andere beleggingsonderneming, van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij de dochteronderneming van de moederonderneming van een andere beleggingsonderneming, van een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, hetzij onder de controle staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen als deze die de controle hebben over een andere beleggingsonderneming, over een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging, met vergunning of toelating overeenkomstig het recht van een andere lidstaat, raadpleegt de Bank, vooraleer te beslissen over de aanvraag, de bevoegde autoriteiten die in deze andere lidstaten bevoegd zijn voor het toezicht op de kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen, AICB-beheerders of beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging.
De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 31, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als respectievelijk bedoeld in het eerste of tweede lid of de persoon die deelneemt aan de leiding van de beursvennootschap eveneens deelneemt aan de leiding van een van de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor een onafhankelijke controlefunctie deze functie uitoefent bij de in het eerste of tweede lid bedoelde onderneming of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, de personen die deelnemen aan de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.
Art.7. La Banque consulte la FSMA avant de se prononcer sur la demande d'agrément sollicité par une société qui est soit la filiale d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge, soit la filiale de l'entreprise mère d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une société de gestion de portefeuille et de conseil en placement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif de droit belge.
Lorsque l'agrément est sollicité par une société qui est soit la filiale d'une autre entreprise d'investissement, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, soit la filiale de l'entreprise mère d'une autre entreprise d'investissement, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une autre entreprise d'investissement, un établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, avant de se prononcer sur la demande, la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres Etats membres qui contrôlent les établissements de crédit, les entreprises d'assurance, les entreprises de réassurance, les entreprises d'investissement, les gestionnaires d'OPCA ou les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif.
De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, aux fins d'évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 14, 15 en 31, lorsque l'actionnaire est une entreprise respectivement visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de la société de bourse prend part également à la direction de l'une des entreprises visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou d'une entreprise qui appartient au même groupe, ou que la personne responsable d'une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein des entreprises visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou au sein d'une entreprise qui appartient au même groupe. La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.
Lorsque l'agrément est sollicité par une société qui est soit la filiale d'une autre entreprise d'investissement, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, soit la filiale de l'entreprise mère d'une autre entreprise d'investissement, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'un gestionnaire d'OPCA ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, soit encore contrôlée par les mêmes personnes physiques ou morales que celles qui contrôlent une autre entreprise d'investissement, un établissement de crédit, une entreprise d'assurance, une entreprise de réassurance, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif, agréée conformément au droit d'un autre Etat membre, avant de se prononcer sur la demande, la Banque consulte les autorités compétentes de ces autres Etats membres qui contrôlent les établissements de crédit, les entreprises d'assurance, les entreprises de réassurance, les entreprises d'investissement, les gestionnaires d'OPCA ou les sociétés de gestion d'organismes de placement collectif.
De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, aux fins d'évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 14, 15 en 31, lorsque l'actionnaire est une entreprise respectivement visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de la société de bourse prend part également à la direction de l'une des entreprises visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou d'une entreprise qui appartient au même groupe, ou que la personne responsable d'une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein des entreprises visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou au sein d'une entreprise qui appartient au même groupe. La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.
Art.8. § 1. Op advies van de FSMA beslist de Bank over de vergunningsaanvraag, voor wat betreft:
1° het passend karakter van de organisatie van de beursvennootschap, met name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld met name in de artikelen 17 tot en met 40, 68, 71 en 72, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002;
2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zouden worden van het wettelijk bestuursorgaan van de beursvennootschap, van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank of met toepassing van de GTM-verordening onder het toezicht staat van Europese Centrale Bank.
De FSMA verstrekt haar advies over de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden binnen een termijn van veertien dagen te rekenen vanaf de ontvangst door de Bank van het dossier bedoeld in artikel 5 en uiterlijk binnen een maand na ontvangst van de adviesaanvraag. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
§ 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA over paragraaf 1, eerste lid, 1° wordt bij de kennisgeving van die beslissing gevoegd.
1° het passend karakter van de organisatie van de beursvennootschap, met name van haar integriteitsbeleid, als bedoeld met name in de artikelen 17 tot en met 40, 68, 71 en 72, vanuit het oogpunt van de naleving van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002;
2° de professionele betrouwbaarheid van de personen die lid zouden worden van het wettelijk bestuursorgaan van de beursvennootschap, van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, indien zij voor het eerst voor een dergelijke functie worden voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank of met toepassing van de GTM-verordening onder het toezicht staat van Europese Centrale Bank.
De FSMA verstrekt haar advies over de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden binnen een termijn van veertien dagen te rekenen vanaf de ontvangst door de Bank van het dossier bedoeld in artikel 5 en uiterlijk binnen een maand na ontvangst van de adviesaanvraag. Afwezigheid van advies binnen deze termijn geldt als positief advies. Vóór het verstrijken van de termijn van een maand kan de FSMA de Bank er evenwel van in kennis stellen dat zij haar advies uiterlijk binnen 15 dagen na het verstrijken van deze termijn zal verstrekken.
§ 2. Indien de Bank geen rekening houdt met het advies van de FSMA over de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde aangelegenheden, wordt dat met de redenen voor de afwijking vermeld in haar beslissing over de vergunningsaanvraag. Het voornoemde advies van de FSMA over paragraaf 1, eerste lid, 1° wordt bij de kennisgeving van die beslissing gevoegd.
Art.8. § 1er. La Banque se prononce sur la demande d'agrément sur avis de la FSMA en ce qui concerne :
1° le caractère adéquat de l'organisation de la société de bourse, notamment de sa politique d'intégrité, telle que visée, notamment, aux articles 17 à 40, 68, 71 et 72, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° et § 2, de la loi du 2 août 2002 ;
2° l'honorabilité professionnelle des personnes appelées à être membres de l'organe légal d'administration de la société de bourse, des personnes appelées à être participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, ainsi que des personnes appelées à être responsables des fonctions de contrôle indépendantes, lorsque ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction auprès d'une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne par application du Règlement MSU.
La FSMA rend son avis sur les questions visées à l'alinéa 1er dans un délai de quatorze jours à compter de la réception du dossier visé à l'article 5, qui lui aura été transmis par la Banque, et au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif. Avant l'expiration du délai d'un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
§ 2. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans sa décision relative à la demande d'agrément. L'avis précité de la FSMA relatif au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° est joint à la notification de cette décision.
1° le caractère adéquat de l'organisation de la société de bourse, notamment de sa politique d'intégrité, telle que visée, notamment, aux articles 17 à 40, 68, 71 et 72, sous l'angle du respect des règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° et § 2, de la loi du 2 août 2002 ;
2° l'honorabilité professionnelle des personnes appelées à être membres de l'organe légal d'administration de la société de bourse, des personnes appelées à être participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, ainsi que des personnes appelées à être responsables des fonctions de contrôle indépendantes, lorsque ces personnes sont proposées pour la première fois pour une telle fonction auprès d'une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne par application du Règlement MSU.
La FSMA rend son avis sur les questions visées à l'alinéa 1er dans un délai de quatorze jours à compter de la réception du dossier visé à l'article 5, qui lui aura été transmis par la Banque, et au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'avis. L'absence d'avis dans ce délai est considérée comme un avis positif. Avant l'expiration du délai d'un mois, la FSMA peut cependant informer la Banque qu'elle communiquera son avis au plus tard dans les 15 jours qui suivent l'expiration dudit délai.
§ 2. Si la Banque ne tient pas compte de l'avis de la FSMA sur les questions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, elle en fait état et en mentionne les raisons dans sa décision relative à la demande d'agrément. L'avis précité de la FSMA relatif au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° est joint à la notification de cette décision.
Art.9. De Bank verleent een vergunning aan beursvennootschappen die voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk II. Zij spreekt zich uit over de vergunningsaanvraag binnen zes maanden na de indiening van een volledig dossier.
De beslissing over de vergunning vermeldt de beleggingsdiensten en -activiteiten evenals de nevendiensten die de beursvennootschap mag verrichten.
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap kan de Bank de vergunning van de beursvennootschap beperken tot bepaalde diensten of activiteiten of tot bepaalde categorieën financiële instrumenten, alsook in haar vergunning voor het verrichten van bepaalde beleggingsdiensten of -activiteiten of met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten voorwaarden stellen.
De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijftien dagen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers.
De beslissing over de vergunning vermeldt de beleggingsdiensten en -activiteiten evenals de nevendiensten die de beursvennootschap mag verrichten.
Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap kan de Bank de vergunning van de beursvennootschap beperken tot bepaalde diensten of activiteiten of tot bepaalde categorieën financiële instrumenten, alsook in haar vergunning voor het verrichten van bepaalde beleggingsdiensten of -activiteiten of met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten voorwaarden stellen.
De beslissingen inzake vergunning worden binnen vijftien dagen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de aanvragers.
Art.9. La Banque agrée les sociétés de bourse répondant aux conditions fixées au Chapitre II. Elle statue sur la demande d'agrément dans les six mois de l'introduction d'un dossier complet.
La décision d'agrément mentionne les services et activités d'investissement ainsi que les services auxiliaires que la société de bourse est autorisée à fournir.
En vue d'une gestion saine et prudente de la société de bourse, la Banque peut limiter l'agrément de la société de bourse à certains services ou activités ou à certaines catégories d'instruments financiers, de même qu'elle peut assortir l'agrément de conditions relatives à la fourniture de certains services d'investissement ou à l'exercice de certaines activités d'investissement ou en rapport avec certains instruments financiers.
Les décisions en matière d'agrément sont notifiées aux requérants dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception.
La décision d'agrément mentionne les services et activités d'investissement ainsi que les services auxiliaires que la société de bourse est autorisée à fournir.
En vue d'une gestion saine et prudente de la société de bourse, la Banque peut limiter l'agrément de la société de bourse à certains services ou activités ou à certaines catégories d'instruments financiers, de même qu'elle peut assortir l'agrément de conditions relatives à la fourniture de certains services d'investissement ou à l'exercice de certaines activités d'investissement ou en rapport avec certains instruments financiers.
Les décisions en matière d'agrément sont notifiées aux requérants dans les quinze jours par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception.
Art.10. Wanneer een beursvennootschap een vergunning verkrijgt, stelt de Bank de gegevens bedoeld in artikel 5 en de eventuele wijzigingen daarin ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
Art.10. Lorsqu'une société de bourse est agréée, la Banque met à la disposition de la FSMA, de manière à lui permettre d'exercer les compétences visées à l'article 45, § 1er, 3° et § 2, de la loi du 2 août 2002, les informations visées à l'article 5, ainsi que toute modification apportée à ces informations.
HOOFDSTUK II. - Vergunningsvoorwaarden
CHAPITRE II. - Des conditions d'agrément
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Section Ire. - Généralités
Art.11. Behalve met de voorwaarden van dit Hoofdstuk houdt de Bank ook rekening met het vermogen van de aanvragende vennootschap om te voldoen aan de in Titel II bedoelde bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden en om haar ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken:
1° op een wijze die een gezond, doeltreffend en voorzichtig beleid van de beursvennootschap garandeert;
2° onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel, de integriteit van de markt, de veiligheid van de beleggers en de behartiging van hun belangen.
1° op een wijze die een gezond, doeltreffend en voorzichtig beleid van de beursvennootschap garandeert;
2° onder de voorwaarden die nodig zijn voor de goede werking van het financiële stelsel, de integriteit van de markt, de veiligheid van de beleggers en de behartiging van hun belangen.
Art.11. Outre les conditions prévues par le présent Chapitre, la Banque tient également compte de l'aptitude de la société requérante à satisfaire aux conditions d'exercice de l'activité visées au Titre II ainsi qu'à réaliser ses objectifs de développement :
1° de manière à garantir la gestion saine, efficace et prudente de la société de bourse ;
2° dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier, l'intégrité du marché, la sécurité des investisseurs et la prise en compte de leurs intérêts.
1° de manière à garantir la gestion saine, efficace et prudente de la société de bourse ;
2° dans les conditions que requièrent le bon fonctionnement du système financier, l'intégrité du marché, la sécurité des investisseurs et la prise en compte de leurs intérêts.
Afdeling II. - Vennootschapsvorm
Section II. - Forme sociétaire
Art.12. Iedere beursvennootschap naar Belgisch recht moet worden opgericht in een van de volgende vennootschapsvormen: coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap, met inachtneming van de specifieke vereisten die neergelegd zijn in deze wet of in de Europese regelgeving.
Art.12. Les sociétés de bourse de droit belge doivent être constituées sous la forme d'une société parmi les formes sociétaires suivantes : la société coopérative, la société anonyme, la société européenne ou la société coopérative européenne, moyennant le respect des exigences spécifiques prévues par la présente loi ou par la réglementation européenne.
Afdeling III. - Aanvangskapitaal
Section III. - Capital initial
Art.13. § 1. Om een vergunning te kunnen verkrijgen is een kapitaal vereist van ten minste 150 000 euro.
Het kapitaal moet volgestort zijn ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.
§ 2. Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, dienen beursvennootschappen te beschikken over een volgestort kapitaal van ten minste 750 000 euro om de volgende activiteiten en/of diensten te kunnen verrichten:
1° het handelen voor eigen rekening;
2° het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
3° het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's) voor zover de vennootschap handelt voor eigen rekening of daar de toestemming voor heeft.
§ 3. Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal voor de toepassing van paragraaf 1 of 2, naargelang het geval.
§ 4. In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere beursvennootschap die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het bedrag bedoeld in paragraaf 1 of 2, naargelang het geval, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Het aanvangskapitaal van een beursvennootschap is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van Verordening 2019/2033.
Het kapitaal moet volgestort zijn ten belope van het in het eerste lid bepaalde minimumbedrag.
§ 2. Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, dienen beursvennootschappen te beschikken over een volgestort kapitaal van ten minste 750 000 euro om de volgende activiteiten en/of diensten te kunnen verrichten:
1° het handelen voor eigen rekening;
2° het overnemen van financiële instrumenten en/of plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie;
3° het uitbaten van georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's) voor zover de vennootschap handelt voor eigen rekening of daar de toestemming voor heeft.
§ 3. Voor bestaande vennootschappen die een vergunning aanvragen, worden de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitzondering van de herwaarderingsmeerwaarden, gelijkgesteld met kapitaal voor de toepassing van paragraaf 1 of 2, naargelang het geval.
§ 4. In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere beursvennootschap die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het bedrag bedoeld in paragraaf 1 of 2, naargelang het geval, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Het aanvangskapitaal van een beursvennootschap is samengesteld overeenkomstig artikel 9 van Verordening 2019/2033.
Art.13. § 1er. L'agrément est subordonné à l'existence d'un capital de 150 000 euros au moins.
Le capital doit être entièrement libéré à concurrence du montant minimum fixé par l'alinéa 1er.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, les sociétés de bourse doivent avoir un capital entièrement libéré de 750 000 euros au moins pour pouvoir exercer les activités et/ou services suivants :
1° la négociation pour compte propre ;
2° la prise ferme d'instruments financiers et/ou placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
3° l'exploitation d'un système organisé de négociation (OTF) dans la mesure où la société effectue, ou est autorisée à effectuer, des opérations de négociation pour compte propre.
§ 3. En cas de préexistence de la société requérante, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion faite des plus-values de réévaluation, sont assimilés au capital pour l'application des paragraphes 1er ou 2 selon le cas.
§ 4. Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6, Titre 6 du Code des sociétés et des associations, les sociétés de bourse constituées sous la forme d'une société coopérative doivent être dotées d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure, selon les cas, au montant visé aux paragraphes 1er ou 2, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.
§ 5. Le capital initial d'une entreprise d'investissement est constitué conformément à l'article 9 du Règlement 2019/2033.
Le capital doit être entièrement libéré à concurrence du montant minimum fixé par l'alinéa 1er.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, les sociétés de bourse doivent avoir un capital entièrement libéré de 750 000 euros au moins pour pouvoir exercer les activités et/ou services suivants :
1° la négociation pour compte propre ;
2° la prise ferme d'instruments financiers et/ou placement d'instruments financiers avec engagement ferme ;
3° l'exploitation d'un système organisé de négociation (OTF) dans la mesure où la société effectue, ou est autorisée à effectuer, des opérations de négociation pour compte propre.
§ 3. En cas de préexistence de la société requérante, les primes d'émission, les réserves et le résultat reporté, à l'exclusion faite des plus-values de réévaluation, sont assimilés au capital pour l'application des paragraphes 1er ou 2 selon le cas.
§ 4. Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6, Titre 6 du Code des sociétés et des associations, les sociétés de bourse constituées sous la forme d'une société coopérative doivent être dotées d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure, selon les cas, au montant visé aux paragraphes 1er ou 2, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.
§ 5. Le capital initial d'une entreprise d'investissement est constitué conformément à l'article 9 du Règlement 2019/2033.
Afdeling IV. - Aandeelhouders of vennoten
Section IV. - Détenteurs du capital
Art.14. De vergunning wordt geweigerd wanneer de Bank niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen om een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap te garanderen.
De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria:
a) de betrouwbaarheid van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
b) de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 15 bedoelde persoon die het bedrijf van de beursvennootschap feitelijk gaat leiden;
c) de financiële soliditeit van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen werkzaamheden binnen de beursvennootschap;
d) of de beursvennootschap zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze wet en haar uitvoeringsreglementen evenals van Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, van Verordening nr. 575/2013, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de beursvennootschap het risico daarop zou kunnen vergroten.
De beoordeling van de geschiktheid om een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap te garanderen, gebeurt aan de hand van de volgende criteria:
a) de betrouwbaarheid van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen;
b) de professionele betrouwbaarheid en deskundigheid van elke in artikel 15 bedoelde persoon die het bedrijf van de beursvennootschap feitelijk gaat leiden;
c) de financiële soliditeit van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met name in het licht van de aard van de uitgeoefende en voorgenomen werkzaamheden binnen de beursvennootschap;
d) of de beursvennootschap zal kunnen voldoen en blijven voldoen aan de prudentiële voorschriften op grond van deze wet en haar uitvoeringsreglementen evenals van Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, van Verordening nr. 575/2013, met name of de groep waarvan zij deel gaat uitmaken zo gestructureerd is dat effectief toezicht en effectieve uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn, en dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald;
e) of er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat in hoofde van de in artikel 6 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geld wordt of werd witgewassen of terrorisme wordt of werd gefinancierd dan wel dat gepoogd wordt of werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren, of dat hun hoedanigheid van aandeelhouder van de beursvennootschap het risico daarop zou kunnen vergroten.
Art.14. L'agrément est refusé si la Banque a des raisons de considérer que les personnes physiques ou morales visées à l'article 6 ne présentent pas les qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse.
L'appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse s'effectue au regard des critères suivants :
a) l'honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l'article 6 ;
b) l'honorabilité professionnelle et l'expertise de toute personne visée à l'article 15 qui assurera la direction des activités de la société de bourse ;
c) la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l'article 6, au regard notamment du type d'activités exercées et envisagées au sein de la société de bourse ;
d) la capacité de la société de bourse de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement 2019/2033 ou le cas échéant du Règlement n° 575/2013, en particulier le point de savoir si le groupe auquel elle appartiendra possède une structure qui permet d'exercer une surveillance effective, d'échanger réellement des informations entre les autorités compétentes et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités compétentes ;
e) l'existence de motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative d'opération de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou aurait été commise dans le chef des personnes physiques ou morales visées à l'article 6 ou que leur qualité d'actionnaire de la société de bourse pourrait en augmenter le risque.
L'appréciation des qualités nécessaires en vue de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse s'effectue au regard des critères suivants :
a) l'honorabilité des personnes physiques ou morales visées à l'article 6 ;
b) l'honorabilité professionnelle et l'expertise de toute personne visée à l'article 15 qui assurera la direction des activités de la société de bourse ;
c) la solidité financière des personnes physiques ou morales visées à l'article 6, au regard notamment du type d'activités exercées et envisagées au sein de la société de bourse ;
d) la capacité de la société de bourse de satisfaire et de continuer à satisfaire aux obligations prudentielles découlant de la présente loi et des règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que du Règlement 2019/2033 ou le cas échéant du Règlement n° 575/2013, en particulier le point de savoir si le groupe auquel elle appartiendra possède une structure qui permet d'exercer une surveillance effective, d'échanger réellement des informations entre les autorités compétentes et de déterminer le partage des responsabilités entre les autorités compétentes ;
e) l'existence de motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative d'opération de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou aurait été commise dans le chef des personnes physiques ou morales visées à l'article 6 ou que leur qualité d'actionnaire de la société de bourse pourrait en augmenter le risque.
Afdeling V. - Leiding
Section V. - Dirigeants
Art.15. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan van de beursvennootschap, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.
De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. [1 Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.]1
De Bank gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als zij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die beursvennootschap sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.
§ 2. De effectieve leiding van de beursvennootschap moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. [1 Deze personen moeten in het bijzonder eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest handelen. Wat de leden van het wettelijk bestuursorgaan betreft, moet dit hen in staat stellen om daadwerkelijk de besluiten van de effectieve leiding te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming.]1
De Bank gaat met name na of aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan als zij goede redenen heeft om te vermoeden dat er in verband met die beursvennootschap sprake is van witwassen van geld of terrorismefinanciering, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop.
§ 2. De effectieve leiding van de beursvennootschap moet worden toevertrouwd aan ten minste twee natuurlijke personen.
Art.15. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration des sociétés de bourse, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques.
Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. [1 En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.]1
La Banque vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées à l'alinéa 2 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec la société de bourse concernée.
§ 2. La direction effective des sociétés de bourse doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. [1 En particulier, ces personnes doivent faire preuve d'une honnêteté, d'une intégrité et d'une indépendance d'esprit qui, s'agissant des membres de l'organe légal d'administration, permettent d'évaluer et de remettre en question effectivement, si nécessaire, les décisions de la direction effective et d'assurer la supervision et le suivi effectifs des décisions prises en matière de gestion.]1
La Banque vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées à l'alinéa 2 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec la société de bourse concernée.
§ 2. La direction effective des sociétés de bourse doit être confiée à deux personnes physiques au moins.
Änderungen
Art.16. Artikel 20 van de wet van 25 april 2014 is van toepassing op de personen bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid.
Art.16. L'article 20 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux personnes visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er.
Afdeling VI. - Organisatie
Section VI. - Organisation
Onderafdeling I. - Algemene beginselen
Sous-section Ire. - Principes généraux
Art.17. § 1. Iedere beursvennootschap beschikt over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een doeltreffend en voorzichtig beleid van de vennootschap te garanderen, die met name berust op:
1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de vennootschap en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de vennootschap voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een controlesysteem dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingsproces;
3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico's die de vennootschap kan lopen, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten, alsook de risico's die zij kan inhouden voor derden;
4° een passende onafhankelijke interne auditfunctie, risicobeheerfunctie en compliancefunctie;
5° een passend integriteitsbeleid;
6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de vennootschap vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat;
7° controle- en beveiligingsmechanismen op informaticagebied die afgestemd zijn op de werkzaamheden van de vennootschap en die voldoende deugdelijk zijn om de beveiliging en authenticatie van de middelen voor de informatieoverdracht te garanderen [1 overeenkomstig de vereisten van Verordening 2022/2554]1, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren;
8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de vennootschap;
9° [1 de invoering van passende maatregelen ter waarborging van de continuïteit bij het verlenen van haar beleggingsdiensten en het verrichten van haar activiteiten, waaronder de invoering en het beheer van systemen voor informatie- en communicatietechnologie (ICT) die voldoen aan artikel 7 van Verordening 2022/2554, om te garanderen dat de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kunnen worden hervat]1.
§ 2. In het bijzonder is het de beursvennootschappen verboden een bijzonder mechanisme in te stellen.
Onder "bijzonder mechanisme" wordt een procedé verstaan dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
1° het heeft als doel of gevolg fiscale fraude door derden mogelijk te maken of te bevorderen;
2° het initiatief ertoe wordt door de beursvennootschap zelf genomen of de beursvennootschap neemt er duidelijk actief aan deel, of het is het gevolg van een grove nalatigheid van de beursvennootschap;
3° het bestaat uit een reeks gedragingen of onthoudingen;
4° het heeft een bijzonder karakter, wat betekent dat de beursvennootschap weet of zou moeten weten dat het mechanisme afwijkt van de normen en de normale praktijken inzake financiële verrichtingen.
§ 3. De beursvennootschap behartigt de belangen van haar cliënten en bevordert de integriteit van de markt. Paragraaf 1 is hiertoe van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde organisatieregeling is uitputtend uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de vennootschap.
§ 5. Iedere beursvennootschap stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken vennootschap en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, de volledige interne organisatieregeling bevat als bedoeld in paragraaf 1 en in de artikelen 37 tot en met 40.
Indien de beursvennootschap deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de Bank, kan het memorandum dat op het niveau van de beursvennootschap wordt opgesteld, deel uitmaken van het memorandum van die groep.
§ 6. In de Onderafdelingen II tot en met V, in de artikelen 74 tot en met 77 en in de Bijlage bij deze wet wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 4 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de vennootschap en, anderzijds, het toezicht op die leiding, en die binnen de vennootschap voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;
2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waaronder met name een controlesysteem dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingsproces;
3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de risico's die de vennootschap kan lopen, met inbegrip van de voorkoming van belangenconflicten, alsook de risico's die zij kan inhouden voor derden;
4° een passende onafhankelijke interne auditfunctie, risicobeheerfunctie en compliancefunctie;
5° een passend integriteitsbeleid;
6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert en dat voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de vennootschap vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat;
7° controle- en beveiligingsmechanismen op informaticagebied die afgestemd zijn op de werkzaamheden van de vennootschap en die voldoende deugdelijk zijn om de beveiliging en authenticatie van de middelen voor de informatieoverdracht te garanderen [1 overeenkomstig de vereisten van Verordening 2022/2554]1, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren;
8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de vennootschap;
9° [1 de invoering van passende maatregelen ter waarborging van de continuïteit bij het verlenen van haar beleggingsdiensten en het verrichten van haar activiteiten, waaronder de invoering en het beheer van systemen voor informatie- en communicatietechnologie (ICT) die voldoen aan artikel 7 van Verordening 2022/2554, om te garanderen dat de kritieke functies kunnen worden behouden of zo spoedig mogelijk kunnen worden hersteld en dat de normale dienstverlening en activiteit binnen een redelijke tijdspanne kunnen worden hervat]1.
§ 2. In het bijzonder is het de beursvennootschappen verboden een bijzonder mechanisme in te stellen.
Onder "bijzonder mechanisme" wordt een procedé verstaan dat aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
1° het heeft als doel of gevolg fiscale fraude door derden mogelijk te maken of te bevorderen;
2° het initiatief ertoe wordt door de beursvennootschap zelf genomen of de beursvennootschap neemt er duidelijk actief aan deel, of het is het gevolg van een grove nalatigheid van de beursvennootschap;
3° het bestaat uit een reeks gedragingen of onthoudingen;
4° het heeft een bijzonder karakter, wat betekent dat de beursvennootschap weet of zou moeten weten dat het mechanisme afwijkt van de normen en de normale praktijken inzake financiële verrichtingen.
§ 3. De beursvennootschap behartigt de belangen van haar cliënten en bevordert de integriteit van de markt. Paragraaf 1 is hiertoe van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde organisatieregeling is uitputtend uitgewerkt en is passend voor de aard, schaal en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan het bedrijfsmodel en aan de werkzaamheden van de vennootschap.
§ 5. Iedere beursvennootschap stelt een governancememorandum op dat voor de betrokken vennootschap en, in voorkomend geval, de groep of subgroep waarvan zij de uiteindelijke moederonderneming is, de volledige interne organisatieregeling bevat als bedoeld in paragraaf 1 en in de artikelen 37 tot en met 40.
Indien de beursvennootschap deel uitmaakt van een groep die onder het toezicht staat van de Bank, kan het memorandum dat op het niveau van de beursvennootschap wordt opgesteld, deel uitmaken van het memorandum van die groep.
§ 6. In de Onderafdelingen II tot en met V, in de artikelen 74 tot en met 77 en in de Bijlage bij deze wet wordt bepaald welke de reikwijdte is van de in de paragrafen 1 en 4 bedoelde algemene verplichtingen in specifieke domeinen.
Art.17. § 1er. Toute société de bourse doit disposer d'un dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace et prudente de la société, reposant notamment sur :
1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de la société d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de la société, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent ;
2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment un système de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier ;
3° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques auxquels la société est susceptible d'être exposée, y compris la prévention des conflits d'intérêts, et des risques qu'elle est susceptible de faire peser sur des tiers ;
4° des fonctions d'audit interne, de gestion des risques et de conformité (compliance) indépendantes adéquates ;
5° une politique d'intégrité adéquate ;
6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par la société ;
7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de la société et suffisamment solides pour garantir [1 , conformément aux exigences prévues par le règlement 2022/2554,]1 la sécurité et l'authentification des moyens de transfert de l'information, réduire au minimum le risque de corruption des données et d'accès non autorisé et empêcher les fuites d'informations afin de maintenir en permanence la confidentialité des données ;
8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à la société ;
9° [1 la mise en place de mesures adéquates de continuité de la fourniture de ses services d'investissement et de l'exercice de ses activités, y compris la mise en place et la gestion de systèmes de technologies de l'information et de la communication (TIC) conformes à l'article 7 du règlement 2022/2554, afin d'assurer le maintien des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de la fourniture des services habituels et de l'exercice des activités normales]1.
§ 2. En particulier, il est interdit aux sociétés de bourse de mettre en place un mécanisme particulier.
Par "mécanisme particulier", on entend un procédé qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° il a pour but ou pour effet de rendre possible ou de favoriser la fraude fiscale par des tiers ;
2° son initiative procède de la société de bourse elle-même ou implique de toute évidence la coopération active de la société de bourse ou, encore, procède d'une négligence manifeste de la société de bourse ;
3° il implique un ensemble de comportements ou d'omissions ;
4° il présente un caractère particulier, c'est-à-dire que la société de bourse sait ou devrait savoir que le mécanisme s'écarte des normes et des usages normaux en matière d'opérations financières.
§ 3. La société de bourse promeut l'intérêt de ses clients et l'intégrité du marché. Le paragraphe 1er est applicable à cette fin.
§ 4. Les dispositifs organisationnels visés au paragraphe 1er présentent un caractère exhaustif et sont appropriés à la nature, à l'échelle et à la complexité des risques inhérents au modèle d'entreprise et aux activités de la société.
§ 5. Chaque société de bourse établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour la société concernée et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont elle est l'entreprise mère faîtière, l'ensemble du dispositif d'organisation interne visé au paragraphe 1er et visé aux articles 37 à 40.
Si la société de bourse fait partie d'un groupe soumis au contrôle de la Banque, le mémorandum établi au niveau de la société de bourse peut faire partie du mémorandum de ce groupe.
§ 6. Les dispositions des Sous-sections II à V, des articles 74 à 77 et de l'Annexe à la présente loi précisent, dans des domaines particuliers, la portée des obligations générales visées aux paragraphes 1er et 4.
1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de la société d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de la société, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent ;
2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, impliquant notamment un système de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier ;
3° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques auxquels la société est susceptible d'être exposée, y compris la prévention des conflits d'intérêts, et des risques qu'elle est susceptible de faire peser sur des tiers ;
4° des fonctions d'audit interne, de gestion des risques et de conformité (compliance) indépendantes adéquates ;
5° une politique d'intégrité adéquate ;
6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par la société ;
7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de la société et suffisamment solides pour garantir [1 , conformément aux exigences prévues par le règlement 2022/2554,]1 la sécurité et l'authentification des moyens de transfert de l'information, réduire au minimum le risque de corruption des données et d'accès non autorisé et empêcher les fuites d'informations afin de maintenir en permanence la confidentialité des données ;
8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à la société ;
9° [1 la mise en place de mesures adéquates de continuité de la fourniture de ses services d'investissement et de l'exercice de ses activités, y compris la mise en place et la gestion de systèmes de technologies de l'information et de la communication (TIC) conformes à l'article 7 du règlement 2022/2554, afin d'assurer le maintien des fonctions critiques ou leur rétablissement le plus rapidement possible ainsi que la reprise dans un délai raisonnable de la fourniture des services habituels et de l'exercice des activités normales]1.
§ 2. En particulier, il est interdit aux sociétés de bourse de mettre en place un mécanisme particulier.
Par "mécanisme particulier", on entend un procédé qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° il a pour but ou pour effet de rendre possible ou de favoriser la fraude fiscale par des tiers ;
2° son initiative procède de la société de bourse elle-même ou implique de toute évidence la coopération active de la société de bourse ou, encore, procède d'une négligence manifeste de la société de bourse ;
3° il implique un ensemble de comportements ou d'omissions ;
4° il présente un caractère particulier, c'est-à-dire que la société de bourse sait ou devrait savoir que le mécanisme s'écarte des normes et des usages normaux en matière d'opérations financières.
§ 3. La société de bourse promeut l'intérêt de ses clients et l'intégrité du marché. Le paragraphe 1er est applicable à cette fin.
§ 4. Les dispositifs organisationnels visés au paragraphe 1er présentent un caractère exhaustif et sont appropriés à la nature, à l'échelle et à la complexité des risques inhérents au modèle d'entreprise et aux activités de la société.
§ 5. Chaque société de bourse établit un mémorandum de gouvernance qui inclut pour la société concernée et, le cas échéant, le groupe ou sous-groupe dont elle est l'entreprise mère faîtière, l'ensemble du dispositif d'organisation interne visé au paragraphe 1er et visé aux articles 37 à 40.
Si la société de bourse fait partie d'un groupe soumis au contrôle de la Banque, le mémorandum établi au niveau de la société de bourse peut faire partie du mémorandum de ce groupe.
§ 6. Les dispositions des Sous-sections II à V, des articles 74 à 77 et de l'Annexe à la présente loi précisent, dans des domaines particuliers, la portée des obligations générales visées aux paragraphes 1er et 4.
Art.18. Indien de beursvennootschap nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, of indien de beursvennootschap deel uitmaakt van een groep, mogen die banden of de juridische structuur van de groep geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de vennootschap.
Indien de beursvennootschap nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of hun tenuitvoerlegging, geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de vennootschap.
Indien de beursvennootschap nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die onder een derde land ressorteert, mogen de voor die persoon geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of hun tenuitvoerlegging, geen belemmering vormen voor een individueel of geconsolideerd prudentieel toezicht op de vennootschap.
Art.18. S'il existe des liens étroits entre la société de bourse et d'autres personnes physiques ou morales, ou si la société de bourse fait partie d'un groupe, ces liens ou la structure juridique du groupe ne peuvent entraver l'exercice d'un contrôle prudentiel individuel ou sur base consolidée de la société.
Si la société de bourse a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice d'un contrôle prudentiel individuel ou sur base consolidée de la société.
Si la société de bourse a des liens étroits avec une personne physique ou morale relevant du droit d'un pays tiers, les dispositions législatives, réglementaires et administratives applicables à cette personne ou leur mise en oeuvre ne peuvent entraver l'exercice d'un contrôle prudentiel individuel ou sur base consolidée de la société.
Onderafdeling II. - Vennootschapsorganen
Sous-section II. - Organes sociétaires
Art.19. Het wettelijk bestuursorgaan is een collegiaal orgaan. In dit verband kan de beursvennootschap artikel 7:101, § 1, tweede lid van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet toepassen. Het wettelijk bestuursorgaan draagt de algemene verantwoordelijkheid voor de beursvennootschap.
Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name:
1° de strategie en de doelstellingen van de vennootschap;
2° het risicobeleid, met inbegrip van de in artikel 57 bedoelde risicotolerantie;
3° de organisatie van de vennootschap voor het verlenen of verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliënten in verband met dergelijke producten, met inbegrip van de organisatieregeling bedoeld in artikel 37, § 1, tweede lid, evenals de vereiste kennis, vaardigheden en ervaring van het personeel, de middelen, procedures en regelingen voor het verlenen van die diensten en het verrichten van die activiteiten door de vennootschap;
4° het in artikel 17, § 1, 5° bedoelde integriteitsbeleid.
Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 17, § 5 bedoelde governancememorandum van de beursvennootschap goed.
Hiertoe bepaalt en controleert het wettelijk bestuursorgaan met name:
1° de strategie en de doelstellingen van de vennootschap;
2° het risicobeleid, met inbegrip van de in artikel 57 bedoelde risicotolerantie;
3° de organisatie van de vennootschap voor het verlenen of verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliënten in verband met dergelijke producten, met inbegrip van de organisatieregeling bedoeld in artikel 37, § 1, tweede lid, evenals de vereiste kennis, vaardigheden en ervaring van het personeel, de middelen, procedures en regelingen voor het verlenen van die diensten en het verrichten van die activiteiten door de vennootschap;
4° het in artikel 17, § 1, 5° bedoelde integriteitsbeleid.
Het wettelijk bestuursorgaan keurt het in artikel 17, § 5 bedoelde governancememorandum van de beursvennootschap goed.
Art.19. L'organe légal d'administration est un organe collégial. A cet égard, la société de bourse ne peut pas faire application de l'article 7:101, § 1er, alinéa 2 du Code des sociétés et des associations. L'organe légal d'administration assume la responsabilité globale de la société de bourse.
A cette fin, l'organe légal d'administration définit, et supervise, notamment :
1° la stratégie et les objectifs de la société ;
2° la politique en matière de risques, y compris le niveau de tolérance au risque visé à l'article 57 ;
3° l'organisation de la société pour la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils aux clients sur de tels produits, y compris les dispositifs d'organisation visés à l'article 37, § 1er, alinéa 2, ainsi que les compétences, les connaissances et l'expertise requises du personnel, les ressources, les procédures et les mécanismes avec ou selon lesquels la société fournit ces services et exerce ces activités ;
4° la politique d'intégrité visée à l'article 17, § 1er, 5°.
L'organe légal d'administration approuve le mémorandum de gouvernance de la société de bourse visé à l'article 17, § 5.
A cette fin, l'organe légal d'administration définit, et supervise, notamment :
1° la stratégie et les objectifs de la société ;
2° la politique en matière de risques, y compris le niveau de tolérance au risque visé à l'article 57 ;
3° l'organisation de la société pour la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils aux clients sur de tels produits, y compris les dispositifs d'organisation visés à l'article 37, § 1er, alinéa 2, ainsi que les compétences, les connaissances et l'expertise requises du personnel, les ressources, les procédures et les mécanismes avec ou selon lesquels la société fournit ces services et exerce ces activités ;
4° la politique d'intégrité visée à l'article 17, § 1er, 5°.
L'organe légal d'administration approuve le mémorandum de gouvernance de la société de bourse visé à l'article 17, § 5.
Art.20. § 1. De meerderheid van de bestuurders van het wettelijk bestuursorgaan zijn geen uitvoerende leden in de zin van artikel 3, 62°.
Onverminderd artikel 22, mag een persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een lid van het directiecomité, de functie van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan niet uitoefenen.
Wanneer het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor de betrokken vennootschapsvorm in een dagelijks bestuur voorziet, mag dat niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de kleine beursvennootschappen.
Onverminderd artikel 22, mag een persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een lid van het directiecomité, de functie van voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan niet uitoefenen.
Wanneer het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor de betrokken vennootschapsvorm in een dagelijks bestuur voorziet, mag dat niet worden opgedragen aan een niet-uitvoerend lid van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de kleine beursvennootschappen.
Art.20. § 1er. L'organe légal d'administration compte une majorité d'administrateurs qui ne sont pas des membres exécutifs au sens de l'article 3, 62°.
Sans préjudice de l'article 22, une personne participant à la direction effective, le cas échéant un membre du comité de direction, ne peut exercer la fonction de président de l'organe légal d'administration.
La gestion journalière, lorsqu'elle est prévue la Code des sociétés et des associations pour la forme sociétaire concernée, ne peut pas être confiée à un membre non exécutif de l'organe légal d'administration.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux sociétés de bourse de petite taille.
Sans préjudice de l'article 22, une personne participant à la direction effective, le cas échéant un membre du comité de direction, ne peut exercer la fonction de président de l'organe légal d'administration.
La gestion journalière, lorsqu'elle est prévue la Code des sociétés et des associations pour la forme sociétaire concernée, ne peut pas être confiée à un membre non exécutif de l'organe légal d'administration.
§ 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux sociétés de bourse de petite taille.
Art.21. § 1. Wanneer zij dit nodig acht in het licht van de grootte of de interne organisatie van de vennootschap of de aard, omvang en complexiteit van haar activiteiten, kan de Bank eisen dat:
1° een beursvennootschap die als naamloze vennootschap is opgericht, binnen de raad van bestuur, een collegiaal orgaan opricht, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bevoegdheden van de directieraad als bedoeld in artikel 7:110 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden overgedragen, zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in deze wet;
2° een beursvennootschap die anders dan als naamloze vennootschap is opgericht, binnen het wettelijk bestuursorgaan, een collegiaal orgaan opricht, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bestuurs- en beheersbevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. Een beursvennootschap kan op vrijwillige basis een in paragraaf 1 bedoeld directiecomité oprichten.
De beursvennootschap die een directiecomité wenst op te richten maakt haar voornemen voorafgaandelijk kenbaar aan de Bank. De Bank kan zich verzetten tegen de oprichting van een dergelijk comité binnen de 30 werkdagen.
De beursvennootschappen nemen de oprichting van een directiecomité in toepassing van deze paragraaf op in hun statuten.
§ 3. De aldus in toepassing van paragrafen 1 en 2 aan het directiecomité overgedragen bevoegdheden mogen niet gelijktijdig door de raad van bestuur worden uitgeoefend.
§ 4. Onverminderd artikel 22 is het in dit artikel bedoelde directiecomité uitsluitend samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van deze wet of de rechtstreeks toepasselijke Europeesrechtelijke normen van het recht, dient het juridisch statuut van de leden van het directiecomité te voldoen aan de vereisten die voor de leden van de in artikel 7:107 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde directieraad zijn vastgesteld, inzonderheid het tweede lid van dat artikel 7:107.
§ 6. De beursvennootschap kan artikel 7:104 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet toepassen.
1° een beursvennootschap die als naamloze vennootschap is opgericht, binnen de raad van bestuur, een collegiaal orgaan opricht, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bevoegdheden van de directieraad als bedoeld in artikel 7:110 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden overgedragen, zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in deze wet;
2° een beursvennootschap die anders dan als naamloze vennootschap is opgericht, binnen het wettelijk bestuursorgaan, een collegiaal orgaan opricht, "directiecomité" genaamd, waaraan alle bestuurs- en beheersbevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan worden overgedragen, met uitsluiting van de vaststelling van het algemeen beleid en van de handelingen die bij het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of bij deze wet zijn voorbehouden aan het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. Een beursvennootschap kan op vrijwillige basis een in paragraaf 1 bedoeld directiecomité oprichten.
De beursvennootschap die een directiecomité wenst op te richten maakt haar voornemen voorafgaandelijk kenbaar aan de Bank. De Bank kan zich verzetten tegen de oprichting van een dergelijk comité binnen de 30 werkdagen.
De beursvennootschappen nemen de oprichting van een directiecomité in toepassing van deze paragraaf op in hun statuten.
§ 3. De aldus in toepassing van paragrafen 1 en 2 aan het directiecomité overgedragen bevoegdheden mogen niet gelijktijdig door de raad van bestuur worden uitgeoefend.
§ 4. Onverminderd artikel 22 is het in dit artikel bedoelde directiecomité uitsluitend samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van deze wet of de rechtstreeks toepasselijke Europeesrechtelijke normen van het recht, dient het juridisch statuut van de leden van het directiecomité te voldoen aan de vereisten die voor de leden van de in artikel 7:107 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde directieraad zijn vastgesteld, inzonderheid het tweede lid van dat artikel 7:107.
§ 6. De beursvennootschap kan artikel 7:104 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet toepassen.
Art.21. § 1er. Lorsqu'elle l'estime nécessaire au regard de la taille ou de l'organisation interne de la société ou encore de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, la Banque peut exiger :
1° d'une société de bourse constituée sous la forme de société anonyme qu'elle mette en place, au sein du conseil d'administration, un organe collégial, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs du conseil de direction visés à l'article 7 :110 du Code des sociétés et des associations sans préjudice des dispositions de la présente loi ;
2° d'une société de bourse constituée sous une autre forme que celle de société anonyme qu'elle mette en place, au sein de l'organe légal d'administration, un organe collégial, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs de gestion et d'administration de l'organe légal d'administration à l'exclusion de la détermination de la politique générale, des actes réservés à l'organe légal d'administration par le Code des sociétés et des associations ou par la présente loi.
§ 2. Une société de bourse peut constituer un comité de direction visé au paragraphe 1er sur une base volontaire.
La société de bourse qui envisage de constituer un comité de direction communique préalablement son intention à la Banque. La Banque peut s'opposer à la constitution d'un tel comité dans les 30 jours ouvrables.
Les sociétés de bourse prévoient la mise en place d'un comité de direction en application du présent paragraphe dans leurs statuts.
§ 3. Les compétences transférées au comité de direction en application du paragraphe 1er ou 2 ne peuvent être exercées concurremment par l'organe légal d'administration.
§ 4. Sans préjudice de l'article 22, le comité de direction visé au présent article est exclusivement composé de membres de l'organe légal d'administration.
§ 5. Sans préjudice des dispositions prévues par la présente loi ou par les normes du droit de l'Union européenne directement applicables, le statut juridique des membres du comité de direction visé au présent article répond aux exigences prévues pour les membres du conseil de direction visé à l'article 7:107 du Code des sociétés et des associations, en particulier l'alinéa 2 dudit article 7:107.
§ 6. La société de bourse ne peut pas faire application de l'article 7 :104 du Code des sociétés et des associations.
1° d'une société de bourse constituée sous la forme de société anonyme qu'elle mette en place, au sein du conseil d'administration, un organe collégial, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs du conseil de direction visés à l'article 7 :110 du Code des sociétés et des associations sans préjudice des dispositions de la présente loi ;
2° d'une société de bourse constituée sous une autre forme que celle de société anonyme qu'elle mette en place, au sein de l'organe légal d'administration, un organe collégial, dénommé "comité de direction", auquel sont transférés l'ensemble des pouvoirs de gestion et d'administration de l'organe légal d'administration à l'exclusion de la détermination de la politique générale, des actes réservés à l'organe légal d'administration par le Code des sociétés et des associations ou par la présente loi.
§ 2. Une société de bourse peut constituer un comité de direction visé au paragraphe 1er sur une base volontaire.
La société de bourse qui envisage de constituer un comité de direction communique préalablement son intention à la Banque. La Banque peut s'opposer à la constitution d'un tel comité dans les 30 jours ouvrables.
Les sociétés de bourse prévoient la mise en place d'un comité de direction en application du présent paragraphe dans leurs statuts.
§ 3. Les compétences transférées au comité de direction en application du paragraphe 1er ou 2 ne peuvent être exercées concurremment par l'organe légal d'administration.
§ 4. Sans préjudice de l'article 22, le comité de direction visé au présent article est exclusivement composé de membres de l'organe légal d'administration.
§ 5. Sans préjudice des dispositions prévues par la présente loi ou par les normes du droit de l'Union européenne directement applicables, le statut juridique des membres du comité de direction visé au présent article répond aux exigences prévues pour les membres du conseil de direction visé à l'article 7:107 du Code des sociétés et des associations, en particulier l'alinéa 2 dudit article 7:107.
§ 6. La société de bourse ne peut pas faire application de l'article 7 :104 du Code des sociétés et des associations.
Art.22. De Bank kan op grond van de omvang en het risicoprofiel van een beursvennootschap toestaan dat geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichtingen van de artikelen 20 en 21.
De afwijking kan met name betrekking hebben op:
1° de samenstelling van het directiecomité, door toe te staan dat personen die geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, lid zijn van het directiecomité; in dit geval zijn de artikelen 15, 16 en 61 evenals 16 tot en met 20 van de Bijlage bij deze wet op hen van toepassing;
2° het combineren van de functies van lid van het directiecomité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.
De afwijking kan met name betrekking hebben op:
1° de samenstelling van het directiecomité, door toe te staan dat personen die geen lid zijn van het wettelijk bestuursorgaan, lid zijn van het directiecomité; in dit geval zijn de artikelen 15, 16 en 61 evenals 16 tot en met 20 van de Bijlage bij deze wet op hen van toepassing;
2° het combineren van de functies van lid van het directiecomité en voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan.
Art.22. La Banque peut, en fonction de la taille et du profil de risques d'une société de bourse, autoriser celle-ci à déroger, en tout ou en partie, aux obligations prévues par les articles 20 et 21.
La dérogation peut notamment porter :
1° sur la composition du comité de direction, en autorisant que soient membres des personnes qui ne sont pas membres de l'organe légal d'administration ; dans ce cas, les articles 15, 16 et 61 ainsi que 16 à 20 de l'Annexe à la présente loi leur sont applicables ;
2° sur un cumul des fonctions de membre du comité de direction et de président de l'organe légal d'administration.
La dérogation peut notamment porter :
1° sur la composition du comité de direction, en autorisant que soient membres des personnes qui ne sont pas membres de l'organe légal d'administration ; dans ce cas, les articles 15, 16 et 61 ainsi que 16 à 20 de l'Annexe à la présente loi leur sont applicables ;
2° sur un cumul des fonctions de membre du comité de direction et de président de l'organe légal d'administration.
Art.22/1. [1 Het wettelijk bestuursorgaan en het directiecomité, of, bij ontstentenis van een directiecomité, de effectieve leiding, zijn zodanig samengesteld dat deze organen in hun geheel genomen over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om inzicht te hebben in alle bedrijfsactiviteiten van de beursvennootschap, met inbegrip van de voornaamste risico's waaraan zij is blootgesteld.]1
Art.22/1. [1 La composition de l'organe légal d'administration et du comité de direction, ou en l'absence d'un tel comité, de la direction effective, assure qu'ils disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension de l'ensemble des activités de la société de bourse, y compris des principaux risques auxquels elle est exposée.]1
Onderafdeling III. - Oprichting van comités binnen het wettelijk bestuursorgaan
Sous-section III. - Mise en place de comités au sein de l'organe légal d'administration
Art.23. § 1. Onder kleine beursvennootschap moet worden verstaan een beursvennootschap waarvan de waarde van de activa binnen en buiten de balanstelling gemiddeld 100 miljoen euro of minder bedraagt over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het betrokken boekjaar.
§ 2. Daarnaast kan de Bank besluiten dat een beursvennootschap die niet voldoet aan de in het eerste lid bepaalde criteria, toch kan worden aangemerkt als kleine beursvennootschap met name wegens de aard en de omvang van haar werkzaamheden, haar interne organisatie en, in voorkomend geval, de kenmerken van de groep waartoe zij behoort, indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° de vennootschap behoort niet tot de drie grootste beleggingsondernemingen naar Belgisch recht, gerekend naar de totale waarde van hun activa;
2° voor de vennootschap gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2014/59/EU;
3° de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling is gelijk aan of kleiner dan 150 miljoen euro;
4° de omvang van de derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling is gelijk aan of kleiner dan 100 miljoen euro; en
5° de waarde van de activa binnen en buiten de balanstelling bedraagt gemiddeld 300 miljoen euro of minder over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar.
§ 2. Daarnaast kan de Bank besluiten dat een beursvennootschap die niet voldoet aan de in het eerste lid bepaalde criteria, toch kan worden aangemerkt als kleine beursvennootschap met name wegens de aard en de omvang van haar werkzaamheden, haar interne organisatie en, in voorkomend geval, de kenmerken van de groep waartoe zij behoort, indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° de vennootschap behoort niet tot de drie grootste beleggingsondernemingen naar Belgisch recht, gerekend naar de totale waarde van hun activa;
2° voor de vennootschap gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2014/59/EU;
3° de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling is gelijk aan of kleiner dan 150 miljoen euro;
4° de omvang van de derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling is gelijk aan of kleiner dan 100 miljoen euro; en
5° de waarde van de activa binnen en buiten de balanstelling bedraagt gemiddeld 300 miljoen euro of minder over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan het lopende boekjaar.
Art.23. § 1er. Il y a lieu d'entendre par société de bourse de petite taille, une société de bourse dont la valeur des actifs au bilan et hors bilan est, en moyenne, inférieure ou égale à 100 millions d'euros sur la période de quatre ans qui précède immédiatement l'exercice comptable en cours.
§ 2. En outre, la Banque peut décider qu'une société de bourse ne répondant pas aux critères prévus par le paragraphe 1er mais satisfaisant aux conditions suivantes revêt la qualité de société de bourse de petite taille en raison notamment de la nature et de l'ampleur de ses activités, de son organisation interne et, le cas échéant, des caractéristiques du groupe auquel elle appartient :
1° la société n'est pas l'une des trois entreprises d'investissement de droit belge les plus importantes en termes de valeur totale de leurs actifs ;
2° la société n'est pas soumise à des obligations ou est soumise à des obligations simplifiées en ce qui concerne la planification des mesures de redressement et de résolution conformément à l'article 4 de la directive 2014/59/UE ;
3° la taille du portefeuille de négociation au bilan et hors bilan est inférieure ou égale à 150 millions d'euros ;
4° le volume des activités sur dérivés au bilan et hors bilan est inférieur ou égal à 100 millions d'euros ; et
5° la valeur des actifs au bilan et hors bilan est, en moyenne, inférieure ou égale à 300 millions d'euros sur la période de quatre ans qui précède immédiatement l'exercice comptable en cours.
§ 2. En outre, la Banque peut décider qu'une société de bourse ne répondant pas aux critères prévus par le paragraphe 1er mais satisfaisant aux conditions suivantes revêt la qualité de société de bourse de petite taille en raison notamment de la nature et de l'ampleur de ses activités, de son organisation interne et, le cas échéant, des caractéristiques du groupe auquel elle appartient :
1° la société n'est pas l'une des trois entreprises d'investissement de droit belge les plus importantes en termes de valeur totale de leurs actifs ;
2° la société n'est pas soumise à des obligations ou est soumise à des obligations simplifiées en ce qui concerne la planification des mesures de redressement et de résolution conformément à l'article 4 de la directive 2014/59/UE ;
3° la taille du portefeuille de négociation au bilan et hors bilan est inférieure ou égale à 150 millions d'euros ;
4° le volume des activités sur dérivés au bilan et hors bilan est inférieur ou égal à 100 millions d'euros ; et
5° la valeur des actifs au bilan et hors bilan est, en moyenne, inférieure ou égale à 300 millions d'euros sur la période de quatre ans qui précède immédiatement l'exercice comptable en cours.
Art.24. § 1. Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richten de beursvennootschappen binnen dit orgaan een risicocomité en een remuneratiecomité op.
§ 2. Naast de verplichting van paragraaf 1, kan de Bank eisen dat wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, de beursvennootschap binnen haar wettelijk bestuursorgaan ook een auditcomité en een benoemingscomité opricht, dan wel:
- één enkel comité dat instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 26 en 27; en/of
- één enkel comité dat instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.
§ 3. De in dit artikel bedoelde comités zijn uitsluitend samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn in de zin van artikel 3, 62° en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 3, 64° ; een lid mag niet in meer dan drie van de comités zetelen.
§ 4. De Bank kan bovendien toestaan dat een beursvennootschap die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, van een herverzekeringsonderneming, van een andere beleggingsonderneming, van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of van een beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, geheel of gedeeltelijk afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling, en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 26 tot en met 29, die bevoegd zijn voor de betrokken beursvennootschap en voldoen aan de vereisten van deze wet.
In het kader van de in het eerste lid bedoelde specifieke voorwaarden kan de Bank bepalen dat het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken vennootschap ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 3, 64° moet tellen.
§ 2. Naast de verplichting van paragraaf 1, kan de Bank eisen dat wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, de beursvennootschap binnen haar wettelijk bestuursorgaan ook een auditcomité en een benoemingscomité opricht, dan wel:
- één enkel comité dat instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 26 en 27; en/of
- één enkel comité dat instaat voor de taken van de comités bedoeld in de artikelen 28 en 29.
§ 3. De in dit artikel bedoelde comités zijn uitsluitend samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn in de zin van artikel 3, 62° en waarvan minstens één lid onafhankelijk is in de zin van artikel 3, 64° ; een lid mag niet in meer dan drie van de comités zetelen.
§ 4. De Bank kan bovendien toestaan dat een beursvennootschap die een dochteronderneming of een kleindochteronderneming is van een gemengde financiële holding, van een verzekeringsholding, van een financiële holding, van een kredietinstelling, van een verzekeringsonderneming, van een herverzekeringsonderneming, van een andere beleggingsonderneming, van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging of van een beheervennootschap van alternatieve instellingen voor collectieve belegging, geheel of gedeeltelijk afwijkt van de bepalingen van deze Onderafdeling, en kan specifieke voorwaarden vastleggen voor het verlenen van deze afwijkingen, voor zover er binnen de betrokken groepen of subgroepen één of meer comités zijn opgericht in de zin van de artikelen 26 tot en met 29, die bevoegd zijn voor de betrokken beursvennootschap en voldoen aan de vereisten van deze wet.
In het kader van de in het eerste lid bedoelde specifieke voorwaarden kan de Bank bepalen dat het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken vennootschap ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 3, 64° moet tellen.
Art.24. § 1er. Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les sociétés de bourse constituent, au sein de cet organe, un comité des risques et un comité de rémunération.
§ 2. Outre l'obligation prévue au paragraphe 1er, lorsqu'une société de bourse présente, à l'appréciation de la Banque, une importance significative au regard de sa taille, de son organisation interne ou de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, la Banque peut exiger de la société de bourse qu'elle constitue également, au sein de son organe légal d'administration, un comité d'audit et un comité de nomination, ou encore :
- un comité unique qui assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 26 et 27 ; et/ou
- un comité unique qui assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 28 et 29.
§ 3. Les comités visés au présent article sont exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs au sens de l'article 3, 62° et dont au moins un membre est indépendant au sens de l'article 3, 64°, un membre ne pouvant pas siéger dans plus de trois des comités.
§ 4. La Banque peut, à l'égard des sociétés de bourse qui sont filiales ou sous-filiales d'une compagnie financière mixte, d'une société holding d'assurance, d'une compagnie financière, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'une autre entreprise d'investissement, d'une société de gestion d'organismes de placement collectif ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, accorder, en tout ou en partie, des dérogations aux dispositions de la présente Sous-section et fixer des conditions spécifiques à l'octroi de ces dérogations, pour autant qu'aient été constitués au sein des groupes ou sous-groupes concernés un ou plusieurs des comités au sens des articles 26 à 29 dont les attributions s'étendent à la société de bourse concernée, et répondant aux exigences de la présente loi.
Parmi les conditions spécifiques visée à l'alinéa 1er, la Banque peut imposer que l'organe légal d'administration de la société concernée compte un membre indépendant au sens de l'article 3, 64° au moins.
§ 2. Outre l'obligation prévue au paragraphe 1er, lorsqu'une société de bourse présente, à l'appréciation de la Banque, une importance significative au regard de sa taille, de son organisation interne ou de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, la Banque peut exiger de la société de bourse qu'elle constitue également, au sein de son organe légal d'administration, un comité d'audit et un comité de nomination, ou encore :
- un comité unique qui assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 26 et 27 ; et/ou
- un comité unique qui assure les missions dévolues aux comités visés aux articles 28 et 29.
§ 3. Les comités visés au présent article sont exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs au sens de l'article 3, 62° et dont au moins un membre est indépendant au sens de l'article 3, 64°, un membre ne pouvant pas siéger dans plus de trois des comités.
§ 4. La Banque peut, à l'égard des sociétés de bourse qui sont filiales ou sous-filiales d'une compagnie financière mixte, d'une société holding d'assurance, d'une compagnie financière, d'un établissement de crédit, d'une entreprise d'assurance, d'une entreprise de réassurance, d'une autre entreprise d'investissement, d'une société de gestion d'organismes de placement collectif ou d'une société de gestion d'organismes de placement collectif alternatifs, accorder, en tout ou en partie, des dérogations aux dispositions de la présente Sous-section et fixer des conditions spécifiques à l'octroi de ces dérogations, pour autant qu'aient été constitués au sein des groupes ou sous-groupes concernés un ou plusieurs des comités au sens des articles 26 à 29 dont les attributions s'étendent à la société de bourse concernée, et répondant aux exigences de la présente loi.
Parmi les conditions spécifiques visée à l'alinéa 1er, la Banque peut imposer que l'organe légal d'administration de la société concernée compte un membre indépendant au sens de l'article 3, 64° au moins.
Art.25. § 1. Bij wijze van uitzondering op artikel 24 zijn de kleine beursvennootschappen vrijgesteld van de verplichting om de daarin bedoelde comités op te richten.
§ 2. Indien er met toepassing van paragraaf 1 geen comités worden opgericht als bedoeld in 24, of indien de Bank geen toepassing maakt van artikel 24, § 2 om de oprichting van de daarin bedoelde comités op te leggen, moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan ingevolge een met toepassing van artikel 22 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt voor het vervullen van de taken die toekomen aan één van de in 24 bedoelde comités.
§ 2. Indien er met toepassing van paragraaf 1 geen comités worden opgericht als bedoeld in 24, of indien de Bank geen toepassing maakt van artikel 24, § 2 om de oprichting van de daarin bedoelde comités op te leggen, moeten de aan die comités toegewezen taken worden uitgevoerd door het wettelijk bestuursorgaan als geheel. Wanneer de voorzitter van het wettelijk bestuursorgaan ingevolge een met toepassing van artikel 22 toegestane afwijking, een uitvoerend lid is, neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt voor het vervullen van de taken die toekomen aan één van de in 24 bedoelde comités.
Art.25. § 1er. Par exception à l'article 24, les sociétés de bourse de petite taille sont dispensées de constituer les comités qui sont y visées.
§ 2. Si, en application du paragraphe 1er, les comités visés à l'article 24 ne sont pas constitués, ou si la Banque n'applique pas l'article 24, § 2 pour imposer la constitution des comités y visés, les fonctions attribuées à ces comités doivent alors être exercées par l'organe légal d'administration dans son ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée en application de l'article 22, le président de l'organe légal d'administration est un membre exécutif, il ne préside pas l'organe légal d'administration lorsque celui-ci agit pour l'accomplissement des tâches incombant aux comités visés à l'article 24.
§ 2. Si, en application du paragraphe 1er, les comités visés à l'article 24 ne sont pas constitués, ou si la Banque n'applique pas l'article 24, § 2 pour imposer la constitution des comités y visés, les fonctions attribuées à ces comités doivent alors être exercées par l'organe légal d'administration dans son ensemble. Lorsque, suite à une dérogation accordée en application de l'article 22, le président de l'organe légal d'administration est un membre exécutif, il ne préside pas l'organe légal d'administration lorsque celui-ci agit pour l'accomplissement des tâches incombant aux comités visés à l'article 24.
Art.26. § 1. Naast de vereisten van artikel 24 beschikken de leden van het auditcomité over een collectieve deskundigheid op het gebied van de werkzaamheden van de betrokken beursvennootschap en op het gebied van boekhouding en audit en beschikt minstens één lid van het auditcomité over deskundigheid op het gebied van boekhouding en/of audit.
§ 2. Het auditcomité heeft minstens de in artikel 7:99, § 4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bepaalde taken.
Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 109 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en de periodieke staten opstelt die de beursvennootschap respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de in deze paragraaf bedoelde elementen preciseren en aanvullen.
§ 3. De commissaris is belast met de in artikel 7:99, § 7 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen opgenomen opdrachten.
§ 2. Het auditcomité heeft minstens de in artikel 7:99, § 4 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bepaalde taken.
Het auditcomité brengt bij het wettelijk bestuursorgaan geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer het wettelijk bestuursorgaan de in artikel 109 bedoelde jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening en de periodieke staten opstelt die de beursvennootschap respectievelijk aan het einde van het boekjaar en aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt.
De Bank kan, bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de in deze paragraaf bedoelde elementen preciseren en aanvullen.
§ 3. De commissaris is belast met de in artikel 7:99, § 7 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen opgenomen opdrachten.
Art.26. § 1er. Outre les exigences prévues à l'article 24, les membres du comité d'audit disposent d'une compétence collective dans le domaine d'activités de la société de bourse concernée et en matière de comptabilité et d'audit et au moins un membre du comité d'audit est compétent en matière de comptabilité et/ou d'audit.
§ 2. Le comité d'audit est au moins chargé des missions prévues par l'article 7:99, § 4 du Code des sociétés et des associations.
Le comité d'audit fait régulièrement rapport à l'organe légal d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels et consolidés et des états périodiques visés à l'article 109 respectivement transmis par la société de bourse à la fin de l'exercice social et à la fin du premier semestre social.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter les éléments visés au présent paragraphe.
§ 3. Le commissaire est chargé des missions reprises sous l'article 7:99, § 7 du Code des sociétés et des associations.
§ 2. Le comité d'audit est au moins chargé des missions prévues par l'article 7:99, § 4 du Code des sociétés et des associations.
Le comité d'audit fait régulièrement rapport à l'organe légal d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels et consolidés et des états périodiques visés à l'article 109 respectivement transmis par la société de bourse à la fin de l'exercice social et à la fin du premier semestre social.
La Banque peut, par voie de règlement pris conformément à l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser et compléter les éléments visés au présent paragraphe.
§ 3. Le commissaire est chargé des missions reprises sous l'article 7:99, § 7 du Code des sociétés et des associations.
Art.27. § 1. De leden van het risicocomité bezitten individueel de nodige kennis, deskundigheid, ervaring en vaardigheden om de strategie en de risicotolerantie van de vennootschap te begrijpen en te bevatten.
§ 2. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuursorgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
Het risicocomité waakt erover dat de prijzen van de activa en passiva en van de categorieën van producten die niet in de balans zijn opgenomen en die aan de cliënten worden aangeboden, rekening houden met de risico's die de vennootschap loopt, gelet op haar bedrijfsmodel en haar strategie inzake risico's, met name de risico's, inzonderheid reputatierisico's, die kunnen voortvloeien uit de types van producten die aan de cliënten worden aangeboden. Wanneer dit niet het geval is, legt het een actieplan voor aan het wettelijk bestuursorgaan.
§ 3. Onverminderd de in artikel 59, § 5 bedoelde informatie bepaalt het risicocomité de aard, omvang, vorm en frequentie van de informatie die aan het comité moet worden overgemaakt over de risico's die de vennootschap kan lopen. Het heeft rechtstreeks toegang tot de risicobeheerfunctie van de vennootschap en tot het advies van externe deskundigen.
§ 4. Ter bevordering van gezonde beloningspraktijken en een gezond beloningsbeleid, onderzoekt het risicocomité, onverminderd de taken van het remuneratiecomité, of de prikkels die uitgaan van het beloningssysteem op passende wijze rekening houden met de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie van de vennootschap, evenals met de waarschijnlijkheid en de spreiding in de tijd van de winst.
§ 2. Het risicocomité verstrekt advies aan het wettelijk bestuursorgaan over de huidige en toekomstige risicotolerantie en risicostrategie. Het staat het wettelijk bestuursorgaan bij in de uitoefening van het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze strategie door de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
Het risicocomité waakt erover dat de prijzen van de activa en passiva en van de categorieën van producten die niet in de balans zijn opgenomen en die aan de cliënten worden aangeboden, rekening houden met de risico's die de vennootschap loopt, gelet op haar bedrijfsmodel en haar strategie inzake risico's, met name de risico's, inzonderheid reputatierisico's, die kunnen voortvloeien uit de types van producten die aan de cliënten worden aangeboden. Wanneer dit niet het geval is, legt het een actieplan voor aan het wettelijk bestuursorgaan.
§ 3. Onverminderd de in artikel 59, § 5 bedoelde informatie bepaalt het risicocomité de aard, omvang, vorm en frequentie van de informatie die aan het comité moet worden overgemaakt over de risico's die de vennootschap kan lopen. Het heeft rechtstreeks toegang tot de risicobeheerfunctie van de vennootschap en tot het advies van externe deskundigen.
§ 4. Ter bevordering van gezonde beloningspraktijken en een gezond beloningsbeleid, onderzoekt het risicocomité, onverminderd de taken van het remuneratiecomité, of de prikkels die uitgaan van het beloningssysteem op passende wijze rekening houden met de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie van de vennootschap, evenals met de waarschijnlijkheid en de spreiding in de tijd van de winst.
Art.27. § 1er. Les membres du comité des risques disposent individuellement des connaissances, des compétences, de l'expérience et des aptitudes nécessaires pour leur permettre de comprendre et d'appréhender la stratégie et le niveau de tolérance au risque de la société.
§ 2. Le comité des risques conseille l'organe légal d'administration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs. Il assiste l'organe légal d'administration lorsque celui-ci supervise la mise en oeuvre de cette stratégie par les personnes participant à la direction effective, le cas échéant par les membres du comité de direction.
Le comité des risques s'assure que les prix des actifs et passifs et catégories de produits hors bilan qui sont proposés aux clients, tiennent compte des risques supportés par la société eu égard à son modèle d'entreprise et à sa stratégie en matière de risques, notamment les risques, en particulier de réputation, susceptibles de résulter des types de produits proposés à la clientèle. Il présente un plan d'action à l'organe légal d'administration lorsque ce n'est pas le cas.
§ 3. Sans préjudice de l'information visée à l'article 59, § 5, le comité des risques détermine la nature, le volume, la forme et la fréquence des informations concernant les risques auxquels la société est susceptible d'être exposée à lui transmettre. Il dispose d'un accès direct à la fonction de gestion des risques de la société et aux conseils d'experts extérieurs.
§ 4. Afin de favoriser des pratiques et politiques de rémunération saines, le comité des risques, sans préjudice des tâches du comité de rémunération, examine si les incitants prévus par le système de rémunération tiennent compte de manière appropriée de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité de la société, ainsi que de la probabilité et de l'échelonnement dans le temps des bénéfices.
§ 2. Le comité des risques conseille l'organe légal d'administration pour les aspects concernant la stratégie et le niveau de tolérance en matière de risques, tant actuels que futurs. Il assiste l'organe légal d'administration lorsque celui-ci supervise la mise en oeuvre de cette stratégie par les personnes participant à la direction effective, le cas échéant par les membres du comité de direction.
Le comité des risques s'assure que les prix des actifs et passifs et catégories de produits hors bilan qui sont proposés aux clients, tiennent compte des risques supportés par la société eu égard à son modèle d'entreprise et à sa stratégie en matière de risques, notamment les risques, en particulier de réputation, susceptibles de résulter des types de produits proposés à la clientèle. Il présente un plan d'action à l'organe légal d'administration lorsque ce n'est pas le cas.
§ 3. Sans préjudice de l'information visée à l'article 59, § 5, le comité des risques détermine la nature, le volume, la forme et la fréquence des informations concernant les risques auxquels la société est susceptible d'être exposée à lui transmettre. Il dispose d'un accès direct à la fonction de gestion des risques de la société et aux conseils d'experts extérieurs.
§ 4. Afin de favoriser des pratiques et politiques de rémunération saines, le comité des risques, sans préjudice des tâches du comité de rémunération, examine si les incitants prévus par le système de rémunération tiennent compte de manière appropriée de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité de la société, ainsi que de la probabilité et de l'échelonnement dans le temps des bénéfices.
Art.28. § 1. Het remuneratiecomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over het beloningsbeleid en de beloningspraktijken en de prikkels die daarvan uitgaan voor de risicobeheersing, de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeitspositie. Het remuneratiecomité is evenwichtig samengesteld qua geslacht.
§ 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke wijziging die erin wordt aangebracht.
§ 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beursvennootschap en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de beursvennootschap, alsook met het algemeen belang.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
§ 2. Het remuneratiecomité verstrekt een advies over het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan moet worden vastgesteld en over elke wijziging die erin wordt aangebracht.
§ 3. Het remuneratiecomité is belast met het voorbereiden van beslissingen over beloning, met name beslissingen die gevolgen hebben voor de risico's en het risicobeheer van de betrokken beursvennootschap en waarover het wettelijk bestuursorgaan zich moet uitspreken. Bij de voorbereiding van dergelijke beslissingen houdt het remuneratiecomité rekening met de langetermijnbelangen van aandeelhouders, investeerders en andere belanghebbenden van de beursvennootschap, alsook met het algemeen belang.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op beslissingen over de beloning van de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties. Bovendien oefent het remuneratiecomité rechtstreeks toezicht uit op de beloning van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
Art.28. § 1er. Le comité de rémunération est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur les politiques et les pratiques de rémunération et sur les incitants créés au regard de la maîtrise des risques, des besoins en fonds propres et de la position de liquidité. Le comité de rémunération est équilibré du point de vue du genre.
§ 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l'organe légal d'administration ainsi que sur toute modification qui y est apportée.
§ 3. Le comité de rémunération est chargé de préparer les décisions concernant les rémunérations, notamment celles qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des risques dans la société de bourse concernée et sur lesquelles l'organe légal d'administration est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces décisions, le comité de rémunération tient compte des intérêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des autres parties prenantes de la société de bourse ainsi que de l'intérêt public.
L'alinéa 1er est également d'application pour les décisions concernant les rémunérations des personnes en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rémunération assure, en outre, une supervision directe en ce qui concerne les rémunérations allouées aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
§ 2. Le comité de rémunération émet un avis sur la politique de rémunération à adopter par l'organe légal d'administration ainsi que sur toute modification qui y est apportée.
§ 3. Le comité de rémunération est chargé de préparer les décisions concernant les rémunérations, notamment celles qui ont des répercussions sur le risque et la gestion des risques dans la société de bourse concernée et sur lesquelles l'organe légal d'administration est appelé à se prononcer. Lors de la préparation de ces décisions, le comité de rémunération tient compte des intérêts à long terme des actionnaires, des investisseurs et des autres parties prenantes de la société de bourse ainsi que de l'intérêt public.
L'alinéa 1er est également d'application pour les décisions concernant les rémunérations des personnes en charge des fonctions de contrôle indépendantes. Le comité de rémunération assure, en outre, une supervision directe en ce qui concerne les rémunérations allouées aux responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
Art.29. § 1. Het benoemingscomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over de samenstelling en de werking van de bestuurs- en beleidsorganen van de vennootschap, in het bijzonder over de individuele en collectieve deskundigheid van hun leden, en over hun integriteit, reputatie, onafhankelijkheid van geest en beschikbaarheid.
§ 2. Het benoemingscomité is belast met:
1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het wettelijk bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het wettelijk bestuursorgaan, het nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het wettelijk bestuursorgaan zijn verdeeld, en het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, alsmede het beoordelen van hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed.
Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het wettelijk bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 48, punt b) van Verordening 2019/2033. De Bank geeft deze informatie door aan de EBA;
2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het wettelijk bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen;
3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het wettelijk bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan;
4° het periodiek toetsen van het beleid van het wettelijk bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan.
Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van de besluitvormingsorganen niet domineert op een wijze die de collegialiteit van die organen aantast of die de belangen van de vennootschap in haar geheel schade berokkent.
Het benoemingscomité kan gebruik maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiële middelen.
§ 2. Het benoemingscomité is belast met:
1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het wettelijk bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het wettelijk bestuursorgaan, het nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het wettelijk bestuursorgaan zijn verdeeld, en het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, alsmede het beoordelen van hoeveel tijd er aan de functie moet worden besteed.
Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het wettelijk bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 48, punt b) van Verordening 2019/2033. De Bank geeft deze informatie door aan de EBA;
2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het wettelijk bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen;
3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het wettelijk bestuursorgaan en van het wettelijk bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan;
4° het periodiek toetsen van het beleid van het wettelijk bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het wettelijk bestuursorgaan.
Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van de besluitvormingsorganen niet domineert op een wijze die de collegialiteit van die organen aantast of die de belangen van de vennootschap in haar geheel schade berokkent.
Het benoemingscomité kan gebruik maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiële middelen.
Art.29. § 1er. Le comité de nomination est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur la composition et le fonctionnement des organes d'administration et de gestion de la société, en particulier sur l'expertise individuelle et collective de leurs membres et sur l'intégrité, la réputation, l'indépendance d'esprit et la disponibilité de ceux-ci.
§ 2. Le comité de nomination :
1° identifie et recommande, pour approbation par l'assemblée générale ou, le cas échéant, par l'organe légal d'administration, des candidats aptes à occuper des sièges vacants au sein de l'organe légal d'administration, évalue l'équilibre de connaissances, de compétences, de diversité et d'expérience au sein de l'organe légal d'administration, élabore une description des missions et des qualifications liées à une nomination donnée et évalue le temps à consacrer à ces fonctions.
Le comité de nomination fixe également un objectif à atteindre en ce qui concerne la représentation du sexe sous-représenté au sein de l'organe légal d'administration et élabore une politique destinée à y accroître le nombre de représentants de ce sexe afin d'atteindre cet objectif. L'objectif et le plan, ainsi que les modalités de sa mise en oeuvre, sont rendus publics conformément à l'article 48, point b) du Règlement 2019/2033. La Banque transmet ces informations à l'ABE ;
2° évalue périodiquement, et au moins une fois par an, la structure, la taille, la composition et les performances de l'organe légal d'administration et lui soumet des recommandations en ce qui concerne des changements éventuels ;
3° évalue périodiquement, et au moins une fois par an, les connaissances, les compétences, l'expérience, le degré d'implication, notamment l'assiduité, des membres de l'organe légal d'administration, tant individuellement que collectivement, et en rend compte à cet organe ;
4° examine périodiquement les politiques de l'organe légal d'administration en matière de sélection et de nomination des membres exécutifs de celui-ci, et formule des recommandations à l'intention de l'organe légal d'administration.
Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein des organes décisionnels ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui porte atteinte à la collégialité de ces organes ou qui soit préjudiciable aux intérêts de la société dans son ensemble.
Le comité de nomination peut recourir à tout type de ressource qu'il considère comme étant appropriée à l'exercice de sa mission, y compris à des conseils externes, et reçoit les moyens financiers appropriés à cet effet.
§ 2. Le comité de nomination :
1° identifie et recommande, pour approbation par l'assemblée générale ou, le cas échéant, par l'organe légal d'administration, des candidats aptes à occuper des sièges vacants au sein de l'organe légal d'administration, évalue l'équilibre de connaissances, de compétences, de diversité et d'expérience au sein de l'organe légal d'administration, élabore une description des missions et des qualifications liées à une nomination donnée et évalue le temps à consacrer à ces fonctions.
Le comité de nomination fixe également un objectif à atteindre en ce qui concerne la représentation du sexe sous-représenté au sein de l'organe légal d'administration et élabore une politique destinée à y accroître le nombre de représentants de ce sexe afin d'atteindre cet objectif. L'objectif et le plan, ainsi que les modalités de sa mise en oeuvre, sont rendus publics conformément à l'article 48, point b) du Règlement 2019/2033. La Banque transmet ces informations à l'ABE ;
2° évalue périodiquement, et au moins une fois par an, la structure, la taille, la composition et les performances de l'organe légal d'administration et lui soumet des recommandations en ce qui concerne des changements éventuels ;
3° évalue périodiquement, et au moins une fois par an, les connaissances, les compétences, l'expérience, le degré d'implication, notamment l'assiduité, des membres de l'organe légal d'administration, tant individuellement que collectivement, et en rend compte à cet organe ;
4° examine périodiquement les politiques de l'organe légal d'administration en matière de sélection et de nomination des membres exécutifs de celui-ci, et formule des recommandations à l'intention de l'organe légal d'administration.
Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein des organes décisionnels ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui porte atteinte à la collégialité de ces organes ou qui soit préjudiciable aux intérêts de la société dans son ensemble.
Le comité de nomination peut recourir à tout type de ressource qu'il considère comme étant appropriée à l'exercice de sa mission, y compris à des conseils externes, et reçoit les moyens financiers appropriés à cet effet.
Art.30. De artikelen 24, 26 en 28 doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen over het auditcomité en het remuneratiecomité in genoteerde vennootschappen in de zin van artikel 1:11 van dit Wetboek.
Art.30. Les articles 24, 26 et 28 sont sans préjudice des dispositions du Code des sociétés et des associations relatives au comité d'audit et au comité de rémunération au sein de sociétés cotées au sens de l'article 1:11 de ce Code.
Onderafdeling IV. - Operationele onafhankelijke controlefuncties
Sous-section IV. - Fonctions de contrôle indépendantes opérationnelles
Art.31. § 1. Iedere beursvennootschap neemt de nodige maatregelen om blijvend te beschikken over de volgende passende onafhankelijke controlefuncties:
a) compliance;
b) risicobeheer;
c) interne audit,
die worden uitgeoefend door personen die onafhankelijk zijn van de bedrijfseenheden van de vennootschap en over de nodige bevoegdheden beschikken om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de werkzaamheden waarop toezicht wordt gehouden.
§ 2. Bij haar beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met de bepalingen van artikel 17, § 4.
a) compliance;
b) risicobeheer;
c) interne audit,
die worden uitgeoefend door personen die onafhankelijk zijn van de bedrijfseenheden van de vennootschap en over de nodige bevoegdheden beschikken om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. De beloning van deze personen wordt vastgesteld volgens de verwezenlijking van de doelstellingen waar hun functie op gericht is, onafhankelijk van de resultaten van de werkzaamheden waarop toezicht wordt gehouden.
§ 2. Bij haar beoordeling van het passende karakter van de in paragraaf 1 bedoelde functies houdt de Bank rekening met de bepalingen van artikel 17, § 4.
Art.31. § 1er. Les sociétés de bourse prennent les mesures nécessaires pour disposer en permanence des fonctions de contrôle indépendantes adéquates suivantes :
a) conformité (compliance) ;
b) gestion des risques ;
c) audit interne,
dont les personnes qui en assurent l'exercice sont indépendantes des unités opérationnelles de la société et disposent des prérogatives nécessaires au bon accomplissement de leurs fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment des performances des domaines d'activités contrôlés.
§ 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonctions visées au paragraphe 1er, la Banque tient compte des dispositions de l'article 17, § 4.
a) conformité (compliance) ;
b) gestion des risques ;
c) audit interne,
dont les personnes qui en assurent l'exercice sont indépendantes des unités opérationnelles de la société et disposent des prérogatives nécessaires au bon accomplissement de leurs fonctions. La rémunération de ces personnes est fixée en fonction de la réalisation des objectifs liés à leurs fonctions, indépendamment des performances des domaines d'activités contrôlés.
§ 2. Dans son évaluation du caractère adéquat des fonctions visées au paragraphe 1er, la Banque tient compte des dispositions de l'article 17, § 4.
Art.32. § 1. Iedere beursvennootschap beschikt over een compliancefunctie om de naleving door de vennootschap, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten te verzekeren van de wettelijke en reglementaire regels inzake integriteit en gedrag die van toepassing zijn op de beleggingsactiviteiten en/of beleggingsdiensten alsmede nevendiensten.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
§ 2. De personen die belast zijn met de compliancefunctie brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan.
Het wettelijk bestuursorgaan bezorgt aan de Bank jaarlijks een verslag over de beoordeling van de compliancefunctie die het met toepassing van artikel 56, § 3 verricht.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van artikel 87bis van de wet van 2 augustus 2002.
§ 2. De personen die belast zijn met de compliancefunctie brengen minstens eenmaal per jaar verslag uit aan het wettelijk bestuursorgaan.
Het wettelijk bestuursorgaan bezorgt aan de Bank jaarlijks een verslag over de beoordeling van de compliancefunctie die het met toepassing van artikel 56, § 3 verricht.
Art.32. § 1er. Les sociétés de bourse disposent d'une fonction de conformité (compliance) destinée à assurer le respect, par la société, les membres de son organe légal d'administration, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents liés, des règles légales et réglementaires d'intégrité et de conduite qui s'appliquent aux activités d'investissement, aux services d'investissement et/ou aux services auxiliaires.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l'article 87bis de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Les personnes qui assurent la fonction de conformité (compliance) font rapport à l'organe légal d'administration au moins une fois par an.
L'organe légal d'administration transmet annuellement à la Banque un rapport relatif à l'évaluation qu'il effectue de la fonction de conformité en application de l'article 56, § 3.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux dispositions de l'article 87bis de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Les personnes qui assurent la fonction de conformité (compliance) font rapport à l'organe légal d'administration au moins une fois par an.
L'organe légal d'administration transmet annuellement à la Banque un rapport relatif à l'évaluation qu'il effectue de la fonction de conformité en application de l'article 56, § 3.
Art.33. § 1. Iedere beursvennootschap beschikt over een passende risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status en middelen heeft en rechtstreeks toegang heeft tot het wettelijk bestuursorgaan.
§ 2. De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de vennootschap en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en zijn in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de vennootschap loopt.
§ 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een lid van het directiecomité, waarvoor de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. De Bank kan toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de vennootschap deze functie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat.
In afwijking van het eerste lid, eerste zin kan de Bank, met het oog op de versterking van de autonomie en de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie als bedoeld in artikel 32, toestaan dat de persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het lid van het directiecomité, die verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook verantwoordelijk is voor de compliancefunctie, op voorwaarde dat de twee betrokken functies los van elkaar worden uitgeoefend.
§ 2. De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de vennootschap en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en zijn in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de vennootschap loopt.
§ 3. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een lid van het directiecomité, waarvoor de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. De Bank kan toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de vennootschap deze functie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat.
In afwijking van het eerste lid, eerste zin kan de Bank, met het oog op de versterking van de autonomie en de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie als bedoeld in artikel 32, toestaan dat de persoon die deelneemt aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het lid van het directiecomité, die verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook verantwoordelijk is voor de compliancefunctie, op voorwaarde dat de twee betrokken functies los van elkaar worden uitgeoefend.
Art.33. § 1er. Les sociétés de bourse disposent d'une fonction de gestion des risques adéquate, indépendante des fonctions opérationnelles et qui dispose d'une autorité, d'un statut et de ressources suffisants, ainsi que d'un accès direct à l'organe légal d'administration.
§ 2. Les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques veillent à ce que tous les risques significatifs soient détectés, mesurés et correctement déclarés. Elles participent activement à l'élaboration de la stratégie en matière de risque de la société ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée la société.
§ 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par une personne participant à la direction effective, le cas échéant par un membre du comité de direction, dont c'est la seule fonction particulière pour laquelle elle est individuellement responsable. La Banque peut autoriser qu'un membre du personnel de la société faisant partie de l'encadrement supérieur assume cette fonction à condition qu'il n'existe dans son chef aucun conflit d'intérêts.
Par dérogation à l'alinéa 1er, première phrase, la Banque peut, en vue de renforcer l'autonomie et l'indépendance des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) visée à l'article 32, autoriser que la personne participant à la direction effective, le cas échéant le membre du comité de direction, responsable de la fonction de gestion des risques assure également la responsabilité de la fonction de conformité (compliance), à la condition que l'exercice des deux fonctions concernées demeure assuré distinctement.
§ 2. Les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques veillent à ce que tous les risques significatifs soient détectés, mesurés et correctement déclarés. Elles participent activement à l'élaboration de la stratégie en matière de risque de la société ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée la société.
§ 3. La fonction de gestion des risques est dirigée par une personne participant à la direction effective, le cas échéant par un membre du comité de direction, dont c'est la seule fonction particulière pour laquelle elle est individuellement responsable. La Banque peut autoriser qu'un membre du personnel de la société faisant partie de l'encadrement supérieur assume cette fonction à condition qu'il n'existe dans son chef aucun conflit d'intérêts.
Par dérogation à l'alinéa 1er, première phrase, la Banque peut, en vue de renforcer l'autonomie et l'indépendance des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) visée à l'article 32, autoriser que la personne participant à la direction effective, le cas échéant le membre du comité de direction, responsable de la fonction de gestion des risques assure également la responsabilité de la fonction de conformité (compliance), à la condition que l'exercice des deux fonctions concernées demeure assuré distinctement.
Art.34. De verantwoordelijken voor de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie kunnen onafhankelijk van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, rechtstreeks rapporteren, in voorkomend geval via het risicocomité, aan het wettelijk bestuursorgaan, en het over hun bezorgdheid inlichten en in voorkomend geval waarschuwen indien specifieke risico-ontwikkelingen een negatieve invloed op de vennootschap hebben of zouden kunnen hebben, met name haar reputatie zouden kunnen schaden.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden van het wettelijk bestuursorgaan krachtens deze wet en Verordening 2019/2033.
Het eerste lid doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden van het wettelijk bestuursorgaan krachtens deze wet en Verordening 2019/2033.
Art.34. Les responsables des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) peuvent rendre directement compte, le cas échéant via le comité des risques, à l'organe légal d'administration, sans en référer aux personnes participant à la direction effective, le cas échéant aux membres du comité de direction, et peuvent lui faire part de préoccupations et l'avertir, le cas échéant, en cas d'évolution des risques affectant ou susceptible d'affecter la société, notamment de porter atteinte à sa réputation.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabilités de l'organe légal d'administration en vertu de la présente loi et du Règlement 2019/2033.
L'alinéa 1er ne porte pas préjudice aux responsabilités de l'organe légal d'administration en vertu de la présente loi et du Règlement 2019/2033.
Art.35. § 1. Iedere beursvennootschap waarborgt in een auditcharter ten minste dat de interne auditfunctie onafhankelijk is, dat een onbeperkt recht op toegang tot informatie heeft en dat haar taken betrekking hebben op alle werkzaamheden en entiteiten van de vennootschap, ook in geval van uitbesteding.
§ 2. De interne auditfunctie bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en de governanceregeling van de beursvennootschap.
§ 3. De interne auditfunctie rapporteert rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, met kennisgeving aan de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
§ 2. De interne auditfunctie bezorgt aan het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, een onafhankelijke beoordeling van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de interne controle, het risicobeheer en de governanceregeling van de beursvennootschap.
§ 3. De interne auditfunctie rapporteert rechtstreeks aan het wettelijk bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, met kennisgeving aan de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
Art.35. § 1er. Les sociétés de bourse garantissent dans une charte d'audit, au minimum, l'indépendance de la fonction d'audit interne, ses prérogatives illimitées d'accès à l'information et l'étendue de ses missions à toute activité et entité de la société, y compris en cas de sous-traitance.
§ 2. La fonction d'audit interne a pour objet de fournir à l'organe légal d'administration et aux personnes participant à la direction effective, le cas échéant aux membres du comité de direction, une évaluation indépendante de la qualité et de l'efficience du contrôle interne, de la gestion des risques et du dispositif de gouvernance de la société de bourse.
§ 3. La fonction d'audit interne fait directement rapport à l'organe légal d'administration, le cas échéant via le comité d'audit, avec information des personnes participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction.
§ 2. La fonction d'audit interne a pour objet de fournir à l'organe légal d'administration et aux personnes participant à la direction effective, le cas échéant aux membres du comité de direction, une évaluation indépendante de la qualité et de l'efficience du contrôle interne, de la gestion des risques et du dispositif de gouvernance de la société de bourse.
§ 3. La fonction d'audit interne fait directement rapport à l'organe légal d'administration, le cas échéant via le comité d'audit, avec information des personnes participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction.
Art.36. Onverminderd het bepaalde bij de artikelen 15 tot en met 17 [1 , 22/1]1 en 31 tot en met 35, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie en, op advies van de FSMA, een passende onafhankelijke compliancefunctie, en nadere regels opstellen conform de Europese regelgeving, met name regels waarin de minimumvoorwaarden worden vastgesteld die moeten worden vervuld wat betreft het in artikel 15, § 1, tweede lid bedoelde vereiste om over passende deskundigheid te beschikken, met inbegrip van de modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de beoordeling van dat vereiste.
Art.36. La Banque peut, sans préjudice des dispositions des articles 15 à 17 [1 , 22/1]1 et 31 à 35, préciser, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, ce qu'il y a lieu d'entendre par structure de gestion adéquate, contrôle interne adéquat, fonction d'audit interne indépendante adéquate, fonction de gestion des risques indépendante adéquate et, sur avis de la FSMA, fonction de conformité (compliance) indépendante adéquate, et élaborer des règles plus précises conformément à la réglementation européenne, notamment des règles précisant les conditions minimales auxquelles il doit être satisfait en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate visée à l'article 15, § 1er, alinéa 2, en ce compris les modalités de la procédure d'évaluation de cette exigence.
Änderungen
Onderafdeling V. - Specifieke organisatie voor het verlenen van beleggingsdiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies aan cliënten in verband met dergelijke producten
Sous-section V. - Organisation spécifique liée à la fourniture de services d'investissement, à la commercialisation de dépôts structurés et à la fourniture de conseils aux clients sur de tels produits
Art.37. § 1. Iedere beursvennootschap legt de in artikel 17 bedoelde beleidslijnen en procedures vast om de naleving van de wettelijke en reglementaire voorschriften inzake beleggingsdiensten en -activiteiten door de vennootschap, de leden van haar wettelijk bestuursorgaan, haar effectieve leiding, werknemers, gevolmachtigden en verbonden agenten op adequate wijze te verzekeren.
Deze beleidslijnen en procedures omvatten met name:
1° onverminderd de artikelen 74 tot en met 77, een vergoedingsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliënten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliënten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliënten voorkomt;
2° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en operaties die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de in de artikelen 19, tweede lid, 2° en 57, § 1 bedoelde risicotolerantieniveau van de vennootschap en de kenmerken en behoeften van de cliënten van de vennootschap waaraan deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests;
3° passende regels voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.
§ 2. Op advies van de FSMA en de Bank kan de Koning de in paragraaf 1 bedoelde regels en verplichtingen bepalen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op:
- de personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn;
- de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet;
- de modaliteiten waaronder de betrokken personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de beursvennootschap;
- de wijze waarop de beursvennootschappen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren.
Deze beleidslijnen en procedures omvatten met name:
1° onverminderd de artikelen 74 tot en met 77, een vergoedingsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliënten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliënten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliënten voorkomt;
2° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en operaties die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de in de artikelen 19, tweede lid, 2° en 57, § 1 bedoelde risicotolerantieniveau van de vennootschap en de kenmerken en behoeften van de cliënten van de vennootschap waaraan deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests;
3° passende regels voor de rechtstreekse en onrechtstreekse persoonlijke verrichtingen in financiële instrumenten die worden uitgevoerd door de in het eerste lid bedoelde personen.
§ 2. Op advies van de FSMA en de Bank kan de Koning de in paragraaf 1 bedoelde regels en verplichtingen bepalen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op:
- de personen op wie deze regels en verplichtingen van toepassing zijn;
- de persoonlijke verrichtingen die in strijd worden geacht met de wet;
- de modaliteiten waaronder de betrokken personen hun persoonlijke verrichtingen dienen mee te delen aan de beursvennootschap;
- de wijze waarop de beursvennootschappen gegevens over de persoonlijke verrichtingen dienen te bewaren.
Art.37. § 1er. Les sociétés de bourse précisent les politiques et procédures visées à l'article 17 afin d'assurer adéquatement le respect par la société, les membres de son organe légal d'administration, ses dirigeants effectifs, ses salariés, ses mandataires et agents liés, des dispositions légales et réglementaires relatives aux services et activités d'investissement.
A cette fin, ces politiques et procédures comprennent notamment :
1° sans préjudice des articles 74 à 77, une politique de rémunération des personnes participant à la fourniture de services aux clients qui vise à encourager un comportement professionnel responsable et un traitement équitable des clients ainsi qu'à éviter les conflits d'intérêts dans les relations avec les clients ;
2° une politique relative aux services, activités, produits et opérations proposés ou fournis, conformément au niveau de tolérance au risque visé aux articles 19, alinéa 2, 2° et 57, § 1er de la société et aux caractéristiques et besoins des clients de la société auxquels ils seront proposés ou fournis, y compris en effectuant, au besoin, des simulations de crise appropriées ;
3° des règles appropriées applicables aux transactions personnelles, directes et indirectes, effectuées sur des instruments financiers par les personnes visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Roi peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque, les règles et obligations visées au paragraphe 1er. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur :
- les personnes auxquelles ces règles et obligations sont applicables ;
- les transactions personnelles réputées contraires à la loi ;
- les modalités selon lesquelles les personnes concernées sont tenues de notifier leurs transactions personnelles à la société de bourse ;
- la manière dont les sociétés de bourse doivent conserver un enregistrement des transactions personnelles.
A cette fin, ces politiques et procédures comprennent notamment :
1° sans préjudice des articles 74 à 77, une politique de rémunération des personnes participant à la fourniture de services aux clients qui vise à encourager un comportement professionnel responsable et un traitement équitable des clients ainsi qu'à éviter les conflits d'intérêts dans les relations avec les clients ;
2° une politique relative aux services, activités, produits et opérations proposés ou fournis, conformément au niveau de tolérance au risque visé aux articles 19, alinéa 2, 2° et 57, § 1er de la société et aux caractéristiques et besoins des clients de la société auxquels ils seront proposés ou fournis, y compris en effectuant, au besoin, des simulations de crise appropriées ;
3° des règles appropriées applicables aux transactions personnelles, directes et indirectes, effectuées sur des instruments financiers par les personnes visées à l'alinéa 1er.
§ 2. Le Roi peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque, les règles et obligations visées au paragraphe 1er. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur :
- les personnes auxquelles ces règles et obligations sont applicables ;
- les transactions personnelles réputées contraires à la loi ;
- les modalités selon lesquelles les personnes concernées sont tenues de notifier leurs transactions personnelles à la société de bourse ;
- la manière dont les sociétés de bourse doivent conserver un enregistrement des transactions personnelles.
Art.38. § 1. Iedere beursvennootschap neemt passende organisatorische en administratieve maatregelen om te voorkomen dat belangenconflicten inzake beleggingsdiensten en -activiteiten tussen de vennootschap, haar bestuurders, effectieve leiding, werknemers en gevolmachtigden en verbonden agenten, of een met haar verbonden onderneming, enerzijds, en haar cliënteel anderzijds, of tussen haar cliënten onderling, de belangen van deze laatsten zouden schaden.
§ 2. Op advies van de FSMA en de Bank kan de Koning de nadere regels en verplichtingen ter zake bepalen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen om belangenconflicten te vermijden en wanneer de beursvennootschap onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt.
§ 2. Op advies van de FSMA en de Bank kan de Koning de nadere regels en verplichtingen ter zake bepalen. Deze regels en verplichtingen kunnen inzonderheid betrekking hebben op de organisatorische regels die in acht moeten worden genomen om belangenconflicten te vermijden en wanneer de beursvennootschap onderzoek op beleggingsgebied produceert en verspreidt.
Art.38. § 1er. Les sociétés de bourse prennent des mesures organisationnelles et administratives adéquates pour empêcher que des conflits d'intérêts portant sur des services et activités d'investissement et survenant entre la société, ses administrateurs, ses dirigeants effectifs, ses salariés et ses mandataires et agents liés, ou toute entreprise qui lui est liée, d'une part, et sa clientèle, d'autre part, ou entre ses clients eux-mêmes, ne portent atteinte aux intérêts de ces derniers.
§ 2. Le Roi peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque, les règles et obligations en la matière. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur les règles organisationnelles à respecter afin d'empêcher la survenance de conflits d'intérêts, ainsi que lorsque la société de bourse produit et diffuse des travaux de recherche en investissements.
§ 2. Le Roi peut préciser, sur avis de la FSMA et de la Banque, les règles et obligations en la matière. Ces règles et obligations peuvent notamment porter sur les règles organisationnelles à respecter afin d'empêcher la survenance de conflits d'intérêts, ainsi que lorsque la société de bourse produit et diffuse des travaux de recherche en investissements.
Art.39. Iedere beursvennootschap duidt een persoon aan die over voldoende vaardigheden en gezag beschikt en verantwoordelijk is voor de naleving door de vennootschap van haar verplichtingen met betrekking tot:
1° de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69 en 70 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld; en
2° de vrijwaring van de geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69, 70 en 82 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld.
In voorkomend geval kan deze persoon andere verantwoordelijkheden hebben, voor zover deze geen afbreuk doen aan de uitoefening van de in dit artikel bedoelde verantwoordelijkheid.
1° de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69 en 70 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld; en
2° de vrijwaring van de geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69, 70 en 82 en de reglementaire bepalingen die ter uitvoering van deze artikelen zijn vastgesteld.
In voorkomend geval kan deze persoon andere verantwoordelijkheden hebben, voor zover deze geen afbreuk doen aan de uitoefening van de in dit artikel bedoelde verantwoordelijkheid.
Art.39. Les sociétés de bourse désignent une personne, disposant des compétences et de l'autorité nécessaires, responsable du respect par la société de ses obligations concernant :
1° la sauvegarde des instruments financiers de ses clients conformément aux articles 69 et 70 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles ; et
2° la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 69, 70 et 82 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.
Le cas échéant, cette personne peut exercer d'autres responsabilités pour autant que celles-ci ne soient pas de nature à porter atteinte à l'exercice de la responsabilité visée au présent article.
1° la sauvegarde des instruments financiers de ses clients conformément aux articles 69 et 70 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles ; et
2° la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 69, 70 et 82 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.
Le cas échéant, cette personne peut exercer d'autres responsabilités pour autant que celles-ci ne soient pas de nature à porter atteinte à l'exercice de la responsabilité visée au présent article.
Art.40. Onverminderd artikel 82 zijn de artikelen 37, 38, 68, eerste lid en 71 van toepassing op de beursvennootschappen die gestructureerde deposito's verkopen of advies verstrekken aan cliënten in verband met dergelijke producten.
Art.40. Sans préjudice de l'article 82, les articles 37, 38, 68, alinéa 1er et 71 sont applicables aux sociétés de bourse qui commercialisent des dépôts structurés ou fournissent des conseils sur ces produits à des clients.
Onderafdeling IV. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Sous-section IV. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.41. Bij wijze van uitzondering op deze Afdeling, zijn de artikelen 21 tot 42/2 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 19, 20, 65, 65/1 en 225/1 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 15, 16, 69, 70 en 199 van deze wet;
3° in artikel 42/1 van de wet van 25 april 2014, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving door de grote beursvennootschap van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten, eveneens verantwoordelijk is voor de naleving door de beursvennootschap van haar verplichtingen betreffende de vrijwaring van geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69, 70 en 82 van deze wet en de reglementaire bepalingen die met toepassing van die artikelen zijn vastgesteld.
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 19, 20, 65, 65/1 en 225/1 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 15, 16, 69, 70 en 199 van deze wet;
3° in artikel 42/1 van de wet van 25 april 2014, de persoon die verantwoordelijk is voor de naleving door de grote beursvennootschap van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten, eveneens verantwoordelijk is voor de naleving door de beursvennootschap van haar verplichtingen betreffende de vrijwaring van geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 69, 70 en 82 van deze wet en de reglementaire bepalingen die met toepassing van die artikelen zijn vastgesteld.
Art.41. Par exception à la présente Section, les articles 21 à 42/2 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante, étant entendu que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 19, 20, 65, 65/1 et 225/1 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 15, 16, 69, 70 et 199 de la présente loi ;
3° à l'article 42/1 de la loi du 25 avril 2014, la personne responsable du respect par la société de bourse de taille importante de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de ses clients est également responsable du respect par cette société de ses obligations concernant la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 19, 20, 65, 65/1 et 225/1 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 15, 16, 69, 70 et 199 de la présente loi ;
3° à l'article 42/1 de la loi du 25 avril 2014, la personne responsable du respect par la société de bourse de taille importante de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de ses clients est également responsable du respect par cette société de ses obligations concernant la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.
Afdeling VII. - Hoofdbestuur
Section VII. - Administration centrale
Art.42. Het hoofdbestuur van een beursvennootschap moet in België zijn gevestigd.
Art.42. L'administration centrale de la société de bourse doit être établie en Belgique.
Afdeling VII. - Beleggersbescherming
Section VII. - Protection des investisseurs
Art.43. Iedere beursvennootschap moet aansluiten bij een collectieve beleggersbeschermingsregeling overeenkomstig artikel 274 van deze wet.
Art.43. La société de bourse doit adhérer à un système collectif de protection des investisseurs conformément à l'article 274 de la présente loi.
TITEL II. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden
TITRE II. - Des conditions d'exercice de l'activité
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Généralités
Art.44. Iedere beursvennootschap moet blijvend voldoen aan de door of krachtens de artikelen 11 tot en met 43 vastgelegde voorwaarden en aan de voorwaarden die in voorkomend geval zijn opgelegd met toepassing van artikel 9, derde lid.
Zij stelt de Bank in kennis van elke gebeurtenis die afbreuk kan doen aan de naleving van de voorwaarden die met toepassing van artikel 9, derde lid, zijn opgelegd.
Zij stelt de Bank in kennis van elke gebeurtenis die afbreuk kan doen aan de naleving van de voorwaarden die met toepassing van artikel 9, derde lid, zijn opgelegd.
Art.44. Les sociétés de bourse doivent en permanence satisfaire aux conditions prévues par ou en vertu des articles 11 à 43 et aux conditions, le cas échéant, imposées en application de l'article 9, alinéa 3.
Elles informent la Banque de tout évènement de nature à porter atteinte au respect des conditions imposées en application de l'article 9, alinéa 3.
Elles informent la Banque de tout évènement de nature à porter atteinte au respect des conditions imposées en application de l'article 9, alinéa 3.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de kapitaalstructuur
CHAPITRE II. - Des modifications dans la structure du capital
Art.45. Onverminderd de artikelen 6 en 14 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die besloten heeft om, rechtstreeks of onrechtstreeks, een gekwalificeerde deelneming in een beursvennootschap naar Belgisch recht te verwerven of te vergroten, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 20 %, 30 % of 50 % zou bereiken of overschrijden, dan wel de beursvennootschap zijn dochteronderneming zou worden, de Bank daarvan vooraf schriftelijk kennis geven met vermelding van de omvang van de beoogde deelneming en de in het tweede lid bedoelde relevante informatie.
De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
De Bank publiceert op haar website een lijst met de voor de beoordeling vereiste relevante informatie die in verhouding staat tot en is afgestemd op de aard van de kandidaat-verwerver en de voorgenomen verwerving en die haar samen met de in het eerste lid bedoelde kennisgeving moet worden verstrekt.
Art.45. Sans préjudice des articles 6 et 14 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d'autres, qui a pris la décision soit d'acquérir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une société de bourse de droit belge, soit de procéder, directement ou indirectement, à une augmentation de cette participation qualifiée dans une société de bourse de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse les seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 % ou que la société de bourse devienne sa filiale, est tenue de notifier par écrit au préalable à la Banque le montant envisagé de sa participation et les informations pertinentes visées à l'alinéa 2.
La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l'acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour procéder à l'évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l'alinéa 1er.
La Banque publie sur son site internet une liste spécifiant les informations pertinentes, proportionnées et adaptées à la nature du candidat acquéreur et de l'acquisition envisagée, qui sont nécessaires pour procéder à l'évaluation et qui doivent lui être communiquées au moment de la notification visée à l'alinéa 1er.
Art.46. De Bank zendt de kandidaat-verwerver snel en in elk geval binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving en van alle in artikel 45 bedoelde informatie, alsook na de eventuele ontvangst, op een later tijdstip, van de in het derde lid bedoelde informatie, een schriftelijke ontvangstbevestiging. Zij vermeldt daarin de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.
De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om over de in artikel 47 bedoelde beoordeling te beslissen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 45, tweede lid bedoelde lijst.
De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Hoewel het de Bank na het verstrijken van de uiterste datum die is vastgelegd conform het vorige lid, vrij staat om ter vervollediging of verduidelijking bijkomende verzoeken om informatie te formuleren, hebben deze verzoeken geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg.
De Bank kan de in het vierde lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen:
a) indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
b) indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is ingevolge richtlijn 2019/2034/EU, richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), of richtlijn 2014/65/EU.
Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 van de wet van 25 april 2014 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21 bis, lid 1 van richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.
De beoordelingsperiode waarover de Bank beschikt om over de in artikel 47 bedoelde beoordeling te beslissen, bedraagt ten hoogste zestig werkdagen te rekenen vanaf de datum van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving en van alle documenten die vereist zijn conform de in artikel 45, tweede lid bedoelde lijst.
De Bank kan tijdens de beoordelingsperiode, doch niet na de vijftigste werkdag daarvan, aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om de beoordeling af te ronden. Dit verzoek wordt schriftelijk gedaan en vermeldt welke aanvullende informatie nodig is.
De beoordelingsperiode wordt onderbroken vanaf de datum van het verzoek van de Bank om informatie tot de ontvangst van een antwoord daarop van de kandidaat-verwerver. De onderbreking duurt ten hoogste twintig werkdagen. Hoewel het de Bank na het verstrijken van de uiterste datum die is vastgelegd conform het vorige lid, vrij staat om ter vervollediging of verduidelijking bijkomende verzoeken om informatie te formuleren, hebben deze verzoeken geen onderbreking van de beoordelingsperiode tot gevolg.
De Bank kan de in het vierde lid bedoelde onderbreking verlengen tot ten hoogste dertig werkdagen:
a) indien de kandidaat-verwerver buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd of aan een niet-communautaire reglementering onderworpen is; of
b) indien de kandidaat-verwerver een natuurlijke of rechtspersoon is die niet aan toezicht onderworpen is ingevolge richtlijn 2019/2034/EU, richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), of richtlijn 2014/65/EU.
Onverminderd het vierde en vijfde lid wordt, wanneer de voorgenomen wijzigingen in de kapitaalstructuur leiden tot de gelijktijdige indiening van een aanvraag tot goedkeuring van een financiële holding of een gemengde financiële holding overeenkomstig artikel 212/1 van de wet van 25 april 2014 of overeenkomstig de wetgeving tot omzetting van artikel 21 bis, lid 1 van richtlijn 2013/36/EU in het recht van de lidstaat waaronder de financiële holding of gemengde financiële holding ressorteert, de in het tweede lid bedoelde beoordelingsperiode opgeschort tot het einde van de in die artikelen bedoelde goedkeuringsprocedure.
Art.46. Diligemment, et en toute hypothèse dans un délai de deux jours ouvrables après la réception de la notification et des informations complètes visées à l'article 45, ainsi qu'après l'éventuelle réception ultérieure des informations visées à l'alinéa 3, la Banque en accuse réception par écrit au candidat acquéreur. L'accusé de réception indique la date d'expiration de la période d'évaluation.
La période d'évaluation dont dispose la Banque pour rendre sa décision concernant l'évaluation visée à l'article 47 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l'article 45, alinéa 2.
La Banque peut, pendant la période d'évaluation, au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d'évaluation, demander un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
Pendant la période comprise entre la date de la demande d'information par la Banque et la réception d'une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d'évaluation est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours ouvrables. La Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l'alinéa précédent, d'autres demandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d'évaluation.
La Banque peut porter la suspension visée à l'alinéa 4, à trente jours ouvrables :
a) si le candidat acquéreur est établi hors de l'Espace économique européen ou relève d'une réglementation non communautaire ; ou
b) si le candidat acquéreur est une personne physique ou morale qui n'est pas soumise à une surveillance en vertu des directives 2019/2034/UE, 2013/36/UE, 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM), directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II), ou 2014/65/UE.
Sans préjudice des alinéas 4 et 5, lorsque les modifications dans la structure du capital envisagées conduisent à l'introduction en même temps d'une demande d'approbation d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte conformément à l'article 212/1 de la loi du 25 avril 2014 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21 bis, paragraphe 1er de la directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, la période d'évaluation visée à l'alinéa 2 est suspendue jusqu'au terme de la procédure d'approbation visée auxdits articles.
La période d'évaluation dont dispose la Banque pour rendre sa décision concernant l'évaluation visée à l'article 47 est de maximum soixante jours ouvrables à compter de la date de l'accusé de réception de la notification et de tous les documents requis sur la base de la liste visée à l'article 45, alinéa 2.
La Banque peut, pendant la période d'évaluation, au plus tard le cinquantième jour ouvrable de la période d'évaluation, demander un complément d'information nécessaire pour mener à bien l'évaluation. Cette demande est faite par écrit et précise les informations complémentaires nécessaires.
Pendant la période comprise entre la date de la demande d'information par la Banque et la réception d'une réponse du candidat acquéreur à cette demande, la période d'évaluation est suspendue. Cette suspension ne peut excéder vingt jours ouvrables. La Banque peut formuler, au-delà de la date limite déterminée conformément à l'alinéa précédent, d'autres demandes visant à recueillir des informations complémentaires ou des clarifications, sans que ces demandes ne donnent toutefois lieu à une suspension de la période d'évaluation.
La Banque peut porter la suspension visée à l'alinéa 4, à trente jours ouvrables :
a) si le candidat acquéreur est établi hors de l'Espace économique européen ou relève d'une réglementation non communautaire ; ou
b) si le candidat acquéreur est une personne physique ou morale qui n'est pas soumise à une surveillance en vertu des directives 2019/2034/UE, 2013/36/UE, 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM), directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice (Solvabilité II), ou 2014/65/UE.
Sans préjudice des alinéas 4 et 5, lorsque les modifications dans la structure du capital envisagées conduisent à l'introduction en même temps d'une demande d'approbation d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte conformément à l'article 212/1 de la loi du 25 avril 2014 ou à la législation prise en vue de la transposition de l'article 21 bis, paragraphe 1er de la directive 2013/36/UE dans le droit de l'Etat membre dont relève la compagnie financière ou la compagnie financière mixte, la période d'évaluation visée à l'alinéa 2 est suspendue jusqu'au terme de la procédure d'approbation visée auxdits articles.
Art.47. Bij de beoordeling van de in artikel 45 bedoelde kennisgeving en informatie, en van de in artikel 46 bedoelde aanvullende informatie, toetst de Bank, met het oog op een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap die het doelwit is van de voorgenomen verwerving en rekening houdend met de vermoedelijke invloed van de kandidaat-verwerver op de beursvennootschap, de geschiktheid van de kandidaat-verwerver en de financiële soliditeit van de voorgenomen verwerving aan alle in artikel 14, tweede lid bedoelde criteria.
De Bank kan zich in de loop van de in artikel 46 bedoelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorgenomen verwerving. Het verzet mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 14, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap te waarborgen, of op het feit dat de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
Indien de Bank besluit zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
Indien de Bank zich binnen de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn in voorkomend geval verlengen.
De Bank kan zich in de loop van de in artikel 46 bedoelde beoordelingsperiode verzetten tegen de voorgenomen verwerving. Het verzet mag enkel berusten op gegronde redenen om aan te nemen, op grond van de criteria van artikel 14, tweede lid, dat de kandidaat-verwerver niet geschikt is om een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap te waarborgen, of op het feit dat de informatie die de kandidaat-verwerver heeft verstrekt onvolledig is.
Indien de Bank besluit zich te verzetten tegen de voorgenomen verwerving, stelt zij de kandidaat-verwerver daarvan schriftelijk in kennis binnen twee werkdagen en zonder de beoordelingsperiode te overschrijden. Op verzoek van de kandidaat-verwerver kan een passende motivering van het besluit voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
Indien de Bank zich binnen de beoordelingsperiode niet heeft verzet tegen de voorgenomen verwerving, wordt deze geacht te zijn goedgekeurd.
De Bank mag voor de voltooiing van de voorgenomen verwerving een maximumtermijn vaststellen en deze termijn in voorkomend geval verlengen.
Art.47. En procédant à l'évaluation de la notification et des informations visées à l'article 45 et des informations complémentaires visées à l'article 46, la Banque apprécie, afin de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse visée par l'acquisition envisagée et en tenant compte de l'influence probable du candidat acquéreur sur la société de bourse, le caractère approprié du candidat acquéreur et la solidité financière de l'acquisition envisagée en appliquant l'ensemble des critères visés à l'article 14, alinéa 2.
La Banque peut, dans le courant de la période d'évaluation visée à l'article 46, s'opposer à la réalisation de l'acquisition. L'opposition ne peut reposer que sur des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l'article 14, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse ou sur le fait que les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes.
Si la Banque décide de s'opposer à l'acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d'évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur.
Si, au terme de la période d'évaluation, la Banque ne s'est pas opposée à l'acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée.
La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l'acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger.
La Banque peut, dans le courant de la période d'évaluation visée à l'article 46, s'opposer à la réalisation de l'acquisition. L'opposition ne peut reposer que sur des motifs raisonnables de considérer, sur la base des critères fixés à l'article 14, alinéa 2, que le candidat acquéreur ne présente pas les qualités nécessaires au regard du besoin de garantir une gestion saine et prudente de la société de bourse ou sur le fait que les informations fournies par le candidat acquéreur sont incomplètes.
Si la Banque décide de s'opposer à l'acquisition envisagée, elle le notifie par écrit au candidat acquéreur, dans un délai de deux jours ouvrables et sans dépasser la période d'évaluation. Un exposé approprié des motifs de la décision peut être rendu accessible au public à la demande du candidat acquéreur.
Si, au terme de la période d'évaluation, la Banque ne s'est pas opposée à l'acquisition envisagée, celle-ci est réputée approuvée.
La Banque peut fixer un délai maximal pour la conclusion de l'acquisition envisagée et, le cas échéant, le proroger.
Art.48. Voor het verrichten van de in artikel 47 bedoelde beoordeling werkt de Bank in nauw overleg samen met iedere andere betrokken bevoegde autoriteit of, al naargelang het geval, in overleg met de FSMA, indien de kandidaat-verwerver een van de volgende personen of instellingen is:
a) een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen.
Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en uit eigen beweging alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar ontwerpbesluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA.
In het geval bedoeld in artikel 46, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere toezichthouder is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 van de wet van 25 april 2014 is aangewezen en/of met de toezichthouder in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.
a) een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming, een beleggingsonderneming, een AICB-beheerder of een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging waaraan een vergunning is verleend volgens het recht van een andere lidstaat, of, al naargelang het geval, door de FSMA;
b) de moederonderneming van een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen;
c) een natuurlijke of rechtspersoon die de controle heeft over een van de in de bepaling onder a) bedoelde ondernemingen.
Hiertoe wisselt de Bank met deze autoriteiten zo spoedig mogelijk alle informatie uit die relevant of van essentieel belang is voor de beoordeling. In dit verband verstrekt zij op verzoek alle relevante informatie en uit eigen beweging alle essentiële informatie. In de in het eerste lid bedoelde gevallen vermeldt de Bank in haar ontwerpbesluit steeds de eventuele standpunten of bedenkingen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de kandidaat-verwerver of, al naargelang het geval, van de FSMA.
In het geval bedoeld in artikel 46, zesde lid zorgt de Bank, voor zover nodig en voor zover het een andere toezichthouder is, voor passende coördinatie met de consoliderende toezichthouder die met toepassing van artikel 171 van de wet van 25 april 2014 is aangewezen en/of met de toezichthouder in de lidstaat waar de financiële holding of gemengde financiële holding is gevestigd.
Art.48. La Banque procède à l'évaluation visée à l'article 47 en consultation étroite avec toute autre autorité compétente concernée, ou, selon le cas, en concertation avec la FSMA, si le candidat acquéreur est :
a) un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif agréés selon le droit d'un autre Etat membre, ou, selon le cas, par la FSMA ;
b) l'entreprise mère d'une entreprise ayant une des qualités visées au a) ;
c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a).
A cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l'évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur demande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, tout projet de décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l'autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA.
Dans le cas visé à l'article 46, alinéa 6, la Banque se coordonne, pour autant que de besoin et dans la mesure où il s'agit d'une autorité de contrôle différente, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée en application de l'article 171 de la loi du 25 avril 2014 et/ou avec l'autorité de contrôle de l'Etat membre où est établie la compagnie financière ou compagnie financière mixte.
a) un établissement de crédit, une entreprise d'assurances, une entreprise de réassurance, une entreprise d'investissement, un gestionnaire d'OPCA ou une société de gestion d'organismes de placement collectif agréés selon le droit d'un autre Etat membre, ou, selon le cas, par la FSMA ;
b) l'entreprise mère d'une entreprise ayant une des qualités visées au a) ;
c) une personne physique ou morale contrôlant une entreprise ayant une des qualités visées au a).
A cette fin, la Banque échange, dans les meilleurs délais, avec ces autorités toute information essentielle ou pertinente pour l'évaluation. Dans ce cadre, elle communique sur demande toute information pertinente et, de sa propre initiative, toute information essentielle. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, tout projet de décision de la Banque mentionne les éventuels avis ou réserves formulés par l'autorité compétente responsable du candidat acquéreur ou, selon le cas, par la FSMA.
Dans le cas visé à l'article 46, alinéa 6, la Banque se coordonne, pour autant que de besoin et dans la mesure où il s'agit d'une autorité de contrôle différente, avec l'autorité de surveillance sur base consolidée désignée en application de l'article 171 de la loi du 25 avril 2014 et/ou avec l'autorité de contrôle de l'Etat membre où est établie la compagnie financière ou compagnie financière mixte.
Art.49. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die heeft besloten om niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een beursvennootschap te bezitten, stelt de Bank daarvan vooraf schriftelijk in kennis met vermelding van het bedrag van de voorgenomen deelneming. Een dergelijke persoon stelt de Bank evenzo in kennis van zijn beslissing om de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal onder de drempel van 20 %, 30 % of 50 % daalt of dat de beursvennootschap ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.
Art.49. Toute personne physique ou morale qui a pris la décision de cesser de détenir, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une société de bourse le notifie par écrit au préalable à la Banque et lui communique le montant envisagé de sa participation. Une telle personne notifie de même à la Banque sa décision de diminuer sa participation qualifiée de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue descende en dessous des seuils de 20 %, de 30 % ou de 50 %, ou que la société de bourse cesse d'être sa filiale.
Art.50. Indien de bij de artikelen 45 of 49 voorgeschreven voorafgaande kennisgevingen niet worden verricht of indien een deelneming wordt verworven of vergroot ondanks het in artikel 47 bedoelde verzet, kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied waar de beursvennootschap haar zetel heeft, uitspraak doende als in kort geding, de in artikel 7:84, § 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde maatregelen nemen.
De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
Artikel 7:84, § 3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is van toepassing.
De procedure wordt ingeleid bij dagvaarding door de Bank.
Artikel 7:84, § 3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is van toepassing.
Art.50. En cas d'abstention de procéder aux notifications préalables prescrites par les articles 45 ou 49 ou en cas d'acquisition ou d'accroissement d'une participation en dépit de l'opposition visée à l'article 47, le président du tribunal de l'entreprise dans le ressort duquel la société de bourse a son siège, statuant comme en référé, peut prendre les mesures visées à l'article 7:84, § 1er du Code des sociétés et des associations.
La procédure est engagée par citation émanant de la Banque.
L'article 7:84, § 3 du Code des sociétés et des associations est d'application.
La procédure est engagée par citation émanant de la Banque.
L'article 7:84, § 3 du Code des sociétés et des associations est d'application.
Art.51. Onverminderd de artikelen 6 en 14 en onverminderd de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen, moet iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een deelneming heeft verworven in een beursvennootschap naar Belgisch recht, dan wel zijn deelneming in een beursvennootschap naar Belgisch recht rechtstreeks of onrechtstreeks heeft vergroot, waardoor het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de drempel van 5 % van de stemrechten of het kapitaal bereikt of overschrijdt zonder dat hij aldus een gekwalificeerde deelneming verkrijgt, de Bank daarvan schriftelijk kennis geven binnen een termijn van tien werkdagen na de verwerving of de vergroting van de deelneming.
Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een beursvennootschap, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.
De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de beursvennootschap die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank conform artikel 45, tweede lid op haar website publiceert.
Iedere alleen of in onderling overleg handelende natuurlijke of rechtspersoon die niet langer een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming bezit van meer dan 5 % van de stemrechten of het kapitaal in een beursvennootschap, die geen gekwalificeerde deelneming was, dient binnen een termijn van tien werkdagen eenzelfde kennisgeving te verrichten.
De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid vermelden de exacte identiteit van de verwerver of verwervers, het aantal verworven of vervreemde aandelen en het percentage van de stemrechten en van het kapitaal van de beursvennootschap die na de verwerving of vervreemding worden gehouden, alsook de vereiste informatie als opgegeven in de lijst die de Bank conform artikel 45, tweede lid op haar website publiceert.
Art.51. Sans préjudice des articles 6 et 14 et de la loi du 2 mai 2007 relative à la publicité des participations importantes, toute personne physique ou morale agissant seule ou de concert avec d'autres, qui a acquis, directement ou indirectement, une participation dans une société de bourse de droit belge, ou qui a procédé, directement ou indirectement, à une augmentation de sa participation dans une société de bourse de droit belge, de telle façon que la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteigne ou dépasse le seuil de 5 % des droits de vote ou du capital, sans pour autant détenir une participation qualifiée, est tenue de le notifier par écrit à la Banque dans un délai de dix jours ouvrables après l'acquisition ou l'augmentation de la participation.
La même notification est requise dans un délai de dix jours ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant de concert avec d'autres personnes, une participation de plus de 5 % du capital ou des droits de vote d'une société de bourse, qui ne constituait pas une participation qualifiée.
Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent l'identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du capital de la société de bourse détenus postérieurement à l'acquisition ou à la cession, ainsi que les informations nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son site internet conformément à l'article 45, alinéa 2.
La même notification est requise dans un délai de dix jours ouvrables de toute personne physique ou morale qui a cessé de détenir, directement ou indirectement, seul ou agissant de concert avec d'autres personnes, une participation de plus de 5 % du capital ou des droits de vote d'une société de bourse, qui ne constituait pas une participation qualifiée.
Les notifications visées aux alinéas 1er et 2 indiquent l'identité précise du ou des acquéreurs, le nombre de titres acquis ou cédés et le pourcentage des droits de vote et du capital de la société de bourse détenus postérieurement à l'acquisition ou à la cession, ainsi que les informations nécessaires dont la liste est publiée par la Banque sur son site internet conformément à l'article 45, alinéa 2.
Art.52. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de beursvennootschappen de Bank in kennis van de verwervingen of vervreemdingen van hun aandelen die een stijging boven of daling onder een van de drempels bedoeld in artikel 45 tot gevolg hebben.
Tevens delen de beursvennootschappen aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 14, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 6 bedoelde personen.
Onder dezelfde voorwaarden delen de beursvennootschappen de Bank minstens eenmaal per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten.
Tevens delen de beursvennootschappen aan de Bank onmiddellijk alle informatie mee waarvan zij kennis hebben en die een invloed kan hebben op de situatie van hun aandeelhouders of vennoten ten aanzien van de in artikel 14, tweede lid bedoelde beoordelingscriteria. Deze informatieverplichting geldt eveneens voor de in artikel 6 bedoelde personen.
Onder dezelfde voorwaarden delen de beursvennootschappen de Bank minstens eenmaal per jaar de identiteit mee van de alleen of in onderling overleg handelende aandeelhouders of vennoten die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in hun kapitaal, alsook welke kapitaalfractie en hoeveel stemrechten zij aldus bezitten.
Art.52. Les sociétés de bourse communiquent à la Banque, dès qu'elles en ont connaissance, les acquisitions ou aliénations de leurs titres ou parts qui font franchir vers le haut ou vers le bas l'un des seuils visés à l'article 45.
De même, les sociétés de bourse communiquent immédiatement à la Banque toute information dont elles ont connaissance et de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d'appréciation visés à l'article 14, alinéa 2. La même obligation d'information incombe aux personnes visées à l'article 6.
Dans les mêmes conditions, les sociétés de bourse communiquent à la Banque, une fois par an au moins, l'identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus.
De même, les sociétés de bourse communiquent immédiatement à la Banque toute information dont elles ont connaissance et de nature à influencer la situation de leurs actionnaires ou associés au regard des critères d'appréciation visés à l'article 14, alinéa 2. La même obligation d'information incombe aux personnes visées à l'article 6.
Dans les mêmes conditions, les sociétés de bourse communiquent à la Banque, une fois par an au moins, l'identité des actionnaires ou associés qui possèdent, directement ou indirectement, agissant seuls ou de concert, des participations qualifiées dans leur capital, ainsi que la quotité du capital et celle des droits de vote ainsi détenus.
Art.53. De in de artikelen 45, 49, 51 en 52 bedoelde kennisgevingsverplichtingen gelden ook ingeval het percentage van de gehouden stemrechten of aandelen in het kapitaal de in die bepalingen bedoelde drempels bereikt of overschrijdt of, in voorkomend geval, daalt tot onder de voornoemde drempels als gevolg van een situatie die een wijziging van het niveau van een deelneming inhoudt die niet voortvloeit uit een verwerving of overdracht, met name het bestaan van meervoudige stemrechten of een verwerving van eigen aandelen door de beursvennootschap.
Ingeval een in artikel 45 bedoelde drempel wordt bereikt of overschreden als gevolg van de toepassing van het eerste lid, is de in de artikelen 46 tot en met 48 bedoelde beoordeling van toepassing, met dien verstande dat de in die bepalingen bedoelde verwerving in dat geval moet worden opgevat als een wijziging van het niveau van deelneming.
Ingeval een in artikel 45 bedoelde drempel wordt bereikt of overschreden als gevolg van de toepassing van het eerste lid, is de in de artikelen 46 tot en met 48 bedoelde beoordeling van toepassing, met dien verstande dat de in die bepalingen bedoelde verwerving in dat geval moet worden opgevat als een wijziging van het niveau van deelneming.
Art.53. Les obligations de notification visées aux articles 45, 49, 51 et 52 sont également applicables dans les cas où la proportion de droits de vote ou de parts de capital détenue atteint, dépasse ou, le cas échéant, est réduite en-deçà des seuils visés à ces dispositions à la suite d'une situation impliquant une modification du niveau d'une participation qui n'est pas la conséquence d'une acquisition ou d'une cession, notamment de l'existence de droits de vote multiples ou encore d'une acquisition d'actions propres par la société de bourse.
Dans le cas où un seuil visé à l'article 45 est atteint ou dépassé à la suite de l'application de l'alinéa 1er, l'évaluation prévue aux articles 46 à 48 est applicable étant entendu que l'acquisition prévue auxdites dispositions vise alors la modification du niveau de participation.
Dans le cas où un seuil visé à l'article 45 est atteint ou dépassé à la suite de l'application de l'alinéa 1er, l'évaluation prévue aux articles 46 à 48 est applicable étant entendu que l'acquisition prévue auxdites dispositions vise alors la modification du niveau de participation.
Art.54. Indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezit in een beursvennootschap, een gezond en voorzichtig beleid van deze beursvennootschap kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen:
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra deze ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de beursvennootschap die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.
De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.
1° de uitoefening schorsen van de stemrechten verbonden aan de aandelen die in het bezit zijn van de betrokken aandeelhouder of vennoot; zij kan, op verzoek van elke belanghebbende, toestaan dat de door haar bevolen maatregelen worden opgeheven; haar beslissing wordt op de meest geschikte wijze ter kennis gebracht van de betrokken aandeelhouder of vennoot; haar beslissing is uitvoerbaar zodra deze ter kennis is gebracht; de Bank kan haar beslissing openbaar maken;
2° de betrokken aandeelhouder of vennoot aanmanen om, binnen de termijn die zij bepaalt, de aandeelhoudersrechten in zijn bezit over te dragen.
Als zij binnen de vastgestelde termijn niet worden overgedragen, kan de Bank bevelen de aandeelhoudersrechten te sekwestreren bij de instelling of de persoon die zij bepaalt. Het sekwester brengt dit ter kennis van de beursvennootschap die het register van de aandelen op naam dienovereenkomstig wijzigt en de uitoefening van de hieraan verbonden rechten enkel aanvaardt vanwege het sekwester. Het sekwester handelt in het belang van een gezond en voorzichtig beleid van de beursvennootschap en in het belang van de houder van de gesekwestreerde aandeelhoudersrechten. Het oefent alle rechten uit die aan de aandelen zijn verbonden. De bedragen die het sekwester als dividend of anderszins int, worden slechts aan de voornoemde houder overgemaakt indien hij gevolg heeft gegeven aan de in het eerste lid, 2° bedoelde aanmaning.
Om in te schrijven op kapitaalverhogingen of andere al dan niet stemrechtverlenende effecten, om te kiezen voor dividenduitkering in aandelen van de vennootschap, om in te gaan op openbare overname- of ruilaanbiedingen en om nog niet volgestorte aandelen vol te storten, is de instemming van de voornoemde houder vereist. De aandeelhoudersrechten die zijn verworven in het kader van dergelijke verrichtingen worden van rechtswege toegevoegd aan het voornoemde sekwester.
De vergoeding van het sekwester wordt vastgesteld door de Bank en betaald door de voornoemde houder. Het sekwester kan deze vergoeding aftrekken van de bedragen die hem worden gestort in zijn hoedanigheid van sekwester of die hem worden gestort door de voornoemde houder in het vooruitzicht of na uitvoering van de hierboven bedoelde verrichtingen.
Indien na afloop van de overeenkomstig het eerste lid, 2°, eerste zin vastgestelde termijn, stemrechten werden uitgeoefend door de oorspronkelijke houder of door een andere persoon, buiten het sekwester, die optreedt voor rekening van deze houder, niettegenstaande een schorsing van hun uitoefening overeenkomstig het eerste lid, 1°, kan de ondernemingsrechtbank van het rechtsgebied waar de vennootschap haar zetel heeft, op verzoek van de Bank, alle of een deel van de beslissingen van de algemene vergadering nietig verklaren wanneer het aanwezigheids- of meerderheidsquorum dat is vereist voor de genoemde beslissingen, buiten de onwettig uitgeoefende stemrechten niet zou zijn bereikt.
Art.54. Lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par une personne physique ou morale détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans une société de bourse est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, elle peut :
1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question ; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle ; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause ; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée ; la Banque peut rendre sa décision publique ;
2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
A défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associé auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à la société de bourse qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associé nominatives et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de la société de bourse et dans celui du détenteur des droits d'associé ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associé. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°.
La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associé acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus.
La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le tribunal de l'entreprise dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n'auraient pas été réunis.
1° suspendre l'exercice des droits de vote attachés aux actions ou parts détenues par l'actionnaire ou l'associé en question ; elle peut, à la demande de tout intéressé, accorder la levée des mesures ordonnées par elle ; sa décision est notifiée de la manière la plus appropriée à l'actionnaire ou à l'associé en cause ; sa décision est exécutoire dès qu'elle a été notifiée ; la Banque peut rendre sa décision publique ;
2° donner injonction à l'actionnaire ou à l'associé en cause de céder, dans le délai qu'elle fixe, les droits d'associé qu'il détient.
A défaut de cession dans le délai fixé, la Banque peut ordonner la mise sous séquestre des droits d'associé auprès de telle institution ou personne qu'elle détermine. Le séquestre en donne connaissance à la société de bourse qui modifie en conséquence le registre des actions ou parts d'associé nominatives et qui n'accepte l'exercice des droits qui y sont attachés que par le seul séquestre. Celui-ci agit dans l'intérêt d'une gestion saine et prudente de la société de bourse et dans celui du détenteur des droits d'associé ayant fait l'objet du séquestre. Il exerce tous les droits attachés aux actions ou parts d'associé. Les sommes encaissées par lui au titre de dividende ou à un autre titre ne sont remises par lui au détenteur précité que si celui-ci a satisfait à l'injonction visée à l'alinéa 1er, 2°.
La souscription à des augmentations de capital ou à d'autres titres conférant ou non le droit de vote, l'option en matière de dividende payable en titres de la société, la réponse à des offres publiques d'acquisition ou d'échange et la libération de titres non entièrement libérés sont subordonnés à l'accord du détenteur précité. Les droits d'associé acquis en vertu de ces opérations font, de plein droit, l'objet du séquestre prévu ci-dessus.
La rémunération du séquestre est fixée par la Banque et est à charge du détenteur précité. Le séquestre peut imputer cette rémunération sur les sommes qui lui sont versées en sa qualité de séquestre ou par le détenteur précité aux fins ou comme conséquence des opérations visées ci-dessus.
Lorsque des droits de vote ont été exercés par le détenteur originaire ou par une personne, autre que le séquestre, agissant pour le compte de ce détenteur après l'échéance du délai fixé conformément à l'alinéa 1er, 2°, première phrase, nonobstant une suspension de leur exercice prononcée conformément à l'alinéa 1er, 1°, le tribunal de l'entreprise dans le ressort duquel la société a son siège peut, sur requête de la Banque, prononcer la nullité de tout ou partie des délibérations de l'assemblée générale si, sans les droits de vote illégalement exercés, les quorums de présence ou de majorité requis par lesdites délibérations n'auraient pas été réunis.
HOOFDSTUK III. - Algemene werkingsvoorwaarden
CHAPITRE III. - Des conditions générales de fonctionnement
Afdeling I. - Minimum eigen vermogen
Section Ire. - Des fonds propres minimums
Art.55. § 1. Onverminderd artikelen 77 en 78 van Verordening nr. 575/2013, die van toepassing worden verklaard door artikel 9, lid 3 van Verordening 2019/2033, mag het eigen vermogen van beursvennootschappen niet dalen onder het bedrag van het overeenkomstig artikel 13 vastgestelde minimumkapitaal.
§ 2. Elke verhoging van het in artikel 13, § 4 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van genoemd wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van dit vast gedeelte, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.
§ 2. Elke verhoging van het in artikel 13, § 4 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van genoemd wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van dit vast gedeelte, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.
Art.55. § 1er. Sans préjudice des articles 77 et 78 du Règlement n° 575/2013 rendus applicables par l'article 9, paragraphe 3 du Règlement 2019/2033, les fonds propres des sociétés de bourse ne peuvent devenir inférieurs au montant du capital minimum fixé conformément à l'article 13.
§ 2. Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 13, § 4 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.
Les articles 7:208, 7:209 et 7:210 dudit Code sont applicables, par analogie, à toute réduction de cette part fixe, qui requiert l'accord préalable de la Banque.
§ 2. Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 13, § 4 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.
Les articles 7:208, 7:209 et 7:210 dudit Code sont applicables, par analogie, à toute réduction de cette part fixe, qui requiert l'accord préalable de la Banque.
Afdeling II. - Leiding en leiders
Section II. - De la direction et des dirigeants
Onderafdeling I. - Toezicht en beoordeling door het wettelijk bestuursorgaan
Sous-section Ière. - Du contrôle et de l'évaluation par l'organe légal d'administration
Art.56. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt periodiek en minstens eenmaal per jaar de doeltreffendheid van de in artikel 17 bedoelde organisatieregeling van de vennootschap, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I en in de artikelen 68 tot en met 73 en 82, en de overeenstemming ervan met de wettelijke en reglementaire bepalingen. Het ziet erop toe dat de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, de nodige maatregelen nemen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
Aldus monitort en beoordeelt het wettelijk bestuursorgaan periodiek de adequaatheid en de implementatie van de strategische doelstellingen van de vennootschap bij het verlenen en verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies in verband met dergelijke producten, en de adequaatheid van de beleidsregels voor het verlenen van diensten aan cliënten, en onderneemt het passende stappen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
De leden van het wettelijk bestuursorgaan hebben passende toegang tot alle informatie en documenten die nodig zijn om de opdrachten uit te voeren waarmee ze belast zijn met toepassing van de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door hen worden genomen.
§ 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
Het ziet er ook op toe dat de vennootschap voldoende personele en financiële middelen wijdt aan de permanente opleiding van de leden van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt in voorkomend geval de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in de artikelen 24 en 26 tot en met 29 bedoelde comités gerechtvaardigd.
§ 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling doet het een beroep op de onafhankelijke controlefuncties.
§ 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 17, § 5 bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de Bank wordt overgemaakt.
Aldus monitort en beoordeelt het wettelijk bestuursorgaan periodiek de adequaatheid en de implementatie van de strategische doelstellingen van de vennootschap bij het verlenen en verrichten van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten, de verkoop van gestructureerde deposito's en het verstrekken van advies in verband met dergelijke producten, en de adequaatheid van de beleidsregels voor het verlenen van diensten aan cliënten, en onderneemt het passende stappen om eventuele tekortkomingen aan te pakken.
De leden van het wettelijk bestuursorgaan hebben passende toegang tot alle informatie en documenten die nodig zijn om de opdrachten uit te voeren waarmee ze belast zijn met toepassing van de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan oefent effectief toezicht uit op de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de beslissingen die door hen worden genomen.
§ 3. Het wettelijk bestuursorgaan beoordeelt in het bijzonder de goede werking van de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties.
Het ziet er ook op toe dat de vennootschap voldoende personele en financiële middelen wijdt aan de permanente opleiding van de leden van het wettelijk bestuursorgaan.
§ 4. In het jaarlijks verslag van het wettelijk bestuursorgaan wordt in voorkomend geval de individuele en collectieve deskundigheid van de leden van de in de artikelen 24 en 26 tot en met 29 bedoelde comités gerechtvaardigd.
§ 5. Het wettelijk bestuursorgaan legt de algemene beginselen van het beloningsbeleid vast en beoordeelt deze regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Voor die beoordeling doet het een beroep op de onafhankelijke controlefuncties.
§ 6. Het wettelijk bestuursorgaan waakt erover dat het in artikel 17, § 5 bedoelde governancememorandum geactualiseerd wordt en dat het geactualiseerde governancememorandum aan de Bank wordt overgemaakt.
Art.56. § 1er. L'organe légal d'administration évalue périodiquement, et au moins une fois par an, l'efficacité des dispositifs d'organisation de la société visés à l'article 17, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier et visées aux articles 68 à 73 et 82, et leur conformité aux obligations légales et réglementaires. Il veille à ce que les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, prennent les mesures nécessaires pour remédier aux éventuels manquements.
L'organe légal d'administration contrôle et évalue ainsi périodiquement la pertinence et la mise en oeuvre des objectifs stratégiques de la société en rapport avec la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils sur de tels produits, et l'adéquation des politiques relatives à la fourniture de services aux clients et prend les mesures appropriées pour remédier à toute déficience.
Les membres de l'organe légal d'administration disposent d'un accès adéquat aux informations et documents nécessaires pour assurer les missions dont ils sont chargés en application des dispositions de la présente loi, des arrêtés pris pour son exécution et de la réglementation européenne directement applicable.
§ 2. L'organe légal d'administration exerce un contrôle effectif sur les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, et assure la surveillance des décisions prises par celles-ci.
§ 3. L'organe légal d'administration évalue en particulier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31.
Il s'assure également que la société consacre des ressources humaines et financières adéquates à la formation continue des membres de l'organe légal d'administration.
§ 4. Le rapport annuel de l'organe légal d'administration justifie, le cas échéant, la compétence individuelle et collective des membres des comités visés aux articles 24 et 26 à 29.
§ 5. L'organe légal d'administration adopte et évalue régulièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux de la politique de rémunération et assure la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il recourt aux fonctions de contrôle indépendantes.
§ 6. L'organe légal d'administration s'assure de la mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à l'article 17, § 5, et de la transmission à la Banque du mémorandum de gouvernance actualisé.
L'organe légal d'administration contrôle et évalue ainsi périodiquement la pertinence et la mise en oeuvre des objectifs stratégiques de la société en rapport avec la fourniture de services d'investissement, l'exercice d'activités d'investissement, la fourniture de services auxiliaires, la commercialisation de dépôts structurés et la fourniture de conseils sur de tels produits, et l'adéquation des politiques relatives à la fourniture de services aux clients et prend les mesures appropriées pour remédier à toute déficience.
Les membres de l'organe légal d'administration disposent d'un accès adéquat aux informations et documents nécessaires pour assurer les missions dont ils sont chargés en application des dispositions de la présente loi, des arrêtés pris pour son exécution et de la réglementation européenne directement applicable.
§ 2. L'organe légal d'administration exerce un contrôle effectif sur les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, et assure la surveillance des décisions prises par celles-ci.
§ 3. L'organe légal d'administration évalue en particulier le bon fonctionnement des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31.
Il s'assure également que la société consacre des ressources humaines et financières adéquates à la formation continue des membres de l'organe légal d'administration.
§ 4. Le rapport annuel de l'organe légal d'administration justifie, le cas échéant, la compétence individuelle et collective des membres des comités visés aux articles 24 et 26 à 29.
§ 5. L'organe légal d'administration adopte et évalue régulièrement, et au moins une fois par an, les principes généraux de la politique de rémunération et assure la surveillance de sa mise en oeuvre. Dans le cadre de cette évaluation, il recourt aux fonctions de contrôle indépendantes.
§ 6. L'organe légal d'administration s'assure de la mise à jour du mémorandum de gouvernance visé à l'article 17, § 5, et de la transmission à la Banque du mémorandum de gouvernance actualisé.
Art.57. § 1. In het kader van zijn taken als bedoeld in artikel 19 stelt het wettelijk bestuursorgaan de risicotolerantie van de beursvennootschap vast voor al haar werkzaamheden.
In dit verband hecht het wettelijk bestuursorgaan zijn goedkeuring aan en gaat het regelmatig over tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de risico's waaraan de beursvennootschap is blootgesteld of blootgesteld kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de beursvennootschap actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
De risicotolerantie van de vennootschap voor alle betrokken werkzaamheden wordt meegedeeld aan de Bank, die op de hoogte wordt gehouden van de wijzigingen op dit vlak.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan besteedt voldoende tijd aan een gedegen beschouwing van de in paragraaf 1 bedoelde aspecten. Bovendien wijst het de nodige middelen toe aan het toezicht op het beheer van alle significante risico's waaraan de vennootschap is blootgesteld, in voorkomend geval in het bijzonder die welke onder Verordening nr. 575/2013 vallen.
§ 3. Bij het vastleggen van zijn risicobeheerbeleid legt het wettelijk bestuursorgaan de criteria vast die bepalen of het wederpartijrisico dat voortvloeit uit verrichtingen als belangrijk moet worden beschouwd, waardoor vereist is dat uitdrukkelijk kennis wordt gegeven van deze verrichtingen en van belangrijke beslissingen in dit verband, binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich er in voorkomend geval tegen te verzetten.
In dit verband hecht het wettelijk bestuursorgaan zijn goedkeuring aan en gaat het regelmatig over tot de toetsing van de strategieën en beleidslijnen voor het aangaan, beheren, opvolgen en beperken van de risico's waaraan de beursvennootschap is blootgesteld of blootgesteld kan zijn, met inbegrip van de risico's die voortvloeien uit de macro-economische context waarin de beursvennootschap actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
De risicotolerantie van de vennootschap voor alle betrokken werkzaamheden wordt meegedeeld aan de Bank, die op de hoogte wordt gehouden van de wijzigingen op dit vlak.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan besteedt voldoende tijd aan een gedegen beschouwing van de in paragraaf 1 bedoelde aspecten. Bovendien wijst het de nodige middelen toe aan het toezicht op het beheer van alle significante risico's waaraan de vennootschap is blootgesteld, in voorkomend geval in het bijzonder die welke onder Verordening nr. 575/2013 vallen.
§ 3. Bij het vastleggen van zijn risicobeheerbeleid legt het wettelijk bestuursorgaan de criteria vast die bepalen of het wederpartijrisico dat voortvloeit uit verrichtingen als belangrijk moet worden beschouwd, waardoor vereist is dat uitdrukkelijk kennis wordt gegeven van deze verrichtingen en van belangrijke beslissingen in dit verband, binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich er in voorkomend geval tegen te verzetten.
Art.57. § 1er. Dans le cadre de ses missions visées à l'article 19, l'organe légal d'administration fixe le niveau de tolérance au risque de la société de bourse pour toutes les activités exercées.
A cette fin, l'organe légal d'administration approuve et revoit régulièrement les stratégies et politiques régissant la prise, la gestion, le suivi et l'atténuation des risques auxquels la société de bourse est ou pourrait être exposée, y compris les risques générés par l'environnement macroéconomique dans lequel elle opère, eu égard à l'état du cycle économique.
Le niveau de tolérance au risque de la société pour toutes les activités concernées est communiqué à la Banque, qui est tenue informée des modifications le concernant.
§ 2. L'organe légal d'administration consacre un temps suffisant pour assurer une prise en compte adéquate des aspects visés au paragraphe 1er. En outre, il alloue les ressources nécessaires à la surveillance de la gestion de l'ensemble des risques significatifs auxquels la société est exposée, le cas échéant en particulier ceux relevant du Règlement n° 575/2013.
§ 3. L'organe légal d'administration veille, dans la définition de sa politique de gestion des risques, à préciser les critères à partir desquels le risque de contrepartie découlant d'opérations doit être considéré comme majeur, requérant que ces opérations et les décisions importantes y afférentes fassent l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration, le cas échéant, de s'y opposer.
A cette fin, l'organe légal d'administration approuve et revoit régulièrement les stratégies et politiques régissant la prise, la gestion, le suivi et l'atténuation des risques auxquels la société de bourse est ou pourrait être exposée, y compris les risques générés par l'environnement macroéconomique dans lequel elle opère, eu égard à l'état du cycle économique.
Le niveau de tolérance au risque de la société pour toutes les activités concernées est communiqué à la Banque, qui est tenue informée des modifications le concernant.
§ 2. L'organe légal d'administration consacre un temps suffisant pour assurer une prise en compte adéquate des aspects visés au paragraphe 1er. En outre, il alloue les ressources nécessaires à la surveillance de la gestion de l'ensemble des risques significatifs auxquels la société est exposée, le cas échéant en particulier ceux relevant du Règlement n° 575/2013.
§ 3. L'organe légal d'administration veille, dans la définition de sa politique de gestion des risques, à préciser les critères à partir desquels le risque de contrepartie découlant d'opérations doit être considéré comme majeur, requérant que ces opérations et les décisions importantes y afférentes fassent l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration, le cas échéant, de s'y opposer.
Art.58. § 1. Het wettelijk bestuursorgaan ziet toe op de integriteit van de boekhoud- en financiëleverslaggevingssystemen, met inbegrip van de regelingen voor de operationele en financiële controle. Het beoordeelt de werking van de interne controle minstens eenmaal per jaar en waakt erover dat deze controle een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiëleverslaggevingsproces, zodat de jaarrekening en de financiële informatie in overeenstemming zijn met de geldende boekhoudreglementering.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op de procedure voor het bekendmaken en het meedelen van gegevens die door of krachtens deze wet, Verordening 2019/2033 is vereist.
§ 2. Het wettelijk bestuursorgaan houdt toezicht op de procedure voor het bekendmaken en het meedelen van gegevens die door of krachtens deze wet, Verordening 2019/2033 is vereist.
Art.58. § 1er. L'organe légal d'administration veille à l'intégrité des systèmes de comptabilité et de déclaration d'information financière, en ce compris les dispositifs de contrôle opérationnel et financier. Il évalue le fonctionnement du contrôle interne au moins une fois par an et s'assure que ce contrôle procure un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de sorte que les comptes annuels et l'information financière soient conformes à la réglementation comptable en vigueur.
§ 2. L'organe légal d'administration supervise le processus de publication et de communication requis par ou en vertu de la présente loi, du Règlement 2019/2033.
§ 2. L'organe légal d'administration supervise le processus de publication et de communication requis par ou en vertu de la présente loi, du Règlement 2019/2033.
Onderafdeling II. - Door de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, te nemen maatregelen
Sous-section II. - Des mesures à prendre par les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction
Art.59. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijk bestuursorgaan nemen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van artikel 17, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I, en in de artikelen 68 tot en met 73, evenals de specifieke organisatieregeling bedoeld in artikel 82.
§ 2. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, rapporteren aan het wettelijk bestuursorgaan, de commissaris en de Bank, over de beoordeling van de doeltreffendheid van de in artikel 17 bedoelde organisatieregeling, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I en in de artikelen 68 tot en met 73 en 82, en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen.
De rapportering vindt ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de Bank vastgelegde richtsnoeren.
De Bank stelt het verslag en de beknopte samenvatting ter beschikking van de FSMA volgens de modaliteiten bepaald met toepassing van artikel 127.
§ 3. Onverminderd hun andere taken, zien de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, er in het bijzonder op toe dat het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd, correct ten uitvoer wordt gelegd.
§ 4. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, nemen ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de risico's bedoeld in artikel 66.
§ 5. Voor de toepassing van artikel 57 delen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de vennootschap en de wijzigingen daarin.
§ 2. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, rapporteren aan het wettelijk bestuursorgaan, de commissaris en de Bank, over de beoordeling van de doeltreffendheid van de in artikel 17 bedoelde organisatieregeling, met inbegrip van de specifieke organisatieregeling bedoeld in Onderafdeling V van Afdeling VI van Hoofdstuk II van Titel I en in de artikelen 68 tot en met 73 en 82, en over de maatregelen die in voorkomend geval worden genomen om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Het verslag rechtvaardigt waarom deze maatregelen voldoen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen.
De rapportering vindt ten minste om de twee jaar plaats. In het jaar waarin geen volledige rapportering plaatsvindt als bedoeld in het eerste lid, dient alsnog een beknopte samenvatting te worden gerapporteerd, waarvan de minimale inhoud wordt bepaald in de door de Bank vastgelegde richtsnoeren.
De Bank stelt het verslag en de beknopte samenvatting ter beschikking van de FSMA volgens de modaliteiten bepaald met toepassing van artikel 127.
§ 3. Onverminderd hun andere taken, zien de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, er in het bijzonder op toe dat het beloningsbeleid dat door het wettelijk bestuursorgaan wordt vastgelegd, correct ten uitvoer wordt gelegd.
§ 4. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, nemen ook de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de risico's bedoeld in artikel 66.
§ 5. Voor de toepassing van artikel 57 delen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de vennootschap en de wijzigingen daarin.
Art.59. § 1er. Sans préjudice des pouvoirs dévolus à l'organe légal d'administration et sous sa surveillance, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, prennent les mesures nécessaires pour assurer le respect et la mise en oeuvre des dispositions de l'article 17, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier, et les articles 68 à 73, ainsi que les dispositions d'organisation spécifique visées à l'article 82.
§ 2. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport à l'organe légal d'administration, au commissaire et à la Banque concernant l'évaluation de l'efficacité des dispositifs d'organisation visés à l'article 17, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier et aux articles 68 à 73 et 82, et les mesures prises le cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux dispositions légales et réglementaires.
Le reporting doit s'opérer au moins tous les deux ans. L'année au cours de laquelle il n'y a pas de reporting complet tel que visé à l'alinéa 1er, il y a lieu de transmettre un résumé concis, dont le contenu minimum est déterminé dans les lignes directrices établies par la Banque.
La Banque met le rapport et le résumé concis à la disposition de la FSMA selon les modalités prévues en application de l'article 127.
§ 3. Sans préjudice de ses autres tâches, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, veillent à ce que la politique de rémunération adoptée par l'organe légal d'administration soit correctement mise en oeuvre.
§ 4. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, mettent également en oeuvre les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques, visées à l'article 66.
§ 5. Aux fins de l'article 57, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, communiquent à l'organe légal d'administration les informations appropriées portant sur l'ensemble des risques significatifs, des politiques de gestion et de maîtrise des risques significatifs de la société et les modifications apportées à celles-ci.
§ 2. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, font rapport à l'organe légal d'administration, au commissaire et à la Banque concernant l'évaluation de l'efficacité des dispositifs d'organisation visés à l'article 17, en ce compris les dispositions d'organisation spécifique visées à la Sous-section V de la Section VI du Chapitre II du Titre Ier et aux articles 68 à 73 et 82, et les mesures prises le cas échéant pour remédier aux déficiences qui auraient été constatées. Le rapport justifie en quoi ces mesures satisfont aux dispositions légales et réglementaires.
Le reporting doit s'opérer au moins tous les deux ans. L'année au cours de laquelle il n'y a pas de reporting complet tel que visé à l'alinéa 1er, il y a lieu de transmettre un résumé concis, dont le contenu minimum est déterminé dans les lignes directrices établies par la Banque.
La Banque met le rapport et le résumé concis à la disposition de la FSMA selon les modalités prévues en application de l'article 127.
§ 3. Sans préjudice de ses autres tâches, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, veillent à ce que la politique de rémunération adoptée par l'organe légal d'administration soit correctement mise en oeuvre.
§ 4. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, mettent également en oeuvre les mesures nécessaires pour assurer la maîtrise des risques, visées à l'article 66.
§ 5. Aux fins de l'article 57, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, communiquent à l'organe légal d'administration les informations appropriées portant sur l'ensemble des risques significatifs, des politiques de gestion et de maîtrise des risques significatifs de la société et les modifications apportées à celles-ci.
Art.60. § 1. Wanneer een lid van het directiecomité een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de beursvennootschap in het kader van een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid behoort van het directiecomité, moet het betrokken lid dit mededelen aan de andere leden vóór het directiecomité een besluit neemt. Zijn verklaring en toelichting over de aard van dit strijdig belang worden opgenomen in de notulen van de vergadering van het directiecomité dat de beslissing moet nemen. Het directiecomité mag deze beslissing niet delegeren.
Het directiecomité omschrijft in de notulen de aard van de in het eerste lid bedoelde beslissing of verrichting en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de beursvennootschap en verantwoordt het genomen besluit, en bezorgt een kopie van deze notulen aan de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering. In het jaarverslag als bedoeld in artikel 3:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt dit deel van de notulen in zijn geheel opgenomen.
De notulen van de vergadering van het directiecomité worden aan de commissaris meegedeeld. In het in artikel 3:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verslag beoordeelt de commissaris in een afzonderlijke sectie de vermogensrechtelijke gevolgen voor de beursvennootschap van de besluiten van het directiecomité, zoals door hem omschreven, waarvoor een strijdig belang als bedoeld in het eerste lid bestaat.
Het lid met een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid mag niet deelnemen aan de beraadslagingen van het directiecomité over deze verrichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband. Wanneer alle leden een belangenconflict hebben, wordt de beslissing of de verrichting aan de raad van bestuur voorgelegd; ingeval de raad van bestuur de beslissing of de verrichting goedkeurt, kan het directiecomité ze uitvoeren.
§ 2. Onverminderd het recht voor de in de artikelen 2:44 en 2:46 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen genoemde personen om de nietigheid of de opschorting van het besluit van het directiecomité te vorderen, kan de beursvennootschap de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de in dit artikel bepaalde regels, indien de wederpartij bij die beslissingen of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing wanneer de beslissingen of verrichtingen die tot de bevoegdheid behoren van het directiecomité, betrekking hebben op beslissingen of verrichtingen die tot stand zijn gekomen tussen vennootschappen, waaronder de beursvennootschap, waarvan de ene rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 95 % bezit van de stemmen verbonden aan het geheel van de door de andere uitgegeven effecten, dan wel tussen vennootschappen, waaronder de beursvennootschap, waarvan ten minste 95 % van de stemmen verbonden aan het geheel van de door elk van hen uitgegeven effecten in het bezit zijn van een andere vennootschap.
Bovendien is paragraaf 1 niet van toepassing wanneer de beslissingen van het directiecomité betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.
Het directiecomité omschrijft in de notulen de aard van de in het eerste lid bedoelde beslissing of verrichting en de vermogensrechtelijke gevolgen ervan voor de beursvennootschap en verantwoordt het genomen besluit, en bezorgt een kopie van deze notulen aan de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering. In het jaarverslag als bedoeld in artikel 3:5 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt dit deel van de notulen in zijn geheel opgenomen.
De notulen van de vergadering van het directiecomité worden aan de commissaris meegedeeld. In het in artikel 3:74 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verslag beoordeelt de commissaris in een afzonderlijke sectie de vermogensrechtelijke gevolgen voor de beursvennootschap van de besluiten van het directiecomité, zoals door hem omschreven, waarvoor een strijdig belang als bedoeld in het eerste lid bestaat.
Het lid met een belangenconflict als bedoeld in het eerste lid mag niet deelnemen aan de beraadslagingen van het directiecomité over deze verrichtingen of beslissingen, noch aan de stemming in dat verband. Wanneer alle leden een belangenconflict hebben, wordt de beslissing of de verrichting aan de raad van bestuur voorgelegd; ingeval de raad van bestuur de beslissing of de verrichting goedkeurt, kan het directiecomité ze uitvoeren.
§ 2. Onverminderd het recht voor de in de artikelen 2:44 en 2:46 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen genoemde personen om de nietigheid of de opschorting van het besluit van het directiecomité te vorderen, kan de beursvennootschap de nietigheid vorderen van besluiten of verrichtingen die hebben plaatsgevonden met overtreding van de in dit artikel bepaalde regels, indien de wederpartij bij die beslissingen of verrichtingen van die overtreding op de hoogte was of had moeten zijn.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing wanneer de beslissingen of verrichtingen die tot de bevoegdheid behoren van het directiecomité, betrekking hebben op beslissingen of verrichtingen die tot stand zijn gekomen tussen vennootschappen, waaronder de beursvennootschap, waarvan de ene rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 95 % bezit van de stemmen verbonden aan het geheel van de door de andere uitgegeven effecten, dan wel tussen vennootschappen, waaronder de beursvennootschap, waarvan ten minste 95 % van de stemmen verbonden aan het geheel van de door elk van hen uitgegeven effecten in het bezit zijn van een andere vennootschap.
Bovendien is paragraaf 1 niet van toepassing wanneer de beslissingen van het directiecomité betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatshebben onder de voorwaarden en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.
Art.60. § 1er. Lorsque le comité de direction est appelé à prendre une décision ou à se prononcer sur une opération relevant de sa compétence à propos de laquelle un membre du comité de direction a un intérêt direct ou indirect de nature patrimoniale qui est opposé à l'intérêt de la société de bourse, ce membre doit en informer les autres membres avant que le comité de direction prenne une décision. Sa déclaration et ses explications sur la nature de cet intérêt opposé doivent figurer dans le procès-verbal de la réunion du comité de direction qui doit prendre cette décision. Le comité de direction ne peut pas déléguer cette décision.
Le comité de direction décrit, dans le procès-verbal, la nature de la décision ou de l'opération visée à l'alinéa 1er et les conséquences patrimoniales pour la société de bourse et justifie la décision qui a été prise, et transmet une copie du procès-verbal au conseil d'administration lors de sa prochaine réunion. Cette partie du procès-verbal est reprise dans son intégralité dans le rapport annuel visé à l'article 3:5 du Code des sociétés et associations.
Le procès-verbal de la réunion du comité de direction est communiqué au commissaire. Dans son rapport visé à l'article 3:74 du Code des sociétés et associations, le commissaire évalue dans une section séparée, les conséquences patrimoniales pour la société de bourse des décisions du comité de direction telles que décrites par celui-ci, pour lesquelles il existe un intérêt opposé au sens de l'alinéa 1er.
Le membre ayant un conflit d'intérêts au sens de l'alinéa 1er ne peut prendre part aux délibérations du comité de direction concernant ces opérations ou ces décisions, ni prendre part au vote. Si tous les membres ont un conflit d'intérêts, la décision ou l'opération est soumise au conseil d'administration ; en cas d'approbation de la décision par celui-ci, le comité de direction peut l'exécuter.
§ 2. Sans préjudice du droit des personnes mentionnées aux articles 2:44 et 2:46 du Code des sociétés et associations de demander la nullité ou la suspension de la décision du comité de direction, la société de bourse peut demander la nullité des décisions prises ou des opérations accomplies en violation des règles prévues au présent article, si l'autre partie à ces décisions ou opérations avait ou devait avoir connaissance de cette violation.
§ 3. Le paragraphe 1er n'est pas applicable lorsque les décisions ou les opérations relevant du comité de direction concernent des décisions ou des opérations conclues entre sociétés, dont la société de bourse, et dont l'une détient directement ou indirectement 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par l'autre ou entre sociétés, dont la société de bourse, et dont 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par chacune d'elles sont détenus par une autre société.
De même, le paragraphe 1er ne s'applique pas lorsque les décisions du comité de direction concernent des opérations habituelles conclues dans des conditions et sous les garanties normales du marché pour des opérations de même nature.
Le comité de direction décrit, dans le procès-verbal, la nature de la décision ou de l'opération visée à l'alinéa 1er et les conséquences patrimoniales pour la société de bourse et justifie la décision qui a été prise, et transmet une copie du procès-verbal au conseil d'administration lors de sa prochaine réunion. Cette partie du procès-verbal est reprise dans son intégralité dans le rapport annuel visé à l'article 3:5 du Code des sociétés et associations.
Le procès-verbal de la réunion du comité de direction est communiqué au commissaire. Dans son rapport visé à l'article 3:74 du Code des sociétés et associations, le commissaire évalue dans une section séparée, les conséquences patrimoniales pour la société de bourse des décisions du comité de direction telles que décrites par celui-ci, pour lesquelles il existe un intérêt opposé au sens de l'alinéa 1er.
Le membre ayant un conflit d'intérêts au sens de l'alinéa 1er ne peut prendre part aux délibérations du comité de direction concernant ces opérations ou ces décisions, ni prendre part au vote. Si tous les membres ont un conflit d'intérêts, la décision ou l'opération est soumise au conseil d'administration ; en cas d'approbation de la décision par celui-ci, le comité de direction peut l'exécuter.
§ 2. Sans préjudice du droit des personnes mentionnées aux articles 2:44 et 2:46 du Code des sociétés et associations de demander la nullité ou la suspension de la décision du comité de direction, la société de bourse peut demander la nullité des décisions prises ou des opérations accomplies en violation des règles prévues au présent article, si l'autre partie à ces décisions ou opérations avait ou devait avoir connaissance de cette violation.
§ 3. Le paragraphe 1er n'est pas applicable lorsque les décisions ou les opérations relevant du comité de direction concernent des décisions ou des opérations conclues entre sociétés, dont la société de bourse, et dont l'une détient directement ou indirectement 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par l'autre ou entre sociétés, dont la société de bourse, et dont 95 % au moins des voix attachées à l'ensemble des titres émis par chacune d'elles sont détenus par une autre société.
De même, le paragraphe 1er ne s'applique pas lorsque les décisions du comité de direction concernent des opérations habituelles conclues dans des conditions et sous les garanties normales du marché pour des opérations de même nature.
Onderafdeling III. - Benoemingen, ontslagen en uitoefening van externe functies
Sous-section III. - Nominations, démissions et exercice de fonctions extérieures
Art.61. § 1. De beursvennootschappen brengen de Bank voorafgaandelijk op de hoogte van het voorstel tot benoeming van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.
[1 In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de beursvennootschappen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
- de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 15 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
- het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 22/1;
- de voorgestelde benoemingen stroken met het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, met name wat de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht betreft.]1
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
§ 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. [1 De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 15 en de beursvennootschap aan die van artikel 22/1. Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de mate waarin het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, worden nageleefd, met name wat betreft de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.]1
Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank, of met toepassing van de GTM-verordening onder het toezicht staat van de Europese Centrale Bank, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
§ 3. De beursvennootschappen informeren de Bank over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
§ 4. Naast het bepaalde bij paragraaf 1 brengen de beursvennootschappen en de in paragraaf 1 bedoelde personen de Bank onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de benoeming verstrekte informatie en een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
Overeenkomstig de artikelen 44, 120 en 121, kan de Bank, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in artikel 15, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.
[1 In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de beursvennootschappen aan de Bank alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of:
- de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 15 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken;
- het profiel van de betrokken personen zodanig is dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve bekwaamheid van artikel 22/1;
- de voorgestelde benoemingen stroken met het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, met name wat de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht betreft.]1
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.
§ 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de Bank. [1 De goedkeuring van de Bank wordt enkel verleend indien de betrokken benoeming waarborgt dat de betrokken persoon voldoet aan de vereisten van artikel 15 en de beursvennootschap aan die van artikel 22/1. Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de mate waarin het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité overeenkomstig artikel 29, § 2, 1°, heeft vastgesteld, worden nageleefd, met name wat betreft de vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.]1
Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een onderneming die met toepassing van artikel 36/2 van de wet van 22 februari 1998 onder het toezicht staat van de Bank, of met toepassing van de GTM-verordening onder het toezicht staat van de Europese Centrale Bank, raadpleegt de Bank eerst de FSMA.
De FSMA deelt haar advies mee aan de Bank binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.
§ 3. De beursvennootschappen informeren de Bank over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het wettelijk bestuursorgaan, tussen de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité.
Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.
§ 4. Naast het bepaalde bij paragraaf 1 brengen de beursvennootschappen en de in paragraaf 1 bedoelde personen de Bank onverwijld op de hoogte van elk feit of element dat een wijziging inhoudt van de bij de benoeming verstrekte informatie en een invloed kan hebben op de voor de uitoefening van de betrokken functie vereiste professionele betrouwbaarheid of passende deskundigheid.
Overeenkomstig de artikelen 44, 120 en 121, kan de Bank, wanneer zij in het kader van de uitvoering van haar toezichtsopdracht op de hoogte is van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, de naleving van de in artikel 15, § 1, tweede lid bedoelde vereisten herbeoordelen.
Art.61. § 1er. Les sociétés de bourse informent préalablement la Banque de la proposition de nomination des membres de l'organe légal d'administration et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
[1 Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les sociétés de bourse communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
- les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 15 ;
- le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 22/1 ;
- les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]1
L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.
§ 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de la Banque. [1 L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 15 dans le chef de la personne concernée et de l'article 22/1 dans le chef de la société de bourse. L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]1
Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er auprès d'une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne par application du Règlement MSU, la Banque consulte préalablement la FSMA.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 3. Les sociétés de bourse informent la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration, entre les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction.
Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er, donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.
§ 4. Outre les dispositions du paragraphe 1er, les sociétés de bourse et les personnes visées au paragraphe 1er communiquent sans délai à la Banque tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une incidence sur l'honorabilité professionnelle nécessaire ou l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.
Conformément aux articles 44, 120 et 121, lorsque la Banque, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle peut effectuer une réévaluation du respect des exigences visées à l'article 15, § 1er, alinéa 2.
[1 Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les sociétés de bourse communiquent à la Banque tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si :
- les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 15 ;
- le profil des personnes concernées permet de satisfaire à l'exigence de compétence collective prévue par l'article 22/1 ;
- les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]1
L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au non-renouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.
§ 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de la Banque. [1 L'approbation de la Banque n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect de l'article 15 dans le chef de la personne concernée et de l'article 22/1 dans le chef de la société de bourse. L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 29, § 2, 1°, notamment en matière de représentation de personnes de sexe différent.]1
Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er auprès d'une entreprise relevant du contrôle de la Banque par application de l'article 36/2 de la loi du 22 février 1998 ou de la Banque centrale européenne par application du Règlement MSU, la Banque consulte préalablement la FSMA.
La FSMA communique son avis à la Banque dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.
§ 3. Les sociétés de bourse informent la Banque de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe légal d'administration, entre les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction.
Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er, donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.
§ 4. Outre les dispositions du paragraphe 1er, les sociétés de bourse et les personnes visées au paragraphe 1er communiquent sans délai à la Banque tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une incidence sur l'honorabilité professionnelle nécessaire ou l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.
Conformément aux articles 44, 120 et 121, lorsque la Banque, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle peut effectuer une réévaluation du respect des exigences visées à l'article 15, § 1er, alinéa 2.
Änderungen
Art.62. § 1. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de vennootschap.
De in artikel 63, § 3 bedoelde interne regels moeten ervoor zorgen dat een externe functie die door een in het eerste lid bedoelde persoon wordt uitgeoefend, geen afbreuk kan doen aan de beschikbaarheid die vereist is voor de uitoefening van zijn onafhankelijke controlefunctie en moeten voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan met de uitoefening van die functie.
§ 2. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.
De beursvennootschap stelt de Bank voorafgaandelijk in kennis hiervan.
De in artikel 63, § 3 bedoelde interne regels moeten ervoor zorgen dat een externe functie die door een in het eerste lid bedoelde persoon wordt uitgeoefend, geen afbreuk kan doen aan de beschikbaarheid die vereist is voor de uitoefening van zijn onafhankelijke controlefunctie en moeten voorkomen dat er belangenconflicten ontstaan met de uitoefening van die functie.
§ 2. De personen die verantwoordelijk zijn voor de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties kunnen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het wettelijk bestuursorgaan uit hun functie worden verwijderd.
De beursvennootschap stelt de Bank voorafgaandelijk in kennis hiervan.
Art.62. § 1er. Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31 consacrent le temps nécessaire à l'exercice de leurs fonctions au sein de la société.
Les règles internes visées à l'article 63, § 3 doivent veiller à ce qu'une fonction extérieure exercée par une personne visée à l'alinéa 1er ne puisse pas porter atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de sa fonction de contrôle indépendante et prévenir tout conflit d'intérêts avec l'exercice de cette fonction.
§ 2. Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31 ne peuvent être démises de leur fonction sans l'accord préalable de l'organe légal d'administration.
La société de bourse en informe préalablement la Banque.
Les règles internes visées à l'article 63, § 3 doivent veiller à ce qu'une fonction extérieure exercée par une personne visée à l'alinéa 1er ne puisse pas porter atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de sa fonction de contrôle indépendante et prévenir tout conflit d'intérêts avec l'exercice de cette fonction.
§ 2. Les personnes qui sont responsables des fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31 ne peuvent être démises de leur fonction sans l'accord préalable de l'organe légal d'administration.
La société de bourse en informe préalablement la Banque.
Art.63. § 1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, besteden de nodige tijd aan de uitoefening van hun functies in de vennootschap.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 17 mogen de leden van de organen van de beursvennootschap en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de vennootschap, al dan niet ter vertegenwoordiging van de beursvennootschap, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een vennootschap, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden, dan wel een vereniging.
§ 3. De externe functies bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de beursvennootschap moet invoeren en doen naleven teneinde:
1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;
2° te voorkomen dat bij de beursvennootschap belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;
3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies.
De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.
§ 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de beursvennootschap, moeten personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap zijn, in voorkomend geval leden van het directiecomité ervan, dan wel personen die de vennootschap aanwijst.
§ 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die niet deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de beursvennootschap een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.
Wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de beursvennootschap wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten:
- hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of
- een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.
§ 6. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij:
1° in een vennootschap als bedoeld in artikel 10 van Verordening 2019/2033, waarmee de beursvennootschap nauwe banden heeft;
2° in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
3° in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; of
4° in een patrimoniumvennootschap waarin zij of met hen verbonden personen een significant belang bezitten.
Wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de beursvennootschap wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat.
§ 7. In individuele gevallen kan de Bank een afwijking toestaan voor het maximum aantal mandaten waarin voorzien is in paragraaf 5, tweede lid, en paragraaf 6, tweede lid, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten en de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat zij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt.
§ 8. De beursvennootschappen brengen de functies die door de in paragraaf 2 bedoelde personen buiten de beursvennootschap worden uitgeoefend, zonder uitstel ter kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel.
§ 9. Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede lid, en paragraaf 6, tweede lid, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de beursvennootschap behoort of van een andere groep, als één enkel mandaat beschouwd.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 70° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 70° van deze wet.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en artikel 17 mogen de leden van de organen van de beursvennootschap en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de vennootschap, al dan niet ter vertegenwoordiging van de beursvennootschap, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een vennootschap, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden, dan wel een vereniging.
§ 3. De externe functies bedoeld in paragraaf 2 worden beheerst door de interne regels die de beursvennootschap moet invoeren en doen naleven teneinde:
1° te vermijden dat personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, door de uitoefening van die functies niet langer voldoende beschikbaar zouden zijn om de effectieve leiding waar te nemen;
2° te voorkomen dat bij de beursvennootschap belangenconflicten zouden optreden alsook risico's die gepaard gaan met de uitoefening van die functies, onder andere op het vlak van transacties van ingewijden;
3° te zorgen voor een passende openbaarmaking van die functies.
De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.
§ 4. De mandatarissen van een vennootschap die worden benoemd op voordracht van de beursvennootschap, moeten personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap zijn, in voorkomend geval leden van het directiecomité ervan, dan wel personen die de vennootschap aanwijst.
§ 5. De leden van het wettelijk bestuursorgaan die niet deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de beursvennootschap een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.
Wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de beursvennootschap wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten:
- hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of
- een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.
§ 6. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij:
1° in een vennootschap als bedoeld in artikel 10 van Verordening 2019/2033, waarmee de beursvennootschap nauwe banden heeft;
2° in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
3° in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; of
4° in een patrimoniumvennootschap waarin zij of met hen verbonden personen een significant belang bezitten.
Wanneer een beursvennootschap door de Bank als significant wordt beschouwd, gezien haar omvang of interne organisatie of gelet op de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies, onverminderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de beursvennootschap wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat.
§ 7. In individuele gevallen kan de Bank een afwijking toestaan voor het maximum aantal mandaten waarin voorzien is in paragraaf 5, tweede lid, en paragraaf 6, tweede lid, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten en de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat zij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt.
§ 8. De beursvennootschappen brengen de functies die door de in paragraaf 2 bedoelde personen buiten de beursvennootschap worden uitgeoefend, zonder uitstel ter kennis van de Bank, ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit artikel.
§ 9. Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede lid, en paragraaf 6, tweede lid, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de beursvennootschap behoort of van een andere groep, als één enkel mandaat beschouwd.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 70° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 70° van deze wet.
Art.63. § 1er. Les membres de l'organe légal d'administration et les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, consacrent le temps nécessaire à l'exercice de leurs fonctions au sein de la société.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l'article 17, les membres des organes de la société de bourse et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou non de la société de bourse, exercer des mandats d'administrateur ou de gérant ou prendre part à l'administration ou à la gestion au sein d'une société, d'une entreprise d'une autre forme de droit belge ou étranger ou d'une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, ou encore d'une association, aux conditions et dans les limites prévues au présent article.
§ 3. Les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont régies par des règles internes que la société de bourse doit adopter et faire respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants :
1° éviter que l'exercice de ces fonctions par des personnes participant à la direction effective de la société de bourse ne porte atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de la direction effective ;
2° prévenir, dans le chef de la société de bourse, la survenance de conflits d'intérêts ainsi que les risques qui s'attachent à l'exercice de ces fonctions, notamment sur le plan des opérations d'initiés ;
3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions.
La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 4. Les mandataires sociaux nommés sur présentation de la société de bourse doivent être des personnes participant à la direction effective de la société, le cas échéant des membres de son comité de direction, ou des personnes que la société désigne.
§ 5. Les membres de l'organe légal d'administration qui ne participent pas à la direction effective de la société de bourse ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle la société de bourse détient une participation que s'ils ne participent pas à la gestion courante de cette société.
En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque la société de bourse présente, à l'appréciation de la Banque, une importance significative en raison de sa taille, de son organisation interne ou de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont limitées, sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de bourse est exercé en représentation d'un Etat membre, au nombre de mandats suivants :
- soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante ; ou
- soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante.
§ 6. Les personnes participant à la direction effective de la société de bourse, le cas échéant les membres du comité de direction, ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s'il s'agit :
1° d'une société visée à l'article 10 du Règlement 2019/2033, avec laquelle la société de bourse a des liens étroits ;
2° d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
3° d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires ; ou
4° d'une société patrimoniale dans laquelle de telles personnes ou des personnes apparentées détiennent un intérêt significatif.
En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque la Banque estime que la société de bourse a une importance significative en raison de sa taille, de son organisation interne, ainsi que de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de bourse est exercé en représentation d'un Etat membre.
§ 7. La Banque peut, dans des cas individuels, accorder une dérogation au nombre de mandats maximum prévus aux paragraphe 5, alinéa 2, et paragraphe 6, alinéa 2, en autorisant la possibilité d'exercer un mandat supplémentaire n'impliquant pas une participation à la gestion courante. La Banque informe, sur une base régulière, l'Autorité européenne des marchés financiers et l'Autorité bancaire européenne de l'usage qu'elle fait de ce pouvoir de dérogation.
§ 8. Les sociétés de bourse notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées en dehors de la société de bourse par les personnes visées au paragraphe 2 aux fins du contrôle du respect des dispositions prévues au présent article.
§ 9. Pour l'application des paragraphes 5, alinéa 2, et 6, alinéa 2, sont considérés comme un seul mandat l'exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie la société de bourse ou d'un autre groupe.
Aux fins du présent article, on entend par "groupe", un ensemble d'entreprises constitué par une entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l'article 3, 70° de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation au sens de l'article 3, 70° de la présente loi.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et de l'article 17, les membres des organes de la société de bourse et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à son administration ou sa gestion peuvent, en représentation ou non de la société de bourse, exercer des mandats d'administrateur ou de gérant ou prendre part à l'administration ou à la gestion au sein d'une société, d'une entreprise d'une autre forme de droit belge ou étranger ou d'une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, ou encore d'une association, aux conditions et dans les limites prévues au présent article.
§ 3. Les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont régies par des règles internes que la société de bourse doit adopter et faire respecter en vue de poursuivre les objectifs suivants :
1° éviter que l'exercice de ces fonctions par des personnes participant à la direction effective de la société de bourse ne porte atteinte à la disponibilité requise pour l'exercice de la direction effective ;
2° prévenir, dans le chef de la société de bourse, la survenance de conflits d'intérêts ainsi que les risques qui s'attachent à l'exercice de ces fonctions, notamment sur le plan des opérations d'initiés ;
3° assurer une publicité adéquate de ces fonctions.
La Banque fixe les modalités de ces obligations par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 4. Les mandataires sociaux nommés sur présentation de la société de bourse doivent être des personnes participant à la direction effective de la société, le cas échéant des membres de son comité de direction, ou des personnes que la société désigne.
§ 5. Les membres de l'organe légal d'administration qui ne participent pas à la direction effective de la société de bourse ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle la société de bourse détient une participation que s'ils ne participent pas à la gestion courante de cette société.
En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque la société de bourse présente, à l'appréciation de la Banque, une importance significative en raison de sa taille, de son organisation interne ou de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont limitées, sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de bourse est exercé en représentation d'un Etat membre, au nombre de mandats suivants :
- soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante ; ou
- soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante.
§ 6. Les personnes participant à la direction effective de la société de bourse, le cas échéant les membres du comité de direction, ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s'il s'agit :
1° d'une société visée à l'article 10 du Règlement 2019/2033, avec laquelle la société de bourse a des liens étroits ;
2° d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ;
3° d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires ; ou
4° d'une société patrimoniale dans laquelle de telles personnes ou des personnes apparentées détiennent un intérêt significatif.
En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque la Banque estime que la société de bourse a une importance significative en raison de sa taille, de son organisation interne, ainsi que de la nature, de l'échelle et de la complexité de ses activités, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de bourse est exercé en représentation d'un Etat membre.
§ 7. La Banque peut, dans des cas individuels, accorder une dérogation au nombre de mandats maximum prévus aux paragraphe 5, alinéa 2, et paragraphe 6, alinéa 2, en autorisant la possibilité d'exercer un mandat supplémentaire n'impliquant pas une participation à la gestion courante. La Banque informe, sur une base régulière, l'Autorité européenne des marchés financiers et l'Autorité bancaire européenne de l'usage qu'elle fait de ce pouvoir de dérogation.
§ 8. Les sociétés de bourse notifient sans délai à la Banque les fonctions exercées en dehors de la société de bourse par les personnes visées au paragraphe 2 aux fins du contrôle du respect des dispositions prévues au présent article.
§ 9. Pour l'application des paragraphes 5, alinéa 2, et 6, alinéa 2, sont considérés comme un seul mandat l'exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie la société de bourse ou d'un autre groupe.
Aux fins du présent article, on entend par "groupe", un ensemble d'entreprises constitué par une entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l'article 3, 70° de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation au sens de l'article 3, 70° de la présente loi.
Art.64. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de beursvennootschap of in een vennootschap waarin de beursvennootschap een deelneming heeft.
De Bank kan per geval toestaan dat een beursvennootschap voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de beursvennootschap een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de beursvennootschap, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de vennootschap te waarborgen.
De Bank kan per geval toestaan dat een beursvennootschap voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de beursvennootschap een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de beursvennootschap, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de vennootschap te waarborgen.
Art.64. Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du comité de direction ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de la société de bourse ou d'une société dans laquelle la société de bourse détient une participation.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser une société de bourse à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cette société entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle la société de bourse détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de la société de bourse, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de la société.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser une société de bourse à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cette société entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle la société de bourse détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de la société de bourse, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de la société.
Onderafdeling IV. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Sous-section IV. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.65. Bij wijze van uitzondering op deze Afdeling, zijn de artikelen 56 tot 62/1 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 19, 45, 64, 65, 134 en 135 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 15, 44, 68, 69, 120 en 121 van deze wet;
3° wat het artikel 56 van de wet van 25 april 2014 betreft heeft de door het wettelijk bestuursorgaan verrichte periodieke beoordeling eveneens betrekking op de doeltreffendheid van de in de artikelen 69, 70 en 82 van onderhavige wet bedoelde organisatieregeling;
4° wat artikel 59 van de wet van 25 april 2014 betreft:
a) hebben de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen en het in paragraaf 2 bedoelde verslag eveneens betrekking hebben op de doeltreffendheid van de in de artikelen 69, 70 en 82 van onderhavige wet bedoelde organisatieregeling;
b) stelt de Bank het in punt a) bedoelde verslag ter beschikking van de FSMA volgens de modaliteiten bepaald met toepassing van artikel 127;
c) moet bij de toepassing van de bepalingen van Bijlage I van de wet van 25 april 2014 rekening worden gehouden met de aard en de specifieke kenmerken van de activiteiten van de beursvennootschap en met het feit dat de artikelen 4, § 2 en 8, § 8, tweede lid van de voornoemde Bijlage niet van toepassing zijn.
5° wat artikel 62 van de wet van 25 april 2014 betreft, wanneer de Bank gebruikmaakt van de in paragraaf 7 bedoelde mogelijkheid, zij de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis stelt.
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 19, 45, 64, 65, 134 en 135 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 15, 44, 68, 69, 120 en 121 van deze wet;
3° wat het artikel 56 van de wet van 25 april 2014 betreft heeft de door het wettelijk bestuursorgaan verrichte periodieke beoordeling eveneens betrekking op de doeltreffendheid van de in de artikelen 69, 70 en 82 van onderhavige wet bedoelde organisatieregeling;
4° wat artikel 59 van de wet van 25 april 2014 betreft:
a) hebben de in paragraaf 1 bedoelde maatregelen en het in paragraaf 2 bedoelde verslag eveneens betrekking hebben op de doeltreffendheid van de in de artikelen 69, 70 en 82 van onderhavige wet bedoelde organisatieregeling;
b) stelt de Bank het in punt a) bedoelde verslag ter beschikking van de FSMA volgens de modaliteiten bepaald met toepassing van artikel 127;
c) moet bij de toepassing van de bepalingen van Bijlage I van de wet van 25 april 2014 rekening worden gehouden met de aard en de specifieke kenmerken van de activiteiten van de beursvennootschap en met het feit dat de artikelen 4, § 2 en 8, § 8, tweede lid van de voornoemde Bijlage niet van toepassing zijn.
5° wat artikel 62 van de wet van 25 april 2014 betreft, wanneer de Bank gebruikmaakt van de in paragraaf 7 bedoelde mogelijkheid, zij de Europese Autoriteit voor effecten en markten en de Europese Bankautoriteit daarvan in kennis stelt.
Art.65. Par exception à la présente Section, les articles 56 à 62/1 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 19, 45, 64, 65, 134 et 135 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 15, 44, 68, 69, 120 et 121 de la présente loi ;
3° s'agissant de l'article 56 de la loi du 25 avril 2014, l'évaluation périodique effectuée par l'organe légal d'administration porte également sur l'efficacité des dispositifs d'organisation visés aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi ;
4° s'agissant de l'article 59 de la loi du 25 avril 2014 :
a) les mesures visées au paragraphe 1er et le rapport visé au paragraphe 2 portent également sur l'efficacité des dispositifs d'organisation visés aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi ;
b) la Banque met le rapport visé au point a) à la disposition de la FSMA selon les modalités prévues en application de l'article 127 ;
c) pour l'application des dispositions de l'Annexe I de la loi du 25 avril 2014, il convient de tenir compte de la nature et des spécificités des activités de la société de bourse et du fait que les articles 4, § 2 et 8, § 8, alinéa 2 de ladite Annexe ne sont pas applicables ;
5° s'agissant de l'article 62 de la loi du 25 avril 2014, lorsque la Banque fait usage de la possibilité visée au paragraphe 7, elle en informe l'Autorité européenne des marchés financiers et l'Autorité bancaire européenne.
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 19, 45, 64, 65, 134 et 135 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 15, 44, 68, 69, 120 et 121 de la présente loi ;
3° s'agissant de l'article 56 de la loi du 25 avril 2014, l'évaluation périodique effectuée par l'organe légal d'administration porte également sur l'efficacité des dispositifs d'organisation visés aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi ;
4° s'agissant de l'article 59 de la loi du 25 avril 2014 :
a) les mesures visées au paragraphe 1er et le rapport visé au paragraphe 2 portent également sur l'efficacité des dispositifs d'organisation visés aux articles 69, 70 et 82 de la présente loi ;
b) la Banque met le rapport visé au point a) à la disposition de la FSMA selon les modalités prévues en application de l'article 127 ;
c) pour l'application des dispositions de l'Annexe I de la loi du 25 avril 2014, il convient de tenir compte de la nature et des spécificités des activités de la société de bourse et du fait que les articles 4, § 2 et 8, § 8, alinéa 2 de ladite Annexe ne sont pas applicables ;
5° s'agissant de l'article 62 de la loi du 25 avril 2014, lorsque la Banque fait usage de la possibilité visée au paragraphe 7, elle en informe l'Autorité européenne des marchés financiers et l'Autorité bancaire européenne.
Afdeling III. - Risicobeheer
Section III. - De la gestion des risques
Onderafdeling I. - Behandeling van risico's
Sous-section Ière. - Du traitement des risques
Art.66. § 1. Iedere beursvennootschap beschikt over passende processen en systemen om de volgende aspecten te identificeren, meten, beheren en monitoren:
1° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de cliënten, voor de markt en voor de beursvennootschap, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap; en
2° het liquiditeitsrisico over relevante periodes, waaronder intradayperiodes, om te garanderen dat toereikende niveaus van liquiditeit in stand worden gehouden, met name voor het aanpakken van de wezenlijke oorzaken van risico's als bedoeld in 1°.
Voor de toepassing van de bepaling onder 1° omvatten wezenlijke oorzaken van risico's voor de beursvennootschap in voorkomend geval: materiële wijzigingen in de boekwaarde van activa, met inbegrip van schuldvorderingen op verbonden agenten en het faillissement van cliënten of tegenpartijen, posities in financiële instrumenten, buitenlandse valuta en grondstoffen, en verplichtingen ten aanzien van pensioenregelingen met een gegarandeerde toezegging.
De Bank kan bij haar beoordeling of de beursvennootschappen voldoen aan paragraaf 1 rekening houden met het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en met de naleving van de regels die door en krachtens artikel 82 zijn vastgesteld.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde processen en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en de omvang van de werkzaamheden van de vennootschap en tot de conform artikel 57 vastgestelde risicotolerantie, en houden rekening met het belang van de vennootschap in de lidstaten waarin zij werkzaam is.
§ 3. Iedere beursvennootschap houdt terdege rekening met elke wezenlijke invloed op het eigen vermogen indien zulke risico's niet op passende wijze worden ondervangen door de overeenkomstig artikel 11 van Verordening 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten.
1° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de cliënten, voor de markt en voor de beursvennootschap, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap; en
2° het liquiditeitsrisico over relevante periodes, waaronder intradayperiodes, om te garanderen dat toereikende niveaus van liquiditeit in stand worden gehouden, met name voor het aanpakken van de wezenlijke oorzaken van risico's als bedoeld in 1°.
Voor de toepassing van de bepaling onder 1° omvatten wezenlijke oorzaken van risico's voor de beursvennootschap in voorkomend geval: materiële wijzigingen in de boekwaarde van activa, met inbegrip van schuldvorderingen op verbonden agenten en het faillissement van cliënten of tegenpartijen, posities in financiële instrumenten, buitenlandse valuta en grondstoffen, en verplichtingen ten aanzien van pensioenregelingen met een gegarandeerde toezegging.
De Bank kan bij haar beoordeling of de beursvennootschappen voldoen aan paragraaf 1 rekening houden met het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en met de naleving van de regels die door en krachtens artikel 82 zijn vastgesteld.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde processen en systemen staan in verhouding tot de complexiteit, het risicoprofiel en de omvang van de werkzaamheden van de vennootschap en tot de conform artikel 57 vastgestelde risicotolerantie, en houden rekening met het belang van de vennootschap in de lidstaten waarin zij werkzaam is.
§ 3. Iedere beursvennootschap houdt terdege rekening met elke wezenlijke invloed op het eigen vermogen indien zulke risico's niet op passende wijze worden ondervangen door de overeenkomstig artikel 11 van Verordening 2019/2033 berekende eigenvermogensvereisten.
Art.66. § 1er. Les sociétés de bourse disposent de processus et de systèmes appropriés permettant de détecter, mesurer, gérer et suivre les aspects suivants :
1° les causes et effets significatifs des risques pour les clients, pour le marché et pour la société de bourse, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ; et
2° le risque de liquidité sur des périodes pertinentes, y compris intra journalières, de manière à garantir que soient maintenus des niveaux adéquats de liquidité, notamment aux fins de faire face aux causes significatives des risques visés au 1°.
Aux fins du 1°, sont le cas échéant inclus parmi les causes significatives des risques pour la société de bourse les modifications significatives de la valeur comptable des actifs, en ce compris les créances vis-à-vis des agents liés et la défaillance de clients ou de contreparties, les positions sur des instruments financiers, des devises étrangères et des matières premières, ainsi que les obligations liées au régime de retraite à prestations définies.
Lorsque la Banque évalue le respect par les sociétés de bourse du paragraphe 1er, elle peut prendre en considération la souscription d'une assurance de la responsabilité civile professionnelle ainsi que le respect des règles prévues par et en vertu de l'article 82.
§ 2. Les processus et systèmes visés au paragraphe 1er sont proportionnés à la complexité, au profil de risque et à l'étendue des activités de la société, au niveau de tolérance au risque fixé conformément à l'article 57, et reflètent l'importance de la société dans les Etats membres où elle exerce ses activités.
§ 3. Les sociétés de bourse prennent dûment en considération toute incidence significative sur les fonds propres lorsque de tels risques ne sont pas pris en compte de manière appropriée par les exigences de fonds propres calculées conformément à l'article 11 du Règlement 2019/2033.
1° les causes et effets significatifs des risques pour les clients, pour le marché et pour la société de bourse, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ; et
2° le risque de liquidité sur des périodes pertinentes, y compris intra journalières, de manière à garantir que soient maintenus des niveaux adéquats de liquidité, notamment aux fins de faire face aux causes significatives des risques visés au 1°.
Aux fins du 1°, sont le cas échéant inclus parmi les causes significatives des risques pour la société de bourse les modifications significatives de la valeur comptable des actifs, en ce compris les créances vis-à-vis des agents liés et la défaillance de clients ou de contreparties, les positions sur des instruments financiers, des devises étrangères et des matières premières, ainsi que les obligations liées au régime de retraite à prestations définies.
Lorsque la Banque évalue le respect par les sociétés de bourse du paragraphe 1er, elle peut prendre en considération la souscription d'une assurance de la responsabilité civile professionnelle ainsi que le respect des règles prévues par et en vertu de l'article 82.
§ 2. Les processus et systèmes visés au paragraphe 1er sont proportionnés à la complexité, au profil de risque et à l'étendue des activités de la société, au niveau de tolérance au risque fixé conformément à l'article 57, et reflètent l'importance de la société dans les Etats membres où elle exerce ses activités.
§ 3. Les sociétés de bourse prennent dûment en considération toute incidence significative sur les fonds propres lorsque de tels risques ne sont pas pris en compte de manière appropriée par les exigences de fonds propres calculées conformément à l'article 11 du Règlement 2019/2033.
Art.67. Bij wijze van uitzondering op artikel 66, is artikel 63 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° rekening moet worden gehouden met de aard en de specifieke kenmerken van de werkzaamheden van de beursvennootschap; en
2° de artikelen 4, § 2 en 8, § 2, tweede lid van de Bijlage I van de wet van 25 april 2014 niet van toepassing zijn.
1° rekening moet worden gehouden met de aard en de specifieke kenmerken van de werkzaamheden van de beursvennootschap; en
2° de artikelen 4, § 2 en 8, § 2, tweede lid van de Bijlage I van de wet van 25 april 2014 niet van toepassing zijn.
Art.67. Par exception à l'article 66, l'article 63 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante, étant entendu :
1° qu'il convient de tenir compte de la nature et des spécificités des activités de la société de bourse ; et
2° que les articles 4, § 2 et 8, § 2, alinéa 2 de l'Annexe I de la loi du 25 avril 2014 ne sont pas applicables.
1° qu'il convient de tenir compte de la nature et des spécificités des activités de la société de bourse ; et
2° que les articles 4, § 2 et 8, § 2, alinéa 2 de l'Annexe I de la loi du 25 avril 2014 ne sont pas applicables.
Onderafdeling II. - Beheer van risico's in verband met het verrichten van beleggingsdiensten
Sous-section II. - De la gestion des risques relatifs à la fourniture de services d'investissement
Art.68. Iedere beursvennootschap houdt de gegevens bij over alle door haar verleende of verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten en over alle door haar uitgevoerde transacties om de Bank en de FSMA in staat te stellen, elk van hun kant, na te gaan of de vennootschap voldoet aan de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen bepalingen, aan Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565, evenals aan de wettelijke en reglementaire bepalingen waarvoor de FSMA moet toezien op de naleving ervan, en inzonderheid of de vennootschap haar verplichtingen tegenover haar cliënteel of potentieel cliënteel en betreffende de integriteit van de markt nakomt.
Het bijhouden van gegevens omvat het opnemen van telefoongesprekken of elektronische communicatie die ten minste met in het kader van handel voor eigen rekening gesloten transacties en het verstrekken van diensten betreffende het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van cliëntenorders verband houden.
Daartoe neemt iedere beursvennootschap alle redelijke maatregelen voor de opname van de in het tweede lid bedoelde gesprekken en elektronische communicatie die tot stand zijn gekomen met, verstuurd zijn vanaf of ontvangen zijn door apparatuur die door de vennootschap ter beschikking van een werknemer of onderaannemer is gesteld of waarvan het gebruik door haar is toegestaan.
Cliënten kunnen hun orders langs andere kanalen plaatsen; deze mededelingen moeten evenwel gebeuren door gebruikmaking van duurzame dragers, zoals brieven, faxen, e-mails, of documentatie betreffende orders die tijdens bijeenkomsten door de betrokken cliënten zijn geplaatst. In het bijzonder kan de inhoud van rechtstreekse gesprekken met een cliënt worden geregistreerd door middel van notulen of een notitie. Aldus geplaatste orders worden gelijkgesteld met telefonisch ontvangen orders.
Iedere beursvennootschap neemt alle redelijke maatregelen om te voorkomen dat een werknemer of onderaannemer de in dit artikel bedoelde telefoongesprekken en elektronische communicatie tot stand brengt, verstuurt of ontvangt op privéapparatuur waarvan de vennootschap geen gegevens kan opnemen of kopiëren.
De in dit artikel bedoelde opnames worden vijf jaar bewaard en, indien de Bank daarom verzoekt, tot maximaal zeven jaar.
Het bijhouden van gegevens omvat het opnemen van telefoongesprekken of elektronische communicatie die ten minste met in het kader van handel voor eigen rekening gesloten transacties en het verstrekken van diensten betreffende het ontvangen, doorgeven en uitvoeren van cliëntenorders verband houden.
Daartoe neemt iedere beursvennootschap alle redelijke maatregelen voor de opname van de in het tweede lid bedoelde gesprekken en elektronische communicatie die tot stand zijn gekomen met, verstuurd zijn vanaf of ontvangen zijn door apparatuur die door de vennootschap ter beschikking van een werknemer of onderaannemer is gesteld of waarvan het gebruik door haar is toegestaan.
Cliënten kunnen hun orders langs andere kanalen plaatsen; deze mededelingen moeten evenwel gebeuren door gebruikmaking van duurzame dragers, zoals brieven, faxen, e-mails, of documentatie betreffende orders die tijdens bijeenkomsten door de betrokken cliënten zijn geplaatst. In het bijzonder kan de inhoud van rechtstreekse gesprekken met een cliënt worden geregistreerd door middel van notulen of een notitie. Aldus geplaatste orders worden gelijkgesteld met telefonisch ontvangen orders.
Iedere beursvennootschap neemt alle redelijke maatregelen om te voorkomen dat een werknemer of onderaannemer de in dit artikel bedoelde telefoongesprekken en elektronische communicatie tot stand brengt, verstuurt of ontvangt op privéapparatuur waarvan de vennootschap geen gegevens kan opnemen of kopiëren.
De in dit artikel bedoelde opnames worden vijf jaar bewaard en, indien de Bank daarom verzoekt, tot maximaal zeven jaar.
Art.68. Les sociétés de bourse conservent un enregistrement de tout service d'investissement fourni, de toute activité d'investissement exercée et de toute transaction effectuée afin de permettre à la Banque et à la FSMA de vérifier, chacune en ce qui la concerne, si la société se conforme aux dispositions de la présente loi ou prises pour son exécution, au Règlement n° 600/2014 et au Règlement 2017/565, ainsi qu'aux dispositions légales et réglementaires au respect desquelles la FSMA est chargée de veiller et, en particulier, si elle respecte ses obligations à l'égard de ses clients ou clients potentiels, et concernant l'intégrité du marché.
Ces enregistrements incluent l'enregistrement des conversations téléphoniques et des communications électroniques en rapport, au moins, avec les transactions conclues dans le cadre d'une négociation pour compte propre et la prestation de services relatifs aux ordres de clients qui concernent la réception, la transmission et l'exécution d'ordres de clients.
A ces fins, les sociétés de bourse prennent toutes les mesures raisonnables pour enregistrer les conversations et communications visées à l'alinéa 2 qui sont effectuées, envoyées ou reçues au moyen d'un équipement fourni par la société à un employé ou à un sous-traitant ou dont elle a autorisé l'utilisation.
Les clients peuvent passer des ordres par d'autres voies, à condition que ces communications soient effectuées au moyen d'un support durable, tels qu'un courrier, une télécopie, un courrier électronique ou des documents relatifs aux ordres d'un client établis lors de réunions. En particulier, le contenu des conversations en tête-à-tête avec un client peut être consigné par écrit dans un compte rendu ou dans une note. De tels ordres sont considérés comme équivalents à un ordre transmis par téléphone.
Les sociétés de bourse prennent toutes les mesures raisonnables pour empêcher un employé ou un sous-traitant d'effectuer, d'envoyer ou de recevoir les conversations et communications visées au présent article au moyen d'un équipement privé à propos duquel la société est incapable d'effectuer un enregistrement ou une copie.
Les enregistrements visés au présent article sont conservés pendant cinq ans et, lorsque la Banque le demande, pendant une durée pouvant aller jusqu'à sept ans.
Ces enregistrements incluent l'enregistrement des conversations téléphoniques et des communications électroniques en rapport, au moins, avec les transactions conclues dans le cadre d'une négociation pour compte propre et la prestation de services relatifs aux ordres de clients qui concernent la réception, la transmission et l'exécution d'ordres de clients.
A ces fins, les sociétés de bourse prennent toutes les mesures raisonnables pour enregistrer les conversations et communications visées à l'alinéa 2 qui sont effectuées, envoyées ou reçues au moyen d'un équipement fourni par la société à un employé ou à un sous-traitant ou dont elle a autorisé l'utilisation.
Les clients peuvent passer des ordres par d'autres voies, à condition que ces communications soient effectuées au moyen d'un support durable, tels qu'un courrier, une télécopie, un courrier électronique ou des documents relatifs aux ordres d'un client établis lors de réunions. En particulier, le contenu des conversations en tête-à-tête avec un client peut être consigné par écrit dans un compte rendu ou dans une note. De tels ordres sont considérés comme équivalents à un ordre transmis par téléphone.
Les sociétés de bourse prennent toutes les mesures raisonnables pour empêcher un employé ou un sous-traitant d'effectuer, d'envoyer ou de recevoir les conversations et communications visées au présent article au moyen d'un équipement privé à propos duquel la société est incapable d'effectuer un enregistrement ou une copie.
Les enregistrements visés au présent article sont conservés pendant cinq ans et, lorsque la Banque le demande, pendant une durée pouvant aller jusqu'à sept ans.
Art.69. § 1. Wanneer een beursvennootschap geldmiddelen aanhoudt die aan cliënten toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënten te beschermen en om te voorkomen dat de aan haar cliënten toebehorende geldmiddelen voor haar eigen rekening worden gebruikt.
§ 2. Een beursvennootschap mag op om het even welke wijze gebruikmaken van financiële instrumenten die aan een cliënt toebehoren mits deze hier vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming voor heeft verleend. De financiële instrumenten van de cliënt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de voorwaarden waarmee de cliënt instemt.
De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en regels vaststellen waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen verrichte deponeringen van financiële instrumenten moeten voldoen, evenals de voorwaarden en regels voor de handelingen die de beursvennootschappen mogen verrichten met betrekking tot deze financiële instrumenten, met name wat de in paragraaf 1 bedoelde instemming betreft. De Koning kan meer bepaald de nadere regels vaststellen voor het verlenen van de in paragraaf 1 bedoelde instemming. Daarnaast kan de Koning tevens regels uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze financiële instrumenten door de beursvennootschappen en hun deponering bij andere bemiddelaars betreft.
Wanneer een beursvennootschap financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren in het bijzonder in geval van een liquidatieprocedure. Zij neemt ook passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het eerste en het tweede lid worden nageleefd.
§ 2. Een beursvennootschap mag op om het even welke wijze gebruikmaken van financiële instrumenten die aan een cliënt toebehoren mits deze hier vooraf zijn uitdrukkelijke toestemming voor heeft verleend. De financiële instrumenten van de cliënt mogen uitsluitend worden gebruikt onder de voorwaarden waarmee de cliënt instemt.
De Koning kan, na advies van de Bank en de FSMA, de voorwaarden en regels vaststellen waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen verrichte deponeringen van financiële instrumenten moeten voldoen, evenals de voorwaarden en regels voor de handelingen die de beursvennootschappen mogen verrichten met betrekking tot deze financiële instrumenten, met name wat de in paragraaf 1 bedoelde instemming betreft. De Koning kan meer bepaald de nadere regels vaststellen voor het verlenen van de in paragraaf 1 bedoelde instemming. Daarnaast kan de Koning tevens regels uitwerken voor de organisatie, de bescherming van en informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze financiële instrumenten door de beursvennootschappen en hun deponering bij andere bemiddelaars betreft.
Wanneer een beursvennootschap financiële instrumenten aanhoudt die aan haar cliënteel toebehoren, neemt zij passende maatregelen om de rechten van haar cliënteel te vrijwaren in het bijzonder in geval van een liquidatieprocedure. Zij neemt ook passende maatregelen om ervoor te zorgen dat het eerste en het tweede lid worden nageleefd.
Art.69. § 1er. Lorsqu'une société de bourse détient des fonds de clients, elle prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients et pour empêcher l'utilisation, pour son propre compte, des fonds de clients.
§ 2. Tout usage par une société de bourse d'instruments financiers appartenant à un client requiert l'autorisation expresse et préalable de celui-ci. L'utilisation est limitée aux conditions auxquelles il a consenti.
Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts d'instruments financiers effectués par des clients auprès de sociétés de bourse et les actes que peuvent poser les sociétés de bourse concernant ces instruments financiers, notamment au regard du consentement visé au paragraphe 1er. Plus particulièrement, le Roi peut définir les modalités selon lesquelles le consentement prévu par le paragraphe 1er doit être donné. Le Roi peut encore déterminer les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception d'instruments financiers par les sociétés de bourse et à leur dépôt auprès d'autres intermédiaires.
Lorsqu'une société de bourse détient des instruments financiers appartenant à des clients, elle prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients en particulier en cas de procédure de liquidation de la société. Elle prend également des mesures adéquates pour veiller au respect des alinéas 1er et 2.
§ 2. Tout usage par une société de bourse d'instruments financiers appartenant à un client requiert l'autorisation expresse et préalable de celui-ci. L'utilisation est limitée aux conditions auxquelles il a consenti.
Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les dépôts d'instruments financiers effectués par des clients auprès de sociétés de bourse et les actes que peuvent poser les sociétés de bourse concernant ces instruments financiers, notamment au regard du consentement visé au paragraphe 1er. Plus particulièrement, le Roi peut définir les modalités selon lesquelles le consentement prévu par le paragraphe 1er doit être donné. Le Roi peut encore déterminer les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception d'instruments financiers par les sociétés de bourse et à leur dépôt auprès d'autres intermédiaires.
Lorsqu'une société de bourse détient des instruments financiers appartenant à des clients, elle prend des mesures adéquates pour sauvegarder les droits de ses clients en particulier en cas de procédure de liquidation de la société. Elle prend également des mesures adéquates pour veiller au respect des alinéas 1er et 2.
Art.70. § 1. De beursvennootschappen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliënt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliënten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.
Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en geldmiddelen weerspiegelen.
§ 2. De beursvennootschappen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
§ 3. De Koning kan na advies van de Bank de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten en geldmiddelen bij beursvennootschappen.
Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en geldmiddelen weerspiegelen.
§ 2. De beursvennootschappen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
§ 3. De Koning kan na advies van de Bank de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten en geldmiddelen bij beursvennootschappen.
Art.70. § 1er. Les sociétés de bourse doivent établir toutes les données et tenir tous les comptes nécessaires pour permettre de distinguer à tout moment et sans délai les avoirs détenus pour un client déterminé de ceux détenus pour d'autres clients ainsi que de leurs propres avoirs.
Ces données et comptes doivent être établis et tenus d'une manière assurant la fidélité et en particulier leur correspondance avec les instruments financiers et les fonds détenus pour les clients.
§ 2. Les sociétés de bourse doivent effectuer régulièrement des rapprochements entre leurs comptes et données internes et ceux de tout intermédiaire tiers auprès duquel ces avoirs seraient détenus.
§ 3. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers et de fonds effectués auprès de sociétés de bourse.
Ces données et comptes doivent être établis et tenus d'une manière assurant la fidélité et en particulier leur correspondance avec les instruments financiers et les fonds détenus pour les clients.
§ 2. Les sociétés de bourse doivent effectuer régulièrement des rapprochements entre leurs comptes et données internes et ceux de tout intermédiaire tiers auprès duquel ces avoirs seraient détenus.
§ 3. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers et de fonds effectués auprès de sociétés de bourse.
Art.71. § 1. Iedere beursvennootschap die financiële instrumenten ontwikkelt voor verkoop aan cliënten zorgt voor het onderhoud, de exploitatie en de toetsing van een proces voor de goedkeuring van elk financieel instrument en significante aanpassingen van bestaande financiële instrumenten vóór het in de handel wordt gebracht of onder cliënten in omloop wordt gebracht.
In het kader van dit goedkeuringsproces wordt een geïdentificeerde doelgroep van eindcliënten binnen de relevante categorie van cliënten voor elk financieel instrument gespecificeerd en wordt gewaarborgd dat alle desbetreffende risico's voor een dergelijke doelgroep geëvalueerd zijn en dat de geplande distributiestrategie is afgestemd op die doelgroep.
De beursvennootschappen worden vrijgesteld van de vereisten als bedoeld in het eerste en het tweede lid, indien de beleggingsdienst die zij verlenen, betrekking heeft op obligaties zonder andere ingebedde derivaten dan een make-whole-clausule, of indien de financiële instrumenten uitsluitend onder in aanmerking komende tegenpartijen als bepaald ter uitvoering van artikel 26, achtste lid, van de wet van 2 augustus 2002 worden verhandeld of verspreid.
§ 2. Iedere beursvennootschap die financiële instrumenten aanbiedt of aanbeveelt die zij niet zelf ontwikkelt, treft de nodige regelingen om van de ontwikkelaars ervan alle nuttige informatie over die financiële instrumenten en over de procedure voor de goedkeuring ervan te verkrijgen, en om de kenmerken van de doelgroep van die financiële instrumenten te identificeren en te begrijpen.
De in dit artikel bedoelde processen en regelingen doen geen afbreuk aan de wet van 2 augustus 2002 en aan Verordening nr. 600/2014, met inbegrip van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46° van de wet van 25 oktober 2016.
§ 3. De Koning kan na advies van de Bank en de FSMA de regels vaststellen voor de uitvoering van de in dit artikel bedoelde organisatorische regels, met name om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van gedelegeerde richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen.
In het kader van dit goedkeuringsproces wordt een geïdentificeerde doelgroep van eindcliënten binnen de relevante categorie van cliënten voor elk financieel instrument gespecificeerd en wordt gewaarborgd dat alle desbetreffende risico's voor een dergelijke doelgroep geëvalueerd zijn en dat de geplande distributiestrategie is afgestemd op die doelgroep.
De beursvennootschappen worden vrijgesteld van de vereisten als bedoeld in het eerste en het tweede lid, indien de beleggingsdienst die zij verlenen, betrekking heeft op obligaties zonder andere ingebedde derivaten dan een make-whole-clausule, of indien de financiële instrumenten uitsluitend onder in aanmerking komende tegenpartijen als bepaald ter uitvoering van artikel 26, achtste lid, van de wet van 2 augustus 2002 worden verhandeld of verspreid.
§ 2. Iedere beursvennootschap die financiële instrumenten aanbiedt of aanbeveelt die zij niet zelf ontwikkelt, treft de nodige regelingen om van de ontwikkelaars ervan alle nuttige informatie over die financiële instrumenten en over de procedure voor de goedkeuring ervan te verkrijgen, en om de kenmerken van de doelgroep van die financiële instrumenten te identificeren en te begrijpen.
De in dit artikel bedoelde processen en regelingen doen geen afbreuk aan de wet van 2 augustus 2002 en aan Verordening nr. 600/2014, met inbegrip van de gedragsregels bedoeld in artikel 2, 46° van de wet van 25 oktober 2016.
§ 3. De Koning kan na advies van de Bank en de FSMA de regels vaststellen voor de uitvoering van de in dit artikel bedoelde organisatorische regels, met name om te voldoen aan de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van gedelegeerde richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie van 7 april 2016 tot aanvulling van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het vrijwaren van financiële instrumenten en geldmiddelen die aan cliënten toebehoren, productgovernanceverplichtingen en de regels die van toepassing zijn op het betalen of het ontvangen van provisies, commissies en geldelijke of niet-geldelijke tegemoetkomingen.
Art.71. § 1er. Les sociétés de bourse qui conçoivent des instruments financiers destinés à la vente aux clients maintiennent, appliquent et révisent un processus de validation de chaque instrument financier et des adaptations notables des instruments financiers existants avant leur commercialisation ou leur distribution aux clients.
Ledit processus de validation détermine un marché cible défini de clients finaux au sein de la catégorie de clients concernée pour chaque instrument financier et permet de s'assurer que tous les risques pertinents pour ledit marché sont évalués et que la stratégie de distribution prévue convient bien à celui-ci.
Les sociétés de bourse sont exemptées des obligations énoncées aux alinéas 1er et 2 lorsque le service d'investissement qu'elles fournissent porte sur des obligations qui n'incorporent pas d'instrument dérivé autre qu'une clause de remboursement make-whole ou lorsque les instruments financiers sont commercialisés exclusivement pour des contreparties éligibles, telles que définies en exécution de l'article 26, alinéa 8, de la loi du 2 août 2002 ou distribués exclusivement à des contreparties éligibles.
§ 2. Les sociétés de bourse qui proposent ou recommandent des instruments financiers qu'elles ne conçoivent pas, se dotent de dispositifs appropriés pour obtenir de leurs concepteurs tous les renseignements utiles relatifs à ces instruments financiers et à leur processus de validation et pour identifier et comprendre les caractéristiques de leur marché cible.
Les processus et dispositifs visés au présent article sont sans préjudice de la loi du 2 août 2002 et du Règlement n° 600/2014, y compris des règles de conduite visées à l'article 2, 46°, de la loi du 25 octobre 2016.
§ 3. Le Roi, sur avis de la Banque et de la FSMA, peut préciser les règles d'exécution des règles organisationnelles visées au présent article, notamment aux fins de satisfaire aux dispositions prévues aux articles 9 et 10 de la directive déléguée (UE) 2017/593 de la Commission du 7 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne la sauvegarde des instruments financiers et des fonds des clients, les obligations applicables en matière de gouvernance des produits et les règles régissant l'octroi ou la perception de droits, de commissions ou de tout autre avantage pécuniaire ou non pécuniaire.
Ledit processus de validation détermine un marché cible défini de clients finaux au sein de la catégorie de clients concernée pour chaque instrument financier et permet de s'assurer que tous les risques pertinents pour ledit marché sont évalués et que la stratégie de distribution prévue convient bien à celui-ci.
Les sociétés de bourse sont exemptées des obligations énoncées aux alinéas 1er et 2 lorsque le service d'investissement qu'elles fournissent porte sur des obligations qui n'incorporent pas d'instrument dérivé autre qu'une clause de remboursement make-whole ou lorsque les instruments financiers sont commercialisés exclusivement pour des contreparties éligibles, telles que définies en exécution de l'article 26, alinéa 8, de la loi du 2 août 2002 ou distribués exclusivement à des contreparties éligibles.
§ 2. Les sociétés de bourse qui proposent ou recommandent des instruments financiers qu'elles ne conçoivent pas, se dotent de dispositifs appropriés pour obtenir de leurs concepteurs tous les renseignements utiles relatifs à ces instruments financiers et à leur processus de validation et pour identifier et comprendre les caractéristiques de leur marché cible.
Les processus et dispositifs visés au présent article sont sans préjudice de la loi du 2 août 2002 et du Règlement n° 600/2014, y compris des règles de conduite visées à l'article 2, 46°, de la loi du 25 octobre 2016.
§ 3. Le Roi, sur avis de la Banque et de la FSMA, peut préciser les règles d'exécution des règles organisationnelles visées au présent article, notamment aux fins de satisfaire aux dispositions prévues aux articles 9 et 10 de la directive déléguée (UE) 2017/593 de la Commission du 7 avril 2016 complétant la directive 2014/65/UE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne la sauvegarde des instruments financiers et des fonds des clients, les obligations applicables en matière de gouvernance des produits et les règles régissant l'octroi ou la perception de droits, de commissions ou de tout autre avantage pécuniaire ou non pécuniaire.
Art.72. De Koning kan na advies van de FSMA en de Bank de specifieke organisatorische vereisten vastleggen die van toepassing zijn op de beursvennootschappen die in het kader van de uitoefening van hun beleggingsactiviteiten en/of het verlenen van hun beleggingsdiensten:
1° zich bezighouden met algoritmische handel, ook ter uitvoering van een market-makingstrategie;
2° directe elektronische toegang tot een handelsplatform aanbieden; en/of
3° optreden als clearinglid in de zin van artikel 2, lid 14 van Verordening nr. 648/2012.
Het toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, 1° behoort tot de bevoegdheid van de FSMA, onverminderd de prerogatieven van de Bank in geval van niet-naleving van de verplichtingen van artikel 17.
Voor de uitoefening van die bevoegdheid beschikt de FSMA over de prerogatieven bedoeld in de artikelen 34, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.
1° zich bezighouden met algoritmische handel, ook ter uitvoering van een market-makingstrategie;
2° directe elektronische toegang tot een handelsplatform aanbieden; en/of
3° optreden als clearinglid in de zin van artikel 2, lid 14 van Verordening nr. 648/2012.
Het toezicht op de naleving van de verplichtingen die zijn vastgesteld op grond van het eerste lid, 1° behoort tot de bevoegdheid van de FSMA, onverminderd de prerogatieven van de Bank in geval van niet-naleving van de verplichtingen van artikel 17.
Voor de uitoefening van die bevoegdheid beschikt de FSMA over de prerogatieven bedoeld in de artikelen 34, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.
Art.72. Le Roi peut déterminer, sur avis de la FSMA et de la Banque, les exigences organisationnelles spécifiques applicables aux sociétés de bourse qui, dans le cadre de l'exercice de leurs activités d'investissement et/ou de la fourniture de leurs services d'investissement :
1° recourent au trading algorithmique, y compris lorsqu'elles y recourent pour la mise en oeuvre d'une stratégie de tenue de marché ;
2° fournissent un accès électronique direct à une plateforme de négociation ; et/ou
3° agissent comme membre compensateur au sens de l'article 2, 14), du Règlement n° 648/2012.
Le contrôle du respect des obligations prévues sur la base de l'alinéa 1er, 1°, relève de la compétence de la FSMA, sans préjudice des prérogatives de la Banque en cas de non-respect des obligations prévues à l'article 17.
Pour l'exercice de cette compétence, la FSMA dispose des prérogatives visées aux articles 34, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.
1° recourent au trading algorithmique, y compris lorsqu'elles y recourent pour la mise en oeuvre d'une stratégie de tenue de marché ;
2° fournissent un accès électronique direct à une plateforme de négociation ; et/ou
3° agissent comme membre compensateur au sens de l'article 2, 14), du Règlement n° 648/2012.
Le contrôle du respect des obligations prévues sur la base de l'alinéa 1er, 1°, relève de la compétence de la FSMA, sans préjudice des prérogatives de la Banque en cas de non-respect des obligations prévues à l'article 17.
Pour l'exercice de cette compétence, la FSMA dispose des prérogatives visées aux articles 34, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.
Afdeling IV. - Uitbesteding
Section IV. - Du recours à la sous-traitance
Art.73. Wanneer een beursvennootschap operationele taken die van kritiek belang zijn om op een continue en bevredigende wijze haar beleggingsdiensten te verlenen en/of haar beleggingsactiviteiten uit te oefenen, aan een derde uitbesteedt, neemt zij passende maatregelen om het hiermee gepaard gaand operationeel risico te beperken.
De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de vennootschap of aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de vennootschap haar wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomt.
De Bank publiceert op advies van de FSMA een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet.
De in het eerste lid bedoelde uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan het passende karakter van de internecontroleprocedures van de vennootschap of aan het vermogen van de Bank om na te gaan of de vennootschap haar wettelijke en reglementaire verplichtingen nakomt.
De Bank publiceert op advies van de FSMA een beleidsverklaring waarin zij het door haar gevoerde beleid inzake uitbestedingen van diensten van beheer van vermogen van niet-professionele cliënten uiteenzet.
Art.73. Lorsqu'une société de bourse confie à un tiers l'exécution de tâches opérationnelles essentielles pour assurer la fourniture de ses services d'investissement et/ou l'exercice de ses activités d'investissement de manière continue et satisfaisante, elle prend des mesures adéquates pour limiter le risque opérationnel y afférent.
L'externalisation visée à l'alinéa 1er ne peut s'effectuer d'une manière qui nuise sensiblement au caractère adéquat des procédures de contrôle interne de la société ou qui empêcherait la Banque de vérifier si la société respecte ses obligations légales et réglementaires.
La Banque publie, sur avis de la FSMA, une communication dans laquelle elle expose la politique qu'elle suit en matière d'externalisation de services de gestion de portefeuille fournis à des clients de détail.
L'externalisation visée à l'alinéa 1er ne peut s'effectuer d'une manière qui nuise sensiblement au caractère adéquat des procédures de contrôle interne de la société ou qui empêcherait la Banque de vérifier si la société respecte ses obligations légales et réglementaires.
La Banque publie, sur avis de la FSMA, une communication dans laquelle elle expose la politique qu'elle suit en matière d'externalisation de services de gestion de portefeuille fournis à des clients de détail.
Afdeling V. - Het beloningsbeleid en de tenuitvoerlegging ervan
Section V. - De la politique de rémunération et de sa mise en oeuvre
Onderafdeling I. - Beginselen
Sous-section Ière. - Principes
Art.74. Het beloningsbeleid dat conform de artikelen 37, § 1, eerste lid, 1° en 56, § 5 wordt vastgelegd, strookt met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, de waarden en de langetermijnbelangen van de vennootschap, omvat maatregelen om belangenconflicten te vermijden en houdt rekening met de langetermijneffecten van de beleggingsbeslissingen van de vennootschap. Het beloningsbeleid is genderneutraal en wordt duidelijk gedocumenteerd. Het zet aan tot verantwoord ondernemerschap en bevordert risicobewustzijn en voorzichtig risicogedrag. Bij de opstelling en de toepassing van hun beloningsbeleid nemen de vennootschappen de beginselen van de Bijlage bij deze wet in acht op een wijze en in een mate die aansluit bij de omvang en de interne organisatie van de vennootschap en bij de aard, reikwijdte en complexiteit van haar werkzaamheden.
Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de vennootschap of van de activa die zij beheert.
Voor de toepassing van het tweede lid omvatten de categorieën van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de beursvennootschap of van de door haar beheerde activa, ten minste:
1° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité;
2° de personen die onafhankelijke controlefuncties uitoefenen;
3° de personen die risiconemende functies uitoefenen; en
4° medewerkers van wie de totale beloning op zijn minst gelijk is aan de laagste beloning van de in 1° en 3° bedoelde personen.
Het beloningsbeleid heeft betrekking op de categorieën van personeelsleden wier beroepsactiviteiten een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de vennootschap of van de activa die zij beheert.
Voor de toepassing van het tweede lid omvatten de categorieën van personeelsleden wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van de beursvennootschap of van de door haar beheerde activa, ten minste:
1° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité;
2° de personen die onafhankelijke controlefuncties uitoefenen;
3° de personen die risiconemende functies uitoefenen; en
4° medewerkers van wie de totale beloning op zijn minst gelijk is aan de laagste beloning van de in 1° en 3° bedoelde personen.
Art.74. La politique de rémunération adoptée conformément aux articles 37, § 1er, alinéa 1er, 1° et 56, § 5 est conforme à la stratégie économique, aux objectifs, aux valeurs et aux intérêts à long terme de la société, comprend des mesures visant à éviter les conflits d'intérêts et tient compte des effets à long terme des décisions d'investissement de la société. La politique de rémunération est neutre du point de vue du genre et est décrite de manière claire. Elle encourage une conduite responsable des activités de la société et favorise la sensibilisation aux risques et la prudence dans la prise de risques. Lors de l'établissement et de l'application de leur politique de rémunération, les sociétés observent les principes énoncés à l'Annexe à la présente loi, d'une manière et dans une mesure qui correspond à la taille et l'organisation interne de la société et à la nature, la portée et la complexité de ses activités.
La politique de rémunération couvre les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de la société ou des actifs dont celle-ci assure la gestion.
Aux fins de l'alinéa 2, les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de la société de bourse ou des actifs dont celle-ci assure la gestion comprennent au moins :
1° les membres de l'organe légal d'administration et les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction ;
2° les personnes qui occupent des fonctions de contrôle indépendantes ;
3° les personnes qui occupent une fonction impliquant une prise de risques ; et
4° les collaborateurs dont la rémunération totale est à tout le moins égale à la rémunération la plus basse perçue par les personnes visées au 1° et 3°.
La politique de rémunération couvre les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de la société ou des actifs dont celle-ci assure la gestion.
Aux fins de l'alinéa 2, les catégories de membres du personnel dont les activités professionnelles ont une incidence significative sur le profil de risque de la société de bourse ou des actifs dont celle-ci assure la gestion comprennent au moins :
1° les membres de l'organe légal d'administration et les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction ;
2° les personnes qui occupent des fonctions de contrôle indépendantes ;
3° les personnes qui occupent une fonction impliquant une prise de risques ; et
4° les collaborateurs dont la rémunération totale est à tout le moins égale à la rémunération la plus basse perçue par les personnes visées au 1° et 3°.
Art.75. Het beloningsbeleid heeft betrekking op alle beloningen, met inbegrip van variabele beloningen en uitkeringen uit hoofde van discretionair pensioen, van de in artikel 74, tweede lid bedoelde personen en maakt overeenkomstig de voorschriften van de Bijlage bij deze wet, een duidelijk onderscheid om de criteria te bepalen ter vastlegging van:
- de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en
- de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.
- de vaste basisbeloning, die in de eerste plaats de relevante beroepservaring en organisatorische verantwoordelijkheden dient te weerspiegelen, zoals uiteengezet in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, en
- de variabele beloning, die afhankelijk is van prestatiecriteria, die een duurzaam en aan de risico's aangepast rendement dient te weerspiegelen, alsook extra prestaties die geleverd worden naast de prestaties die beschreven zijn in de functieomschrijving die deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden.
Art.75. La politique de rémunération couvre toutes les rémunérations, en ce compris les rémunérations variables et les prestations de pension discrétionnaires, des personnes visées à l'article 74, alinéa 2 et opère, en conformité avec le prescrit de l'Annexe à la présente loi, une distinction claire pour déterminer les critères de fixation :
- de la rémunération de base fixe, qui doit refléter au premier chef une expérience professionnelle pertinente et les responsabilités organisationnelles telles que définies dans la description de fonctions qui fait partie des conditions de travail, et
- de la rémunération variable qui est fonction de critères de performance qui doit refléter un rendement durable et adapté aux risques, ainsi que des prestations supplémentaires fournies en plus de celles décrites dans la description de fonctions qui fait partie des conditions de travail.
- de la rémunération de base fixe, qui doit refléter au premier chef une expérience professionnelle pertinente et les responsabilités organisationnelles telles que définies dans la description de fonctions qui fait partie des conditions de travail, et
- de la rémunération variable qui est fonction de critères de performance qui doit refléter un rendement durable et adapté aux risques, ainsi que des prestations supplémentaires fournies en plus de celles décrites dans la description de fonctions qui fait partie des conditions de travail.
Art.76. De Bijlage bij deze wet legt de criteria, regels en verplichtingen vast waaraan het beloningsbeleid van de beursvennootschappen en de tenuitvoerlegging ervan moeten voldoen, in het bijzonder de voorwaarden voor de vaststelling en de betaling van de variabele beloning.
Art.76. L'Annexe à la présente loi définit les critères, modalités et obligations auxquels doivent satisfaire la politique de rémunération des sociétés de bourse et sa mise en oeuvre, en particulier les conditions relatives à la fixation et au paiement de la rémunération variable.
Art.77. De beloningspraktijken met betrekking tot de in artikel 74, tweede lid bedoelde personen stroken met het door de vennootschap vastgestelde beloningsbeleid en voldoen aan de verplichtingen van de Bijlage bij deze wet. Deze beloningspraktijken worden regelmatig, en minstens eenmaal per jaar, intern beoordeeld door de controlefuncties om na te gaan of de bepalingen van de Bijlage te allen tijde worden nageleefd, rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie van de vennootschap.
Art.77. Les pratiques de rémunération relatives aux personnes visées à l'article 74, alinéa 2 respectent la politique de rémunération arrêtée par la société et les obligations énoncées à l'Annexe à la présente loi. Ces pratiques font l'objet d'une évaluation interne régulière par les fonctions de contrôle à tout le moins une fois par an afin de vérifier si, compte tenu de l'évolution de la situation de la société, les dispositions prévues à l'Annexe sont en permanence respectées.
Onderafdeling II. - Beursvennootschappen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen
Sous-section II. - Des sociétés de bourse ayant reçu un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics
Art.78. De beursvennootschappen die uitzonderlijke overheidssteun hebben verkregen, passen hun beloningsbeleid en beloningspraktijken aan conform de vereisten van de Bijlage bij deze wet.
Art.78. Les sociétés de bourse qui ont reçu un soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics adaptent leurs politiques et pratiques de rémunération conformément aux exigences prévues à l'Annexe à la présente loi.
Onderafdeling III. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Sous-section III. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.79. Bij wijze van uitzondering op deze Afdeling, zijn de artikelen 67 tot 71 van de wet van 25 april 2014, met inbegrip van Bijlage II van de genoemde wet, van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.79. Par exception à la présente Section, les articles 67 à 71 de la loi du 25 avril 2014, en compris l'Annexe II de ladite loi, sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Afdeling VI. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn, het aanhouden van tegoeden van cliënten en betalingen die nietig kunnen worden verklaard
Section VI. - Des opérations sujettes à limitations ou à interdiction, de la détention des avoirs des clients et des paiements sujets à nullité
Onderafdeling I. - Verrichtingen die beperkt of verboden zijn
Sous-section Ière. - Opérations sujettes à limitations ou à interdiction
Art.80. Tenzij met de toestemming van de Bank mogen beursvennootschappen geen andere werkzaamheden verrichten dan:
1° de diensten en werkzaamheden die zij overeenkomstig hun vergunning mogen verrichten; en
2° onverminderd artikel 93, de werkzaamheden die aansluiten bij die diensten of werkzaamheden of die rechtstreeks in het verlengde ervan liggen, of die ermee samenhangen of er een aanvulling op vormen.
1° de diensten en werkzaamheden die zij overeenkomstig hun vergunning mogen verrichten; en
2° onverminderd artikel 93, de werkzaamheden die aansluiten bij die diensten of werkzaamheden of die rechtstreeks in het verlengde ervan liggen, of die ermee samenhangen of er een aanvulling op vormen.
Art.80. Sauf autorisation de la Banque, les sociétés de bourse ne peuvent pas fournir d'autres services ni exercer d'autres activités que :
1° les services et les activités autorisés par leur agrément ; et
2° sans préjudice de l'article 93, les activités qui se situent dans le cadre ou le prolongement direct de ces services et activités ou qui en constituent l'accessoire ou le complément.
1° les services et les activités autorisés par leur agrément ; et
2° sans préjudice de l'article 93, les activités qui se situent dans le cadre ou le prolongement direct de ces services et activités ou qui en constituent l'accessoire ou le complément.
Art.81. Beursvennootschappen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks leningen of kredieten verstrekken, met uitzondering van:
1° de in artikel 3, 3°, 2) bedoelde leningen en kredieten;
2° voorschotten aan ondernemingen waarin de beursvennootschap een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;
3° het lenen van financiële instrumenten;
4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.
1° de in artikel 3, 3°, 2) bedoelde leningen en kredieten;
2° voorschotten aan ondernemingen waarin de beursvennootschap een deelneming bezit, als wederbelegging van haar eigen vermogen;
3° het lenen van financiële instrumenten;
4° leningen aan de effectenbeursvennootschappen en de vennootschappen die de gereglementeerde markten besturen, op voorwaarde dat ze er vennoot of lid van zijn.
Art.81. Les sociétés de bourse ne peuvent consentir, directement ou indirectement, des prêts ou des crédits, à l'exception des seuls prêts et crédits suivants :
1° les prêts et crédits visés à l'article 3, 3°, 2) ;
2° les avances consenties, en remploi de ses fonds propres, aux entreprises dans lesquelles la société de bourse détient une participation ;
3° les prêts d'instruments financiers ;
4° les prêts consentis aux sociétés des bourses de valeurs mobilières et aux sociétés en charge de l'administration des marchés réglementés, à condition qu'elles en soient associées ou membres.
1° les prêts et crédits visés à l'article 3, 3°, 2) ;
2° les avances consenties, en remploi de ses fonds propres, aux entreprises dans lesquelles la société de bourse détient une participation ;
3° les prêts d'instruments financiers ;
4° les prêts consentis aux sociétés des bourses de valeurs mobilières et aux sociétés en charge de l'administration des marchés réglementés, à condition qu'elles en soient associées ou membres.
Onderafdeling II. - Aanhouden van tegoeden van cliënten
Sous-section II. - De la détention des avoirs des clients
Art.82. § 1. Onverminderd artikel 80 mogen beursvennootschappen van hun cliënten geen geldmiddelen ontvangen, met uitzondering van zichtdeposito's en vernieuwbare termijndeposito's op ten hoogste drie maanden, die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen. De duur van vernieuwde termijndeposito's mag niet langer zijn dan één jaar, tenzij voor de betrokken deposito's een langere termijn noodzakelijk is in het kader van een met een cliënt gesloten overeenkomst voor vermogensbeheer.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van:
1° centrale bank;
2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° van de wet van 25 april 2014 die onder het recht van een lidstaat of onder het recht van een derde land ressorteert;
3° erkend geldmarktfonds.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de beursvennootschap die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de beursvennootschap op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
§ 3. [1 In geval van een tegen de beursvennootschap geopende liquidatieprocedure of van de vereffening van de beursvennootschap in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de geldmiddelen die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde geldmiddelen.
In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de cliënten die hiervan de titularissen zijn. De liquidateur of de vereffenaar informeert de betrokken cliënten schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de liquidateur of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de liquidateur of de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de liquidateur of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken cliënten, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.]1
§ 4. De Koning kan na advies van de Bank en de FSMA de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen geplaatste geldmiddelen moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die de beursvennootschappen met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de beursvennootschappen en hun belegging bij derden betreft.
Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning na advies van de Bank en de FSMA in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 69 en 70 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11 van richtlijn 2014/65/EU.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen dienen te worden geplaatst bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van:
1° centrale bank;
2° kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° van de wet van 25 april 2014 die onder het recht van een lidstaat of onder het recht van een derde land ressorteert;
3° erkend geldmarktfonds.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor onmiddellijk opeisbare geldmiddelen, noch voor binnen een maximumtermijn van drie werkdagen opeisbare geldmiddelen of voor geldmiddelen die ter dekking van verplichtingen van cliënten zijn verstrekt.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten mogen op de geldmiddelen die op een gezamenlijke of geïndividualiseerde cliëntenrekening zijn geplaatst, geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de beursvennootschap die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de beursvennootschap op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.
§ 3. [1 In geval van een tegen de beursvennootschap geopende liquidatieprocedure of van de vereffening van de beursvennootschap in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, worden de geldmiddelen die met toepassing van paragraaf 2 zijn geplaatst op een gezamenlijke cliëntenrekening of op een geïndividualiseerde rekening die de identificatie van individuele cliënten toelaat, met uitzondering van de geldmiddelen die door hun titularis konden worden teruggevorderd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen als bedoeld in paragraaf 1, met uitsluiting van de in paragraaf 2, tweede lid bedoelde geldmiddelen.
In afwijking van de artikelen XX.155, § 1, XX.156, eerste en tweede lid, en XX.165 van het Wetboek van Economisch Recht, vereist de invordering van de geldmiddelen in toepassing van het eerste lid geen individuele aangifte van schuldvordering van de cliënten die hiervan de titularissen zijn. De liquidateur of de vereffenaar informeert de betrokken cliënten schriftelijk van het bedrag van de geldmiddelen waarop zij recht hebben, in voorkomend geval verminderd met het bedrag van de aan de toewijzing van het voorwerp van het bijzonder voorrecht verbonden kosten, en nodigt hen uit om hem, door middel van een vooraf opgesteld formulier dat een bijlage vormt aan zijn schrijven of toegankelijk is via een door de liquidateur of de vereffenaar ter beschikking gesteld elektronisch platform voor het delen van informatie, in kennis te stellen van de noodzakelijke informatie die hem zal toelaten over te gaan tot de terugbetaling van dit bedrag in het kader van het proces van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het boek XX van het Wetboek van Economisch Recht of, in voorkomend geval, de afwikkeling van de vereffening in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Bij gebreke aan mededeling aan de liquidateur of de vereffenaar van het voormelde formulier of van een equivalent verzoek volgens de door de liquidateur of de vereffenaar voorziene modaliteiten binnen een termijn van zes maanden vanaf zijn schrijven aan de betrokken cliënten, verliezen deze het voordeel van het in het eerste lid bedoelde voorrecht alsook het recht om opname te vorderen van hun schuldvordering.]1
§ 4. De Koning kan na advies van de Bank en de FSMA de voorwaarden en modaliteiten vaststellen waaraan de door cliënten bij beursvennootschappen geplaatste geldmiddelen moeten voldoen, evenals de voorwaarden en modaliteiten voor de beleggingen die de beursvennootschappen met deze geldmiddelen mogen verrichten, met name de risicoconcentratielimieten met betrekking tot de belegging van deze geldmiddelen. Deze voorwaarden en modaliteiten hebben tevens betrekking op de regels inzake de organisatie, de bescherming van en de informatieverstrekking aan de cliënten wat de inontvangstneming van deze geldmiddelen door de beursvennootschappen en hun belegging bij derden betreft.
Om de tegoeden van de cliënten te vrijwaren, kan de Koning na advies van de Bank en de FSMA in uitzonderlijke omstandigheden organisatorische vereisten opleggen in aanvulling op de vereisten van de artikelen 69 en 70 en van dit artikel. Deze vereisten moeten objectief gerechtvaardigd en evenredig zijn teneinde specifieke risico's voor de bescherming van de belegger of voor de integriteit van de markt die van bijzonder belang zijn in de omstandigheden die eigen zijn aan de Belgische marktstructuur, te ondervangen. Indien van deze machtiging gebruik wordt gemaakt, wordt de Europese Commissie daarvan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 16, lid 11 van richtlijn 2014/65/EU.
Art.82. § 1er. Sans préjudice de l'article 80, les sociétés de bourse ne peuvent recevoir de fonds, à l'exception des dépôts à vue et des dépôts à terme renouvelables à trois mois maximum de leurs clients, en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissement en dépôts structurés ou en attente de restitution. La durée des dépôts à terme renouvelés ne peut excéder un an, sauf si une durée plus longue s'avère nécessaire pour ces dépôts dans le cadre d'un contrat de gestion de fortune conclu avec un client.
§ 2. Les fonds visés au paragraphe 1er doivent être déposés auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
1° de banque centrale ;
2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi du 25 avril 2014 relevant du droit d'un Etat membre ou du droit d'un pays tiers ;
3° de fonds du marché monétaire qualifié.
L'obligation de placement visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux espèces immédiatement exigibles ou exigibles dans un délai maximum de trois jours ouvrables ainsi qu'aux espèces données en couverture d'engagements de clients.
Les entités visées à l'alinéa 1er ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte clients global ou individualisé, faire valoir de droit résultant de créances propres sur la société de bourse qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de la société de bourse.
§ 3. [1 En cas de procédure de liquidation ouverte à l'encontre de la société de bourse ou de sa liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte client individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des fonds ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des fonds visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2.
Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des clients qui en sont les titulaires. Le liquidateur informe les clients concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux clients concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.]1
§ 4. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les fonds déposés par des clients auprès des sociétés de bourse et les conditions et modalités des placements que peuvent effectuer les sociétés de bourse concernant ces fonds, notamment les limites en matière de concentration des risques relatives au placement de ces fonds. Ces conditions et modalités couvrent également les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception de ces fonds par les sociétés de bourse et à leur placement auprès de tiers.
Dans des circonstances exceptionnelles, le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, imposer des exigences organisationnelles supplémentaires à celles prévues aux articles 69 et 70 et au présent article, en vue d'assurer la sauvegarde des avoirs des clients. Ces exigences doivent être objectivement justifiées et proportionnées afin de répondre à des risques spécifiques pesant sur la protection des investisseurs ou l'intégrité du marché qui revêtent une importance particulière étant donné la structure de marché belge. L'usage de cette habilitation fait l'objet des notifications à la Commission européenne prévues par l'article 16, paragraphe 11, de la directive 2014/65/UE.
§ 2. Les fonds visés au paragraphe 1er doivent être déposés auprès d'une ou plusieurs entités ayant la qualité :
1° de banque centrale ;
2° d'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi du 25 avril 2014 relevant du droit d'un Etat membre ou du droit d'un pays tiers ;
3° de fonds du marché monétaire qualifié.
L'obligation de placement visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux espèces immédiatement exigibles ou exigibles dans un délai maximum de trois jours ouvrables ainsi qu'aux espèces données en couverture d'engagements de clients.
Les entités visées à l'alinéa 1er ne peuvent, sur les fonds déposés sur un compte clients global ou individualisé, faire valoir de droit résultant de créances propres sur la société de bourse qui a ouvert ce compte. De même, ces comptes et leur solde ne peuvent faire l'objet d'aucune saisie-arrêt par les créanciers de la société de bourse.
§ 3. [1 En cas de procédure de liquidation ouverte à l'encontre de la société de bourse ou de sa liquidation au sens du Code des sociétés et des associations, les fonds déposés, en application du paragraphe 2, sur un compte clients global ou sur un compte client individualisé permettant l'identification de clients individuels, sont, à l'exception des fonds ayant pu être recouvrés par leurs titulaires, affectés par privilège spécial au remboursement des fonds visés au paragraphe 1er autres que ceux visés au paragraphe 2, alinéa 2.
Par dérogation aux articles XX.155, § 1er, XX.156, alinéas 1er et 2, et XX.165 du Code de droit économique, le recouvrement des fonds en application de l'alinéa 1er ne requiert pas de déclaration de créance individuelle des clients qui en sont les titulaires. Le liquidateur informe les clients concernés par écrit du montant des fonds auquel ils ont droit, le cas échéant, déduit du montant des frais relatifs à l'affectation de l'assiette du privilège spécial, et les invite à lui communiquer, par le biais d'un formulaire préétabli joint à son courrier ou accessible via une plateforme électronique de partage d'informations mise à disposition par le liquidateur, les informations nécessaires lui permettant de procéder au remboursement de ce montant dans le cadre du processus de liquidation conformément aux dispositions applicables du livre XX du Code de droit économique ou, le cas échéant, du déroulement de la liquidation conformément aux dispositions applicables du livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations. A défaut de communication au liquidateur du formulaire précité ou d'une demande équivalente selon les modalités prévues par le liquidateur dans un délai de six mois à dater de son courrier aux clients concernés, ceux-ci perdent le bénéfice du privilège prévu à l'alinéa 1er et leur droit d'agir en admission de leur créance.]1
§ 4. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque et de la FSMA, les conditions et modalités auxquelles doivent répondre les fonds déposés par des clients auprès des sociétés de bourse et les conditions et modalités des placements que peuvent effectuer les sociétés de bourse concernant ces fonds, notamment les limites en matière de concentration des risques relatives au placement de ces fonds. Ces conditions et modalités couvrent également les règles d'organisation et les règles de protection et d'information des clients afférentes à la réception de ces fonds par les sociétés de bourse et à leur placement auprès de tiers.
Dans des circonstances exceptionnelles, le Roi peut, sur avis de la Banque et de la FSMA, imposer des exigences organisationnelles supplémentaires à celles prévues aux articles 69 et 70 et au présent article, en vue d'assurer la sauvegarde des avoirs des clients. Ces exigences doivent être objectivement justifiées et proportionnées afin de répondre à des risques spécifiques pesant sur la protection des investisseurs ou l'intégrité du marché qui revêtent une importance particulière étant donné la structure de marché belge. L'usage de cette habilitation fait l'objet des notifications à la Commission européenne prévues par l'article 16, paragraphe 11, de la directive 2014/65/UE.
Änderungen
Onderafdeling III. - Verrichtingen met entiteiten van de groep, met leiders en met verbonden personen
Sous-section III. - Des opérations avec des entités du groupe, avec des dirigeants et des personnes apparentées
Art.83. § 1. Onverminderd artikel 81 mogen beursvennootschappen, rechtstreeks of onrechtstreeks, enkel overeenkomsten sluiten of verrichtingen uitvoeren, met name leningen, kredieten of borgstellingen, op welke wijze of in welke vorm ook, met name de uitvoering ervan op rekening-courant, met:
1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van hun directiecomité, evenals de effectieve leiders van hun bijkantoren;
2° de in artikel 6, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding;
3° de ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent;
4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;
5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen,
onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliënteel.
Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent, worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt.
Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliënteel gelden, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de Bank dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100 000 euro.
De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent, dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
§ 2. De in paragraaf 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen gelden.
1° de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van hun directiecomité, evenals de effectieve leiders van hun bijkantoren;
2° de in artikel 6, eerste lid bedoelde personen evenals de leden van hun verschillende organen en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding;
3° de ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent;
4° de ondernemingen of instellingen waarin de in 1° en 5° bedoelde personen een gekwalificeerde deelneming bezitten, een invloed van betekenis kunnen uitoefenen of een functie uitoefenen als bedoeld in 1° ;
5° de personen die verbonden zijn met de in 1° bedoelde personen,
onder de marktvoorwaarden of, in voorkomend geval, op basis van de onderzoeksprocedures en onder de voorwaarden, ten belope van de bedragen en met de waarborgen die gelden voor hun cliënteel.
Van de in het eerste lid bedoelde leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, moet uitdrukkelijk kennis worden gegeven binnen een termijn die het wettelijk bestuursorgaan in staat stelt zich ertegen te verzetten. Ongeacht het orgaan dat moet beslissen, mogen de leden die een rechtstreeks of onrechtstreeks persoonlijk of functioneel belang hebben, niet deelnemen aan de beraadslagingen van het wettelijk bestuursorgaan over deze verrichtingen, noch aan de stemming in dat verband. Deze leningen, kredieten en borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met uitzondering van deze die gesloten zijn met ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent, worden behoorlijk gedocumenteerd en ter kennis gebracht van de Bank volgens de frequentie en de regels die zij bepaalt.
Wanneer deze verrichtingen niet worden gesloten tegen de normale marktvoorwaarden of tegen de voorwaarden die voor hun cliënteel gelden, kan de Bank eisen dat de overeengekomen voorwaarden worden aangepast op de datum waarop deze verrichtingen uitwerking hadden. Zo niet zijn de leden van het wettelijk bestuursorgaan die de beslissing hebben genomen, tegenover de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor het verschil.
De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan en de Bank dienen niet plaats te vinden wanneer het geheel van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, met een bepaalde persoon, onderneming of instelling niet meer bedraagt dan 100 000 euro.
De in het tweede lid bedoelde kennisgevingen aan het wettelijk bestuursorgaan van leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, aan ondernemingen of instellingen waarover de beursvennootschap of haar moederonderneming controle uitoefent, dienen evenmin plaats te vinden indien deze leningen, kredieten of borgstellingen, gesloten op welke wijze of in welke vorm ook, vallen binnen de limieten van een kaderovereenkomst die het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid bedoelde kennisgeving.
§ 2. De in paragraaf 1 vervatte regeling doet geen afbreuk aan de regels die in dit verband op basis van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen gelden.
Art.83. § 1er. Sans préjudice de l'article 81, les sociétés de bourse ne peuvent, directement ou indirectement, conclure des contrats ou effectuer des opérations, notamment des prêts, crédits ou garanties, et ce quelles que soient les modalités ou formes, notamment leur exécution en compte courant, avec :
1° les membres de leur organe légal d'administration et les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres de leur comité de direction, ainsi qu'avec les dirigeants effectifs de leurs succursales ;
2° les personnes visées à l'article 6, alinéa 1er, ainsi que les membres de leurs différents organes et les personnes participant à la direction effective ;
3° les entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle ;
4° les entreprises ou établissements dans lesquels les personnes visées au 1° et au 5° détiennent une participation qualifiée, peuvent exercer une influence notable ou exercent une fonction visée au 1° ;
5° les personnes apparentées aux personnes visées au 1°,
qu'aux conditions de marché ou, le cas échéant, sur la base des procédures d'examen et aux conditions, à concurrence des montants et moyennant les garanties applicables à leur clientèle.
Les prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, visés à l'alinéa 1er doivent faire l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration de s'y opposer. Quel que soit l'organe appelé à statuer, les membres ayant un intérêt personnel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent assister aux délibérations de l'organe légal d'administration relatives à ces opérations, ni prendre part au vote. Ces prêts, crédits et garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à l'exception de ceux conclus avec des entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle, sont dûment documentés et notifiés à la Banque selon la périodicité et les modalités que celle-ci détermine.
La Banque peut, si ces opérations n'ont pas été conclues aux conditions normales du marché ou applicables à la clientèle, exiger l'adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. A défaut, les membres de l'organe légal d'administration qui ont pris la décision sont solidairement responsables de la différence envers la société.
Les notifications à l'organe légal d'administration et à la Banque, visées à l'alinéa 2, ne doivent pas avoir lieu si l'ensemble des prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, avec une personne, une entreprise ou un établissement donné ne dépasse pas 100 000 euros.
Les notifications à l'organe légal d'administration, visées à l'alinéa 2, de prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à des entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle ne doivent pas davantage être opérées si ces prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, relèvent d'un contrat-cadre qui a fait l'objet d'une notification visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le régime prévu au paragraphe 1er ne porte pas préjudice aux règles applicables à cet égard sur la base du Code des sociétés et des associations.
1° les membres de leur organe légal d'administration et les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres de leur comité de direction, ainsi qu'avec les dirigeants effectifs de leurs succursales ;
2° les personnes visées à l'article 6, alinéa 1er, ainsi que les membres de leurs différents organes et les personnes participant à la direction effective ;
3° les entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle ;
4° les entreprises ou établissements dans lesquels les personnes visées au 1° et au 5° détiennent une participation qualifiée, peuvent exercer une influence notable ou exercent une fonction visée au 1° ;
5° les personnes apparentées aux personnes visées au 1°,
qu'aux conditions de marché ou, le cas échéant, sur la base des procédures d'examen et aux conditions, à concurrence des montants et moyennant les garanties applicables à leur clientèle.
Les prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, visés à l'alinéa 1er doivent faire l'objet d'une information expresse, dans un délai permettant à l'organe légal d'administration de s'y opposer. Quel que soit l'organe appelé à statuer, les membres ayant un intérêt personnel ou fonctionnel direct ou indirect ne peuvent assister aux délibérations de l'organe légal d'administration relatives à ces opérations, ni prendre part au vote. Ces prêts, crédits et garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à l'exception de ceux conclus avec des entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle, sont dûment documentés et notifiés à la Banque selon la périodicité et les modalités que celle-ci détermine.
La Banque peut, si ces opérations n'ont pas été conclues aux conditions normales du marché ou applicables à la clientèle, exiger l'adaptation des conditions convenues à la date où ces opérations ont sorti leurs effets. A défaut, les membres de l'organe légal d'administration qui ont pris la décision sont solidairement responsables de la différence envers la société.
Les notifications à l'organe légal d'administration et à la Banque, visées à l'alinéa 2, ne doivent pas avoir lieu si l'ensemble des prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, avec une personne, une entreprise ou un établissement donné ne dépasse pas 100 000 euros.
Les notifications à l'organe légal d'administration, visées à l'alinéa 2, de prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, à des entreprises ou établissements sur lesquels la société de bourse ou son entreprise mère exerce le contrôle ne doivent pas davantage être opérées si ces prêts, crédits ou garanties, quelles que soient leurs modalités ou formes, relèvent d'un contrat-cadre qui a fait l'objet d'une notification visée à l'alinéa 2.
§ 2. Le régime prévu au paragraphe 1er ne porte pas préjudice aux règles applicables à cet égard sur la base du Code des sociétés et des associations.
Art.84. In geval van faillissement van een beursvennootschap zijn, met betrekking tot de boedel, alle betalingen nietig en zonder gevolg die deze vennootschap, hetzij in contanten, hetzij anderszins, heeft gedaan aan de leden van haar wettelijk bestuursorgaan in de vorm van tantièmes of andere winstdeelnemingen, tijdens de twee jaren die het tijdstip voorafgaan dat door de insolventierechtbank is vastgesteld als het ogenblik waarop zij haar betalingen heeft gestaakt.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de insolventierechtbank erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de insolventierechtbank erkent dat geen enkele door deze personen begane kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen.
Art.84. En cas de faillite d'une société de bourse, sont nuls et sans effet relativement à la masse, les paiements effectués par cette société, soit en espèces, soit autrement, à ses membres de l'organe légal d'administration, à titre de tantièmes ou autres participations aux bénéfices, au cours des deux années qui précèdent l'époque déterminée par le tribunal de l'insolvabilité comme étant celle de la cessation de ses paiements.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le tribunal de l'insolvabilité reconnaît qu'aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n'a contribué à la faillite.
L'alinéa 1er ne s'applique pas si le tribunal de l'insolvabilité reconnaît qu'aucune faute grave et caractérisée de ces personnes n'a contribué à la faillite.
Onderafdeling IV. - Beroep op tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten en op verbonden agenten
Sous-section IV. - Du recours à des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement et à des agents liés
Art.85. § 1. Beursvennootschappen mogen enkel een beroep doen op in België gevestigde tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten die naar behoren zijn ingeschreven overeenkomstig artikel 5, § 1 van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.
Indien zij een beroep wensen te doen op in een andere lidstaat gevestigde verbonden agenten, dienen beursvennootschappen zich ervan te vergewissen dat deze personen in de betrokken lidstaat zijn ingeschreven in het register bedoeld in artikel 29, lid 3 van richtlijn 2014/65/EU. Zij vergewissen zich van de inachtneming van de beperkingen die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn op verbonden agenten.
§ 2. Beursvennootschappen die een beroep doen op verbonden agenten blijven volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk voor elke handeling of elk verzuim van deze verbonden agenten die voor hun rekening optreden, in het bijzonder wanneer zij deze verbonden agenten toelaten transacties te verrichten met geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten.
De beursvennootschappen zien erop toe dat de verbonden agenten waarop zij een beroep doen kenbaar maken in welke hoedanigheid zij optreden voordat zij zaken doen met een cliënt.
§ 3. De beursvennootschappen dienen de werkzaamheden van hun verbonden agenten te controleren. Zij treffen afdoende maatregelen ter voorkoming van de negatieve gevolgen die de eventuele aanvullende activiteiten van de verbonden agenten zouden kunnen hebben voor de werkzaamheden die deze agenten voor rekening van de beursvennootschappen verrichten.
§ 4. De Bank kan de bepalingen van dit artikel aanvullen of verduidelijken via reglementen vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. Die reglementen kunnen inzonderheid de verplichtingen bepalen die gelden voor beursvennootschappen die een beroep doen op verbonden agenten.
Indien zij een beroep wensen te doen op in een andere lidstaat gevestigde verbonden agenten, dienen beursvennootschappen zich ervan te vergewissen dat deze personen in de betrokken lidstaat zijn ingeschreven in het register bedoeld in artikel 29, lid 3 van richtlijn 2014/65/EU. Zij vergewissen zich van de inachtneming van de beperkingen die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn op verbonden agenten.
§ 2. Beursvennootschappen die een beroep doen op verbonden agenten blijven volledig en onvoorwaardelijk verantwoordelijk voor elke handeling of elk verzuim van deze verbonden agenten die voor hun rekening optreden, in het bijzonder wanneer zij deze verbonden agenten toelaten transacties te verrichten met geldmiddelen en/of financiële instrumenten van cliënten.
De beursvennootschappen zien erop toe dat de verbonden agenten waarop zij een beroep doen kenbaar maken in welke hoedanigheid zij optreden voordat zij zaken doen met een cliënt.
§ 3. De beursvennootschappen dienen de werkzaamheden van hun verbonden agenten te controleren. Zij treffen afdoende maatregelen ter voorkoming van de negatieve gevolgen die de eventuele aanvullende activiteiten van de verbonden agenten zouden kunnen hebben voor de werkzaamheden die deze agenten voor rekening van de beursvennootschappen verrichten.
§ 4. De Bank kan de bepalingen van dit artikel aanvullen of verduidelijken via reglementen vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998. Die reglementen kunnen inzonderheid de verplichtingen bepalen die gelden voor beursvennootschappen die een beroep doen op verbonden agenten.
Art.85. § 1er. Les sociétés de bourse ne peuvent faire appel à des intermédiaires en services bancaires et en services d'investissement établis en Belgique que s'ils sont dûment inscrits conformément à l'article 5, § 1er, de la loi du 22 mars 2006 relative à l'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement et à la distribution d'instruments financiers.
Si elles souhaitent faire appel à des agents liés établis dans un autre Etat membre, les sociétés de bourse doivent veiller à ce que ces personnes soient inscrites, dans l'Etat membre concerné, au registre visé à l'article 29, paragraphe 3, de la directive 2014/65/UE. Elles s'assurent du respect des limitations applicables aux agents liés dans l'Etat concerné.
§ 2. Les sociétés de bourse qui recourent à des agents liés assument la responsabilité entière et inconditionnelle de tout acte effectué ou de toute omission commise par ces agents liés lorsqu'ils agissent pour compte de celles-ci, en particulier lorsqu'elles autorisent ces agents liés à effectuer des opérations concernant des fonds et/ou des instruments financiers de clients.
Les sociétés de bourse veillent à ce que les agents liés auxquels elles recourent indiquent en quelle qualité ils agissent avant de traiter avec un client.
§ 3. Les sociétés de bourse sont tenues de contrôler les activités de leurs agents liés. Elles prennent les mesures adéquates afin d'éviter que les éventuelles activités complémentaires des agents liés n'aient un impact négatif sur les activités exercées par ces agents pour le compte des sociétés de bourse.
§ 4. La Banque peut compléter ou préciser les dispositions du présent article par des règlements pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. Ces règlements peuvent déterminer en particulier les obligations qui incombent aux sociétés de bourse recourant à des agents liés.
Si elles souhaitent faire appel à des agents liés établis dans un autre Etat membre, les sociétés de bourse doivent veiller à ce que ces personnes soient inscrites, dans l'Etat membre concerné, au registre visé à l'article 29, paragraphe 3, de la directive 2014/65/UE. Elles s'assurent du respect des limitations applicables aux agents liés dans l'Etat concerné.
§ 2. Les sociétés de bourse qui recourent à des agents liés assument la responsabilité entière et inconditionnelle de tout acte effectué ou de toute omission commise par ces agents liés lorsqu'ils agissent pour compte de celles-ci, en particulier lorsqu'elles autorisent ces agents liés à effectuer des opérations concernant des fonds et/ou des instruments financiers de clients.
Les sociétés de bourse veillent à ce que les agents liés auxquels elles recourent indiquent en quelle qualité ils agissent avant de traiter avec un client.
§ 3. Les sociétés de bourse sont tenues de contrôler les activités de leurs agents liés. Elles prennent les mesures adéquates afin d'éviter que les éventuelles activités complémentaires des agents liés n'aient un impact négatif sur les activités exercées par ces agents pour le compte des sociétés de bourse.
§ 4. La Banque peut compléter ou préciser les dispositions du présent article par des règlements pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998. Ces règlements peuvent déterminer en particulier les obligations qui incombent aux sociétés de bourse recourant à des agents liés.
Afdeling VII. - Mededeling van informatie over de situatie van de beursvennootschap
Section VII. - De la communication d'informations sur la situation de la société de bourse
Art.86. § 1. Onverminderd de verplichtingen die in voorkomend geval gelden voor genoteerde vennootschappen, kan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke minimuminformatie de beursvennootschappen publiek moeten maken over hun solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en andere risicoposities, over hun beleid inzake eigenvermogensbehoeften en inzake liquiditeit, onder verwijzing naar de vereisten bedoeld in artikel 106 tot en met 108 en 138 tot en met 150. Zij bepaalt tevens de minimale frequentie en de wijze van bekendmaking van die informatie.
De beursvennootschappen publiceren op hun website de relevante informatie van het governancememorandum als bedoeld in de artikelen 17, § 5 en 56, § 6. Deze informatie omvat minstens de aandeelhoudersstructuur en de structuur van het toezicht op de vennootschap of de structuur van de groep waartoe zij behoort, de beleidsorganen, de organisatiestructuur, met inbegrip van de onafhankelijke operationele controlefuncties, evenals de doelstellingen en de bedrijfswaarden van de vennootschap, de krachtlijnen van haar beleid inzake risicobeheer, voorkoming van belangenconflicten, integriteit en continuïteit van de werkzaamheden, evenals de informatie over haar beloningsbeleid en -praktijken, overeenkomstig Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013.
§ 2. De beursvennootschappen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures om te voldoen aan de informatieverplichtingen bedoeld in paragraaf 1. Zij evalueren het passend karakter van hun publicatiemaatregelen, daarin begrepen de controle van de gepubliceerde gegevens alsook de frequentie van de publicatie.
§ 3. De beursvennootschappen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures teneinde te evalueren of de informatie die zij publiceren over hun organisatie, hun financiële positie en hun risicostaat aan de marktdeelnemers een volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaft.
§ 4. In bijzondere gevallen kan de Bank binnen de perken van de Europese wetgeving afwijkingen toestaan van de bepalingen die door of krachtens dit artikel zijn vastgelegd.
De beursvennootschappen publiceren op hun website de relevante informatie van het governancememorandum als bedoeld in de artikelen 17, § 5 en 56, § 6. Deze informatie omvat minstens de aandeelhoudersstructuur en de structuur van het toezicht op de vennootschap of de structuur van de groep waartoe zij behoort, de beleidsorganen, de organisatiestructuur, met inbegrip van de onafhankelijke operationele controlefuncties, evenals de doelstellingen en de bedrijfswaarden van de vennootschap, de krachtlijnen van haar beleid inzake risicobeheer, voorkoming van belangenconflicten, integriteit en continuïteit van de werkzaamheden, evenals de informatie over haar beloningsbeleid en -praktijken, overeenkomstig Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013.
§ 2. De beursvennootschappen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures om te voldoen aan de informatieverplichtingen bedoeld in paragraaf 1. Zij evalueren het passend karakter van hun publicatiemaatregelen, daarin begrepen de controle van de gepubliceerde gegevens alsook de frequentie van de publicatie.
§ 3. De beursvennootschappen voorzien in de noodzakelijke regels en procedures teneinde te evalueren of de informatie die zij publiceren over hun organisatie, hun financiële positie en hun risicostaat aan de marktdeelnemers een volledig inzicht in hun risicoprofiel verschaft.
§ 4. In bijzondere gevallen kan de Bank binnen de perken van de Europese wetgeving afwijkingen toestaan van de bepalingen die door of krachtens dit artikel zijn vastgelegd.
Art.86. § 1er. Sans préjudice des obligations, le cas échéant, applicables aux sociétés cotées, la Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les informations minimales que les sociétés de bourse doivent publier en matière de solvabilité, de liquidité, de concentration de risques et d'autres positions de risques, sur leur politique de besoins en fonds propres et de liquidité par référence aux exigences visées aux articles 106 à 108 et 138 à 150. Elle définit également la fréquence minimale et les modalités de publication de ces informations.
Les sociétés de bourse publient sur leur site internet les informations pertinentes du mémorandum de gouvernance visé aux articles 17, § 5 et 56, § 6. Ces informations couvrent, au minimum, la structure de l'actionnariat et de contrôle de la société ou la structure du groupe dont elle fait partie, les organes de gestion, la structure organisationnelle, y compris les fonctions de contrôle opérationnelles indépendantes, ainsi que les finalités et les valeurs d'entreprise de la société, les lignes de force de ses politiques en matière de gestion des risques, de prévention des conflits d'intérêts, d'intégrité et de continuité des activités et les informations relatives à ses politique et pratiques de rémunération conformément au Règlement 2019/2033 ou, le cas échéant, au Règlement n° 575/2013.
§ 2. Les sociétés de bourse prévoient les règles et procédures nécessaires pour se conformer aux exigences de publication prévues au paragraphe 1er. Elles évaluent l'adéquation de leurs mesures de publication, en ce compris le contrôle des données publiées et la fréquence de publication.
§ 3. Les sociétés de bourse prévoient les règles et procédures nécessaires afin d'évaluer si les informations qu'elles publient sur leur organisation, leur situation financière et l'état de leurs risques fournissent aux acteurs du marché des informations complètes sur leur profil de risque.
§ 4. La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser, dans les limites de la législation européenne, des dérogations aux dispositions prévues par ou en vertu du présent article.
Les sociétés de bourse publient sur leur site internet les informations pertinentes du mémorandum de gouvernance visé aux articles 17, § 5 et 56, § 6. Ces informations couvrent, au minimum, la structure de l'actionnariat et de contrôle de la société ou la structure du groupe dont elle fait partie, les organes de gestion, la structure organisationnelle, y compris les fonctions de contrôle opérationnelles indépendantes, ainsi que les finalités et les valeurs d'entreprise de la société, les lignes de force de ses politiques en matière de gestion des risques, de prévention des conflits d'intérêts, d'intégrité et de continuité des activités et les informations relatives à ses politique et pratiques de rémunération conformément au Règlement 2019/2033 ou, le cas échéant, au Règlement n° 575/2013.
§ 2. Les sociétés de bourse prévoient les règles et procédures nécessaires pour se conformer aux exigences de publication prévues au paragraphe 1er. Elles évaluent l'adéquation de leurs mesures de publication, en ce compris le contrôle des données publiées et la fréquence de publication.
§ 3. Les sociétés de bourse prévoient les règles et procédures nécessaires afin d'évaluer si les informations qu'elles publient sur leur organisation, leur situation financière et l'état de leurs risques fournissent aux acteurs du marché des informations complètes sur leur profil de risque.
§ 4. La Banque peut, dans des cas spéciaux, autoriser, dans les limites de la législation européenne, des dérogations aux dispositions prévues par ou en vertu du présent article.
Art.87. Bij wijze van uitzondering op deze Afdeling, is artikel 75 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.87. Par exception à la présente Section, l'article 75 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Afdeling VII. - Transparantie met betrekking tot het betrokkenheidsbeleid
Section VII. - De la transparence en matière de politique d'engagement
Art.88. § 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
1° "institutionele beleggers": verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die respectievelijk werkzaamheden verrichten op het gebied van levensverzekering, of levensverzekeringsverplichtingen dekken in de zin van artikel 15, 17° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, of instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° "betrokkenheidsactiviteiten": activiteiten die met name diensten omvatten die verband houden met beleggingen in aandelen van op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschappen en/of de uitoefening van rechten die uit het bezit van dergelijke aandelen voortvloeien.
§ 2. Beursvennootschappen die voor rekening van institutionele beleggers in op een gereglementeerde markt genoteerde aandelen beleggen, voldoen aan de vereisten van paragraaf 3 of maken bekend waarom zij hebben besloten een of meer van die vereisten niet ten uitvoer te leggen.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde beursvennootschappen ontwikkelen een betrokkenheidsbeleid dat zij op hun website gratis openbaar maken en waarin zij het volgende beschrijven:
1° hoe zij het betrokkenheidsbeleid van de institutionele beleggers voor rekening van wie zij beleggen, in hun beleggingsstrategie integreren en hoe zij feitelijke en potentiële belangenconflicten beheersen, met name in verband met het betrokkenheidsbeleid van deze laatsten en in situaties waarin zij zelf belangrijke zakenrelaties hebben met de vennootschappen waarin is belegd; en/of
2° hoe zij toezicht uitoefenen op de vennootschappen waarin is belegd, met name ten aanzien van de strategie, de financiële en niet-financiële prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten en corporate governance, interageren met de vennootschappen waarin is belegd, stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefenen, samenwerken met andere aandeelhouders, communiceren met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheersen.
Beursvennootschappen maken jaarlijks openbaar hoe hun betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van hun stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. In voorkomend geval maken zij openbaar hoe zij hebben gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of het niveau van de deelneming in de vennootschappen waarin is belegd onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
§ 4. De bepalingen van artikel 27, § 4 van de wet van 2 augustus 2002, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de overeenkomstige gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU, zijn eveneens van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten die hetzij namens cliënten die institutionele beleggers zijn, hetzij in eigen naam voor rekening van dergelijke cliënten worden verricht door de beursvennootschappen.
1° "institutionele beleggers": verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die respectievelijk werkzaamheden verrichten op het gebied van levensverzekering, of levensverzekeringsverplichtingen dekken in de zin van artikel 15, 17° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, of instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° "betrokkenheidsactiviteiten": activiteiten die met name diensten omvatten die verband houden met beleggingen in aandelen van op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschappen en/of de uitoefening van rechten die uit het bezit van dergelijke aandelen voortvloeien.
§ 2. Beursvennootschappen die voor rekening van institutionele beleggers in op een gereglementeerde markt genoteerde aandelen beleggen, voldoen aan de vereisten van paragraaf 3 of maken bekend waarom zij hebben besloten een of meer van die vereisten niet ten uitvoer te leggen.
§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde beursvennootschappen ontwikkelen een betrokkenheidsbeleid dat zij op hun website gratis openbaar maken en waarin zij het volgende beschrijven:
1° hoe zij het betrokkenheidsbeleid van de institutionele beleggers voor rekening van wie zij beleggen, in hun beleggingsstrategie integreren en hoe zij feitelijke en potentiële belangenconflicten beheersen, met name in verband met het betrokkenheidsbeleid van deze laatsten en in situaties waarin zij zelf belangrijke zakenrelaties hebben met de vennootschappen waarin is belegd; en/of
2° hoe zij toezicht uitoefenen op de vennootschappen waarin is belegd, met name ten aanzien van de strategie, de financiële en niet-financiële prestaties en risico's, de kapitaalstructuur, maatschappelijke en ecologische effecten en corporate governance, interageren met de vennootschappen waarin is belegd, stemrechten en andere aan aandelen verbonden rechten uitoefenen, samenwerken met andere aandeelhouders, communiceren met relevante belanghebbenden van de vennootschappen waarin is belegd, en feitelijke en potentiële belangenconflicten in verband met hun betrokkenheid beheersen.
Beursvennootschappen maken jaarlijks openbaar hoe hun betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van hun stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs. In voorkomend geval maken zij openbaar hoe zij hebben gestemd op de algemene vergaderingen van vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten. Stemmingen die wegens het onderwerp van de stemming of het niveau van de deelneming in de vennootschappen waarin is belegd onbetekenend zijn, mogen uit deze openbaarmaking worden weggelaten.
§ 4. De bepalingen van artikel 27, § 4 van de wet van 2 augustus 2002, de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de overeenkomstige gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2014/65/EU, zijn eveneens van toepassing op betrokkenheidsactiviteiten die hetzij namens cliënten die institutionele beleggers zijn, hetzij in eigen naam voor rekening van dergelijke cliënten worden verricht door de beursvennootschappen.
Art.88. § 1er. Aux fins de la présente section, on entend par :
1° "investisseurs institutionnels" : les entreprises d'assurance ou de réassurance qui, respectivement, exercent des activités d'assurance-vie ou couvrent des obligations d'assurance-vie au sens de l'article 15, 17°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ou les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ;
2° "activités d'engagement" : des activités comprenant, notamment, des services en lien avec les investissements dans des actions de sociétés cotées sur un marché réglementé et/ou l'exercice de droits découlant de la détention de ces actions.
§ 2. Les sociétés de bourse qui investissent dans des actions cotées sur un marché réglementé pour le compte d'investisseurs institutionnels respectent les exigences énoncées au paragraphe 3 ou publient les raisons pour lesquelles elles ont décidé de ne pas mettre en oeuvre une ou plusieurs de ces exigences.
§ 3. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 2 élaborent et publient sur leur site internet une politique d'engagement, accessible gratuitement, dans laquelle elles décrivent :
1° la manière dont elles intègrent, dans leur stratégie d'investissement, les politiques d'engagement des investisseurs institutionnels pour le compte desquels elles investissent et la manière dont elles gèrent leurs conflits d'intérêts réels ou potentiels, notamment, par rapport aux politiques d'engagement de ceux-ci et dans les cas où ils ont, eux-mêmes, d'importantes relations commerciales avec les sociétés détenues ; et/ou
2° la manière dont elles assurent le suivi des sociétés détenues notamment en ce qui concerne la stratégie, les performances financières et non financières ainsi que le risque, la structure du capital, l'impact social et environnemental et la gouvernance d'entreprise, interagissent avec les sociétés détenues, exercent les droits de vote et d'autres droits attachés aux actions, coopèrent avec les autres actionnaires, communiquent avec les acteurs pertinents des sociétés détenues et gèrent les conflits d'intérêts réels ou potentiels par rapport à leur engagement.
Chaque année, les sociétés de bourse publient la manière dont leur politique d'engagement a été mise en oeuvre, y compris une description générale de leur comportement de vote, une explication des votes les plus importants et le recours à des services de conseillers en vote. Elles publient, le cas échéant, la manière dont elles ont exprimé leurs votes lors des assemblées générales des sociétés dont elles détiennent des actions. Cette communication peut exclure les votes qui sont insignifiants en raison de l'objet du vote ou du niveau de la participation dans les sociétés détenues.
§ 4. Les dispositions de l'article 27, § 4, de la loi du 2 août 2002, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des actes délégués correspondants adoptés en vertu de la directive 2014/65/UE, sont également d'application en ce qui concerne les activités d'engagement prestées par les sociétés de bourse au nom de leurs clients, investisseurs institutionnels, ou en leur propre nom mais pour le compte de ces clients.
1° "investisseurs institutionnels" : les entreprises d'assurance ou de réassurance qui, respectivement, exercent des activités d'assurance-vie ou couvrent des obligations d'assurance-vie au sens de l'article 15, 17°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ou les institutions de retraite professionnelle visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle ;
2° "activités d'engagement" : des activités comprenant, notamment, des services en lien avec les investissements dans des actions de sociétés cotées sur un marché réglementé et/ou l'exercice de droits découlant de la détention de ces actions.
§ 2. Les sociétés de bourse qui investissent dans des actions cotées sur un marché réglementé pour le compte d'investisseurs institutionnels respectent les exigences énoncées au paragraphe 3 ou publient les raisons pour lesquelles elles ont décidé de ne pas mettre en oeuvre une ou plusieurs de ces exigences.
§ 3. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 2 élaborent et publient sur leur site internet une politique d'engagement, accessible gratuitement, dans laquelle elles décrivent :
1° la manière dont elles intègrent, dans leur stratégie d'investissement, les politiques d'engagement des investisseurs institutionnels pour le compte desquels elles investissent et la manière dont elles gèrent leurs conflits d'intérêts réels ou potentiels, notamment, par rapport aux politiques d'engagement de ceux-ci et dans les cas où ils ont, eux-mêmes, d'importantes relations commerciales avec les sociétés détenues ; et/ou
2° la manière dont elles assurent le suivi des sociétés détenues notamment en ce qui concerne la stratégie, les performances financières et non financières ainsi que le risque, la structure du capital, l'impact social et environnemental et la gouvernance d'entreprise, interagissent avec les sociétés détenues, exercent les droits de vote et d'autres droits attachés aux actions, coopèrent avec les autres actionnaires, communiquent avec les acteurs pertinents des sociétés détenues et gèrent les conflits d'intérêts réels ou potentiels par rapport à leur engagement.
Chaque année, les sociétés de bourse publient la manière dont leur politique d'engagement a été mise en oeuvre, y compris une description générale de leur comportement de vote, une explication des votes les plus importants et le recours à des services de conseillers en vote. Elles publient, le cas échéant, la manière dont elles ont exprimé leurs votes lors des assemblées générales des sociétés dont elles détiennent des actions. Cette communication peut exclure les votes qui sont insignifiants en raison de l'objet du vote ou du niveau de la participation dans les sociétés détenues.
§ 4. Les dispositions de l'article 27, § 4, de la loi du 2 août 2002, des arrêtés et règlements pris pour son exécution ainsi que des actes délégués correspondants adoptés en vertu de la directive 2014/65/UE, sont également d'application en ce qui concerne les activités d'engagement prestées par les sociétés de bourse au nom de leurs clients, investisseurs institutionnels, ou en leur propre nom mais pour le compte de ces clients.
Art.89. § 1. De in artikel 88, § 2 bedoelde beursvennootschappen maken aan de institutionele beleggers waarmee zij regelingen zijn aangegaan als bedoeld in artikel 101/2, § 2 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen of in artikel 95, § 3, tweede lid van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, jaarlijks bekend hoe hun beleggingsstrategie en de uitvoering daarvan in overeenstemming zijn met deze regelingen, en bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van de activa van de betrokken institutionele beleggers. Die bekendmaking omvat ook rapportering over de voornaamste materiële middellange- tot langetermijnrisico's die aan de beleggingen zijn verbonden, de samenstelling, de omloopsnelheid en de aan de omloopsnelheid van de portefeuille verbonden kosten, het gebruik van volmachtadviseurs voor de uitoefening, in voorkomend geval, van de betrokkenheidsactiviteiten en hun beleid inzake effectenleningen en hoe dat in voorkomend geval wordt toegepast ten behoeve van de betrokkenheidsactiviteiten, met name tijdens de algemene vergadering van de vennootschappen waarin is belegd. Ten slotte bevat die bekendmaking ook informatie over of en zo ja, hoe beursvennootschappen beleggingsbeslissingen nemen op basis van een beoordeling van de middellange- tot langetermijnprestaties, waaronder de niet-financiële prestaties, van de vennootschap waarin is belegd, en over of en zo ja, welke belangenconflicten er in verband met betrokkenheidsactiviteiten zijn ontstaan en hoe daarmee is omgegaan.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt samen met de periodieke mededelingen als bedoeld in artikel 27ter, § 7 van de wet van 2 augustus 2002 openbaar gemaakt.
Indien de ingevolge paragraaf 1 bekendgemaakte informatie reeds voor het publiek beschikbaar is, hoeft de beursvennootschap die informatie niet rechtstreeks aan de institutionele belegger te verstrekken.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt samen met de periodieke mededelingen als bedoeld in artikel 27ter, § 7 van de wet van 2 augustus 2002 openbaar gemaakt.
Indien de ingevolge paragraaf 1 bekendgemaakte informatie reeds voor het publiek beschikbaar is, hoeft de beursvennootschap die informatie niet rechtstreeks aan de institutionele belegger te verstrekken.
Art.89. § 1er. Les sociétés de bourse visées à l'article 88, § 2, communiquent, une fois par an, aux investisseurs institutionnels avec lesquels elles ont conclu les accords visés à l'article 101/2, § 2, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance ou à l'article 95, § 3, alinéa 2, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, la manière dont leur stratégie d'investissement et sa mise en oeuvre respectent ces accords et contribuent aux performances à moyen et long terme des actifs des investisseurs institutionnels concernés. Cette communication comprend également des informations sur les principaux risques importants à moyen et long terme liés aux investissements, sur la composition, la rotation et les coûts de rotation du portefeuille, sur le recours à des conseillers en vote aux fins de l'exercice, le cas échéant, des activités d'engagement et leur politique en matière de prêts de titres et la manière dont celle-ci est appliquée pour l'exercice des activités d'engagement le cas échéant, en particulier lors de l'assemblée générale des sociétés détenues. Cette communication comprend enfin également des informations indiquant si, et dans l'affirmative, comment les sociétés de bourse prennent des décisions d'investissement fondées sur une évaluation des performances à moyen et à long terme de la société détenue, y compris les performances non financières, et si des conflits d'intérêts sont apparus en lien avec les activités d'engagement et, dans l'affirmative, lesquels et comment ils ont été traités.
§ 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont communiquées en même temps que les communications périodiques visées à l'article 27ter, § 7, de la loi du 2 août 2002.
Lorsque les informations communiquées en vertu du paragraphe 1er sont déjà à la disposition du public, la société de bourse n'est pas tenue de fournir ces informations directement à l'investisseur institutionnel.
§ 2. Les informations visées au paragraphe 1er sont communiquées en même temps que les communications périodiques visées à l'article 27ter, § 7, de la loi du 2 août 2002.
Lorsque les informations communiquées en vertu du paragraphe 1er sont déjà à la disposition du public, la société de bourse n'est pas tenue de fournir ces informations directement à l'investisseur institutionnel.
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de prudentiële vereisten
CHAPITRE IV. - De la modification des exigences prudentielles
Art.90. § 1. Indien de voorwaarden van artikel 1, lid 2, eerste alinea, onder a) of b) van Verordening 2019/2033 vervuld zijn, neemt de Bank een besluit waarin zij vaststelt dat de vereisten van Verordening nr. 575/2013, in plaats van de vereisten van Verordening 2019/2033, van toepassing zijn op de betrokken beursvennootschap en dat die beursvennootschap beschouwd wordt als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
De beursvennootschap blijft evenwel onderworpen aan artikel 55 van Verordening 2019/2033.
§ 2. Onverminderd artikel 55 van Verordening 2019/2033, indien de beursvennootschap vaststelt dat de in artikel 1, paragraaf 2, eerste alinea, onder a) of b) van deze verordening bedoelde drempels worden bereikt of overschreden, of dat die drempels niet langer wordt bereikt, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. Indien de in artikel 1, lid 2, eerste alinea, onder a) en b) van Verordening 2019/2033 bedoelde drempels, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, niet langer worden bereikt, neemt de Bank een besluit waarin zij vaststelt dat de vereisten van Verordening nr. 575/2013 niet langer van toepassing zijn op de betrokken beursvennootschap, dat de vereisten van Verordening 2019/2033 voortaan van toepassing zijn, en dat deze beursvennootschap niet langer wordt beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°, tenzij de Bank een besluit neemt overeenkomstig artikel 91.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
De beursvennootschap blijft evenwel onderworpen aan artikel 55 van Verordening 2019/2033.
§ 2. Onverminderd artikel 55 van Verordening 2019/2033, indien de beursvennootschap vaststelt dat de in artikel 1, paragraaf 2, eerste alinea, onder a) of b) van deze verordening bedoelde drempels worden bereikt of overschreden, of dat die drempels niet langer wordt bereikt, stelt zij de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. Indien de in artikel 1, lid 2, eerste alinea, onder a) en b) van Verordening 2019/2033 bedoelde drempels, berekend over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, niet langer worden bereikt, neemt de Bank een besluit waarin zij vaststelt dat de vereisten van Verordening nr. 575/2013 niet langer van toepassing zijn op de betrokken beursvennootschap, dat de vereisten van Verordening 2019/2033 voortaan van toepassing zijn, en dat deze beursvennootschap niet langer wordt beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°, tenzij de Bank een besluit neemt overeenkomstig artikel 91.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
Art.90. § 1er. Lorsque les conditions fixées à l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, points a) ou b) du Règlement 2019/2033 sont remplies, la Banque prend une décision constatant que les exigences du Règlement n° 575/2013 sont applicables à la société de bourse concernée, au lieu des exigences du Règlement 2019/2033, et que cette société de bourse est considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
La société de bourse reste toutefois soumise à l'article 55 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Sans préjudice de l'article 55 du Règlement 2019/2033, lorsque la société de bourse constate que les seuils visés à l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, points a) ou b) dudit règlement sont atteints ou dépassés, ou que ces seuils ne sont plus atteints, elle en informe la Banque sans délai.
§ 3. Lorsque les seuils visés à l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, points a) et b) du Règlement 2019/2033, calculés sur une période de douze mois consécutifs, ne sont plus atteints, la Banque prend une décision constatant que les exigences du Règlement n° 575/2013 ne sont plus applicables à la société de bourse concernée, que les exigences du Règlement 2019/2033 sont désormais d'application, et que cette société de bourse n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°, sauf si la Banque prend une décision conformément à l'article 91.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
La société de bourse reste toutefois soumise à l'article 55 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Sans préjudice de l'article 55 du Règlement 2019/2033, lorsque la société de bourse constate que les seuils visés à l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, points a) ou b) dudit règlement sont atteints ou dépassés, ou que ces seuils ne sont plus atteints, elle en informe la Banque sans délai.
§ 3. Lorsque les seuils visés à l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, points a) et b) du Règlement 2019/2033, calculés sur une période de douze mois consécutifs, ne sont plus atteints, la Banque prend une décision constatant que les exigences du Règlement n° 575/2013 ne sont plus applicables à la société de bourse concernée, que les exigences du Règlement 2019/2033 sont désormais d'application, et que cette société de bourse n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°, sauf si la Banque prend une décision conformément à l'article 91.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
Art.91. § 1. De Bank kan met toepassing van artikel 1, lid 2, eerste alinea, onder c) van Verordening 2019/2033 besluiten de vereisten van Verordening nr. 575/2013 toe te passen, in plaats van de vereisten van Verordening 2019/2033, op een beursvennootschap die een van de in artikel 3, 2°, punten 3) en 6) bedoelde beleggingsactiviteiten of -diensten verricht, mits:
1° de vennootschap niet kan worden aangemerkt als een grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, een instelling voor collectieve belegging of een verzekeringsonderneming;
2° de totale waarde van de geconsolideerde activa van de vennootschap, berekend als het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden, gelijk is aan of groter is dan 5 miljard euro; en
3° aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de vennootschap verricht deze activiteiten op een zodanig grote schaal dat wanneer deze vennootschap failliet gaat of anderszins in een noodsituatie verkeert, dit tot een systeemrisico zou kunnen leiden;
b) de vennootschap is een clearinglid in de zin van artikel 4, lid 1, punt 3 van Verordening 2019/2033; of
c) de Bank acht het in het licht van de omvang, aard, schaal of complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken vennootschap gerechtvaardigd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en een of meer van de volgende factoren:
- het belang van de vennootschap voor de Belgische of Europese economie;
- het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de vennootschap;
- de verwevenheid van de vennootschap met het financiële stelsel.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
De beursvennootschap blijft evenwel onderworpen aan artikel 55 van Verordening 2019/2033.
§ 2. Indien het niveau van hun activa de in paragraaf 1, eerste lid, 2° bedoelde drempels bereikt of overschrijdt, of indien dit niveau daalt tot onder die drempels, stellen de beursvennootschappen de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. De Bank trekt het krachtens paragraaf 1 genomen besluit in wanneer de totale waarde van de geconsolideerde activa van de beursvennootschap, berekend als het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden, onder de in paragraaf 1, eerste lid, 2° bedoelde drempel ligt en/of indien zij van oordeel is dat de andere voorwaarden van die paragraaf niet langer vervuld zijn.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap niet langer beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap en de EBA onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
1° de vennootschap niet kan worden aangemerkt als een grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, een instelling voor collectieve belegging of een verzekeringsonderneming;
2° de totale waarde van de geconsolideerde activa van de vennootschap, berekend als het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden, gelijk is aan of groter is dan 5 miljard euro; en
3° aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de vennootschap verricht deze activiteiten op een zodanig grote schaal dat wanneer deze vennootschap failliet gaat of anderszins in een noodsituatie verkeert, dit tot een systeemrisico zou kunnen leiden;
b) de vennootschap is een clearinglid in de zin van artikel 4, lid 1, punt 3 van Verordening 2019/2033; of
c) de Bank acht het in het licht van de omvang, aard, schaal of complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken vennootschap gerechtvaardigd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel en een of meer van de volgende factoren:
- het belang van de vennootschap voor de Belgische of Europese economie;
- het belang van de grensoverschrijdende werkzaamheden van de vennootschap;
- de verwevenheid van de vennootschap met het financiële stelsel.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
De beursvennootschap blijft evenwel onderworpen aan artikel 55 van Verordening 2019/2033.
§ 2. Indien het niveau van hun activa de in paragraaf 1, eerste lid, 2° bedoelde drempels bereikt of overschrijdt, of indien dit niveau daalt tot onder die drempels, stellen de beursvennootschappen de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. De Bank trekt het krachtens paragraaf 1 genomen besluit in wanneer de totale waarde van de geconsolideerde activa van de beursvennootschap, berekend als het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden, onder de in paragraaf 1, eerste lid, 2° bedoelde drempel ligt en/of indien zij van oordeel is dat de andere voorwaarden van die paragraaf niet langer vervuld zijn.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap niet langer beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap en de EBA onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
Art.91. § 1er. En application de l'article 1er, paragraphe 2, alinéa 1er, point c) du Règlement 2019/2033, la Banque peut décider d'appliquer les exigences du Règlement n° 575/2013, au lieu des exigences du Règlement 2019/2033, à une société de bourse qui exerce une des activités d'investissement ou fournit un des services d'investissement visés à l'article 3, 2°, points 3) et 6) lorsque :
1° la société ne qualifie pas de négociant en matières premières et quotas d'émission, d'organisme de placement collectif ou d'entreprise d'assurance ;
2° la valeur totale des actifs consolidés de la société, calculée comme étant la moyenne des douze derniers mois, atteint ou dépasse 5 milliards d'euros ; et
3° une des conditions suivantes est remplie :
a) la société exerce ces activités à une échelle telle que la défaillance ou les difficultés de cette société pourraient entraîner un risque systémique ;
b) la société est un membre compensateur au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 3) du Règlement 2019/2033 ; ou
c) la Banque considère que cela se justifie en raison de l'ampleur, de la nature, de l'échelle ou de la complexité des activités exercées par la société concernée, compte tenu du principe de proportionnalité et eu égard à un ou plusieurs des facteurs suivants :
- l'importance de la société pour l'économie belge ou européenne ;
- l'importance des activités transfrontalières de la société ;
- l'interconnexion de la société avec le système financier.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée est considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
La société de bourse reste toutefois soumise à l'article 55 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Lorsque le niveau de leurs actifs atteint ou dépasse les seuils visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou lorsque ce niveau retombe en-deçà de ces seuils, les sociétés de bourse en informent la Banque sans délai.
§ 3. La Banque révoque la décision prise en vertu du paragraphe 1er lorsque la valeur totale des actifs consolidés de la société de bourse, calculé comme étant la moyenne des douze derniers mois, est inférieure au seuil visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et/ou lorsqu'elle considère que les autres conditions dudit paragraphe ne sont plus remplies.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée ainsi que l'ABE des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
1° la société ne qualifie pas de négociant en matières premières et quotas d'émission, d'organisme de placement collectif ou d'entreprise d'assurance ;
2° la valeur totale des actifs consolidés de la société, calculée comme étant la moyenne des douze derniers mois, atteint ou dépasse 5 milliards d'euros ; et
3° une des conditions suivantes est remplie :
a) la société exerce ces activités à une échelle telle que la défaillance ou les difficultés de cette société pourraient entraîner un risque systémique ;
b) la société est un membre compensateur au sens de l'article 4, paragraphe 1er, point 3) du Règlement 2019/2033 ; ou
c) la Banque considère que cela se justifie en raison de l'ampleur, de la nature, de l'échelle ou de la complexité des activités exercées par la société concernée, compte tenu du principe de proportionnalité et eu égard à un ou plusieurs des facteurs suivants :
- l'importance de la société pour l'économie belge ou européenne ;
- l'importance des activités transfrontalières de la société ;
- l'interconnexion de la société avec le système financier.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée est considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
La société de bourse reste toutefois soumise à l'article 55 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Lorsque le niveau de leurs actifs atteint ou dépasse les seuils visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ou lorsque ce niveau retombe en-deçà de ces seuils, les sociétés de bourse en informent la Banque sans délai.
§ 3. La Banque révoque la décision prise en vertu du paragraphe 1er lorsque la valeur totale des actifs consolidés de la société de bourse, calculé comme étant la moyenne des douze derniers mois, est inférieure au seuil visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° et/ou lorsqu'elle considère que les autres conditions dudit paragraphe ne sont plus remplies.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée ainsi que l'ABE des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
Art.92. § 1. De Bank kan met toepassing van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033 besluiten de vereisten van Verordening nr. 575/2013 toe te passen, in plaats van de vereisten van Verordening 2019/2033, op een beursvennootschap die voldoet aan de voorwaarden van dat artikel.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
§ 2. Indien de voorwaarden van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033 niet langer vervuld zijn, stellen de beursvennootschappen de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. De Bank trekt het krachtens paragraaf 1 genomen besluit in wanneer zij van oordeel is dat de voorwaarden van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033 niet langer vervuld zijn.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap niet langer beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°, tenzij de Bank een besluit neemt overeenkomstig artikel 91.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap en de EBA onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°.
§ 2. Indien de voorwaarden van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033 niet langer vervuld zijn, stellen de beursvennootschappen de Bank daarvan onverwijld in kennis.
§ 3. De Bank trekt het krachtens paragraaf 1 genomen besluit in wanneer zij van oordeel is dat de voorwaarden van artikel 1, lid 5 van Verordening 2019/2033 niet langer vervuld zijn.
Indien de Bank een dergelijk besluit neemt, wordt de betrokken beursvennootschap niet langer beschouwd als een grote beursvennootschap in de zin van artikel 3, 5°, tenzij de Bank een besluit neemt overeenkomstig artikel 91.
§ 4. De Bank stelt de betrokken vennootschap en de EBA onverwijld in kennis van de krachtens de paragrafen 1 en 3 genomen besluiten.
Art.92. § 1er. En application de l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033, la Banque peut décider d'appliquer les exigences du Règlement n° 575/2013, au lieu des exigences du Règlement 2019/2033, à une société de bourse lorsque celle-ci remplit les conditions fixées audit article.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée est considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
§ 2. Lorsque les conditions visées à l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ne sont plus remplies, les sociétés de bourse en informent la Banque sans délai.
§ 3. La Banque révoque la décision prise en vertu du paragraphe 1er lorsqu'elle considère que les conditions visées à l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ne sont plus remplies.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°, sauf si la Banque prend une décision conformément à l'article 91.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée ainsi que l'ABE des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée est considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°.
§ 2. Lorsque les conditions visées à l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ne sont plus remplies, les sociétés de bourse en informent la Banque sans délai.
§ 3. La Banque révoque la décision prise en vertu du paragraphe 1er lorsqu'elle considère que les conditions visées à l'article 1er, paragraphe 5 du Règlement 2019/2033 ne sont plus remplies.
Lorsque la Banque adopte une telle décision, la société de bourse concernée n'est plus considérée comme une société de bourse de taille importante au sens de l'article 3, 5°, sauf si la Banque prend une décision conformément à l'article 91.
§ 4. La Banque informe sans délai la société concernée ainsi que l'ABE des décisions prises en vertu des paragraphes 1er et 3.
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden en bijzondere verrichtingen
CHAPITRE V. - Des modifications du programme d'activités et des opérations particulières
Afdeling I. - Wijzigingen in het programma van werkzaamheden
Section Ire. - Des modifications du programme d'activités
Art.93. Elke wijziging in de werkzaamheden van de vennootschap moet voorafgaandelijk, vóór de tenuitvoerlegging ervan, worden meegedeeld aan de Bank.
Art.93. Toute modification des activités exercées par la société doit être préalablement communiquée à la Banque avant sa mise en oeuvre.
Art.94. § 1. Wanneer de wijzigingen in het programma van werkzaamheden ertoe strekken de werkzaamheden van de beursvennootschap uit te breiden teneinde bijkomende diensten en/of werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3, 2° en 3°, waarvoor zij nog geen vergunning heeft, aan te bieden, dient de beursvennootschap een verzoek tot uitbreiding van haar vergunning in overeenkomstig artikel 5. De artikelen 7 tot en met 10 van deze wet en artikel 7 van de wet van 25 oktober 2016 zijn van toepassing.
§ 2. Wanneer zij met toepassing van artikel 27ter van Verordening nr. 600/2014 vergund is om de in artikel 2, punten 34 tot 36 van deze verordening bedoelde datarapporteringsdiensten te verrichten, stelt de beursvennootschap de Bank hiervan in kennis. In dat geval, vermeldt de overeenkomstig artikel 7 van de wet van 25 oktober 2016 opgestelde lijst van beleggingsondernemingen deze diensten.
§ 2. Wanneer zij met toepassing van artikel 27ter van Verordening nr. 600/2014 vergund is om de in artikel 2, punten 34 tot 36 van deze verordening bedoelde datarapporteringsdiensten te verrichten, stelt de beursvennootschap de Bank hiervan in kennis. In dat geval, vermeldt de overeenkomstig artikel 7 van de wet van 25 oktober 2016 opgestelde lijst van beleggingsondernemingen deze diensten.
Art.94. § 1er. Lorsque les modifications du programme d'activités visent à étendre les activités de la société de bourse en vue de fournir des services et/ou activités supplémentaires visés à l'article 3, 2° et 3°, qui ne sont pas encore couverts par son agrément, la société de bourse introduit une demande d'extension de son agrément conformément à l'article 5. Les articles 7 à 10 de la présente loi ainsi que l'article 7 de la loi du 25 octobre 2016 sont applicables.
§ 2. Si elle est autorisée en application de l'article 27ter du Règlement n° 600/2014 à fournir des services de communication de données visés à l'article 2, points 34 à 36 dudit règlement, la société de bourse en informe la Banque. Dans ce cas, la liste des entreprises d'investissement tenue conformément à l'article 7 de la loi du 25 octobre 2016 mentionne ces services.
§ 2. Si elle est autorisée en application de l'article 27ter du Règlement n° 600/2014 à fournir des services de communication de données visés à l'article 2, points 34 à 36 dudit règlement, la société de bourse en informe la Banque. Dans ce cas, la liste des entreprises d'investissement tenue conformément à l'article 7 de la loi du 25 octobre 2016 mentionne ces services.
Afdeling II. - Strategische beslissingen, beleggingsbeslissingen en fusies van en overdrachten tussen beursvennootschappen
Section II. - Des décisions stratégiques, des décisions d'investissement et des fusions et cessions entre sociétés de bourse
Art.95. Voor de volgende beslissingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist:
1° strategische beslissingen;
2° beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende of stemrechtverlenende effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 3, 2° en 3°, voor een bedrag van minstens 150 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de beursvennootschap;
3° fusies van beursvennootschappen of van dergelijke vennootschappen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van beursvennootschappen;
4° wanneer tussen beursvennootschappen of tussen dergelijke vennootschappen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen.
De Bank moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de vennootschap om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.
1° strategische beslissingen;
2° beslissingen om kapitaalvertegenwoordigende of stemrechtverlenende effecten te verwerven van een onderneming waarvan de werkzaamheden niet zijn opgenomen in artikel 3, 2° en 3°, voor een bedrag van minstens 150 000 euro of een bedrag van 5 % van het eigen vermogen van de beursvennootschap;
3° fusies van beursvennootschappen of van dergelijke vennootschappen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, evenals splitsingen van beursvennootschappen;
4° wanneer tussen beursvennootschappen of tussen dergelijke vennootschappen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, het bedrijf of het net integraal of gedeeltelijk wordt overgedragen.
De Bank moet beslissen binnen twee maanden na ontvangst van een volledig dossier van het project. Zij mag haar toestemming enkel weigeren om redenen die verband houden met het vermogen van de vennootschap om te voldoen aan de bepalingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd of die verband houden met een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of indien de beslissing de stabiliteit van het financiële stelsel ernstig zou kunnen aantasten. Als zij niet binnen de voornoemde termijn optreedt, dan wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.
Art.95. Sont soumises à l'autorisation préalable de la Banque :
1° les décisions stratégiques ;
2° les décisions d'acquérir des titres représentatifs du capital ou du droit de vote d'une entreprise dont l'activité n'est pas visée à l'article 3, 2° et 3° pour un montant d'au moins 150 000 euros ou un montant qui atteint 5 % des fonds propres de la société de bourse ;
3° les fusions entre sociétés de bourse ou entre de telles sociétés et d'autres institutions financières ainsi que les scissions de sociétés de bourse ;
4° la cession entre sociétés de bourse ou entre de telles sociétés et d'autres institutions financières de l'ensemble ou d'une partie de leur activité ou de leur réseau.
La Banque doit se prononcer dans les deux mois de la réception d'un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autorisation que pour des motifs tenant à la capacité de la société à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou tenant à la gestion saine et prudente de la société ou si la décision est susceptible d'affecter de façon significative la stabilité du système financier. Si elle n'intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l'autorisation est réputée acquise.
1° les décisions stratégiques ;
2° les décisions d'acquérir des titres représentatifs du capital ou du droit de vote d'une entreprise dont l'activité n'est pas visée à l'article 3, 2° et 3° pour un montant d'au moins 150 000 euros ou un montant qui atteint 5 % des fonds propres de la société de bourse ;
3° les fusions entre sociétés de bourse ou entre de telles sociétés et d'autres institutions financières ainsi que les scissions de sociétés de bourse ;
4° la cession entre sociétés de bourse ou entre de telles sociétés et d'autres institutions financières de l'ensemble ou d'une partie de leur activité ou de leur réseau.
La Banque doit se prononcer dans les deux mois de la réception d'un dossier complet du projet. Elle ne peut refuser son autorisation que pour des motifs tenant à la capacité de la société à satisfaire aux dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi ou tenant à la gestion saine et prudente de la société ou si la décision est susceptible d'affecter de façon significative la stabilité du système financier. Si elle n'intervient pas dans le délai fixé ci-dessus, l'autorisation est réputée acquise.
Art.96. Iedere gehele of gedeeltelijke overdracht tussen beursvennootschappen of tussen dergelijke vennootschappen en andere in de financiële sector bedrijvige instellingen, van rechten en verplichtingen die voortkomen uit verrichtingen van de betrokken vennootschappen of ondernemingen, waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 95, is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet, zodra die toestemming is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 95, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 5 243 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.
Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling kunnen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.
Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 95, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 5 243 van het Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.
Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling kunnen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.
Art.96. Toute cession totale ou partielle entre sociétés de bourse ou entre de telles sociétés et d'autres institutions financières des droits et obligations résultant des opérations des sociétés ou entreprises concernées et autorisée conformément à l'article 95 est opposable aux tiers, en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi, dès la publication au Moniteur belge de cette autorisation.
Les cessions autorisées conformément à l'article 95 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 5 243 du Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique.
Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de crédit et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de crédit.
Les cessions autorisées conformément à l'article 95 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 5 243 du Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique.
Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de crédit et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de crédit.
Afdeling III. - Opening of verwerving van dochterondernemingen in het buitenland
Section III. - De l'ouverture ou de l'acquisition de filiales à l'étranger
Art.97. Iedere beursvennootschap die voornemens is om rechtstreeks of via de tussenkomst van een financiële holding of van een gemengde financiële holding in het buitenland een dochteronderneming te verwerven of op te richten die een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4 van de wet 25 april 2014 of een beleggingsdienst en/of -activiteit en een nevendienst als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° verricht, stelt de Bank daarvan in kennis. Bij deze kennisgeving wordt informatie gevoegd over de werkzaamheden, de organisatie, de aandeelhoudersstructuur en de leiding van de betrokken onderneming.
Art.97. La société de bourse qui projette d'acquérir ou de créer, directement ou par l'intermédiaire d'une compagnie financière ou d'une compagnie financière mixte, une filiale à l'étranger exerçant une activité visée à l'article 4 de la loi du 25 avril 2014 ou un service et/ou une activité d'investissement et un service auxiliaire visés à l'article 3, 2° et 3° notifie son intention à la Banque. Cette notification est assortie d'une information sur les activités, l'organisation, l'actionnariat et les dirigeants de l'entreprise concernée.
Afdeling IV. - Uitoefening van werkzaamheden in het buitenland
Section IV. - De l'exercice d'activités à l'étranger
Onderafdeling I. - Opening van bijkantoren in het buitenland
Sous-section Ière. - De l'ouverture de succursales à l'étranger
Art.98. Iedere beursvennootschap die op het grondgebied van een andere lidstaat of in een derde land een bijkantoor wenst te openen om er alle of een deel van de in artikel 3, 2° en 3° bedoelde beleggingsdiensten en/of -activiteiten en nevendiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de Bank daarvan in kennis.
Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, de financiële instrumenten waarop die diensten betrekking hebben, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.
De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 61 en 62 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de beursvennootschap.
De beslissing van de Bank moet uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de beursvennootschap. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de vennootschap.
Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, de financiële instrumenten waarop die diensten betrekking hebben, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.
De effectieve leiders van het bijkantoor en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken. De artikelen 61 en 62 zijn van overeenkomstige toepassing op de benoeming van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de beursvennootschap.
De beslissing van de Bank moet uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de beursvennootschap. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de vennootschap.
Art.98. La société de bourse qui projette d'ouvrir une succursale sur le territoire d'un autre Etat membre ou dans un pays tiers en vue d'exercer tout ou partie des services et/ou activités d'investissement et services auxiliaires visés à l'article 3, 2° et 3°, et qui lui sont autorisés en Belgique notifie son intention à la Banque.
Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d'opérations envisagées, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné, le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes, ainsi que les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires que la succursale envisage de fournir ou d'exercer, les instruments financiers sur lesquels portent ces services, et si la succursale prévoit de recourir à des agents liés.
Les dirigeants effectifs de la succursale ainsi que ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. Les articles 61 et 62 sont applicables par analogie à la nomination des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l'ouverture de la succursale sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de la société de bourse.
La décision de la Banque doit être notifiée à la société de bourse par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 2. Si la Banque n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de la société.
Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d'opérations envisagées, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné, le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes, ainsi que les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires que la succursale envisage de fournir ou d'exercer, les instruments financiers sur lesquels portent ces services, et si la succursale prévoit de recourir à des agents liés.
Les dirigeants effectifs de la succursale ainsi que ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction. Les articles 61 et 62 sont applicables par analogie à la nomination des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes.
La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de l'ouverture de la succursale sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de la société de bourse.
La décision de la Banque doit être notifiée à la société de bourse par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard trois mois après la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 2. Si la Banque n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de la société.
Art.99. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor een lidstaat is, deelt de Bank, indien zij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 98, § 1, vierde of vijfde lid, aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat, binnen drie maanden na ontvangst van alle door artikel 98, § 1, tweede lid vereiste gegevens, de overeenkomstig deze bepalingen ontvangen gegevens mee.
De Bank verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst nadere gegevens over de beleggersbeschermingsregeling waaraan de beursvennootschap deelneemt overeenkomstig artikel 274. Eventuele wijzigingen in die gegevens worden door de Bank aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeeld.
De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving.
De Bank verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst nadere gegevens over de beleggersbeschermingsregeling waaraan de beursvennootschap deelneemt overeenkomstig artikel 274. Eventuele wijzigingen in die gegevens worden door de Bank aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeeld.
De Bank brengt de FSMA binnen dezelfde termijn op de hoogte van deze kennisgeving.
Art.99. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale est un Etat membre, la Banque, si elle ne s'est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l'article 98, § 1er, alinéa 4 ou 5, communique à l'autorité compétente de l'Etat concerné dans les trois mois de la réception de toutes les informations requises par l'article 98, § 1er, alinéa 2, les informations reçues en vertu de cette disposition.
La Banque communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil des renseignements détaillés sur le système de protection des investisseurs auquel la société de bourse est affiliée conformément à l'article 274. En cas de modification de ces informations, la Banque en avise l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
La Banque avise la FSMA dans le même délai de cette communication d'informations.
La Banque communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil des renseignements détaillés sur le système de protection des investisseurs auquel la société de bourse est affiliée conformément à l'article 274. En cas de modification de ces informations, la Banque en avise l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
La Banque avise la FSMA dans le même délai de cette communication d'informations.
Art.100. Wanneer het vestigingsland van het bijkantoor geen lidstaat is, kan de Bank in overleg met de betrokken autoriteit van een derde land, regels vaststellen voor de opening van en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling, in voorkomend geval met naleving van het bepaalde in Hoofdstuk IV/1, Afdeling 4 van de wet van 22 februari 1998.
Art.100. Lorsque l'Etat d'implantation de la succursale n'est pas un Etat membre, la Banque peut convenir avec l'autorité de pays tiers concernée, des modalités d'ouverture et de contrôle de la succursale ainsi que des échanges d'informations souhaitables, le cas échéant, dans le respect des dispositions du Chapitre IV/1, Section 4, de la loi du 22 février 1998.
Art.101. Indien de beursvennootschap een beroep wenst te doen op verbonden agenten die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gevestigd, om in die lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, stelt zij de Bank daarvan in kennis en verstrekt zij haar een programma van werkzaamheden, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat, de identiteitsgegevens van de verbonden agenten waarop zij van plan is een beroep te doen, evenals een beschrijving van het beoogde gebruik van die verbonden agenten en van de organisatiestructuur, waarbij wordt aangegeven hoe de verbonden agenten hierin passen, met opgave van de rapporteringslijnen en de namen van de personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verbonden agenten.
Artikel 98, § 1, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Tenzij de Bank zich verzet tegen de uitvoering van het project, deelt zij alle in het eerste lid bedoelde gegevens mee aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met de in het eerste lid bedoelde gegevens. De bepalingen van Titel I van Boek III van deze wet die betrekking hebben op de bijkantoren, zijn op de verbonden agenten van toepassing.
Artikel 98, § 1, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Tenzij de Bank zich verzet tegen de uitvoering van het project, deelt zij alle in het eerste lid bedoelde gegevens mee aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier met de in het eerste lid bedoelde gegevens. De bepalingen van Titel I van Boek III van deze wet die betrekking hebben op de bijkantoren, zijn op de verbonden agenten van toepassing.
Art.101. Lorsque la société de bourse souhaite recourir à des agents liés établis sur le territoire d'un autre Etat membre pour fournir des services et/ou des activités d'investissement et des services auxiliaires dans cet Etat membre, elle en informe la Banque et lui communique un programme d'activité, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné, l'identité des agents liés auxquels elle entend recourir, ainsi qu'une description du recours prévu à ces agents liés et de la structure organisationnelle dans laquelle ils s'insèrent, notamment les voix hiérarchiques, en ce compris le nom des personnes directement responsables des agents liés.
L'article 98, § 1er, alinéas 4 et 5 est applicable.
Sauf si la Banque s'oppose à la réalisation du projet, elle communique toutes les informations visées à l'alinéa 1er à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné dans les trois mois de la réception du dossier complet comprenant les informations visées à l'alinéa 1er. Les agents liés sont soumis aux dispositions du Titre Ier du Livre III de la présente loi relatives aux succursales.
L'article 98, § 1er, alinéas 4 et 5 est applicable.
Sauf si la Banque s'oppose à la réalisation du projet, elle communique toutes les informations visées à l'alinéa 1er à l'autorité compétente de l'Etat membre concerné dans les trois mois de la réception du dossier complet comprenant les informations visées à l'alinéa 1er. Les agents liés sont soumis aux dispositions du Titre Ier du Livre III de la présente loi relatives aux succursales.
Art.102. Iedere beursvennootschap die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de Bank en de bevoegde autoriteiten van de staat van ontvangst ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de overeenkomstig artikel 98, § 1, tweede lid verstrekte gegevens.
Artikel 98, § 1, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 99, naargelang van de wijzigingen in de in artikel 98, § 1, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende beleggersbeschermingsregeling bedoeld in artikel 99, tweede lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de wijzigingen in de gegevens bedoeld in artikel 101, eerste lid.
Artikel 98, § 1, vierde en vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing, alsook artikel 99, naargelang van de wijzigingen in de in artikel 98, § 1, tweede lid bedoelde gegevens of in de geldende beleggersbeschermingsregeling bedoeld in artikel 99, tweede lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de wijzigingen in de gegevens bedoeld in artikel 101, eerste lid.
Art.102. La société de bourse qui a ouvert une succursale à l'étranger informe la Banque et les autorités compétentes de l'Etat d'accueil, au moins un mois à l'avance, des modifications affectant les informations communiquées en vertu de l'article 98, § 1er, alinéa 2.
L'article 98, § 1er, alinéas 4 et 5, est applicable s'il y a lieu, ainsi que l'article 99, en fonction des modifications relatives aux informations visées à l'article 98, § 1er, alinéa 2 ou au système de protection des investisseurs applicable visé à l'article 99, alinéa 2.
L'alinéa 1er est applicable par analogie, en ce qui concerne des modifications aux informations visées à l'article 101, alinéa 1er.
L'article 98, § 1er, alinéas 4 et 5, est applicable s'il y a lieu, ainsi que l'article 99, en fonction des modifications relatives aux informations visées à l'article 98, § 1er, alinéa 2 ou au système de protection des investisseurs applicable visé à l'article 99, alinéa 2.
L'alinéa 1er est applicable par analogie, en ce qui concerne des modifications aux informations visées à l'article 101, alinéa 1er.
Onderafdeling II. - Vrij verrichten van beleggingsdiensten in het buitenland
Sous-section II. - Exercice de la libre prestation de services d'investissement à l'étranger
Art.103. § 1. Elke beursvennootschap die op het grondgebied van een andere lidstaat, zonder er een bijkantoor te vestigen, voor het eerst alle of een deel van de in artikel 3, 2° en 3° bedoelde beleggingsdiensten en/of -activiteiten of nevendiensten wenst te verrichten die zij in België mag verrichten, of die haar aanbod aan diensten of activiteiten wenst uit te breiden, verstrekt aan de Bank de volgende informatie:
1° de lidstaat waar zij voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;
2° een programma van werkzaamheden waarin met name wordt aangegeven welke beleggingsdiensten en/of -activiteiten en nevendiensten zij voornemens is te verrichten, op welke financiële instrumenten die diensten betrekking hebben, alsook of zij van plan is om op het grondgebied van de lidstaat een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten, in welk geval zij de identiteitsgegevens van die verbonden agenten aan de Bank meedeelt.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de beursvennootschap.
De beslissing van de Bank moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de beursvennootschap. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de vennootschap.
§ 2. Indien de beursvennootschap van plan is een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten om op het grondgebied van een andere lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, deelt zij de identiteitsgegevens van deze agenten mee aan de Bank.
De Bank deelt deze gegevens uiterlijk een maand na ontvangst ervan mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.
§ 3. Dit artikel is van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in een derde land.
1° de lidstaat waar zij voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;
2° een programma van werkzaamheden waarin met name wordt aangegeven welke beleggingsdiensten en/of -activiteiten en nevendiensten zij voornemens is te verrichten, op welke financiële instrumenten die diensten betrekking hebben, alsook of zij van plan is om op het grondgebied van de lidstaat een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten, in welk geval zij de identiteitsgegevens van die verbonden agenten aan de Bank meedeelt.
De Bank kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de grensoverschrijdende dienstverlening op de organisatie, de financiële positie of het toezicht van de beursvennootschap.
De beslissing van de Bank moet uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het volledige dossier met alle in het eerste lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis worden gebracht van de beursvennootschap. Indien de Bank haar beslissing niet binnen deze termijn ter kennis heeft gebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te maken tegen het project van de vennootschap.
§ 2. Indien de beursvennootschap van plan is een beroep te doen op in België gevestigde verbonden agenten om op het grondgebied van een andere lidstaat beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten, deelt zij de identiteitsgegevens van deze agenten mee aan de Bank.
De Bank deelt deze gegevens uiterlijk een maand na ontvangst ervan mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.
§ 3. Dit artikel is van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in een derde land.
Art.103. § 1er. La société de bourse qui souhaite, sans y établir une succursale, fournir ou exercer pour la première fois sur le territoire d'un autre Etat membre tout ou partie des services et/ou activités d'investissement ou services auxiliaires visés à l'article 3, 2° en 3°, qu'elle est autorisée à fournir ou exercer en Belgique, ou qui souhaite étendre la gamme des services fournis ou des activités exercées, communique les informations suivantes à la Banque :
1° l'Etat membre dans lequel elle envisage d'opérer ;
2° un programme d'activités mentionnant, en particulier, les services et/ou activités d'investissement ainsi que les services auxiliaires qu'elle entend fournir, les instruments financiers sur lesquels portent ces services, et si elle prévoit de recourir, sur le territoire de l'Etat membre, à des agents liés établis en Belgique, auquel cas elle communique à la Banque l'identité de ces agents liés.
La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de la prestation transfrontalière de services sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de la société de bourse.
La décision de la Banque doit être notifiée à la société de bourse par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard dans le mois de la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 1er. Si la Banque n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de la société.
§ 2. Si la société de bourse envisage de recourir à des agents liés établis en Belgique, pour fournir des services et/ou des activités d'investissement et des services auxiliaires sur le territoire d'un autre Etat membre, elle communique l'identité de ces agents liés à la Banque.
La Banque communique cette information à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans le mois suivant la réception de cette information.
§ 3. Le présent article est applicable à l'exercice d'activités dans un pays tiers.
1° l'Etat membre dans lequel elle envisage d'opérer ;
2° un programme d'activités mentionnant, en particulier, les services et/ou activités d'investissement ainsi que les services auxiliaires qu'elle entend fournir, les instruments financiers sur lesquels portent ces services, et si elle prévoit de recourir, sur le territoire de l'Etat membre, à des agents liés établis en Belgique, auquel cas elle communique à la Banque l'identité de ces agents liés.
La Banque peut s'opposer à la réalisation du projet par décision motivée par les répercussions préjudiciables de la prestation transfrontalière de services sur l'organisation, la situation financière ou le contrôle de la société de bourse.
La décision de la Banque doit être notifiée à la société de bourse par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception au plus tard dans le mois de la réception du dossier complet comprenant les informations prévues à l'alinéa 1er. Si la Banque n'a pas notifié de décision dans ce délai, elle est réputée ne pas s'opposer au projet de la société.
§ 2. Si la société de bourse envisage de recourir à des agents liés établis en Belgique, pour fournir des services et/ou des activités d'investissement et des services auxiliaires sur le territoire d'un autre Etat membre, elle communique l'identité de ces agents liés à la Banque.
La Banque communique cette information à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans le mois suivant la réception de cette information.
§ 3. Le présent article est applicable à l'exercice d'activités dans un pays tiers.
Art.104. Indien zij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het project overeenkomstig artikel 103, deelt de Bank aan de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van ontvangst onverwijld de in dit artikel bedoelde kennisgeving mee.
Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA.
Binnen dezelfde termijn doet de Bank tevens mededeling van de betrokken informatie aan de FSMA.
Art.104. Si elle ne s'est pas opposée à la réalisation du projet conformément à l'article 103, la Banque communique sans délai, la notification prévue par cet article à l'autorité compétente de l'Etat d'accueil considéré.
La Banque communique, dans le même délai, la notification en question à la FSMA.
La Banque communique, dans le même délai, la notification en question à la FSMA.
Art.105. In geval van wijziging van een van de overeenkomstig artikel 103 verstrekte gegevens stelt de beursvennootschap de Bank daar schriftelijk van in kennis, en dit ten minste een maand voordat de wijziging plaatsvindt.
De Bank stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en, in voorkomend geval, de FSMA, in kennis van de wijziging.
De Bank stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en, in voorkomend geval, de FSMA, in kennis van de wijziging.
Art.105. En cas de modification de l'une des informations communiquées conformément à l'article 103, la société de bourse en avise par écrit la Banque, au moins un mois avant de mettre ladite modification en oeuvre.
La Banque informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil et, le cas échéant, la FSMA de la modification.
La Banque informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil et, le cas échéant, la FSMA de la modification.
HOOFDSTUK VI. - Reglementaire normen en verplichtingen
CHAPITRE VI. - Des normes et obligations réglementaires
Afdeling I. - Prospectief beheer van eigen vermogen en liquiditeit
Section Ière. - Gestion prospective des fonds propres et de la liquidité
Art.106. § 1. Elke beursvennootschap moet over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften beschikken.
§ 2. Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de beursvennootschap, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de vennootschap identificeert en bepaalt.
Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de vennootschap, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de vennootschap, evenals met de risico's die de vennootschap kan inhouden voor derden.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.
De Bank kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
§ 2. Daartoe legt het wettelijk bestuursorgaan een beleid vast voor het prospectieve beheer van de eigenvermogensvereisten en van de liquiditeit van de beursvennootschap, dat de huidige en toekomstige eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften van de vennootschap identificeert en bepaalt.
Dit beleid houdt rekening met de aard, de omvang en de kenmerken van de werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden van de vennootschap, met de daaraan verbonden risico's en met het risicobeheerbeleid van de vennootschap, evenals met de risico's die de vennootschap kan inhouden voor derden.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beleid wordt uitgevoerd door de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijk bestuursorgaan. Het wordt regelmatig geëvalueerd door het wettelijk bestuursorgaan, dat het zo nodig actualiseert.
De Bank kan de frequentie en de modaliteiten van deze evaluatie nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Art.106. § 1er. Les sociétés de bourse doivent disposer d'une politique concernant leurs besoins en fonds propres et en liquidité qui soit appropriée aux activités qu'elles exercent ou entendent exercer.
§ 2. A cette fin, l'organe légal d'administration définit une politique de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de la société de bourse, qui identifie et détermine les besoins en fonds propres et de liquidité actuels et futurs de la société.
Cette politique tient compte de la nature, du volume et des caractéristiques des activités exercées par la société ou qu'elle entend exercer, des risques y afférents et de la politique de gestion des risques de la société, ainsi que des risques que la société peut faire peser sur des tiers.
§ 3. La politique visée au paragraphe 1er est mise en oeuvre par les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, sous la surveillance de l'organe légal d'administration. Elle fait l'objet d'une évaluation régulière par l'organe légal d'administration, qui procède si nécessaire à sa mise à jour.
La Banque peut préciser la fréquence et les modalités de cette évaluation, le cas échéant, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 2. A cette fin, l'organe légal d'administration définit une politique de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de la société de bourse, qui identifie et détermine les besoins en fonds propres et de liquidité actuels et futurs de la société.
Cette politique tient compte de la nature, du volume et des caractéristiques des activités exercées par la société ou qu'elle entend exercer, des risques y afférents et de la politique de gestion des risques de la société, ainsi que des risques que la société peut faire peser sur des tiers.
§ 3. La politique visée au paragraphe 1er est mise en oeuvre par les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, sous la surveillance de l'organe légal d'administration. Elle fait l'objet d'une évaluation régulière par l'organe légal d'administration, qui procède si nécessaire à sa mise à jour.
La Banque peut préciser la fréquence et les modalités de cette évaluation, le cas échéant, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998.
Afdeling II. - Reglementeringsbevoegdheid van de Bank
Section II. - Pouvoir réglementaire de la Banque
Art.107. Onverminderd de bepalingen van Verordening 2019/2033 kan de Bank bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 het volgende bepalen:
a) de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle beursvennootschappen of per categorie van beursvennootschappen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening 2019/2033;
b) de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening 2019/2033, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze verordeningen worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde verordeningen en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die verordeningen;
c) de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie.
De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn.
a) de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie en andere begrenzingsnormen die door alle beursvennootschappen of per categorie van beursvennootschappen moeten worden nageleefd, wanneer deze normen niet bepaald zijn in Verordening 2019/2033;
b) de toepassingsmodaliteiten van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit en risicoconcentratie bepaald in Verordening 2019/2033, met inbegrip van de toepassingsmodaliteiten van de verschillende opties die door deze verordeningen worden geboden aan de lidstaten en aan de Bank als bevoegde autoriteit, rekening houdend met de richtsnoeren die worden bepaald door de Europese Bankautoriteit in verband met de genoemde verordeningen en de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie worden vastgesteld met toepassing van die verordeningen;
c) de waarderingsregels die gelden voor de waardering van de activa, de passiva en de posten die niet in de balans zijn opgenomen voor de controle van de naleving van de normen inzake solvabiliteit, liquiditeit of risicoconcentratie.
De in dit artikel bedoelde normen kunnen zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve aard zijn.
Art.107. Sans préjudice des dispositions du Règlement 2019/2033, la Banque peut déterminer par règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998 :
a) les normes en matière de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques et les autres normes de limitation à respecter par toutes les sociétés de bourse ou par catégorie de sociétés de bourse, lorsque ces normes ne sont pas définies par le Règlement 2019/2033 ;
b) les modalités d'application des normes de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques prévues par le Règlement 2019/2033, y inclus les modalités d'application des différentes options offertes par ces règlements aux Etats membres et à la Banque en tant qu'autorité compétente, tenant compte des lignes directrices définies par l'Autorité bancaire européenne en relation avec lesdits règlements et les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application desdits règlements ;
c) les règles d'évaluation applicables à la valorisation des actifs, des passifs et des éléments hors bilan pour la vérification du respect des normes de solvabilité, de liquidité ou de concentration des risques.
Les normes visées au présent article peuvent aussi bien être de nature quantitative que de nature qualitative.
a) les normes en matière de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques et les autres normes de limitation à respecter par toutes les sociétés de bourse ou par catégorie de sociétés de bourse, lorsque ces normes ne sont pas définies par le Règlement 2019/2033 ;
b) les modalités d'application des normes de solvabilité, de liquidité et de concentration des risques prévues par le Règlement 2019/2033, y inclus les modalités d'application des différentes options offertes par ces règlements aux Etats membres et à la Banque en tant qu'autorité compétente, tenant compte des lignes directrices définies par l'Autorité bancaire européenne en relation avec lesdits règlements et les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne en application desdits règlements ;
c) les règles d'évaluation applicables à la valorisation des actifs, des passifs et des éléments hors bilan pour la vérification du respect des normes de solvabilité, de liquidité ou de concentration des risques.
Les normes visées au présent article peuvent aussi bien être de nature quantitative que de nature qualitative.
Afdeling III. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Section III. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.108. Bij wijze van uitzondering op dit hoofdstuk zijn de artikelen 94 tot en met 105 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.108. Par exception au présent Chapitre, les articles 94 à 105 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante, étant entendu que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
HOOFDSTUK VII. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
CHAPITRE VII. - Des informations périodiques et des règles comptables
Art.109. § 1. De beursvennootschappen leggen hun jaarrekening neer bij de Bank.
De Koning bepaalt op advies van de Bank:
1° volgens welke regels de beursvennootschappen hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken;
2° de regels die door de beursvennootschappen moeten worden nageleefd voor het opmaken, controleren en openbaar maken van hun geconsolideerde jaarrekening, alsook voor het opmaken en openbaar maken van het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.
§ 2. De beursvennootschappen leggen aan de Bank periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van Verordening 2019/2033 zijn nageleefd.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, in voorkomend geval het directiecomité, verklaren aan de Bank dat de in het eerste lid bedoelde periodieke staten die de vennootschap haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten
- volledig zijn; zij bevatten alle gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij worden opgesteld, en
- juist zijn; zij stemmen exact overeen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, bevestigen het nodige te hebben gedaan opdat de in het eerste lid bedoelde staten opgemaakt zijn volgens de richtlijnen van de Bank en met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
§ 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de vennootschap als jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van de ter uitvoering van paragraaf 1, tweede lid vastgestelde bepalingen.
Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd, al naargelang het geval, op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
§ 4. Voor bepaalde categorieën van beursvennootschappen of in bijzondere gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de in paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, eerste lid bedoelde regels.
§ 5. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de beursvennootschappen via hun representatieve beroepsverenigingen.
§ 6. Bij wijze van uitzondering op dit artikel, is artikel 106 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
De Koning bepaalt op advies van de Bank:
1° volgens welke regels de beursvennootschappen hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken;
2° de regels die door de beursvennootschappen moeten worden nageleefd voor het opmaken, controleren en openbaar maken van hun geconsolideerde jaarrekening, alsook voor het opmaken en openbaar maken van het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de toepassingsmodaliteiten vastleggen van de regels bepaald in de in het tweede lid bedoelde koninklijke besluiten.
§ 2. De beursvennootschappen leggen aan de Bank periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de Bank, die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de Bank voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan of van Verordening 2019/2033 zijn nageleefd.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de beursvennootschap, in voorkomend geval het directiecomité, verklaren aan de Bank dat de in het eerste lid bedoelde periodieke staten die de vennootschap haar aan het einde van het eerste halfjaar en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe moeten de periodieke staten
- volledig zijn; zij bevatten alle gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan zij worden opgesteld, en
- juist zijn; zij stemmen exact overeen met de gegevens uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld.
De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, bevestigen het nodige te hebben gedaan opdat de in het eerste lid bedoelde staten opgemaakt zijn volgens de richtlijnen van de Bank en met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
§ 3. De leden van het wettelijk bestuursorgaan zijn zowel jegens de vennootschap als jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van de overtreding van de ter uitvoering van paragraaf 1, tweede lid vastgestelde bepalingen.
Wat de overtredingen betreft waaraan zij geen deel hebben gehad, worden de leden van het wettelijk bestuursorgaan slechts van de in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hen geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd, al naargelang het geval, op de eerste algemene vergadering of de eerstkomende zitting van het wettelijk bestuursorgaan nadat zij er kennis van hebben gekregen.
§ 4. Voor bepaalde categorieën van beursvennootschappen of in bijzondere gevallen kan de Bank afwijkingen toestaan van de in paragraaf 1, tweede lid en paragraaf 2, eerste lid bedoelde regels.
§ 5. De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de beursvennootschappen via hun representatieve beroepsverenigingen.
§ 6. Bij wijze van uitzondering op dit artikel, is artikel 106 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.109. § 1er. Les sociétés de bourse déposent leurs comptes annuels à la Banque.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque :
1° les règles selon lesquelles les sociétés de bourse tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent leurs comptes annuels ;
2° les règles à respecter par les sociétés de bourse pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d'application des règles définies par les arrêtés royaux visés à l'alinéa 2.
§ 2. Les sociétés de bourse communiquent périodiquement à la Banque une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ou du Règlement 2019/2033.
Les personnes participant à la direction effective de la société de bourse, le cas échéant le comité de direction, déclarent à la Banque que les états périodiques visés à l'alinéa 1er qui lui sont transmis par la société à la fin du premier semestre social et à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. A cet effet, les états périodiques sont :
- complets ; ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et
- corrects ; ils concordent exactement avec la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, confirment avoir fait le nécessaire pour que les états visés à l'alinéa 1er soient établis selon les instructions de la Banque, ainsi qu'en application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
§ 3. Les membres de l'organe légal d'administration sont solidairement responsables aussi bien envers la société qu'envers les tiers, de tous dommages et intérêts résultant d'infractions aux dispositions prises en exécution du paragraphe 1er, alinéa 2.
En ce qui concerne les infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les membres de l'organe légal d'administration ne sont déchargés de la responsabilité visée à l'alinéa 1er que si aucune faute ne leur est imputable et s'ils ont dénoncé ces infractions selon le cas, lors de la première assemblée générale ou lors de la première séance de l'organe légal d'administration suivant le moment où ils en ont eu connaissance.
§ 4. La Banque peut, pour certaines catégories de sociétés de bourse ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles prévues aux paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 5. Les arrêtés et règlements prévus au présent article sont pris après consultation des sociétés de bourse représentées par leurs associations professionnelles.
§ 6. Par exception au présent article, l'article 106 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Le Roi détermine, sur avis de la Banque :
1° les règles selon lesquelles les sociétés de bourse tiennent leur comptabilité, procèdent aux évaluations d'inventaire et établissent leurs comptes annuels ;
2° les règles à respecter par les sociétés de bourse pour l'établissement, le contrôle et la publication de leurs comptes consolidés, ainsi que pour l'établissement et la publication des rapports de gestion et de contrôle relatifs à ces comptes consolidés.
La Banque peut, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités d'application des règles définies par les arrêtés royaux visés à l'alinéa 2.
§ 2. Les sociétés de bourse communiquent périodiquement à la Banque une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par la Banque, qui en détermine également la fréquence. La Banque peut, en outre, prescrire la transmission régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci ou du Règlement 2019/2033.
Les personnes participant à la direction effective de la société de bourse, le cas échéant le comité de direction, déclarent à la Banque que les états périodiques visés à l'alinéa 1er qui lui sont transmis par la société à la fin du premier semestre social et à la fin de l'exercice social, sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. A cet effet, les états périodiques sont :
- complets ; ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et
- corrects ; ils concordent exactement avec la comptabilité et les inventaires sur la base desquels ils sont établis.
Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, confirment avoir fait le nécessaire pour que les états visés à l'alinéa 1er soient établis selon les instructions de la Banque, ainsi qu'en application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels, ou, s'agissant des états périodiques qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice.
§ 3. Les membres de l'organe légal d'administration sont solidairement responsables aussi bien envers la société qu'envers les tiers, de tous dommages et intérêts résultant d'infractions aux dispositions prises en exécution du paragraphe 1er, alinéa 2.
En ce qui concerne les infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les membres de l'organe légal d'administration ne sont déchargés de la responsabilité visée à l'alinéa 1er que si aucune faute ne leur est imputable et s'ils ont dénoncé ces infractions selon le cas, lors de la première assemblée générale ou lors de la première séance de l'organe légal d'administration suivant le moment où ils en ont eu connaissance.
§ 4. La Banque peut, pour certaines catégories de sociétés de bourse ou dans des cas particuliers, autoriser des dérogations aux règles prévues aux paragraphe 1er, alinéa 2 et paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 5. Les arrêtés et règlements prévus au présent article sont pris après consultation des sociétés de bourse représentées par leurs associations professionnelles.
§ 6. Par exception au présent article, l'article 106 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Art.110. De Bank publiceert periodiek en ten minste viermaal per jaar een totaalstaat voor de beursvennootschappen volgens de regels die zij vaststelt na raadpleging van de beursvennootschappen via hun representatieve beroepsverenigingen.
Art.110. La Banque publie périodiquement et au moins quatre fois par an une situation globale des sociétés de bourse selon les règles qu'elle arrête après consultation des sociétés de bourse représentées par leurs associations professionnelles.
HOOFDSTUK VIII. - Herstelplannen
CHAPITRE VIII. - Plans de redressement
Afdeling I. - Opmaak van herstelplannen
Section Ière. - Etablissement des plans de redressement
Art.111. § 1. De in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen waarvoor geen groepsherstelplan wordt opgesteld, stellen een herstelplan op met maatregelen die door de vennootschappen kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van hun financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseren dit plan. Het herstelplan vermeldt ook de mogelijke maatregelen die de beursvennootschappen moeten nemen als aan de voorwaarden bedoeld in artikel 202, § 1 voor het opleggen van herstelmaatregelen is voldaan.
De in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen delen het herstelplan mee aan de Bank.
§ 2. Beursvennootschappen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3 of artikel 436, § 3 van de wet van 25 april 2014 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van richtlijn 2014/59/EU.
De in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen delen het herstelplan mee aan de Bank.
§ 2. Beursvennootschappen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3 of artikel 436, § 3 van de wet van 25 april 2014 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van richtlijn 2014/59/EU.
Art.111. § 1er. Les sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2 pour lesquelles il n'est pas établi de plan de redressement de groupe établissent et tiennent à jour un plan de redressement prévoyant les mesures susceptibles d'être mises en oeuvre par les sociétés afin de rétablir leur situation financière à la suite d'une détérioration significative de celle-ci. Le plan de redressement prévoit également les mesures susceptibles d'être prises par la société de bourse dès lors que les conditions visées à l'article 202, § 1er, pour l'adoption de mesures de redressement sont réunies.
Les sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2 communiquent le plan de redressement à la Banque.
§ 2. Les sociétés de bourse pour lesquelles il est établi un plan de redressement de groupe doivent établir un plan de redressement individuel conformément aux articles 435, § 1er ou § 3 ou 436, § 3 de la loi du 25 avril 2014 ou tel que visé à l'article 8, paragraphes 2 ou 4, de la directive 2014/59/UE si les autorités compétentes en ont ainsi disposé.
Les sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2 communiquent le plan de redressement à la Banque.
§ 2. Les sociétés de bourse pour lesquelles il est établi un plan de redressement de groupe doivent établir un plan de redressement individuel conformément aux articles 435, § 1er ou § 3 ou 436, § 3 de la loi du 25 avril 2014 ou tel que visé à l'article 8, paragraphes 2 ou 4, de la directive 2014/59/UE si les autorités compétentes en ont ainsi disposé.
Art.112. Het herstelplan houdt rekening met verschillende scenario's van ernstige macro-economische of financiële crisis, waaronder systeembrede gebeurtenissen, crises die specifiek zijn aan de beursvennootschap, en, in voorkomend geval, crises waarbij entiteiten van de groep waarvan de beursvennootschap deel uitmaakt, betrokken zijn.
Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de beursvennootschap een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de beursvennootschap daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.
Het herstelplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun maar bevat in voorkomend geval een analyse van hoe en wanneer de beursvennootschap een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken. Het plan bepaalt welke activa van de beursvennootschap daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen.
Art.112. Le plan de redressement envisage différents scénarios de crise macro-économique ou financière grave, y compris des événements d'ampleur systémique, des crises spécifiques à la société de bourse et, le cas échéant, des crises impliquant des entités du groupe dont la société de bourse fait partie.
Le plan de redressement n'envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics mais comporte, le cas échéant, une analyse indiquant comment et à quel moment la société de bourse pourrait recourir aux facilités des banques centrales. Le plan répertorie les actifs de la société de bourse qui pourraient être éligibles comme sûretés à cet effet.
Le plan de redressement n'envisage aucun soutien financier exceptionnel des pouvoirs publics mais comporte, le cas échéant, une analyse indiquant comment et à quel moment la société de bourse pourrait recourir aux facilités des banques centrales. Le plan répertorie les actifs de la société de bourse qui pourraient être éligibles comme sûretés à cet effet.
Art.113. § 1. Het herstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de beursvennootschap, met aanduiding van de momenten waarop de vennootschap onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd.
Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
§ 2. De beursvennootschap kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht:
1° maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
2° geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
De beursvennootschap stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
§ 3. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet haar toekent, kan de Bank de beursvennootschap opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de vennootschap nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.
Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure.
§ 2. De beursvennootschap kan, wanneer haar wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht:
1° maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;
2° geen maatregelen nemen in het kader van haar herstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald.
De beursvennootschap stelt de Bank onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van haar herstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald.
§ 3. Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet haar toekent, kan de Bank de beursvennootschap opdragen om een of meer in haar herstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de vennootschap nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen.
Art.113. § 1er. Le plan de redressement comporte une matrice d'indicateurs quantitatifs et qualitatifs d'une détérioration potentielle de la situation financière de la société de bourse, avec indication des moments auxquels la société examine si des mesures correctrices prévues dans le plan doivent être mises en oeuvre.
A cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l'évolution des indicateurs visés à l'alinéa 1er ainsi que pour l'examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l'éventuel processus d'escalade à suivre.
§ 2. La société de bourse peut, lorsque son organe légal d'administration le juge approprié au vu des circonstances :
1° prendre des mesures au titre de son plan de redressement alors qu'il n'est pas satisfait à l'indicateur correspondant ;
2° s'abstenir de prendre une mesure au titre de son plan de redressement alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
La société de bourse informe la Banque sans délai de toute décision de prendre une mesure dans le cadre de la mise en oeuvre de son plan de redressement ou de s'abstenir de prendre une telle mesure alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
§ 3. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont conférés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à la société de bourse de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son plan de redressement si la société reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative.
A cet effet, le plan de redressement définit des procédures appropriées pour le suivi régulier de l'évolution des indicateurs visés à l'alinéa 1er ainsi que pour l'examen des mesures correctrices à envisager, en ce compris l'éventuel processus d'escalade à suivre.
§ 2. La société de bourse peut, lorsque son organe légal d'administration le juge approprié au vu des circonstances :
1° prendre des mesures au titre de son plan de redressement alors qu'il n'est pas satisfait à l'indicateur correspondant ;
2° s'abstenir de prendre une mesure au titre de son plan de redressement alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
La société de bourse informe la Banque sans délai de toute décision de prendre une mesure dans le cadre de la mise en oeuvre de son plan de redressement ou de s'abstenir de prendre une telle mesure alors qu'il est satisfait à l'indicateur correspondant.
§ 3. Sans préjudice des autres pouvoirs qui lui sont conférés par la présente loi, la Banque peut enjoindre à la société de bourse de prendre une ou plusieurs mesures correctrices prévues dans son plan de redressement si la société reste en défaut de prendre les mesures adéquates de sa propre initiative.
Art.114. De beursvennootschap actualiseert het herstelplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in haar juridische of organisatiestructuur, haar werkzaamheden of haar financiële positie die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt.
In afwijking op het eerste lid, dienen de beursvennootschappen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de Bank gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.
De Bank kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de beursvennootschap eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de Bank een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 202, § 2.
In afwijking op het eerste lid, dienen de beursvennootschappen het herstelplan ten minste om de twee jaar te actualiseren indien hen vereenvoudigde verplichtingen werden toegestaan ingevolge de door de Bank gemaakte analyse met toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/348 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van het effect van het falen van een instelling op de financiële markten, op andere instellingen en op de financieringsvoorwaarden.
De Bank kan, wanneer de omstandigheden dit vereisen, van de beursvennootschap eisen dat zij haar herstelplan vaker actualiseert dan bepaald in de vorige leden. In elk geval eist de Bank een actualisering van het herstelplan indien de hypotheses die in het herstelplan zijn beschreven anders zijn dan de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het nemen van maatregelen bedoeld in artikel 202, § 2.
Art.114. La société de bourse actualise le plan de redressement au moins une fois par an et en toute hypothèse après toute modification de sa structure juridique ou organisationnelle, de ses activités ou de sa situation financière susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan ou qui impose de le modifier.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les sociétés de bourse sont tenues d'actualiser le plan de redressement au moins tous les deux ans si elles ont été autorisées à bénéficier d'obligations simplifiées à la suite de l'analyse opérée par la Banque en application du Règlement délégué (UE) n° 2019/348 de la Commission du 25 octobre 2018 complétant la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les critères à appliquer pour évaluer l'impact de la défaillance d'un établissement sur les marchés financiers, sur d'autres établissements et sur les conditions de financement.
La Banque peut, lorsque les circonstances le requièrent, exiger que la société de bourse actualise le plan de redressement plus fréquemment que ce qui est prévu aux alinéas précédents. La Banque exige en tout état de cause de la société de bourse qu'elle actualise le plan de redressement lorsque les hypothèses établies dans ledit plan de redressement diffèrent des circonstances ayant conduit à prendre les mesures visées à l'article 202, § 2.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les sociétés de bourse sont tenues d'actualiser le plan de redressement au moins tous les deux ans si elles ont été autorisées à bénéficier d'obligations simplifiées à la suite de l'analyse opérée par la Banque en application du Règlement délégué (UE) n° 2019/348 de la Commission du 25 octobre 2018 complétant la directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil par des normes techniques de réglementation précisant les critères à appliquer pour évaluer l'impact de la défaillance d'un établissement sur les marchés financiers, sur d'autres établissements et sur les conditions de financement.
La Banque peut, lorsque les circonstances le requièrent, exiger que la société de bourse actualise le plan de redressement plus fréquemment que ce qui est prévu aux alinéas précédents. La Banque exige en tout état de cause de la société de bourse qu'elle actualise le plan de redressement lorsque les hypothèses établies dans ledit plan de redressement diffèrent des circonstances ayant conduit à prendre les mesures visées à l'article 202, § 2.
Art.115. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 kan de Bank de nadere regels bepalen inzake:
1° de minimuminhoud van het herstelplan;
2° de informatie die door de beursvennootschappen aan de Bank moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
De Bank kan de vennootschappen verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij zijn.
1° de minimuminhoud van het herstelplan;
2° de informatie die door de beursvennootschappen aan de Bank moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren.
De Bank kan de vennootschappen verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij zijn.
Art.115. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut préciser :
1° le contenu minimal du plan de redressement ;
2° les informations à transmettre par les sociétés de bourse à la Banque et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.
La Banque peut exiger des sociétés de bourse qu'elles tiennent des registres détaillés des contrats financiers auxquels elles sont parties.
1° le contenu minimal du plan de redressement ;
2° les informations à transmettre par les sociétés de bourse à la Banque et la fréquence à laquelle celles-ci lui sont transmises.
La Banque peut exiger des sociétés de bourse qu'elles tiennent des registres détaillés des contrats financiers auxquels elles sont parties.
Art.116. § 1. De Bank kan een beursvennootschap toestaan af te wijken van de verplichtingen van deze Afdeling inzake de inhoud van het herstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de beursvennootschap alsmede van de termijn bepaald in artikel 117, § 2, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de beursvennootschap in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere beleggingsondernemingen of kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de Bank in het bijzonder rekening met de aard, de perimeter en de complexiteit van de werkzaamheden van de beursvennootschap, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, en ook haar verwevenheid met andere beleggingsondernemingen of kredietinstellingen en met haar impact op het financiële stelsel in het algemeen.
De Bank kan een afwijking die is toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Zij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken beursvennootschap.
§ 2. De Bank stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.
De Bank kan een afwijking die is toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Zij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken beursvennootschap.
§ 2. De Bank stelt de EBA in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van dit artikel heeft toegepast.
Art.116. § 1er. La Banque peut autoriser une société de bourse à déroger aux obligations prévues par la présente Section en matière de contenu du plan de redressement, de fréquence d'actualisation du plan ou d'informations à fournir par la société de bourse ainsi qu'au délai prévu à l'article 117, § 2, dans la mesure où une telle dérogation se justifie au regard de l'impact que la défaillance et la liquidation de la société de bourse dans le cadre d'une procédure de liquidation sont susceptibles d'avoir sur les marchés financiers, sur d'autres entreprises d'investissement ou des établissements de crédit, sur les conditions de financement ou plus généralement sur l'économie. A cet effet, la Banque tient compte notamment de la nature, du périmètre et de la complexité des activités de la société de bourse, de la structure de son actionnariat, de sa forme juridique, de son profil de risque, de sa taille et de son statut juridique, ainsi que de son interconnexion avec d'autres entreprises d'investissement ou des établissements de crédit et de son impact sur le système financier considéré dans son ensemble.
La Banque peut à tout moment retirer le bénéfice d'une dérogation accordée en application de l'alinéa 1er. Elle évalue la nécessité et l'opportunité de maintenir les dérogations accordées au moins une fois par an et après une modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière de la société de bourse concernée.
§ 2. La Banque informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions du présent article.
La Banque peut à tout moment retirer le bénéfice d'une dérogation accordée en application de l'alinéa 1er. Elle évalue la nécessité et l'opportunité de maintenir les dérogations accordées au moins une fois par an et après une modification de la structure juridique ou organisationnelle, des activités ou de la situation financière de la société de bourse concernée.
§ 2. La Banque informe l'ABE de la manière dont elle a appliqué les dispositions du présent article.
Afdeling II. - Beoordeling van herstelplannen
Section II. - Evaluation des plans de redressement
Art.117. § 1. Het herstelplan wordt door het wettelijk bestuursorgaan van de beursvennootschap onderzocht en goedgekeurd alvorens het aan de Bank wordt voorgelegd.
§ 2. De beursvennootschap legt haar eerste herstelplan aan de Bank voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning.
Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de beursvennootschap aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de beursvennootschap die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de beursvennootschap de Bank hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt meegedeeld.
§ 3. De Bank bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.
De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de Bank over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de beursvennootschap negatief kunnen beïnvloeden.
§ 2. De beursvennootschap legt haar eerste herstelplan aan de Bank voor binnen zes maanden vanaf de datum van haar vergunning.
Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de beursvennootschap aan de Bank een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de Bank deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden.
Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de beursvennootschap die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de beursvennootschap de Bank hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de Bank wordt meegedeeld.
§ 3. De Bank bezorgt het herstelplan en elk geactualiseerd plan aan de afwikkelingsautoriteit.
De afwikkelingsautoriteit kan binnen dertig dagen na ontvangst van het plan aanbevelingen richten aan de Bank over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de beursvennootschap negatief kunnen beïnvloeden.
Art.117. § 1er. Le plan de redressement est examiné et approuvé par l'organe légal d'administration de la société de bourse avant qu'il ne soit soumis à la Banque.
§ 2. La société de bourse soumet son premier plan de redressement à la Banque dans les six mois à compter de la date de son agrément.
Sous réserve de ce qui est prévu à l'alinéa 3, la société de bourse soumet un plan actualisé à la Banque dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan, étant entendu que la Banque peut étendre ce délai jusqu'à six mois.
Dans l'hypothèse où le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de la société de bourse susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui communique la Banque.
§ 3. La Banque transmet le plan de redressement et chaque plan actualisé à l'autorité de résolution.
L'autorité de résolution peut, dans les trente jours de la réception du plan, formuler à l'intention de la Banque des recommandations sur les mesures prévues par le plan qui sont susceptibles d'avoir une incidence négative sur la résolvabilité de la société de bourse.
§ 2. La société de bourse soumet son premier plan de redressement à la Banque dans les six mois à compter de la date de son agrément.
Sous réserve de ce qui est prévu à l'alinéa 3, la société de bourse soumet un plan actualisé à la Banque dans les deux mois qui suivent le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan, étant entendu que la Banque peut étendre ce délai jusqu'à six mois.
Dans l'hypothèse où le fait ayant donné naissance à l'obligation de mise à jour du plan est une modification de la situation financière de la société de bourse susceptible d'avoir un impact significatif sur le plan, celle-ci en informe la Banque sans délai et soumet un plan actualisé dans le délai que lui communique la Banque.
§ 3. La Banque transmet le plan de redressement et chaque plan actualisé à l'autorité de résolution.
L'autorité de résolution peut, dans les trente jours de la réception du plan, formuler à l'intention de la Banque des recommandations sur les mesures prévues par le plan qui sont susceptibles d'avoir une incidence négative sur la résolvabilité de la société de bourse.
Art.118. § 1. Binnen zes maanden na ontvangst van het herstelplan onderzoekt de Bank dit plan en beoordeelt zij of het voldoet aan de vereisten bepaald door of krachtens de artikelen 111 tot en met 116.
Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:
1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de beursvennootschap of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de vennootschap heeft getroffen of voornemens is te treffen;
2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.
Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de beursvennootschap in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de beursvennootschap daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan deze termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen.
§ 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan zij de beursvennootschap gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de vennootschap, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.
Hierbij evalueert de Bank inzonderheid of het herstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat:
1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de beursvennootschap of de groep waarvan zij deel uitmaakt, in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de vennootschap heeft getroffen of voornemens is te treffen;
2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere instellingen.
Bij haar evaluatie van het herstelplan besteedt de Bank bijzondere aandacht aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de beursvennootschap in verhouding tot de graad van complexiteit van haar organisatiestructuur en tot haar risicoprofiel.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt zij de beursvennootschap daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid heeft gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt zij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De Bank kan deze termijn van twee maanden met maximum één maand verlengen.
§ 3. Indien de Bank oordeelt dat de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 2 herziene plan, kan zij de beursvennootschap gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan de vennootschap, specifieke wijzigingen in het herstelplan aan te brengen.
Art.118. § 1er. Dans les six mois de la réception du plan de redressement, la Banque examine ce plan et évalue s'il satisfait aux exigences prévues par ou en vertu des articles 111 à 116.
A cet effet, la Banque évalue notamment si le plan de redressement permet de raisonnablement s'attendre à ce que :
1° la mise en oeuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière de la société de bourse ou du groupe dont elle fait partie, compte tenu des mesures préparatoires que la société a prises ou a prévu de prendre ;
2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d'être mis en oeuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise financière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en oeuvre concomitante de plans de redressement d'autres établissements.
Dans son évaluation du plan de redressement, la Banque porte une attention particulière à l'adéquation de la structure du capital et du financement de la société de bourse par rapport au degré de complexité de sa structure organisationnelle et à son profil de risque.
§ 2. Si la Banque considère que le plan de redressement présente des lacunes importantes, ou qu'il existe des obstacles significatifs à sa mise en oeuvre, elle en informe la société de bourse et, après lui avoir donné l'opportunité d'exprimer son point de vue, l'invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes ou obstacles. La Banque peut prolonger ce délai de deux mois de maximum un mois.
§ 3. Si la Banque considère que le plan révisé conformément au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficacement aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut enjoindre à la société de bourse d'apporter, dans les trente jours de la notification de ce constat à cette société, des modifications spécifiques au plan de redressement.
A cet effet, la Banque évalue notamment si le plan de redressement permet de raisonnablement s'attendre à ce que :
1° la mise en oeuvre des mesures prévues dans le plan est de nature à maintenir ou rétablir la viabilité et la position financière de la société de bourse ou du groupe dont elle fait partie, compte tenu des mesures préparatoires que la société a prises ou a prévu de prendre ;
2° le plan et les différentes options qui y sont prévues sont susceptibles d'être mis en oeuvre rapidement et de manière efficace dans des situations de crise financière, en évitant, dans toute la mesure du possible, des effets négatifs significatifs sur le système financier, en ce compris dans des scénarios impliquant la mise en oeuvre concomitante de plans de redressement d'autres établissements.
Dans son évaluation du plan de redressement, la Banque porte une attention particulière à l'adéquation de la structure du capital et du financement de la société de bourse par rapport au degré de complexité de sa structure organisationnelle et à son profil de risque.
§ 2. Si la Banque considère que le plan de redressement présente des lacunes importantes, ou qu'il existe des obstacles significatifs à sa mise en oeuvre, elle en informe la société de bourse et, après lui avoir donné l'opportunité d'exprimer son point de vue, l'invite à soumettre, dans les deux mois, un plan révisé dans lequel il est remédié à ces lacunes ou obstacles. La Banque peut prolonger ce délai de deux mois de maximum un mois.
§ 3. Si la Banque considère que le plan révisé conformément au paragraphe 2 ne permet pas de remédier efficacement aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut enjoindre à la société de bourse d'apporter, dans les trente jours de la notification de ce constat à cette société, des modifications spécifiques au plan de redressement.
Art.119. § 1. Indien de beursvennootschap binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in artikel 118, § 2, of indien de Bank oordeelt dat het herziene herstelplan dat werd ingediend overeenkomstig artikel 118, § 2, de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig artikel 118, § 3, stelt de Bank de beursvennootschap daarvan in kennis en vereist zij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen zij in haar werkzaamheden kan aanbrengen om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de beursvennootschap met toepassing van paragraaf 1, de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan zij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de beursvennootschap gelasten elke maatregel te treffen die zij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.
De Bank kan de beursvennootschap inzonderheid gelasten om:
1° haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;
2° snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;
3° haar strategie en haar structuur te herzien;
4° wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;
5° wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen.
De beslissing van de Bank wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de beursvennootschap.
§ 2. Indien de Bank oordeelt dat de wijzigingen voorgesteld door de beursvennootschap met toepassing van paragraaf 1, de door haar geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kan zij, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de beursvennootschap gelasten elke maatregel te treffen die zij noodzakelijk en evenredig acht om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen.
De Bank kan de beursvennootschap inzonderheid gelasten om:
1° haar risicoprofiel, met inbegrip van het liquiditeitsrisico, te verminderen;
2° snelle herkapitalisatiemaatregelen mogelijk te maken;
3° haar strategie en haar structuur te herzien;
4° wijzigingen in haar financieringsstrategie aan te brengen om de robuustheid van haar kernactiviteiten en haar kritieke functies te vergroten;
5° wijzigingen in haar governancestructuur aan te brengen.
De beslissing van de Bank wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de beursvennootschap.
Art.119. § 1er. Si la société de bourse ne donne pas suite, dans le délai imparti, à l'invitation visée à l'article 118, § 2, ou si la Banque considère que le plan de redressement révisé soumis conformément à l'article 118, § 2, ne permet pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés et qu'il n'est pas possible d'y remédier efficacement par une injonction donnée conformément à l'article 118, § 3, la Banque en informe la société de bourse et requiert de celle-ci qu'elle détermine, dans les trente jours, les changements qu'elle peut apporter à ses activités afin de remédier à ces lacunes ou obstacles.
§ 2. Si la Banque considère que les changements proposés par la société de bourse en application du paragraphe 1er ne permettent pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut, sans préjudice d'autres mesures prévues par ou en vertu de la présente loi, enjoindre à la société de bourse de prendre toute mesure qu'elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles.
La Banque peut notamment enjoindre à la société de bourse de :
1° réduire son profil de risque, en ce compris le risque de liquidité ;
2° permettre des mesures de recapitalisation rapides ;
3° revoir sa stratégie et sa structure ;
4° modifier sa stratégie de financement afin d'accroître la robustesse de ses activités fondamentales et de ses fonctions critiques ;
5° modifier sa structure de gouvernance.
La décision de la Banque est notifiée par écrit à la société de bourse.
§ 2. Si la Banque considère que les changements proposés par la société de bourse en application du paragraphe 1er ne permettent pas de remédier aux lacunes ou obstacles qu'elle a identifiés, elle peut, sans préjudice d'autres mesures prévues par ou en vertu de la présente loi, enjoindre à la société de bourse de prendre toute mesure qu'elle juge nécessaire et proportionnée pour mettre fin à ces lacunes ou obstacles.
La Banque peut notamment enjoindre à la société de bourse de :
1° réduire son profil de risque, en ce compris le risque de liquidité ;
2° permettre des mesures de recapitalisation rapides ;
3° revoir sa stratégie et sa structure ;
4° modifier sa stratégie de financement afin d'accroître la robustesse de ses activités fondamentales et de ses fonctions critiques ;
5° modifier sa structure de gouvernance.
La décision de la Banque est notifiée par écrit à la société de bourse.
TITEL III. - Toezicht op de beursvennootschappen
TITRE III. - Contrôle des sociétés de bourse
HOOFDSTUK I. - Toezicht door de Bank en de FSMA
CHAPITRE Ier. - Contrôle exercé par la Banque et par la FSMA
Art.120. § 1. De Bank waakt erover dat elke beursvennootschap werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, onverminderd de bevoegdheden toegekend aan de FSMA op grond van artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002, ook voor wat betreft de vereisten die op grond van artikel 72, eerste lid, 1° zijn vastgesteld.
§ 2. De Bank neemt bij de uitoefening van haar algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die haar besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten alsmede van de Unie in haar geheel, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
§ 2. De Bank neemt bij de uitoefening van haar algemene taken naar behoren de gevolgen in overweging die haar besluiten, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten alsmede van de Unie in haar geheel, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
Art.120. § 1er. La Banque veille à ce que chaque société de bourse opère conformément aux dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables, sans préjudice des compétences dévolues à la FSMA en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, y compris en ce qui concerne les exigences prévues sur la base de l'article 72, alinéa 1er, 1°.
§ 2. Dans l'exercice de ses missions générales, la Banque tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés et de l'ensemble de l'Union, en particulier dans les situations d'urgence et ce, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
§ 2. Dans l'exercice de ses missions générales, la Banque tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés et de l'ensemble de l'Union, en particulier dans les situations d'urgence et ce, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
Art.121. Met het oog op haar opdracht kan de Bank zich alle inlichtingen doen verstrekken over de organisatie, de werking, de positie en de verrichtingen van de beursvennootschappen, evenals alle opnames van telefoongesprekken of elektronische communicatie of andere overzichten van dataverkeer die in het bezit zijn van de beursvennootschap.
Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de vennootschap:
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de beursvennootschappen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de vennootschap voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid van de vennootschap inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de vennootschap;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de vennootschap gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de vennootschap en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
Zij kan ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in bezit van de vennootschap:
1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen en de bepalingen van de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen die betrekking hebben op het statuut van de beursvennootschappen, zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de vennootschap voorgelegde staten en inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;
2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie, de interne controle en het beleid van de vennootschap inzake het prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften en de liquiditeit van de vennootschap;
3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de vennootschap gezond en voorzichtig is en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen.
De in het eerste en tweede lid bedoelde prerogatieven omvatten ook de toegang tot de agenda's en de notulen van de vergaderingen van de verschillende organen van de vennootschap en van hun interne comités, evenals tot de bijbehorende documenten en tot de resultaten van de interne en/of externe beoordeling van de werking van de genoemde organen.
Art.121. Aux fins de sa mission, la Banque peut se faire communiquer toute information relative à l'organisation, au fonctionnement, à la situation et aux opérations des sociétés de bourse, ainsi que tout enregistrement de communications téléphoniques, toute communication électronique ou tout autre échange informatique, détenu par la société de bourse.
Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par la société, en vue :
1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires et des règlements européens directement applicables, relatives au statut des sociétés de bourse, ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par la société ;
2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable, du contrôle interne et de la politique en matière de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de la société ;
3° de s'assurer que la gestion de la société est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de la société et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
Elle peut procéder à des inspections sur place et prendre connaissance et copie, sans déplacement, de toute information détenue par la société, en vue :
1° de vérifier le respect des dispositions légales et réglementaires et des règlements européens directement applicables, relatives au statut des sociétés de bourse, ainsi que l'exactitude et la sincérité de la comptabilité et des comptes annuels ainsi que des états et autres informations qui lui sont transmis par la société ;
2° de vérifier le caractère adéquat des structures de gestion, de l'organisation administrative et comptable, du contrôle interne et de la politique en matière de gestion prospective des besoins en fonds propres et de la liquidité de la société ;
3° de s'assurer que la gestion de la société est saine et prudente et que sa situation ou ses opérations ne sont pas de nature à mettre en péril sa liquidité, sa rentabilité ou sa solvabilité.
Les prérogatives visées aux alinéas 1er et 2 couvrent également l'accès aux ordres du jour et aux procès-verbaux des réunions des différents organes de la société et de leurs comités internes, ainsi qu'aux documents y afférents et aux résultats de l'évaluation interne et/ou externe du fonctionnement desdits organes.
Art.122. § 1. De Bank mag alleen een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 109 wanneer de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering in de zin van paragraaf 2, eerste lid en wanneer:
1° de aanvullende informatie vereist is voor de uitvoering van de procedure van toetsing en evaluatie als bedoeld in artikel 131; of
2° zij het nodig acht informatie te verzamelen om te beoordelen of het gevaar bestaat dat deze vennootschap in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Verordening 2017/2402.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, van de Afdelingen II tot en met IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II en van artikel 202, § 2, eerste lid, 9° wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de Bank is meegedeeld of die door de Bank kan worden geproduceerd of die door de Bank kan worden verkregen via andere middelen dan de beursvennootschap te verplichten tot het rapporteren ervan, geacht tot duplicering te leiden.
Daarnaast vereist de Bank niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de Bank niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.
§ 3. Bij wijze van uitzondering op dit artikel is artikel 234, § 2/2 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar artikel 234, § 2, 9° van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 202, § 2, eerste lid, 9° van deze wet.
1° de aanvullende informatie vereist is voor de uitvoering van de procedure van toetsing en evaluatie als bedoeld in artikel 131; of
2° zij het nodig acht informatie te verzamelen om te beoordelen of het gevaar bestaat dat deze vennootschap in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Verordening 2017/2402.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, van de Afdelingen II tot en met IV van Hoofdstuk II van Titel III van Boek II en van artikel 202, § 2, eerste lid, 9° wordt alle informatie die in wezen identiek is aan informatie die reeds met toepassing van een andere wettelijke of reglementaire bepaling aan de Bank is meegedeeld of die door de Bank kan worden geproduceerd of die door de Bank kan worden verkregen via andere middelen dan de beursvennootschap te verplichten tot het rapporteren ervan, geacht tot duplicering te leiden.
Daarnaast vereist de Bank niet dat reeds ontvangen informatie in een ander formaat of ander niveau van granulariteit wordt meegedeeld voor zover dit verschil de Bank niet belet informatie te produceren die van dezelfde kwaliteit en betrouwbaarheid is als de informatie die zou worden vereist.
§ 3. Bij wijze van uitzondering op dit artikel is artikel 234, § 2/2 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar artikel 234, § 2, 9° van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 202, § 2, eerste lid, 9° van deze wet.
Art.122. § 1er. La Banque ne peut imposer une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 109 que lorsque les informations demandées ne font pas double emploi au sens du paragraphe 2, alinéa 1er et :
1° que les informations supplémentaires sont requises pour les besoins de la procédure de contrôle et d'évaluation visé à l'article 131 ; ou
2° qu'elle considère qu'il est nécessaire de recueillir des éléments aux fins d'évaluer si la société risque de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, du Règlement 2019/2033, ou le cas échéant, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Règlement 2017/2402 au cours des 12 prochains mois.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, des Sections II à IV du Chapitre II du Titre III du Livre II et de l'article 202, § 2, alinéa 1er, 9°, est considérée comme faisant double emploi, toute information qui est en substance identique à une information déjà communiquée à la Banque en application d'une autre disposition légale ou réglementaire ou susceptible d'être produite par la Banque, ou que la Banque peut obtenir par d'autres moyens qu'en exigeant de la société de bourse qu'elle les déclare.
En outre, la Banque n'impose pas la communication d'informations déjà reçues dans un format ou à un niveau de granularité différents dans la mesure où cette différence n'empêche pas la Banque de produire des informations de même qualité et fiabilité que celles dont la communication serait requise.
§ 3. Par exception au présent article, l'article 234, § 2/2 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante, étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites à l'article 234, § 2, 9° de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références à l'article 202, § 2, alinéa 1er, 9° de la présente loi.
1° que les informations supplémentaires sont requises pour les besoins de la procédure de contrôle et d'évaluation visé à l'article 131 ; ou
2° qu'elle considère qu'il est nécessaire de recueillir des éléments aux fins d'évaluer si la société risque de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, du Règlement 2019/2033, ou le cas échéant, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Règlement 2017/2402 au cours des 12 prochains mois.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, des Sections II à IV du Chapitre II du Titre III du Livre II et de l'article 202, § 2, alinéa 1er, 9°, est considérée comme faisant double emploi, toute information qui est en substance identique à une information déjà communiquée à la Banque en application d'une autre disposition légale ou réglementaire ou susceptible d'être produite par la Banque, ou que la Banque peut obtenir par d'autres moyens qu'en exigeant de la société de bourse qu'elle les déclare.
En outre, la Banque n'impose pas la communication d'informations déjà reçues dans un format ou à un niveau de granularité différents dans la mesure où cette différence n'empêche pas la Banque de produire des informations de même qualité et fiabilité que celles dont la communication serait requise.
§ 3. Par exception au présent article, l'article 234, § 2/2 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante, étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites à l'article 234, § 2, 9° de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références à l'article 202, § 2, alinéa 1er, 9° de la présente loi.
Art.123. In het kader van het toezicht en met name van de inspecties zijn de personeelsleden van de Bank gemachtigd om van de leiders en de werknemers van de beursvennootschap alle inlichtingen en uitleg te verkrijgen die zij nodig achten voor de uitvoering van hun opdrachten en kunnen zij te dien einde gesprekken eisen met leiders of personeelsleden van de vennootschap die zij aanduiden.
Art.123. Dans le cadre du contrôle et notamment des inspections, les agents de la Banque sont habilités à recevoir des dirigeants et des employés de la société de bourse toute information et explication qu'ils estiment nécessaire pour l'exercice de leurs missions et peuvent, à cette fin, exiger la tenue d'entretiens avec des dirigeants ou membres du personnel de la société qu'ils désignent.
Art.124. Onverminderd artikel 73, tweede lid kan de Bank in geval van uitbesteding ook haar inspectieprerogatieven uitoefenen als bedoeld in artikel 121, tweede lid bij de ondernemingen waarop de beursvennootschappen een beroep doen in hun hoedanigheid van dienstverleners (uitbesteding - outsourcing) [1 , met inbegrip van derde aanbieders van ICT-diensten als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening 2022/2554]1, om na te gaan of de voorwaarden waaronder die diensten worden verricht, geen afbreuk kunnen doen aan de naleving door de beursvennootschappen van hun wettelijke en reglementaire verplichtingen. De in de artikelen 123 en 129 bedoelde prerogatieven kunnen, naar analogie, ook worden uitgeoefend ten aanzien van die dienstverleners.
De bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waarvan de beursvennootschappen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding - outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval met inschakeling van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar prerogatieven namens die autoriteiten uitoefenen.
De bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waarvan de beursvennootschappen die onder hun toezichtsbevoegdheid vallen, een beroep doen op in België gevestigde dienstverlenende ondernemingen (uitbesteding - outsourcing), mogen ten aanzien van die dienstverleners de in het eerste lid bedoelde prerogatieven uitoefenen, in voorkomend geval met inschakeling van personen die zij daartoe machtigen. Wanneer zij daarom verzoeken kan de Bank haar prerogatieven namens die autoriteiten uitoefenen.
Art.124. Sans préjudice de l'article 73, alinéa 2, en cas de recours à la sous-traitance, la Banque peut également exercer ses prérogatives d'inspection visées à l'article 121, alinéa 2 auprès des entreprises auxquelles les sociétés de bourse recourent en qualité de prestataires de services (sous-traitance - outsourcing) [1 y compris les prestataires tiers de services TIC visés au chapitre V du règlement 2022/2554]1 afin de vérifier si les conditions dans lesquelles ces prestations sont fournies ne sont pas de nature à porter atteinte au respect par les sociétés de bourse de leurs obligations légales et réglementaires. Les prérogatives visées aux articles 123 et 129 peuvent également, par analogie, être exercées à l'égard de ces prestataires de services.
Les autorités compétentes d'un autre Etat membre dont les sociétés de bourse qui ressortissent à leurs compétences de contrôle recourent à des entreprises en qualité de prestataires de services (sous-traitance - outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer à l'égard de ces prestataires de services les prérogatives prévues à l'alinéa 1er, le cas échéant par l'intermédiaire des personnes qu'elles mandatent à cet effet. A leur demande, la Banque peut exercer ces prérogatives pour le compte de ces autorités.
Les autorités compétentes d'un autre Etat membre dont les sociétés de bourse qui ressortissent à leurs compétences de contrôle recourent à des entreprises en qualité de prestataires de services (sous-traitance - outsourcing) situées en Belgique peuvent exercer à l'égard de ces prestataires de services les prérogatives prévues à l'alinéa 1er, le cas échéant par l'intermédiaire des personnes qu'elles mandatent à cet effet. A leur demande, la Banque peut exercer ces prérogatives pour le compte de ces autorités.
Art.125. De inspectieverslagen en meer in het algemeen alle documenten die uitgaan van de Bank, waarvan zij aangeeft dat ze vertrouwelijk zijn, mogen niet openbaar worden gemaakt door de beursvennootschappen zonder uitdrukkelijke toestemming van de Bank.
De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek.
Art.125. Les rapports d'inspection et plus généralement tous les documents émanant de la Banque dont elle indique qu'ils sont confidentiels ne peuvent être divulgués par les sociétés de bourse sans le consentement exprès de la Banque.
Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.
Le non-respect de cette obligation est puni des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.
Art.126. De beursvennootschappen dienen de FSMA en de Bank onverwijld in te lichten wanneer zij de diensten van systematische interne afhandeling in de zin van artikel 3, 58° aanvatten of stopzetten.
Art.126. Les sociétés de bourse sont tenues d'informer sans délai la FSMA et la Banque lorsqu'elles entament des services d'internalisateur systématique au sens de l'article 3, 58°, ou qu'elles y mettent fin.
Art.127. § 1. De Bank en de FSMA sluiten een overeenkomst met het oog op een efficiënt en gecoördineerd toezicht op de beursvennootschappen. Zij maken deze overeenkomst bekend op hun respectieve websites.
Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen de Bank en de FSMA in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen de twee instellingen of waar overleg tussen beide instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.
De samenwerking tussen de Bank en de FSMA houdt met name de mogelijkheid in voor de Bank om het advies van de FSMA te vragen in het kader van de beoordeling van de naleving van de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten die krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 tot de bevoegdheid van de FSMA behoren, met name met betrekking tot de passende behartiging door de vennootschap van de belangen van haar cliënten en de integriteit van de markt en met betrekking tot het verlenen door de vennootschap aan haar cliënten van directe elektronisch toegang tot een handelsplatform.
§ 2. De Bank werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet, Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen.
Deze overeenkomst bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen de Bank en de FSMA in alle gevallen waar de wet voorziet in een advies, raadpleging, informatie of ander contact tussen de twee instellingen of waar overleg tussen beide instellingen noodzakelijk is om een eenvormige toepassing van de wetgeving te verzekeren.
De samenwerking tussen de Bank en de FSMA houdt met name de mogelijkheid in voor de Bank om het advies van de FSMA te vragen in het kader van de beoordeling van de naleving van de door of krachtens deze wet opgelegde vereisten die krachtens artikel 45, § 1, eerste lid, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 tot de bevoegdheid van de FSMA behoren, met name met betrekking tot de passende behartiging door de vennootschap van de belangen van haar cliënten en de integriteit van de markt en met betrekking tot het verlenen door de vennootschap aan haar cliënten van directe elektronisch toegang tot een handelsplatform.
§ 2. De Bank werkt nauw samen met de afwikkelingsautoriteiten en raadpleegt deze autoriteiten wanneer deze wet, Verordening 2019/2033 of, in voorkomend geval, Verordening nr. 575/2013 dit vereist, en onder meer bij de opmaak van afwikkelingsplannen.
Art.127. § 1er. La Banque et la FSMA concluent un protocole en vue d'assurer un contrôle efficace et coordonné des sociétés de bourse. Elles publient ce protocole sur leur site internet respectif.
Ce protocole détermine les modalités de la collaboration entre la Banque et la FSMA dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consultation, une information ou tout autre contact entre les deux institutions, ainsi que dans les cas où une concertation entre les deux institutions est nécessaire pour assurer une application uniforme de la législation.
La collaboration entre la Banque et la FSMA comprend notamment la possibilité pour la Banque de demander l'avis de la FSMA en vue de l'appréciation du respect d'exigences prévues par ou en vertu de la présente loi et qui s'inscrivent dans le cadre des compétences de la FSMA en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, notamment en ce qui concerne la prise en compte adéquate, par la société, de l'intérêt de ses clients et de l'intégrité du marché et en ce qui concerne la fourniture par la société, à ses clients, d'un accès électronique direct à une plateforme de négociation.
§ 2. La Banque coopère étroitement avec les autorités de résolution et consulte celles-ci lorsque la présente loi, le Règlement 2019/2033 ou le cas échéant le Règlement n° 575/2013 le requiert et, notamment, lors de l'établissement des plans de résolution.
Ce protocole détermine les modalités de la collaboration entre la Banque et la FSMA dans tous les cas où la loi prévoit un avis, une consultation, une information ou tout autre contact entre les deux institutions, ainsi que dans les cas où une concertation entre les deux institutions est nécessaire pour assurer une application uniforme de la législation.
La collaboration entre la Banque et la FSMA comprend notamment la possibilité pour la Banque de demander l'avis de la FSMA en vue de l'appréciation du respect d'exigences prévues par ou en vertu de la présente loi et qui s'inscrivent dans le cadre des compétences de la FSMA en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3°, et § 2, de la loi du 2 août 2002, notamment en ce qui concerne la prise en compte adéquate, par la société, de l'intérêt de ses clients et de l'intégrité du marché et en ce qui concerne la fourniture par la société, à ses clients, d'un accès électronique direct à une plateforme de négociation.
§ 2. La Banque coopère étroitement avec les autorités de résolution et consulte celles-ci lorsque la présente loi, le Règlement 2019/2033 ou le cas échéant le Règlement n° 575/2013 le requiert et, notamment, lors de l'établissement des plans de résolution.
Art.128. Relaties tussen een beursvennootschap en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de Bank tenzij het toezicht op de vennootschap dit vergt.
Art.128. La Banque ne connaît des relations entre la société de bourse et un client déterminé que dans la mesure requise pour le contrôle de la société.
Art.129. Onverminderd de bevoegdheden waarover de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst beschikken op grond van de wetgeving tot omzetting van richtlijn 2019/2034 in die lidstaat, kan de Bank bij de bijkantoren van beursvennootschappen naar Belgisch recht die in een andere lidstaat zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van die staat, de in artikel 121, tweede lid bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de beursvennootschap kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van de liquiditeit, solvabiliteit, beleggersbescherming, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, alsook op het vlak van beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, beperking van grote risico's.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan zij een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de vennootschap gedragen.
Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.
Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan zij een deskundige die zij aanstelt, gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de vennootschap gedragen.
Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.
Art.129. Sans préjudice des prérogatives dont disposent les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil en vertu de la législation prise en vue de la transposition de la directive 2019/2034 dans cet Etat membre, la Banque peut procéder auprès des succursales des sociétés de bourse de droit belge établies dans un autre Etat membre, moyennant l'information préalable des autorités compétentes de cet Etat, aux inspections visées à l'article 121, alinéa 2, ainsi qu'à toute inspection en vue de recueillir ou de vérifier sur place les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de la société de bourse, spécialement en matière de liquidité, de solvabilité, de protection des investisseurs, d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne ainsi qu'en matière de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques.
Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités visées à l'alinéa 1er, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de la société.
Elle peut également demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises, visées à l'alinéa 1er, qu'elle leur précise.
Elle peut, aux mêmes fins, et après en avoir avisé les autorités visées à l'alinéa 1er, charger un expert, qu'elle désigne, d'effectuer les vérifications et expertises utiles. La rémunération et les frais de l'expert sont à charge de la société.
Elle peut également demander à ces autorités de procéder aux vérifications et expertises, visées à l'alinéa 1er, qu'elle leur précise.
HOOFDSTUK II. - Procedure van prudentieel toezicht
CHAPITRE II. - Processus de surveillance prudentielle
Afdeling I. - Programma voor prudentieel toezicht
Section Ire. - Programme de contrôle prudentiel
Art.130. § 1. Naargelang van de resultaten van de procedure van toetsing en evaluatie van de beursvennootschappen die met toepassing van artikel 131 wordt uitgevoerd, stelt de Bank jaarlijks haar toezichtsprogramma op. Dit toezichtsprogramma bepaalt:
1° de wijze waarop de Bank voornemens is haar taken uit te voeren en haar middelen toe te wijzen;
2° welke beursvennootschappen aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen overeenkomstig paragraaf 3;
3° het programma voor de controles ter plaatse, ook voor de bijkantoren en dochterondernemingen van de vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, respectievelijk overeenkomstig artikel 129 en/of 157, 171, § 2 en 184.
§ 2. Het toezichtsprogramma wordt opgesteld voor de beursvennootschappen waarvoor de in artikel 131 bedoelde procedure van toetsing en evaluatie of, in voorkomend geval, de resultaten van de stresstests bedoeld in de artikelen 133, § 1, 1° en 7° en 137, duiden op significante risico's voor hun financiële soliditeit of op inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -reglementen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.
De Bank kan te allen tijde in haar toezichtsprogramma ook alle andere beursvennootschappen opnemen waarvoor zij het noodzakelijk acht de naleving door die vennootschap van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, specifiek op te volgen.
§ 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1, 2° kunnen met name het volgende inhouden:
1° het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij een beursvennootschap verhogen;
2° thematische inspecties verrichten voor specifieke risico's;
3° aanvullende of frequentere rapportering eisen, overeenkomstig artikel 122;
4° aanvullende of frequentere toetsingen verrichten van de operationele, strategische of ontwikkelingsplannen van een beursvennootschap;
5° de permanente aanwezigheid van een van haar personeelsleden bij een beursvennootschap opleggen.
§ 4. Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, past de Bank de inhoud van haar toezichtsprogramma als bedoeld in paragraaf 1 aan.
1° de wijze waarop de Bank voornemens is haar taken uit te voeren en haar middelen toe te wijzen;
2° welke beursvennootschappen aan verscherpt toezicht zullen worden onderworpen en welke maatregelen hiervoor zullen worden genomen overeenkomstig paragraaf 3;
3° het programma voor de controles ter plaatse, ook voor de bijkantoren en dochterondernemingen van de vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, respectievelijk overeenkomstig artikel 129 en/of 157, 171, § 2 en 184.
§ 2. Het toezichtsprogramma wordt opgesteld voor de beursvennootschappen waarvoor de in artikel 131 bedoelde procedure van toetsing en evaluatie of, in voorkomend geval, de resultaten van de stresstests bedoeld in de artikelen 133, § 1, 1° en 7° en 137, duiden op significante risico's voor hun financiële soliditeit of op inbreuken op de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -reglementen of de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen.
De Bank kan te allen tijde in haar toezichtsprogramma ook alle andere beursvennootschappen opnemen waarvoor zij het noodzakelijk acht de naleving door die vennootschap van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en de rechtstreeks toepasbare Europese verordeningen, specifiek op te volgen.
§ 3. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1, 2° kunnen met name het volgende inhouden:
1° het aantal of de frequentie van de inspecties ter plaatse bij een beursvennootschap verhogen;
2° thematische inspecties verrichten voor specifieke risico's;
3° aanvullende of frequentere rapportering eisen, overeenkomstig artikel 122;
4° aanvullende of frequentere toetsingen verrichten van de operationele, strategische of ontwikkelingsplannen van een beursvennootschap;
5° de permanente aanwezigheid van een van haar personeelsleden bij een beursvennootschap opleggen.
§ 4. Wanneer de omstandigheden zulks vereisen, past de Bank de inhoud van haar toezichtsprogramma als bedoeld in paragraaf 1 aan.
Art.130. § 1er. En fonction des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation des sociétés de bourse menée en application de l'article 131 la Banque établit son programme de contrôle sur une base annuelle. Ce programme de contrôle indique :
1° la manière dont la Banque entend mener ses missions et allouer ses ressources ;
2° les sociétés de bourse qui feront l'objet d'un contrôle renforcé et les mesures qui seront arrêtées à cette fin conformément au paragraphe 3 ;
3° le programme des contrôles sur place, y compris dans les succursales et filiales des sociétés établies dans un autre Etat membre, respectivement conformément à l'article 129 et/ou 157, 171, § 2 et 184.
§ 2. Le programme de contrôle est établi pour les sociétés de bourse pour lesquelles la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 131 ou le cas échéant les résultats des tests de résistance visés aux articles 133, § 1er, 1° et 7° et 137, ont fait apparaître des risques significatifs affectant leur solidité financière ou des manquements aux dispositions de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou des règlements européens directement applicables.
La Banque peut, à tout moment, ajouter à son programme de contrôle toute autre société de bourse à l'égard de laquelle elle estime qu'un suivi particulier s'avère nécessaire au regard du respect, par cette société, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables.
§ 3. Les mesures visées au paragraphe 1er, 2° peuvent notamment consister à :
1° augmenter le nombre ou la fréquence des inspections sur place auprès d'une société de bourse ;
2° effectuer des inspections thématiques portant sur des risques spécifiques ;
3° exiger la transmission d'un reporting additionnel ou plus fréquent conformément à l'article 122 ;
4° effectuer un examen supplémentaire ou plus fréquent des plans opérationnels, stratégiques ou de développement d'une société de bourse ;
5° imposer la présence permanente d'un de ses agents au sein d'une société de bourse.
§ 4. Lorsque les circonstances le requièrent, la Banque adapte le contenu de son programme de contrôle tel que visé au paragraphe 1er.
1° la manière dont la Banque entend mener ses missions et allouer ses ressources ;
2° les sociétés de bourse qui feront l'objet d'un contrôle renforcé et les mesures qui seront arrêtées à cette fin conformément au paragraphe 3 ;
3° le programme des contrôles sur place, y compris dans les succursales et filiales des sociétés établies dans un autre Etat membre, respectivement conformément à l'article 129 et/ou 157, 171, § 2 et 184.
§ 2. Le programme de contrôle est établi pour les sociétés de bourse pour lesquelles la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 131 ou le cas échéant les résultats des tests de résistance visés aux articles 133, § 1er, 1° et 7° et 137, ont fait apparaître des risques significatifs affectant leur solidité financière ou des manquements aux dispositions de la présente loi, des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ou des règlements européens directement applicables.
La Banque peut, à tout moment, ajouter à son programme de contrôle toute autre société de bourse à l'égard de laquelle elle estime qu'un suivi particulier s'avère nécessaire au regard du respect, par cette société, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci ainsi que des règlements européens directement applicables.
§ 3. Les mesures visées au paragraphe 1er, 2° peuvent notamment consister à :
1° augmenter le nombre ou la fréquence des inspections sur place auprès d'une société de bourse ;
2° effectuer des inspections thématiques portant sur des risques spécifiques ;
3° exiger la transmission d'un reporting additionnel ou plus fréquent conformément à l'article 122 ;
4° effectuer un examen supplémentaire ou plus fréquent des plans opérationnels, stratégiques ou de développement d'une société de bourse ;
5° imposer la présence permanente d'un de ses agents au sein d'une société de bourse.
§ 4. Lorsque les circonstances le requièrent, la Banque adapte le contenu de son programme de contrôle tel que visé au paragraphe 1er.
Afdeling II. - Procedure van prudentiële toetsing en evaluatie
Section II. - Procédure de contrôle et d'évaluation prudentiels
Art.131. Voor zover dit relevant en nodig is, gelet op de omvang, het risicoprofiel en het bedrijfsmodel van de beursvennootschappen, toetst de Bank of zij voldoen aan de bepalingen van deze wet, van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen en van Verordening 2019/2033, op basis van de in deze Afdeling vastgestelde procedure. Aan de hand van de criteria van artikel 133 evalueert de Bank de risico's waaraan de beursvennootschappen blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn, de risico's die in voorkomend geval aan het licht zijn gekomen tijdens stresstests die met toepassing van artikel 137 zijn uitgevoerd, en het passende karakter, in het licht van de genoemde risico's, van het prospectieve beheer van het eigen vermogen en van de liquiditeit, als bedoeld in artikel 106.
De Bank stelt de frequentie en de reikwijdte van die evaluatie vast, rekening houdend met de omvang, de aard, het volume, de complexiteit en het belang, in voorkomend geval de systeemrelevantie, van de werkzaamheden van de beursvennootschappen, alsook met het evenredigheidsbeginsel en met hun naleving van de door en krachtens artikel 82 bepaalde regels.
Met het oog op de in het eerste lid bedoelde evaluatie houdt de Bank in voorkomend geval rekening houden met het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
De Bank stelt de frequentie en de reikwijdte van die evaluatie vast, rekening houdend met de omvang, de aard, het volume, de complexiteit en het belang, in voorkomend geval de systeemrelevantie, van de werkzaamheden van de beursvennootschappen, alsook met het evenredigheidsbeginsel en met hun naleving van de door en krachtens artikel 82 bepaalde regels.
Met het oog op de in het eerste lid bedoelde evaluatie houdt de Bank in voorkomend geval rekening houden met het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
Art.131. Dans la mesure où cela est pertinent et nécessaire en tenant compte de la taille, du profil de risque et du modèle économique des sociétés de bourse, la Banque procède au contrôle du respect par celles-ci des dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris en exécution de celle-ci et du Règlement 2019/2033 selon la procédure précisée par la présente Section. Sur la base des critères visés à l'article 133, la Banque évalue les risques auxquels les sociétés de bourse sont ou pourraient être exposées, les risques mis en évidence, le cas échéant, par les tests de résistance effectués en application de l'article 137, et le caractère adéquat, par rapport auxdits risques, de la gestion prospective des fonds propres et de la liquidité telle que visée à l'article 106.
La Banque détermine la fréquence et l'ampleur de cette évaluation, en tenant compte de l'ampleur, de la nature, du volume, de la complexité et de l'importance, le cas échéant systémique, des activités des sociétés de bourse, ainsi que du principe de proportionnalité et du respect par celles-ci des règles prévues par et en vertu de l'article 82.
Aux fins de l'évaluation visée à l'alinéa 1er, la Banque prend, le cas échéant, en considération la souscription d'une assurance de responsabilité civile professionnelle.
La Banque détermine la fréquence et l'ampleur de cette évaluation, en tenant compte de l'ampleur, de la nature, du volume, de la complexité et de l'importance, le cas échéant systémique, des activités des sociétés de bourse, ainsi que du principe de proportionnalité et du respect par celles-ci des règles prévues par et en vertu de l'article 82.
Aux fins de l'évaluation visée à l'alinéa 1er, la Banque prend, le cas échéant, en considération la souscription d'une assurance de responsabilité civile professionnelle.
Art.132. De Bank kan de in artikel 131 bedoelde evaluatieprocedure aanpassen voor beursvennootschappen die een vergelijkbaar risicoprofiel hebben doordat hun bedrijfsmodellen of de geografische locatie van hun risicoblootstellingen vergelijkbaar zijn. Bij deze aanpassing, die kan inhouden dat gebruik wordt gemaakt van risicogeoriënteerde referentie-indicatoren en kwantitatieve indicatoren, dient niettemin rekening te worden gehouden met de specifieke risico's waaraan elke beursvennootschap blootgesteld is of zou kunnen zijn en het bijzondere karakter van de betrokken vennootschap wat de krachtens artikel 138 opgelegde maatregelen betreft.
Art.132. La Banque peut adapter la procédure d'évaluation visée à l'article 131 pour des sociétés de bourse présentant un profil de risque analogue en raison de la similitude de leurs modèles d'entreprise ou de la localisation géographique de leurs expositions au risque. Cette adaptation, qui peut consister à utiliser des indicateurs de référence orientés sur les risques et des indicateurs quantitatifs, doit néanmoins tenir compte des risques spécifiques auxquels chaque société de bourse est ou pourrait être exposée et des caractéristiques spécifiques de la société concernée s'agissant des mesures imposées en application de l'article 138.
Art.133. § 1. De toetsing en de evaluatie die met toepassing van artikel 131 door de Bank worden verricht, hebben betrekking op de volgende aspecten:
1° de toetsing of de in artikel 66 bedoelde risico's worden beheerst;
2° de geografische locatie van de blootstellingen van de vennootschap;
3° het bedrijfsmodel van de vennootschap;
4° de beoordeling van het systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van het systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010 of de aanbevelingen van het ESRB;
5° de risico's voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de vennootschap gebruikt om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa;
6° de blootstelling van de vennootschap aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille;
7° de organisatieregeling van de beursvennootschap als bedoeld in artikel 17 en het vermogen van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, om hun taken te vervullen.
§ 2. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop zij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de beursvennootschappen.
1° de toetsing of de in artikel 66 bedoelde risico's worden beheerst;
2° de geografische locatie van de blootstellingen van de vennootschap;
3° het bedrijfsmodel van de vennootschap;
4° de beoordeling van het systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van het systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening nr. 1093/2010 of de aanbevelingen van het ESRB;
5° de risico's voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die de vennootschap gebruikt om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa;
6° de blootstelling van de vennootschap aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille;
7° de organisatieregeling van de beursvennootschap als bedoeld in artikel 17 en het vermogen van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, om hun taken te vervullen.
§ 2. De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 de kwantitatieve en kwalitatieve criteria vaststellen waarop zij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de beursvennootschappen.
Art.133. § 1er. Le contrôle et l'évaluation effectués par la Banque en application de l'article 131 portent sur les aspects suivants :
1° la vérification de la maîtrise des risques visés à l'article 66 ;
2° la localisation géographique des expositions de la société ;
3° le modèle d'entreprise de la société ;
4° l'évaluation du risque systémique, compte tenu de l'identification et de la mesure du risque systémique prévues par l'article 23 du Règlement n° 1093/2010 ou les recommandations du CERS ;
5° les risques qui menacent la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'utilise la société pour assurer la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs ;
6° l'exposition de la société au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation ;
7° le dispositif d'organisation de la société de bourse visé à l'article 17 et la capacité de l'organe légal d'administration et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant du comité de direction, à exercer leurs attributions.
§ 2. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut préciser les critères quantitatifs et qualitatifs qu'elle prend en compte pour évaluer le niveau des risques et le caractère adéquat de leur traitement par les sociétés de bourse.
1° la vérification de la maîtrise des risques visés à l'article 66 ;
2° la localisation géographique des expositions de la société ;
3° le modèle d'entreprise de la société ;
4° l'évaluation du risque systémique, compte tenu de l'identification et de la mesure du risque systémique prévues par l'article 23 du Règlement n° 1093/2010 ou les recommandations du CERS ;
5° les risques qui menacent la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'utilise la société pour assurer la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs ;
6° l'exposition de la société au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation ;
7° le dispositif d'organisation de la société de bourse visé à l'article 17 et la capacité de l'organe légal d'administration et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant du comité de direction, à exercer leurs attributions.
§ 2. Par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque peut préciser les critères quantitatifs et qualitatifs qu'elle prend en compte pour évaluer le niveau des risques et le caractère adéquat de leur traitement par les sociétés de bourse.
Art.134. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van haar procedure van toetsing en evaluatie als bedoeld in artikel 131.
Art.134. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne de sa procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 131.
Afdeling III. - Onderzoek van de interne benaderingen en methodes
Section III. - Examen des approches et des méthodes internes
Art.135. § 1. De Bank onderzoekt regelmatig en minstens om de drie jaar of de interne benaderingen voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten in overeenstemming zijn met Verordening 2019/2033. Zij onderzoekt ook of de beursvennootschappen die de toestemming hebben verkregen om deze benaderingen te gebruiken, voldoen aan de voorwaarden voor dit gebruik die voorafgaandelijk werden vastgesteld door de Bank. Zij houdt in het bijzonder rekening met veranderingen in de werkzaamheden van de vennootschap en met de toepassing van deze benaderingen op nieuwe producten.
§ 2. De Bank toetst en evalueert met name of de vennootschappen die interne benaderingen gebruiken als bedoeld in paragraaf 1, gebruikmaken van goed ontwikkelde technieken en praktijken die geactualiseerd worden.
§ 2. De Bank toetst en evalueert met name of de vennootschappen die interne benaderingen gebruiken als bedoeld in paragraaf 1, gebruikmaken van goed ontwikkelde technieken en praktijken die geactualiseerd worden.
Art.135. § 1er. La Banque examine à intervalles réguliers, et au moins tous les trois ans, la conformité au Règlement 2019/2033 des approches internes pour le calcul des exigences en fonds propres réglementaires. Elle examine, en outre, si les sociétés de bourse autorisées à utiliser ces approches respectent les conditions préalablement posées par la Banque pour cette utilisation. Elle tient compte, en particulier, de l'évolution des activités de la société et de l'application de ces approches à de nouveaux produits.
§ 2. La Banque vérifie et évalue, notamment, si les sociétés qui utilisent des approches internes visées au paragraphe 1er, recourent à des techniques et des pratiques élaborées de façon adéquate et qui sont mises à jour.
§ 2. La Banque vérifie et évalue, notamment, si les sociétés qui utilisent des approches internes visées au paragraphe 1er, recourent à des techniques et des pratiques élaborées de façon adéquate et qui sont mises à jour.
Art.136. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat de interne benadering die door een beursvennootschap wordt gebruikt, wezenlijke tekortkomingen vertoont in het vatten van de risico's, eist zij dat de vennootschap de passende maatregelen neemt om deze situatie te verhelpen en de gevolgen ervan te beperken, en legt zij in voorkomend geval een verhoging van de vermenigvuldigingscoëfficiënten op, of van de specifieke eigenvermogensvereisten met toepassing van artikel 138.
§ 2. Indien een groot aantal overschrijdingen, in de zin van artikel 366 van Verordening nr. 575/2013, erop wijst dat een intern model voor het risico voor de markt onvoldoende accuraat is, kan de Bank de toestemming om dit interne model te gebruiken intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat dit model snel, binnen een door haar vastgestelde termijn, wordt verbeterd.
§ 3. Wanneer zij vaststelt dat een beursvennootschap die de toestemming heeft verkregen om een interne benadering te gebruiken voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van deze benadering, eist de Bank dat de vennootschap een plan voorlegt om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden, met een tijdschema, of dat de vennootschap aantoont dat de gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden te verwaarlozen zijn.
De Bank eist dat het plan om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden wordt gewijzigd indien zij van oordeel is dat de uitvoering ervan niet kan leiden tot de naleving van de voorwaarden of dat de termijn om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden die door de beursvennootschap wordt voorgesteld, inadequaat of irrealistisch is. Indien de Bank van oordeel is dat de vennootschap niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de interne benadering binnen de termijn die zij passend acht trekt zij de toestemming om de genoemde interne benadering te gebruiken in of beperkt zij dit gebruik tot de domeinen waarvoor wel voldaan is aan de voorwaarden of eraan voldaan kan worden binnen een termijn die de Bank passend acht.
§ 2. Indien een groot aantal overschrijdingen, in de zin van artikel 366 van Verordening nr. 575/2013, erop wijst dat een intern model voor het risico voor de markt onvoldoende accuraat is, kan de Bank de toestemming om dit interne model te gebruiken intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat dit model snel, binnen een door haar vastgestelde termijn, wordt verbeterd.
§ 3. Wanneer zij vaststelt dat een beursvennootschap die de toestemming heeft verkregen om een interne benadering te gebruiken voor de berekening van de reglementaire eigenvermogensvereisten, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het gebruik van deze benadering, eist de Bank dat de vennootschap een plan voorlegt om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden, met een tijdschema, of dat de vennootschap aantoont dat de gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden te verwaarlozen zijn.
De Bank eist dat het plan om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden wordt gewijzigd indien zij van oordeel is dat de uitvoering ervan niet kan leiden tot de naleving van de voorwaarden of dat de termijn om opnieuw te voldoen aan de voorwaarden die door de beursvennootschap wordt voorgesteld, inadequaat of irrealistisch is. Indien de Bank van oordeel is dat de vennootschap niet zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de interne benadering binnen de termijn die zij passend acht trekt zij de toestemming om de genoemde interne benadering te gebruiken in of beperkt zij dit gebruik tot de domeinen waarvoor wel voldaan is aan de voorwaarden of eraan voldaan kan worden binnen een termijn die de Bank passend acht.
Art.136. § 1er. Lorsque la Banque constate que l'approche interne utilisée par une société de bourse présente des déficiences matérielles dans l'appréhension des risques, elle requiert que la société prenne les mesures appropriées pour remédier à cette situation ou en atténuer les conséquences, et impose, le cas échéant, une augmentation des coefficients multiplicateurs ou des exigences spécifiques en fonds propres en application de l'article 138.
§ 2. Si de nombreux dépassements, au sens de l'article 366 du Règlement n° 575/2013, indiquent qu'un modèle interne de risque pour le marché n'est pas suffisamment précis, la Banque peut révoquer l'autorisation d'utilisation de ce modèle interne ou imposer des mesures appropriées afin que ce modèle soit rapidement amélioré dans un délai qu'elle détermine.
§ 3. Lorsqu'elle constate qu'une société de bourse qui a été autorisée à utiliser une approche interne pour le calcul des exigences en fonds propres réglementaires ne satisfait plus aux conditions posées pour l'utilisation de cette approche, la Banque requiert que la société présente un plan de mise en conformité intégrant un échéancier ou que la société démontre que les effets de la non-conformité sont négligeables.
La Banque requiert que le plan de mise en conformité soit modifié si elle estime que sa réalisation ne pourra pas conduire au respect des conditions applicables ou que le délai de mise en conformité présenté par la société de bourse est inadéquat ou irréaliste. Si la Banque estime que la société ne parviendra pas à satisfaire, endéans le délai qu'elle estime approprié, aux conditions d'utilisation de l'approche interne, elle révoque l'autorisation d'utilisation de ladite approche interne ou limite cette utilisation aux domaines pour lesquels la conformité est assurée, ou est en mesure de l'être dans un délai que la Banque estime approprié.
§ 2. Si de nombreux dépassements, au sens de l'article 366 du Règlement n° 575/2013, indiquent qu'un modèle interne de risque pour le marché n'est pas suffisamment précis, la Banque peut révoquer l'autorisation d'utilisation de ce modèle interne ou imposer des mesures appropriées afin que ce modèle soit rapidement amélioré dans un délai qu'elle détermine.
§ 3. Lorsqu'elle constate qu'une société de bourse qui a été autorisée à utiliser une approche interne pour le calcul des exigences en fonds propres réglementaires ne satisfait plus aux conditions posées pour l'utilisation de cette approche, la Banque requiert que la société présente un plan de mise en conformité intégrant un échéancier ou que la société démontre que les effets de la non-conformité sont négligeables.
La Banque requiert que le plan de mise en conformité soit modifié si elle estime que sa réalisation ne pourra pas conduire au respect des conditions applicables ou que le délai de mise en conformité présenté par la société de bourse est inadéquat ou irréaliste. Si la Banque estime que la société ne parviendra pas à satisfaire, endéans le délai qu'elle estime approprié, aux conditions d'utilisation de l'approche interne, elle révoque l'autorisation d'utilisation de ladite approche interne ou limite cette utilisation aux domaines pour lesquels la conformité est assurée, ou est en mesure de l'être dans un délai que la Banque estime approprié.
Afdeling IV. - Stresstests
Section IV. - Tests de résistance
Art.137. Indien zij dit nodig acht gelet op het risicoprofiel van de vennootschap, kan de Bank een beursvennootschap onderwerpen aan specifieke prudentiële stresstests, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de financiële sector in België, om de in artikel 131 bedoelde toetsings- en evaluatieprocedure te vergemakkelijken.
Art.137. Si elle l'estime nécessaire au regard du profil de risque de la société, la Banque peut soumettre une société de bourse à des tests de résistance prudentiels spécifiques prenant en compte les particularités du secteur financier en Belgique, aux fins de faciliter la procédure de contrôle et d'évaluation visée à l'article 131.
Afdeling V. - Prudentiële maatregelen
Section V. - Mesures prudentielles
Art.138. De Bank kan aan een beursvennootschap alleen een specifiek eigenvermogensvereiste opleggen bovenop de vereisten die opgelegd zijn door of krachtens Verordening 2019/2033 of de met toepassing van artikel 107 vastgestelde reglementen, indien zij op basis van de resultaten van de met toepassing van artikel 131 uitgevoerde procedure van toetsing en evaluatie en van het in de artikelen 135 en 136 bedoelde onderzoek van de interne benaderingen, vaststelt dat:
1° de vennootschap is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's, of vormt voor derden wezenlijke risico's, die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in deel drie of deel vier van Verordening 2019/2033 en in de met toepassing van artikel 107 vastgestelde reglementen;
2° de aanpassingen met betrekking tot de prudentiële waardering van de handelsportefeuille zijn onvoldoende om de beursvennootschap in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;
3° uit het overeenkomstig artikel 136, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken vennootschap niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;
4° de beursvennootschap heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 142 meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan de Bank ook alle andere in artikel 202, § 2 bepaalde maatregelen opleggen.
1° de vennootschap is blootgesteld aan risico's of aspecten van risico's, of vormt voor derden wezenlijke risico's, die niet of onvoldoende gedekt zijn door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in deel drie of deel vier van Verordening 2019/2033 en in de met toepassing van artikel 107 vastgestelde reglementen;
2° de aanpassingen met betrekking tot de prudentiële waardering van de handelsportefeuille zijn onvoldoende om de beursvennootschap in staat te stellen haar posities onder normale marktomstandigheden op korte tijd te verkopen of af te dekken zonder dat wezenlijke verliezen worden geleden;
3° uit het overeenkomstig artikel 136, § 3 verrichte onderzoek blijkt dat de niet-naleving van de voorwaarden voor de toepassing van een toegestane interne benadering als gevolg kan hebben dat de betrokken vennootschap niet langer voldoet aan de toepasselijke reglementaire eigenvermogensvereisten;
4° de beursvennootschap heeft herhaaldelijk nagelaten een toereikend niveau van aanvullend eigen vermogen vast te stellen of te handhaven om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 142 meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan de Bank ook alle andere in artikel 202, § 2 bepaalde maatregelen opleggen.
Art.138. La Banque ne peut imposer à une société de bourse une exigence spécifique de fonds propres qui s'ajoute aux exigences requises par ou en vertu du Règlement 2019/2033 ou des règlements pris en application de l'article 107 que lorsqu'elle constate, sur la base des résultats de la procédure de contrôle et d'évaluation effectuée en application de l'article 131 et de l'examen des approches internes visé aux articles 135 et 136, que :
1° la société est exposée à des risques ou des éléments de risque ou fait peser des risques significatifs sur des tiers, non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences en fonds propres énoncées à la troisième ou quatrième Partie du Règlement 2019/2033 et aux règlements pris en application de l'article 107 ;
2° les corrections relatives à l'évaluation prudente du portefeuille de négociation sont insuffisantes pour permettre à la société de bourse, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir ses positions à bref délai sans s'exposer à des pertes significatives ;
3° l'examen effectué en application de l'article 136, § 3 fait apparaître que le non-respect des conditions posées pour l'utilisation d'une approche interne autorisée risque d'avoir pour conséquence que la société concernée ne respecte plus les exigences applicables en matière de fonds propres réglementaires ;
4° à plusieurs reprises, la société de bourse n'a pas établi ou conservé un niveau suffisant de fonds propres supplémentaires en vue de couvrir les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées conformément à l'article 142.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la Banque peut également imposer toutes autres mesures prévues à l'article 202, § 2.
1° la société est exposée à des risques ou des éléments de risque ou fait peser des risques significatifs sur des tiers, non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences en fonds propres énoncées à la troisième ou quatrième Partie du Règlement 2019/2033 et aux règlements pris en application de l'article 107 ;
2° les corrections relatives à l'évaluation prudente du portefeuille de négociation sont insuffisantes pour permettre à la société de bourse, dans des conditions de marché normales, de vendre ou de couvrir ses positions à bref délai sans s'exposer à des pertes significatives ;
3° l'examen effectué en application de l'article 136, § 3 fait apparaître que le non-respect des conditions posées pour l'utilisation d'une approche interne autorisée risque d'avoir pour conséquence que la société concernée ne respecte plus les exigences applicables en matière de fonds propres réglementaires ;
4° à plusieurs reprises, la société de bourse n'a pas établi ou conservé un niveau suffisant de fonds propres supplémentaires en vue de couvrir les recommandations de fonds propres supplémentaires communiquées conformément à l'article 142.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, la Banque peut également imposer toutes autres mesures prévues à l'article 202, § 2.
Art.139. Voor de toepassing van artikel 138, 1° worden risico's of aspecten van risico's alleen geacht niet of onvoldoende door de eigenvermogensvereisten als bedoeld in deel drie en deel vier van Verordening 2019/2033 te zijn gedekt, wanneer de bedragen, de categorieën, de verdeling en/of de kwaliteit van het eigen vermogen dat nodig is om aan deze eigenvermogensvereisten te voldoen, van een lager niveau zijn dan deze die de Bank toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 106 bedoelde prospectieve beheer van het eigen vermogen.
Om de toereikendheid van het eigen vermogen te beoordelen kan de Bank rekening houden met de risico's of de aspecten van risico's die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de berekening van de eigenvermogensvereisten als beschreven in deel drie of deel vier van Verordening 2019/2033.
Om de toereikendheid van het eigen vermogen te beoordelen kan de Bank rekening houden met de risico's of de aspecten van risico's die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de berekening van de eigenvermogensvereisten als beschreven in deel drie of deel vier van Verordening 2019/2033.
Art.139. Pour l'application de l'article 138, 1°, des risques ou des éléments de risque ne sont considérés comme non couverts ou insuffisamment couverts par les exigences de fonds propres énoncées aux troisième et quatrième Parties du Règlement 2019/2033, que si le montant, les catégories, la répartition et/ou la qualité des fonds propres nécessaires pour respecter lesdites exigences de fonds propres sont de niveau moins élevé que ceux que la Banque estime adéquats, compte tenu de la gestion prospective des fonds propres visée à l'article 106.
Aux fins d'évaluer le niveau adéquat de fonds propres, la Banque peut prendre en considération des risques ou des éléments de risque qui sont explicitement non pris en compte pour le calcul des exigences de fonds propres énoncées à la troisième ou quatrième Partie du Règlement 2019/2033.
Aux fins d'évaluer le niveau adéquat de fonds propres, la Banque peut prendre en considération des risques ou des éléments de risque qui sont explicitement non pris en compte pour le calcul des exigences de fonds propres énoncées à la troisième ou quatrième Partie du Règlement 2019/2033.
Art.140. De Bank bepaalt het niveau van het aanvullend eigen vermogen dat nodig is om te voldoen aan het specifieke vereiste van artikel 138 als het verschil tussen het eigen vermogen dat de Bank toereikend acht overeenkomstig artikel 139 en het eigen vermogen dat voortvloeit uit de vereisten die van toepassing zijn overeenkomstig deel drie of deel vier van Verordening 2019/2033.
Art.140. La Banque fixe le niveau des fonds propres supplémentaires requis pour satisfaire à l'exigence spécifique prévue à l'article 138 comme étant la différence entre les fonds propres que la Banque estime adéquats conformément à l'article 139 et les fonds propres résultant des exigences applicables conformément à la troisième ou quatrième Partie du Règlement 2019/2033.
Art.141. Een beursvennootschap moet voldoen aan het specifiek aanvullend-eigenvermogensvereiste van artikel 138 met eigen vermogen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;
2° ten minste drie vierde van het in 1° bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal;
3° dat eigen vermogen wordt niet gebruikt om te voldoen aan de in artikel 11, lid 1, onder a), b), en c) van Verordening 2019/2033 bepaalde eigenvermogensvereisten.
1° ten minste drie vierde van het specifiek eigenvermogensvereiste wordt voldaan met tier 1-kapitaal;
2° ten minste drie vierde van het in 1° bedoelde tier 1-kapitaal bestaat uit tier 1-kernkapitaal;
3° dat eigen vermogen wordt niet gebruikt om te voldoen aan de in artikel 11, lid 1, onder a), b), en c) van Verordening 2019/2033 bepaalde eigenvermogensvereisten.
Art.141. Une société de bourse est tenue de satisfaire à l'exigence spécifique de fonds propres supplémentaires prévue par l'article 138 au moyen de fonds propres répondant aux conditions suivantes :
1° l'exigence spécifique de fonds propres est satisfaite, pour les trois quarts au moins, au moyen de fonds propres de catégorie 1 ;
2° les fonds propres de catégorie 1 visés au 1° sont constitués, pour les trois quarts au moins, de fonds propres de base de catégorie 1 ;
3° ces fonds propres ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 11, paragraphe 1er, points a), b) et c) du Règlement 2019/2033.
1° l'exigence spécifique de fonds propres est satisfaite, pour les trois quarts au moins, au moyen de fonds propres de catégorie 1 ;
2° les fonds propres de catégorie 1 visés au 1° sont constitués, pour les trois quarts au moins, de fonds propres de base de catégorie 1 ;
3° ces fonds propres ne sont pas utilisés pour satisfaire aux exigences de fonds propres énoncées à l'article 11, paragraphe 1er, points a), b) et c) du Règlement 2019/2033.
Art.142. Bij de uitvoering van haar motivatieverplichting rechtvaardigt de Bank schriftelijk haar besluit tot het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste overeenkomstig artikel 138 door middel van een duidelijke uiteenzetting van de volledige beoordeling van de in de artikelen 138 tot en met 141 bedoelde elementen. In het in artikel 138, § 1, 4° bedoelde geval omvat dit document een specifieke motivering van de redenen waarom het niveau aan eigen vermogen, dat met toepassing van artikel 143, paragraaf 1 door de beursvennootschap is vastgesteld, niet langer als toereikend wordt beschouwd.
Art.142. Dans l'accomplissement de son obligation de motivation, la Banque justifie par écrit la décision d'imposer une exigence spécifique de fonds propres conformément à l'article 138 en communiquant un compte rendu clair de l'évaluation complète des éléments visés aux articles 138 à 141. Ce document comprend, dans l'hypothèse visée à l'article 138, § 1er, 4°, un exposé particulier des raisons pour lesquelles le niveau de fonds propres fixé par la société de bourse en application de l'article 143, paragraphe 1er, n'est plus considéré comme suffisant.
Art.143. § 1. De Bank kan eisen dat een beursvennootschap over een niveau aan eigen vermogen beschikt dat, in overeenstemming met het in artikel 106 bedoelde prospectieve beheer van de eigenvermogensbehoeften, voldoende boven de vereisten van deel drie van Verordening 2019/2033 en van deze wet ligt, waaronder het specifiek eigenvermogensvereiste als bedoeld in artikel 138, om ervoor te zorgen dat conjuncturele schommelingen niet leiden tot de niet-naleving van deze vereisten of afbreuk doen aan de capaciteit van de vennootschap om de werkzaamheden op ordelijke wijze af te wikkelen en stop te zetten.
Voor de toepassing van het eerste lid houdt de Bank rekening met de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de beursvennootschappen, alsook met het evenredigheidsbeginstel.
§ 2. De Bank toetst of het niveau aan eigen vermogen, dat met toepassing van paragraaf 1 door de beursvennootschappen is vastgesteld, toereikend is.
Indien zij dit nodig acht, deelt de Bank aan de betrokken beursvennootschap de richtsnoeren mee die voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde toetsing met betrekking tot het bedrag aan aanvullend eigen vermogen waarmee het op grond van de eerste paragraaf bepaalde niveau aan eigen vermogen kan worden bereikt, alsook de datum waarop de Bank verwacht dat deze richtsnoeren worden uitgevoerd.
Voor de toepassing van het eerste lid houdt de Bank rekening met de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de beursvennootschappen, alsook met het evenredigheidsbeginstel.
§ 2. De Bank toetst of het niveau aan eigen vermogen, dat met toepassing van paragraaf 1 door de beursvennootschappen is vastgesteld, toereikend is.
Indien zij dit nodig acht, deelt de Bank aan de betrokken beursvennootschap de richtsnoeren mee die voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde toetsing met betrekking tot het bedrag aan aanvullend eigen vermogen waarmee het op grond van de eerste paragraaf bepaalde niveau aan eigen vermogen kan worden bereikt, alsook de datum waarop de Bank verwacht dat deze richtsnoeren worden uitgevoerd.
Art.143. § 1er. La Banque peut exiger d'une société de bourse qu'elle dispose d'un niveau de fonds propres qui soit, conformément à la gestion prospective des besoins en fonds propres visée à l'article 106, suffisamment supérieur aux exigences prévues par la troisième Partie du Règlement 2019/2033 et par la présente loi, y compris l'exigence de fonds propres spécifique visée à l'article 138, afin d'assurer que les fluctuations conjoncturelles économiques ne conduisent pas au non-respect de ces exigences ou ne compromettent pas la capacité de la société de liquider ou cesser ses activités de manière ordonnée.
Aux fins de l'alinéa 1er, la Banque tient compte de l'ampleur, de l'importance systémique, de la nature, de l'échelle et de la complexité des activités des sociétés de bourse, ainsi que du principe de proportionnalité.
§ 2. La Banque évalue le caractère adéquat du niveau de fonds propres fixé par les sociétés de bourse en application du paragraphe 1er.
Si elle l'estime nécessaire, la Banque communique à la société de bourse concernée les recommandations qui découlent de l'évaluation visée à l'alinéa 1er quant au montant de fonds propres supplémentaires qui permettrait d'atteindre le niveau de fonds propres déterminé en vertu du paragraphe 1er ainsi que la date à laquelle la Banque s'attend à ce que ces recommandations soient mises en oeuvre.
Aux fins de l'alinéa 1er, la Banque tient compte de l'ampleur, de l'importance systémique, de la nature, de l'échelle et de la complexité des activités des sociétés de bourse, ainsi que du principe de proportionnalité.
§ 2. La Banque évalue le caractère adéquat du niveau de fonds propres fixé par les sociétés de bourse en application du paragraphe 1er.
Si elle l'estime nécessaire, la Banque communique à la société de bourse concernée les recommandations qui découlent de l'évaluation visée à l'alinéa 1er quant au montant de fonds propres supplémentaires qui permettrait d'atteindre le niveau de fonds propres déterminé en vertu du paragraphe 1er ainsi que la date à laquelle la Banque s'attend à ce que ces recommandations soient mises en oeuvre.
Art.144. De Bank kan specifieke liquiditeitsvereisten alleen opleggen indien zij op basis van de overeenkomstig de artikelen 131 en 135 uitgevoerde toetsingen en onderzoeken van oordeel is dat een beursvennootschap die niet is vrijgesteld van het liquiditeitsvereiste overeenkomstig artikel 43, lid 1 van Verordening 2019/2033, is blootgesteld aan een liquiditeitsrisico of aspecten van een liquiditeitsrisico die wezenlijk zijn en niet of onvoldoende worden gedekt door het liquiditeitsvereiste als bepaald in deel vijf van Verordening 2019/2033.
Art.144. La Banque ne peut imposer des exigences spécifiques de liquidité que lorsque, sur la base des contrôles et examens effectués conformément aux articles 131 et 135, elle estime qu'une société de bourse, qui n'a pas été exemptée de l'exigence de liquidité conformément à l'article 43, paragraphe 1er du Règlement 2019/2033, est exposée à un risque de liquidité ou à des éléments de risque de liquidité significatifs et non couverts ou insuffisamment couverts par l'exigence de liquidité énoncée à la cinquième Partie du Règlement° 2019/2033.
Art.145. Voor de toepassing van artikel 144 worden een liquiditeitsrisico of aspecten van een liquiditeitsrisico alleen geacht niet of onvoldoende te worden gedekt door het liquiditeitsvereiste als bepaald in deel vijf van Verordening 2019/2033 indien de bedragen en/of de soorten liquiditeit die nodig zijn om te voldoen aan dit liquiditeitsvereiste, van een lager niveau zijn dan deze die de Bank toereikend acht, rekening houdend met het in artikel 106 bedoelde prospectieve liquiditeitsbeheer.
Art.145. Aux fins de l'article 144, un risque de liquidité ou des éléments de risque de liquidité sont considérés comme non couverts ou insuffisamment couverts par l'exigence de liquidité énoncée à la cinquième Partie du Règlement 2019/2033 que si le montant et/ou le type de liquidité nécessaires pour respecter ladite exigence de liquidité sont de niveau moins élevé que ceux que la Banque estime adéquats compte tenu de la gestion prospective de la liquidité visée à l'article 106.
Art.146. De Bank bepaalt het niveau van de op grond van artikel 144 vereiste specifieke liquiditeit als het verschil tussen het liquiditeitsniveau dat de Bank toereikend acht overeenkomstig artikel 145 en het liquiditeitsvereiste dat van toepassing is op grond van deel vijf van Verordening 2019/2033.
Art.146. La Banque fixe le niveau spécifique de liquidité exigé en vertu de l'article 144 comme étant la différence entre le niveau de liquidité que la Banque estime adéquat conformément à l'article 145 et l'exigence de liquidité applicable en vertu de la cinquième Partie du Règlement 2019/2033.
Art.147. De beursvennootschappen moeten voldoen aan het specifiek liquiditeitsvereiste van artikel 144 met de in artikel 43 van Verordening 2019/2033 beschreven liquide activa.
Art.147. Les sociétés de bourse sont tenues de satisfaire à l'exigence spécifique de liquidité visée à l'article 144 au moyen d'actifs liquides conformément à l'article 43 du Règlement 2019/2033.
Art.148. Bij de uitvoering van haar motivatieverplichting rechtvaardigt de Bank schriftelijk haar besluit tot het opleggen van een specifiek liquiditeitsvereiste overeenkomstig artikel 144 door middel van een duidelijke uiteenzetting van de volledige beoordeling van de in de artikelen 144 tot en met 146 bedoelde elementen.
Art.148. Dans l'accomplissement de son obligation de motivation, la Banque justifie par écrit la décision d'imposer une exigence spécifique de liquidité conformément à l'article 144, en communiquant un compte rendu clair de l'évaluation complète des éléments visés aux articles 144 à 146.
Art.149. De Bank stelt de betrokken afwikkelingsautoriteiten in kennis van de overeenkomstig artikel 138 opgelegde specifieke eigenvermogensvereisten en van de eventuele overeenkomstig artikel 143, § 2, tweede lid meegedeelde aanpassingen, voor zover deze vereisten of aanpassingen betrekking hebben op een in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschap.
Art.149. La Banque notifie aux autorités de résolution concernées les exigences spécifiques de fonds propres imposées en vertu de l'article 138 et les éventuels ajustements communiqués en application de l'article 143, § 2, alinéa 2 dans la mesure où ces exigences ou ajustements concernent une société de bourse visée à l'article 13, § 2.
Art.150. De Bank kan beslissen om voor de maatregelen die met toepassing van de artikelen 138 en 144 worden opgelegd, een termijn vast te leggen. De toepassing van deze bepalingen doet geen afbreuk aan de toepassing van andere bepalingen van deze wet, met name artikel 202, noch aan de toepassing van maatregelen die in andere wetten, besluiten of reglementen zijn vastgelegd.
Art.150. La Banque peut décider d'assortir d'un délai les mesures imposées en application des articles 138 et 144. L'application de ces dispositions ne porte pas préjudice à l'application d'autres dispositions de la présente loi, notamment son article 202 et à l'application de mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements.
Art.151. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van haar methode voor het nemen van besluiten als bedoeld in de artikelen 138 tot en met 143.
Art.151. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne de la méthode qu'elle a utilisée pour adopter les décisions visées aux articles 138 à 143.
Afdeling VI. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Section VI. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.152. Bij wijze van uitzondering op dit Hoofdstuk zijn de artikelen 141 tot en met 154 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar artikel 234 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 202 van deze wet.
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar artikel 234 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 202 van deze wet.
Art.152. Par exception au présent Chapitre, les articles 141 à 154 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante, étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites à l'article 234 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références à l'article 202 de la présente loi.
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites à l'article 234 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références à l'article 202 de la présente loi.
HOOFDSTUK III. - Toezicht op in een andere lidstaat uitgeoefende werkzaamheden
CHAPITRE III. - Contrôle des activités exercées dans un autre Etat membre
Afdeling I. - Definities
Section Ire. - Définitions
Art.153. Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° lidstaat van herkomst: de lidstaat waarin aan een beursvennootschap een vergunning is verleend, in casu België;
2° lidstaat van ontvangst: een lidstaat waarin een beursvennootschap een bijkantoor heeft of beleggingsdiensten of -activiteiten of nevendiensten verricht, als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° ;
3° de Bank: de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
1° lidstaat van herkomst: de lidstaat waarin aan een beursvennootschap een vergunning is verleend, in casu België;
2° lidstaat van ontvangst: een lidstaat waarin een beursvennootschap een bijkantoor heeft of beleggingsdiensten of -activiteiten of nevendiensten verricht, als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° ;
3° de Bank: de Bank in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst.
Art.153. Pour l'application du présent Chapitre, il y a lieu d'entendre par :
1° Etat membre d'origine, l'Etat membre dans lequel un agrément est octroyé à une société de bourse, in casu la Belgique ;
2° Etat membre d'accueil, un Etat membre dans lequel une société de bourse a une succursale ou fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et/ou des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3° ;
3° la Banque, la Banque en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
1° Etat membre d'origine, l'Etat membre dans lequel un agrément est octroyé à une société de bourse, in casu la Belgique ;
2° Etat membre d'accueil, un Etat membre dans lequel une société de bourse a une succursale ou fournit des services d'investissement et/ou exerce des activités d'investissement et/ou des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3° ;
3° la Banque, la Banque en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
Afdeling II. - Toezicht op de werkzaamheden
Section II. - Contrôle des activités
Art.154. § 1. Het toezicht dat wordt uitgeoefend door de Bank overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk I omvat eveneens de werkzaamheden die de beursvennootschappen uitoefenen via de vestiging van bijkantoren of het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten, onverminderd de bevoegdheden waarover de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst beschikken op grond van de wetgeving tot omzetting van richtlijn 2019/2034 in die lidstaat.
Het toezicht bedoeld in het eerste lid laat het toezicht op geconsolideerde basis onverlet.
§ 2. De Bank neemt bij de uitoefening van haar taak naar behoren de gevolgen in overweging die haar beslissingen, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten alsmede van de Unie in haar geheel, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
Het toezicht bedoeld in het eerste lid laat het toezicht op geconsolideerde basis onverlet.
§ 2. De Bank neemt bij de uitoefening van haar taak naar behoren de gevolgen in overweging die haar beslissingen, met name in noodsituaties, kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel van alle andere betrokken lidstaten alsmede van de Unie in haar geheel, uitgaande van de op het betrokken tijdstip beschikbare informatie.
Art.154. § 1er. Le contrôle exercé par la Banque conformément au Titre III, Chapitre Ier appréhende également les activités que les sociétés de bourse exercent par voie de succursales ou de libre prestation de services dans d'autres Etats membres, sans préjudice des prérogatives dont disposent les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil en vertu de la législation prise en vue de la transposition de la directive 2019/2034 dans cet Etat membre.
Le contrôle visé à l'alinéa 1er ne porte pas préjudice au contrôle sur base consolidée.
§ 2. Dans l'exercice de sa mission, la Banque tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés et de l'ensemble de l'Union, en particulier dans les situations d'urgence, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
Le contrôle visé à l'alinéa 1er ne porte pas préjudice au contrôle sur base consolidée.
§ 2. Dans l'exercice de sa mission, la Banque tient dûment compte de l'incidence potentielle de ses décisions sur la stabilité du système financier de tous les autres Etats membres concernés et de l'ensemble de l'Union, en particulier dans les situations d'urgence, en se fondant sur les informations disponibles au moment considéré.
Afdeling III. - Uitzonderingsmaatregelen
Section III. - Mesures exceptionnelles
Art.155. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat waar een beursvennootschap naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of beleggingsdiensten of -activiteiten of nevendiensten verricht als bedoeld in artikel 3, 2° en 3° in het kader van het vrij verrichten van diensten, de Bank ervan in kennis stellen dat deze vennootschap de wettelijke bepalingen vastgesteld op grond van richtlijn 2014/56/EU niet naleeft, treft de Bank zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen, met name deze bedoeld in de artikelen 202 tot en met 204, of doet zij deze maatregelen treffen, om ervoor te zorgen dat deze onregelmatige situatie wordt verholpen.
De Bank deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.
De Bank deelt deze maatregelen onverwijld mee aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.
Art.155. Lorsque les autorités compétentes d'un autre Etat membre dans lequel une société de bourse de droit belge a établi une succursale ou y exerce des activités ou des services d'investissement ou des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3° dans le cadre de la libre prestation de services, informent la Banque que cette société ne respecte pas les dispositions légales adoptées en vertu de la directive 2014/56/UE, la Banque prend ou fait prendre, sans délai, toute mesure appropriée, notamment celles visées aux articles 202 à 204, pour veiller à ce qu'il soit remédié à la situation de manquement.
La Banque communique sans délai ces mesures à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
La Banque communique sans délai ces mesures à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil.
Afdeling IV. - Samenwerking
Section IV. - Coopération
Art.156. § 1. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van vennootschappen die in andere lidstaten worden uitgeoefend via een bijkantoor, werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst. De Bank verstrekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst:
1° alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken beursvennootschappen die het toezicht op deze beursvennootschappen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die beursvennootschappen kunnen vergemakkelijken;
2° alle gegevens die de monitoring van deze beursvennootschappen kunnen vergemakkelijken, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, alsook beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, beperking van grote risico's; en
3° alle gegevens betreffende eventuele andere factoren die van invloed kunnen zijn op het risico, in voorkomend geval het systeemrisico, dat door deze vennootschappen word gevormd.
§ 2. De Bank verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beursvennootschap kan inhouden met betrekking tot de bescherming van de cliënten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaat van ontvangst.
§ 3. De Bank geeft gevolg aan informatie waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis is gesteld, door alle maatregelen te nemen die nodig zijn om mogelijke problemen en risico's als bedoeld in paragraaf 2 te voorkomen of te verhelpen.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de Bank mee en legt zij in detail uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.
Indien de Bank het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere tekortkomingen te voorkomen teneinde de belangen van beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, kan zij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
§ 4. De Bank kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
§ 5. Voor het beoordelen van de voorwaarde in artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c) van Verordening 2019/2033, kan de Bank de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid verzoeken om informatie in verband met het margemodel en de parameters die worden gebruikt voor het berekenen van het margevereiste van de betrokken vennootschap.
1° alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken beursvennootschappen die het toezicht op deze beursvennootschappen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die beursvennootschappen kunnen vergemakkelijken;
2° alle gegevens die de monitoring van deze beursvennootschappen kunnen vergemakkelijken, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, alsook beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, beperking van grote risico's; en
3° alle gegevens betreffende eventuele andere factoren die van invloed kunnen zijn op het risico, in voorkomend geval het systeemrisico, dat door deze vennootschappen word gevormd.
§ 2. De Bank verstrekt aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onmiddellijk alle inlichtingen en bevindingen over mogelijke problemen en risico's die een beursvennootschap kan inhouden met betrekking tot de bescherming van de cliënten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de betrokken lidstaat van ontvangst.
§ 3. De Bank geeft gevolg aan informatie waarvan zij door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis is gesteld, door alle maatregelen te nemen die nodig zijn om mogelijke problemen en risico's als bedoeld in paragraaf 2 te voorkomen of te verhelpen.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst deelt de Bank mee en legt zij in detail uit hoe met de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst meegedeelde inlichtingen en bevindingen rekening werd gehouden.
Indien de Bank het niet eens is met de maatregelen die door een bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst moeten worden getroffen om verdere tekortkomingen te voorkomen teneinde de belangen van beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, kan zij de zaak aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
§ 4. De Bank kan eveneens situaties waarin een verzoek om samenwerking, met name een verzoek om uitwisseling van informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, aan de Europese Bankautoriteit voorleggen overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
§ 5. Voor het beoordelen van de voorwaarde in artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c) van Verordening 2019/2033, kan de Bank de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid verzoeken om informatie in verband met het margemodel en de parameters die worden gebruikt voor het berekenen van het margevereiste van de betrokken vennootschap.
Art.156. § 1er. En vue de surveiller l'activité des sociétés exercée dans d'autres Etats membres par voie d'une succursale, la Banque collabore étroitement avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil. La Banque communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil :
1° toutes les informations relatives à la gestion et à l'actionnariat des sociétés de bourse concernées susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément ;
2° toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne, ainsi que de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques ; et
3° toutes les informations relatives à tout autre facteur susceptible d'influer sur le risque, le cas échéant systémique, que ces sociétés représentent.
§ 2. La Banque communique immédiatement à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes les informations et constatations relatives à tout problème ou risque éventuel qu'une société de bourse est susceptible de poser en ce qui concerne la protection des clients ou la stabilité du système financier dans l'Etat membre d'accueil concerné.
§ 3. La Banque agit sur la base des informations communiquées par les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil en prenant toutes les mesures nécessaires pour prévenir ou remédier aux problèmes et risques éventuels visés au paragraphe 2.
A la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, la Banque communique et explique en détail comment les informations et constatations fournies par les premières ont été prises en considération.
Si la Banque s'oppose aux mesures à prendre par une autorité compétente de l'Etat membre d'accueil afin de prévenir de nouveaux manquements en vue de protéger les intérêts des investisseurs et d'autres personnes pour lesquelles des services sont fournis, ou de préserver la stabilité du système financier, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
§ 4. De même, la Banque peut, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, saisir l'Autorité bancaire européenne dans les situations où une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations, a été rejetée ou n'a pas été suivie d'effet dans un délai raisonnable.
§ 5. Aux fins de l'appréciation de la condition prévue à l'article 23, paragraphe 1er, alinéa 1er, point c) du Règlement 2019/2033, la Banque peut demander à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine d'un membre compensateur de fournir des informations relatives au modèle de marge et aux paramètres utilisés en vue de calculer l'exigence de marge de la société concernée.
1° toutes les informations relatives à la gestion et à l'actionnariat des sociétés de bourse concernées susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément ;
2° toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne, ainsi que de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques ; et
3° toutes les informations relatives à tout autre facteur susceptible d'influer sur le risque, le cas échéant systémique, que ces sociétés représentent.
§ 2. La Banque communique immédiatement à l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil toutes les informations et constatations relatives à tout problème ou risque éventuel qu'une société de bourse est susceptible de poser en ce qui concerne la protection des clients ou la stabilité du système financier dans l'Etat membre d'accueil concerné.
§ 3. La Banque agit sur la base des informations communiquées par les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil en prenant toutes les mesures nécessaires pour prévenir ou remédier aux problèmes et risques éventuels visés au paragraphe 2.
A la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, la Banque communique et explique en détail comment les informations et constatations fournies par les premières ont été prises en considération.
Si la Banque s'oppose aux mesures à prendre par une autorité compétente de l'Etat membre d'accueil afin de prévenir de nouveaux manquements en vue de protéger les intérêts des investisseurs et d'autres personnes pour lesquelles des services sont fournis, ou de préserver la stabilité du système financier, elle peut saisir l'Autorité bancaire européenne conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
§ 4. De même, la Banque peut, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, saisir l'Autorité bancaire européenne dans les situations où une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations, a été rejetée ou n'a pas été suivie d'effet dans un délai raisonnable.
§ 5. Aux fins de l'appréciation de la condition prévue à l'article 23, paragraphe 1er, alinéa 1er, point c) du Règlement 2019/2033, la Banque peut demander à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine d'un membre compensateur de fournir des informations relatives au modèle de marge et aux paramètres utilisés en vue de calculer l'exigence de marge de la société concernée.
Afdeling V. - Controle ter plaatse
Section V. - Contrôle sur place
Art.157. § 1. De Bank kan bij beursvennootschappen die in een andere lidstaat hun werkzaamheden uitoefenen via een bijkantoor, na voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, in voorkomend geval met inschakeling van een deskundige die zij aanstelt, ter plaatse de in artikel 156 bedoelde informatie controleren en dergelijke bijkantoren inspecteren.
§ 2. De Bank kan voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 184 bedoelde procedures.
§ 3. Bij de opstelling van haar programma voor prudentieel toezicht als bedoeld in artikel 131 houdt de Bank naar behoren rekening met de informatie en bevindingen die zij heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, en let zij ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaten waar bijkantoren van de betrokken beursvennootschap gevestigd zijn.
§ 4. De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren door de Bank geschieden overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.
§ 2. De Bank kan voor de inspectie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 184 bedoelde procedures.
§ 3. Bij de opstelling van haar programma voor prudentieel toezicht als bedoeld in artikel 131 houdt de Bank naar behoren rekening met de informatie en bevindingen die zij heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, en let zij ook op de stabiliteit van het financiële stelsel van de lidstaten waar bijkantoren van de betrokken beursvennootschap gevestigd zijn.
§ 4. De controles ter plaatse en inspecties van bijkantoren door de Bank geschieden overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de controle of inspectie plaatsvindt.
Art.157. § 1er Dans le cas de sociétés de bourse qui exercent leur activité dans un autre Etat membre par voie de succursale, la Banque peut, après en avoir informé l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, procéder elle-même ou via un expert qu'elle désigne à un contrôle sur place des informations visées à l'article 156 et inspecter de telles succursales.
§ 2. La Banque peut également recourir, pour l'inspection des succursales, à l'une des autres procédures visées à l'article 184.
§ 3. La Banque tient dûment compte des informations et constatations obtenues de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans l'établissement de son programme de contrôle prudentiel visé à l'article 131, eu égard également à la stabilité du système financier des Etats membres dans lesquels sont établies des succursales de la société de bourse concernée.
§ 4. Les contrôles sur place et les inspections de succursales par la Banque sont conduits conformément au droit de l'Etat membre où le contrôle ou l'inspection a lieu.
§ 2. La Banque peut également recourir, pour l'inspection des succursales, à l'une des autres procédures visées à l'article 184.
§ 3. La Banque tient dûment compte des informations et constatations obtenues de l'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil dans l'établissement de son programme de contrôle prudentiel visé à l'article 131, eu égard également à la stabilité du système financier des Etats membres dans lesquels sont établies des succursales de la société de bourse concernée.
§ 4. Les contrôles sur place et les inspections de succursales par la Banque sont conduits conformément au droit de l'Etat membre où le contrôle ou l'inspection a lieu.
Afdeling VI. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Section VI. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.158. Bij wijze van uitzondering op dit Hoofdstuk zijn de artikelen 155 tot en met 162 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 57, 134, 172, 174, 178, 180 et 234 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 57, 120 en 202 van deze wet.
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 57, 134, 172, 174, 178, 180 et 234 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 57, 120 en 202 van deze wet.
Art.158. Par exception au présent Chapitre, les articles 155 à 162 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 57, 134 et 234 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 57, 120 et 202 de la présente loi.
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 57, 134 et 234 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 57, 120 et 202 de la présente loi.
HOOFDSTUK IV. - Groepstoezicht
CHAPITRE IV. - Surveillance du groupe
Afdeling I. - Definities
Section Ire. - Définitions
Art.159. § 1. Onverminderd artikel 3 van deze wet worden voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis op beursvennootschappen die deel uitmaken van een groep met minstens één kredietinstelling, zoals opgenomen in Afdeling II van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, verstaan onder:
1° kredietinstellingsgroep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
2° de begrippen toezichthouder, financiële instelling, moederkredietinstelling in een lidstaat, Belgische moederkredietinstelling, EER-moederkredietinstelling, Belgische EER-moederkredietinstelling, financiële moederholding in een lidstaat, Belgische financiële moederholding, financiële EER-moederholding, Belgische financiële EER-moederholding, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, Belgische gemengde financiële moederholding, gemengde financiële EER-moederholding, Belgische gemengde financiële EER-moederholding, moederbeleggingsonderneming, EER-moederbeleggingsonderneming, groep en groep uit een derde land: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014;
3° [1 consoliderende toezichthouder: een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;]1
§ 2. Onverminderd artikel 3 van deze wet worden voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis op beursvennootschappen die deel uitmaken van een groep zonder kredietinstellingen, zoals opgenomen in Afdeling III van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, verstaan onder:
1° beleggingsondernemingsgroep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een beleggingsonderneming is en er geen enkele een kredietinstelling is, en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
2° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en geen beleggingsonderneming en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het verrichten van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in artikel 4 van de wet van 25 april 2014;
3° EU-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een beleggingsonderneming in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die een beleggingsonderneming of een financiële instelling als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een dergelijke beleggingsonderneming of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
4° Belgische EU-moederbeleggingsonderneming: een Belgische beleggingsonderneming die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een EU-moederbeleggingsonderneming die onder Belgisch recht ressorteert;
5° EU-moederbeleggingsholding: een beleggingsholding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een beleggingsholding in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
6° Belgische EU-moederbeleggingsholding: een Belgische beleggingsholding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een EU-moederbeleggingsholding die onder Belgisch recht ressorteert;
7° gemengde financiële EU-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een gemengde financiële holding in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
8° Belgische gemengde financiële EU-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. gemengde financiële EU-moederholding die onder Belgisch recht ressorteert;
9° gemengde holding: een moederonderneming die geen financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding, kredietinstelling of beleggingsonderneming is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;
10° groepstoezichthouder: een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederbeleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen die onder zeggenschap staan van EU-moederbeleggingsholdings of gemengde financiële EU-moederholdings of voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door die entiteiten;
11° ° onderneming die nevendiensten verricht: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of uit een andere soortgelijke activiteit die ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een of meer beleggingsondernemingen;
12° naleving van het groepskapitaalcriterium: naleving, door een moederonderneming in een beleggingsondernemingsgroep, van de vereisten van artikel 8 van Verordening 2019/2033;
13° groep: een geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
14° geconsolideerde situatie: de situatie die overeenkomstig artikel 7 van Verordening 2019/2033 resulteert uit de toepassing van de vereisten van deze verordening op een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding alsof die onderneming samen met alle beleggingsondernemingen, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten en verbonden agenten in de beleggingsondernemingsgroep één enkele beleggingsonderneming vormde; voor de toepassing van deze definitie zijn de termen beleggingsonderneming, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht en verbonden agent ook van toepassing op ondernemingen in derde landen die, indien zij in de Unie waren gevestigd, aan de definities van die termen zouden beantwoorden;
15° de begrippen groep uit een derde land, financieel conglomeraat, beleggingsdienstensector en Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014.
§ 3. Onverminderd artikel 3 van deze wet heeft voor de toepassing van het aanvullend conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in Afdeling IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, het begrip financieel conglomeraat de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014.
1° kredietinstellingsgroep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
2° de begrippen toezichthouder, financiële instelling, moederkredietinstelling in een lidstaat, Belgische moederkredietinstelling, EER-moederkredietinstelling, Belgische EER-moederkredietinstelling, financiële moederholding in een lidstaat, Belgische financiële moederholding, financiële EER-moederholding, Belgische financiële EER-moederholding, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, Belgische gemengde financiële moederholding, gemengde financiële EER-moederholding, Belgische gemengde financiële EER-moederholding, moederbeleggingsonderneming, EER-moederbeleggingsonderneming, groep en groep uit een derde land: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014;
3° [1 consoliderende toezichthouder: een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;]1
§ 2. Onverminderd artikel 3 van deze wet worden voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis op beursvennootschappen die deel uitmaken van een groep zonder kredietinstellingen, zoals opgenomen in Afdeling III van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, verstaan onder:
1° beleggingsondernemingsgroep: een geheel van ondernemingen waarvan er minstens één een beleggingsonderneming is en er geen enkele een kredietinstelling is, en dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
2° financiële instelling: een onderneming die geen kredietinstelling en geen beleggingsonderneming en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of het verrichten van een of meer van de werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot 12 en 15 van de lijst in artikel 4 van de wet van 25 april 2014;
3° EU-moederbeleggingsonderneming: een beleggingsonderneming die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een beleggingsonderneming in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die een beleggingsonderneming of een financiële instelling als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een dergelijke beleggingsonderneming of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
4° Belgische EU-moederbeleggingsonderneming: een Belgische beleggingsonderneming die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een EU-moederbeleggingsonderneming die onder Belgisch recht ressorteert;
5° EU-moederbeleggingsholding: een beleggingsholding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een beleggingsholding in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
6° Belgische EU-moederbeleggingsholding: een Belgische beleggingsholding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een EU-moederbeleggingsholding die onder Belgisch recht ressorteert;
7° gemengde financiële EU-moederholding: een gemengde financiële holding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. een gemengde financiële holding in een lidstaat die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep en die zelf geen dochteronderneming is van een beleggingsonderneming waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder het recht van een lidstaat ressorteert;
8° Belgische gemengde financiële EU-moederholding: een Belgische gemengde financiële holding die de overkoepelende moederneming in de EER is van een beleggingsondernemingsgroep, d.w.z. gemengde financiële EU-moederholding die onder Belgisch recht ressorteert;
9° gemengde holding: een moederonderneming die geen financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding, kredietinstelling of beleggingsonderneming is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;
10° groepstoezichthouder: een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederbeleggingsondernemingen en beleggingsondernemingen die onder zeggenschap staan van EU-moederbeleggingsholdings of gemengde financiële EU-moederholdings of voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door die entiteiten;
11° ° onderneming die nevendiensten verricht: een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het bezit of het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of uit een andere soortgelijke activiteit die ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een of meer beleggingsondernemingen;
12° naleving van het groepskapitaalcriterium: naleving, door een moederonderneming in een beleggingsondernemingsgroep, van de vereisten van artikel 8 van Verordening 2019/2033;
13° groep: een geheel van ondernemingen dat gevormd wordt door een moederonderneming en haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd;
14° geconsolideerde situatie: de situatie die overeenkomstig artikel 7 van Verordening 2019/2033 resulteert uit de toepassing van de vereisten van deze verordening op een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding alsof die onderneming samen met alle beleggingsondernemingen, financiële instellingen, ondernemingen die nevendiensten verrichten en verbonden agenten in de beleggingsondernemingsgroep één enkele beleggingsonderneming vormde; voor de toepassing van deze definitie zijn de termen beleggingsonderneming, financiële instelling, onderneming die nevendiensten verricht en verbonden agent ook van toepassing op ondernemingen in derde landen die, indien zij in de Unie waren gevestigd, aan de definities van die termen zouden beantwoorden;
15° de begrippen groep uit een derde land, financieel conglomeraat, beleggingsdienstensector en Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen: de omschrijving die hiervan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014.
§ 3. Onverminderd artikel 3 van deze wet heeft voor de toepassing van het aanvullend conglomeraatstoezicht zoals opgenomen in Afdeling IV van dit Hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, het begrip financieel conglomeraat de betekenis die hieraan wordt gegeven in de wet van 25 april 2014.
Art.159. § 1er. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi, pour l'application du contrôle sur base consolidée des sociétés de bourse faisant partie d'un groupe comprenant au moins un établissement de crédit, tel que prévu à la Section II du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
1° groupe d'établissements de crédit : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
2° les notions de autorité de contrôle, établissement financier, établissement de crédit mère dans un Etat membre, établissement de crédit mère belge, établissement de crédit mère dans l'EEE, établissement de crédit mère belge dans l'EEE, compagnie financière mère dans un Etat membre, compagnie financière mère belge, compagnie financière mère dans l'EEE, compagnie financière mère belge dans l'EEE, compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, compagnie financière mixte mère belge, compagnie financière mixte mère dans l'EEE, compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, entreprise d'investissement mère dans l'EEE, groupe et groupe de pays tiers : le sens qui leur est conféré par la loi du 25 avril 2014 ;
3° [1 autorité de surveillance sur base consolidée, une autorité compétente chargée d'exercer la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la directive 2013/36/UE.]1
§ 2. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi, pour l'application du contrôle sur base consolidée des sociétés de bourse faisant partie d'un groupe ne comprenant aucun établissement de crédit, tel que prévu à la Section III du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
1° groupe d'entreprises d'investissement, un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est une entreprise d'investissement, qui ne comprend pas d'établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
2° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit ou entreprise d'investissement, et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 de la loi du 25 avril 2014 ;
3° entreprise d'investissement mère dans l'Union, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui a comme filiale une entreprise d'investissement ou un établissement financier, ou qui détient une participation dans une entreprise d'investissement ou un établissement financier, et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
4° entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, une entreprise d'investissement belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans l'Union relevant du droit belge ;
5° compagnie holding d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie holding d'investissement relevant du droit d'un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
6° compagnie holding d'investissement mère belge dans l'Union, une compagnie holding d'investissement belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union relevant du droit belge ;
7° compagnie financière mixte mère dans l'Union, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
8° compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans l'Union relevant du droit belge ;
9° compagnie mixte, une entreprise mère autre qu'une compagnie financière, une compagnie financière mixte, une compagnie holding d'investissement, un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement qui compte parmi ses filiales au moins une entreprise d'investissement ;
10° contrôleur du groupe, une autorité compétente chargée de la surveillance sur base consolidée des entreprises d'investissement mères dans l'Union et des entreprises d'investissement contrôlées par des compagnies holding d'investissement mères dans l'Union ou par des compagnies financières mixtes mères dans l'Union ou de surveiller le respect du test de capitalisation du groupe par ces entités ;
11° entreprise qui fournit des services auxiliaires : une entreprise dont l'activité principale consiste en la détention ou la gestion d'immeubles, en la gestion de services informatiques ou en une activité similaire ayant un caractère auxiliaire par rapport à l'activité principale d'une ou de plusieurs entreprises d'investissement ;
12° respect du test de capitalisation du groupe, le respect, par une entreprise mère d'un groupe d'entreprises d'investissement, des exigences de l'article 8 du règlement 2019/2033 ;
13° groupe, un ensemble d'entreprises qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
14° situation consolidée, la situation qui, conformément à l'article 7 du Règlement 2019/2033 résulte de l'application des exigences de ce Règlement à une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière holding mixte mère dans l'Union comme si cette entreprise formait, avec toutes les entreprises d'investissement, les établissements financiers, les entreprises qui fournissent des services auxiliaires et les agents liés du groupe d'entreprises d'investissement, une entreprise d'investissement unique ; aux fins de la présente définition, les termes entreprise d'investissement, établissement financier, entreprise qui fournit des services auxiliaires et agent lié s'appliquent aussi aux entreprises établies dans des pays tiers qui, si elles étaient établies dans l'Union, correspondraient aux définitions de ces termes ;
15° les notions de groupe de pays tiers, conglomérat financier, secteur des services d'investissement et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles, le sens qui leur est conféré par la loi du 25 avril 2014.
§ 3. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi, pour l'application de la surveillance complémentaire des conglomérats, tel que prévu à la Section IV de ce Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre, par la notion de conglomérat financier a le sens qui lui est conféré par la loi du 25 avril 2014.
1° groupe d'établissements de crédit : un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est un établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
2° les notions de autorité de contrôle, établissement financier, établissement de crédit mère dans un Etat membre, établissement de crédit mère belge, établissement de crédit mère dans l'EEE, établissement de crédit mère belge dans l'EEE, compagnie financière mère dans un Etat membre, compagnie financière mère belge, compagnie financière mère dans l'EEE, compagnie financière mère belge dans l'EEE, compagnie financière mixte mère dans un Etat membre, compagnie financière mixte mère belge, compagnie financière mixte mère dans l'EEE, compagnie financière mixte mère belge dans l'EEE, entreprise d'investissement mère dans un Etat membre, entreprise d'investissement mère dans l'EEE, groupe et groupe de pays tiers : le sens qui leur est conféré par la loi du 25 avril 2014 ;
3° [1 autorité de surveillance sur base consolidée, une autorité compétente chargée d'exercer la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 111 de la directive 2013/36/UE.]1
§ 2. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi, pour l'application du contrôle sur base consolidée des sociétés de bourse faisant partie d'un groupe ne comprenant aucun établissement de crédit, tel que prévu à la Section III du présent Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre par :
1° groupe d'entreprises d'investissement, un ensemble d'entreprises dont l'une au moins est une entreprise d'investissement, qui ne comprend pas d'établissement de crédit et qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
2° établissement financier, une entreprise autre qu'un établissement de crédit ou entreprise d'investissement, et autre qu'une compagnie holding purement industrielle, dont l'activité principale consiste à prendre des participations ou à exercer une ou plusieurs des activités visées aux points 2 à 12 et 15 de la liste reprise à l'article 4 de la loi du 25 avril 2014 ;
3° entreprise d'investissement mère dans l'Union, une entreprise d'investissement faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui a comme filiale une entreprise d'investissement ou un établissement financier, ou qui détient une participation dans une entreprise d'investissement ou un établissement financier, et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
4° entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, une entreprise d'investissement belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une entreprise d'investissement mère dans l'Union relevant du droit belge ;
5° compagnie holding d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie holding d'investissement relevant du droit d'un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
6° compagnie holding d'investissement mère belge dans l'Union, une compagnie holding d'investissement belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union relevant du droit belge ;
7° compagnie financière mixte mère dans l'Union, une compagnie financière mixte faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui n'est pas elle-même une filiale d'une entreprise d'investissement agréée dans un Etat membre ou d'une compagnie holding d'investissement ou compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre ;
8° compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, une compagnie financière mixte belge faîtière dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement, c.-à-d. une compagnie financière mixte mère dans l'Union relevant du droit belge ;
9° compagnie mixte, une entreprise mère autre qu'une compagnie financière, une compagnie financière mixte, une compagnie holding d'investissement, un établissement de crédit ou une entreprise d'investissement qui compte parmi ses filiales au moins une entreprise d'investissement ;
10° contrôleur du groupe, une autorité compétente chargée de la surveillance sur base consolidée des entreprises d'investissement mères dans l'Union et des entreprises d'investissement contrôlées par des compagnies holding d'investissement mères dans l'Union ou par des compagnies financières mixtes mères dans l'Union ou de surveiller le respect du test de capitalisation du groupe par ces entités ;
11° entreprise qui fournit des services auxiliaires : une entreprise dont l'activité principale consiste en la détention ou la gestion d'immeubles, en la gestion de services informatiques ou en une activité similaire ayant un caractère auxiliaire par rapport à l'activité principale d'une ou de plusieurs entreprises d'investissement ;
12° respect du test de capitalisation du groupe, le respect, par une entreprise mère d'un groupe d'entreprises d'investissement, des exigences de l'article 8 du règlement 2019/2033 ;
13° groupe, un ensemble d'entreprises qui est constitué d'une entreprise mère et de ses filiales, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et des entreprises contrôlées par ces dernières ;
14° situation consolidée, la situation qui, conformément à l'article 7 du Règlement 2019/2033 résulte de l'application des exigences de ce Règlement à une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière holding mixte mère dans l'Union comme si cette entreprise formait, avec toutes les entreprises d'investissement, les établissements financiers, les entreprises qui fournissent des services auxiliaires et les agents liés du groupe d'entreprises d'investissement, une entreprise d'investissement unique ; aux fins de la présente définition, les termes entreprise d'investissement, établissement financier, entreprise qui fournit des services auxiliaires et agent lié s'appliquent aussi aux entreprises établies dans des pays tiers qui, si elles étaient établies dans l'Union, correspondraient aux définitions de ces termes ;
15° les notions de groupe de pays tiers, conglomérat financier, secteur des services d'investissement et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles, le sens qui leur est conféré par la loi du 25 avril 2014.
§ 3. Sans préjudice de l'article 3 de la présente loi, pour l'application de la surveillance complémentaire des conglomérats, tel que prévu à la Section IV de ce Chapitre et par les arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre, par la notion de conglomérat financier a le sens qui lui est conféré par la loi du 25 avril 2014.
Änderungen
Afdeling II. - Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep
Section II. - Contrôle sur base consolidée des sociétés de bourse faisant partie d'un groupe d'établissements de crédit
Art.160. § 1. Onverminderd artikel 162, § 3, zijn de beursvennootschappen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep die een kredietinstelling naar Belgisch recht omvat, en met als moederonderneming:
1° een moederkredietinstelling naar Belgisch recht; of
2° een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat,
voor hun toezicht op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014.
§ 2. Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, zijn de artikelen 218/1 en 218/2 van de wet van 25 april 2014 van overeenkomstige toepassing op de beursvennootschappen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep, met dien verstande dat een beursvennootschap in een dergelijke groep slechts een intermediaire EER-moederonderneming kan zijn in de in artikel 218/2, § 3, tweede lid van dezelfde wet bedoelde gevallen.
1° een moederkredietinstelling naar Belgisch recht; of
2° een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat,
voor hun toezicht op geconsolideerde basis onderworpen aan de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling II en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014.
§ 2. Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, zijn de artikelen 218/1 en 218/2 van de wet van 25 april 2014 van overeenkomstige toepassing op de beursvennootschappen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep, met dien verstande dat een beursvennootschap in een dergelijke groep slechts een intermediaire EER-moederonderneming kan zijn in de in artikel 218/2, § 3, tweede lid van dezelfde wet bedoelde gevallen.
Art.160. § 1er. Sans préjudice de l'article 162, § 3, les sociétés de bourse de droit belge faisant partie d'un groupe d'établissements de crédit comprenant un établissement de crédit de droit belge, et ayant comme entreprise mère :
1° un établissement de crédit mère de droit belge ; ou
2° une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre,
sont, pour leur contrôle sur base consolidée, soumises aux dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II et Section IV de la loi du 25 avril 2014.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, les articles 218/1 et 218/2 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse de droit belge faisant partie d'un groupe d'établissements de crédit de pays tiers, étant entendu que dans un tel groupe, une société de bourse ne peut être une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE que dans les cas visés par l'article 218/2, § 3, alinéa 2 de la même loi.
1° un établissement de crédit mère de droit belge ; ou
2° une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre,
sont, pour leur contrôle sur base consolidée, soumises aux dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section II et Section IV de la loi du 25 avril 2014.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, les articles 218/1 et 218/2 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse de droit belge faisant partie d'un groupe d'établissements de crédit de pays tiers, étant entendu que dans un tel groupe, une société de bourse ne peut être une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE que dans les cas visés par l'article 218/2, § 3, alinéa 2 de la même loi.
Art.161. § 1. Voor de toepassing van artikel 160 wordt het toezicht op geconsolideerde basis op een beursvennootschap naar Belgisch recht, als bedoeld in dit artikel, uitgeoefend als volgt:
1° indien haar moederonderneming een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
4° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
5° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.
De punten 1° en 2° zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 1°, 2°, 5° en 6°, wanneer de Belgische beursvennootschap op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien de groep één kredietinstelling in de EER omvat.
2° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beursvennootschappen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de verschillende lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
1° indien haar moederonderneming een Belgische moederkredietinstelling of een Belgische EER-moederkredietinstelling is, door de toezichthouder;
2° indien haar moederonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat en/of een EER-moederkredietinstelling is, door de bevoegde autoriteit van de moederkredietinstelling in die lidstaat en, in voorkomend geval, door de bevoegde autoriteit van de EER-moederkredietinstelling;
3° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
4° indien zij een Belgische moederbeleggingsonderneming is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal;
5° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die één dochterkredietinstelling heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van die kredietinstelling;
6° indien haar moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat, een gemengde financiële moederholding in een lidstaat, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding is, die verschillende dochterkredietinstellingen heeft in de EER, door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal.
De punten 1° en 2° zijn cumulatief van toepassing wanneer voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1, 1°, 2°, 5° en 6°, wanneer de Belgische beursvennootschap op grond van artikel 18, leden 3 en 6 van Verordening nr. 575/2013 onder een toezicht op geconsolideerde basis valt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend:
1° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling indien de groep één kredietinstelling in de EER omvat.
2° door de bevoegde autoriteit van de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal indien de groep verschillende kredietinstellingen in de EER omvat.
§ 3. Indien een bevoegde autoriteit op individuele basis toezicht houdt op meer dan één kredietinstelling binnen een groep, is, in afwijking van paragraaf 1, 4° en 6°, en paragraaf 2, de consoliderende toezichthouder de bevoegde autoriteit die op individuele basis toezicht houdt op een of meer kredietinstellingen binnen de groep, indien de som van de balanstotalen van die kredietinstellingen hoger is dan die van de kredietinstellingen waarop op individuele basis door een andere bevoegde autoriteit toezicht wordt uitgeoefend.
§ 4. In bijzondere gevallen kunnen de toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis, af te zien van de criteria in de paragrafen 1 en 2 en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken kredietinstellingen en beursvennootschappen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de verschillende lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EER-moederkredietinstelling, de betrokken financiële EER-holding of gemengde financiële EER-holding, de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
Voor de toepassing van het eerste lid sluit de toezichthouder met de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomsten, in voorkomend geval overeenkomstig het bepaalde bij artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
Indien de toezichthouder met toepassing van deze paragraaf overeenkomsten heeft gesloten, brengt hij de Europese Commissie en de EBA daar onverwijld van op de hoogte.
Wanneer de toezichthouder belast wordt met het toezicht op geconsolideerde basis brengt hij de betrokken financiële holdings of gemengde financiële holdings of de kredietinstelling of de beursvennootschap met het hoogste balanstotaal van de groep hiervan op de hoogte.
Art.161. § 1er. Pour l'application de l'article 160 le contrôle sur base consolidée d'une société de bourse de droit belge, telle que visé dans cet article, est exercé comme suit :
1° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère belge ou un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
4° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
5° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé.
Les points 1° et 2° sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 1°, 2°, 5° et 6°, lorsque la société de bourse belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit si le groupe comprend un établissement de crédit dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 4° et 6° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et sociétés de bourse concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé.
1° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère belge ou un établissement de crédit mère belge dans l'EEE, par l'autorité de contrôle ;
2° si son entreprise mère est un établissement de crédit mère dans un Etat membre et/ou un établissement de crédit mère dans l'EEE, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'Etat membre et, le cas échéant, par l'autorité compétente de l'établissement de crédit mère dans l'EEE ;
3° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
4° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé ;
5° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant un seul établissement de crédit filiale dans l'EEE, par l'autorité compétente de cet établissement de crédit ;
6° si son entreprise mère est une compagnie financière mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mixte mère dans un Etat membre ou une compagnie financière mère dans l'EEE ou encore une compagnie financière mixte mère dans l'EEE, détenant plusieurs établissements de crédit filiales dans l'EEE, par l'autorité de contrôle compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé.
Les points 1° et 2° sont d'application cumulative lorsque leurs conditions d'application respectives sont rencontrées.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, 1°, 2°, 5° et 6°, lorsque la société de bourse belge relève d'un contrôle sur base consolidée en vertu de l'article 18, paragraphes 3 et 6 du Règlement n° 575/2013, le contrôle sur base consolidée est exercé :
1° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit si le groupe comprend un établissement de crédit dans l'EEE ;
2° par l'autorité compétente de l'établissement de crédit dont le total bilantaire est le plus élevé si le groupe comprend plusieurs établissements de crédit dans l'EEE.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 1er, 4° et 6° et au paragraphe 2, lorsqu'une autorité compétente assure le contrôle sur base individuelle de plus d'un établissement de crédit au sein d'un groupe, l'autorité de surveillance sur base consolidée est l'autorité compétente assurant le contrôle sur base individuelle d'un ou de plusieurs établissements de crédit au sein du groupe lorsque la somme du total des bilans des établissements de crédit est supérieure à celle des établissements de crédit contrôlés sur base individuelle par toute autre autorité compétente.
§ 4. Dans des cas particuliers, l'autorité de contrôle et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace de la surveillance sur base consolidée, déroger aux critères définis aux paragraphes 1er et 2 et charger une autre autorité compétente d'exercer la surveillance sur base consolidée lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux établissements de crédit et sociétés de bourse concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, l'établissement de crédit mère dans l'EEE, la compagnie financière dans l'EEE ou la compagnie financière mixte dans l'EEE concernée ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé, le cas échéant, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'autorité de contrôle conclut des accords avec les autorités compétentes concernées, le cas échéant conformément aux dispositions de l'article 36/16, § 2, de la loi du 22 février 1998.
L'autorité de contrôle notifie sans délai à la Commission européenne et à l'ABE tout accord conclu en application du présent paragraphe.
Lorsque l'autorité de contrôle est chargée du contrôle sur base consolidée, elle en informe les compagnies financières ou compagnies financières mixtes concernées ou l'établissement de crédit ou la société de bourse dont le total bilantaire est le plus élevé.
Afdeling III. - Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium op beursvennootschappen die deel uitmaken van een beleggingsondernemingsgroep
Section III. - Contrôle sur base consolidée et contrôle du respect du test de capitalisation du groupe des sociétés de bourse faisant partie d'un groupe d'entreprises d'investissement
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Sous-section Ire. - Champ d'application
Art.162. In de mate en op de wijze bepaald door artikel 7 van Verordening 2019/2033, door deze Afdeling en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn beursvennootschappen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een beleggingsondernemingsgroep:
1° die een Belgische EU-moederbeleggings-onderneming zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de groepstoezichthouder toestaat dat het in artikel 8 van Verordening 2019/2033 bepaalde groepskapitaalcriterium wordt toegepast.
§ 2. In de mate en op de wijze bepaald artikel 7 van Verordening 2019/2033, door deze Afdeling en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn beleggingsholdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:
1° die een Belgische EU-moederbeleggingsholding of een Belgische gemengde financiële EU-moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een EU-moederbeleggings-onderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederbeleggingsonderneming, de moederbeleggingsholding of de gemengde financiële moederholding.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de groepstoezichthouder toestaat dat het in artikel 8 van Verordening 2019/2033 bepaalde groepskapitaalcriterium wordt toegepast.
§ 3. Deze Afdeling is ook van toepassing op elke andere situatie die leidt tot de toepassing van artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033.
1° die een Belgische EU-moederbeleggings-onderneming zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de groepstoezichthouder toestaat dat het in artikel 8 van Verordening 2019/2033 bepaalde groepskapitaalcriterium wordt toegepast.
§ 2. In de mate en op de wijze bepaald artikel 7 van Verordening 2019/2033, door deze Afdeling en de uitvoeringsbesluiten en -reglementen ervan, zijn beleggingsholdings en gemengde financiële holdings naar Belgisch recht:
1° die een Belgische EU-moederbeleggingsholding of een Belgische gemengde financiële EU-moederholding zijn, onderworpen aan een toezicht op basis van hun geconsolideerde positie;
2° met als moederonderneming een EU-moederbeleggings-onderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, onderworpen aan een toezicht op basis van de geconsolideerde positie van de moederbeleggingsonderneming, de moederbeleggingsholding of de gemengde financiële moederholding.
Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de groepstoezichthouder toestaat dat het in artikel 8 van Verordening 2019/2033 bepaalde groepskapitaalcriterium wordt toegepast.
§ 3. Deze Afdeling is ook van toepassing op elke andere situatie die leidt tot de toepassing van artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033.
Art.162. § 1er. Dans la mesure et selon les modalités requises par l'article 7 du Règlement 2019/2033, par la présente Section et ses arrêtés et règlements d'exécution, les sociétés de bourse de droit belge faisant partie d'un groupe d'entreprises d'investissement :
1° qui sont une entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, sont soumis à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, sont soumis à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'entreprise d'investissement mère, de la compagnie holding d'investissement mère ou de la compagnie financière mixte mère.
L'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque le contrôleur du groupe autorise l'application du test de capitalisation du groupe prévu à l'article 8 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Dans la mesure et selon les modalités requises par l'article 7 du Règlement 2019/2033, par la présente Section et ses arrêtés et règlements d'exécution, les compagnies holding d'investissement et les compagnies financières mixtes de droit belge :
1° qui sont une compagnie holding d'investissement belge dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, sont soumises à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, sont soumises à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'entreprise d'investissement mère, de la compagnie holding d'investissement mère ou de la compagnie financière mixte mère.
L'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque le contrôleur du groupe autorise l'application du test de capitalisation du groupe prévu à l'article 8 du Règlement 2019/2033.
§ 3. La présente Section s'applique également à toute autre situation donnant lieu à l'application de l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2033.
1° qui sont une entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, sont soumis à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, sont soumis à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'entreprise d'investissement mère, de la compagnie holding d'investissement mère ou de la compagnie financière mixte mère.
L'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque le contrôleur du groupe autorise l'application du test de capitalisation du groupe prévu à l'article 8 du Règlement 2019/2033.
§ 2. Dans la mesure et selon les modalités requises par l'article 7 du Règlement 2019/2033, par la présente Section et ses arrêtés et règlements d'exécution, les compagnies holding d'investissement et les compagnies financières mixtes de droit belge :
1° qui sont une compagnie holding d'investissement belge dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, sont soumises à un contrôle sur la base de leur situation consolidée ;
2° ayant comme entreprise mère une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, sont soumises à un contrôle sur la base de la situation consolidée de l'entreprise d'investissement mère, de la compagnie holding d'investissement mère ou de la compagnie financière mixte mère.
L'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque le contrôleur du groupe autorise l'application du test de capitalisation du groupe prévu à l'article 8 du Règlement 2019/2033.
§ 3. La présente Section s'applique également à toute autre situation donnant lieu à l'application de l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2033.
Art.163. § 1. Wanneer artikel 7 van Verordening 2019/2033 van toepassing is, dienen beursvennootschappen naar Belgisch recht die beschouwd worden als Belgische EU-moederbeleggingsondernemingen en Belgische EU-moederbeleggingsholdings en Belgische gemengde financiële EU-moederholdings op geconsolideerde en/of, in voorkomend geval, subgeconsolideerde basis aan de artikelen 17, 23 tot en met 40, 56 tot en met 59, 66 tot en met 78, 86 en 109 te voldoen.
§ 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1 genoemde artikelen, zijn niet van toepassing indien de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen, beleggingsholdings of gemengde financiële holdings aan de Bank kunnen aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
§ 3. Onverminderd artikel 48 van Verordening 2019/2033, publiceren de beursvennootschappen naar Belgisch recht die beschouwd worden als Belgische EU-moederbeleggingsondernemingen jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 14 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.
§ 2. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in paragraaf 1 genoemde artikelen, zijn niet van toepassing indien de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen, beleggingsholdings of gemengde financiële holdings aan de Bank kunnen aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.
§ 3. Onverminderd artikel 48 van Verordening 2019/2033, publiceren de beursvennootschappen naar Belgisch recht die beschouwd worden als Belgische EU-moederbeleggingsondernemingen jaarlijks een beschrijving van hun juridische structuur en van hun regeling voor de bedrijfsorganisatie die van toepassing is op geconsolideerd niveau, met inbegrip van de inlichtingen bedoeld in artikel 14 en in paragraaf 1 van dit artikel, hetzij door volledige vermelding, hetzij door verwijzing naar reeds gepubliceerde gelijkwaardige informatie.
Art.163. § 1er. Lorsque l'article 7 du Règlement 2019/2033 est applicable, les sociétés de bourse de droit belge qui qualifient d'entreprises d'investissement mères belges dans l'Union et les compagnies holding d'investissement belge dans l'Union et compagnies financières mères belges dans l'Union doivent satisfaire sur base consolidée et/ou sous-consolidée le cas échéant, aux articles 17, 23 à 40, 56 à 59, 66 à 78, 86 et 109, y compris les dispositions de l'Annexe.
§ 2. Les obligations découlant des articles cités au paragraphe 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si les sociétés de bourse, les compagnies holding d'investissement ou les compagnies financières mixtes visées au paragraphe 1er peuvent démontrer à la Banque que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.
§ 3. Sans préjudice de l'article 48 du Règlement 2019/2033, les sociétés de bourse de droit belge qui qualifient d'entreprises d'investissement mères belges dans l'Union publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d'organisation d'entreprise applicable au niveau consolidé, en ce compris les informations visées à l'article 14 et au paragraphe 1er du présent article.
§ 2. Les obligations découlant des articles cités au paragraphe 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si les sociétés de bourse, les compagnies holding d'investissement ou les compagnies financières mixtes visées au paragraphe 1er peuvent démontrer à la Banque que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.
§ 3. Sans préjudice de l'article 48 du Règlement 2019/2033, les sociétés de bourse de droit belge qui qualifient d'entreprises d'investissement mères belges dans l'Union publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d'organisation d'entreprise applicable au niveau consolidé, en ce compris les informations visées à l'article 14 et au paragraphe 1er du présent article.
Art.164. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033, is elke bepaling van deze Afdeling die van toepassing is op basis van de geconsolideerde positie van of voor de naleving van het groepskapitaalcriterium door de beleggingsholding naar Belgisch recht ook van toepassing op het niveau van een gemengde financiële holding naar Belgisch recht voor zover:
1° de beleggingsdienstensector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
3° de toezichthouder zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de beleggingsdienstensector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3 van de wet van 25 april 2014.
Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.
§ 2. Onverminderd de toepassing van paragraaf 3, indien een beursvennootschap naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van deze Afdeling die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis of de naleving van het groepskapitaalcriterium, en anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de Bank besluiten op deze beursvennootschap of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.
§ 3. Wanneer een beursvennootschap deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de beleggingsdienstensector de belangrijkste sector is en waarover de Bank zowel het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 162 en 163, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 van de wet van 25 april 2014 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis of voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium;
2° voor de naleving van artikel 192 in de mate dat dit de artikelen 191 tot 194 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen, worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I bij voornoemde wet. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de hierboven genoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 192 in de mate dat dit artikel 195 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die uitgevoerd kunnen worden op basis van artikel 137.
§ 4. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 3 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 van de wet van 25 april 2014, binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 192 in de mate dat dit artikel 199 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen.
§ 5. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 2 genomen besluit en de krachtens paragraaf 4 getroffen coördinatieregeling.
1° de beleggingsdienstensector de belangrijkste sector is binnen het financieel conglomeraat;
2° minstens één van de dochterondernemingen een kredietinstelling is;
3° de toezichthouder zowel het toezicht op geconsolideerde basis als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de omvang van de beleggingsdienstensector gemeten overeenkomstig artikel 186, § 3 van de wet van 25 april 2014.
Voor de toepassing van deze paragraaf verkrijgt de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder het akkoord van de betrokken bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de dochterondernemingen en van de groepstoezichthouder in de verzekeringssector.
§ 2. Onverminderd de toepassing van paragraaf 3, indien een beursvennootschap naar Belgisch recht die aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat of een gemengde financiële holding naar Belgisch recht onderworpen is aan gelijkwaardige bepalingen van deze Afdeling die enerzijds betrekking hebben op het toezicht op geconsolideerde basis of de naleving van het groepskapitaalcriterium, en anderzijds op het aanvullende conglomeraatstoezicht, en met name als deze bepalingen betrekking hebben op risicogebaseerd toezicht, kan de Bank besluiten op deze beursvennootschap of gemengde financiële holding alleen de relevante bepalingen die betrekking hebben op het aanvullende conglomeraatstoezicht toe te passen.
§ 3. Wanneer een beursvennootschap deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarin de beleggingsdienstensector de belangrijkste sector is en waarover de Bank zowel het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, als het aanvullende conglomeraatstoezicht uitoefent, kan deze beslissen, na overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten, dat de volgende maatregelen van toepassing zijn:
1° wat betreft de verplichtingen en bevoegdheden inzake risicogebaseerd toezicht, zoals neergelegd in de artikelen 162 en 163, of onderdelen daarvan, zal bij wijze van afwijking de groep zoals gedefinieerd in artikel 164, § 4 van de wet van 25 april 2014 en die het financieel conglomeraat vormt, in aanmerking worden genomen als relevante reikwijdte voor het toezicht op geconsolideerde basis of voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium;
2° voor de naleving van artikel 192 in de mate dat dit de artikelen 191 tot 194 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen, worden de groepsrisico's die voortvloeien uit intragroepsverrichtingen en risicoconcentratie binnen het financieel conglomeraat, als een bijkomende risicocategorie behandeld voor de toepassing van Bijlage I bij voornoemde wet. Deze risico's worden voldoende specifiek behandeld, met inachtneming van de richtlijnen of standaarden die de Europese toezichthoudende autoriteiten uitvaardigen en van de kwantitatieve of kwalitatieve maatregelen waarnaar verwezen wordt in de hierboven genoemde artikelen;
3° voor de naleving van artikel 192 in de mate dat dit artikel 195 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen kunnen de bedoelde stresstests op het niveau van het financieel conglomeraat worden geïntegreerd in de stresstests die uitgevoerd kunnen worden op basis van artikel 137.
§ 4. De praktische modaliteiten voor de toepassing van paragraaf 3 worden schriftelijk vastgelegd in een coördinatieregeling met de relevante bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 164, § 3 van de wet van 25 april 2014, binnen het college in de samenstelling die vereist is op basis van artikel 192 in de mate dat dit artikel 199 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de beursvennootschappen.
§ 5. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank de EBA en de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen in kennis van het krachtens paragraaf 1, derde lid verkregen akkoord, het krachtens paragraaf 2 genomen besluit en de krachtens paragraaf 4 getroffen coördinatieregeling.
Art.164. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2033, toute disposition de la présente Section qui s'applique sur la base de la situation consolidée de la compagnie holding d'investissement de droit belge ou quant au respect du test de capitalisation du groupe s'applique également au niveau d'une compagnie financière mixte de droit belge pour autant que :
1° le secteur des services d'investissement soit le principal secteur au sein du conglomérat financier ;
2° l'une des filiales au moins soit une entreprise d'investissement ;
3° la Banque exerce aussi bien le contrôle sur base consolidée que la surveillance complémentaire du conglomérat.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'importance du secteur des services d'investissement est mesurée conformément à l'article 186, § 3 de la loi du 25 avril 2014.
Pour l'application de ce paragraphe, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, obtient l'accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l'assurance.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 3, lorsqu'une société de bourse à la tête d'un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes de la présente Section qui portent d'une part sur le contrôle sur base consolidée ou le respect du test de capitalisation du groupe et d'autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, la Banque peut décider de n'appliquer à cette société de bourse ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 3. Lorsqu'une société de bourse fait partie d'un conglomérat financier dans lequel le secteur des services d'investissement est le principal secteur et sur lequel la Banque exerce tant le contrôle sur base consolidée ou le contrôle sur le respect du test de capitalisation du groupe, que la surveillance complémentaire du conglomérat, celle-ci peut décider, après concertation avec les autorités compétentes concernées, que les mesures suivantes sont d'application :
1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 162 et 163, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l'article 164, § 4 de la loi du 25 avril 2014, et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle sur base consolidée ou pour le contrôle sur le respect du test de capitalisation du groupe ;
2° pour le respect de l'article 192, dans la mesure où il rend les articles 191 à 194 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse, les risques de groupe qui découlent des opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires aux fins de l'Annexe I de ladite loi. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles susmentionnés ;
3° pour le respect de l'article 192, dans la mesure où il rend l'article 195 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse, les simulations de crise visées peuvent être intégrées au niveau du conglomérat financier dans les simulations de crise qui peuvent être effectuées sur la base de l'article 137.
§ 4. Les modalités pratiques relatives à l'application du paragraphe 3 sont consignées par écrit dans un règlement de coordination avec les autorités compétentes relevantes au sens de l'article 164, § 3 de la loi du 25 avril 2014, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l'article 192, dans la mesure où il rend l'article 195 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse.
§ 5. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l'ABE et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l'accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 2, et du règlement de coordination pris en vertu du paragraphe 4.
1° le secteur des services d'investissement soit le principal secteur au sein du conglomérat financier ;
2° l'une des filiales au moins soit une entreprise d'investissement ;
3° la Banque exerce aussi bien le contrôle sur base consolidée que la surveillance complémentaire du conglomérat.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'importance du secteur des services d'investissement est mesurée conformément à l'article 186, § 3 de la loi du 25 avril 2014.
Pour l'application de ce paragraphe, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, obtient l'accord des autorités compétentes concernées chargées du contrôle des filiales et du contrôleur du groupe dans le secteur de l'assurance.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 3, lorsqu'une société de bourse à la tête d'un conglomérat financier ou une compagnie financière mixte de droit belge sont soumis à des dispositions équivalentes de la présente Section qui portent d'une part sur le contrôle sur base consolidée ou le respect du test de capitalisation du groupe et d'autre part sur la surveillance complémentaire des conglomérats, et plus particulièrement lorsque ces dispositions portent sur le contrôle fondé sur les risques, la Banque peut décider de n'appliquer à cette société de bourse ou cette compagnie financière mixte que les dispositions pertinentes qui portent sur la surveillance complémentaire des conglomérats.
§ 3. Lorsqu'une société de bourse fait partie d'un conglomérat financier dans lequel le secteur des services d'investissement est le principal secteur et sur lequel la Banque exerce tant le contrôle sur base consolidée ou le contrôle sur le respect du test de capitalisation du groupe, que la surveillance complémentaire du conglomérat, celle-ci peut décider, après concertation avec les autorités compétentes concernées, que les mesures suivantes sont d'application :
1° en ce qui concerne les obligations et compétences relatives au contrôle fondé sur les risques, telles que décrites aux articles 162 et 163, ou des parties de ceux-ci, le groupe, tel que défini à l'article 164, § 4 de la loi du 25 avril 2014, et qui constitue le conglomérat financier, sera, par dérogation, pris en considération au titre de la portée pertinente pour le contrôle sur base consolidée ou pour le contrôle sur le respect du test de capitalisation du groupe ;
2° pour le respect de l'article 192, dans la mesure où il rend les articles 191 à 194 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse, les risques de groupe qui découlent des opérations intragroupes et de la concentration des risques au sein du conglomérat financier sont traités comme une catégorie de risques supplémentaires aux fins de l'Annexe I de ladite loi. Ces risques sont traités de façon suffisamment spécifique, tout en respectant les directives ou normes édictées par les Autorités européennes de surveillance, ainsi que les mesures quantitatives et qualitatives auxquelles il est fait référence dans les articles susmentionnés ;
3° pour le respect de l'article 192, dans la mesure où il rend l'article 195 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse, les simulations de crise visées peuvent être intégrées au niveau du conglomérat financier dans les simulations de crise qui peuvent être effectuées sur la base de l'article 137.
§ 4. Les modalités pratiques relatives à l'application du paragraphe 3 sont consignées par écrit dans un règlement de coordination avec les autorités compétentes relevantes au sens de l'article 164, § 3 de la loi du 25 avril 2014, au sein du collège constitué de la manière requise sur la base de l'article 192, dans la mesure où il rend l'article 195 de la loi du 25 avril 2014 applicable aux sociétés de bourse.
§ 5. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, informe l'ABE et l'Autorité européenne des assurances et des pensions professionnelles de l'accord obtenu en vertu du paragraphe 1er, alinéa 3, de la décision arrêtée en vertu du paragraphe 2, et du règlement de coordination pris en vertu du paragraphe 4.
Onderafdeling II. - Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium te vergemakkelijken
Sous-section II. - Mesures visant à faciliter le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe
Art.165. § 1. Het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium op een beursvennootschap naar Belgisch recht die deel uitmaakt van een beleggingsondernemingsgroep, als bedoeld in artikel 160 wordt uitgeoefend als volgt:
1° indien zij een Belgische EU-moederbeleggings-onderneming is, door de Bank;
2° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsonderneming is, door de bevoegde autoriteit van de EU-moederbeleggingsonderneming;
3° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die geen andere dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, door de Bank;
4° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER waarvan er minstens één vergund is in de lidstaat waarin deze moederholding gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat;
5° indien haar moederonderneming een Belgische EU-moederbeleggingsholding of een Belgische gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, door de Bank;
6° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, waarvan er geen enkele vergund is in de lidstaat waar deze moederholding gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal;
7° indien meerdere beleggingsholdings of gemengde financiële holdings, gevestigd in diverse lidstaten moederonderneming zijn van beleggingsondernemingen die vergund zijn in verschillende lidstaten, waaronder een beursvennootschap naar Belgisch recht, en zich in elk van deze lidstaten een beleggingsonderneming bevindt, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.
Bij wijze van uitzondering op het eerste lid, wordt het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium op beleggingsondernemingsgroepen waar een Belgische beursvennootschappen deel van uitmaakt door de Bank uitgeoefend in de gevallen waarin de toepassing van het eerste lid zou leiden tot de aanwijzing van de FSMA als groepstoezichthouder.
§ 2. De Bank en de betrokken bevoegde autoriteiten kunnen onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis of van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, af te wijken van de criteria in paragraaf 1, 4° tot 7° en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EU-moederbeleggingsholding, de gemengde financiële EU-moederholding, of de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
De Bank brengt de Europese Commissie en de EBA van op de hoogte van elke beslissing die met toepassing van deze paragraaf wordt genomen.
1° indien zij een Belgische EU-moederbeleggings-onderneming is, door de Bank;
2° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsonderneming is, door de bevoegde autoriteit van de EU-moederbeleggingsonderneming;
3° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die geen andere dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, door de Bank;
4° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER waarvan er minstens één vergund is in de lidstaat waarin deze moederholding gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat;
5° indien haar moederonderneming een Belgische EU-moederbeleggingsholding of een Belgische gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, door de Bank;
6° indien haar moederonderneming een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding is, die verschillende dochterbeleggingsondernemingen heeft in de EER, waarvan er geen enkele vergund is in de lidstaat waar deze moederholding gevestigd is, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal;
7° indien meerdere beleggingsholdings of gemengde financiële holdings, gevestigd in diverse lidstaten moederonderneming zijn van beleggingsondernemingen die vergund zijn in verschillende lidstaten, waaronder een beursvennootschap naar Belgisch recht, en zich in elk van deze lidstaten een beleggingsonderneming bevindt, door de bevoegde autoriteit van de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal.
Bij wijze van uitzondering op het eerste lid, wordt het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium op beleggingsondernemingsgroepen waar een Belgische beursvennootschappen deel van uitmaakt door de Bank uitgeoefend in de gevallen waarin de toepassing van het eerste lid zou leiden tot de aanwijzing van de FSMA als groepstoezichthouder.
§ 2. De Bank en de betrokken bevoegde autoriteiten kunnen onderling overeenkomen, met het oog op een efficiënte organisatie van het toezicht op geconsolideerde basis of van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, af te wijken van de criteria in paragraaf 1, 4° tot 7° en een andere bevoegde autoriteit aanstellen om het toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen indien de toepassing van die criteria niet passend zou zijn, rekening houdend met de betrokken beleggingsondernemingen en de relatieve belangrijkheid van hun activiteiten in de betrokken lidstaten.
In dergelijke gevallen heeft de EU-moederbeleggingsholding, de gemengde financiële EU-moederholding, of de beleggingsonderneming met het hoogste balanstotaal, naargelang het geval, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten de beslissing nemen.
De Bank brengt de Europese Commissie en de EBA van op de hoogte van elke beslissing die met toepassing van deze paragraaf wordt genomen.
Art.165. § 1er. Le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe d'une société de bourse de droit belge qui fait partie d'un groupe d'entreprises d'investissement, tel que visé à l'article 160, est exercé comme suit :
1° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, par la Banque ;
2° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans l'Union, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement mère dans l'Union ;
3° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, ne détenant pas d'autre entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, par la Banque ;
4° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE dont au moins une est agréée dans l'Etat membre où cette compagnie holding mère est établie, par l'autorité compétente de cet Etat membre ;
5° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère belge dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, par la Banque ;
6° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, dont aucune n'a été agréée dans l'Etat membre où cette compagnie holding mère est établie, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé ;
7° si plusieurs compagnies holding d'investissement ou compagnies financières mixtes, établies dans des Etats membres différents, sont l'entreprise mère d'entreprises d'investissement agréées dans différents Etats membres, dont une société de bourse de droit belge, et qu'il y a une entreprise d'investissement dans chacun desdits Etats membres, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé.
Par exception à l'alinéa 1er, le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation de groupe sur des groupes d'entreprises d'investissement auxquels une société de bourse de droit belge appartient est exercé par la Banque dans les cas où l'application de l'alinéa 1er conduirait à la désignation de la FSMA en qualité de contrôleur du groupe.
§ 2. La Banque et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, déroger aux critères définis aux paragraphe 1er, 4° à 7° et charger une autre autorité compétente d'exercer le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux entreprises d'investissement concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, la compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou la compagnie financière mixte mère dans l'Union concernée ou l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé, selon le cas, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
La Banque notifie la Commission européenne et à l'ABE tout décision prise en application du présent paragraphe.
1° s'il s'agit d'une entreprise d'investissement mère belge dans l'Union, par la Banque ;
2° si son entreprise mère est une entreprise d'investissement mère dans l'Union, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement mère dans l'Union ;
3° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, ne détenant pas d'autre entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, par la Banque ;
4° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE dont au moins une est agréée dans l'Etat membre où cette compagnie holding mère est établie, par l'autorité compétente de cet Etat membre ;
5° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère belge dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère belge dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, par la Banque ;
6° si son entreprise mère est une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union, détenant plusieurs entreprises d'investissement filiales dans l'EEE, dont aucune n'a été agréée dans l'Etat membre où cette compagnie holding mère est établie, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé ;
7° si plusieurs compagnies holding d'investissement ou compagnies financières mixtes, établies dans des Etats membres différents, sont l'entreprise mère d'entreprises d'investissement agréées dans différents Etats membres, dont une société de bourse de droit belge, et qu'il y a une entreprise d'investissement dans chacun desdits Etats membres, par l'autorité compétente de l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé.
Par exception à l'alinéa 1er, le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation de groupe sur des groupes d'entreprises d'investissement auxquels une société de bourse de droit belge appartient est exercé par la Banque dans les cas où l'application de l'alinéa 1er conduirait à la désignation de la FSMA en qualité de contrôleur du groupe.
§ 2. La Banque et les autorités compétentes concernées peuvent, d'un commun accord, en vue d'une organisation efficace du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, déroger aux critères définis aux paragraphe 1er, 4° à 7° et charger une autre autorité compétente d'exercer le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe lorsque l'application de ces critères serait inappropriée eu égard aux entreprises d'investissement concernées et à l'importance relative de leurs activités dans les différents Etats membres.
Dans ces cas, la compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou la compagnie financière mixte mère dans l'Union concernée ou l'entreprise d'investissement dont le total bilantaire est le plus élevé, selon le cas, dispose d'un droit d'être entendu avant que les autorités compétentes concernées ne prennent cette décision.
La Banque notifie la Commission européenne et à l'ABE tout décision prise en application du présent paragraphe.
Art.166. § 1. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165, kan zij, in voorkomend geval, colleges van toezichthoudende autoriteiten oprichten om het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium te vergemakkelijken, meer bepaald de uitoefening van de in dit artikel en artikel 47 van richtlijn 2019/2034 bedoelde taken, en te zorgen voor coördinatie en samenwerking met de relevante toezichthoudende autoriteiten van derde landen, in het bijzonder indien dit voor de toepassing van artikel 23, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 2 van Verordening 2019/2033 nodig is om met de toezichthoudende autoriteiten van de gekwalificeerde centrale tegenpartijen relevante informatie over het margemodel uit te wisselen en deze bij te werken.
Overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010 neemt de EBA deel aan de vergaderingen van de colleges van toezichthoudende autoriteiten.
Binnen de colleges van bevoegde toezichthoudende autoriteiten verricht de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken:
1° zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1095/2010, met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten informatie uit;
2° zij bereiken een akkoord over de vrijwillige delegatie van taken en verantwoordelijkheden tussen bevoegde autoriteiten, indien van toepassing;
3° zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden;
4° zij coördineren verzoeken om informatie:
a) indien dit nodig is voor het faciliteren van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig artikel 7 van Verordening 2019/2033; en
b) in gevallen waarin verscheidene bevoegde autoriteiten van beleggingsondernemingen die tot dezelfde groep behoren, hetzij van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid, hetzij van de bevoegde autoriteit van de gekwalificeerde centrale tegenpartij informatie moeten vragen over het margemodel en de parameters die worden gebruikt voor de berekening van het margevereiste van de desbetreffende beleggingsondernemingen.
§ 2. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan de Bank, indien passend, colleges van toezichthoudende autoriteiten oprichten ingeval dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of gemengde financiële EU-moederholding in een derde land zijn gevestigd.
§ 3. De oprichting en de werking van de colleges van toezichthoudende autoriteiten worden schriftelijk vastgelegd.
§ 4. De volgende autoriteiten zijn leden van het college van toezichthoudende autoriteiten:
1° de Bank;
2° de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding;
3° in voorkomend geval, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten die volgens alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Titel IV, Hoofdstuk I, Afdeling 2 van richtlijn 2019/2034.
§ 5. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder zit de Bank de vergaderingen van het college van toezichthoudende autoriteiten voor en stelt zij de besluiten vast. Zij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Zij informeert alle leden van het college tevens tijdig en volledig over de op die vergaderingen genomen besluiten of over de uitgevoerde maatregelen.
§ 6. Bij het vaststellen van besluiten met toepassing van paragraaf 5, houdt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, rekening met de relevantie van de door de in paragraaf 4 bedoelde autoriteiten te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit.
§ 7. In geval van een verschil van mening over een door de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, genomen besluit over de werking van colleges van toezichthoudende autoriteiten mag de Bank de zaak aan de EBA voorleggen en de EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
Overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010 neemt de EBA deel aan de vergaderingen van de colleges van toezichthoudende autoriteiten.
Binnen de colleges van bevoegde toezichthoudende autoriteiten verricht de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, samen met de betrokken bevoegde autoriteiten de volgende taken:
1° zij wisselen onderling en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1093/2010, met de EBA en, overeenkomstig artikel 21 van Verordening nr. 1095/2010, met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten informatie uit;
2° zij bereiken een akkoord over de vrijwillige delegatie van taken en verantwoordelijkheden tussen bevoegde autoriteiten, indien van toepassing;
3° zij vergroten de efficiëntie van het toezicht door onnodige duplicatie van toezichtvereisten te vermijden;
4° zij coördineren verzoeken om informatie:
a) indien dit nodig is voor het faciliteren van het toezicht op geconsolideerde basis, overeenkomstig artikel 7 van Verordening 2019/2033; en
b) in gevallen waarin verscheidene bevoegde autoriteiten van beleggingsondernemingen die tot dezelfde groep behoren, hetzij van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van een clearinglid, hetzij van de bevoegde autoriteit van de gekwalificeerde centrale tegenpartij informatie moeten vragen over het margemodel en de parameters die worden gebruikt voor de berekening van het margevereiste van de desbetreffende beleggingsondernemingen.
§ 2. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder kan de Bank, indien passend, colleges van toezichthoudende autoriteiten oprichten ingeval dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of gemengde financiële EU-moederholding in een derde land zijn gevestigd.
§ 3. De oprichting en de werking van de colleges van toezichthoudende autoriteiten worden schriftelijk vastgelegd.
§ 4. De volgende autoriteiten zijn leden van het college van toezichthoudende autoriteiten:
1° de Bank;
2° de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op dochterondernemingen van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding;
3° in voorkomend geval, de toezichthoudende autoriteiten van derde landen, met inachtneming van vertrouwelijkheidsvereisten die volgens alle bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan de vereisten van Titel IV, Hoofdstuk I, Afdeling 2 van richtlijn 2019/2034.
§ 5. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder zit de Bank de vergaderingen van het college van toezichthoudende autoriteiten voor en stelt zij de besluiten vast. Zij informeert alle leden van het college vooraf volledig over het beleggen van vergaderingen, de voornaamste agendapunten en de in overweging te nemen activiteiten. Zij informeert alle leden van het college tevens tijdig en volledig over de op die vergaderingen genomen besluiten of over de uitgevoerde maatregelen.
§ 6. Bij het vaststellen van besluiten met toepassing van paragraaf 5, houdt de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, rekening met de relevantie van de door de in paragraaf 4 bedoelde autoriteiten te plannen of te coördineren toezichtsactiviteit.
§ 7. In geval van een verschil van mening over een door de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, genomen besluit over de werking van colleges van toezichthoudende autoriteiten mag de Bank de zaak aan de EBA voorleggen en de EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
Art.166. § 1er. La Banque, lorsqu'elle est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165, peut, s'il y a lieu, établir des collèges d'autorités de surveillance afin de faciliter le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, notamment l'exercice des tâches visées au présent article et à l'article 47 de la directive 2019/2034, et de garantir la coordination et la coopération avec les autorités de surveillance de pays tiers concernées, en particulier lorsque cela est nécessaire aux fins de l'application de l'article 23, paragraphe 1er, alinéa 1er, point c) et paragraphe 2 du Règlement n° 2019/2033 pour échanger et actualiser des informations utiles sur le modèle de marge avec les autorités de surveillance des contreparties centrales éligibles.
Conformément à l'article 21 du Règlement n° 1093/2010, l'ABE participe aux réunions des collèges d'autorités de surveillance.
Au sein des collèges d'autorités de surveillance, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, exerce, avec les autorités compétentes concernées et l'ABE, les tâches suivantes :
1° elles échangent des informations entre elles et avec l'ABE, conformément à l'article 21 du Règlement n° 1093/2010 et avec l'Autorité européenne des marchés financiers conformément à l'article 21 du Règlement n° 1095/2010 ;
2° elles recherchent un accord sur la délégation volontaire de tâches et de responsabilités entre autorités compétentes, s'il y a lieu ;
3° elles renforcent l'efficacité du contrôle en évitant la duplication inutile des exigences à des fins de surveillance ;
4° elles assurent la coordination des demandes d'information :
a) lorsque cela est nécessaire aux fins de faciliter la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 7 du Règlement n° 2019/2033 ; et
b) lorsque plusieurs autorités compétentes d'entreprises d'investissement faisant partie du même groupe doivent demander des informations relatives au modèle de marge et aux paramètres utilisés pour le calcul de l'exigence de marge des entreprises d'investissement concernées soit de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine d'un membre compensateur, soit de l'autorité compétente de la contrepartie centrale éligible.
§ 2. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut, le cas échéant, établir des collèges d'autorités de surveillance lorsque des filiales d'un groupe d'entreprise d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union sont situées dans des pays tiers.
§ 3. La constitution et le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance sont formalisés par voie d'accords écrits.
§ 4. Les autorités suivantes sont membres du collège des autorités de surveillance :
1° la Banque ;
2° les autorités compétentes chargées du contrôle des filiales d'un groupe d'entreprises d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière holding mixte mère dans l'Union ;
3° le cas échéant, les autorités de surveillance de pays tiers, sous réserve qu'elles soient soumises à des exigences de secret professionnel qui sont, de l'avis de toutes les autorités compétentes concernées, équivalentes aux exigences fixées au Titre IV, Chapitre 1er, Section 2 de la directive 2019/2034.
§ 5. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, préside les réunions du collège d'autorités de surveillance et adopte des décisions. Elle informe pleinement à l'avance tous les membres du collège de l'organisation de réunions, des principales questions à aborder et des activités à examiner. Elle informe également pleinement et en temps utile tous les membres du collège des décisions adoptées lors de ces réunions ou des actions menées.
§ 6. Lors de l'adoption de décisions en application du paragraphe 5, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, tient compte de la pertinence de l'activité de surveillance qui doit être planifiée ou coordonnée par les autorités visées au paragraphe 4.
§ 7. En cas de désaccord avec une décision adoptée par la Banque, en sa qualité d'autorité de contrôleur du groupe, sur le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance, la Banque peut saisir l'ABE et demander son assistance, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Conformément à l'article 21 du Règlement n° 1093/2010, l'ABE participe aux réunions des collèges d'autorités de surveillance.
Au sein des collèges d'autorités de surveillance, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, exerce, avec les autorités compétentes concernées et l'ABE, les tâches suivantes :
1° elles échangent des informations entre elles et avec l'ABE, conformément à l'article 21 du Règlement n° 1093/2010 et avec l'Autorité européenne des marchés financiers conformément à l'article 21 du Règlement n° 1095/2010 ;
2° elles recherchent un accord sur la délégation volontaire de tâches et de responsabilités entre autorités compétentes, s'il y a lieu ;
3° elles renforcent l'efficacité du contrôle en évitant la duplication inutile des exigences à des fins de surveillance ;
4° elles assurent la coordination des demandes d'information :
a) lorsque cela est nécessaire aux fins de faciliter la surveillance sur base consolidée conformément à l'article 7 du Règlement n° 2019/2033 ; et
b) lorsque plusieurs autorités compétentes d'entreprises d'investissement faisant partie du même groupe doivent demander des informations relatives au modèle de marge et aux paramètres utilisés pour le calcul de l'exigence de marge des entreprises d'investissement concernées soit de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine d'un membre compensateur, soit de l'autorité compétente de la contrepartie centrale éligible.
§ 2. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, peut, le cas échéant, établir des collèges d'autorités de surveillance lorsque des filiales d'un groupe d'entreprise d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière mixte mère dans l'Union sont situées dans des pays tiers.
§ 3. La constitution et le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance sont formalisés par voie d'accords écrits.
§ 4. Les autorités suivantes sont membres du collège des autorités de surveillance :
1° la Banque ;
2° les autorités compétentes chargées du contrôle des filiales d'un groupe d'entreprises d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans l'Union, une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou une compagnie financière holding mixte mère dans l'Union ;
3° le cas échéant, les autorités de surveillance de pays tiers, sous réserve qu'elles soient soumises à des exigences de secret professionnel qui sont, de l'avis de toutes les autorités compétentes concernées, équivalentes aux exigences fixées au Titre IV, Chapitre 1er, Section 2 de la directive 2019/2034.
§ 5. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, préside les réunions du collège d'autorités de surveillance et adopte des décisions. Elle informe pleinement à l'avance tous les membres du collège de l'organisation de réunions, des principales questions à aborder et des activités à examiner. Elle informe également pleinement et en temps utile tous les membres du collège des décisions adoptées lors de ces réunions ou des actions menées.
§ 6. Lors de l'adoption de décisions en application du paragraphe 5, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, tient compte de la pertinence de l'activité de surveillance qui doit être planifiée ou coordonnée par les autorités visées au paragraphe 4.
§ 7. En cas de désaccord avec une décision adoptée par la Banque, en sa qualité d'autorité de contrôleur du groupe, sur le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance, la Banque peut saisir l'ABE et demander son assistance, conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art.167. In haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, neemt de Bank deel aan de colleges van toezichthoudende autoriteiten die opgericht zijn door de groepstoezichthouder.
In geval van een verschil van mening tussen de Bank, in haar hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, over een door de groepstoezichthouder genomen besluit over de werking van de colleges van toezichthouders, mag zij de zaak aan de EBA voorleggen en de EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
In geval van een verschil van mening tussen de Bank, in haar hoedanigheid bedoeld in het eerste lid, over een door de groepstoezichthouder genomen besluit over de werking van de colleges van toezichthouders, mag zij de zaak aan de EBA voorleggen en de EBA om bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010.
Art.167. La Banque, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un groupe d'entreprises d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans l'Union, d'une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'Union participe aux collèges d'autorités de surveillance établis par le contrôleur du groupe.
En cas de désaccord de la Banque, en sa qualité visée à l'alinéa 1er, avec une décision prise par le contrôleur du groupe sur le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance, elle peut saisir l'ABE et lui demander assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
En cas de désaccord de la Banque, en sa qualité visée à l'alinéa 1er, avec une décision prise par le contrôleur du groupe sur le fonctionnement des collèges d'autorités de surveillance, elle peut saisir l'ABE et lui demander assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1093/2010.
Art.168. § 1. De Bank verstrekt aan de in artikel 166, § 4 bedoelde autoriteiten en, in voorkomend geval, aan de groepstoezichthouder, alle nodige relevante informatie, waaronder:
1° de beschrijving de juridische en bestuursstructuur van de beleggingsondernemingsgroep, met inbegrip van zijn organisatiestructuur, die alle gereguleerde en niet-gereguleerde entiteiten, niet-gereguleerde dochterondernemingen en de moederondernemingen omvat, en van de bevoegde autoriteiten van de gereguleerde entiteiten in de beleggingsondernemingsgroep;
2° de procedures voor het vergaren van informatie bij de beleggingsondernemingen in een beleggingsondernemingsgroep en de procedures voor de verificatie van die informatie;
3° ongunstige ontwikkelingen in beleggingsondernemingen of in andere entiteiten van een beleggingsondernemingsgroep die ernstige nadelige gevolgen voor deze beleggingsondernemingen zouden kunnen hebben;
4° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2019/2034;
5° het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste met toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 39 van richtlijn 2019/2034 door de bevoegde autoriteiten.
§ 2. De Bank kan de volgende situaties aan de EBA voorleggen overeenkomstig artikel 19, lid 1 van Verordening nr. 1093/2010:
1° een bevoegde autoriteit heeft relevante informatie niet zonder onnodige vertraging meegedeeld overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 49, lid 1 van richtlijn 2019/2034;
2° een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.
1° de beschrijving de juridische en bestuursstructuur van de beleggingsondernemingsgroep, met inbegrip van zijn organisatiestructuur, die alle gereguleerde en niet-gereguleerde entiteiten, niet-gereguleerde dochterondernemingen en de moederondernemingen omvat, en van de bevoegde autoriteiten van de gereguleerde entiteiten in de beleggingsondernemingsgroep;
2° de procedures voor het vergaren van informatie bij de beleggingsondernemingen in een beleggingsondernemingsgroep en de procedures voor de verificatie van die informatie;
3° ongunstige ontwikkelingen in beleggingsondernemingen of in andere entiteiten van een beleggingsondernemingsgroep die ernstige nadelige gevolgen voor deze beleggingsondernemingen zouden kunnen hebben;
4° belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben genomen overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van richtlijn 2019/2034;
5° het opleggen van een specifiek eigenvermogensvereiste met toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 39 van richtlijn 2019/2034 door de bevoegde autoriteiten.
§ 2. De Bank kan de volgende situaties aan de EBA voorleggen overeenkomstig artikel 19, lid 1 van Verordening nr. 1093/2010:
1° een bevoegde autoriteit heeft relevante informatie niet zonder onnodige vertraging meegedeeld overeenkomstig de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 49, lid 1 van richtlijn 2019/2034;
2° een verzoek om samenwerking, met name om uitwisseling van relevante informatie, is afgewezen of niet binnen een redelijke termijn gehonoreerd.
Art.168. § 1er. La Banque communique aux autorités visées à l'article 166, § 4, et, le cas échéant, au contrôleur du groupe, toutes les informations pertinentes nécessaires, notamment :
1° la description de la structure juridique du groupe d'entreprises d'investissement et de sa structure de gouvernance, y compris sa structure organisationnelle, englobant l'ensemble des entités réglementées et non réglementées, des filiales non réglementées et des entreprises mères, et l'indication des autorités compétentes dont relèvent les entités réglementées du groupe d'entreprises d'investissement ;
2° les procédures régissant la collecte d'informations auprès des entreprises d'investissement d'un groupe d'entreprises d'investissement, ainsi que les procédures de vérification de ces informations ;
3° toute évolution négative subie par les entreprises d'investissement ou d'autres entités d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui pourrait affecter gravement ces entreprises d'investissement ;
4° toutes les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément aux dispositions nationales transposant la directive 2019/2034 ;
5° l'imposition d'une exigence spécifique de fonds propres par les autorités compétentes en application des dispositions nationales transposant l'article 39 de la directive 2019/2034.
§ 2. L'autorité de contrôle peut saisir l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 1er du Règlement n° 1093/2010 dans les cas suivants :
1° une autorité compétente n'a pas communiqué, en application des dispositions nationales transposant l'article 49, paragraphe 1er de la directive 2019/2034, les informations pertinentes sans délai injustifié ;
2° une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations pertinentes, a été rejetée ou n'a pas été honorée dans un délai raisonnable.
1° la description de la structure juridique du groupe d'entreprises d'investissement et de sa structure de gouvernance, y compris sa structure organisationnelle, englobant l'ensemble des entités réglementées et non réglementées, des filiales non réglementées et des entreprises mères, et l'indication des autorités compétentes dont relèvent les entités réglementées du groupe d'entreprises d'investissement ;
2° les procédures régissant la collecte d'informations auprès des entreprises d'investissement d'un groupe d'entreprises d'investissement, ainsi que les procédures de vérification de ces informations ;
3° toute évolution négative subie par les entreprises d'investissement ou d'autres entités d'un groupe d'entreprises d'investissement et qui pourrait affecter gravement ces entreprises d'investissement ;
4° toutes les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes conformément aux dispositions nationales transposant la directive 2019/2034 ;
5° l'imposition d'une exigence spécifique de fonds propres par les autorités compétentes en application des dispositions nationales transposant l'article 39 de la directive 2019/2034.
§ 2. L'autorité de contrôle peut saisir l'ABE conformément à l'article 19, paragraphe 1er du Règlement n° 1093/2010 dans les cas suivants :
1° une autorité compétente n'a pas communiqué, en application des dispositions nationales transposant l'article 49, paragraphe 1er de la directive 2019/2034, les informations pertinentes sans délai injustifié ;
2° une demande de coopération, en particulier d'échange d'informations pertinentes, a été rejetée ou n'a pas été honorée dans un délai raisonnable.
Art.169. De Bank raadpleegt de andere in artikel 166, § 4 bedoelde autoriteiten en, in voorkomend geval, de groepstoezichthouder alvorens een besluit te nemen dat van belang kan zijn voor de toezichtstaken van andere bevoegde autoriteiten, over het volgende:
1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van beleggingsondernemingen in een beleggingsondernemingsgroep, die een goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
2° door bevoegde autoriteiten aan beleggingsondernemingen opgelegde significante sancties of andere door die autoriteiten getroffen uitzonderlijke maatregelen, en
3° specifiek eigenvermogensvereisten, opgelegd door de bevoegde autoriteiten met toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 39 van richtlijn 2019/2034.
In haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, moet de Bank steeds de groepstoezichthouder raadplegen als zij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2° overweegt te nemen.
In afwijking van het eerste lid mag de Bank evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als haar besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt zij de andere bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van haar besluit om geen overleg te plegen.
1° wijzigingen in de aandeelhoudersstructuur of de organisatie- of bestuursstructuur van beleggingsondernemingen in een beleggingsondernemingsgroep, die een goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;
2° door bevoegde autoriteiten aan beleggingsondernemingen opgelegde significante sancties of andere door die autoriteiten getroffen uitzonderlijke maatregelen, en
3° specifiek eigenvermogensvereisten, opgelegd door de bevoegde autoriteiten met toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 39 van richtlijn 2019/2034.
In haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op dochterondernemingen naar Belgisch recht van een beleggingsondernemingsgroep onder leiding van een EU-moederbeleggingsonderneming, een EU-moederbeleggingsholding of een gemengde financiële EU-moederholding, moet de Bank steeds de groepstoezichthouder raadplegen als zij een beslissing als bedoeld in het eerste lid, 2° overweegt te nemen.
In afwijking van het eerste lid mag de Bank evenwel besluiten andere bevoegde autoriteiten niet te raadplegen in noodsituaties of als haar besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dergelijke gevallen brengt zij de andere bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van haar besluit om geen overleg te plegen.
Art.169. La Banque consulte les autorités visées à l'article 166, § 4, et, le cas échéant, le contrôleur du groupe, avant de prendre une décision susceptible de revêtir de l'importance pour les missions de surveillance de ces autorités compétentes, sur les points suivants :
1° les changements affectant la structure de l'actionnariat, la structure organisationnelle ou de direction des entreprises d'investissement qui font partie d'un groupe d'entreprises d'investissement, et nécessitant l'approbation ou l'agrément des autorités compétentes ;
2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes à l'égard des entreprises d'investissement , et
3° les exigences spécifiques de fonds propres imposées en application de la transposition nationale de l'article 39 de la directive 2019/2034.
La Banque, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un groupe d'entreprises d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans l'Union, d'une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'Union, doit toujours consulter le contrôleur du groupe lorsqu'elle envisage de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la Banque peut néanmoins décider de ne pas consulter d'autres autorités compétentes en cas d'urgence ou lorsqu'une telle consultation pourrait compromettre l'efficacité de ses décisions. Dans ce cas, elle informe sans délai les autres autorités compétentes concernées de sa décision de ne pas les consulter.
1° les changements affectant la structure de l'actionnariat, la structure organisationnelle ou de direction des entreprises d'investissement qui font partie d'un groupe d'entreprises d'investissement, et nécessitant l'approbation ou l'agrément des autorités compétentes ;
2° les sanctions significatives et mesures exceptionnelles décidées par les autorités compétentes à l'égard des entreprises d'investissement , et
3° les exigences spécifiques de fonds propres imposées en application de la transposition nationale de l'article 39 de la directive 2019/2034.
La Banque, en sa qualité d'autorité compétente chargée du contrôle de filiales de droit belge d'un groupe d'entreprises d'investissement dirigé par une entreprise d'investissement mère dans l'Union, d'une compagnie holding d'investissement mère dans l'Union ou d'une compagnie financière mixte mère dans l'Union, doit toujours consulter le contrôleur du groupe lorsqu'elle envisage de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la Banque peut néanmoins décider de ne pas consulter d'autres autorités compétentes en cas d'urgence ou lorsqu'une telle consultation pourrait compromettre l'efficacité de ses décisions. Dans ce cas, elle informe sans délai les autres autorités compétentes concernées de sa décision de ne pas les consulter.
Art.170. § 1. Indien een beursvennootschap, een beleggingsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde holding naar Belgisch recht moederonderneming is van één of meer ondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of van andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningstelsel geldt, werkt de toezichthouder nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden kan de Bank alle inlichtingen vragen of verstrekken aan deze autoriteiten waardoor de vervulling van hun respectieve taken kan worden vergemakkelijkt en toezicht op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.
§ 2. Wanneer de Bank met toepassing van artikel 165 aangewezen is als groepstoezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding en de Bank niet aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de Bank en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 2019/2033 op geconsolideerde basis of voor de toepassing van het groepskapitaalcriterium. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.
§ 2. Wanneer de Bank met toepassing van artikel 165 aangewezen is als groepstoezichthouder van een groep met een gemengde financiële moederholding en de Bank niet aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 10 van richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator, werken de Bank en de coördinator samen voor de toepassing van deze wet en Verordening nr. 2019/2033 op geconsolideerde basis of voor de toepassing van het groepskapitaalcriterium. Om een doeltreffende samenwerking mogelijk te maken, sluit de Bank, in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder, met de coördinator schriftelijke coördinatie- en samenwerkingsovereenkomsten.
Art.170. § 1er. Lorsqu'une société de bourse, une compagnie holding d'investissement, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge est l'entreprise mère d'une ou de plusieurs entreprises qui sont des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement soumises à agrément, la Banque collabore étroitement avec les autorités investies de la mission publique de surveillance des entreprises d'assurance ou d'autres entreprises fournissant des services d'investissement. Sans préjudice de leurs compétences respectives, la Banque peut demander ou fournir à ces autorités toutes les informations susceptibles de faciliter l'exercice de leurs tâches respectives et de permettre la surveillance de l'activité et de la situation financière de l'ensemble des entreprises soumises à leur surveillance.
§ 2. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 d'un groupe comprenant une compagnie financière mixte mère, et la Banque n'est pas désignée en qualité de coordinateur conformément à l'article 10 de la directive 2002/87/CE, la Banque et le coordinateur coopèrent aux fins de l'application de la présente loi et du Règlement n° 2019/2033 sur base consolidée ou aux fins de l'application du test de capitalisation du groupe. En vue de permettre une coopération efficace, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et le coordinateur mettent en place des accords écrits de coordination et de coopération.
§ 2. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 d'un groupe comprenant une compagnie financière mixte mère, et la Banque n'est pas désignée en qualité de coordinateur conformément à l'article 10 de la directive 2002/87/CE, la Banque et le coordinateur coopèrent aux fins de l'application de la présente loi et du Règlement n° 2019/2033 sur base consolidée ou aux fins de l'application du test de capitalisation du groupe. En vue de permettre une coopération efficace, la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, et le coordinateur mettent en place des accords écrits de coordination et de coopération.
Onderafdeling III. - Andere toepassingsgevallen
Sous-section III. - Autres cas d'application
Art.171. § 1. Indien een gemengde holding één of meer dochterondernemingen heeft die beursvennootschappen naar Belgisch recht zijn, kan de Bank de gegevens en inlichtingen vragen die zij dienstig acht voor haar toezicht op deze beursvennootschappen, hetzij rechtstreeks van de gemengde holding, hetzij door toedoen van de genoemde dochterondernemingen. In dit laatste geval blijft de gemengde holding samen met de rapporterende beursvennootschap verantwoordelijk voor de juistheid en stipte mededeling van de verstrekte informatie.
Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde holding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt deze over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.
§ 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
Indien de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd dan België, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 184. Indien die gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 170 worden gevolgd.
Wanneer de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in overeenkomsten tussen de Bank en de betrokken buitenlandse toezichthoudende autoriteiten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
§ 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid:
1° wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkende commissaris van deze onderneming;
2° wanneer de rapporterende onderneming buiten België gevestigd is, door de erkende commissaris van de beursvennootschao naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde holding is.
Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkende commissarissen het recht bedoeld in artikel 211 van de wet van 25 april 2014 op overeenkomstige wijze van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. Deze transacties worden door de Bank gecontroleerd.
Indien de in het eerste lid bedoelde gemengde holding een onderneming naar Belgisch recht is, beschikt deze over een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, teneinde de juistheid en conformiteit met de geldende regels te waarborgen van de te verstrekken gegevens en inlichtingen.
§ 2. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse controleren.
Indien de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen in een andere lidstaat is gevestigd dan België, geschiedt de controle ter plaatse van de informatie in overeenstemming met de procedure die vervat is in artikel 184. Indien die gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel 170 worden gevolgd.
Wanneer de gemengde holding of een van haar dochterondernemingen gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte hebben, worden de modaliteiten voor de uitvoering van het bepaalde bij paragraaf 1 vastgelegd in overeenkomsten tussen de Bank en de betrokken buitenlandse toezichthoudende autoriteiten, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 36/16, § 2 van de wet van 22 februari 1998.
§ 3. De Bank kan de met toepassing van paragraaf 1 verstrekte gegevens en inlichtingen laten verifiëren op hun juistheid en volledigheid:
1° wanneer de rapporterende onderneming een vennootschap naar Belgisch recht is, door de erkende commissaris van deze onderneming;
2° wanneer de rapporterende onderneming buiten België gevestigd is, door de erkende commissaris van de beursvennootschao naar Belgisch recht die een dochteronderneming van de gemengde holding is.
Wat de gegevens en inlichtingen betreft die uitgaan van gemengde holdings en hun dochterondernemingen, is voor de erkende commissarissen het recht bedoeld in artikel 211 van de wet van 25 april 2014 op overeenkomstige wijze van toepassing.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen beschikken over passende risicobeheerprocessen en internecontrolemechanismen, met inbegrip van gedegen rapporterings- en boekhoudkundige systemen, met het oog op een passende herkenning, meting, bewaking en controle van transacties met hun gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. Deze transacties worden door de Bank gecontroleerd.
Art.171. § 1er. Si une compagnie mixte possède une ou plusieurs filiales qui sont des sociétés de bourse de droit belge, la Banque peut demander toutes les données et informations qu'elle juge utiles pour l'exercice de son contrôle de ces sociétés de bourse à la compagnie mixte, soit directement à la compagnie mixte, soit par l'intermédiaire des filiales citées. Dans ce dernier cas, la compagnie mixte demeure, avec la société de bourse faisant rapport, responsable du caractère correct et de la communication ponctuelle des informations fournies.
Si la compagnie mixte visée à l'alinéa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne adéquats, afin de garantir que les informations et renseignements à fournir soient corrects et conformes aux règles applicables.
§ 2. La Banque peut contrôler sur place les données et informations fournies en application du paragraphe 1er.
Si la compagnie mixte ou une de ses filiales est établie dans un Etat membre autre que la Belgique, le contrôle sur place des informations se fait selon la procédure énoncée à l'article 184. Si cette compagnie mixte ou une de ses filiales est une entreprise d'assurance, la procédure énoncée à l'article 170 peut également être appliquée.
Lorsque la compagnie mixte ou une de ses filiales est établie en dehors de l'Espace économique européen, les modalités d'exécution des dispositions du paragraphe 1er sont fixées dans des accords conclus entre la Banque et les autorités étrangères de surveillance concernées, le cas échéant conformément à l'article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 3. L'autorité de contrôle peut faire vérifier le caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués en application du paragraphe 1er :
1° lorsque l'entreprise faisant rapport est une société de droit belge, par le commissaire agréé de cette entreprise ;
2° lorsque l'entreprise faisant rapport est établie en dehors de la Belgique, par le commissaire agréé de la société de bourse de droit belge que la compagnie mixte a pour filiale.
En ce qui concerne les informations et renseignements émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit visé à l'article 211 de la loi du 25 avril 2014 s'applique par analogie aux commissaires agréés.
§ 4. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er disposent de processus de gestion des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne adéquats, y compris de procédures saines d'information et de comptabilité, afin de détecter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière appropriée les transactions effectuées avec leur compagnie mixte mère et ses filiales. Ces transactions font l'objet d'un contrôle par la Banque.
Si la compagnie mixte visée à l'alinéa 1er est une entreprise de droit belge, elle dispose d'une organisation administrative et comptable et d'un contrôle interne adéquats, afin de garantir que les informations et renseignements à fournir soient corrects et conformes aux règles applicables.
§ 2. La Banque peut contrôler sur place les données et informations fournies en application du paragraphe 1er.
Si la compagnie mixte ou une de ses filiales est établie dans un Etat membre autre que la Belgique, le contrôle sur place des informations se fait selon la procédure énoncée à l'article 184. Si cette compagnie mixte ou une de ses filiales est une entreprise d'assurance, la procédure énoncée à l'article 170 peut également être appliquée.
Lorsque la compagnie mixte ou une de ses filiales est établie en dehors de l'Espace économique européen, les modalités d'exécution des dispositions du paragraphe 1er sont fixées dans des accords conclus entre la Banque et les autorités étrangères de surveillance concernées, le cas échéant conformément à l'article 36/16, § 2 de la loi du 22 février 1998.
§ 3. L'autorité de contrôle peut faire vérifier le caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués en application du paragraphe 1er :
1° lorsque l'entreprise faisant rapport est une société de droit belge, par le commissaire agréé de cette entreprise ;
2° lorsque l'entreprise faisant rapport est établie en dehors de la Belgique, par le commissaire agréé de la société de bourse de droit belge que la compagnie mixte a pour filiale.
En ce qui concerne les informations et renseignements émanant de compagnies mixtes et de leurs filiales, le droit visé à l'article 211 de la loi du 25 avril 2014 s'applique par analogie aux commissaires agréés.
§ 4. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er disposent de processus de gestion des risques, ainsi que de mécanismes de contrôle interne adéquats, y compris de procédures saines d'information et de comptabilité, afin de détecter, de mesurer, de suivre et de contrôler de manière appropriée les transactions effectuées avec leur compagnie mixte mère et ses filiales. Ces transactions font l'objet d'un contrôle par la Banque.
Art.172. Een beursvennootschap naar Belgisch recht die een consortium vormt met een of meer andere ondernemingen, valt onder een toezicht op geconsolideerde basis dat geldt voor alle ondernemingen van het consortium en hun dochterondernemingen. De bepalingen die gelden voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 162, § 1, 2° zijn van toepassing.
Art.172. Une société de bourse de droit belge qui constitue un consortium avec une ou plusieurs autres entreprises relève d'un contrôle sur base consolidée qui s'applique à l'ensemble des entreprises du consortium ainsi qu'à leurs filiales. Les dispositions applicables aux sociétés de bourse visées à l'article 162, § 1er, 2° trouvent à s'appliquer en l'espèce.
Onderafdeling IV. - Moederondernemingen, in het bijzonder beleggingsholdings en gemengde financiële holdings
Sous-section IV. - Les entreprises mères, en particulier les compagnies holding d'investissement et les compagnies financières mixtes
Art.173. § 1. De Bank kan, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998, de praktische modaliteiten van het toezicht op geconsolideerde basis en van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, zoals opgenomen in deze Afdeling nader bepalen.
§ 2. Met het oog op een zo efficiënt mogelijk toezicht op geconsolideerde basis en toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze Afdeling en op de in voorkomend geval met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 genomen reglementen voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van richtlijn 2019/2034.
§ 2. Met het oog op een zo efficiënt mogelijk toezicht op geconsolideerde basis en toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, kan de Bank individuele afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze Afdeling en op de in voorkomend geval met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 genomen reglementen voor zover deze in lijn blijven met de ter zake relevante bepalingen van richtlijn 2019/2034.
Art.173. § 1er. La Banque peut, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2, de la loi du 22 février 1998, préciser les modalités pratiques du contrôle sur base consolidée et du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, telles qu'elles figurent dans la présente Section.
§ 2. En vue d'un contrôle sur base consolidée et d'un contrôle du respect du test de capitalisation du groupe aussi efficace que possible, la Banque peut autoriser des dérogations individuelles aux dispositions de la présente Section, ainsi que, le cas échéant, aux règlements pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant qu'elles restent conformes aux dispositions pertinentes en la matière de la directive 2019/2034.
§ 2. En vue d'un contrôle sur base consolidée et d'un contrôle du respect du test de capitalisation du groupe aussi efficace que possible, la Banque peut autoriser des dérogations individuelles aux dispositions de la présente Section, ainsi que, le cas échéant, aux règlements pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, pour autant qu'elles restent conformes aux dispositions pertinentes en la matière de la directive 2019/2034.
Art.174. Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium hebben niet tot gevolg dat op een beleggingsholding of een gemengde financiële holding en op elke andere in de reikwijdte van deze toezichten opgenomen ondernemingen individueel toezicht wordt uitgeoefend.
Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op beleggingsondernemingen.
Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium doen niettemin geen afbreuk aan het individuele toezicht van elke gereglementeerde onderneming die binnen de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium valt. Er kan evenwel rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op beleggingsondernemingen.
Art.174. Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe n'entraînent pas l'exercice d'un contrôle individuel sur une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte, ni sur toute autre entreprise reprise dans la portée de ces contrôles.
Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe ne portent pas davantage préjudice au contrôle individuel de toute entreprise réglementée qui relève de la portée du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. Il peut toutefois être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des entreprises d'investissement.
Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe ne portent pas davantage préjudice au contrôle individuel de toute entreprise réglementée qui relève de la portée du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. Il peut toutefois être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe dans la détermination du contenu et des modalités du contrôle individuel des entreprises d'investissement.
Art.175. § 1. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165, op een beursvennootschap bedoeld in artikel 162, § 1 dan zijn de moederondernemingen naar Belgisch recht bedoeld in de voornoemde artikelen verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen met betrekking tot het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn als hoofd van het geconsolideerde geheel dan wel van de ondernemingen die onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op beleggingsondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of die onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
§ 2. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165, op een beursvennootschap naar Belgisch recht met als moederonderneming een beleggingsholding of gemengde financiële holding die niet in België gevestigd is, is deze beursvennootschap samen met haar moederonderneming verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen van het toezicht op geconsolideerde basis of van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
De beursvennootschap dient van de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de beursvennootschap of het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
§ 3. In het krachtens artikel 17 vereiste internal governancememorandum dient, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het groepskapitaalcriterium, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2, eerste lid vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165 in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raadpleegt de Bank waar nodig de andere bevoegde autoriteiten.
Bij de uitoefening van de coördinatie en het toezicht waarmee zij belast zijn als hoofd van het geconsolideerde geheel dan wel van de ondernemingen die onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, vaardigen de in het eerste lid bedoelde moederondernemingen richtlijnen uit aan de ondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel dan wel onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, met het oog op het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en mogen geen afbreuk doen aan het toezicht op individuele basis op beleggingsondernemingen die deel uitmaken van het geconsolideerde geheel of die onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
§ 2. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165, op een beursvennootschap naar Belgisch recht met als moederonderneming een beleggingsholding of gemengde financiële holding die niet in België gevestigd is, is deze beursvennootschap samen met haar moederonderneming verantwoordelijk voor de naleving van de verplichtingen van het toezicht op geconsolideerde basis of van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
De beursvennootschap dient van de bedoelde moederonderneming de medewerking te verkrijgen voor het opzetten van een passende beleidsstructuur die ertoe bijdraagt dat het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium zo efficiënt mogelijk kan worden uitgeoefend en waakt erover dat de invloed van de moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis dat van toepassing is op de beursvennootschap of het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
§ 3. In het krachtens artikel 17 vereiste internal governancememorandum dient, wat betreft het geconsolideerde niveau dan wel het groepskapitaalcriterium, te worden uitgewerkt hoe voldaan wordt aan de beginselen vervat in de paragrafen 1 en 2.
§ 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 verstrekken de betrokken verantwoordelijke moederondernemingen de krachtens artikel 106, § 1 en § 2, eerste lid vereiste rapportering, evenals, op verzoek van de Bank, alle bijkomende inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium. Artikel 106, § 3 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Wanneer de Bank als groepstoezichthouder aangewezen is met toepassing van artikel 165 in andere gevallen dan deze bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan zij per geval nader bepalen hoe de beginselen van de paragrafen 1 tot 4 van overeenkomstige toepassing zijn.
§ 6. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 5 raadpleegt de Bank waar nodig de andere bevoegde autoriteiten.
Art.175. § 1er. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 sur une société de bourse visée à l'article 162, § 1er, les entreprises mères de droit belge visées à cet article sont responsables du respect des obligations relatives respectivement, au contrôle sur base consolidée ou au contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
Dans l'exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent en tant qu'entreprises faîtières de l'ensemble consolidé ou des entreprises qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, les entreprises mères visées à l'alinéa 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie de l'ensemble consolidé ou qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, en vue du respect des obligations qui découlent du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et des associations et ses arrêtes d'exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les entreprises d'investissement qui font partie de l'ensemble consolidé ou qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
§ 2. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 sur une société de bourse de droit belge dont l'entreprise mère est une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte qui est établie en dehors de la Belgique, cette société de bourse et son entreprise mère sont responsables du respect des obligations relatives, respectivement au contrôle sur base consolidée ou au contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
La société de bourse doit obtenir la coopération de l'entreprise mère visée afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe puisse être exercée de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l'influence de l'entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle applicable à la société de bourse ou au contrôle sur base consolidée ou au contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l'article 17, il convient d'établir, en ce qui concerne le niveau consolidé ou le test de capitalisation du groupe, comment il est satisfait aux principes figurant aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, les entreprises mères responsables concernées fournissent, conformément à l'article 106, § 1er, et § 2, alinéa 1er, le reporting requis ainsi que, à la demande de la Banque, toutes les informations complémentaires utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. L'article 106, § 3 est applicable par analogie.
§ 5. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s'appliquent par analogie.
§ 6. Pour l'application des paragraphes 1er, 2 et 5, la Banque consulte, là où cela s'avère nécessaire, les autres autorités compétentes.
Dans l'exercice de la coordination et du contrôle qui leur incombent en tant qu'entreprises faîtières de l'ensemble consolidé ou des entreprises qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, les entreprises mères visées à l'alinéa 1er édictent des directives pour les entreprises qui font partie de l'ensemble consolidé ou qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, en vue du respect des obligations qui découlent du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. Ces directives ne peuvent pas être contraires au Code des sociétés et des associations et ses arrêtes d'exécution et ne peuvent porter préjudice au contrôle exercé sur base individuelle sur les entreprises d'investissement qui font partie de l'ensemble consolidé ou qui font l'objet du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
§ 2. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 sur une société de bourse de droit belge dont l'entreprise mère est une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte qui est établie en dehors de la Belgique, cette société de bourse et son entreprise mère sont responsables du respect des obligations relatives, respectivement au contrôle sur base consolidée ou au contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
La société de bourse doit obtenir la coopération de l'entreprise mère visée afin de mettre en place une structure de gestion adéquate qui contribue à ce que le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe puisse être exercée de la manière la plus efficace possible, et veille à ce que l'influence de l'entreprise mère ne soit pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle applicable à la société de bourse ou au contrôle sur base consolidée ou au contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
§ 3. Dans le mémorandum de gouvernance interne requis en vertu de l'article 17, il convient d'établir, en ce qui concerne le niveau consolidé ou le test de capitalisation du groupe, comment il est satisfait aux principes figurant aux paragraphes 1er et 2.
§ 4. Dans les cas visés au paragraphe 1er, les entreprises mères responsables concernées fournissent, conformément à l'article 106, § 1er, et § 2, alinéa 1er, le reporting requis ainsi que, à la demande de la Banque, toutes les informations complémentaires utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe. L'article 106, § 3 est applicable par analogie.
§ 5. Lorsque la Banque est désignée en qualité de contrôleur du groupe en application de l'article 165 dans des cas autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, elle peut préciser au cas par cas comment les principes visés aux paragraphes 1er à 4 s'appliquent par analogie.
§ 6. Pour l'application des paragraphes 1er, 2 et 5, la Banque consulte, là où cela s'avère nécessaire, les autres autorités compétentes.
Art.176. Wanneer een andere bevoegde autoriteit dan de Bank het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent over een groep waarvan een beursvennootschap naar Belgisch recht deel uitmaakt, dient deze beursvennootschap na te gaan of de invloed van haar moederonderneming niet in strijd is met het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en zijn uitvoeringsbesluiten en geen afbreuk doet aan het toezicht op individuele basis waaraan deze beursvennootschap is onderworpen.
Art.176. Lorsqu'une autre autorité compétente que la Banque exerce le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe sur un groupe dont fait partie une société de bourse de droit belge, il incombe à cette société de bourse de vérifier si l'influence de son entreprise mère n'est pas contraire au Code des sociétés et des associations et ses arrêtés d'exécution et ne porte pas préjudice au contrôle sur base individuelle auquel cette société de bourse est soumise.
Art.177. Wanneer een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent over een groep waarvan een beursvennootschap naar Belgisch recht deel uitmaakt, die dochteronderneming is van een beleggingsholding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht, gaat de Bank na, wanneer zij daartoe het verzoek krijgt van die bevoegde autoriteit, hoe zij medewerking kan verlenen voor het toepassen van de maatregelen die zouden bestaan in de lidstaat van die bevoegde autoriteit met het oog op het betrekken van beleggingsholdings en gemengde financiële holdings in het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
Art.177. Lorsqu'une autorité compétente d'un autre Etat membre exerce le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe sur un groupe dont fait partie une société de bourse, qui est filiale d'une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte de droit belge, la Banque vérifie, lorsque cette autorité compétente le lui demande, comment elle peut prêter sa coopération pour l'application des mesures qui existeraient dans l'Etat membre de l'autorité compétente en vue de l'inclusion des compagnies financières et des compagnies financières mixtes dans le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
Art.178. § 1. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, van de moederondernemingen bedoeld in artikel 162 naar Belgisch recht, die betrokken zijn in het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitgeoefend door de Bank, verklaren dat de rapporteringen bedoeld in artikel 175, § 4 in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de staten volledig zijn, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld, en juist zijn, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan deze staten worden opgesteld. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, bevestigen het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende regels opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, of, voor de rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.
§ 2. Artikel 59, § 2 is van overeenkomstige toepassing op de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, van de moederondernemingen bedoeld in paragraaf 1 wat betreft de maatregelen zoals opgenomen in artikel 17 wat betreft het geconsolideerde geheel of het groepskapitaalcriterium.
§ 2. Artikel 59, § 2 is van overeenkomstige toepassing op de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, van de moederondernemingen bedoeld in paragraaf 1 wat betreft de maatregelen zoals opgenomen in artikel 17 wat betreft het geconsolideerde geheel of het groepskapitaalcriterium.
Art.178. § 1er. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, des entreprises mères visées à l'article 162 de droit belge, incluses dans le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe exercé par la Banque, déclarent que les reportings visés à l'article 175, § 4 sont conformes à la comptabilité et aux inventaires. Il est à cette effet requis que les états soient complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils soient corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis. Les personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, confirme avoir fait le nécessaire pour que les états précités soient établis selon les instructions en vigueur, ainsi que par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes consolidés, ou, s'agissant des états qui ne se rapportent pas à la fin de l'exercice comptable, par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes consolidés afférents au dernier exercice.
§ 2. L'article 59, § 2 est applicable par analogie aux personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, des entreprises mères visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les mesures figurant à l'article 17 en ce qui concerne l'ensemble consolidé ou le test de capitalisation du groupe.
§ 2. L'article 59, § 2 est applicable par analogie aux personnes participant à la direction effective, le cas échéant le comité de direction, des entreprises mères visées au paragraphe 1er en ce qui concerne les mesures figurant à l'article 17 en ce qui concerne l'ensemble consolidé ou le test de capitalisation du groupe.
Art.179. Het bepaalde bij artikel 209 van de wet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beursvennootschappen bedoeld in artikel 162, § 1, 1° voor het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium waaraan deze beursvennootschappen zijn onderworpen.
Art.179. Les dispositions de l'article 209 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables par analogie en ce qui concerne les sociétés de bourse visées à l'article 162, § 1, 1° pour, respectivement, le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe dont font l'objet les sociétés de bourse.
Art.180. Het bepaalde bij artikel 210 van de wet van 25 april 2014 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beleggingsholdings en gemengde financiële holdings als bedoeld in artikel 162, § 1, 2°, die betrokken zijn in het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitgeoefend door de Bank.
Art.180. § 1er. Les dispositions de l'article 210 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables par analogie en ce qui concerne les compagnies holding d'investissement et les compagnies financière mixte visées à l'article 162, § 1er, 2° et incluses dans le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe exercé par la Banque.
Art.181. De commissarissen aangesteld bij beursvennootschappen, beleggingsholdings of een gemengde financiële holdings naar Belgisch recht overeenkomstig artikel 179 en 180, hebben voor de uitoefening van hun opdracht als bepaald bij deze artikelen, toegang tot en inzage in alle documenten en stukken die uitgaan van de in de geconsolideerde positie of in het groepskapitaalcriterium opgenomen dochterondernemingen.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Het bepaalde bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 is van toepassing wat de informatie betreft waarvan zij kennis hebben genomen in uitvoering van het eerste lid.
Art.181. Les commissaires désignés auprès des sociétés de bourse, de compagnies holdings d'investissement ou de compagnies financières mixtes de droit belge conformément aux articles 179 et 180, ont, pour l'exercice de leur mission, telle que visée à ces articles, accès à et peuvent prendre connaissance de tous les documents et pièces émanant des filiales reprises dans la situation consolidée ou dans le test de capitalisation du groupe.
Les dispositions de l'article 35 de la loi du 22 février 1998 s'appliquent en ce qui concerne les informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l'alinéa 1er.
Les dispositions de l'article 35 de la loi du 22 février 1998 s'appliquent en ce qui concerne les informations dont ils ont pris connaissance en exécution de l'alinéa 1er.
Art.182. Onverminderd het beginsel vervat in artikel 174, eerste lid en wanneer het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitgeoefend wordt door de Bank, zijn de volgende artikelen van deze wet op overeenkomstige wijze van toepassing op de beleggingsholding of gemengde financiële holding naar Belgisch recht: [2 de artikelen 14 tot 16, 21, 22, 45 tot 54, 60 tot 62, 63, §§ 1 tot 4, § 5, eerste lid en §§ 6 tot 9, 64, 78, 95, 202, § 1 en 204, § 1, 1° tot 5°]2 [1 , en § 8/1]1, en, voor wat betreft het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium ook artikel 163, § 3.
Bovendien is artikel 62 van overeenkomstige toepassing op alle in het eerste lid bedoelde beleggingsholdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de belegginsholding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 163, § 1 te voldoen.
Bovendien is artikel 62 van overeenkomstige toepassing op alle in het eerste lid bedoelde beleggingsholdings of gemengde financiële holdings wanneer de in artikel 31 bedoelde onafhankelijke controlefuncties binnen de belegginsholding of gemengde financiële holding zijn opgezet om aan artikel 163, § 1 te voldoen.
Art.182. Sans préjudice du principe figurant à l'article 174, alinéa 1er, et lorsque le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe est exercé par la Banque, les articles suivants de la présente loi sont applicables par analogie à la compagnie holding d'investissement ou à la compagnie financière mixte de droit belge : [2 les articles 14 à 16, 21, 22, 45 à 54, 60 à 62, 63, §§ 1er à 4, § 5, alinéa 1er, et §§ 6 à 9, 64, 78, 95, 202, § 1er, et 204, § 1er, 1° à 5°]2 [1 , et § 8/1]1, et, pour ce qui concerne le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, également l'article 163, § 3.
En outre, l'article 62 est applicable par analogie à toute compagnie holding d'investissement ou à toute compagnie financière mixte visée à l'alinéa 1er lorsque les fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31 ont été établies au sein de la compagnie financière ou la compagnie financière mixte aux fins de satisfaire à l'article 163, § 1er.
En outre, l'article 62 est applicable par analogie à toute compagnie holding d'investissement ou à toute compagnie financière mixte visée à l'alinéa 1er lorsque les fonctions de contrôle indépendantes visées à l'article 31 ont été établies au sein de la compagnie financière ou la compagnie financière mixte aux fins de satisfaire à l'article 163, § 1er.
Onderafdeling V. - Toezichtsmaatregelen
Sous-section V. - Mesures de surveillance
Art.183. § 1. Onverminderd de toepasselijke periodieke rapportering, dient de Bank toegang te krijgen, door de betrokken beursvennootschappen, beleggingsholdings en gemengde financiële holdings, hun dochterondernemingen en alle andere in het geconsolideerde geheel opgenomen ondernemingen of het geheel van ondernemingen dat opgenomen is in het groepskapitaalcriterium, hetzij direct hetzij indirect te benaderen, tot alle inlichtingen die nuttig zijn, naargelang het geval, voor het door haar uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis of op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een beursvennootschap naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, de Bank en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor het toezicht op deze beursvennootschap.
§ 2. De Bank kan eisen dat de inlichtingen bedoeld in paragraaf 1 omtrent ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat dan België hem worden meegedeeld door onder Belgisch recht ressorterende beursvennootschap, beleggingsholding of gemengde financiële holding.
Ondernemingen die uitsluitend of samen met andere ondernemingen de controle hebben over een beursvennootschap naar Belgisch recht, en de dochterondernemingen van deze ondernemingen moeten, indien die ondernemingen niet vallen onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, de Bank en de andere bevoegde autoriteiten alle gegevens en inlichtingen verstrekken die nuttig zijn voor het toezicht op deze beursvennootschap.
§ 2. De Bank kan eisen dat de inlichtingen bedoeld in paragraaf 1 omtrent ondernemingen die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat dan België hem worden meegedeeld door onder Belgisch recht ressorterende beursvennootschap, beleggingsholding of gemengde financiële holding.
Art.183. § 1er .Sans préjudice du reporting périodique applicable, la Banque doit avoir accès, dans ses contacts directs ou indirects avec les sociétés de bourse, les compagnies holding d'investissement et les compagnies financières mixtes concernées, leurs filiales et toutes les autres entreprises incluses dans l'ensemble consolidé ou incluses dans le test de capitalisation du groupe, à toute information utile pour l'exercice selon le cas, de son contrôle sur base consolidée ou du respect du test de capitalisation du groupe.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjointement avec d'autres, une société de bourse de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne tombent pas dans le champ d'application du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du test de capitalisation du groupe, de communiquer à la Banque et aux autres autorités compétentes les informations et renseignements utiles à l'exercice du contrôle de cette société de bourse.
§ 2. La Banque peut exiger que les informations visées au paragraphe 1er concernant les entreprises relevant du droit d'un Etat membre autre que la Belgique lui soient communiquées par la société de bourse, la compagnie holding d'investissement ou la compagnie financière mixte relevant du droit belge.
Les entreprises qui contrôlent, exclusivement ou conjointement avec d'autres, une société de bourse de droit belge, ainsi que les filiales de ces entreprises, sont tenues, si ces entreprises et ces filiales ne tombent pas dans le champ d'application du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du test de capitalisation du groupe, de communiquer à la Banque et aux autres autorités compétentes les informations et renseignements utiles à l'exercice du contrôle de cette société de bourse.
§ 2. La Banque peut exiger que les informations visées au paragraphe 1er concernant les entreprises relevant du droit d'un Etat membre autre que la Belgique lui soient communiquées par la société de bourse, la compagnie holding d'investissement ou la compagnie financière mixte relevant du droit belge.
Art.184. § 1. De Bank kan de naleving van de verplichtingen bepaald bij de deze Afdeling, en de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en inlichtingen ter plaatse nagaan in de in de artikelen 170 en 183, § 1 bedoelde ondernemingen, de gemengde holdings en hun dochterondernemingen en de ondernemingen die nevendiensten verrichten. Zij kan op kosten van deze ondernemingen commissarissen of door hem daartoe erkende buitenlandse deskundigen hiermee belasten.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen ressorteren onder het recht van een andere lidstaat, verzoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor de toestemming krijgt van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen indien zij dat wenst.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen ressorteren onder het recht van een derde land, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse, geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 56 van richtlijn 2019/2034.
§ 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen ressorteren onder het recht van een andere lidstaat, verzoekt de Bank de bevoegde autoriteit van die lidstaat om deze controle uit te voeren. De Bank verricht deze controle zelf als zij daarvoor de toestemming krijgt van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Wanneer deze laatste de controle zelf wenst te doen, of een erkend revisor of een deskundige daartoe aanstelt, kan de Bank niettemin aan de controle deelnemen indien zij dat wenst.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde ondernemingen ressorteren onder het recht van een derde land, worden de modaliteiten van de verificatie ter plaatse, geregeld in samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten of die de Europese Commissie met de betrokken buitenlandse autoriteiten heeft gesloten, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 56 van richtlijn 2019/2034.
Art.184. § 1er. La Banque peut procéder à la vérification sur place du respect des obligations visées par la présente Section, ainsi que du caractère correct et complet des informations et renseignements communiqués, dans les entreprises visées aux articles 170 et 183, § 1er, dans les compagnies mixtes et leurs filiales et dans les entreprises qui fournissent des services auxiliaires. Elle peut, aux frais de ces entreprises, charger des commissaires ou des experts étrangers agréés par elle à cet effet, de procéder à ces vérifications.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er relèvent du droit d'un autre Etat membre, la Banque demande à l'autorité compétente de cet Etat membre d'effectuer ce contrôle. La Banque procède elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l'autorisation de la part de l'autorité compétente de cet Etat membre. Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y être associée.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er relèvent du droit d'un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque a conclus avec les autorités étrangères concernées ou que la Commission européenne a conclus avec les autorités étrangères concernées, conformément aux dispositions de l'article 56 de la directive 2019/2034.
§ 2. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er relèvent du droit d'un autre Etat membre, la Banque demande à l'autorité compétente de cet Etat membre d'effectuer ce contrôle. La Banque procède elle-même à ce contrôle si elle en a reçu l'autorisation de la part de l'autorité compétente de cet Etat membre. Lorsque cette dernière souhaite effectuer elle-même ce contrôle, ou désigne un réviseur agréé ou un expert à cet effet, la Banque peut néanmoins, si elle le souhaite, y être associée.
§ 3. Lorsque les entreprises visées au paragraphe 1er relèvent du droit d'un pays tiers, les modalités de la vérification sur place sont réglées dans des accords de coopération que la Banque a conclus avec les autorités étrangères concernées ou que la Commission européenne a conclus avec les autorités étrangères concernées, conformément aux dispositions de l'article 56 de la directive 2019/2034.
Art.185. Zonder dat zij beperkingen van privaatrechtelijke aard kunnen tegenwerpen, met name betreffende geheimhoudingsverbintenissen of de aard van hun banden, delen de in het toezicht op geconsolideerde basis opgenomen ondernemingen of de ondernemingen die onderworpen zijn aan het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, en de gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen elkaar de gegevens en inlichtingen mee die nodig zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis of voor het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
Art.185. Sans pouvoir y opposer d'objections tirées du droit privé, tenant notamment à des engagements de confidentialité ou à la nature de leurs liens, les entreprises incluses dans le contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, et les compagnies financières mixtes et leurs filiales se communiquent mutuellement les informations et renseignements utiles pour le contrôle sur base consolidée ou pour le contrôle du test de capitalisation du groupe.
Art.186. § 1. Indien een moederonderneming en een of meer beursvennootschappen die dochterondernemingen daarvan zijn, ressorteren onder het recht van verschillende lidstaten, wisselen de Bank en de andere bevoegde autoriteiten onderling alle dienstige inlichtingen uit die voor het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.
Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het faciliteren van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 184, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen.
§ 2. Indien de Bank in het geval van een moederonderneming naar Belgisch recht niet zelf met toepassing van artikel 165 het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent, mogen de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten haar vragen om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven.
§ 3. Indien de Bank met toepassing van artikel 165 het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent en de moederonderneming ressorteert onder het recht van een andere lidstaat dan België, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hem door te geven.
§ 4. Wanneer de Bank voor het toezicht op individuele basis op een beursvennootschap informatie wenst te verkrijgen die reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit die optreedt als groepstoezichthouder, zal zij zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit richten voor het verkrijgen van die informatie.
§ 5. Indien de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.
Het inwinnen, uitwisselen of bezitten van informatie door de Bank en de bevoegde autoriteiten met het oog op het faciliteren van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium met betrekking tot de ondernemingen genoemd in artikel 184, betekent geenszins dat de Bank een afzonderlijk toezicht uitoefent op deze ondernemingen.
§ 2. Indien de Bank in het geval van een moederonderneming naar Belgisch recht niet zelf met toepassing van artikel 165 het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent, mogen de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten haar vragen om bij de moederonderneming de inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hen door te geven.
§ 3. Indien de Bank met toepassing van artikel 165 het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uitoefent en de moederonderneming ressorteert onder het recht van een andere lidstaat dan België, kan de Bank aan de bevoegde autoriteit van die lidstaat vragen om bij die moederonderneming alle inlichtingen op te vragen die voor dat toezicht dienstig zijn, en om die inlichtingen aan hem door te geven.
§ 4. Wanneer de Bank voor het toezicht op individuele basis op een beursvennootschap informatie wenst te verkrijgen die reeds gerapporteerd is aan een andere bevoegde autoriteit die optreedt als groepstoezichthouder, zal zij zich in de mate van het mogelijke tot die autoriteit richten voor het verkrijgen van die informatie.
§ 5. Indien de Bank in haar hoedanigheid van groepstoezichthouder informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, treedt zij zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere bij het toezicht betrokken autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.
Art.186. § 1er. Lorsqu'une entreprise mère et une ou plusieurs de ses filiales qui sont des sociétés de bourse relèvent du droit d'Etats membres différents, la Banque et les autres autorités compétentes échangent toutes les informations pertinentes de nature à permettre ou à faciliter l'exercice du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe.
La collecte, l'échange ou la détention d'informations par la Banque et les autorités compétentes en vue de faciliter le contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe en ce qui concerne les entreprises citées à l'article 184, ne signifient pas que la Banque exerce une fonction de contrôle sur ces entreprises prises individuellement.
§ 2. Lorsque la Banque, dans le cas d'une entreprise mère de droit belge, n'exerce pas elle-même le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe en application de l'article 165, elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées d'exercer ce contrôle, à demander à l'entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre.
§ 3. Lorsqu'en application de l'article 165 la Banque exerce le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe et que l'entreprise mère relève du droit d'un Etat membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l'autorité compétente de cet Etat membre à demander à cette entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre.
§ 4. Lorsque la Banque, pour le contrôle sur base individuelle d'une société de bourse, souhaite obtenir des informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente qui agit en qualité de contrôleur du groupe, elle s'adresse dans la mesure du possible à l'autorité en question pour obtenir ces informations.
§ 5. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, a besoin d'informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente, elle s'adresse, si possible, à cette autorité en vue d'éviter la duplication des communications aux autres autorités associées au contrôle.
La collecte, l'échange ou la détention d'informations par la Banque et les autorités compétentes en vue de faciliter le contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe en ce qui concerne les entreprises citées à l'article 184, ne signifient pas que la Banque exerce une fonction de contrôle sur ces entreprises prises individuellement.
§ 2. Lorsque la Banque, dans le cas d'une entreprise mère de droit belge, n'exerce pas elle-même le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe en application de l'article 165, elle peut être invitée, par les autorités compétentes chargées d'exercer ce contrôle, à demander à l'entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la leur transmettre.
§ 3. Lorsqu'en application de l'article 165 la Banque exerce le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe et que l'entreprise mère relève du droit d'un Etat membre autre que la Belgique, la Banque peut inviter l'autorité compétente de cet Etat membre à demander à cette entreprise mère toute information pertinente pour l'exercice de ce contrôle, et à la lui transmettre.
§ 4. Lorsque la Banque, pour le contrôle sur base individuelle d'une société de bourse, souhaite obtenir des informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente qui agit en qualité de contrôleur du groupe, elle s'adresse dans la mesure du possible à l'autorité en question pour obtenir ces informations.
§ 5. Lorsque la Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, a besoin d'informations qui ont déjà été communiquées à une autre autorité compétente, elle s'adresse, si possible, à cette autorité en vue d'éviter la duplication des communications aux autres autorités associées au contrôle.
Art.187. § 1. De beursvennootschappen, de beleggingsholdings en gemengde financiële holdings en hun dochterondernemingen en de gemengde holdings en hun dochterondernemingen, opgericht naar Belgisch recht, verstrekken een andere toezichtsautoriteit de gegevens en inlichtingen die deze dienstig acht voor het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium waarmee deze is belast, hetzij direct, hetzij indirect.
Wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is het eerste lid van toepassing in het kader van haar toezicht als bepaald conform de Europese wetgeving.
Wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Toezichthoudende autoriteiten zijn in het kader van hun toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium gerechtigd om ter plaatse in de in artikel 183, § 1 bedoelde ondernemingen, die ressorteren onder Belgisch recht, de gegevens en inlichtingen te toetsen die zij hebben ontvangen, of kunnen erkende commissarissen of door hen erkende deskundigen hiermee belasten, onder de volgende voorwaarden:
1° wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is de regeling van artikel 184, § 2 van overeenkomstige toepassing;
2° wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land, is de regeling van artikel 184, § 3 van overeenkomstige toepassing.
Wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is het eerste lid van toepassing in het kader van haar toezicht als bepaald conform de Europese wetgeving.
Wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land en de verplichting tot informatieverstrekking voortvloeit uit samenwerkingsovereenkomsten die de Bank met de betrokken buitenlandse autoriteit heeft gesloten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
§ 2. Toezichthoudende autoriteiten zijn in het kader van hun toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium gerechtigd om ter plaatse in de in artikel 183, § 1 bedoelde ondernemingen, die ressorteren onder Belgisch recht, de gegevens en inlichtingen te toetsen die zij hebben ontvangen, of kunnen erkende commissarissen of door hen erkende deskundigen hiermee belasten, onder de volgende voorwaarden:
1° wanneer het om een bevoegde autoriteit gaat, is de regeling van artikel 184, § 2 van overeenkomstige toepassing;
2° wanneer deze autoriteit ressorteert onder een derde land, is de regeling van artikel 184, § 3 van overeenkomstige toepassing.
Art.187. § 1er. Les sociétés de bourse, les compagnies holdings d'investissement et les compagnies financières mixtes et leurs filiales, ainsi que les compagnies mixtes et leurs filiales de droit belge communiquent à une autre autorité de surveillance les informations et renseignements que celle-ci juge utiles pour l'exercice du contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe dont elle est chargée, soit directement, soit indirectement.
Lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, l'alinéa 1er est applicable dans le cadre de son contrôle tel que défini conformément à la législation européenne.
Lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers et que l'obligation d'information découle d'accords de coopération conclus par la Banque avec l'autorité étrangère concernée, l'alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Dans le cadre de leur contrôle sur base consolidée ou de leur surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de surveillance sont habilitées à procéder sur place dans les entreprises visées à l'article 183 § 1er relevant du droit belge, à la vérification des informations et renseignements qu'elles ont reçus, ou peuvent charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elles d'y procéder, aux conditions suivantes :
1° lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, les dispositions de l'article 184, § 2 sont applicables par analogie ;
2° lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers, les dispositions de l'article 184, § 3 sont applicables par analogie.
Lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, l'alinéa 1er est applicable dans le cadre de son contrôle tel que défini conformément à la législation européenne.
Lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers et que l'obligation d'information découle d'accords de coopération conclus par la Banque avec l'autorité étrangère concernée, l'alinéa 1er est applicable par analogie.
§ 2. Dans le cadre de leur contrôle sur base consolidée ou de leur surveillance complémentaire des conglomérats, les autorités de surveillance sont habilitées à procéder sur place dans les entreprises visées à l'article 183 § 1er relevant du droit belge, à la vérification des informations et renseignements qu'elles ont reçus, ou peuvent charger des commissaires agréés ou des experts agréés par elles d'y procéder, aux conditions suivantes :
1° lorsqu'il s'agit d'une autorité compétente, les dispositions de l'article 184, § 2 sont applicables par analogie ;
2° lorsque cette autorité relève du droit d'un pays tiers, les dispositions de l'article 184, § 3 sont applicables par analogie.
Art.188. In haar hoedanigheid van groepstoezichthouder stelt de Bank lijsten op van respectievelijk de beleggingsholdings en gemengde financiële holdings die betrokken zijn in het door hem uitgeoefende toezicht op geconsolideerde basis of op de naleving van het groepskapitaalcriterium.
Art.188. La Banque, en sa qualité de contrôleur du groupe, établit des listes respectivement des compagnies holding d'investissement et des compagnies financières mixtes incluses dans le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe exercé par elle.
Onderafdeling VI. - Moederondernemingen uit derde landen
Sous-section VI. - Les sociétés mères de pays tiers
Art.189. § 1. Wanneer een beursvennootschap naar Belgisch recht behoort tot een beleggingsondernemingsgroep uit een derde land, die waartoe meerdere EER-dochterondernemingen heeft, waarvan er minstens twee vergund zijn als beleggingsonderneming, moet de beursvennootschap aan één van de volgende voorwaarden voldoen:
1° de beursvennootschap is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;
2° het gaat om een in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschap die zelf een intermediaire EER-moederonderneming is;
3° de beursvennootschap behoort tot een beleggingsondernemingsgroep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een beleggingsondernemingsgroep uit een derde land de som van het volgende:
1° de totale waarde van de activa van elke beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en
2° de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Verordening nr. 600/2014 of richtlijn 2014/65/EU.
1° de beursvennootschap is in handen van een intermediaire EER-moederonderneming;
2° het gaat om een in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschap die zelf een intermediaire EER-moederonderneming is;
3° de beursvennootschap behoort tot een beleggingsondernemingsgroep uit een derde land waarvan de totale waarde van de activa in de EER minder bedraagt dan 40 miljard euro.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel is de totale waarde van de activa in de EER van een beleggingsondernemingsgroep uit een derde land de som van het volgende:
1° de totale waarde van de activa van elke beleggingsonderneming in de EER die deel uitmaakt van de groep uit een derde land, zoals die blijkt uit haar geconsolideerde balans of, bij ontstentenis daarvan, zoals die blijkt uit haar afzonderlijke balansen; en
2° de totale waarde van de activa van elk bijkantoor van de groep uit een derde land waaraan in een lidstaat een vergunning is verleend in overeenstemming met Verordening nr. 600/2014 of richtlijn 2014/65/EU.
Art.189. § 1er. Lorsqu'une société de bourse de droit belge appartient à un groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers, qui détient plusieurs filiales dans l'EEE, dont deux au moins sont agréées en qualité d'entreprise d'investissement, la société de bourse doit répondre à l'une des conditions suivantes :
1° la société de bourse est détenue par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
2° il s'agit d'une société de bourse visée à l'article 13, § 2 qui est elle-même une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
3° la société de bourse appartient à un groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers dont la valeur totale des actifs dans l'EEE est inférieure à 40 milliards d'euros.
§ 2. Pour l'application du présent article, la valeur totale des actifs dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers est la somme des éléments suivants :
1° la valeur totale des actifs de chaque entreprise d'investissement dans l'EEE faisant partie du groupe de pays tiers, telle qu'elle ressort du bilan consolidé ou, en son absence, des bilans individuels ; et
2° la valeur totale des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers ayant reçu un agrément dans un Etat membre conformément au Règlement n° 600/2014 ou à la directive 2014/65/UE.
1° la société de bourse est détenue par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
2° il s'agit d'une société de bourse visée à l'article 13, § 2 qui est elle-même une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE ;
3° la société de bourse appartient à un groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers dont la valeur totale des actifs dans l'EEE est inférieure à 40 milliards d'euros.
§ 2. Pour l'application du présent article, la valeur totale des actifs dans l'EEE d'un groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers est la somme des éléments suivants :
1° la valeur totale des actifs de chaque entreprise d'investissement dans l'EEE faisant partie du groupe de pays tiers, telle qu'elle ressort du bilan consolidé ou, en son absence, des bilans individuels ; et
2° la valeur totale des actifs de chaque succursale du groupe de pays tiers ayant reçu un agrément dans un Etat membre conformément au Règlement n° 600/2014 ou à la directive 2014/65/UE.
Art.190. § 1. Beursvennootschappen als bedoeld in artikel 189, § 1, 1° moeten in handen zijn van een intermediaire EER-moederonderneming die alle dochterondernemingen in de EER van de beleggingsondernemingsgroep uit een derde land bezit die als beleggingsonderneming vergund zijn.
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 189, § 1, 2° bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de beleggingsondernemingsgroep uit een derde land die als beleggingsonderneming vergund zijn.
§ 2. Onverminderd artikel 218/1 van de wet van 25 april 2014 dient de in artikel 189, § 1, 1° bedoelde intermediaire EER-moederonderneming een beleggingsonderneming te zijn die overeenkomstig artikel 4 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan richtlijn 2014/59/EU.
§ 3. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke beleggingsondernemingsgroep uit een derde land die in België actief is:
1° de naam en de totale waarde van de activa van de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht die behoren tot een dergelijke beleggingsondernemingsgroep;
2° de naam van de beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;
3° de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 2 en de naam van de beleggingsondernemingsgroep uit een derde land waar zij deel van uitmaken.
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 189, § 1, 2° bezitten alle dochterondernemingen in de EER van de beleggingsondernemingsgroep uit een derde land die als beleggingsonderneming vergund zijn.
§ 2. Onverminderd artikel 218/1 van de wet van 25 april 2014 dient de in artikel 189, § 1, 1° bedoelde intermediaire EER-moederonderneming een beleggingsonderneming te zijn die overeenkomstig artikel 4 of overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat een vergunning heeft verkregen en die onderworpen is aan richtlijn 2014/59/EU.
§ 3. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende elke beleggingsondernemingsgroep uit een derde land die in België actief is:
1° de naam en de totale waarde van de activa van de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht die behoren tot een dergelijke beleggingsondernemingsgroep;
2° de naam van de beleggingsondernemingen die een bijkantoor hebben waaraan in België een vergunning is verleend overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 of Verordening nr. 600/2014, en de totale waarde van hun activa in België evenals de activiteiten die zij op grond van hun vergunning mogen uitoefenen;
3° de naam en het wettelijk toezichtsstatuut van de intermediaire EER-moederondernemingen naar Belgisch recht in het licht van de criteria van paragraaf 2 en de naam van de beleggingsondernemingsgroep uit een derde land waar zij deel van uitmaken.
Art.190. § 1er. Chaque société de bourse visée à l'article 189, § 1er, 1°, doit être détenue par une entreprise mère intermédiaire dans l'EEE, détenant l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers qui sont agréées en qualité d'entreprise d'investissement.
Chaque société de bourse visée à l'article 189, § 1er, 2° détient l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers qui sont agréées en qualité d'entreprise d'investissement.
§ 2. Sans préjudice de l'article 218/1 de la loi du 25 avril 2014, l'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE visée à l'article 189, § 1er, 1° doit être une entreprise d'investissement qui est agréée conformément à l'article 4 ou à la législation d'un autre Etat membre, et qui est soumise à la directive 2014/59/UE.
§ 3. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant tout groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers qui opère en Belgique :
1° la dénomination et la valeur totale des actifs des entreprises d'investissement de droit belge appartenant à un tel groupe ;
2° la dénomination des entreprises d'investissement ayant une succursale agréée en Belgique conformément à la présente loi, à la loi du 25 octobre 2016 ou au Règlement n° 600/2014, et la valeur totale de leurs actifs en Belgique ainsi que les activités autorisées en vertu de leur agrément ;
3° la dénomination et le statut légal de contrôle des entreprises mères intermédiaires dans l'EEE de droit belge au regard des critères du paragraphe 2, ainsi que la dénomination sous laquelle se présente le groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers auquel elles appartiennent.
Chaque société de bourse visée à l'article 189, § 1er, 2° détient l'ensemble des filiales dans l'EEE du groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers qui sont agréées en qualité d'entreprise d'investissement.
§ 2. Sans préjudice de l'article 218/1 de la loi du 25 avril 2014, l'entreprise mère intermédiaire dans l'EEE visée à l'article 189, § 1er, 1° doit être une entreprise d'investissement qui est agréée conformément à l'article 4 ou à la législation d'un autre Etat membre, et qui est soumise à la directive 2014/59/UE.
§ 3. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant tout groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers qui opère en Belgique :
1° la dénomination et la valeur totale des actifs des entreprises d'investissement de droit belge appartenant à un tel groupe ;
2° la dénomination des entreprises d'investissement ayant une succursale agréée en Belgique conformément à la présente loi, à la loi du 25 octobre 2016 ou au Règlement n° 600/2014, et la valeur totale de leurs actifs en Belgique ainsi que les activités autorisées en vertu de leur agrément ;
3° la dénomination et le statut légal de contrôle des entreprises mères intermédiaires dans l'EEE de droit belge au regard des critères du paragraphe 2, ainsi que la dénomination sous laquelle se présente le groupe d'entreprises d'investissement de pays tiers auquel elles appartiennent.
Art.191. § 1. Beursvennootschappen naar Belgisch recht met als moederonderneming een moederbeleggingsonderneming, beleggingsholding of gemengde financiële holding die onder een derde land ressorteert met als dochteronderneming minstens een andere beleggingsonderneming die onder het recht van een lidstaat ressorteert, die niet reeds onderworpen zijn aan of opgenomen zijn in de reikwijdte van het toezicht op geconsolideerde basis of van het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium, overeenkomstig deze Afdeling, uitgeoefend door de Bank of een andere bevoegde autoriteit, worden, onverminderd de artikelen 189 en 190, aan een beoordeling onderworpen volgens de bepalingen van dit artikel.
§ 2. De Bank verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uit hoofde van de bepalingen van deze Afdeling en Deel één van Verordening 2019/2033.
§ 3. Indien een andere bevoegde autoriteit dan de Bank op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 46 van richtlijn 2019/2034 als groepstoezichthouder zou aangewezen zijn, geschiedt de in paragraaf 2 bedoelde verificatie door deze andere bevoegde autoriteit.
§ 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, past de Bank, indien zij als groepstoezichthouder zou aangewezen zijn met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van artikel 170, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, op de betrokken beursvennootschappen naar Belgisch recht een passende toezichtsmethode toe die de doelstellingen achter artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033 dient te verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald eisen dat de beursvennootschappen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen die ressorteren onder het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een beleggingsholding of gemengde financiële holding die ressorteert onder het recht van een lidstaat, en artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033 toepassen.
De Bank stelt de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en de EBA in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het eerste en het tweede lid.
§ 2. De Bank verifieert of de in paragraaf 1 bedoelde beursvennootschappen onder een door een autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht vallen dat gelijkwaardig is met het toezicht op geconsolideerde basis of met het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium uit hoofde van de bepalingen van deze Afdeling en Deel één van Verordening 2019/2033.
§ 3. Indien een andere bevoegde autoriteit dan de Bank op grond van de overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 46 van richtlijn 2019/2034 als groepstoezichthouder zou aangewezen zijn, geschiedt de in paragraaf 2 bedoelde verificatie door deze andere bevoegde autoriteit.
§ 4. Indien de procedure in paragrafen 2 en 3 leidt tot de vaststelling dat er geen gelijkwaardigheid is, past de Bank, indien zij als groepstoezichthouder zou aangewezen zijn met overeenkomstige toepassing van de bepalingen van artikel 170, na overleg met de andere betrokken bevoegde autoriteiten, op de betrokken beursvennootschappen naar Belgisch recht een passende toezichtsmethode toe die de doelstellingen achter artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033 dient te verwezenlijken.
De Bank kan meer bepaald eisen dat de beursvennootschappen naar Belgisch recht en de eventuele andere gereglementeerde ondernemingen die ressorteren onder het recht van een lidstaat, worden ondergebracht in een groep met aan het hoofd een beleggingsholding of gemengde financiële holding die ressorteert onder het recht van een lidstaat, en artikel 7 of 8 van Verordening 2019/2033 toepassen.
De Bank stelt de andere betrokken bevoegde autoriteiten, de Europese Commissie en de EBA in kennis van elke beslissing genomen met toepassing van het eerste en het tweede lid.
Art.191. § 1er. Sans préjudice des articles 189 et 190, les sociétés de bourse de droit belge dont l'entreprise mère est un entreprise d'investissement mère, une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte ayant son siège social dans un pays tiers et ayant comme filiale au moins une autre entreprise d'investissement relevant du droit d'un Etat membre, et qui ne font pas déjà l'objet ou ne relèvent pas encore de la portée du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe, conformément à la présente Section, exercé par la Banque ou par une autre autorité compétente, sont soumises à l'évaluation visée au présent article.
§ 2. La Banque vérifie si les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er sont inclues dans le périmètre du contrôle exercé par une autorité d'un pays tiers, équivalent au contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe conformément aux dispositions de la présente Section et de la première partie du Règlement 2019/2033.
§ 3. Si, sur base d'une application par analogie des dispositions de l'article 46 de la directive 2019/2034, une autre autorité compétente que la Banque était désignée en qualité de contrôleur du groupe, la vérification visée au paragraphe 2 doit être effectuées par cette autre autorité compétente.
§ 4. Si la procédure prévue aux paragraphes 2 et 3 permet de conclure à l'absence d'équivalence et si la Banque est l'autorité compétente qui serait était désignée en qualité de contrôleur du groupe par application par analogie des dispositions de l'article 170, elle applique, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, aux sociétés de bourse de droit belge concernés une méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des de l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2034.
La Banque peut en particulier exiger que les sociétés de bourse de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées relevant du droit le droit d'un Etat membre, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre, et appliquer l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2034.
La Banque avise les autres autorités compétentes concernées, la Commission européenne et l'ABE, de toute décision prise en application des alinéas 1er et 2.
§ 2. La Banque vérifie si les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er sont inclues dans le périmètre du contrôle exercé par une autorité d'un pays tiers, équivalent au contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe conformément aux dispositions de la présente Section et de la première partie du Règlement 2019/2033.
§ 3. Si, sur base d'une application par analogie des dispositions de l'article 46 de la directive 2019/2034, une autre autorité compétente que la Banque était désignée en qualité de contrôleur du groupe, la vérification visée au paragraphe 2 doit être effectuées par cette autre autorité compétente.
§ 4. Si la procédure prévue aux paragraphes 2 et 3 permet de conclure à l'absence d'équivalence et si la Banque est l'autorité compétente qui serait était désignée en qualité de contrôleur du groupe par application par analogie des dispositions de l'article 170, elle applique, après concertation avec les autres autorités compétentes concernées, aux sociétés de bourse de droit belge concernés une méthode de contrôle adéquate, laquelle doit réaliser les objectifs des de l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2034.
La Banque peut en particulier exiger que les sociétés de bourse de droit belge et les éventuelles autres entreprises réglementées relevant du droit le droit d'un Etat membre, soient inclus dans un groupe ayant à sa tête une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière mixte relevant du droit d'un Etat membre, et appliquer l'article 7 ou 8 du Règlement 2019/2034.
La Banque avise les autres autorités compétentes concernées, la Commission européenne et l'ABE, de toute décision prise en application des alinéas 1er et 2.
Afdeling IV. - Aanvullend conglomeraatstoezicht
Section IV. - Surveillance complémentaire des conglomérats
Art.192. § 1. Op beursvennootschappen naar Belgisch recht die deel uitmaken van een beleggingsondernemingsgroep:
1° die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of
2° met als moederonderneming een gemengde financiële holding in een lidstaat,zijn, voor wat betreft hun aanvullend conglomeraatstoezicht, de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling III en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014 van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° en 2° bedoelde beursvennootschappen die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep zijn, voor hun aanvullend conglomeraatstoezicht, onderworpen aan de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling III en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014.
1° die aan het hoofd staan van een financieel conglomeraat; of
2° met als moederonderneming een gemengde financiële holding in een lidstaat,zijn, voor wat betreft hun aanvullend conglomeraatstoezicht, de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling III en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014 van overeenkomstige toepassing.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° en 2° bedoelde beursvennootschappen die deel uitmaken van een kredietinstellingsgroep zijn, voor hun aanvullend conglomeraatstoezicht, onderworpen aan de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV, Afdeling III en Afdeling IV van de wet van 25 april 2014.
Art.192. § 1er. Les dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section III et Section IV de la loi du 25 avril 2014 sont, pour ce qui concerne la surveillance complémentaire des conglomérats, applicables par analogie aux sociétés de bourse de droit belge faisant parties d'un groupe d'entreprises d'investissement :
1° qui sont à la tête d'un conglomérat financier ; ou
2° dont l'entreprise mère est une compagnie financière mixte dans un Etat membre.
§ 2. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, qui font partie d'un groupe d'établissements de crédit, sont, pour leur surveillance complémentaire des conglomérats, soumises aux dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section III et Section IV de la loi du 25 avril 2014.
1° qui sont à la tête d'un conglomérat financier ; ou
2° dont l'entreprise mère est une compagnie financière mixte dans un Etat membre.
§ 2. Les sociétés de bourse visées au paragraphe 1er, 1° et 2°, qui font partie d'un groupe d'établissements de crédit, sont, pour leur surveillance complémentaire des conglomérats, soumises aux dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV, Section III et Section IV de la loi du 25 avril 2014.
Afdeling V. - Bepalingen die van toepassing zijn op de grote beursvennootschappen
Section V. - Dispositions applicables aux sociétés de bourse de taille importante
Art.193. Bij wijze van uitzondering op dit Hoofdstuk, zijn de bepalingen van Boek II, Titel III, Hoofdstuk IV van de wet van 25 april 2014 [1 met uitzondering van de artikelen 212/1 tot en met 212/11 van de genoemde wet,]1 in hun geheel van overeenkomstige toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.193. Par exception au présent Chapitre, l'ensemble des dispositions du Livre II, Titre III, Chapitre IV de la loi du 25 avril 2014 [1 , à l'exception des articles 212/1 à 212/11 de ladite loi,]1 est applicable par analogie aux sociétés de bourse de taille importante, étant entendu que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Änderungen
HOOFDSTUK V. - Revisoraal toezicht
CHAPITRE V. - Du contrôle révisoral
Art.194. De opdracht van commissaris als bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen mag in beursvennootschappen naar Belgisch recht enkel worden toevertrouwd aan een of meer revisoren of een of meer revisorenvennootschappen die daartoe zijn erkend door de Bank overeenkomstig artikel 222 van de wet van 25 april 2014.
In beursvennootschappen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van de vennoten een of meer erkend revisoren of een of meer revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze vennootschappen.
Beursvennootschappen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 195 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
De overeenkomstig dit artikel aangestelde erkend commissarissen certificeren de geconsolideerde jaarrekening van de beursvennootschap.
In beursvennootschappen die met toepassing van het voornoemde Wetboek geen commissaris moeten hebben, stelt de algemene vergadering van de vennoten een of meer erkend revisoren of een of meer revisorenvennootschappen aan als bedoeld in het eerste lid. Zij nemen de taak waar van commissaris en dragen die titel. De voorschriften van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen met betrekking tot de commissarissen-revisoren van naamloze vennootschappen zijn van toepassing op de aanstelling en de opdracht van commissaris in deze vennootschappen.
Beursvennootschappen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 195 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.
De overeenkomstig dit artikel aangestelde erkend commissarissen certificeren de geconsolideerde jaarrekening van de beursvennootschap.
Art.194. La mission de commissaire prévues par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les sociétés de bourse de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222 de la loi du 25 avril 2014.
Dans les sociétés de bourse qui ne sont pas tenues d'avoir un commissaire en application dudit Code, l'assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés comme prévu à l'alinéa 1er. Ceux-ci exercent la mission et portent le titre de commissaire. Les dispositions du Code des sociétés et des associations relatives aux commissaires de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et à la mission de commissaire exercée dans ces sociétés.
Les sociétés de bourse peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent la mission de commissaire en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 195 sont applicables à ces suppléants.
Les commissaires agréés désignés conformément au présent article certifient les comptes annuels consolidés de la société de bourse.
Dans les sociétés de bourse qui ne sont pas tenues d'avoir un commissaire en application dudit Code, l'assemblée générale des associés nomme un ou plusieurs réviseurs ou une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés comme prévu à l'alinéa 1er. Ceux-ci exercent la mission et portent le titre de commissaire. Les dispositions du Code des sociétés et des associations relatives aux commissaires de sociétés anonymes sont applicables à la désignation et à la mission de commissaire exercée dans ces sociétés.
Les sociétés de bourse peuvent désigner des commissaires suppléants qui exercent la mission de commissaire en cas d'empêchement durable de leur titulaire. Les dispositions du présent article et de l'article 195 sont applicables à ces suppléants.
Les commissaires agréés désignés conformément au présent article certifient les comptes annuels consolidés de la société de bourse.
Art.195. Erkende revisorenvennootschappen doen voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 194, een beroep op een erkend revisor die zij aanduiden overeenkomstig artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de opdracht, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen alsmede de voor hen geldende, andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkend revisoren die hen vertegenwoordigen.
Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.
Art.195. Les sociétés de réviseurs agréées exercent la mission de commissaire prévue à l'article 194 par l'intermédiaire d'un réviseur agréé qu'elles désignent conformément à l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations. Les dispositions de la présente loi et des arrêtés pris pour son exécution et qui sont relatives à la désignation, à la mission, aux obligations et aux interdictions des commissaires ainsi qu'aux sanctions, autres que pénales, qui sont applicables à ces derniers sont applicables simultanément aux sociétés de réviseurs et aux réviseurs agréés qui les représentent.
Une société de réviseurs agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés.
Une société de réviseurs agréée peut désigner un représentant suppléant parmi ses membres remplissant les conditions pour être désignés.
Art.196. Voor de aanstelling van erkend commissarissen en plaatsvervangend erkend commissarissen bij beursvennootschappen is de voorafgaande instemming vereist van de Bank. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht.
Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.
Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkend revisoren waaraan de Bank haar goedkeuring heeft gehecht.
Art.196. La désignation des commissaires agréés et des commissaires agréés suppléants auprès des sociétés de bourse est subordonnée à l'accord préalable de la Banque. Cet accord doit être recueilli par l'organe social qui fait la proposition de désignation. En cas de désignation d'une société de réviseurs agréée, l'accord porte conjointement sur la société et son représentant.
Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire est faite par le Président du tribunal de l'entreprise ou la cour d'appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs agréés sur laquelle de la Banque a donné son accord.
Le même accord est requis pour le renouvellement du mandat.
Lorsque, en vertu de la loi, la nomination du commissaire est faite par le Président du tribunal de l'entreprise ou la cour d'appel, ceux-ci font leur choix sur une liste de réviseurs agréés sur laquelle de la Banque a donné son accord.
Art.197. De Bank kan haar instemming overeenkomstig artikel 196 met een erkend commissaris, plaatsvervangend erkend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van een dergelijke vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die is gemotiveerd door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkend revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van commissaris.
Vooraleer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de Bank en de beursvennootschap hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
Het in artikel 222, eerste lid van de wet van 25 april 2014 bedoelde erkenningsreglement regelt de procedure.
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de beursvennootschap of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 196, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
Het voorstel om een erkend commissaris in een beursvennootschap van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 3:66 en 3:67 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.
Vooraleer een erkend commissaris ontslag neemt, worden de Bank en de beursvennootschap hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.
Het in artikel 222, eerste lid van de wet van 25 april 2014 bedoelde erkenningsreglement regelt de procedure.
Bij afwezigheid van een plaatsvervangend erkend commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de beursvennootschap of de erkende revisorenvennootschap, met inachtneming van artikel 196, binnen twee maanden voor zijn vervanging.
Het voorstel om een erkend commissaris in een beursvennootschap van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 3:66 en 3:67 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, wordt ter advies voorgelegd aan de Bank. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.
Art.197. La Banque peut, en tout temps, révoquer, par décision motivée par des raisons tenant à leur statut ou à l'exercice de leur mission de réviseur agréé ou de société de réviseurs agréée, tels que prévus par ou en vertu de la présente loi, l'accord donné, conformément à l'article 196, à un commissaire agréé, un commissaire agréé suppléant, une société de réviseurs agréée ou un représentant ou représentant suppléant d'une telle société. Cette révocation met fin à la mission de commissaire.
En cas de démission d'un commissaire agréé, la Banque et la société de bourse en sont préalablement informées, ainsi que des motifs de la démission.
Le règlement d'agrément visé à l'article 222, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014 règle, pour le surplus, la procédure.
En l'absence d'un commissaire agréé suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société agréée, la société de bourse ou la société de réviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l'article 196, au remplacement dans les deux mois.
La proposition de révocation des mandats de commissaire agréé dans les sociétés de bourse, telle que réglée par les articles 3:66 et 3:67 du Code des sociétés et des associations, est soumise à l'avis de la Banque. Cet avis est communiqué à l'assemblée générale.
En cas de démission d'un commissaire agréé, la Banque et la société de bourse en sont préalablement informées, ainsi que des motifs de la démission.
Le règlement d'agrément visé à l'article 222, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014 règle, pour le surplus, la procédure.
En l'absence d'un commissaire agréé suppléant ou d'un représentant suppléant d'une société agréée, la société de bourse ou la société de réviseurs agréée pourvoit, dans le respect de l'article 196, au remplacement dans les deux mois.
La proposition de révocation des mandats de commissaire agréé dans les sociétés de bourse, telle que réglée par les articles 3:66 et 3:67 du Code des sociétés et des associations, est soumise à l'avis de la Banque. Cet avis est communiqué à l'assemblée générale.
Art.198. § 1. De erkend commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe:
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de beursvennootschappen hebben getroffen als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° en met toepassing van de artikelen 17, § 1, 9°, 38 en 73, en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de beursvennootschappen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de beursvennootschappen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de beursvennootschap; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de vennootschap gedragen;
4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de beursvennootschap of een revisorale opdracht bij een onderneming die nauwe banden heeft met de beursvennootschap, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de beursvennootschap financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de statuten, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen [1 of Europese verordeningen]1;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
5° brengen zij de Bank minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de beursvennootschappen hebben getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten met toepassing van de artikelen 69, 70 en 82, en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen;
6° maken zij jaarlijks aan de Bank een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 17, § 2, hebben vastgesteld.
Volgens de modaliteiten bepaald in artikel 127 stelt de Bank de informatie bedoeld in de bepalingen onder 5° van het eerste lid ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4° kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
De erkend commissarissen delen aan de beursvennootschappen de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. De in dit artikel bedoelde verslagen die aan de beursvennootschap werden meegedeeld, mogen door deze laatste slechts aan derden worden meegedeeld mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft gegeven en onder de door haar vastgestelde voorwaarden. Mededelingen die in strijd met dit lid worden verricht, worden bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek. De erkend commissarissen bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan de beursvennootschap richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
De erkend commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de vennootschap waarop zij toezicht houden, de controles en onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
Zij kunnen door de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze beursvennootschappen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.
§ 2. Bij wijze van uitzondering paragraaf 1 is artikel 225 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 65, 65/1, 66, 74/1 et 138 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 69, 70, 82 en 120 van deze wet.
1° beoordelen zij de internecontrolemaatregelen die de beursvennootschappen hebben getroffen als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° en met toepassing van de artikelen 17, § 1, 9°, 38 en 73, en delen zij hun bevindingen ter zake mee aan de Bank;
2° brengen zij verslag uit bij de Bank over:
a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de beursvennootschappen aan het einde van het eerste halfjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat deze periodieke staten niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de Bank werden opgesteld. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de beursvennootschappen aan het einde van het boekjaar aan de Bank bezorgen, waarin bevestigd wordt dat deze periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de Bank. Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, wat wil zeggen dat ze alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, wat wil zeggen dat ze de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boek ings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de Bank kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen;
3° brengen zij bij de Bank op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de beursvennootschap; de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de vennootschap gedragen;
4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de beursvennootschap of een revisorale opdracht bij een onderneming die nauwe banden heeft met de beursvennootschap, op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, zodra zij kennis krijgen van:
a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de beursvennootschap financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden;
b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de statuten, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen [1 of Europese verordeningen]1;
c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;
5° brengen zij de Bank minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de beursvennootschappen hebben getroffen ter vrijwaring van de tegoeden van de cliënten met toepassing van de artikelen 69, 70 en 82, en van de op grond van deze bepalingen door de Koning genomen uitvoeringsmaatregelen;
6° maken zij jaarlijks aan de Bank een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 17, § 2, hebben vastgesteld.
Volgens de modaliteiten bepaald in artikel 127 stelt de Bank de informatie bedoeld in de bepalingen onder 5° van het eerste lid ter beschikking van de FSMA, om haar toe te laten de bevoegdheden bedoeld in artikel 45, § 1, 3° en § 2 van de wet van 2 augustus 2002 uit te oefenen.
Tegen erkend commissarissen die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4° kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
De erkend commissarissen delen aan de beursvennootschappen de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. De in dit artikel bedoelde verslagen die aan de beursvennootschap werden meegedeeld, mogen door deze laatste slechts aan derden worden meegedeeld mits de Bank hiervoor voorafgaandelijk haar toestemming heeft gegeven en onder de door haar vastgestelde voorwaarden. Mededelingen die in strijd met dit lid worden verricht, worden bestraft met de straffen waarin voorzien is in artikel 458 van het Strafwetboek. De erkend commissarissen bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan de beursvennootschap richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.
De erkend commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de vennootschap waarop zij toezicht houden, de controles en onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.
Zij kunnen door de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze beursvennootschappen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld.
§ 2. Bij wijze van uitzondering paragraaf 1 is artikel 225 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op grote beursvennootschappen, met dien verstande dat:
1° de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank;
2° de verwijzingen naar de artikelen 65, 65/1, 66, 74/1 et 138 van de wet van 25 april 2014 moeten worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 69, 70, 82 en 120 van deze wet.
Art.198. § 1er. Les commissaires agréés collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent article, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin :
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les sociétés de bourse conformément à l'article 17, § 1er, 2° et par application des articles 17, § 1er, 9°, 38 et 73, et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque ;
2° ils font rapport à la Banque sur :
a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les sociétés de bourse à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis ; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice ; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés ;
b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les sociétés de bourse à la Banque à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis ; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels ; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés ;
3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de la société de bourse, rapports dont les frais d'établissement sont supportés par la société en question ;
4° dans le cadre de leur mission auprès de la société de bourse ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise ayant un lien étroit avec cette société de bourse, ils font d'initiative rapport à la Banque dès qu'ils constatent :
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de la société de bourse sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne ;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés et des associations, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [1 ou des règlements européens]1;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes ;
5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l'adéquation des dispositions prises par les sociétés de bourse pour préserver les avoirs des clients en application des articles 69, 70 et 82, et des mesures d'exécution prises par le Roi en vertu desdites dispositions ;
6° ils transmettent chaque année à la Banque une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 17, § 2.
Selon les modalités prévues à l'article 127, la Banque met à la disposition de la FSMA les informations visées au 5° de l'alinéa 1er de manière à lui permettre d'exercer les compétences visées à l'article 45, § 1er, 3°, et § 2 de la loi du 2 août 2002.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l'alinéa 1er.
Les commissaires agréés communiquent aux sociétés de bourse les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 3°. Les rapports visés au présent article dont la communication a été effectuée à la société de bourse ne peuvent être communiqués à des tiers par cette dernière que moyennant l'accord préalable de la Banque et ce, aux conditions fixées par celle-ci. Toute communication effectuée en violation du présent alinéa est punie des peines prévues par l'article 458 du Code pénal. Les commissaires agréés transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à la société de bourse et qui portent sur des questions de nature à présenter un intérêt pour son contrôle.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de leur mission auprès des succursales à l'étranger de la société qu'ils contrôlent.
Ils peuvent être chargés par la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne en sa qualité d'autorité monétaire, de confirmer que les informations que les sociétés de bourse sont tenues de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles applicables.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, l'article 225 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 65, 65/1, 66, 74/1 et 138 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 69, 70, 82 et 120 de la présente loi.
1° ils évaluent les mesures de contrôle interne adoptées par les sociétés de bourse conformément à l'article 17, § 1er, 2° et par application des articles 17, § 1er, 9°, 38 et 73, et ils communiquent leurs conclusions en la matière à la Banque ;
2° ils font rapport à la Banque sur :
a) les résultats de l'examen limité des états périodiques transmis par les sociétés de bourse à la Banque à la fin du premier semestre social, confirmant qu'ils n'ont pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que ces états périodiques n'ont pas, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin de semestre sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis ; ils confirment également n'avoir pas connaissance de faits dont il apparaîtrait que les états périodiques arrêtés en fin de semestre n'ont pas été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation qui ont présidé à l'établissement des comptes annuels afférents au dernier exercice ; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés ;
b) les résultats du contrôle des états périodiques transmis par les sociétés de bourse à la Banque à la fin de l'exercice social, confirmant que ces états périodiques ont, sous tous égards significativement importants, été établis selon les instructions en vigueur de la Banque. Ils confirment en outre que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice sont, pour ce qui est des données comptables, sous tous égards significativement importants, conformes à la comptabilité et aux inventaires, en ce sens qu'ils sont complets, c'est-à-dire qu'ils mentionnent toutes les données figurant dans la comptabilité et dans les inventaires sur la base desquels ils sont établis, et qu'ils sont corrects, c'est-à-dire qu'ils concordent exactement avec la comptabilité et avec les inventaires sur la base desquels ils sont établis ; ils confirment également que les états périodiques arrêtés en fin d'exercice ont été établis par application des règles de comptabilisation et d'évaluation présidant à l'établissement des comptes annuels ; la Banque peut préciser quels sont en l'occurrence les états périodiques visés ;
3° ils font à la Banque, à sa demande, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière de la société de bourse, rapports dont les frais d'établissement sont supportés par la société en question ;
4° dans le cadre de leur mission auprès de la société de bourse ou d'une mission révisorale auprès d'une entreprise ayant un lien étroit avec cette société de bourse, ils font d'initiative rapport à la Banque dès qu'ils constatent :
a) des décisions, des faits ou des évolutions qui influencent ou peuvent influencer de façon significative la situation de la société de bourse sous l'angle financier ou sous l'angle de son organisation administrative et comptable ou de son contrôle interne ;
b) des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations du Code des sociétés et des associations, des statuts, de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution [1 ou des règlements européens]1;
c) des autres décisions ou des faits qui sont de nature à entraîner le refus ou des réserves en matière de certification des comptes ;
5° ils font rapport au moins tous les ans à la Banque sur l'adéquation des dispositions prises par les sociétés de bourse pour préserver les avoirs des clients en application des articles 69, 70 et 82, et des mesures d'exécution prises par le Roi en vertu desdites dispositions ;
6° ils transmettent chaque année à la Banque une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 17, § 2.
Selon les modalités prévues à l'article 127, la Banque met à la disposition de la FSMA les informations visées au 5° de l'alinéa 1er de manière à lui permettre d'exercer les compétences visées à l'article 45, § 1er, 3°, et § 2 de la loi du 2 août 2002.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les commissaires agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 4° de l'alinéa 1er.
Les commissaires agréés communiquent aux sociétés de bourse les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 3°. Les rapports visés au présent article dont la communication a été effectuée à la société de bourse ne peuvent être communiqués à des tiers par cette dernière que moyennant l'accord préalable de la Banque et ce, aux conditions fixées par celle-ci. Toute communication effectuée en violation du présent alinéa est punie des peines prévues par l'article 458 du Code pénal. Les commissaires agréés transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à la société de bourse et qui portent sur des questions de nature à présenter un intérêt pour son contrôle.
Les commissaires agréés et les sociétés de réviseurs agréées peuvent effectuer les vérifications et expertises relevant de leur mission auprès des succursales à l'étranger de la société qu'ils contrôlent.
Ils peuvent être chargés par la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne en sa qualité d'autorité monétaire, de confirmer que les informations que les sociétés de bourse sont tenues de communiquer à ces autorités sont complètes, correctes et établies selon les règles applicables.
§ 2. Par exception au paragraphe 1er, l'article 225 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant donné que :
1° les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque ;
2° les références faites aux articles 65, 65/1, 66, 74/1 et 138 de la loi du 25 avril 2014 doivent être lues comme des références aux articles 69, 70, 82 et 120 de la présente loi.
Art.199. De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot de financiële verslaggeving. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in de artikelen 3:74 en 3:80 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en in artikel 10 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde verslag.
Op verzoek van de Bank, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.
Op verzoek van de Bank, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.
Art.199. Le commissaire agréé adresse sur une base annuelle au comité d'audit, d'une part, si un tel comité a été constitué, et à l'organe légal d'administration, d'autre part, le rapport complémentaire visé à l'article 11 du Règlement n° 537/2014. Ce rapport traite notamment des questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus d'information financière. Ce rapport complémentaire est adressé au plus tard à la date de présentation du rapport visé aux articles 3:74 et 3:80 du Code des sociétés et des associations et à l'article 10 du Règlement n° 537/2014.
Sur demande de la Banque, le comité d'audit ou, le cas échéant, l'organe légal d'administration transmet le rapport complémentaire visé à l'alinéa 1er.
Sur demande de la Banque, le comité d'audit ou, le cas échéant, l'organe légal d'administration transmet le rapport complémentaire visé à l'alinéa 1er.
TITEL IV. - Beëindiging van de vergunning
TITRE IV. - De la fin de l'agrément
HOOFDSTUK I. - Intrekking van de vergunning
CHAPITRE Ier. - Radiation de l'agrément
Art.200. Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de Bank de vergunning in van beursvennootschappen die hun werkzaamheden niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, die uitdrukkelijk afstand doen van hun vergunning, die failliet zijn verklaard of die hun werkzaamheden sedert meer dan 6 maanden hebben stopgezet.
De beslissing tot intrekking en de redenen daarvoor worden door de Bank ter kennis gebracht van de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
De beslissing tot intrekking en de redenen daarvoor worden door de Bank ter kennis gebracht van de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
Art.200. La Banque radie par décision notifiée par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, l'agrément des sociétés de bourse qui n'ont pas entamé leurs activités dans les douze mois de l'agrément, qui renoncent expressément à l'agrément, qui ont été déclarées en faillite ou qui ont cessé d'exercer leurs activités depuis plus de 6 mois.
La décision de radiation et ses motifs sont notifiés par la Banque à l'Autorité européenne des marchés financiers.
La décision de radiation et ses motifs sont notifiés par la Banque à l'Autorité européenne des marchés financiers.
HOOFDSTUK II. - Aanhangigmaking bij de insolventierechtbank
CHAPITRE II. - Saisine du tribunal d'insolvabilité
Art.201. Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een in artikel 13, § 1 bedoelde beursvennootschap aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van economisch recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.
Art.201. Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'une société de bourse visée à l'article 13, § 1er, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.
TITEL V. - Herstelmaatregelen
TITRE V. - Des mesures de redressement
HOOFDSTUK I. - Dwingende maatregelen
CHAPITRE Ier. - Des mesures contraignantes
Art.202. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze vennootschap in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 of Verordening 2022/2554,]1 of [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1;
3° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
4° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt de Bank de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
§ 2. Zolang de beursvennootschap de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde:
1° onverminderd artikel 138, eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 11 van Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld, wanneer een beursvennootschap niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 17 en 106 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;
2° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 11 van Verordening 209/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld;
3° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
4° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
5° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;
6° onverminderd artikel 144, specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld, wanneer een beursvennootschap niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 17 en 106 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;
7° eisen dat de vennootschap het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, met inbegrip van uitbestede werkzaamheden, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld;
9° voor zover de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering in de zin van artikel 122, § 2, een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 109 of Verordening 2019/2033, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 86 of Verordening 2019/2033;
11° de maatregelen opleggen als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 3° en 5° ;
12° eisen dat de vennootschap een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan;
13° eisen dat de vennootschap de risico's beperkt in verband met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die zij gebruikt teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa te waarborgen.
Bij wijze van uitzondering op de punten 1°, 2°, 6°, 8°, 9°, 10° en 13° van deze paragraaf, is artikel 234, §§ 2, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° en 10°, 2/1 en 2/2 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
§ 3. Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen die de vennootschap binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
§ 4. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een vennootschap in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen, evenals, voor de beursvennootschappen die niet als een grote beursvennootschap worden beschouwd, de methode die gebruikt wordt om de in paragraaf 2 bedoelde beslissingen te nemen.
§ 5. De Bank stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een beursvennootschap als bedoeld in artikel 13, § 2 aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.
1° de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 of Verordening 2022/2554,]1 of [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1;
3° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
4° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt de Bank de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.
§ 2. Zolang de beursvennootschap de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de Bank te allen tijde:
1° onverminderd artikel 138, eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 11 van Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld, wanneer een beursvennootschap niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 17 en 106 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;
2° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing in het kader van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 11 van Verordening 209/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld;
3° de gehele of gedeeltelijke reservering van uitkeerbare winst opleggen;
4° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
5° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;
6° onverminderd artikel 144, specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld, wanneer een beursvennootschap niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 17 en 106 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;
7° eisen dat de vennootschap het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, met inbegrip van uitbestede werkzaamheden, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;
8° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin voorzien is door of krachtens Verordening 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 107 zijn vastgesteld;
9° voor zover de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering in de zin van artikel 122, § 2, een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 109 of Verordening 2019/2033, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;
10° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan deze waarin voorzien is door of krachtens artikel 86 of Verordening 2019/2033;
11° de maatregelen opleggen als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 3° en 5° ;
12° eisen dat de vennootschap een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met schuldeisers over de herstructurering van de schulden, in voorkomend geval overeenkomstig het herstelplan;
13° eisen dat de vennootschap de risico's beperkt in verband met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die zij gebruikt teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa te waarborgen.
Bij wijze van uitzondering op de punten 1°, 2°, 6°, 8°, 9°, 10° en 13° van deze paragraaf, is artikel 234, §§ 2, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° en 10°, 2/1 en 2/2 van de wet van 25 april 2014 van toepassing op de grote beursvennootschappen, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
§ 3. Wanneer de Bank van oordeel is dat de maatregelen die de vennootschap binnen de met toepassing van paragraaf 1 vastgestelde termijn heeft genomen om de vastgestelde toestand te verhelpen, bevredigend zijn, heft zij volgens de modaliteiten die zij bepaalt, alle of een deel van de maatregelen op waartoe zij met toepassing van paragraaf 2 heeft besloten.
§ 4. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van de methode die gebruikt wordt ter staving van de vaststelling dat er een gevaar bestaat dat een vennootschap in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen, evenals, voor de beursvennootschappen die niet als een grote beursvennootschap worden beschouwd, de methode die gebruikt wordt om de in paragraaf 2 bedoelde beslissingen te nemen.
§ 5. De Bank stelt de afwikkelingsautoriteit onverwijld in kennis zodra zij vaststelt dat voor een beursvennootschap als bedoeld in artikel 13, § 2 aan de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden is voldaan.
Art.202. § 1er. Lorsque la Banque constate qu'une société de bourse ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou lorsqu'elle dispose d'éléments indiquant que cette société risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des 12 prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014 [1 , du règlement 2017/565, du règlement 2022/2554]1 ou [1 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ;
3° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
4° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 3°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.
§ 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par la société de bourse à la situation visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment :
1° sans préjudice de l'article 138, imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues par ou en vertu de l'article 11 du Règlement 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 107, lorsqu'une société de bourse ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 17 et 106 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié ;
2° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour les besoins des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de l'article 11 du Règlement 2019/2033, ou par des règlements pris en application de l'article 107 ;
3° imposer la mise en réserve totale ou partielle de bénéfices distribuables ;
4° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ou titulaires d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions du Livre XX du Code de droit économique ;
5° imposer de limiter la rémunération variable à un pourcentage du bénéfice ;
6° sans préjudice de l'article 144, imposer des exigences spécifiques de liquidité plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 107, lorsqu'une société de bourse ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 17 et 106 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à assurer le respect de ces exigences dans un délai approprié ;
7° imposer que la société diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, y compris les activités externalisées, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau ;
8° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitations des expositions plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement 2019/2033 ou des règlements pris en application de l'article 107 ;
9° , pour autant que les informations demandées ne fassent pas double emploi au sens de l'article 122, § 2, imposer une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 109 ou du Règlement 2019/2033, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité ;
10° imposer la publication d'informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de l'article 86, ou du Règlement 2019/2033 ;
11° imposer les mesures visées à l'article 119, § 2, alinéa 2, 3° et 5° ;
12° exiger de la société qu'elle établisse un plan pour négocier la restructuration de ses dettes, le cas échéant conformément au plan de redressement ;
13° exiger de la société qu'elle réduise les risques menaçant la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'elle utilise afin de garantir la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs.
Par exception aux 1°, 2°, 6°, 8°, 9°, 10° et 13° du présent paragraphe, l'article 234, §§ 2, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° et 10°, 2/1 et 2/2 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant entendu que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
§ 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par la société dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu'elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2.
§ 4. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne de la méthode utilisée pour justifier le constat selon lequel une société risque, au cours des 12 prochains mois, de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions visées au paragraphe 1er, ainsi que, pour les sociétés de bourse qui ne qualifient pas de sociétés de bourse de taille importante, la méthode utilisée pour adopter les décisions visées au paragraphe 2.
§ 5. La Banque notifie sans retard à l'autorité de résolution qu'il a été déterminé que les conditions énoncées au paragraphe 1er étaient réunies en ce qui concerne une société de bourse visée à l'article 13, § 2.
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014 [1 , du règlement 2017/565, du règlement 2022/2554]1 ou [1 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ;
3° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
4° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 3°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.
§ 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par la société de bourse à la situation visée au paragraphe 1er, la Banque peut, à tout moment :
1° sans préjudice de l'article 138, imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues par ou en vertu de l'article 11 du Règlement 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 107, lorsqu'une société de bourse ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 17 et 106 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié ;
2° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour les besoins des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de l'article 11 du Règlement 2019/2033, ou par des règlements pris en application de l'article 107 ;
3° imposer la mise en réserve totale ou partielle de bénéfices distribuables ;
4° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ou titulaires d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions du Livre XX du Code de droit économique ;
5° imposer de limiter la rémunération variable à un pourcentage du bénéfice ;
6° sans préjudice de l'article 144, imposer des exigences spécifiques de liquidité plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 107, lorsqu'une société de bourse ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 17 et 106 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à assurer le respect de ces exigences dans un délai approprié ;
7° imposer que la société diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, y compris les activités externalisées, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau ;
8° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitations des expositions plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement 2019/2033 ou des règlements pris en application de l'article 107 ;
9° , pour autant que les informations demandées ne fassent pas double emploi au sens de l'article 122, § 2, imposer une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 109 ou du Règlement 2019/2033, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité ;
10° imposer la publication d'informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de l'article 86, ou du Règlement 2019/2033 ;
11° imposer les mesures visées à l'article 119, § 2, alinéa 2, 3° et 5° ;
12° exiger de la société qu'elle établisse un plan pour négocier la restructuration de ses dettes, le cas échéant conformément au plan de redressement ;
13° exiger de la société qu'elle réduise les risques menaçant la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'elle utilise afin de garantir la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs.
Par exception aux 1°, 2°, 6°, 8°, 9°, 10° et 13° du présent paragraphe, l'article 234, §§ 2, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° et 10°, 2/1 et 2/2 de la loi du 25 avril 2014 est applicable aux sociétés de bourse de taille importante étant entendu que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
§ 3. Lorsque la Banque estime que les mesures prises par la société dans le délai fixé en application du paragraphe 1er pour remédier à la situation constatée sont satisfaisantes, elle lève, selon les modalités qu'elle détermine, tout ou partie des mesures décidées en application du paragraphe 2.
§ 4. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne de la méthode utilisée pour justifier le constat selon lequel une société risque, au cours des 12 prochains mois, de ne plus fonctionner en conformité avec les dispositions visées au paragraphe 1er, ainsi que, pour les sociétés de bourse qui ne qualifient pas de sociétés de bourse de taille importante, la méthode utilisée pour adopter les décisions visées au paragraphe 2.
§ 5. La Banque notifie sans retard à l'autorité de résolution qu'il a été déterminé que les conditions énoncées au paragraphe 1er étaient réunies en ce qui concerne une société de bourse visée à l'article 13, § 2.
HOOFDSTUK II. - Uitvoering van het herstelplan
CHAPITRE II. - De la mise en oeuvre du plan de redressement
Art.203. Zolang een vennootschap als bedoeld in artikel 13, § 2 de toestand bedoeld in artikel 202, § 1 niet heeft verholpen, en onverminderd de maatregelen bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel, kan de Bank te allen tijde en volgens de modaliteiten die zij bepaalt, eisen dat deze vennootschap het herstelplan bedoeld in artikel 111 geheel of gedeeltelijk uitvoert.
Art.203. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par une société visée l'article 13, § 2 à la situation visée à l'article 202, § 1er et sans préjudice des mesures visées au paragraphe 2 de cet article, la Banque peut à tout moment, et selon les modalités qu'elle détermine, requérir que cette société mette en oeuvre tout ou partie du plan de redressement visé à l'article 111.
HOOFDSTUK III. - Uitzonderlijke herstelmaatregelen
CHAPITRE III. - Des mesures de redressement exceptionnelles
Art.204. § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 202, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 202, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen, kan zij, onverminderd de andere bepalingen van deze wet,
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de vennootschap, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht voorleggen aan alle organen van de vennootschap, inclusief de algemene vergadering.
De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap of voor derden.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de vennootschap.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van de beursvennootschap, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of een of meer personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een of meer leden van het directiecomité, van de beursvennootschap ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de vennootschap een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de in het eerste lid bedoelde leiders van de vennootschap.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of, in voorkomend geval, van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De beursvennootschap vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de beursvennootschap ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken vennootschap.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;
3° de vennootschap gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de vennootschap geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
De leden van het wettelijk bestuursorgaan, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap of voor derden.
Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
5° een beursvennootschap gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit, overeenkomstig artikel 10 van Verordening 2019/2033 of de artikelen 89 en 90 van Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing;
6° de vennootschap gelasten om een deel of het geheel van haar bedrijf of haar net over te dragen. In dat geval zijn de artikelen 92, eerste lid, 4° en 93 van toepassing als de overdracht plaatsvindt tussen beursvennootschapen of tussen een dergelijke vennootschap en andere financiële instellingen;
7° de vergunning herroepen. De Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van een grote beursvennootschap uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Bank ter kennis gebracht van de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten.
[1 Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een beursvennootschap tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.]1
§ 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de vennootschap uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
§ 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een beursvennootschap een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
§ 5. Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen worden genomen wegens niet-nakoming van de verplichtingen waarin deze wet voorziet ter omzetting van richtlijn 2014/65/EU, maakt de Bank bekend dat deze maatregelen werden genomen overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.
§ 6. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een beursvennootschap een bijzonder mechanisme heeft ingesteld in de zin van artikel 17, § 2, zijn artikel 202, §§ 1 en 2, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 7° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
§ 7. Artikel 202, § 1 en paragraaf 1, 2°, 3°, 4° en 7° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap niet werkt overeenkomstig:
1° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
2° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 1° bedoelde bepalingen; of
3° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 1° bedoelde bepalingen, of overeenkomstig de in punt 2° bedoelde gedelegeerde handelingen.
§ 8. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3° of § 2 van de wet van 2 augustus 2002 kan de Bank de vergunning herroepen, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
[1 § 8/1. Wanneer de Bank vaststelt dat een persoon die een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de Bank aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij beursvennootschappen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen als bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.
De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de beursvennootschap waar deze persoon een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis.]1
§ 9. De ondernemingsrechtbank spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, 1° en 4°.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de vennootschap. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing werd bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de vennootschap heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
1° een speciaal commissaris aanstellen.
In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de vennootschap, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de Bank kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.
De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht voorleggen aan alle organen van de vennootschap, inclusief de algemene vergadering.
De leden van de bestuurs- en de beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap of voor derden.
Indien de Bank de aanstelling van een speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.
De bezoldiging van de speciaal commissaris wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de vennootschap.
De Bank kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;
2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van de beursvennootschap, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of een of meer personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval een of meer leden van het directiecomité, van de beursvennootschap ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de vennootschap een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de in het eerste lid bedoelde leiders van de vennootschap.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of, in voorkomend geval, van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De beursvennootschap vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de beursvennootschap ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken vennootschap.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;
3° de vennootschap gelasten binnen de door haar vastgestelde termijn een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarvan zij de agenda vaststelt;
4° voor de duur die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de vennootschap geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden; deze schorsing kan, in de door de Bank bepaalde mate, de volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de lopende overeenkomsten tot gevolg hebben.
De leden van het wettelijk bestuursorgaan, de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing of het verbod, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap of voor derden.
Indien de Bank de schorsing of het verbod in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig;
5° een beursvennootschap gelasten de aandelen over te dragen die zij bezit, overeenkomstig artikel 10 van Verordening 2019/2033 of de artikelen 89 en 90 van Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing;
6° de vennootschap gelasten om een deel of het geheel van haar bedrijf of haar net over te dragen. In dat geval zijn de artikelen 92, eerste lid, 4° en 93 van toepassing als de overdracht plaatsvindt tussen beursvennootschapen of tussen een dergelijke vennootschap en andere financiële instellingen;
7° de vergunning herroepen. De Bank kan de vergunning echter niet herroepen wanneer de tekortkoming van een grote beursvennootschap uitsluitend bestaat in het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 92bis of 92ter van Verordening nr. 575/2013. De beslissing tot herroeping en de redenen daarvoor worden door de Bank ter kennis gebracht van de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten.
[1 Naast en onverminderd artikel XX.1 van het Wetboek van economisch recht, behoort de benoeming van een speciaal commissaris of van een voorlopig bestuurder, onder welke benaming dan ook, bij een beursvennootschap tot de exclusieve bevoegdheid van de Bank.]1
§ 2. Niettegenstaande de voorwaarden voor de toepassing van paragraaf 1, kan de Bank in uiterst spoedeisende gevallen of wanneer de ernst van de feiten dit rechtvaardigt de maatregelen als bedoeld in de genoemde paragraaf 1 treffen zonder vooraf een termijn op te leggen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de Bank hebben voor de vennootschap uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig de voorschriften van paragraaf 1.
§ 4. De Bank kan de in dit artikel bedoelde maatregelen ook nemen wanneer een beursvennootschap een vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze.
§ 5. Wanneer de in dit artikel bedoelde maatregelen worden genomen wegens niet-nakoming van de verplichtingen waarin deze wet voorziet ter omzetting van richtlijn 2014/65/EU, maakt de Bank bekend dat deze maatregelen werden genomen overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.
§ 6. Wanneer de Bank kennis heeft van het feit dat een beursvennootschap een bijzonder mechanisme heeft ingesteld in de zin van artikel 17, § 2, zijn artikel 202, §§ 1 en 2, evenals paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 7° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel van toepassing.
§ 7. Artikel 202, § 1 en paragraaf 1, 2°, 3°, 4° en 7° en de paragrafen 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap niet werkt overeenkomstig:
1° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
2° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 1° bedoelde bepalingen; of
3° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 1° bedoelde bepalingen, of overeenkomstig de in punt 2° bedoelde gedelegeerde handelingen.
§ 8. Bij ernstige en stelselmatige overtreding van de regels bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 3° of § 2 van de wet van 2 augustus 2002 kan de Bank de vergunning herroepen, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, volgens de procedure en de regels bepaald bij artikel 36bis van diezelfde wet.
[1 § 8/1. Wanneer de Bank vaststelt dat een persoon die een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefent of heeft uitgeoefend, niet langer voldoet aan het wettelijke vereiste om over de nodige professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid te beschikken, kan de Bank aan deze persoon een verbod opleggen om functies bij beursvennootschappen uit te oefenen, waarvan de duur niet meer dan vijf jaar mag bedragen.
De Bank kan een krachtens het eerste lid genomen verbodsbeslissing aanvullen met een verbod om functies uit te oefenen in andere instellingen als bedoeld in artikel 36/2, § 1, van de wet van 22 februari 1998.
De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen vermelden de aard van de verboden functies.
De krachtens het eerste en het tweede lid genomen verbodsbeslissingen worden ter kennis gebracht van de betrokken persoon en van de beursvennootschap waar deze persoon een in artikel 15, § 1, eerste lid, bedoelde functie uitoefende. De Bank stelt de FSMA van deze beslissingen in kennis.]1
§ 9. De ondernemingsrechtbank spreekt op verzoek van elke belanghebbende de nietigverklaringen uit als bedoeld in paragraaf 1, 1° en 4°.
De nietigheidsvordering wordt ingesteld tegen de vennootschap. Indien verantwoord om ernstige redenen kan de eiser in kort geding de voorlopige schorsing vorderen van de gewraakte handelingen of beslissingen. Het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring hebben uitwerking ten aanzien van iedereen. Ingeval de geschorste of vernietigde handeling of beslissing werd bekendgemaakt, worden het schorsingsbevel en het vonnis van nietigverklaring bij uittreksel op dezelfde wijze bekendgemaakt.
Wanneer de nietigheid afbreuk kan doen aan de rechten die een derde te goeder trouw ten aanzien van de vennootschap heeft verworven, kan de rechtbank verklaren dat die nietigheid geen uitwerking heeft ten aanzien van de betrokken rechten, onverminderd het eventuele recht van de eiser op schadevergoeding.
De nietigheidsvordering kan niet meer worden ingesteld na afloop van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken handelingen of beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan wie hun nietigheid inroept, of hem bekend zijn.
Art.204. § 1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par la présente loi, lorsque la Banque constate qu'une société de bourse ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 202, § 2 ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 202, § 1er, il n'a pas été remédié à la situation, elle peut :
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de la société, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion ; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de la société, y compris l'assemblée générale, toute proposition qu'il juge opportune.
Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en résulte pour la société ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision de l'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par la société.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant ;
2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, des personnes participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, de la société de bourse, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou une ou plusieurs personnes participant à la direction effective, le cas échéant un ou plusieurs des membres du comité de direction, de la société de bourse ou substituer à une partie ou à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de la société un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de la société.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou, le cas échéant de membre du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. La société de bourse accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de la société de bourse faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par la société concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;
3° enjoindre à la société de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l'ordre du jour ;
4° suspendre, pour la durée qu'elle détermine, l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de la société ou interdire cet exercice ; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
Les membres de l'organe légal d'administration, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension ou de l'interdiction sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour la société ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension ou l'interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus en contravention à celle-ci sont nuls ;
5° enjoindre à une société de bourse de céder des droits d'associés qu'elle détient conformément à l'article 10 du Règlement 2019/2033 ou aux articles 89 et 90 du Règlement n° 575/2013. En ce cas, l'article 54, alinéa 2, est applicable ;
6° enjoindre à la société de céder l'ensemble ou une partie de son activité ou de son réseau. En ce cas, les articles 92, alinéa 1er, 4° et 93 sont applicables si la cession a lieu entre sociétés de bourse ou entre une telle société et d'autres institutions financières ;
7° révoquer l'agrément. Toutefois, la Banque ne peut pas révoquer l'agrément lorsque le manquement d'une société de bourse de taille importante ne consiste que dans le seul défaut de se conformer aux exigences prévues aux articles 92bis ou 92ter du Règlement n° 575/2013. La décision de révocation et ses motifs sont notifiés par la Banque à l'Autorité européenne des marchés financiers.
[1 Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'une société de bourse relève de la compétence exclusive de la Banque.]1
§ 2. Nonobstant les conditions d'application du paragraphe 1er, en cas d'extrême urgence ou lorsque la gravité des faits le justifie, la Banque peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu'un délai soit préalablement fixé.
§ 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er sortissent leurs effets à l'égard de la société à dater de leur notification à celle-ci par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
§ 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où une société de bourse a obtenu un agrément au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
§ 5. Lorsque les mesures visées au présent article sont adoptées pour non-respect des obligations prévues par la présente loi en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE, la Banque publie l'adoption de ces mesures conformément à l'article 71 de ladite directive.
§ 6. L'article 202, §§ 1er et 2, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 7° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu'une société de bourse a mis en place un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2.
§ 7. L'article 202, § 1er, ainsi que le paragraphe 1er, 2°, 3°, 4° et 7° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables dans les cas où la Banque constate qu'une société de bourse ne fonctionne pas en conformité avec :
1° les dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
2° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 1° ; ou
3° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 1° ou en vertu des actes délégués visés au 2°.
§ 8. En cas d'infraction grave et systématique aux règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° ou § 2 de la loi du 2 août 2002, la Banque peut révoquer l'agrément, le cas échéant, sur demande de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par l'article 36bis de cette même loi.
[1 § 8/1. Dans les cas où la Banque constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, la Banque peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des sociétés de bourse, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
La Banque peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements visés à l'article 36/2, § 1er de la loi du 22 février 1998.
Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à la société de bourse au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er. La Banque informe la FSMA de ces décisions.]1
§ 9. Le tribunal de l'entreprise prononce, à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, 1° et 4°.
L'action en nullité est dirigée contre la société. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendus ou annulés ont fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l'égard de la société, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
1° désigner un commissaire spécial.
Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de la société, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion ; la Banque peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.
Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de la société, y compris l'assemblée générale, toute proposition qu'il juge opportune.
Les membres des organes d'administration et de gestion et les personnes chargées de la gestion qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en résulte pour la société ou les tiers.
Si la Banque a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions toute décision de l'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.
La rémunération du commissaire spécial est fixée par la Banque et supportée par la société.
La Banque peut désigner un commissaire suppléant ;
2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, des personnes participant à la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, de la société de bourse, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou une ou plusieurs personnes participant à la direction effective, le cas échéant un ou plusieurs des membres du comité de direction, de la société de bourse ou substituer à une partie ou à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de la société un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de la société.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou, le cas échéant de membre du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. La société de bourse accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de la société de bourse faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par la société concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;
3° enjoindre à la société de convoquer, dans le délai qu'elle fixe, une assemblée générale des actionnaires, dont elle établit l'ordre du jour ;
4° suspendre, pour la durée qu'elle détermine, l'exercice direct ou indirect de tout ou partie de l'activité de la société ou interdire cet exercice ; cette suspension peut, dans la mesure déterminée par la Banque, impliquer la suspension totale ou partielle de l'exécution des contrats en cours.
Les membres de l'organe légal d'administration, les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui accomplissent des actes ou prennent des décisions en violation de la suspension ou de l'interdiction sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour la société ou les tiers.
Si la Banque a publié la suspension ou l'interdiction au Moniteur belge, les actes et décisions intervenus en contravention à celle-ci sont nuls ;
5° enjoindre à une société de bourse de céder des droits d'associés qu'elle détient conformément à l'article 10 du Règlement 2019/2033 ou aux articles 89 et 90 du Règlement n° 575/2013. En ce cas, l'article 54, alinéa 2, est applicable ;
6° enjoindre à la société de céder l'ensemble ou une partie de son activité ou de son réseau. En ce cas, les articles 92, alinéa 1er, 4° et 93 sont applicables si la cession a lieu entre sociétés de bourse ou entre une telle société et d'autres institutions financières ;
7° révoquer l'agrément. Toutefois, la Banque ne peut pas révoquer l'agrément lorsque le manquement d'une société de bourse de taille importante ne consiste que dans le seul défaut de se conformer aux exigences prévues aux articles 92bis ou 92ter du Règlement n° 575/2013. La décision de révocation et ses motifs sont notifiés par la Banque à l'Autorité européenne des marchés financiers.
[1 Outre et sans préjudice de l'article XX.1er du Code de droit économique, la nomination d'un commissaire spécial ou d'un administrateur provisoire, quelle qu'en soit l'appellation, auprès d'une société de bourse relève de la compétence exclusive de la Banque.]1
§ 2. Nonobstant les conditions d'application du paragraphe 1er, en cas d'extrême urgence ou lorsque la gravité des faits le justifie, la Banque peut adopter les mesures visées audit paragraphe 1er sans qu'un délai soit préalablement fixé.
§ 3. Les décisions de la Banque visées au paragraphe 1er sortissent leurs effets à l'égard de la société à dater de leur notification à celle-ci par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception et, à l'égard des tiers, à dater de leur publication conformément aux dispositions du paragraphe 1er.
§ 4. La Banque peut également adopter les mesures visées au présent article dans le cas où une société de bourse a obtenu un agrément au moyen de fausses déclarations ou par tout autre moyen irrégulier.
§ 5. Lorsque les mesures visées au présent article sont adoptées pour non-respect des obligations prévues par la présente loi en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE, la Banque publie l'adoption de ces mesures conformément à l'article 71 de ladite directive.
§ 6. L'article 202, §§ 1er et 2, ainsi que le paragraphe 1er, 1°, 2°, 4° et 7° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables au cas où la Banque a connaissance du fait qu'une société de bourse a mis en place un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2.
§ 7. L'article 202, § 1er, ainsi que le paragraphe 1er, 2°, 3°, 4° et 7° et les paragraphes 2 et 3 du présent article sont applicables dans les cas où la Banque constate qu'une société de bourse ne fonctionne pas en conformité avec :
1° les dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
2° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 1° ; ou
3° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 1° ou en vertu des actes délégués visés au 2°.
§ 8. En cas d'infraction grave et systématique aux règles visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 3° ou § 2 de la loi du 2 août 2002, la Banque peut révoquer l'agrément, le cas échéant, sur demande de la FSMA selon la procédure et les modalités fixées par l'article 36bis de cette même loi.
[1 § 8/1. Dans les cas où la Banque constate qu'une personne qui exerce ou a exercé une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, ne satisfait plus à l'exigence légale d'honorabilité professionnelle nécessaire ou d'expertise adéquate, la Banque peut imposer une interdiction à cette personne d'exercer des fonctions dans des sociétés de bourse, sans que cette interdiction puisse excéder une durée de cinq ans.
La Banque peut compléter une décision d'interdiction adoptée en vertu de l'alinéa 1er par une interdiction d'exercer des fonctions dans d'autres établissements visés à l'article 36/2, § 1er de la loi du 22 février 1998.
Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 précisent la nature des fonctions interdites.
Les décisions d'interdiction prises en vertu des alinéas 1er et 2 sont notifiées à la personne concernée et à la société de bourse au sein duquel cette personne concernée exerçait une fonction visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er. La Banque informe la FSMA de ces décisions.]1
§ 9. Le tribunal de l'entreprise prononce, à la requête de tout intéressé, les nullités prévues au paragraphe 1er, 1° et 4°.
L'action en nullité est dirigée contre la société. Si des motifs graves le justifient, le demandeur en nullité peut solliciter en référé la suspension provisoire des actes ou décisions attaqués. L'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité produisent leurs effets à l'égard de tous. Au cas où l'acte ou la décision suspendus ou annulés ont fait l'objet d'une publication, l'ordonnance de suspension et le jugement prononçant la nullité sont publiés en extrait dans les mêmes formes.
Lorsque la nullité est de nature à porter atteinte aux droits acquis de bonne foi par un tiers à l'égard de la société, le tribunal peut déclarer sans effet la nullité à l'égard de ces droits, sans préjudice du droit du demandeur à des dommages et intérêts s'il y a lieu.
L'action en nullité ne peut plus être intentée après l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date à laquelle les actes ou décisions intervenus sont opposables à celui qui invoque la nullité ou sont connus de lui.
Änderungen
Art.205. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 204, § 1 dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van zijn wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij in uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de vennootschap en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de beursvennootschap door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 204, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de beursvennootschap in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.
- handelen zij in uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de vennootschap en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de beursvennootschap door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 204, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de beursvennootschap in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.
Art.205. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 204, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de la société et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de la société de bourse par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 204, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à la société de bourse de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de la société et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de la société de bourse par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 204, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à la société de bourse de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.
Art.206. § 1. De Bank stelt de FSMA in kennis van de maatregelen genomen overeenkomstig de artikelen 200 tot en met 204 en houdt de FSMA op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze maatregelen.
Zij brengt hiervan tevens de bevoegde autoriteiten op de hoogte die toezicht houden op de beursvennootschapen van de andere lidstaten waar een beursvennootschap naar Belgisch recht bijkantoren heeft gevestigd of beleggingsactiviteiten of -diensten of nevendiensten verricht, als bedoeld in artikel 3, 2° en 3°, in het kader van het vrij verrichten van diensten.
§ 2. Voorts brengt de Bank de afwikkelingsautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 202 tot en met 204 zijn getroffen ten aanzien van de in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen evenals van de vaststelling dat de in de artikelen 202, § 1 en 204, § 1 bedoelde omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de maatregelen waarin deze bepalingen voorzien, zich hebben voorgedaan.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, op basis van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, van de betrokken beursvennootschap te eisen dat zij met potentiële overnemers contact opneemt om de afwikkeling van de beursvennootschap voor te bereiden, met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 257, § 1 van de wet van 25 april 2014.
§ 4. De Bank brengt eveneens de Europese Bankautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 202 tot 204 zijn opgelegd, van ieder beroep dat tegen deze maatregelen werd ingesteld en van het resultaat van het beroep.
Zij brengt hiervan tevens de bevoegde autoriteiten op de hoogte die toezicht houden op de beursvennootschapen van de andere lidstaten waar een beursvennootschap naar Belgisch recht bijkantoren heeft gevestigd of beleggingsactiviteiten of -diensten of nevendiensten verricht, als bedoeld in artikel 3, 2° en 3°, in het kader van het vrij verrichten van diensten.
§ 2. Voorts brengt de Bank de afwikkelingsautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 202 tot en met 204 zijn getroffen ten aanzien van de in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen evenals van de vaststelling dat de in de artikelen 202, § 1 en 204, § 1 bedoelde omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de maatregelen waarin deze bepalingen voorzien, zich hebben voorgedaan.
§ 3. De afwikkelingsautoriteit is bevoegd om, op basis van de in paragraaf 2 bedoelde informatie, van de betrokken beursvennootschap te eisen dat zij met potentiële overnemers contact opneemt om de afwikkeling van de beursvennootschap voor te bereiden, met inachtneming van de voorwaarden bepaald in artikel 257, § 1 van de wet van 25 april 2014.
§ 4. De Bank brengt eveneens de Europese Bankautoriteit op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van de artikelen 202 tot 204 zijn opgelegd, van ieder beroep dat tegen deze maatregelen werd ingesteld en van het resultaat van het beroep.
Art.206. § 1er. La Banque informe la FSMA des mesures prises conformément aux articles 200 à 204 et tient la FSMA informée des suites données aux recours pris contre ces mesures.
Elle en informe également les autorités compétentes des sociétés de bourse des autres Etats membres dans lesquels une société de bourse de droit belge a établi des succursales, exerce des activités d'investissement ou fournit des services d'investissement ou des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3°, sous le régime de la libre prestation de services.
§ 2. La Banque informe également l'autorité de résolution des mesures prises à l'égard des sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2 en application des articles 202 à 204 ainsi que du constat de la survenance des circonstances visées aux articles 202, § 1er et 204, § 1er susceptibles de donner lieu à l'application des mesures prévues à ces dispositions.
§ 3. L'autorité de résolution a le pouvoir, sur la base des informations visées au paragraphe 2, d'exiger de la société de bourse concernée qu'elle prenne contact avec des repreneurs potentiels afin de préparer la résolution de la société de bourse conformément aux conditions énoncées à l'article 257, § 1er de la loi du 25 avril 2014.
§ 4. La Banque informe également l'Autorité bancaire européenne des mesures imposées en application des articles 202 à 204, de tout recours contre ces mesures et du résultat de ce recours.
Elle en informe également les autorités compétentes des sociétés de bourse des autres Etats membres dans lesquels une société de bourse de droit belge a établi des succursales, exerce des activités d'investissement ou fournit des services d'investissement ou des services auxiliaires, visés à l'article 3, 2° et 3°, sous le régime de la libre prestation de services.
§ 2. La Banque informe également l'autorité de résolution des mesures prises à l'égard des sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2 en application des articles 202 à 204 ainsi que du constat de la survenance des circonstances visées aux articles 202, § 1er et 204, § 1er susceptibles de donner lieu à l'application des mesures prévues à ces dispositions.
§ 3. L'autorité de résolution a le pouvoir, sur la base des informations visées au paragraphe 2, d'exiger de la société de bourse concernée qu'elle prenne contact avec des repreneurs potentiels afin de préparer la résolution de la société de bourse conformément aux conditions énoncées à l'article 257, § 1er de la loi du 25 avril 2014.
§ 4. La Banque informe également l'Autorité bancaire européenne des mesures imposées en application des articles 202 à 204, de tout recours contre ces mesures et du résultat de ce recours.
Art.207. De beursvennootschapen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van de artikelen 200 en 204, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze wet en de diverse normen genomen ter uitvoering ervan:
1° tot de verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten, vereffend of terugbetaald zijn; en
2° tot al hun andere verbintenissen op de financiële markten vereffend zijn,
tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde beursvennootschap.
1° tot de verbintenissen van de vennootschap die voortvloeien uit aan cliënten verschuldigde geldmiddelen en financiële instrumenten, vereffend of terugbetaald zijn; en
2° tot al hun andere verbintenissen op de financiële markten vereffend zijn,
tenzij de Bank hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.
Dit artikel is niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde beursvennootschap.
Art.207. Les sociétés de bourse dont l'agrément a été radié ou révoqué en vertu des articles 200 et 204 restent soumises aux dispositions du droit de l'Union qui leur sont directement applicables, aux dispositions de la présente loi et aux différentes normes prises en exécution de celles-ci :
1° jusqu'à la liquidation des engagements de la société résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci ; et
2° jusqu'à la liquidation de tous leurs autres engagements sur les marchés financiers,
à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément d'une société de bourse déclarée en faillite.
1° jusqu'à la liquidation des engagements de la société résultant de fonds et d'instruments financiers dus aux clients ou la restitution de ceux-ci ; et
2° jusqu'à la liquidation de tous leurs autres engagements sur les marchés financiers,
à moins que la Banque ne les en dispense pour certaines dispositions.
Le présent article n'est pas applicable en cas de radiation de l'agrément d'une société de bourse déclarée en faillite.
HOOFDSTUK IV. - Bekendmaking en informatieverstrekking
CHAPITRE IV. - Publication et information
Art.208. § 1. Onverminderd artikel 204, § 1, 1°, 2° en 4° en § 5, maakt de Bank zonder onnodige vertraging en nadat zij de betrokken vennootschap voorafgaandelijk in kennis heeft gesteld, op haar website alle overeenkomstig de artikelen 203 en 204 genomen maatregelen bekend indien zij van mening is dat die bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identificatie van de vennootschap waartegen de maatregel wordt genomen.
Indien er tegen de maatregel een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
§ 2. De Bank verricht de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking niet-nominatief wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen;
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken beursvennootschappen of natuurlijke personen.
§ 3. De Bank zorgt ervoor dat op grond van paragraaf 1 bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identificatie van de vennootschap waartegen de maatregel wordt genomen.
Indien er tegen de maatregel een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
§ 2. De Bank verricht de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking niet-nominatief wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen;
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken beursvennootschappen of natuurlijke personen.
§ 3. De Bank zorgt ervoor dat op grond van paragraaf 1 bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
Art.208. § 1er. Sans préjudice de l'article 204, § 1er, 1°, 2° et 4° et § 5, la Banque procède, sans retard injustifié et après avoir informé préalablement la société concernée, à la publication sur son site internet des mesures prises conformément aux articles 203 et 204 lorsqu'elle estime que cette publication est nécessaire et proportionnée.
La publication visée à l'alinéa 1er comprend des informations sur le type et la nature de l'infraction ainsi que sur l'identification de la société à l'encontre de laquelle la mesure est prise.
Lorsque la mesure a fait l'objet d'un recours, la Banque publie également sur son site internet des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours.
§ 2. La Banque procède à la publication visée au paragraphe 1er de manière anonyme lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ;
2° la publication causerait un préjudice disproportionné aux sociétés de bourse ou aux personnes physiques en cause.
§ 3. La Banque veille à ce que toute information publiée en application du paragraphe 1er demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
La publication visée à l'alinéa 1er comprend des informations sur le type et la nature de l'infraction ainsi que sur l'identification de la société à l'encontre de laquelle la mesure est prise.
Lorsque la mesure a fait l'objet d'un recours, la Banque publie également sur son site internet des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours.
§ 2. La Banque procède à la publication visée au paragraphe 1er de manière anonyme lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ;
2° la publication causerait un préjudice disproportionné aux sociétés de bourse ou aux personnes physiques en cause.
§ 3. La Banque veille à ce que toute information publiée en application du paragraphe 1er demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
BOEK III. - BEURSVENNOOTSCHAPPEN NAAR BUITENLANDS RECHT
LIVRE III. - DES SOCIETE DE BOURSE DE DROIT ETRANGER
TITEL I. - Inleidende bepaling
TITRE Ier. - Disposition liminaire
Art.209. Voor de toepassing van dit Boek wordt onder "buitenlandse beursvennootschappen" verstaan de ondernemingen naar buitenlands recht, ongeacht of het om het recht van een lidstaat of van een derde land gaat, die overeenkomstig het recht waaronder ze ressorteren, in hun lidstaat van herkomst diensten en activiteiten als bedoeld in artikel 2, mogen verrichten.
Art.209. Aux fins du présent Livre, on entend par "sociétés de bourse étrangères", les entreprises de droit étranger, qu'il s'agisse du droit d'un Etat membre ou d'un pays tiers, qui sont, conformément au droit dont elles relèvent, habilitées à fournir des services et activités visés à l'article 2 dans leur Etat d'origine.
TITEL II. - Bijkantoren in België van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren
TITRE II. - Des succursales en Belgique des sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre
Art.210. De bepalingen van deze Titel doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 11 van de wet van 25 oktober 2016.
Art.210. Les dispositions du présent Titre sont sans préjudice de l'application des articles 11 de la loi du 25 octobre 2016.
HOOFDSTUK I. - Toegang tot het bedrijf in België
CHAPITRE Ier. - De l'accès à l'activité en Belgique
Art.211. § 1. Overeenkomstig artikel 10 van de wet van 25 oktober 2016 mogen buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die op grond van hun nationaal recht in hun lidstaat van herkomst beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten mogen verrichten, deze werkzaamheden aanvatten via de vestiging van een bijkantoor zodra de Bank hen met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld van hun registratie als bijkantoor van een buitenlandse beursvennootschap van een andere lidstaat.
Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk twee maanden nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de buitenlandse beursvennootschap het op grond van de Europeesrechtelijke bepalingen ter zake vereiste informatiedossier heeft meegedeeld. Indien de beursvennootschap binnen de vastgestelde termijn geen kennisgeving ontvangt, mag zij het bijkantoor desalniettemin openen en de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden aanvatten, mits zij de voor België als contactpunt fungerende autoriteit hiervan in kennis stelt.
Nevendiensten mogen in België alleen samen met een beleggingsdienst en/of een beleggingsactiviteit worden verricht.
§ 2. De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen in het informatiedossier die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de regels die onder haar bevoegdheid vallen.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die een beroep wensen te doen op in België gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten. Voor de toepassing van de artikelen 212, 213, 216, 217, 221 en 222, worden deze verbonden agenten gelijkgesteld met een bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap, met dien verstande dat wanneer de buitenlandse beursvennootschap in België een bijkantoor heeft, de in België gevestigde verbonden agenten waarop zij een beroep wenst te doen, gelijkgesteld worden aan dit bijkantoor voor de toepassing van artikel 221.
Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk twee maanden nadat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de buitenlandse beursvennootschap het op grond van de Europeesrechtelijke bepalingen ter zake vereiste informatiedossier heeft meegedeeld. Indien de beursvennootschap binnen de vastgestelde termijn geen kennisgeving ontvangt, mag zij het bijkantoor desalniettemin openen en de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden aanvatten, mits zij de voor België als contactpunt fungerende autoriteit hiervan in kennis stelt.
Nevendiensten mogen in België alleen samen met een beleggingsdienst en/of een beleggingsactiviteit worden verricht.
§ 2. De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de elementen in het informatiedossier die relevant zijn voor het toezicht op de naleving van de regels die onder haar bevoegdheid vallen.
§ 3. De paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die een beroep wensen te doen op in België gevestigde verbonden agenten om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten alsmede nevendiensten te verrichten. Voor de toepassing van de artikelen 212, 213, 216, 217, 221 en 222, worden deze verbonden agenten gelijkgesteld met een bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap, met dien verstande dat wanneer de buitenlandse beursvennootschap in België een bijkantoor heeft, de in België gevestigde verbonden agenten waarop zij een beroep wenst te doen, gelijkgesteld worden aan dit bijkantoor voor de toepassing van artikel 221.
Art.211. § 1er. Conformément à l'article 10 de la loi du 25 octobre 2016, les sociétés de bourse étrangères relevant du droit d'un autre Etat membre, qui sont habilitées en vertu de leur droit national à fournir, dans leur Etat d'origine, des services d'investissement et/ou à exercer des activités d'investissement et à fournir des services auxiliaires peuvent, par voie d'installation de succursale, entamer ces activités dès que la Banque leur a notifié, par lettre recommandée à la poste ou avec accusé de réception, leur enregistrement comme succursale d'une société de bourse étrangère d'un autre Etat membre.
Cette notification doit être faite au plus tard deux mois après que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la société de bourse étrangère aura communiqué le dossier d'information requis par les dispositions du droit de l'Union européenne en la matière. En l'absence de notification dans le délai fixé, la société de bourse peut toutefois ouvrir la succursale et entamer les activités visées à l'alinéa 1er moyennant un avis donné à l'autorité qui sert de point de contact pour la Belgique.
Les services auxiliaires ne peuvent être fournis en Belgique que conjointement à un service d'investissement et/ou à une activité d'investissement.
§ 2. La Banque communique à la FSMA les éléments du dossier d'information qui sont pertinents pour le contrôle du respect des règles relevant de sa compétence.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse étrangères relevant du droit d'un autre Etat membre qui souhaitent recourir à des agents liés établis en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement et proposer des services auxiliaires. Pour les besoins des articles 212, 213, 216, 217, 221 et 222, ces agents liés sont assimilés à une succursale de la société de bourse étrangère, étant entendu que lorsque la société de bourse étrangère a établi une succursale en Belgique, les agents liés établis en Belgique auxquels elle souhaite recourir sont assimilés à cette succursale pour l'application de l'article 221.
Cette notification doit être faite au plus tard deux mois après que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la société de bourse étrangère aura communiqué le dossier d'information requis par les dispositions du droit de l'Union européenne en la matière. En l'absence de notification dans le délai fixé, la société de bourse peut toutefois ouvrir la succursale et entamer les activités visées à l'alinéa 1er moyennant un avis donné à l'autorité qui sert de point de contact pour la Belgique.
Les services auxiliaires ne peuvent être fournis en Belgique que conjointement à un service d'investissement et/ou à une activité d'investissement.
§ 2. La Banque communique à la FSMA les éléments du dossier d'information qui sont pertinents pour le contrôle du respect des règles relevant de sa compétence.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 sont applicables par analogie aux sociétés de bourse étrangères relevant du droit d'un autre Etat membre qui souhaitent recourir à des agents liés établis en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement et proposer des services auxiliaires. Pour les besoins des articles 212, 213, 216, 217, 221 et 222, ces agents liés sont assimilés à une succursale de la société de bourse étrangère, étant entendu que lorsque la société de bourse étrangère a établi une succursale en Belgique, les agents liés établis en Belgique auxquels elle souhaite recourir sont assimilés à cette succursale pour l'application de l'article 221.
HOOFDSTUK II. - Bedrijfsuitoefening
CHAPITRE II. - De l'exercice de l'activité
Art.212. Onverminderd de regels die door of krachtens de wet van 2 augustus 2002 zijn vastgesteld en onverminderd de andere bepalingen die aan de Bank bevoegdheden verlenen, is artikel 68 van toepassing ten aanzien van de in artikel 211 bedoelde bijkantoren voor wat betreft de door de bijkantoren uitgevoerde transacties.
Art.212. Sans préjudice des règles prévues par et en vertu de la loi du 2 août 2002 et sans préjudice des autres dispositions qui confèrent des pouvoirs à la Banque, l'article 68 est d'application à l'égard des succursales visées à l'article 211 en ce qui concerne les transactions effectuées par les succursales.
HOOFDSTUK III. - Periodieke informatieverstrekking en boekhoudregels
CHAPITRE III. - Informations périodiques et règles comptables
Art.213. De in artikel 211 bedoelde beursvennootschappen bezorgen de Bank, in de vorm en volgens de frequentie die zij bepaalt, periodieke verslagen over de verrichtingen in België, die hun aldaar gevestigde bijkantoren uitvoeren. Het bepaalde bij artikel 109, § 2 is van overeenkomstige toepassing.
Deze verslagen mogen enkel worden gebruikt voor statistische doeleinden of om de Bank toe te laten haar toezichtstaken als bedoeld in deze Titel, uit te voeren.
Deze verslagen mogen enkel worden gebruikt voor statistische doeleinden of om de Bank toe te laten haar toezichtstaken als bedoeld in deze Titel, uit te voeren.
Art.213. Les sociétés de bourse visées à l'article 211 transmettent à la Banque, dans les formes et selon la périodicité que celle-ci détermine, des rapports périodiques relatifs aux opérations effectuées en Belgique par leurs succursales y établies. Les dispositions de l'article 109, § 2 s'appliquent par analogie.
Ces rapports peuvent seulement être utilisés à des fins statistiques ou pour permettre à la Banque d'exercer ses missions de contrôle visées au présent Titre.
Ces rapports peuvent seulement être utilisés à des fins statistiques ou pour permettre à la Banque d'exercer ses missions de contrôle visées au présent Titre.
Art.214. De Koning bepaalt, na advies van de Bank, volgens welke regels de in artikel 211 bedoelde bijkantoren:
1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
2° hun jaarrekening opmaken;
3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.
1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;
2° hun jaarrekening opmaken;
3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.
Art.214. Le Roi détermine, sur avis de la Banque, les règles selon lesquelles les succursales visées à l'article 211 :
1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d'inventaire ;
2° établissent des comptes annuels ;
3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.
1° tiennent leur comptabilité et procèdent aux évaluations d'inventaire ;
2° établissent des comptes annuels ;
3° publient des informations comptables annuelles relatives à leurs opérations.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht op de bijkantoren
CHAPITRE IV. - Du contrôle des succursales
Afdeling I. - De Bank in haar hoedanigheid van autoriteit van de lidstaat van ontvangst
Section Ire. - La Banque en sa qualité d'autorité de l'Etat membre d'accueil
Art.215. De in artikel 211 bedoelde bijkantoren vallen onder het toezicht van de Bank voor de in de artikelen 212, 213 en 214 bedoelde doeleinden, voor zover de in deze bepalingen bedoelde materies tot de bevoegdheid behoren van de Bank. De artikelen 120, 121, 123, 125 et 128 zijn in die mate van toepassing.
Art.215. Les succursales visées à l'article 211 sont soumises au contrôle de la Banque aux fins prévues par les articles 212, 213 et 214 dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque. Les articles 120, 121, 123, 125 et 128 sont applicables dans cette mesure.
Art.216. Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de vennootschappen die onder een andere lidstaat ressorteren en die in België of in andere lidstaten werkzaam zijn, met name via een bijkantoor, werkt de Bank nauw samen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten.
Daartoe verstrekt de Bank, voor zover zij daarover beschikt:
1° alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken vennootschappen die het toezicht op die vennootschappen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die vennootschappen kunnen vergemakkelijken;
2° alle gegevens die de monitoring van deze vennootschappen kunnen vergemakkelijken, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, beleggersbeschermingsregeling, administratieve en boekhoudkundige organisatie, internecontrolemechanismen alsook beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, van grote risico's; en
3° alle gegevens met betreffende andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde risico, in voorkomend geval het systeemrisico.
Daartoe verstrekt de Bank, voor zover zij daarover beschikt:
1° alle gegevens betreffende het bestuur en de eigendom van de betrokken vennootschappen die het toezicht op die vennootschappen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die vennootschappen kunnen vergemakkelijken;
2° alle gegevens die de monitoring van deze vennootschappen kunnen vergemakkelijken, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, beleggersbeschermingsregeling, administratieve en boekhoudkundige organisatie, internecontrolemechanismen alsook beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, van grote risico's; en
3° alle gegevens met betreffende andere factoren die van invloed kunnen zijn op het door de instelling gevormde risico, in voorkomend geval het systeemrisico.
Art.216. En vue d'assurer la surveillance de l'activité des sociétés relevant du droit d'un autre Etat membre opérant, notamment par le moyen d'une succursale, en Belgique ou dans d'autres Etats membres, la Banque collabore étroitement avec les autorités compétentes des autres Etats membres concernés.
A cet effet, la Banque communique, pour autant qu'elle en dispose :
1° toutes les informations relatives à la gestion et à l'actionnariat de ces sociétés susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément ;
2° toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, du système de protection des investisseurs, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne, ainsi que de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques ; et
3° toutes les informations relatives à tout autre facteur susceptible d'influer sur le risque, le cas échéant systémique, représenté par la société.
A cet effet, la Banque communique, pour autant qu'elle en dispose :
1° toutes les informations relatives à la gestion et à l'actionnariat de ces sociétés susceptibles de faciliter leur surveillance et l'examen des conditions de leur agrément ;
2° toutes les informations susceptibles de faciliter leur suivi, en particulier en matière de liquidité, de solvabilité, du système de protection des investisseurs, d'organisation administrative et comptable et de mécanismes de contrôle interne, ainsi que de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques ; et
3° toutes les informations relatives à tout autre facteur susceptible d'influer sur le risque, le cas échéant systémique, représenté par la société.
Art.217. In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, kan de Bank de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst vragen dat zij hem meedeelt en uitlegt hoe rekening werd gehouden met de inlichtingen en bevindingen die met toepassing van artikel 216 werden meegedeeld.
Indien de Bank na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijft dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen, kan zij, na de Europese Autoriteit voor effecten en markten, de Europese Bankautoriteit en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te hebben ingelicht, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit met toepassing van artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht, te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren.
Indien de Bank na de mededeling van de inlichtingen en bevindingen van oordeel blijft dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft genomen, kan zij, na de Europese Autoriteit voor effecten en markten, de Europese Bankautoriteit en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te hebben ingelicht, en zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor deze laatste om de zaak voor te leggen aan de Europese Bankautoriteit met toepassing van artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010, passende maatregelen treffen om verdere inbreuken te voorkomen om de belangen van beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht, te beschermen of de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren.
Art.217. La Banque, en sa qualité d'autorité compétente de l'Etat membre d'accueil, peut requérir de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine qu'elle communique et explique comment les informations et constatations fournies en application de l'article 216 ont été prises en considération.
Lorsque, à la suite de la communication d'informations et de constatations, la Banque considère que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine n'a pas pris les mesures appropriées, elle peut, après en avoir informé l'Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité bancaire européenne et l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, sans préjudice de la possibilité pour cette dernière de saisir l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, prendre les mesures appropriées pour prévenir de nouvelles infractions afin de protéger l'intérêt des investisseurs ou d'autres personnes à qui des services sont fournis ou de préserver la stabilité du système financier.
Lorsque, à la suite de la communication d'informations et de constatations, la Banque considère que l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine n'a pas pris les mesures appropriées, elle peut, après en avoir informé l'Autorité européenne des marchés financiers, l'Autorité bancaire européenne et l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, sans préjudice de la possibilité pour cette dernière de saisir l'Autorité bancaire européenne en application de l'article 19 du Règlement n° 1093/2010, prendre les mesures appropriées pour prévenir de nouvelles infractions afin de protéger l'intérêt des investisseurs ou d'autres personnes à qui des services sont fournis ou de préserver la stabilité du système financier.
Afdeling II. - Significante bijkantoren
Section II. - Des succursales significatives
Art.218. De artikelen 317, derde lid, 322 en 323 van de wet van 25 april 2014 zijn van toepassing op de buitenlandse grote beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, met dien verstande dat de verwijzingen naar de toezichthouder moeten worden gelezen als verwijzingen naar de Bank.
Art.218. Les articles 317, alinéa 3, 322 et 323 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse étrangères de taille importante qui relèvent du droit d'un autre Etat membre, étant entendu que les références faites à l'autorité de contrôle doivent être lues comme des références à la Banque.
Afdeling III. - Controle ter plaatse
Section III. - Du contrôle sur place
Art.219. Na de Bank daarvan in kennis te hebben gesteld, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in voorkomend geval met inschakeling van door haar daartoe gemachtigde personen controles en inspecties ter plaatse uitvoeren bij de bijkantoren bedoeld in artikel 211, met het oog op het verzamelen of controleren van inlichtingen betreffende het bestuur en de leiding van het bijkantoor, alsook alle inlichtingen die het toezicht op de beursvennootschap kunnen vergemakkelijken, met name op het gebied van liquiditeit, solvabiliteit, beleggersbeschermingsregeling, administratieve en boekhoudkundige organisatie en internecontrolemechanismen, alsook beperking van concentratierisico's of, in voorkomend geval, van grote risico's.
De Bank mag op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beursvennootschap, als een vorm van bijstand aan deze autoriteit, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 215 bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten voor deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.
De Bank mag op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de beursvennootschap, als een vorm van bijstand aan deze autoriteit, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als op de in artikel 215 bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten voor deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.
Art.219. Moyennant l'information de la Banque, l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine est habilitée, le cas échéant par l'intermédiaire de personnes qu'elle mandate, à procéder à des contrôles et inspections sur place auprès des succursales visées à l'article 211 en vue de recueillir ou de vérifier les informations relatives à la direction et à la gestion de la succursale ainsi que toutes informations susceptibles de faciliter le contrôle de la société de bourse, spécialement en matière de liquidité, de solvabilité, du système de protection des investisseurs, d'organisation administrative et comptable et de contrôle interne ainsi que de limitation des risques de concentration ou le cas échéant de limitation des grands risques.
La Banque peut accepter de se charger, à la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la société de bourse, d'effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d'assistance à cette autorité, portant tant sur les matières visées à l'alinéa 1er que sur celles visées à l'article 215. Les frais entraînés par ces inspections et vérifications sont à la charge de l'autorité requérante.
La Banque peut accepter de se charger, à la demande de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la société de bourse, d'effectuer auprès de ces succursales des inspections dans un but d'assistance à cette autorité, portant tant sur les matières visées à l'alinéa 1er que sur celles visées à l'article 215. Les frais entraînés par ces inspections et vérifications sont à la charge de l'autorité requérante.
Art.220. Na raadpleging van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de Bank, geval per geval, controles en inspecties ter plaatse uitvoeren met betrekking tot de werkzaamheden van de in artikel 211 bedoelde bijkantoren en, voor toezichtsdoeleinden, van de bijkantoren informatie verlangen over hun werkzaamheden, indien zij dit om redenen van stabiliteit van het Belgische financiële stelsel relevant acht. Na deze controles en inspecties stelt de Bank de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de verkregen informatie en de bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de risico's van de betrokken vennootschap of voor de stabiliteit van het Belgische financiële stelsel.
Art.220. Moyennant consultation de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, la Banque peut effectuer, au cas par cas, des contrôles et des inspections sur place des activités exercées par les succursales visées à l'article 211 et exiger d'elles des informations sur ses activités à des fins de surveillance, lorsqu'elle l'estime pertinent aux fins de la stabilité du système financier en Belgique. Après ces contrôles et inspections, la Banque communique à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine les informations obtenues et les constatations établies qui sont pertinentes pour l'évaluation des risques de la société concernée ou pour la stabilité du système financier belge.
Art.221. § 1. Wanneer de in artikel 211 bedoelde bijkantoren in België beleggingsdiensten en/of -activiteiten en/of nevendiensten mogen verrichten in het kader waarvan zij fondsen en/of financiële instrumenten van cliënten in ontvangst mogen nemen, stellen de leiders van die bijkantoren voor een hernieuwbare termijn van drie jaar een of meer door de Bank erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan.
De artikelen 196 en 197, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
§ 2. De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe:
1° kunnen zij door de Bank, al dan niet op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken, met name met toepassing van artikel 213;
2° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, met name in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank bevoegd is;
3° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, inzake aspecten waarvoor zij bevoegd is alsook in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodra zij kennis krijgen van beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de Bank behoren;
4° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden;
5° maken zij jaarlijks aan de Bank een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 17, § 2, hebben vastgesteld.
Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 3°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 2°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht als geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
Op verzoek en op kosten van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 215 en 216, tweede lid bedoelde aspecten.
§ 3. De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 214, 3° openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.
De artikelen 196 en 197, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de Bank worden ingewonnen.
§ 2. De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de Bank, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de Bank. Daartoe:
1° kunnen zij door de Bank, al dan niet op verzoek van de Europese Centrale Bank, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken, met name met toepassing van artikel 213;
2° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, met name in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de bijkantoren met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor de Bank bevoegd is;
3° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de Bank, inzake aspecten waarvoor zij bevoegd is alsook in het kader van de samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, zodra zij kennis krijgen van beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de Bank behoren;
4° brengen zij bij de Bank, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden;
5° maken zij jaarlijks aan de Bank een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 17, § 2, hebben vastgesteld.
Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 3°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.
Zij delen aan de leiders van het bijkantoor de verslagen mee die zij aan de Bank richten overeenkomstig het eerste lid, 2°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht als geregeld bij artikel 35 van de wet van 22 februari 1998. Zij bezorgen de Bank een kopie van de mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op aspecten waarvoor de Bank toezichtsbevoegdheid heeft.
In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.
Op verzoek en op kosten van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de Bank in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 215 en 216, tweede lid bedoelde aspecten.
§ 3. De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 214, 3° openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.
Art.221. § 1er. Lorsque les succursales visées à l'article 211 sont autorisées à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients dans le cadre des activités d'investissement qu'elles exercent et/ou des services d'investissement ou des services auxiliaires qu'elles fournissent en Belgique, les dirigeants de ces succursales désignent, pour des durées renouvelables de trois ans, un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées par la Banque.
Les articles 196 et 197, alinéas 1er à 4 sont applicables à ces reviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des reviseurs agréés et sociétés de reviseurs agréées est soumise à l'avis préalable de la Banque.
§ 2. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs désignées conformément au paragraphe 1er collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin :
1° ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande ou non de la Banque centrale européenne, de confirmer, de même, les informations que les succursales sont tenues de communiquer à ces autorités notamment par application de l'article 213 ;
2° ils font à la Banque, à sa demande, notamment en vue de la collaboration avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière des succursales dans les domaines de compétence de la Banque à l'égard de celles-ci ;
3° ils font d'initiative rapport à la Banque dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu'en vue de la collaboration avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, dès qu'ils constatent des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque ;
4° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu'elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d'intérêt général applicables à la succursale ;
5° ils transmettent chaque année à la Banque une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 17, § 2.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les reviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 3° de l'alinéa 1er.
Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 2°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l'article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à ces dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de contrôle de la Banque.
Dans les succursales où un conseil d'entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, les reviseurs ou sociétés de reviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l'article 15bis de cette loi.
Ils peuvent, moyennant l'information préalable de la Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la succursale, d'effectuer auprès de cette succursale dans un but d'assistance à cette autorité, des vérifications portant sur les matières visées aux articles 215 et 216, alinéa 2.
§ 3. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs agréées certifient les informations comptables annuelles publiées en vertu de l'article 214, 3°.
Les articles 196 et 197, alinéas 1er à 4 sont applicables à ces reviseurs et sociétés. La révocation des fonctions des reviseurs agréés et sociétés de reviseurs agréées est soumise à l'avis préalable de la Banque.
§ 2. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs désignées conformément au paragraphe 1er collaborent au contrôle exercé par la Banque, sous leur responsabilité personnelle et exclusive et conformément au présent paragraphe, aux règles de la profession et aux instructions de la Banque. A cette fin :
1° ils peuvent être chargés par la Banque, à la demande ou non de la Banque centrale européenne, de confirmer, de même, les informations que les succursales sont tenues de communiquer à ces autorités notamment par application de l'article 213 ;
2° ils font à la Banque, à sa demande, notamment en vue de la collaboration avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, des rapports spéciaux portant sur l'organisation, les activités et la structure financière des succursales dans les domaines de compétence de la Banque à l'égard de celles-ci ;
3° ils font d'initiative rapport à la Banque dans les domaines de compétence de celle-ci ainsi qu'en vue de la collaboration avec l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, dès qu'ils constatent des décisions ou des faits qui peuvent constituer des violations des dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution ou des autres lois et règlements applicables à leur activité en Belgique dans la mesure où les matières visées par ces dispositions relèvent de la compétence de la Banque ;
4° ils font rapport à la Banque, sur la demande de celle-ci, lorsqu'elle est saisie par une autre autorité belge de violations à des législations d'intérêt général applicables à la succursale ;
5° ils transmettent chaque année à la Banque une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 17, § 2.
Aucune action civile, pénale ou disciplinaire ne peut être intentée ni aucune sanction professionnelle prononcée contre les reviseurs agréés qui ont procédé de bonne foi à une information visée sous le 3° de l'alinéa 1er.
Ils communiquent aux dirigeants de la succursale les rapports qu'ils adressent à la Banque conformément à l'alinéa 1er, 2°. Ces communications tombent sous le secret prévu par l'article 35 de la loi du 22 février 1998. Ils transmettent à la Banque copie des communications qu'ils adressent à ces dirigeants sur des questions rentrant dans le domaine de contrôle de la Banque.
Dans les succursales où un conseil d'entreprise est institué en application de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, les reviseurs ou sociétés de reviseurs agréées assurent les fonctions prévues par l'article 15bis de cette loi.
Ils peuvent, moyennant l'information préalable de la Banque, accepter de se charger, à la demande et aux frais de l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de la succursale, d'effectuer auprès de cette succursale dans un but d'assistance à cette autorité, des vérifications portant sur les matières visées aux articles 215 et 216, alinéa 2.
§ 3. Les reviseurs agréés ou sociétés de reviseurs agréées certifient les informations comptables annuelles publiées en vertu de l'article 214, 3°.
HOOFDSTUK V. - Uitzonderingsmaatregelen
CHAPITRE V. - Des mesures exceptionnelles
Art.222. § 1. Wanneer de Bank in voorkomend geval op grond van informatie van de FSMA, duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een beursvennootschap met een bijkantoor in België de verplichtingen schendt die voortvloeien uit de met toepassing van richtlijn 2014/65/EU, Verordening nr. 600/2014 en Verordening 2017/565 vastgestelde bepalingen, waarbij aan de Bank of de FSMA geen bevoegdheden worden verleend, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van deze bevindingen in kennis.
Indien de beursvennootschap, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen of doen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het, met name, om de in artikel 204, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3 van de wet bedoelde maatregelen. De Europese Commissie en Europese Autoriteit voor effecten en markten worden onmiddellijk van deze maatregelen in kennis gesteld.
In het in het tweede lid bedoelde geval kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1095/2010.
§ 2. Wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, of indien de Bank kennis heeft van een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 17, § 2, maant zij de beursvennootschap aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een beursvennootschap die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de FSMA behoren, maant zij de beursvennootschap aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen of doen treffen, met name de maatregelen waarin voorzien is in artikel 204, § 1, 1°, 2° en 4°. In dat geval zijn de artikelen 204, §§ 2 tot 8 en 208 van toepassing.
Indien de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde overtredingen van een beursvennootschap, in weerwil van deze maatregelen, blijven aanhouden, neemt de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers en andere cliënten en de goede werking van de markten te beschermen.
§ 4. De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten, volgens de frequentie die laatstgenoemde bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 3.
§ 5. De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de met toepassing van de paragrafen 2 tot 4 genomen maatregelen.
De FSMA brengt de Bank op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 werden genomen ten aanzien van de bijkantoren.
Indien de beursvennootschap, in weerwil van de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in België of de ordelijke werking van de markten kennelijk schaadt, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, maatregelen treffen of doen treffen om de beleggers en de goede werking van de markten te beschermen. Ten aanzien van bijkantoren gaat het, met name, om de in artikel 204, § 1, 1°, 2°, 4° en §§ 2 en 3 van de wet bedoelde maatregelen. De Europese Commissie en Europese Autoriteit voor effecten en markten worden onmiddellijk van deze maatregelen in kennis gesteld.
In het in het tweede lid bedoelde geval kan de Bank de zaak voorleggen aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten en om haar bijstand verzoeken overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1095/2010.
§ 2. Wanneer de Bank vaststelt dat een beursvennootschap die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de Bank behoren, of indien de Bank kennis heeft van een bijzonder mechanisme in de zin van artikel 17, § 2, maant zij de beursvennootschap aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
Wanneer de FSMA vaststelt dat een beursvennootschap die onder een andere lidstaat ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de FSMA behoren, maant zij de beursvennootschap aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.
§ 3. Wanneer de in paragraaf 2 bedoelde overtredingen van een bijkantoor blijven aanhouden, kan de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen of doen treffen, met name de maatregelen waarin voorzien is in artikel 204, § 1, 1°, 2° en 4°. In dat geval zijn de artikelen 204, §§ 2 tot 8 en 208 van toepassing.
Indien de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde overtredingen van een beursvennootschap, in weerwil van deze maatregelen, blijven aanhouden, neemt de Bank, in voorkomend geval op verzoek van de FSMA, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers en andere cliënten en de goede werking van de markten te beschermen.
§ 4. De Bank deelt aan de Europese Commissie en aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten, volgens de frequentie die laatstgenoemde bepaalt, mee hoeveel en welke soort maatregelen zijn getroffen overeenkomstig paragraaf 3.
§ 5. De Bank brengt de FSMA op de hoogte van de met toepassing van de paragrafen 2 tot 4 genomen maatregelen.
De FSMA brengt de Bank op de hoogte van de maatregelen die met toepassing van artikel 36 van de wet van 2 augustus 2002 werden genomen ten aanzien van de bijkantoren.
Art.222. § 1er. Lorsque la Banque, se fondant le cas échéant sur des informations fournies par la FSMA, a des raisons claires et démontrables d'estimer qu'une société de bourse ayant une succursale en Belgique viole des obligations découlant de dispositions arrêtées en application de la directive 2014/65/UE, du Règlement n° 600/2014 et du Règlement 2017/565 et que lesdites dispositions ne confèrent pas de pouvoirs à la Banque ou à la FSMA, elle en fait part à l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine.
Si, en dépit des mesures prises par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine ou en raison du caractère inadéquat de ces mesures, la société de bourse concernée continue d'agir d'une manière clairement préjudiciable aux intérêts des investisseurs en Belgique ou au fonctionnement ordonné des marchés, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, peut, après en avoir informé l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, prendre ou faire prendre des mesures pour protéger les investisseurs ou pour préserver le bon fonctionnement des marchés. Il s'agit notamment, à l'égard des succursales, des mesures visées à l'article 204, § 1er, 1°, 2°, 4° et §§ 2 et 3 de la loi. La Commission européenne et l'Autorité européenne des marchés financiers sont informées sans délai de l'adoption de ces mesures.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, la Banque peut saisir l'Autorité européenne des marchés financiers et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1095/2010.
§ 2. Lorsque la Banque constate qu'une société de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique par la voie d'une succursale ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, ou si la Banque a connaissance d'un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2, elle met la société de bourse en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
Lorsque la FSMA constate qu'une société de bourse relevant d'un autre Etat membre et opérant en Belgique par la voie d'une succursale ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la FSMA, elle met la société de bourse en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
§ 3. En cas de persistance des manquements visés au paragraphe 2 dans le chef d'une succursale, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, peut, après en avoir avisé l'autorité compétente de l'Etat d'origine, prendre ou faire prendre les mesures appropriées notamment celles prévues par l'article 204, § 1er, 1°, 2° et 4°. Dans ce cas, les articles 204, §§ 2 à 8 et 208 sont d'application.
Si, en dépit de ces mesures, les manquements visés au paragraphe 2, alinéas 1er et 2 persistent dans le chef d'une société de bourse, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, prend, après en avoir informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine de la société de bourse, toutes les mesures appropriées pour protéger les investisseurs et autres clients et pour préserver le bon fonctionnement des marchés.
§ 4. La Banque communique à la Commission européenne et à l'Autorité européenne des marchés financiers, selon la périodicité fixée par celle-ci, le nombre et la nature des mesures prises conformément au paragraphe 3.
§ 5. La Banque informe la FSMA des mesures prises par application des paragraphes 2 à 4.
La FSMA informe la Banque des mesures qui ont été prises à l'égard de succursales, par application de l'article 36 de la loi du 2 août 2002.
Si, en dépit des mesures prises par l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine ou en raison du caractère inadéquat de ces mesures, la société de bourse concernée continue d'agir d'une manière clairement préjudiciable aux intérêts des investisseurs en Belgique ou au fonctionnement ordonné des marchés, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, peut, après en avoir informé l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine, prendre ou faire prendre des mesures pour protéger les investisseurs ou pour préserver le bon fonctionnement des marchés. Il s'agit notamment, à l'égard des succursales, des mesures visées à l'article 204, § 1er, 1°, 2°, 4° et §§ 2 et 3 de la loi. La Commission européenne et l'Autorité européenne des marchés financiers sont informées sans délai de l'adoption de ces mesures.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, la Banque peut saisir l'Autorité européenne des marchés financiers et demander son assistance conformément à l'article 19 du Règlement n° 1095/2010.
§ 2. Lorsque la Banque constate qu'une société de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre opérant en Belgique par la voie d'une succursale ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la Banque, ou si la Banque a connaissance d'un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2, elle met la société de bourse en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
Lorsque la FSMA constate qu'une société de bourse relevant d'un autre Etat membre et opérant en Belgique par la voie d'une succursale ne se conforme pas aux dispositions légales et réglementaires applicables en Belgique dans le domaine de compétence de la FSMA, elle met la société de bourse en demeure de remédier, dans le délai qu'elle détermine, à la situation constatée.
§ 3. En cas de persistance des manquements visés au paragraphe 2 dans le chef d'une succursale, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, peut, après en avoir avisé l'autorité compétente de l'Etat d'origine, prendre ou faire prendre les mesures appropriées notamment celles prévues par l'article 204, § 1er, 1°, 2° et 4°. Dans ce cas, les articles 204, §§ 2 à 8 et 208 sont d'application.
Si, en dépit de ces mesures, les manquements visés au paragraphe 2, alinéas 1er et 2 persistent dans le chef d'une société de bourse, la Banque, le cas échéant à la demande de la FSMA, prend, après en avoir informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine de la société de bourse, toutes les mesures appropriées pour protéger les investisseurs et autres clients et pour préserver le bon fonctionnement des marchés.
§ 4. La Banque communique à la Commission européenne et à l'Autorité européenne des marchés financiers, selon la périodicité fixée par celle-ci, le nombre et la nature des mesures prises conformément au paragraphe 3.
§ 5. La Banque informe la FSMA des mesures prises par application des paragraphes 2 à 4.
La FSMA informe la Banque des mesures qui ont été prises à l'égard de succursales, par application de l'article 36 de la loi du 2 août 2002.
Art.223. Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een beursvennootschap door de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, beveelt de Bank, na deze autoriteit hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze vennootschap in België heeft gevestigd. Zij kan een voorlopige zaakvoerder aanstellen die waakt over de tegoeden van het bijkantoor in afwachting van een uitspraak omtrent hun bestemming en die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen.
Art.223. En cas de radiation ou de révocation de l'agrément de la société de bourse par l'autorité compétente de son Etat membre d'origine, la Banque ordonne, après en avoir donné avis à cette autorité, la fermeture de la succursale que cette société a établie en Belgique. Elle peut désigner un gérant provisoire qui s'assure des avoirs de la succursale en attendant qu'il soit statué sur leur destination, et qui est habilité à prendre toutes mesures conservatoires dans l'intérêt des créanciers.
HOOFDSTUK VI. - Bijkantoren in België van buitenlandse beursvennootschappen die niet onder richtlijn 2014/65/EU vallen
CHAPITRE VI. - Des succursales en Belgique des sociétés de bourse étrangères non soumises à la directive 2014/65/UE
Art.224. De artikelen 211 tot 223 zijn niet van toepassing op buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren en die buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2014/65/EU vallen op grond van artikel 2, lid 1, onder l) en m), en artikel 3 van die richtlijn.
De bepalingen van Hoofdstuk III zijn van toepassing op de bijkantoren in België van die vennootschappen.
De bepalingen van Hoofdstuk III zijn van toepassing op de bijkantoren in België van die vennootschappen.
Art.224. Les articles 211 à 223 ne s'appliquent pas aux sociétés de bourse étrangères relevant du droit d'un autre Etat membre qui sont en dehors du champ d'application de la directive 2014/65/UE en vertu des articles 2, paragraphe 1er, l) et m), et 3 de cette directive.
Les succursales en Belgique de ces sociétés sont soumises aux dispositions du Titre III.
Les succursales en Belgique de ces sociétés sont soumises aux dispositions du Titre III.
TITEL III. - Bijkantoren in België van beursvennootschappen van derde landen
TITRE III. - Des succursales en Belgique de sociétés de bourse de pays tiers
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling
CHAPITRE Ier. - Disposition liminaire
Art.225. De bepalingen van deze Titel doen geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 46 tot 49 van Verordening nr. 600/2014 en van de artikelen 13 en 14 van de wet van 25 oktober 2016.
Art.225. Les dispositions du présent Titre sont sans préjudice de l'application des articles 46 à 49 du Règlement n° 600/2014 et des articles 13 et 14 de la loi du 25 octobre 2016.
HOOFDSTUK II. - Toegang tot het bedrijf in België
CHAPITRE II. - De l'accès à l'activité en Belgique
Art.226. § 1. De buitenlandse beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren moeten, alvorens een bijkantoor te openen om beleggingsdiensten of -activiteiten te verrichten in België, een vergunning verkrijgen van de Bank.
In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 4, 5, 6, 9, 10 en 11, met dien verstande dat:
a) de verwijzing naar artikel 6 geldt voor de buitenlandse beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert;
b) de buitenlandse beursvennootschap in haar land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
c) de buitenlandse beursvennootschap deelt aan de Bank mee welke autoriteit toezicht op haar uitoefent en, indien dit toezicht wordt uitgeoefend door verschillende autoriteiten, worden de respectieve bevoegdheidsdomeinen van deze laatsten vermeld;
d) de Bank raadpleegt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de buitenlandse beursvennootschap alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag;
e) de Bank verleent de vergunning enkel na eensluidend advies van de FSMA met betrekking tot de naleving door het bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap van de bepalingen van de artikelen 26, zevende tot negende lid, 27, 27bis, 27ter, § 1 tot 3 en 5 tot 8, 27quater, § 1 en 28 van de wet van 2 augustus 2002, van de artikelen 46, 48, 50, 51 en 52 van de wet van 21 november 2017 en van de artikelen 3 tot 26 van Verordening nr. 600/2014, en van de maatregelen die op grond van deze bepalingen zijn genomen;
2° artikel 12, met dien verstande dat dit artikel van toepassing is op de buitenlandse beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen vennootschappen zijn;
3° artikel 13, §§ 1 en 2, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in België;
4° de artikelen 14 tot 18 en 32 en 37 tot 40, met dien verstande dat:
a) de verwijzing naar artikel 14 geldt voor de beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert;
b) de verwijzing naar de artikelen 15 tot 18 en 32 geldt voor het bijkantoor in België; en
c) de verwijzing naar artikel 39 geldt voor het bijkantoor in België wanneer zij beleggingsdiensten en/of -activiteiten en/of nevendiensten mag verlenen of verrichten in België, in het kader waarvan zij geld en/of financiële instrumenten van cliënten mag ontvangen;
5° artikel 43, voor zover de buitenlandse beursvennootschap niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een beursvennootschap die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° de beursvennootschap is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij richtlijn 2019/34 en Verordening 2019/33wordt geregeld;
2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de beursvennootschap en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar beleggers;
3° de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de beursvennootschap heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiële Actiegroep (FAG);
4° het derde land van herkomst waar de beursvennootschap is gevestigd, heeft met België een overeenkomst gesloten die voldoet aan de normen van artikel 26 van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belasting naar inkomen en vermogen, die doeltreffende informatie-uitwisseling betreffende fiscale aangelegenheden, inclusief een eventuele multilaterale overeenkomst die voldoet aan het voornoemde artikel 26, waarborgt.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een beursvennootschap die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan beursvennootschappen naar Belgisch recht.
§ 4. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de beleggers of voor een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria:
1° het feit dat de beursvennootschap in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;
2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de beursvennootschap.
In dit verband zijn de volgende artikelen van toepassing:
1° de artikelen 4, 5, 6, 9, 10 en 11, met dien verstande dat:
a) de verwijzing naar artikel 6 geldt voor de buitenlandse beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert;
b) de buitenlandse beursvennootschap in haar land van herkomst de toestemming moeten hebben verkregen om de werkzaamheden uit te oefenen die in haar programma van werkzaamheden zijn opgenomen;
c) de buitenlandse beursvennootschap deelt aan de Bank mee welke autoriteit toezicht op haar uitoefent en, indien dit toezicht wordt uitgeoefend door verschillende autoriteiten, worden de respectieve bevoegdheidsdomeinen van deze laatsten vermeld;
d) de Bank raadpleegt de toezichthouders van de lidstaat van herkomst van de buitenlandse beursvennootschap alvorens zich uit te spreken over de vergunningsaanvraag;
e) de Bank verleent de vergunning enkel na eensluidend advies van de FSMA met betrekking tot de naleving door het bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap van de bepalingen van de artikelen 26, zevende tot negende lid, 27, 27bis, 27ter, § 1 tot 3 en 5 tot 8, 27quater, § 1 en 28 van de wet van 2 augustus 2002, van de artikelen 46, 48, 50, 51 en 52 van de wet van 21 november 2017 en van de artikelen 3 tot 26 van Verordening nr. 600/2014, en van de maatregelen die op grond van deze bepalingen zijn genomen;
2° artikel 12, met dien verstande dat dit artikel van toepassing is op de buitenlandse beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert. Er kan evenwel een vergunning worden verleend aan bijkantoren van instellingen met rechtspersoonlijkheid die geen vennootschappen zijn;
3° artikel 13, §§ 1 en 2, waarbij het aanvangskapitaal wordt vervangen door een dotatie waarvan de Bank, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, het bedrag kan bepalen, evenals de bestanddelen en de voorwaarden voor de overeenstemmende activa, met name vanuit het oogpunt van hun locatie in België;
4° de artikelen 14 tot 18 en 32 en 37 tot 40, met dien verstande dat:
a) de verwijzing naar artikel 14 geldt voor de beursvennootschap waaronder het bijkantoor ressorteert;
b) de verwijzing naar de artikelen 15 tot 18 en 32 geldt voor het bijkantoor in België; en
c) de verwijzing naar artikel 39 geldt voor het bijkantoor in België wanneer zij beleggingsdiensten en/of -activiteiten en/of nevendiensten mag verlenen of verrichten in België, in het kader waarvan zij geld en/of financiële instrumenten van cliënten mag ontvangen;
5° artikel 43, voor zover de buitenlandse beursvennootschap niet kan aantonen dat de verbintenissen van haar Belgisch bijkantoor minstens in dezelfde mate gedekt zijn door een beleggersbeschermingsregeling van haar land van herkomst als door de Belgische beleggersbeschermingsregeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 kan aan een bijkantoor van een beursvennootschap die onder een derde land ressorteert slechts een vergunning worden toegekend indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° de beursvennootschap is in haar land van herkomst aan een prudentieel toezicht onderworpen dat gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht dat bij richtlijn 2019/34 en Verordening 2019/33wordt geregeld;
2° de Bank heeft met de betrokken autoriteit van een derde land een samenwerkingsovereenkomst ondertekend voor de uitwisseling van informatie om op de werkzaamheden van het Belgische bijkantoor een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen. De Bank kan afwijken van deze voorwaarde indien zij in een concreet geval van oordeel is dat deze haar kennis van de beursvennootschap en van de groep waartoe zij behoort, niet wezenlijk verbetert wat betreft haar organisatie en de risico's die voortvloeien uit haar werkzaamheden, in het bijzonder de risico's ten aanzien van de schuldeisers van het Belgische bijkantoor, met name haar beleggers;
3° de wetgeving en de praktijken van de autoriteit van een derde land die de vergunning aan de beursvennootschap heeft verleend in haar derde land van herkomst, zijn in overeenstemming met de Internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van de Financiële Actiegroep (FAG);
4° het derde land van herkomst waar de beursvennootschap is gevestigd, heeft met België een overeenkomst gesloten die voldoet aan de normen van artikel 26 van het modelverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake dubbele belasting naar inkomen en vermogen, die doeltreffende informatie-uitwisseling betreffende fiscale aangelegenheden, inclusief een eventuele multilaterale overeenkomst die voldoet aan het voornoemde artikel 26, waarborgt.
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan de internationale overeenkomsten die België binden, kan de Bank een vergunning weigeren aan het bijkantoor van een beursvennootschap die ressorteert onder een derde land dat niet dezelfde toegangsmogelijkheden tot zijn markt biedt aan beursvennootschappen naar Belgisch recht.
§ 4. De Bank kan een vergunning weigeren aan een in deze Titel bedoeld bijkantoor indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de beleggers of voor een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. Bij een dergelijke beslissing kan met name rekening worden gehouden met de volgende criteria:
1° het feit dat de beursvennootschap in het derde land, of binnen de groep waartoe zij behoort, de door het bijkantoor voorgenomen werkzaamheden niet effectief uitoefent;
2° het belang van het bijkantoor in verhouding tot de omvang van de beursvennootschap.
Art.226. § 1er. Les sociétés de bourse étrangères relevant du droit d'un pays tiers doivent, avant d'ouvrir une succursale en vue de fournir des services ou activités d'investissement en Belgique, se faire agréer auprès de la Banque.
A cette fin, sont applicables :
1° les articles 4, 5, 6, 9, 10 et 11, étant entendu que :
a) la référence faite à l'article 6 vaut pour la société de bourse étrangère dont relève la succursale ;
b) la société de bourse étrangère doit être autorisée dans son pays d'origine à exercer les activités contenues dans son programme d'activités ;
c) la société de bourse étrangère communique à la Banque l'identification de l'autorité chargée de son contrôle et si le contrôle est assuré par plusieurs autorités, les domaines de compétences respectifs de ces dernières sont précisés ;
d) la Banque consulte les autorités de contrôle de l'Etat d'origine de la société de bourse étrangère avant de statuer sur la demande d'agrément ;
e) la Banque ne délivre l'agrément que sur avis conforme de la FSMA en ce qui concerne le respect par la succursale de la société de bourse étrangère des dispositions énoncées aux articles 26, alinéas 7 à 9, 27, 27bis, 27ter, §§ 1er à 3 et 5 à 8, 27quater, § 1er et 28 de la loi du 2 août 2002, aux articles 46, 48, 50, 51 et 52 de la loi du 21 novembre 2017 et aux articles 3 à 26 du Règlement (UE) n° 600/2014, ainsi qu'aux mesures adoptées en vertu de ces dispositions ;
2° l'article 12, étant entendu que cet article s'applique à la société de bourse étrangère dont relève la succursale. Toutefois, peuvent être agréées des succursales d'institutions dotées de la personnalité juridique mais n'ayant pas la forme de société ;
3° l'article 13, §§ 1er et 2, le capital initial étant remplacé par une dotation dont la Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant, les éléments constitutifs et les conditions relatives aux actifs correspondants, notamment sous l'angle de leur localisation en Belgique ;
4° les articles 14 à 18 et 32 et 37 à 40, étant entendu que :
a) la référence faite à l'article 14 vaut pour la société de bourse dont relève la succursale ;
b) la référence faite aux articles 15 à 18 et 32 vaut pour la succursale en Belgique ; et
c) la référence faite à l'article 39 vaut pour la succursale en Belgique lorsqu'elle est autorisée à fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement et/ou fournir des services auxiliaires en Belgique dans le cadre desquels elle est autorisée à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients ;
5° l'article 43, dans la mesure où la société de bourse étrangère ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des investisseurs de son pays d'origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système belge de protection des investisseurs quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'octroi d'un agrément à une succursale d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers est également soumis au respect des conditions suivantes :
1° la société de bourse est soumise, dans son pays d'origine, à un contrôle prudentiel de nature équivalente à celui organisé par la directive 2019/34 et le Règlement 2019/33 ;
2° la Banque a signé avec l'autorité de pays tiers concernée un accord de coopération impliquant un échange d'informations lui permettant d'exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au respect de cette condition si, au regard du cas d'espèce, elle estime que celle-ci n'est pas de nature à améliorer substantiellement la connaissance de la société de bourse, en ce compris du groupe auquel elle appartient, sous l'angle de son organisation et des risques générés par ses activités, spécialement les risques à l'égard des créanciers de la succursale belge, notamment ses investisseurs ;
3° l'autorité de pays tiers qui a octroyé l'agrément à la société de bourse dans son pays tiers d'origine l'a octroyé alors que sa législation et ses pratiques sont en conformité avec les Normes internationales sur la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme et de la prolifération du Groupe d'action financière (GAFI) ;
4° le pays tiers d'origine dans lequel est établie la société de bourse a signé avec la Belgique un accord conforme aux normes énoncées à l'article 26 du modèle de l'Organisation de Coopération et de Développement Economiques (OCDE) de convention fiscale concernant le revenu et la fortune et garantissant un échange efficace de renseignements en matière fiscale, y compris, le cas échéant, un accord multilatéral conforme audit article 26.
§ 3. Sans préjudice des accords internationaux liant la Belgique, la Banque peut refuser d'agréer la succursale d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers qui n'accorde pas les mêmes possibilités d'accès à son marché aux sociétés de bourse de droit belge.
§ 4. La Banque peut refuser l'agrément d'une succursale visée par le présent Titre si elle estime que la protection des investisseurs ou la gestion saine et prudente de la société ou encore la stabilité du système financier requiert la constitution d'une société de droit belge. Une telle décision peut notamment tenir compte des critères suivants :
1° l'absence d'exercice effectif par la société de bourse dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient la société de bourse, des activités projetées par la succursale ;
2° l'importance de la succursale par rapport à la taille de la société de bourse.
A cette fin, sont applicables :
1° les articles 4, 5, 6, 9, 10 et 11, étant entendu que :
a) la référence faite à l'article 6 vaut pour la société de bourse étrangère dont relève la succursale ;
b) la société de bourse étrangère doit être autorisée dans son pays d'origine à exercer les activités contenues dans son programme d'activités ;
c) la société de bourse étrangère communique à la Banque l'identification de l'autorité chargée de son contrôle et si le contrôle est assuré par plusieurs autorités, les domaines de compétences respectifs de ces dernières sont précisés ;
d) la Banque consulte les autorités de contrôle de l'Etat d'origine de la société de bourse étrangère avant de statuer sur la demande d'agrément ;
e) la Banque ne délivre l'agrément que sur avis conforme de la FSMA en ce qui concerne le respect par la succursale de la société de bourse étrangère des dispositions énoncées aux articles 26, alinéas 7 à 9, 27, 27bis, 27ter, §§ 1er à 3 et 5 à 8, 27quater, § 1er et 28 de la loi du 2 août 2002, aux articles 46, 48, 50, 51 et 52 de la loi du 21 novembre 2017 et aux articles 3 à 26 du Règlement (UE) n° 600/2014, ainsi qu'aux mesures adoptées en vertu de ces dispositions ;
2° l'article 12, étant entendu que cet article s'applique à la société de bourse étrangère dont relève la succursale. Toutefois, peuvent être agréées des succursales d'institutions dotées de la personnalité juridique mais n'ayant pas la forme de société ;
3° l'article 13, §§ 1er et 2, le capital initial étant remplacé par une dotation dont la Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, le montant, les éléments constitutifs et les conditions relatives aux actifs correspondants, notamment sous l'angle de leur localisation en Belgique ;
4° les articles 14 à 18 et 32 et 37 à 40, étant entendu que :
a) la référence faite à l'article 14 vaut pour la société de bourse dont relève la succursale ;
b) la référence faite aux articles 15 à 18 et 32 vaut pour la succursale en Belgique ; et
c) la référence faite à l'article 39 vaut pour la succursale en Belgique lorsqu'elle est autorisée à fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement et/ou fournir des services auxiliaires en Belgique dans le cadre desquels elle est autorisée à recevoir des fonds et/ou des instruments financiers de clients ;
5° l'article 43, dans la mesure où la société de bourse étrangère ne peut établir que les engagements de sa succursale belge sont couverts par un système de protection des investisseurs de son pays d'origine dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système belge de protection des investisseurs quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, l'octroi d'un agrément à une succursale d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers est également soumis au respect des conditions suivantes :
1° la société de bourse est soumise, dans son pays d'origine, à un contrôle prudentiel de nature équivalente à celui organisé par la directive 2019/34 et le Règlement 2019/33 ;
2° la Banque a signé avec l'autorité de pays tiers concernée un accord de coopération impliquant un échange d'informations lui permettant d'exercer un contrôle efficace des activités de la succursale belge. La Banque peut déroger au respect de cette condition si, au regard du cas d'espèce, elle estime que celle-ci n'est pas de nature à améliorer substantiellement la connaissance de la société de bourse, en ce compris du groupe auquel elle appartient, sous l'angle de son organisation et des risques générés par ses activités, spécialement les risques à l'égard des créanciers de la succursale belge, notamment ses investisseurs ;
3° l'autorité de pays tiers qui a octroyé l'agrément à la société de bourse dans son pays tiers d'origine l'a octroyé alors que sa législation et ses pratiques sont en conformité avec les Normes internationales sur la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme et de la prolifération du Groupe d'action financière (GAFI) ;
4° le pays tiers d'origine dans lequel est établie la société de bourse a signé avec la Belgique un accord conforme aux normes énoncées à l'article 26 du modèle de l'Organisation de Coopération et de Développement Economiques (OCDE) de convention fiscale concernant le revenu et la fortune et garantissant un échange efficace de renseignements en matière fiscale, y compris, le cas échéant, un accord multilatéral conforme audit article 26.
§ 3. Sans préjudice des accords internationaux liant la Belgique, la Banque peut refuser d'agréer la succursale d'une société de bourse relevant du droit d'un pays tiers qui n'accorde pas les mêmes possibilités d'accès à son marché aux sociétés de bourse de droit belge.
§ 4. La Banque peut refuser l'agrément d'une succursale visée par le présent Titre si elle estime que la protection des investisseurs ou la gestion saine et prudente de la société ou encore la stabilité du système financier requiert la constitution d'une société de droit belge. Une telle décision peut notamment tenir compte des critères suivants :
1° l'absence d'exercice effectif par la société de bourse dans le pays tiers, ou au sein du groupe auquel appartient la société de bourse, des activités projetées par la succursale ;
2° l'importance de la succursale par rapport à la taille de la société de bourse.
HOOFDSTUK III. - Bedrijfsuitoefening
CHAPITRE III. - De l'exercice de l'activité
Art.227. § 1. Naast artikel 44, voor wat betreft artikel 226 en de bepalingen die krachtens artikel 226 van toepassing zijn verklaard, zijn de volgende artikelen van toepassing:
1° artikel 45; indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in de buitenlandse beursvennootschap, een gezond en voorzichtig beleid van deze vennootschap kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, voor de duur die zij bepaalt, de vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen; artikel 204, § 1, 4° en 6°, en § 3, is van toepassing op dergelijke beslissingen;
2° artikel 52 en artikel 53 voor zover dit artikel 52 betreft;
3° artikel 55;
4° de artikelen 61 en 63 voor wat betreft de leiders van bijkantoren en artikel 61 voor wat betreft de compliancefunctie;
5° de artikelen 68 tot 72;
6° artikel 73;
7° de artikelen 74 tot 78;
8° de artikelen 80 tot 82;
9° de artikelen 83, 85, 86, 88, 89, 93, 95, 3° en 4° en 96, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 83, de leiders van het bijkantoor als leden van het wettelijk bestuursorgaan worden beschouwd;
10° de artikelen 107, 109 en 110;
11° artikel 126;
12° Bijlage I;
13° de overeenkomstig artikel 28quater van de wet van 2 augustus 2002 aangenomen bepalingen.
§ 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.
§ 3. De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
2° voor ondernemingen uit derde landen die de in artikel 3, 2°, 3) vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de Europese Unie;
3° voor ondernemingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 3, 2°, 6) vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de Europese Unie die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;
4° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
5° een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 226, § 1, 5° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;
6° het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
7° de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.
1° artikel 45; indien de Bank grond heeft om aan te nemen dat de invloed van natuurlijke of rechtspersonen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming bezitten in de buitenlandse beursvennootschap, een gezond en voorzichtig beleid van deze vennootschap kan belemmeren, kan zij, onverminderd de andere bij deze wet bepaalde maatregelen, voor de duur die zij bepaalt, de vergunning van het bijkantoor schorsen of herroepen; artikel 204, § 1, 4° en 6°, en § 3, is van toepassing op dergelijke beslissingen;
2° artikel 52 en artikel 53 voor zover dit artikel 52 betreft;
3° artikel 55;
4° de artikelen 61 en 63 voor wat betreft de leiders van bijkantoren en artikel 61 voor wat betreft de compliancefunctie;
5° de artikelen 68 tot 72;
6° artikel 73;
7° de artikelen 74 tot 78;
8° de artikelen 80 tot 82;
9° de artikelen 83, 85, 86, 88, 89, 93, 95, 3° en 4° en 96, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 83, de leiders van het bijkantoor als leden van het wettelijk bestuursorgaan worden beschouwd;
10° de artikelen 107, 109 en 110;
11° artikel 126;
12° Bijlage I;
13° de overeenkomstig artikel 28quater van de wet van 2 augustus 2002 aangenomen bepalingen.
§ 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.
§ 3. De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
2° voor ondernemingen uit derde landen die de in artikel 3, 2°, 3) vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de Europese Unie;
3° voor ondernemingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 3, 2°, 6) vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de Europese Unie die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;
4° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
5° een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 226, § 1, 5° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;
6° het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
7° de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.
Art.227. § 1er. Outre l'application de l'article 44 en ce qui concerne l'article 226 et les dispositions rendues applicables en vertu de l'article 226, sont applicables :
1° l'article 45 ; lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par les personnes physiques ou morales détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans la société de bourse étrangère est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut suspendre ou révoquer pour la durée qu'elle détermine l'agrément de la succursale ; l'article 204, § 1er, 4° et 6° et § 3 est applicable à ces décisions ;
2° l'article 52 et l'article 53 en ce qui concerne l'article 52 ;
3° l'article 55 ;
4° les articles 61 et 63 en ce qui concerne les dirigeants de succursales et, s'agissant de l'article 61, en ce qui concerne la fonction de conformité ;
5° les articles 68 à 72 ;
6° l'article 73 ;
7 les articles 74 à 78 ;
8° les articles 80 à 82 ;
9° les articles 83, 85, 86, 88, 89, 93, 95, 3° et 4° et 96 étant entendu que pour l'application de l'article 83, les dirigeants de la succursale sont considérés comme les membres de l'organe légal d'administration ;
10° les articles 107, 109 et 110 ;
11° l'article 126 ;
12° l'Annexe I ;
13° les dispositions adoptées en vertu de l'article 28quater de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales.
§ 3. Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale située en Belgique ;
2° pour les entreprises de pays tiers exerçant l'activité mentionnée à l'article 3, 2°, 3), leur exposition mensuelle minimale, moyenne et maximale sur des contreparties de l'Union européenne ;
3° pour les entreprises de pays tiers fournissant l'un des services énumérés à l'article 3, 2°, 6), ou les deux, la valeur totale des instruments financiers provenant de contreparties de l'Union européenne souscrits ou placés avec engagement ferme au cours des douze derniers mois ;
4° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 1° ;
5° une description détaillée des dispositions prises en vue de protéger les investisseurs dont peuvent se prévaloir les clients de la succursale, notamment les droits conférés à ces clients par le système d'indemnisation des investisseurs visé à l'article 226, § 1er, 5° ;
6° la politique et les dispositions de gestion des risques appliquées par la succursale dans le cadre des services et des activités visés au 1° ;
7° les dispositifs de gouvernance d'entreprise, en ce compris les personnes dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire afin d'assurer un suivi effectif des activités de la succursale.
1° l'article 45 ; lorsque la Banque a des raisons de considérer que l'influence exercée par les personnes physiques ou morales détenant, directement ou indirectement, une participation qualifiée dans la société de bourse étrangère est de nature à compromettre sa gestion saine et prudente, et sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut suspendre ou révoquer pour la durée qu'elle détermine l'agrément de la succursale ; l'article 204, § 1er, 4° et 6° et § 3 est applicable à ces décisions ;
2° l'article 52 et l'article 53 en ce qui concerne l'article 52 ;
3° l'article 55 ;
4° les articles 61 et 63 en ce qui concerne les dirigeants de succursales et, s'agissant de l'article 61, en ce qui concerne la fonction de conformité ;
5° les articles 68 à 72 ;
6° l'article 73 ;
7 les articles 74 à 78 ;
8° les articles 80 à 82 ;
9° les articles 83, 85, 86, 88, 89, 93, 95, 3° et 4° et 96 étant entendu que pour l'application de l'article 83, les dirigeants de la succursale sont considérés comme les membres de l'organe légal d'administration ;
10° les articles 107, 109 et 110 ;
11° l'article 126 ;
12° l'Annexe I ;
13° les dispositions adoptées en vertu de l'article 28quater de la loi du 2 août 2002.
§ 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales.
§ 3. Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale située en Belgique ;
2° pour les entreprises de pays tiers exerçant l'activité mentionnée à l'article 3, 2°, 3), leur exposition mensuelle minimale, moyenne et maximale sur des contreparties de l'Union européenne ;
3° pour les entreprises de pays tiers fournissant l'un des services énumérés à l'article 3, 2°, 6), ou les deux, la valeur totale des instruments financiers provenant de contreparties de l'Union européenne souscrits ou placés avec engagement ferme au cours des douze derniers mois ;
4° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 1° ;
5° une description détaillée des dispositions prises en vue de protéger les investisseurs dont peuvent se prévaloir les clients de la succursale, notamment les droits conférés à ces clients par le système d'indemnisation des investisseurs visé à l'article 226, § 1er, 5° ;
6° la politique et les dispositions de gestion des risques appliquées par la succursale dans le cadre des services et des activités visés au 1° ;
7° les dispositifs de gouvernance d'entreprise, en ce compris les personnes dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire afin d'assurer un suivi effectif des activités de la succursale.
Art.228. § 1. De buitenlandse beursvennootschap moet in België over voor beslag vatbare activa beschikken voor een bedrag dat overeenstemt met het bedrag van de tegoeden, als bedoeld in artikel 276, tweede lid, die het bijkantoor heeft ontvangen, tenzij zij aantoont dat zij aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij een buitenlandse beursvennootschap in het derde land hebben gedeponeerd; en
2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de buitenlandse beursvennootschap in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die gelden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 82, § 3, voorziet.
§ 2. Het Belgische bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap kan slechts financiële instrumenten van cliënten in ontvangst nemen indien, bij opening van een insolventieprocedure tegen de buitenlandse beursvennootschap in het derde land, de wetgeving inzake dergelijke procedures, het zakelijk eigendomsrecht als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd op 27 januari 2004, erkent voor de beleggers die hun financiële instrumenten bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, of indien deze wetgeving aan de belegger een recht toekent ten gevolge van de bewaargeving van de financiële instrumenten, dat een zakelijk recht vormt op grond waarvan hij een vordering tot teruggave kan uitoefenen op deze financiële instrumenten, met uitsluiting van een louter vorderingsrecht.
1° de wetgeving inzake insolventieprocedures van het derde land garandeert dat de schuldeisers die hun tegoeden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, dezelfde behandeling krijgen als de schuldeisers die hun tegoeden bij een buitenlandse beursvennootschap in het derde land hebben gedeponeerd; en
2° indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de buitenlandse beursvennootschap in het derde land, kent de wetgeving inzake dergelijke procedures aan de beleggers die gelden bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, een rangorde toe die een gelijkaardige bescherming biedt als deze waarin artikel 82, § 3, voorziet.
§ 2. Het Belgische bijkantoor van de buitenlandse beursvennootschap kan slechts financiële instrumenten van cliënten in ontvangst nemen indien, bij opening van een insolventieprocedure tegen de buitenlandse beursvennootschap in het derde land, de wetgeving inzake dergelijke procedures, het zakelijk eigendomsrecht als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd op 27 januari 2004, erkent voor de beleggers die hun financiële instrumenten bij het Belgische bijkantoor hebben gedeponeerd, of indien deze wetgeving aan de belegger een recht toekent ten gevolge van de bewaargeving van de financiële instrumenten, dat een zakelijk recht vormt op grond waarvan hij een vordering tot teruggave kan uitoefenen op deze financiële instrumenten, met uitsluiting van een louter vorderingsrecht.
Art.228. § 1er. La société de bourse étrangère doit disposer d'actifs saisissables en Belgique pour un montant correspondant au montant des avoirs, tels que visés à l'article 276, alinéa 2, reçus par la succursale, sauf à démontrer qu'elle satisfait aux conditions suivantes :
1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès d'une société de bourse étrangère dans le pays tiers ; et
2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de la société de bourse étrangère dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux investisseurs ayant déposé des fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 82, § 3.
§ 2. La succursale belge de la société de bourse étrangère ne peut recevoir des instruments financiers de clients que si, en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de la société de bourse étrangère dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure reconnaît le droit réel de copropriété prévu à l'article 13, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 62 du 10 novembre 1967 relatif au dépôt d'instruments financiers fongibles et à la liquidation d'opérations sur ces instruments, coordonné le 27 janvier 2004, dans le chef des investisseurs ayant déposé leurs instruments financiers auprès de la succursale belge ou confère à l'investisseur un droit à la suite du dépôt des instruments financiers constitutif d'un droit réel permettant l'exercice d'une revendication sur ces instruments financiers, à l'exclusion d'un simple droit de créance.
1° le droit des procédures d'insolvabilité du pays tiers assure aux créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès de la succursale belge un traitement qui est équivalent à celui des créanciers ayant déposé leurs avoirs auprès d'une société de bourse étrangère dans le pays tiers ; et
2° en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de la société de bourse étrangère dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure octroie aux investisseurs ayant déposé des fonds auprès de la succursale belge un rang offrant une protection similaire à celle prévue à l'article 82, § 3.
§ 2. La succursale belge de la société de bourse étrangère ne peut recevoir des instruments financiers de clients que si, en cas de procédure d'insolvabilité ouverte à l'encontre de la société de bourse étrangère dans le pays tiers, le droit régissant cette procédure reconnaît le droit réel de copropriété prévu à l'article 13, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 62 du 10 novembre 1967 relatif au dépôt d'instruments financiers fongibles et à la liquidation d'opérations sur ces instruments, coordonné le 27 janvier 2004, dans le chef des investisseurs ayant déposé leurs instruments financiers auprès de la succursale belge ou confère à l'investisseur un droit à la suite du dépôt des instruments financiers constitutif d'un droit réel permettant l'exercice d'une revendication sur ces instruments financiers, à l'exclusion d'un simple droit de créance.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht
CHAPITRE IV. - Du contrôle
Art.229. De artikelen 120, 121, 123, 124, 125 en 128 zijn van toepassing.
Art.229. Les articles 120, 121, 123, 124, 125 et 128 sont applicables.
Art.230. De Bank beoordeelt de naleving door de in deze Titel bedoelde bijkantoren van de op hen van toepassing zijnde bepalingen van deze wet, van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, van de rechtstreeks toepasselijke Europese verordeningen en de ter uitvoering ervan genomen handelingen, evenals de risico's waaraan zij blootgesteld zijn of zouden kunnen zijn en de risico's die zij inhouden voor het financiële stelsel. Op grond van deze beoordeling kan de Bank aan een dergelijk bijkantoor aanvullende vereisten opleggen inzake solvabiliteit, liquiditeit, risicoconcentratie en risicoposities, die bij het bedrag van de in artikel 226, § 1, 3°, bedoelde dotatie worden gevoegd en bij de vereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 107, om rekening te houden met de risico's waaraan zij blootgesteld is of zou kunnen zijn. De Bank bepaalt de nadere regels waarop aan die vereisten moet worden voldaan.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke criteria en procedures zij toepast voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling en vereisten.
De Bank kan bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998, bepalen welke criteria en procedures zij toepast voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling en vereisten.
Art.230. La Banque évalue le respect, par les succursales visées par le présent Titre, des dispositions de la présente loi qui leur sont applicables, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci, des règlements européens directement applicables et des actes adoptés en vertu de ceux-ci, ainsi que les risques auxquels elles sont ou pourraient être exposées et les risques qu'elles présentent pour le système financier. Sur la base de cette évaluation, la Banque peut imposer à une telle succursale des exigences supplémentaires en matière de solvabilité, de liquidité, de concentration des risques et de positions de risque, qui s'ajoutent au montant de la dotation visée à l'article 226, § 1er, 3° et aux exigences applicables en vertu de l'article 107, afin de tenir compte des risques auxquels elle est ou pourrait être exposée. La Banque précise les modalités selon lesquelles ces exigences doivent être couvertes.
La Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les critères et procédures qu'elle applique en ce qui concerne l'évaluation et les exigences visées à l'alinéa 1er.
La Banque peut déterminer, par voie de règlement pris en application de l'article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, les critères et procédures qu'elle applique en ce qui concerne l'évaluation et les exigences visées à l'alinéa 1er.
Art.231. De leiding van de in deze Titel bedoelde bijkantoren moet een of meer erkende revisoren of een of meer erkende revisorenvennootschappen aanstellen overeenkomstig artikel 194. Op dezelfde wijze kan zij een plaatsvervanger aanstellen.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 195 van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 196, 197, eerste tot vierde lid, [1 198, § 1, eerste, tweede, derde en zesde lid]1 en 221, § 1, tweede lid, § 2, vierde lid en § 3 zijn van toepassing.
Bij aanstelling van een revisorenvennootschap is artikel 195 van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 196, 197, eerste tot vierde lid, [1 198, § 1, eerste, tweede, derde en zesde lid]1 en 221, § 1, tweede lid, § 2, vierde lid en § 3 zijn van toepassing.
Art.231. La direction des succursales visées par le présent Titre est tenue de désigner un ou plusieurs reviseurs agréés ou une ou plusieurs sociétés de reviseurs agréées conformément à l'article 194 Elle peut désigner, pareillement, un suppléant.
En cas de désignation d'une société de reviseurs, l'article 195 est applicable par analogie.
Les articles 196, 197, alinéas 1er à 4, [1 198, § 1er, alinéas 1er, 2, 3 et 6]1 et 221, § 1er, alinéa 2, § 2, alinéa 4, et § 3 sont applicables.
En cas de désignation d'une société de reviseurs, l'article 195 est applicable par analogie.
Les articles 196, 197, alinéas 1er à 4, [1 198, § 1er, alinéas 1er, 2, 3 et 6]1 et 221, § 1er, alinéa 2, § 2, alinéa 4, et § 3 sont applicables.
Änderungen
Art.232. § 1. De Bank kan op basis van het wederkerigheidsbeginsel met de autoriteiten van derde landen van de beursvennootschap en met de bevoegde autoriteiten van derde landen van de andere bijkantoren van deze vennootschap die buiten België zijn gevestigd, overeenkomen welke verplichtingen en verbodsbepalingen voor het bijkantoor in België gelden, hoe het toezicht wordt opgevat en uitgeoefend en op welke wijze de samenwerking en de informatie-uitwisseling met deze autoriteiten, zoals bedoeld in de artikelen 36/16 en 36/17 van de wet van 22 februari 1998, worden georganiseerd.
§ 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de werkzaamheden van de beursvennootschap en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister van Financiën, afwijken van de bepalingen van deze wet.
Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van beursvennootschappen die onder een andere lidstaat ressorteren.
§ 2. Om regels en modaliteiten te kunnen vaststellen die beter aansluiten bij de aard en spreiding van de werkzaamheden van de beursvennootschap en haar toezicht, mogen de overeenkomsten, met de goedkeuring van de minister van Financiën, afwijken van de bepalingen van deze wet.
Voor zover er een algemeen toezicht bestaat dat voldoet aan de criteria vastgesteld door of krachtens deze wet, mogen deze overeenkomsten vrijstelling verlenen van de toepassing van bepaalde voorschriften van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
De in dit artikel bedoelde overeenkomsten mogen voor de bijkantoren waarop zij betrekking hebben, geen gunstiger regels bevatten dan voor de in België gevestigde bijkantoren van beursvennootschappen die onder een andere lidstaat ressorteren.
Art.232. § 1er. La Banque peut convenir, sur base de réciprocité, avec les autorités de pays tiers de la société de bourse et avec les autorités, compétentes et de pays tiers, des autres succursales de cette société établies dans d'autres Etats que la Belgique, de règles relatives aux obligations et interdictions concernant la succursale en Belgique, de l'objet et de modalités de sa surveillance ainsi que des modalités de la collaboration et de l'échange d'informations avec ces autorités, telles que prévues aux articles 36/16 et 36/17 de la loi du 22 février 1998.
§ 2. Les conventions peuvent, moyennant l'approbation du ministre des Finances, déroger aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition des activités de la société de bourse et de son contrôle.
Moyennant l'existence d'un contrôle global répondant aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces conventions peuvent dispenser de l'application de certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
Les conventions prévues par le présent article ne peuvent comporter au bénéfice des succursales qu'elles concernent des règles plus favorables que celles qui s'appliquent aux succursales établies en Belgique de sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre.
§ 2. Les conventions peuvent, moyennant l'approbation du ministre des Finances, déroger aux dispositions de la présente loi en vue de fixer des règles et modalités plus appropriées à la nature et à la répartition des activités de la société de bourse et de son contrôle.
Moyennant l'existence d'un contrôle global répondant aux critères prévus par ou en vertu de la présente loi, ces conventions peuvent dispenser de l'application de certaines dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution.
Les conventions prévues par le présent article ne peuvent comporter au bénéfice des succursales qu'elles concernent des règles plus favorables que celles qui s'appliquent aux succursales établies en Belgique de sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre.
Art.233. § 1. Op verzoek van de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten deelt de Bank aan deze autoriteit de volgende informatie mee over de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
1° de aan bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen van die vergunningen;
2° de schaal en reikwijdte van de door het bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
3° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;
4° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 2. De Bank werkt nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 10° van de wet van 25 april 2014, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen enerzijds en kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor van een beursvennootschap uit een derde land met een overeenkomstig deze Titel verkregen vergunning behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de Europese Unie worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 april 2014 en de wet van 26 oktober 2016, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.
1° de aan bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen van die vergunningen;
2° de schaal en reikwijdte van de door het bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
3° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;
4° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 2. De Bank werkt nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 10° van de wet van 25 april 2014, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen enerzijds en kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor van een beursvennootschap uit een derde land met een overeenkomstig deze Titel verkregen vergunning behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de Europese Unie worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 april 2014 en de wet van 26 oktober 2016, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.
Art.233. § 1er. A la demande de l'Autorité européenne des marchés financiers, la Banque communique à celle-ci les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
1° les agréments octroyés aux succursales, ainsi que les modifications ultérieures de ceux-ci ;
2° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale ;
3° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 2° ;
4° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 2. La Banque coopère étroitement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, l'ABE et les autorités compétentes et les autorités visées à l'article 3, 10° de la loi du 25 avril 2014 chargées respectivement de la supervision des entreprises d'investissement et des succursales d'entreprises d'investissement et des établissements de crédit et des succursales d'établissements de crédit faisant partie du groupe auquel appartiennent la succursale d'une société de bourse de pays tiers agréée en application du présent Titre, dans le but d'assurer que toutes les activités de ce groupe dans l'Union européenne soient soumises à une surveillance exhaustive, cohérente et efficace conformément à la présente loi, la loi du 25 avril 2014 et la loi du 26 octobre 2016, au Règlement n° 600/2014, au Règlement 2019/2033 et au Règlement n° 575/2013/UE, et à la législation prise en vue de la transposition de la directive 2013/36/UE, de la directive 2014/65/UE et de la directive 2019/2034 dans les Etats membres dont relèvent lesdites autorités, ainsi qu'aux actes pris en exécution de celles-ci.
1° les agréments octroyés aux succursales, ainsi que les modifications ultérieures de ceux-ci ;
2° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale ;
3° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 2° ;
4° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 2. La Banque coopère étroitement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, l'ABE et les autorités compétentes et les autorités visées à l'article 3, 10° de la loi du 25 avril 2014 chargées respectivement de la supervision des entreprises d'investissement et des succursales d'entreprises d'investissement et des établissements de crédit et des succursales d'établissements de crédit faisant partie du groupe auquel appartiennent la succursale d'une société de bourse de pays tiers agréée en application du présent Titre, dans le but d'assurer que toutes les activités de ce groupe dans l'Union européenne soient soumises à une surveillance exhaustive, cohérente et efficace conformément à la présente loi, la loi du 25 avril 2014 et la loi du 26 octobre 2016, au Règlement n° 600/2014, au Règlement 2019/2033 et au Règlement n° 575/2013/UE, et à la législation prise en vue de la transposition de la directive 2013/36/UE, de la directive 2014/65/UE et de la directive 2019/2034 dans les Etats membres dont relèvent lesdites autorités, ainsi qu'aux actes pris en exécution de celles-ci.
HOOFDSTUK V. - Intrekking, uitzonderingsmaatregelen, sancties
CHAPITRE V. - Radiation, mesures exceptionnelles, sanctions
Art.234. § 1. De artikelen 200, 202, 204 en 207 en de artikelen 235 tot 242 zijn van toepassing.
§ 2. Wanneer de Bank vaststelt dat het bijkantoor niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, van de rechtstreeks toepasselijke Europese verordeningen of de ter uitvoering ervan genomen handelingen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat het bijkantoor binnenkort niet meer overeenkomstig deze bepalingen zal werken, kan de bank limieten vastleggen voor de blootstellingen van het bijkantoor ten aanzien van zijn moederonderneming of van de entiteiten van de groep waar de beursvennootschap deel van uitmaakt.
§ 3. De Bank kan de vergunning van een in deze Titel bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de beleggers of voor een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 226, § 4.
§ 2. Wanneer de Bank vaststelt dat het bijkantoor niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, van de rechtstreeks toepasselijke Europese verordeningen of de ter uitvoering ervan genomen handelingen, of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat het bijkantoor binnenkort niet meer overeenkomstig deze bepalingen zal werken, kan de bank limieten vastleggen voor de blootstellingen van het bijkantoor ten aanzien van zijn moederonderneming of van de entiteiten van de groep waar de beursvennootschap deel van uitmaakt.
§ 3. De Bank kan de vergunning van een in deze Titel bedoeld bijkantoor ook herroepen indien zij van oordeel is dat voor de bescherming van de beleggers of voor een gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap of nog voor de stabiliteit van het financiële stelsel, de oprichting van een vennootschap naar Belgisch recht vereist is. De Bank kan hiertoe gebruik maken van de criteria bedoeld in artikel 226, § 4.
Art.234. § 1er. Sont applicables les articles 200, 202, 204 et 207 et les articles 235 à 242.
§ 2. Lorsque la Banque constate que la succursale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, des règlements européens directement applicables ou des actes adoptés en vertu de ceux-ci, ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que la succursale risque prochainement de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions, la Banque peut fixer des limites concernant les expositions de la succursale à l'égard de sa maison mère ou des entités du groupe dont fait partie la société de bourse.
§ 3. La Banque peut également révoquer l'agrément d'une succursale visée au présent Titre si elle estime que la protection des investisseurs ou la gestion saine et prudente de la société ou encore la stabilité du système financier exige la constitution d'une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l'article 226, § 4.
§ 2. Lorsque la Banque constate que la succursale ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, des règlements européens directement applicables ou des actes adoptés en vertu de ceux-ci, ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que la succursale risque prochainement de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions, la Banque peut fixer des limites concernant les expositions de la succursale à l'égard de sa maison mère ou des entités du groupe dont fait partie la société de bourse.
§ 3. La Banque peut également révoquer l'agrément d'une succursale visée au présent Titre si elle estime que la protection des investisseurs ou la gestion saine et prudente de la société ou encore la stabilité du système financier exige la constitution d'une société de droit belge. La Banque peut faire usage, à cet effet, des critères visés à l'article 226, § 4.
BOEK IV. - DWANGSOMMEN EN ANDERE DWANGMAATREGELEN
LIVRE IV. - DES ASTREINTES ET AUTRES MESURES COERCITIVES
Art.235. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank, nadat zij de betrokken entiteit in kennis heeft gesteld, bekendmaken dat een beursvennootschap, financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]1;
3° [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking vermeldt de aard van de tekortkoming en de identificatie van de verantwoordelijke entiteit.
§ 2. De Bank verricht de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking niet wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen; of
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken entiteit of de betrokken natuurlijke personen.
§ 3. Indien er tegen de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
De Bank zorgt ervoor dat op grond van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
§ 4. De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis van de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking.
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]1;
3° [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking vermeldt de aard van de tekortkoming en de identificatie van de verantwoordelijke entiteit.
§ 2. De Bank verricht de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking niet wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen; of
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken entiteit of de betrokken natuurlijke personen.
§ 3. Indien er tegen de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
De Bank zorgt ervoor dat op grond van dit artikel bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
§ 4. De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis van de in paragraaf 1 bedoelde bekendmaking.
Art.235. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut, après avoir informé l'entité concernée, publier qu'une société de bourse, une compagnie financière, une compagnie financière mixte, une compagnie holding d'investissement ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter, dans le délai qu'elle détermine :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
3° [1 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°.
La publication visée à l'alinéa 1er précise la nature du manquement, ainsi que l'identification de l'entité responsable.
§ 2. La Banque ne procède pas à la publication visée au paragraphe 1er lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ; ou
2° la publication causerait un préjudice disproportionné à l'entité concernée ou aux personnes physiques concernées.
§ 3. Lorsque la publication visée au paragraphe 1er fait l'objet d'un recours, la Banque publie également, sur son site internet, des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours.
La Banque veille à ce que toute information publiée en vertu du présent article demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
§ 4. La Banque informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers de la publication visée au paragraphe 1er.
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
3° [1 les articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°.
La publication visée à l'alinéa 1er précise la nature du manquement, ainsi que l'identification de l'entité responsable.
§ 2. La Banque ne procède pas à la publication visée au paragraphe 1er lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ; ou
2° la publication causerait un préjudice disproportionné à l'entité concernée ou aux personnes physiques concernées.
§ 3. Lorsque la publication visée au paragraphe 1er fait l'objet d'un recours, la Banque publie également, sur son site internet, des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours.
La Banque veille à ce que toute information publiée en vertu du présent article demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
§ 4. La Banque informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers de la publication visée au paragraphe 1er.
Art.236. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een beursvennootschap, financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]1;
c) [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren geldt deze aanmaning enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 212 bedoelde verplichtingen;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde entiteit in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de entiteit gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per inbreuk en maximum 50 000 euro per dag vertraging.
§ 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met:
1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;
2° de financiële draagkracht van de betrokken entiteit, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
§ 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 5. Onverminderd paragraaf 6 maakt de Bank zonder onnodige vertraging en nadat zij de betrokken entiteit voorafgaandelijk in kennis heeft gesteld, de met toepassing van paragraaf 2 opgelegde dwangsommen bekend op haar website voor zover zij van mening is dat deze bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identificatie van de entiteit waaraan de dwangsom wordt opgelegd.
Indien er tegen de dwangsom een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde bekendmaking niet-nominatief wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen;
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken entiteit of de betrokken natuurlijke personen.
De Bank zorgt ervoor dat op grond van deze paragraaf bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
§ 6. Wanneer de in dit artikel bedoelde dwangsommen worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd ter omzetting van richtlijn 2014/65/EU, maakt de Bank bekend dat deze dwangsommen worden opgelegd overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.
§ 7. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis.
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554]1;
c) [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren geldt deze aanmaning enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 212 bedoelde verplichtingen;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.
§ 2. Indien de in paragraaf 1 bedoelde entiteit in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de Bank, na de entiteit gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2 500 000 euro per inbreuk en maximum 50 000 euro per dag vertraging.
§ 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de dwangsom wordt met name rekening gehouden met:
1° de ernst van de vastgestelde tekortkomingen en, in voorkomend geval, de potentiële impact van die tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel;
2° de financiële draagkracht van de betrokken entiteit, zoals die met name blijkt uit haar omzet.
§ 4. De dwangsommen die met toepassing van paragraaf 2 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 5. Onverminderd paragraaf 6 maakt de Bank zonder onnodige vertraging en nadat zij de betrokken entiteit voorafgaandelijk in kennis heeft gesteld, de met toepassing van paragraaf 2 opgelegde dwangsommen bekend op haar website voor zover zij van mening is dat deze bekendmaking noodzakelijk en evenredig is.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identificatie van de entiteit waaraan de dwangsom wordt opgelegd.
Indien er tegen de dwangsom een beroep is ingesteld, maakt de Bank op haar website ook informatie bekend over de stand van zaken en over het resultaat van het beroep.
De Bank verricht de in het eerste lid bedoelde bekendmaking niet-nominatief wanneer:
1° de bekendmaking een lopend strafrechtelijk onderzoek zou ondermijnen of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen;
2° de bekendmaking disproportionele schade zou berokkenen aan de betrokken entiteit of de betrokken natuurlijke personen.
De Bank zorgt ervoor dat op grond van deze paragraaf bekendgemaakte informatie gedurende ten minste vijf jaar op haar website blijft staan. Persoonsgegevens mogen alleen worden bewaard op de website van de Bank indien dat is toegestaan op grond van de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming.
§ 6. Wanneer de in dit artikel bedoelde dwangsommen worden opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichtingen die door of krachtens deze wet zijn vastgelegd ter omzetting van richtlijn 2014/65/EU, maakt de Bank bekend dat deze dwangsommen worden opgelegd overeenkomstig artikel 71 van de voornoemde richtlijn.
§ 7. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig paragraaf 2 oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis.
Art.236. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à une société de bourse, une compagnie financière, une compagnie financière mixte, une compagnie holding d'investissement ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
c) [1 des articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ou des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à son dispositif d'organisation d'entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de sa liquidité. Cette injonction n'est applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant d'un autre Etat membre que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées à l'article 212 ;
3° elle doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° elle doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.
§ 2. Si l'entité visée au paragraphe 1er reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque peut, l'entité entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard.
§ 3. Le montant de l'astreinte est fixé en tenant notamment compte :
1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l'impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier ;
2° de l'assise financière de l'entité en cause, telle qu'elle ressort notamment de son chiffre d'affaires.
§ 4. Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service public fédéral Finances.
§ 5. Sans préjudice du paragraphe 6, la Banque procède, sans retard injustifié et après avoir informé préalablement l'entité concernée, à la publication sur son site internet des astreintes adoptées en application du paragraphe 2. dans la mesure où elle estime que cette publication est nécessaire et proportionnée.
La publication visée à l'alinéa 1er comprend des informations sur le type et la nature de l'infraction ainsi que sur l'identification de l'entité à laquelle l'astreinte est imposée.
Lorsque l'astreinte a fait l'objet d'un recours, la Banque publie également des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours sur son site internet.
La Banque procède à la publication visée à l'alinéa 1er de manière anonyme lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ;
2° la publication causerait un préjudice disproportionné à l'entité concernée ou aux personnes physiques concernées.
La Banque veille à ce que toute information publiée en vertu du présent paragraphe demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
§ 6. Lorsque les astreintes visées au présent article sont imposées en cas de non-respect des obligations prévues par ou vertu la présente loi en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE, la Banque publie l'imposition de ces astreintes conformément à l'article 71 de ladite directive.
§ 7. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au paragraphe 2, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers.
1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
c) [1 des articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ou des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à son dispositif d'organisation d'entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de sa liquidité. Cette injonction n'est applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant d'un autre Etat membre que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées à l'article 212 ;
3° elle doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° elle doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.
§ 2. Si l'entité visée au paragraphe 1er reste en défaut à l'expiration du délai, la Banque peut, l'entité entendue ou à tout le moins convoquée, lui infliger une astreinte à raison d'un montant maximum de 2 500 000 euros par infraction et de maximum 50 000 euros par jour de retard.
§ 3. Le montant de l'astreinte est fixé en tenant notamment compte :
1° de la gravité des manquements rencontrés et, le cas échéant, de l'impact potentiel de ces manquements sur la stabilité du système financier ;
2° de l'assise financière de l'entité en cause, telle qu'elle ressort notamment de son chiffre d'affaires.
§ 4. Les astreintes imposées en application du paragraphe 2 sont recouvrées au profit du Trésor par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service public fédéral Finances.
§ 5. Sans préjudice du paragraphe 6, la Banque procède, sans retard injustifié et après avoir informé préalablement l'entité concernée, à la publication sur son site internet des astreintes adoptées en application du paragraphe 2. dans la mesure où elle estime que cette publication est nécessaire et proportionnée.
La publication visée à l'alinéa 1er comprend des informations sur le type et la nature de l'infraction ainsi que sur l'identification de l'entité à laquelle l'astreinte est imposée.
Lorsque l'astreinte a fait l'objet d'un recours, la Banque publie également des informations sur l'état d'avancement et le résultat du recours sur son site internet.
La Banque procède à la publication visée à l'alinéa 1er de manière anonyme lorsque :
1° la publication compromettrait une enquête pénale en cours ou la stabilité des marchés financiers ;
2° la publication causerait un préjudice disproportionné à l'entité concernée ou aux personnes physiques concernées.
La Banque veille à ce que toute information publiée en vertu du présent paragraphe demeure sur son site internet pendant au moins cinq ans. Les données à caractère personnel ne peuvent être maintenues sur le site internet de la Banque que si les règles applicables en matière de protection des données le permettent.
§ 6. Lorsque les astreintes visées au présent article sont imposées en cas de non-respect des obligations prévues par ou vertu la présente loi en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE, la Banque publie l'imposition de ces astreintes conformément à l'article 71 de ladite directive.
§ 7. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au paragraphe 2, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers.
Art.237. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 235 of 236, §§ 1 of 2 toepast evenals van het resultaat van eventueel ingestelde beroepen.
De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 236, § 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.
De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten eveneens in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 236, § 2 oplegt in geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, wanneer die maatregelen niet openbaar worden gemaakt.
Art.237. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne sans délai des mesures qu'elle applique conformément à l'article 235 ou 236, §§ 1er ou 2, ainsi que du résultat des recours éventuels.
La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers des mesures imposées conformément à l'article 236, § 2 concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 lorsque ces mesures ne sont pas rendues publiques.
La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers des mesures imposées conformément à l'article 236, § 2 concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 lorsque ces mesures ne sont pas rendues publiques.
BOEK V. - SANCTIES
LIVRE V. - DES SANCTIONS
TITEL I. - Administratieve boetes
TITRE Ier. - Des amendes administratives
Art.238. § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;]1
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen;
6° vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een beursvennootschap, financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
§ 2. De administratieve geldboete die aan de beursvennootschap of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de vennootschap van het voorbije boekjaar.
De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt maximum 5 000 000 euro.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beursvennootschap of holding een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.
§ 3. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de beursvennootschap of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b) van het eerste lid.
§ 4. In geval van een inbreuk op [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.
§ 5. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 6. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van:
a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
c) de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
h) de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
§ 7. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis.
De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan.
§ 8. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de stand van zaken en het resultaat van eventueel ingestelde beroepen.
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening 2019/2033, Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 [1 , titel II van Verordening nr. 648/2012 of Verordening 2022/2554;]1
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen;
6° vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een beursvennootschap, financiële holding, gemengde financiële holding, beleggingsholding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.
§ 2. De administratieve geldboete die aan de beursvennootschap of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt maximum 10 % van de jaarlijkse netto-omzet van de vennootschap van het voorbije boekjaar.
De administratieve geldboete die aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd, voor hetzelfde feit of hetzelfde geheel van feiten, bedraagt maximum 5 000 000 euro.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd het eerste en tweede lid van deze paragraaf.
Indien de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde beursvennootschap of holding een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale nettojaaromzet de totale nettojaaromzet volgens de recentste door het wettelijk bestuursorgaan van de uiteindelijke moederonderneming opgestelde geconsolideerde jaarrekening.
§ 3. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de beursvennootschap of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van deze winst of dit verlies, onverminderd de punten a) en b) van het eerste lid.
§ 4. In geval van een inbreuk op [1 de artikelen 5 tot 9 en 18 tot 27 van Verordening 2017/2402]1, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.
Wanneer de inbreuk voor de overtreder winst heeft opgeleverd of hem heeft toegelaten verlies te vermijden, mag het maximumbedrag van de administratieve geldboete worden verhoogd tot het tweevoud van deze winst of dit verlies, onverminderd paragraaf 2, tweede lid en het eerste lid van deze paragraaf.
§ 5. De boetes die met toepassing van paragraaf 1 worden opgelegd door de Bank, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 6. Het bedrag van de boete wordt met name vastgesteld op grond van:
a) de ernst en de duur van de tekortkomingen;
b) de mate van verantwoordelijkheid van de betrokkene;
c) de financiële draagkracht van de betrokkene, zoals die met name blijkt uit de totale omzet van de betrokken rechtspersoon of uit het jaarinkomen van de betrokken natuurlijke persoon;
d) het voordeel of de winst die deze tekortkomingen eventueel opleveren;
e) het nadeel dat derden door deze tekortkomingen hebben geleden, voor zover dit kan worden bepaald;
f) de mate van medewerking van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteiten;
g) vroegere tekortkomingen van de betrokkene;
h) de potentiële negatieve impact van de tekortkomingen op de stabiliteit van het financiële stelsel.
§ 7. Wanneer de Bank maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt, openbaar maakt, stelt zij de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten tezelfdertijd in kennis.
De Bank stelt de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten ook in kennis van haar besluiten over inbreuken op de bepalingen van Verordening nr. 600/2014, de bepalingen die met het oog op de omzetting van richtlijn 2014/65/EU zijn vastgesteld of de bepalingen die op grond van of in uitvoering van die verordening of van die bepalingen zijn vastgesteld, of over inbreuken op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, wanneer die besluiten niet openbaar worden gemaakt overeenkomstig het eerste lid van deze paragraaf, met inbegrip van elk tegen deze besluiten ingesteld beroep en de afloop daarvan.
§ 8. De Bank stelt de Europese Bankautoriteit onverwijld in kennis van de maatregelen die zij overeenkomstig dit artikel oplegt evenals van de stand van zaken en het resultaat van eventueel ingestelde beroepen.
Art.238. § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° une infraction aux dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou [1 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° , notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à une société de bourse, à une compagnie financière, à une compagnie financière mixte, à une compagnie holding d'investissement, à une compagnie mixte, de droit belge ou de droit étranger à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités, des personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui sont responsables du manquement constaté.
§ 2. Le montant de l'amende administrative infligée à la société de bourse ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de maximum de 10 % du chiffre d'affaires annuel net de la société au cours de l'exercice précédent.
Le montant de l'amende administrative infligée à une personne physique, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de maximum 5 000 000 euros.
Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque la société de bourse ou la compagnie visée à l'alinéa 1er du présent paragraphe est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.
§ 3. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à la société de bourse ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ;
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entité au cours de l'exercice précédent.
Sans préjudice des points a) et b) de l'alinéa 1er, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.
§ 4. En cas d'infraction [1 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 2, alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5 000 000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.
Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
§ 5. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service public fédéral Finances.
§ 6. Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction :
a) de la gravité et de la durée des manquements ;
b) du degré de responsabilité de la personne en cause ;
c) de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause, ou des revenus annuels de la personne physique en cause ;
d) des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements ;
e) d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé ;
f) du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause ;
g) des manquements antérieurs commis par la personne en cause ;
h) de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier.
§ 7. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au présent article, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers.
La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers de ses décisions concernant un manquement aux dispositions du Règlement n° 600/2014, aux dispositions prises en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE ou aux dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement ou de ces dispositions, ou concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, lorsque ces décisions ne sont pas publiées conformément à l'alinéa 1er du présent paragraphe, y compris de tout recours contre ces décisions et du résultat de celui-ci.
§ 8. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne sans délai des mesures qu'elle impose conformément à cet article ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° une infraction aux dispositions du Règlement 2019/2033, du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 [1 , du titre II du règlement n° 648/2012 ou du règlement 2022/2554]1 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou [1 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° , notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à une société de bourse, à une compagnie financière, à une compagnie financière mixte, à une compagnie holding d'investissement, à une compagnie mixte, de droit belge ou de droit étranger à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités, des personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui sont responsables du manquement constaté.
§ 2. Le montant de l'amende administrative infligée à la société de bourse ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de maximum de 10 % du chiffre d'affaires annuel net de la société au cours de l'exercice précédent.
Le montant de l'amende administrative infligée à une personne physique, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, est de maximum 5 000 000 euros.
Sans préjudice des alinéas 1er et 2 du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
Lorsque la société de bourse ou la compagnie visée à l'alinéa 1er du présent paragraphe est une entreprise mère ou une filiale d'une entreprise mère qui est tenue d'établir des comptes consolidés, le chiffre d'affaires total annuel net à prendre en considération est celui qui ressort des derniers comptes consolidés disponibles établis par l'organe légal d'administration de l'entreprise mère ultime.
§ 3. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à la société de bourse ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ;
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entité au cours de l'exercice précédent.
Sans préjudice des points a) et b) de l'alinéa 1er, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, ce maximum peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.
§ 4. En cas d'infraction [1 aux articles 5 à 9 et 18 à 27 du règlement 2017/2402]1, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 2, alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5 000 000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.
Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2 et de l'alinéa 1er du présent paragraphe, lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le montant maximum de l'amende administrative peut être porté au double du montant de ce profit ou de cette perte.
§ 5. Les amendes imposées par la Banque en application du paragraphe 1er sont recouvrées au profit du Trésor par l'Administration générale de la Perception et du Recouvrement au sein du Service public fédéral Finances.
§ 6. Le montant de l'amende est notamment fixé en fonction :
a) de la gravité et de la durée des manquements ;
b) du degré de responsabilité de la personne en cause ;
c) de l'assise financière de la personne en cause, telle qu'elle ressort notamment du chiffre d'affaires total de la personne morale en cause, ou des revenus annuels de la personne physique en cause ;
d) des avantages ou profits éventuellement tirés de ces manquements ;
e) d'un préjudice subi par des tiers du fait des manquements, dans la mesure où il peut être déterminé ;
f) du degré de coopération avec les autorités compétentes dont a fait preuve la personne physique ou morale en cause ;
g) des manquements antérieurs commis par la personne en cause ;
h) de l'impact négatif potentiel des manquements sur la stabilité du système financier.
§ 7. Lorsque la Banque rend publiques des mesures imposées conformément au présent article, elle informe en même temps l'Autorité européenne des marchés financiers.
La Banque informe également l'Autorité européenne des marchés financiers de ses décisions concernant un manquement aux dispositions du Règlement n° 600/2014, aux dispositions prises en vue de la transposition de la directive 2014/65/UE ou aux dispositions prises sur la base ou en exécution de ce règlement ou de ces dispositions, ou concernant un manquement aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, lorsque ces décisions ne sont pas publiées conformément à l'alinéa 1er du présent paragraphe, y compris de tout recours contre ces décisions et du résultat de celui-ci.
§ 8. La Banque informe l'Autorité bancaire européenne sans délai des mesures qu'elle impose conformément à cet article ainsi que de l'état d'avancement et du résultat des recours éventuels.
TITEL II. - Strafrechtelijke sancties
TITRE II. - Des sanctions pénales
Art.239. § 1. Met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of met één van die straffen alleen wordt gestraft:
1° wie het bedrijf uitoefent van een beursvennootschap als bedoeld in artikel 4 of Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is ingetrokken of herroepen;
2° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 45 en 49 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 47, tweede lid of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 54, eerste lid, 1° ;
3° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 63 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;
4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding die de artikelen 83, 95, 2° tot en met 4°, 183, 184, artikel 54 van Verordening 2019/2033 of artikel 99 van Verordening nr. 575/2013 overtreden;
5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een beursvennootschap die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 98 of 103 of die zich niet conformeren aan artikel 102;
6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een beursvennootschap die de in de artikelen 109, 173, § 1 of 211 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een beursvennootschap die zich niet conformeren aan artikel 109, § 2, eerste lid, eerste en derde zin en tweede en derde lid;
8° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 204, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 204, § 1, 4° of zich niet conformeren aan het verbod van artikel 222, § 1, tweede lid of § 3 of aan de bewarende maatregelen als bedoeld in artikel 222, § 6 of aan het in artikel 223 bedoelde bevel;
9° wie als commissaris, erkend revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, Verordening 2019/2033 of Verordening nr. 575/2013 en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
10° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
11° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 194, eerste en tweede lid en 204, § 1, eerste lid;
12° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van een beursvennootschap die zich niet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5° van de wet van 25 april 2014, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken;
13° wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 17, § 2.
§ 2. Inbreuken op het verbod van artikel 16 worden bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
§ 3. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of slechts met één van deze straffen alleen wordt elke bestuurder, zaakvoerder of directeur gestraft die zich niet conformeert aan artikel 108, voor zover dit de artikelen 95, 98 en 99 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de grote beursvennootschappen, en aan de met toepassing van artikel 98 van de wet van 25 april 2014 getroffen reglementen.
§ 4. De financiële tussenpersonen bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van 2 augustus 2002 of diegenen die optreden in naam van een dergelijke tussenpersoon, die financiële instrumenten van een cliënt zonder de krachtens artikel 69, § 2 vereiste toestemming op om het even welke wijze gebruiken in hun eigen voordeel of in het voordeel van derden, worden beschouwd als schuldig aan misbruik van vertrouwen en gestraft met de in artikel 491 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
1° wie het bedrijf uitoefent van een beursvennootschap als bedoeld in artikel 4 of Boek III, Titel II zonder een vergunning te bezitten of wanneer de vergunning is ingetrokken of herroepen;
2° wie met opzet de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 45 en 49 niet verricht, wie het verzet negeert als bedoeld in artikel 47, tweede lid of wie de schorsing negeert als bedoeld in artikel 54, eerste lid, 1° ;
3° de leden van het wettelijk bestuursorgaan en de andere in artikel 63 bedoelde personen die de bepalingen van dit artikel overtreden;
4° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding die de artikelen 83, 95, 2° tot en met 4°, 183, 184, artikel 54 van Verordening 2019/2033 of artikel 99 van Verordening nr. 575/2013 overtreden;
5° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een beursvennootschap die in het buitenland een bijkantoor openen of diensten verstrekken, zonder de kennisgevingen te hebben verricht als bepaald in de artikelen 98 of 103 of die zich niet conformeren aan artikel 102;
6° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van een beursvennootschap die de in de artikelen 109, 173, § 1 of 211 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;
7° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een beursvennootschap die zich niet conformeren aan artikel 109, § 2, eerste lid, eerste en derde zin en tweede en derde lid;
8° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert zonder daartoe de toestemming te hebben verkregen van de speciaal commissaris als bedoeld in artikel 204, § 1, 1° of die indruisen tegen een schorsingsbeslissing overeenkomstig artikel 204, § 1, 4° of zich niet conformeren aan het verbod van artikel 222, § 1, tweede lid of § 3 of aan de bewarende maatregelen als bedoeld in artikel 222, § 6 of aan het in artikel 223 bedoelde bevel;
9° wie als commissaris, erkend revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen dan wel periodieke staten of inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen, Verordening 2019/2033 of Verordening nr. 575/2013 en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;
10° wie de onderzoeken en controles verhindert waartoe hij verplicht is in het land of in het buitenland dan wel weigert de gegevens te verstrekken waartoe hij verplicht is op grond van deze wet of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;
11° elke bestuurder en zaakvoerder die zich niet houdt aan de voorschriften van de artikelen 194, eerste en tweede lid en 204, § 1, eerste lid;
12° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van een beursvennootschap die zich niet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5° van de wet van 25 april 2014, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken;
13° wie met opzet een bijzonder mechanisme instelt in de zin van artikel 17, § 2.
§ 2. Inbreuken op het verbod van artikel 16 worden bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met een geldboete van 1 000 euro tot 10 000 euro.
§ 3. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 euro tot 10 000 euro of slechts met één van deze straffen alleen wordt elke bestuurder, zaakvoerder of directeur gestraft die zich niet conformeert aan artikel 108, voor zover dit de artikelen 95, 98 en 99 van de wet van 25 april 2014 van toepassing verklaart op de grote beursvennootschappen, en aan de met toepassing van artikel 98 van de wet van 25 april 2014 getroffen reglementen.
§ 4. De financiële tussenpersonen bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van 2 augustus 2002 of diegenen die optreden in naam van een dergelijke tussenpersoon, die financiële instrumenten van een cliënt zonder de krachtens artikel 69, § 2 vereiste toestemming op om het even welke wijze gebruiken in hun eigen voordeel of in het voordeel van derden, worden beschouwd als schuldig aan misbruik van vertrouwen en gestraft met de in artikel 491 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
Art.239. § 1er. Sont punis d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° ceux qui exercent l'activité d'une société de bourse visée à l'article 4 ou au Livre III, Titre II sans que cette société soit agréée ou alors que l'agrément a été radié ou révoqué ;
2° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 45 et 49, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 47, alinéa 2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 54, alinéa 1er, 1° ;
3° les membres de l'organe légal d'administration et les autres personnes visées à l'article 63 qui contreviennent aux dispositions de cet article ;
4° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective qui contreviennent aux articles 83, 95, 2° à 4°, 183, 184, à l'article 54 du Règlement 2019/2033 ou à l'article 99 du Règlement n° 575/2013 ;
5° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective d'une société de bourse qui, à l'étranger, ouvrent une succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 98 ou 103 ou qui ne se conforment pas à l'article 102 ;
6° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective d'une société de bourse qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 109, 173, § 1er ou 211 ;
7° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes chargées de la direction effective d'une société de bourse qui ne se conforment pas à l'article 109, § 2, alinéa 1er, première et troisième phrases et alinéas 2 et 3 ;
8° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l'autorisation du commissaire spécial prévue à l'article 204, § 1er, 1° ou à l'encontre d'une décision de suspension prise conformément à l'article 204, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à l'interdiction prévue à l'article 222, § 1er, alinéa 2 ou § 3 ou aux mesures conservatoires prévues à l'article 222, § 6, ou à l'ordre prévu à l'article 223 ;
9° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes consolidés d'entreprises ou des états périodiques ou des renseignements lorsque les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, du Règlement 2019/2033 ou du Règlement n° 575/2013 n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées ;
10° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets ;
11° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions des articles 194, alinéas 1er et 2 et 204, § 1er, alinéa 1er ;
12° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, d'une société de bourse qui ne se conforment pas aux injonctions données par l'autorité de résolution conformément aux articles 226, § 2, 232, alinéa 2, 3°, 276, § 1er, et 277, 5° de la loi du 25 avril 2014, ou communiquent sciemment à celle-ci des informations inexactes ou incomplètes ;
13° ceux qui, sciemment, mettent en place un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2.
§ 2. Toute infraction à l'interdiction édictée par l'article 16 est punie d'un emprisonnement de trois mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
§ 3. Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou de l'une de ces peines seulement, les administrateurs, gérants ou directeurs qui ne se conforment pas à l'article 108 dans la mesure où il rend les articles 95, 98 et 99 de la loi du 25 avril 2014 applicables aux sociétés de bourse de taille importante et aux règlements pris en exécution de l'article 98 de la loi du 25 avril 2014.
§ 4. Sont considérés comme coupables d'abus de confiance et punis des peines prévues par l'article 491 du Code pénal, les intermédiaires financiers visés à l'article 2, 9° de la loi du 2 août 2002 ou ceux agissant au nom d'un tel intermédiaire, qui utilisent, d'une manière quelconque à leur profit personnel ou au profit de tiers, des instruments financiers appartenant à un client sans l'autorisation requise en vertu de l'article 69, § 2.
1° ceux qui exercent l'activité d'une société de bourse visée à l'article 4 ou au Livre III, Titre II sans que cette société soit agréée ou alors que l'agrément a été radié ou révoqué ;
2° ceux qui, sciemment, s'abstiennent de faire les notifications prévues aux articles 45 et 49, ceux qui passent outre à l'opposition visée à l'article 47, alinéa 2 ou ceux qui passent outre à la suspension visée à l'article 54, alinéa 1er, 1° ;
3° les membres de l'organe légal d'administration et les autres personnes visées à l'article 63 qui contreviennent aux dispositions de cet article ;
4° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective qui contreviennent aux articles 83, 95, 2° à 4°, 183, 184, à l'article 54 du Règlement 2019/2033 ou à l'article 99 du Règlement n° 575/2013 ;
5° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective d'une société de bourse qui, à l'étranger, ouvrent une succursale ou y prestent des services sans avoir procédé aux notifications prévues par les articles 98 ou 103 ou qui ne se conforment pas à l'article 102 ;
6° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective d'une société de bourse qui contreviennent aux arrêtés ou aux règlements visés aux articles 109, 173, § 1er ou 211 ;
7° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes chargées de la direction effective d'une société de bourse qui ne se conforment pas à l'article 109, § 2, alinéa 1er, première et troisième phrases et alinéas 2 et 3 ;
8° ceux qui accomplissent des actes ou opérations sans avoir obtenu l'autorisation du commissaire spécial prévue à l'article 204, § 1er, 1° ou à l'encontre d'une décision de suspension prise conformément à l'article 204, § 1er, 4°, qui ne se conforment pas à l'interdiction prévue à l'article 222, § 1er, alinéa 2 ou § 3 ou aux mesures conservatoires prévues à l'article 222, § 6, ou à l'ordre prévu à l'article 223 ;
9° ceux qui, en qualité de commissaire, de reviseur agréé ou d'expert indépendant, ont attesté, approuvé ou confirmé des comptes, des comptes annuels, des bilans et comptes de résultats ou des comptes consolidés d'entreprises ou des états périodiques ou des renseignements lorsque les dispositions de la présente loi, des arrêtés et règlements pris pour son exécution, du Règlement 2019/2033 ou du Règlement n° 575/2013 n'ont pas été respectées, soit en sachant qu'elles ne l'avaient pas été, soit en n'ayant pas accompli les diligences normales pour s'assurer qu'elles avaient été respectées ;
10° ceux qui font obstacle aux inspections et vérifications auxquelles ils sont tenus dans le pays ou à l'étranger ou refusent de donner des renseignements qu'ils sont tenus de fournir en vertu de la présente loi ou qui donnent sciemment des renseignements inexacts ou incomplets ;
11° les administrateurs et gérants qui ne respectent pas les dispositions des articles 194, alinéas 1er et 2 et 204, § 1er, alinéa 1er ;
12° les membres de l'organe légal d'administration ou les personnes participant à la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, d'une société de bourse qui ne se conforment pas aux injonctions données par l'autorité de résolution conformément aux articles 226, § 2, 232, alinéa 2, 3°, 276, § 1er, et 277, 5° de la loi du 25 avril 2014, ou communiquent sciemment à celle-ci des informations inexactes ou incomplètes ;
13° ceux qui, sciemment, mettent en place un mécanisme particulier au sens de l'article 17, § 2.
§ 2. Toute infraction à l'interdiction édictée par l'article 16 est punie d'un emprisonnement de trois mois à deux ans et d'une amende de 1 000 euros à 10 000 euros.
§ 3. Sont punis d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 50 euros à 10 000 euros ou de l'une de ces peines seulement, les administrateurs, gérants ou directeurs qui ne se conforment pas à l'article 108 dans la mesure où il rend les articles 95, 98 et 99 de la loi du 25 avril 2014 applicables aux sociétés de bourse de taille importante et aux règlements pris en exécution de l'article 98 de la loi du 25 avril 2014.
§ 4. Sont considérés comme coupables d'abus de confiance et punis des peines prévues par l'article 491 du Code pénal, les intermédiaires financiers visés à l'article 2, 9° de la loi du 2 août 2002 ou ceux agissant au nom d'un tel intermédiaire, qui utilisent, d'une manière quelconque à leur profit personnel ou au profit de tiers, des instruments financiers appartenant à un client sans l'autorisation requise en vertu de l'article 69, § 2.
Art.240. De voorschriften van Boek I van het Strafwetboek, Hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op de inbreuken die door deze Titel worden bestraft.
Art.240. Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions punies par le présent Titre.
Art.241. De beursvennootschappen, de financiële instellingen en de ondernemingen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboetes waartoe de leden van hun wettelijk bestuursorgaan, de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding of lasthebbers met toepassing van de voorschriften van deze Titel worden veroordeeld.
Art.241. Les sociétés de bourse les établissements financiers et les entreprises sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs membres de l'organe légal d'administration, personnes participant à la direction effective ou mandataires en application des dispositions du présent Titre.
Art.242. Ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van de inbreuk op deze wet of één van de in artikel 16 bedoelde wetteksten, tegen leden van het wettelijk bestuursorgaan, personen die deelnemen aan de effectieve leiding, lasthebbers of commissarissen van beursvennootschappen of financiële instellingen en ieder opsporingsonderzoek ten gevolge van een inbreuk op deze wet tegen iedere andere natuurlijke of rechtspersoon, moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat haar bevoegdheden betreft, door de gerechtelijke of bestuursrechtelijke autoriteit waar dit aanhangig is gemaakt.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde inbreuken moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat haar bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Iedere strafrechtelijke vordering op grond van in het eerste lid bedoelde inbreuken moet ter kennis worden gebracht van de Bank en van de FSMA, ieder voor wat haar bevoegdheden betreft, door het openbaar ministerie.
Art.242. Toute information du chef d'infraction à la présente loi ou à l'une des législations visées à l'article 16 à l'encontre de membres de l'organe légal d'administration, de personnes participant à la direction effective, de mandataires ou de commissaires de sociétés de bourse ou d'établissements financiers et toute information du chef d'infraction à la présente loi à l'encontre de toute autre personne physique ou morale doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, par l'autorité judiciaire ou administrative qui en est saisie.
Toute action pénale du chef des infractions visées au premier alinéa doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public.
Toute action pénale du chef des infractions visées au premier alinéa doit être portée à la connaissance de la Banque et de la FSMA, chacune dans son domaine de compétence, à la diligence du ministère public.
Art.243. De Bank en de FSMA zijn gerechtigd in elke stand van het geding tussen te komen voor de strafrechter bij wie een door deze wet bestrafte inbreuk aanhangig is, zonder dat zij daarom het bestaan van enig nadeel hoeven aan te tonen.
De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid.
De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij.
Hetzelfde geldt voor inbreuken als bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, die bij een strafrechter aanhangig zijn gemaakt tegen een persoon als bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid.
Art.243. La Banque et la FSMA sont habilitées à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi, sans qu'elles aient à justifier d'un dommage.
L'intervention suit les règles applicables à la partie civile.
Il en est de même en ce qui concerne les infractions visées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités dont est saisie une juridiction répressive à l'encontre d'une personne visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er.
L'intervention suit les règles applicables à la partie civile.
Il en est de même en ce qui concerne les infractions visées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et aux faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités dont est saisie une juridiction répressive à l'encontre d'une personne visée à l'article 15, § 1er, alinéa 1er.
BOEK VI. - REGELS VAN HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT INZAKE SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES
LIVRE VI. - REGLES DE DROIT INTERNATIONAL PRIVE EN MATIERE DE MESURES D'ASSAINISSEMENT ET DE PROCEDURES DE LIQUIDATION
TITEL I. - Saneringsmaatregelen
TITRE Ier. - Des mesures d'assainissement
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réception des mesures étrangères
Art.244. Onder voorbehoud van de artikelen 234 en 250 zijn de Belgische saneringsautoriteiten uitsluitend bevoegd om saneringsmaatregelen te treffen ten aanzien van de in Boek II bedoelde beursvennootschappen. Deze saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd en hebben rechtswerking conform de Belgische wetgeving, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen die in deze wet zijn vastgesteld. De Belgische saneringsautoriteiten kunnen inzonderheid geen saneringsmaatregelen treffen ten aanzien van een beursvennootschap die onder het recht van een andere staat ressorteert, en evenmin ten aanzien van een in België gevestigd bijkantoor van een dergelijke beursvennootschap.
Art.244. Sous réserve des articles 234 et 250, les autorités d'assainissement belges ne sont compétentes pour adopter des mesures d'assainissement qu'à l'égard des sociétés de bourse visées au Livre II. Ces mesures sont appliquées et produisent leurs effets conformément à la législation belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi. En particulier, les autorités d'assainissement belges ne peuvent adopter une mesure d'assainissement concernant une société de bourse relevant du droit d'un autre Etat et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d'une telle société établie en Belgique.
Art.245. De saneringsmaatregelen die door de saneringsautoriteiten van een andere lidstaat zijn getroffen ten aanzien van een beursvennootschap die onder het recht van die lidstaat ressorteert, hebben rechtswerking in België conform de wetgeving van die lidstaat, zodra zij aldaar rechtswerking hebben, en dit onverminderd hun eventuele bekendmaking in België. Deze saneringsmaatregelen zijn zonder verdere formaliteiten van toepassing in België.
Art.245. Nonobstant la publicité dont elles peuvent faire l'objet en Belgique, les mesures d'assainissement décidées par les autorités d'assainissement d'un autre Etat membre concernant une société de bourse relevant du droit de cet Etat produisent leurs effets en Belgique selon la législation de cet Etat dès qu'elles produisent leurs effets dans l'Etat membre où elles ont été adoptées. Ces mesures ne nécessitent aucune formalité en Belgique.
Art.246. De afschrijving of omzetting van schulden van een vennootschap of een entiteit die onder het recht van een andere staat ressorteert, die verricht wordt met toepassing van een instrument van interne versterking, komt de medeschuldenaars en de derden die een door het Belgisch recht beheerste persoonlijke of zakelijke zekerheid hebben gesteld, niet ten goede.
Art.246. La dépréciation ou la conversion de dettes d'une société ou d'une entité relevant du droit d'un autre Etat effectuée en application d'un instrument de renflouement interne ne profite pas aux codébiteurs ni aux tiers qui ont constitué des sûretés personnelles ou réelles régies par le droit belge.
HOOFDSTUK II. - Overleg en informatie
CHAPITRE II. - Concertation et information
Art.247. De Belgische saneringsautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de beursvennootschap een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 103, onverwijld in kennis te stellen van hun beslissing om een saneringsmaatregel te treffen; zij doen dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. Deze kennisgeving waarbij tevens de concrete gevolgen van de saneringsmaatregel worden vermeld, wordt met alle dienstige middelen verricht door de Bank.
Daartoe houdt de afwikkelingsautoriteit de Bank op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen die onder haar bevoegdheid vallen.
Daartoe houdt de afwikkelingsautoriteit de Bank op de hoogte van het verloop van de tenuitvoerlegging van saneringsmaatregelen die onder haar bevoegdheid vallen.
Art.247. Les autorités d'assainissement belges prennent les mesures aux fins d'informer sans délai les autorités compétentes des autres Etats membres où la société de bourse a une succursale ou, en application de l'article 103, fournit des services, de leur décision d'adopter une mesure d'assainissement, dans la mesure du possible avant l'adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La communication de cette information, qui porte également sur les effets concrets de la mesure d'assainissement, est effectuée, par tous moyens utiles, par la Banque.
A cette fin, l'autorité de résolution tient la Banque informée de l'évolution relative à la mise en application de mesures d'assainissement relevant de sa compétence.
A cette fin, l'autorité de résolution tient la Banque informée de l'évolution relative à la mise en application de mesures d'assainissement relevant de sa compétence.
Art.248. Wanneer de Belgische saneringsautoriteiten het noodzakelijk achten dat in België een saneringsmaatregel wordt getroffen jegens een beursvennootschap die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, zien zij erop toe dat dit onverwijld wordt meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Deze mededeling wordt gedaan door de Bank.
Art.248. Lorsque les autorités d'assainissement belges estiment nécessaire de voir mettre en oeuvre en Belgique une mesure d'assainissement en ce qui concerne une société de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre, elles veillent à en informer l'autorité compétente de l'Etat membre concerné. Cette information est effectuée par la Banque.
Art.249. Indien de rechten van derden in een lidstaat waar de betrokken beursvennootschap een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 103, kunnen worden aangetast door de tenuitvoerlegging van een saneringsmaatregel waartoe overeenkomstig artikel 244 is besloten, ziet de Bank of, met betrekking tot de saneringsmaatregelen bedoeld in Boek II, Titel VIII van de wet van 25 april 2014, de afwikkelingsautoriteit, erop toe dat een uittreksel uit deze beslissing wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie alsook in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar aan de rechten van derden kan worden geraakt door de tenuitvoerlegging van deze saneringsmaatregel. Deze bekendmaking beïnvloedt op geen enkele wijze de gevolgen van de saneringsmaatregel, inzonderheid voor de schuldeisers van de betrokken beursvennootschap.
In het in het eerste lid bedoelde uittreksel worden, ten minste in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaten, de volgende gegevens vermeld:
1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing;
2° de termijnen om beroep in te stellen, met vermelding van de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld alsook van de personalia van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan zodra de eerste van de in het eerste lid voorgeschreven bekendmakingen in die lidstaat is verricht.
In het in het eerste lid bedoelde uittreksel worden, ten minste in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaten, de volgende gegevens vermeld:
1° het onderwerp en de juridische grondslag van de genomen beslissing;
2° de termijnen om beroep in te stellen, met vermelding van de uiterste datum waarop beroep kan worden ingesteld alsook van de personalia van de autoriteit die bevoegd is voor het beroep.
Voor derden met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vangt de termijn om beroep in te stellen tegen de vaststelling van een saneringsmaatregel aan zodra de eerste van de in het eerste lid voorgeschreven bekendmakingen in die lidstaat is verricht.
Art.249. Lorsque la mise en oeuvre d'une mesure d'assainissement prise conformément à l'article 244 est susceptible d'affecter les droits des tiers dans un Etat membre où la société de bourse a une succursale ou, en application de l'article 103, fournit des services, la Banque ou, lorsqu'il s'agit de mesures d'assainissement visées au Livre II, Titre VIII de la loi du 25 avril 2014, l'autorité de résolution, veille à faire publier un extrait de cette décision au Journal officiel de l'Union européenne ainsi que dans deux journaux à diffusion nationale des Etats membres où la mise en oeuvre de cette mesure est susceptible d'affecter les droits des tiers. Cette publicité est sans impact sur les effets de la mesure d'assainissement, notamment à l'égard des créanciers de la société de bourse.
L'extrait visé à l'alinéa 1er mentionne, au moins dans la ou les langues officielles des Etats membres concernés, les éléments suivants :
1° l'objet et la base juridique de la décision prise ;
2° les délais de recours, avec indication de la date d'expiration de ces délais ainsi que les coordonnées de l'autorité qui connaît du recours.
Le délai de recours concernant l'adoption d'une mesure d'assainissement prend cours, à l'égard des tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre, dès que la première des publications y est intervenue conformément à l'alinéa 1er.
L'extrait visé à l'alinéa 1er mentionne, au moins dans la ou les langues officielles des Etats membres concernés, les éléments suivants :
1° l'objet et la base juridique de la décision prise ;
2° les délais de recours, avec indication de la date d'expiration de ces délais ainsi que les coordonnées de l'autorité qui connaît du recours.
Le délai de recours concernant l'adoption d'une mesure d'assainissement prend cours, à l'égard des tiers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre, dès que la première des publications y est intervenue conformément à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK III. - Bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren
CHAPITRE III. - Des succursales de sociétés de bourse relevant du droit de pays tiers
Art.250. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de beursvennootschap die onder het recht van een derde land ressorteert eveneens een bijkantoor heeft, onverwijld en met alle dienstige middelen in kennis van haar beslissing om krachtens artikel 234 een saneringsmaatregel te treffen alsmede van de concrete gevolgen van deze maatregel; zij doet dit zo mogelijk vóór de vaststelling van deze maatregel of anders onmiddellijk daarna. De Bank beijvert zich om haar optreden te coördineren met dat van de saneringsautoriteiten van de beursvennootschappen van de andere lidstaten.
Art.250. La Banque informe, sans délai et par tous moyens utiles, les autorités compétentes des autres Etats membres où la société de bourse relevant du droit d'un pays tiers a également une succursale, de sa décision d'adopter une mesure d'assainissement en vertu de l'article 234 et des effets concrets de cette mesure, si possible avant l'adoption de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque s'efforce de coordonner son action avec celle des autorités d'assainissement des sociétés de bourse des autres Etats membres.
TITEL II. - Liquidatieprocedures
TITRE II. - Des procédures de liquidation
HOOFDSTUK I. - Bevoegdheidsregeling en erkenning van buitenlandse maatregelen
CHAPITRE Ier. - Règle de compétence et réception des procédures étrangères
Art.251. De insolventierechtbank is uitsluitend bevoegd om een in Boek II bedoelde beursvennootschap failliet te verklaren. Dit impliceert dat zij een beursvennootschap die onder een buitenlands recht ressorteert, alsook haar in België gevestigde bijkantoren, niet failliet kan verklaren.
Art.251. Le tribunal de l'insolvabilité n'est compétent pour décider de l'ouverture d'une faillite qu'à l'égard des sociétés de bourse visées au Livre II. En particulier, le tribunal de l'insolvabilité ne peut pas prononcer une faillite concernant une société de bourse relevant d'un droit étranger et ce, y compris en ce qui concerne la succursale d'une telle société établie en Belgique.
Art.252. Een liquidatieprocedure die is geopend door de liquidatieautoriteiten van een andere lidstaat ten aanzien van een beursvennootschap die onder het recht van die lidstaat ressorteert, wordt zonder enige formaliteit erkend in België en heeft rechtswerking in België zodra ze rechtswerking heeft in de lidstaat waar ze is geopend.
Art.252. Les procédures de liquidation dont l'ouverture est décidée par les autorités de liquidation d'un autre Etat membre concernant une société de bourse relevant du droit de cet Etat sont reconnues en Belgique sans aucune formalité et y produisent leurs effets dès qu'elles produisent leurs effets dans l'Etat membre où elles ont été ouvertes.
HOOFDSTUK II. - Procedures ten aanzien van de beursvennootschappen naar Belgisch recht
CHAPITRE II. - Procédures relatives aux sociétés de bourse de droit belge
Afdeling I. - Overleg en informatie-uitwisseling
Section Ire. - Concertation et information
Art.253. Onverminderd artikel 271 en artikel 273 van de wet van 25 april 2014 stelt de insolventierechtbank de Bank onverwijld in kennis van haar beslissing om een vennootschap failliet te verklaren, alsmede van de concrete gevolgen van het faillissement; zij doet dit zo mogelijk vóór de faillietverklaring of anders onmiddellijk daarna. De Bank deelt deze informatie onverwijld en met alle dienstige middelen mee aan de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten waar de betrokken beursvennootschap een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 103.
Art.253. Sans préjudice de l'article 271 et de l'article 273 de la loi du 25 avril 2014, le tribunal de l'insolvabilité informe sans délai la Banque de sa décision d'ouvrir une procédure de faillite et des effets concrets de la faillite, si possible avant l'ouverture de celle-ci ou, sinon, immédiatement après. La Banque communique sans délai et par tous moyens utiles cette information aux autorités compétentes des autres Etats membres où la société de bourse a une succursale ou, en application de l'article 103, fournit des services.
Art.254. De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht zorgen voor de bekendmaking bedoeld in artikel XX.107 van hetzelfde Wetboek, eveneens via publicatie van het uittreksel in het Publicatieblad van de Europese Unie en in twee nationale dagbladen van de lidstaten waar de beursvennootschap een bijkantoor heeft of diensten verricht met toepassing van artikel 103.
Art.254. Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique assurent la publicité visée à l'article XX.107 dudit Code, y compris la publication de l'extrait au Journal officiel de l'Union européenne ainsi que dans deux journaux à diffusion nationale des Etats membres où la société de bourse a une succursale ou, en application de l'article 103, fournit des services.
Art.255. Indien de schuldeisers aan wie een individuele kennisgeving wordt gericht als bedoeld in artikel XX.155 van het Wetboek van economisch recht, hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, wordt in het rondschrijven, naast de vermelding van de gegevens van het in artikel 254 bedoelde uittreksel, tevens meegedeeld dat de schuldeisers met een voorrecht of een zakelijke zekerheid verplicht zijn aangifte te doen van hun schuldvorderingen en welke de gevolgen zijn van de niet-naleving van de termijnen die zijn vastgelegd in artikel XX.165 van het Wetboek van economisch recht.
Het rondschrijven, dat is opgesteld in de taal van de procedure, draagt het opschrift "Oproep tot indiening van schuldvorderingen - Termijnen" in alle officiële talen van de Europese Economische Ruimte.
Het rondschrijven, dat is opgesteld in de taal van de procedure, draagt het opschrift "Oproep tot indiening van schuldvorderingen - Termijnen" in alle officiële talen van de Europese Economische Ruimte.
Art.255. Lorsque l'avertissement individuel des créanciers visé à l'article XX.155 du Code de droit économique concerne des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre, la circulaire indique également, outre les informations mentionnées dans l'extrait visé à l'article 254, l'obligation pour les créanciers bénéficiant d'un privilège ou d'une sûreté réelle de déclarer leurs créances ainsi que les conséquences liées à l'inobservation des délais prévus par l'article XX.165 du Code de droit économique.
La circulaire, rédigée dans la langue de la procédure, porte le titre "Invitation à produire une créance - Délais à respecter" dans toutes les langues officielles de l'Espace économique européen.
La circulaire, rédigée dans la langue de la procédure, porte le titre "Invitation à produire une créance - Délais à respecter" dans toutes les langues officielles de l'Espace économique européen.
Art.256. De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht houden de schuldeisers geregeld op de hoogte van het verloop van de procedure, op de wijze die zij daartoe het meest geschikt achten.
Art.256. Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique informent régulièrement les créanciers, dans la forme qu'ils jugent la plus appropriée, du déroulement de la procédure.
Afdeling II. - Procedure-elementen - Toepasselijk recht
Section II. - Eléments de procédure - Loi applicable
Art.257. Het faillissement van de beursvennootschappen bedoeld in Boek II wordt beheerst door het Belgische recht, onder voorbehoud van de preciseringen en uitzonderingen in deze wet.
Art.257. La procédure de faillite relative à une société de bourse visée au Livre II est régie par le droit belge, sous réserve des précisions et exceptions prévues par la présente loi.
Art.258. § 1. Schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat kunnen aangifte doen van hun schuldvorderingen of hun opmerkingen indienen in een officiële taal van die lidstaat, met vermelding van het opschrift "Indiening van een schuldvordering" of "Indiening van opmerkingen betreffende een schuldvordering" in de taal van de procedure in België. De curatoren kunnen echter eisen dat deze schuldeisers een vertaling van de aangegeven schuldvorderingen of ingediende opmerkingen overleggen. Artikel XX.156 van het Wetboek van economisch recht is van toepassing.
§ 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van de betrokken beursvennootschap en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
§ 2. De schuldvorderingen van schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat krijgen dezelfde behandeling en in het bijzonder dezelfde rang als soortgelijke schuldvorderingen die de schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in België kunnen aangeven. Daartoe worden de schuldvorderingen van soortgelijke schuldeisers als gelijkwaardig beschouwd.
Het eerste lid geldt ook voor schuldeisers met woonplaats of gewone verblijfplaats in een derde land, voor zover het recht dat in dat land van toepassing is niet in de mogelijkheid voorziet om een insolventieprocedure te openen ten aanzien van de betrokken beursvennootschap en de in België geopende procedure in dat land effect kan sorteren. Als dit niet het geval is, worden die schuldeisers voor de in België geopende procedure gelijkgesteld met chirografaire schuldeisers.
Art.258. § 1er. Les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre peuvent déclarer leurs créances et présenter leurs observations dans une langue officielle de cet Etat, accompagnées de la mention "Production de créances" ou "Présentation des observations relatives aux créances" dans la langue de la procédure en Belgique. Une traduction de la déclaration de créance et des observations fournies peut néanmoins être exigée de ces créanciers par les curateurs. L'article XX.156 du Code de droit économique est d'application.
§ 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre bénéficient du même traitement et, en particulier, du même rang que les créances de nature équivalente susceptibles d'être déclarées par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique. A cette fin, les créances présentées par des créanciers de même nature sont considérées comme des créances équivalentes.
L'alinéa 1er est également applicable en ce qui concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans ce pays ne permette pas l'ouverture d'une procédure d'insolvabilité à l'encontre de la société de bourse concernée et que la procédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets dans cet Etat. Dans la négative, ces créanciers sont assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins de la procédure ouverte en Belgique.
§ 2. Les créances des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un autre Etat membre bénéficient du même traitement et, en particulier, du même rang que les créances de nature équivalente susceptibles d'être déclarées par des créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle en Belgique. A cette fin, les créances présentées par des créanciers de même nature sont considérées comme des créances équivalentes.
L'alinéa 1er est également applicable en ce qui concerne les créanciers ayant leur domicile ou leur résidence habituelle dans un pays tiers, pour autant que le droit applicable dans ce pays ne permette pas l'ouverture d'une procédure d'insolvabilité à l'encontre de la société de bourse concernée et que la procédure ouverte en Belgique puisse produire ses effets dans cet Etat. Dans la négative, ces créanciers sont assimilés à des créanciers chirographaires pour les besoins de la procédure ouverte en Belgique.
Afdeling III. - Intrekking van de vergunning
Section III. - Radiation de l'agrément
Art.259. Ingeval een faillissement wordt uitgesproken ten aanzien van een beursvennootschap, trekt de Bank haar vergunning in. Artikel 206 is van toepassing.
Art.259. En cas d'ouverture d'une faillite à l'encontre d'une société de bourse, la Banque radie l'agrément. L'article 206 est d'application.
TITEL III. - Regels die zowel voor de saneringsmaatregelen als voor de liquidatieprocedures gelden
TITRE III. - Des règles communes aux mesures d'assainissement et aux procédures de liquidation
HOOFDSTUK I. - Vrijwillige vereffening of vereffening ingevolge een gerechtelijke ontbinding
CHAPITRE Ier. - De la liquidation volontaire ou faisant suite à une dissolution judiciaire
Art.260. Alvorens een voorstel tot ontbinding in de zin van artikel 2:71 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen te formuleren voor een in Boek II bedoelde beursvennootschap, raadpleegt het wettelijk bestuursorgaan van de betrokken beursvennootschap de Bank.
Over een in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een beursvennootschap kan maar een uitspraak worden gedaan na eensluidend advies van de Bank. Om dit advies wordt verzocht volgens de in artikel 271 voorgeschreven procedure.
De ontbinding van een beursvennootschap en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om een van de in de artikelen 202, § 2 en 204, § 1 bedoelde maatregelen te treffen zonder voorafgaandelijk een termijn vast te stellen.
Over een in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een beursvennootschap kan maar een uitspraak worden gedaan na eensluidend advies van de Bank. Om dit advies wordt verzocht volgens de in artikel 271 voorgeschreven procedure.
De ontbinding van een beursvennootschap en de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om een van de in de artikelen 202, § 2 en 204, § 1 bedoelde maatregelen te treffen zonder voorafgaandelijk een termijn vast te stellen.
Art.260. Avant de faire une proposition de dissolution au sens de l'article 2 :71 du Code des sociétés et des associations en ce qui concerne une société de bourse visée au Livre II, l'organe légal d'administration de la société de bourse consulte la Banque.
Il ne peut être statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'une société de bourse que sur avis conforme de la Banque. La demande d'avis suit la procédure prévue à l'article 271.
La dissolution d'une société de bourse et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit ne font pas obstacle à la possibilité de prendre une des mesures prévues aux articles 202, § 2 et 204, § 1er sans que la fixation préalable d'un délai ne soit nécessaire.
Il ne peut être statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'une société de bourse que sur avis conforme de la Banque. La demande d'avis suit la procédure prévue à l'article 271.
La dissolution d'une société de bourse et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit ne font pas obstacle à la possibilité de prendre une des mesures prévues aux articles 202, § 2 et 204, § 1er sans que la fixation préalable d'un délai ne soit nécessaire.
HOOFDSTUK II. - Uitzonderingen op of nuanceringen van de toepassing van het Belgische recht als procedurerecht
CHAPITRE II. - Des exceptions ou tempéraments à l'application de la loi belge comme loi de la procédure
Art.261. In afwijking van de artikelen 244 en 257 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure voor:
1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Die wetgeving bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
3° de rechten op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden;
4° het uitoefenen van eigendomsrechten op financiële instrumenten of van andere rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht de inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd;
5° de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking alsook voor de uitdrukkelijke ontbindende bedingen die hierin zijn opgenomen om de schuldvergelijking mogelijk te maken, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten;
6° de cessie-retrocessieovereenkomsten ("repurchase agreements" of "repo's"), uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel;
7° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die transacties, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel.
1° arbeidsovereenkomsten en arbeidsbetrekkingen, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
2° overeenkomsten die recht geven op het genot of de verkrijging van een onroerend goed, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Die wetgeving bepaalt of het goed roerend of onroerend is;
3° de rechten op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig die onderworpen zijn aan inschrijving in een openbaar register, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden;
4° het uitoefenen van eigendomsrechten op financiële instrumenten of van andere rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht de inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd;
5° de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking alsook voor de uitdrukkelijke ontbindende bedingen die hierin zijn opgenomen om de schuldvergelijking mogelijk te maken, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten;
6° de cessie-retrocessieovereenkomsten ("repurchase agreements" of "repo's"), uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomsten, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel;
7° transacties op een buitenlandse gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 6° van de wet van 2 augustus 2002, uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die transacties, onverminderd de bepaling onder 4° van dit artikel.
Art.261. Par dérogation aux articles 244 et 257, les effets d'une mesure d'assainissement ou d'une procédure de liquidation sur :
1° les contrats de travail et les relations de travail sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre applicable au contrat de travail ;
2° un contrat donnant le droit de jouir d'un bien immobilier ou de l'acquérir sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou immeuble ;
3° les droits sur un bien immobilier, un navire ou un aéronef qui sont soumis à inscription dans un registre public sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre sous l'autorité duquel le registre est tenu ;
4° l'exercice des droits de propriété sur des instruments financiers ou d'autres droits sur de tels instruments dont l'existence ou le transfert suppose l'inscription dans un registre, un compte ou auprès d'un système de dépôt centralisé détenus ou situés dans un Etat membre, sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre dans lequel est détenu ou situé le registre, le compte ou le système de dépôt centralisé dans lequel ces droits sont inscrits ;
5° les conventions de novation ou de compensation bilatérale ou multilatérale ainsi que les conditions résolutoires expresses qu'elles contiennent pour permettre la compensation sont exclusivement régis par la loi applicable à ces conventions ;
6° les conventions de cession-rétrocession ("repurchase agreements" - "repos") sont régis exclusivement par la loi applicable à ces conventions, sans préjudice du 4° du présent article ;
7° les transactions effectuées dans le cadre d'un marché réglementé étranger au sens de l'article 2, 6°, de la loi du 2 août 2002 sont régis exclusivement par la loi applicable à ces transactions, sans préjudice du 4° du présent article.
1° les contrats de travail et les relations de travail sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre applicable au contrat de travail ;
2° un contrat donnant le droit de jouir d'un bien immobilier ou de l'acquérir sont exclusivement régis par la loi de l'Etat membre sur le territoire duquel cet immeuble est situé. Cette loi détermine si le bien est meuble ou immeuble ;
3° les droits sur un bien immobilier, un navire ou un aéronef qui sont soumis à inscription dans un registre public sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre sous l'autorité duquel le registre est tenu ;
4° l'exercice des droits de propriété sur des instruments financiers ou d'autres droits sur de tels instruments dont l'existence ou le transfert suppose l'inscription dans un registre, un compte ou auprès d'un système de dépôt centralisé détenus ou situés dans un Etat membre, sont régis exclusivement par la loi de l'Etat membre dans lequel est détenu ou situé le registre, le compte ou le système de dépôt centralisé dans lequel ces droits sont inscrits ;
5° les conventions de novation ou de compensation bilatérale ou multilatérale ainsi que les conditions résolutoires expresses qu'elles contiennent pour permettre la compensation sont exclusivement régis par la loi applicable à ces conventions ;
6° les conventions de cession-rétrocession ("repurchase agreements" - "repos") sont régis exclusivement par la loi applicable à ces conventions, sans préjudice du 4° du présent article ;
7° les transactions effectuées dans le cadre d'un marché réglementé étranger au sens de l'article 2, 6°, de la loi du 2 août 2002 sont régis exclusivement par la loi applicable à ces transactions, sans préjudice du 4° du présent article.
Art.262. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure raakt niet aan het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op lichamelijke of onlichamelijke roerende of onroerende goederen - zowel bepaalde goederen als gehelen van onbepaalde goederen met wisselende samenstelling - die toebehoren aan de beursvennootschap en die zich op het tijdstip waarop deze maatregelen worden getroffen of deze procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.
§ 2. Onder rechten in de zin van paragraaf 1 wordt met name verstaan:
1° het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een pand of een hypotheek;
2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, in het bijzonder door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
§ 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen.
§ 2. Onder rechten in de zin van paragraaf 1 wordt met name verstaan:
1° het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit dat goed, in het bijzonder op grond van een pand of een hypotheek;
2° het exclusieve recht een schuldvordering te innen, in het bijzonder door middel van een pandrecht op de schuldvordering of door de cessie van die schuldvordering tot zekerheid;
3° het recht om het goed terug te eisen en/of de teruggave ervan te verlangen van eenieder die het tegen de wil van de rechthebbende in bezit of in gebruik heeft;
4° het zakelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.
§ 3. Met een zakelijk recht wordt gelijkgesteld, het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een zakelijk recht in de zin van paragraaf 1, dat aan derden kan worden tegengeworpen.
Art.262. § 1er. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite n'affecte pas le droit réel d'un créancier ou d'un tiers sur des biens corporels ou incorporels, meubles ou immeubles - à la fois des biens déterminés et des ensembles de biens indéterminés dont la composition est sujette à modification - appartenant à la société de bourse et qui se trouvent, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure, sur le territoire d'un autre Etat membre.
§ 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment :
1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d'être désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en particulier en vertu d'un gage ou d'une hypothèque ;
2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notamment en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance à titre de garantie ;
3° le droit de revendiquer le bien et/ou d'en réclamer la restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit contre la volonté de l'ayant droit ;
4° le droit réel de percevoir les fruits d'un bien.
§ 3. Est assimilé à un droit réel, le droit, inscrit dans un registre public et opposable aux tiers, permettant d'obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er.
§ 2. Les droits visés au paragraphe 1er sont notamment :
1° le droit de réaliser ou de faire réaliser le bien et d'être désintéressé par le produit ou les revenus de ce bien, en particulier en vertu d'un gage ou d'une hypothèque ;
2° le droit exclusif de recouvrer une créance, notamment en vertu de la mise en gage ou de la cession de cette créance à titre de garantie ;
3° le droit de revendiquer le bien et/ou d'en réclamer la restitution entre les mains de quiconque le détient ou en jouit contre la volonté de l'ayant droit ;
4° le droit réel de percevoir les fruits d'un bien.
§ 3. Est assimilé à un droit réel, le droit, inscrit dans un registre public et opposable aux tiers, permettant d'obtenir un droit réel au sens du paragraphe 1er.
Art.263. § 1. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een beursvennootschap die een goed koopt, laat de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper onverlet wanneer dat goed zich op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
§ 2. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een beursvennootschap die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
§ 2. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure tegen een beursvennootschap die de hoedanigheid van verkoper heeft, nadat de levering van het verkochte goed heeft plaatsgevonden, is geen grond voor ontbinding of opzegging van de verkoop en belet de koper niet de eigendom van het gekochte goed te verkrijgen wanneer dit goed zich op het tijdstip waarop de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de maatregelen worden getroffen of de procedure wordt geopend.
Art.263. § 1er. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'une société de bourse achetant un bien n'affecte pas les droits du vendeur fondés sur une réserve de propriété, lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure, sur le territoire d'un Etat membre autre que l'Etat de mise en oeuvre de telles mesures ou d'ouverture d'une telle procédure.
§ 2. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'une société de bourse ayant la qualité de vendeur, après la livraison du bien faisant l'objet de la vente, ne constitue pas une cause de résolution ou de résiliation de la vente et ne fait pas obstacle à l'acquisition par l'acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure sur le territoire d'un Etat membre autre que l'Etat de mise en oeuvre de telles mesures ou d'ouverture d'une telle procédure.
§ 2. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'une société de bourse ayant la qualité de vendeur, après la livraison du bien faisant l'objet de la vente, ne constitue pas une cause de résolution ou de résiliation de la vente et ne fait pas obstacle à l'acquisition par l'acheteur de la propriété du bien vendu, lorsque ce bien se trouve, au moment de la mise en oeuvre de telles mesures ou de l'ouverture d'une telle procédure sur le territoire d'un Etat membre autre que l'Etat de mise en oeuvre de telles mesures ou d'ouverture d'une telle procédure.
Art.264. Het treffen van saneringsmaatregelen of de opening van een faillissementsprocedure laat het recht van een schuldeiser op schuldvergelijking van zijn vordering met de vordering van de beursvennootschap onverlet wanneer die schuldvergelijking is toegestaan bij het recht dat op de vordering van de beursvennootschap van toepassing is.
Art.264. La mise en oeuvre de mesures d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite n'affecte pas le droit d'un créancier d'invoquer la compensation de sa créance avec la créance de la société de bourse, lorsque cette compensation est permise par la loi applicable à la créance de la société de bourse.
Art.265. § 1. Onverminderd artikel 261 en onder voorbehoud van artikel 266, doen de artikelen 262, § 1, 263 en 264 geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Artikel 5 243 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van het Wetboek van economisch recht zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.
§ 2. Artikel 5 243 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van het Wetboek van economisch recht zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.
Art.265. § 1er. Sans préjudice de l'article 261 et sous réserve de l'article 266, les articles 262, § 1er, 263 et 264 ne font pas obstacle à l'application des articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique.
§ 2. L'article 5 243 du Code civil et les articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d'un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l'acte est soumis à la loi d'un Etat membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l'espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte.
§ 2. L'article 5 243 du Code civil et les articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d'un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l'acte est soumis à la loi d'un Etat membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l'espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte.
Art.266. In afwijking van artikel 204, § 1, 1° en 4° van deze wet en van artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht, en niettegenstaande de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van hetzelfde Wetboek, indien de beursvennootschap na het treffen van een saneringsmaatregel of na de opening van een faillissementsprocedure onder bezwarende titel beschikt over een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat onderworpen is aan inschrijving in een openbaar register, dan wel over financiële instrumenten of rechten op dergelijke instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht een inschrijving veronderstelt in een register, op een rekening of in een in een andere lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot, wordt de nietigheid of de niet-tegenwerpbaarheid van deze handeling beoordeeld op grond van het recht van de lidstaat waar dat onroerend goed gelegen is of onder het gezag waarvan dat register, die rekening of dat effectendepot wordt bijgehouden.
Art.266. Par dérogation à l'article 204, § 1er, 1° et 4°, de la présente loi et à l'article XX.110 du Code de droit économique, nonobstant les articles XX.111 à XX.114 dudit Code, si la société de bourse dispose à titre onéreux, après l'adoption d'une mesure d'assainissement ou l'ouverture d'une procédure de faillite, d'un immeuble, d'un navire ou d'un aéronef soumis à immatriculation dans un registre public, d'instruments financiers ou de droits sur de tels instruments dont l'existence ou le transfert suppose une inscription dans un registre, un compte ou auprès d'un système de dépôt centralisé détenus ou situés dans un autre Etat membre, la nullité ou l'inopposabilité de cet acte est appréciée au regard de la loi de l'Etat membre sur le territoire duquel le bien immobilier est situé, ou sous l'autorité duquel ce registre, ce compte ou ce système de dépôt est tenu.
HOOFDSTUK III. - Saneringscommissarissen en liquidateurs
CHAPITRE III. - Des commissaires à l'assainissement et des liquidateurs
Afdeling I. - Erkenning van buitenlandse maatregelen en procedures
Section Ire. - Réception des mesures et procédures étrangères
Art.267. De aanstelling van een saneringscommissaris of van een liquidateur door een autoriteit van een andere lidstaat, wordt aangetoond met een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de beslissing tot aanstelling of van ieder ander door die autoriteit opgesteld attest.
Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt gevraagd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.
Hoewel er geen legalisatie of soortgelijke formaliteit wordt gevraagd, dient niettemin een vertaling te worden gemaakt van het in het eerste lid bedoelde document, in de taal of een van de talen van het taalgebied waar de saneringscommissaris of de liquidateur wil optreden.
Art.267. La nomination d'un commissaire à l'assainissement ou d'un liquidateur par une autorité d'un autre Etat membre est établie par la présentation d'une copie certifiée conforme à l'original de la décision qui le nomme ou par toute autre attestation établie par cette autorité.
Sans qu'aucune légalisation ou formalité analogue ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document visé à l'alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire à l'assainissement ou le liquidateur veut agir.
Sans qu'aucune légalisation ou formalité analogue ne soit exigée, il sera néanmoins établi une traduction du document visé à l'alinéa 1er dans la langue ou une des langues de la région linguistique sur le territoire de laquelle le commissaire à l'assainissement ou le liquidateur veut agir.
Art.268. § 1. De saneringscommissarissen en de liquidateurs die aangesteld zijn door een autoriteit van een andere lidstaat kunnen in België alle bevoegdheden uitoefenen die zij gemachtigd zijn uit te oefenen op het grondgebied van die andere lidstaat.
Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
§ 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen niet de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven.
Hetzelfde geldt voor de personen die zij aanwijzen, overeenkomstig het recht van die lidstaat, om hen bij te staan of te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van een saneringsmaatregel of een liquidatieprocedure.
§ 2. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden in België leven de in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs de Belgische wetgeving na, meer bepaald wat betreft de wijze waarop goederen te gelde worden gemaakt en het informeren van de werknemers. Deze bevoegdheden mogen niet de aanwending van dwangmiddelen behelzen, noch het recht om uitspraak te doen in gedingen of geschillen.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde saneringscommissarissen en liquidateurs stellen de Kruispuntbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in kennis van de saneringsmaatregelen en de liquidatieprocedures waartoe is beslist door een autoriteit van een andere lidstaat, opdat ze worden ingeschreven.
Art.268. § 1er. Les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs désignés par une autorité d'un autre Etat membre peuvent exercer en Belgique tous les pouvoirs qu'ils sont habilités à exercer sur le territoire de cet autre Etat.
Il en va de même en ce qui concerne des personnes qu'ils auraient désignées, conformément à la loi de cet Etat, en vue de les assister ou de les représenter dans le déroulement d'une mesure d'assainissement ou d'une procédure de liquidation.
§ 2. Dans l'exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier en ce qui concerne les modalités de réalisation de biens ainsi que l'information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige ou un différend.
§ 3. Les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er communiquent à la Banque-Carrefour visée à l'article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les mesures d'assainissement et les procédures de liquidation décidées par une autorité d'un autre Etat membre en vue de leur inscription.
Il en va de même en ce qui concerne des personnes qu'ils auraient désignées, conformément à la loi de cet Etat, en vue de les assister ou de les représenter dans le déroulement d'une mesure d'assainissement ou d'une procédure de liquidation.
§ 2. Dans l'exercice de leurs pouvoirs en Belgique, les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er respectent la législation belge, en particulier en ce qui concerne les modalités de réalisation de biens ainsi que l'information des travailleurs. Leurs pouvoirs ne peuvent inclure le recours à la force ni le droit de statuer sur un litige ou un différend.
§ 3. Les commissaires à l'assainissement et les liquidateurs visés au paragraphe 1er communiquent à la Banque-Carrefour visée à l'article 3 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichet-entreprises agréés et portant diverses dispositions, les mesures d'assainissement et les procédures de liquidation décidées par une autorité d'un autre Etat membre en vue de leur inscription.
Afdeling II. - Belgische saneringscommissarissen en liquidateurs
Section II. - Des commissaires à l'assainissement et des liquidateurs belges
Art.269. De curator of curatoren die zijn aangesteld overeenkomstig artikel XX.104 van het Wetboek van economisch recht nemen alle nodige maatregelen om te voldoen aan de inschrijving van een liquidatieprocedure in een openbaar register van een andere lidstaat die krachtens de wetgeving van die lidstaat verplicht gesteld is.
De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
De kosten die voortvloeien uit een inschrijving in een openbaar register van een andere lidstaat worden beschouwd als kosten met betrekking tot de procedure, ongeacht of de inschrijving verplicht is of geschiedt op initiatief van de in het eerste lid bedoelde personen.
Art.269. Le ou les curateurs désignés conformément à l'article XX.104 du Code de droit économique prennent toute mesure nécessaire en vue de satisfaire à l'inscription d'une procédure de liquidation dans un registre public d'un autre Etat membre rendue obligatoire en vertu de la législation de cet Etat.
Les frais découlant d'une inscription dans un registre public d'un autre Etat membre sont considérés comme des frais de la procédure, que l'inscription soit obligatoire ou qu'elle résulte de l'initiative des personnes visées à l'alinéa 1er.
Les frais découlant d'une inscription dans un registre public d'un autre Etat membre sont considérés comme des frais de la procédure, que l'inscription soit obligatoire ou qu'elle résulte de l'initiative des personnes visées à l'alinéa 1er.
TITEL IV. - Aanvullende bepaling
TITRE IV. - Disposition complémentaire
Art.270. De artikelen 244 tot en met 269 zijn mutatis mutandis van toepassing op de entiteiten naar Belgisch recht bedoeld in artikel 424 van de wet van 25 april 2014, wanneer ten aanzien van die entiteiten afwikkelingsmaatregelen worden toegepast krachtens Boek XI, Titel V van de wet van 25 april 2014.
Art.270. Les articles 244 à 269 sont mutatis mutandis applicables aux entités de droit belge visées à l'article 424 de la loi du 25 avril 2014, en cas d'application à ces entités de mesures de résolution en vertu du Livre XI, Titre V de la loi du 25 avril 2014.
BOEK VII. - MATERIEELRECHTELIJKE ASPECTEN VAN LIQUIDATIEPROCEDURES
LIVRE VII. - ASPECTS DE DROIT MATERIEL DES PROCEDURES DE LIQUIDATION
Art.271. § 1. Onverminderd artikel 273 van de wet van 25 april 2014 en behoudens de gevallen waarin een beursvennootschap het voorwerp uitmaakt van de afwikkelingsmaatregelen waarin voorzien is in Boek II, Titel VIII van de wet van 25 april 2014, kan de opening van een faillissementsprocedure tegen een beursvennootschap enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een beursvennootschap waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een beursvennootschap waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.
Art.271. § 1er. Sans préjudice de l'article 273 de la loi du 25 avril 2014 et sauf les cas où une société de bourse fait l'objet de mesures de résolution prévues au Livre II, Titre VIII de la loi du 25 avril 2014, l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'une société de bourse ne peut être prononcée que sur avis conforme de la Banque.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. La Banque peut, dans le cas d'une procédure relative à une société de bourse susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal de l'insolvabilité peut statuer.
L'avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de l'insolvabilité et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. La Banque peut, dans le cas d'une procédure relative à une société de bourse susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal de l'insolvabilité peut statuer.
L'avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de l'insolvabilité et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.
Art.272. De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1 van het Wetboek van economisch recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2 worden aangewezen op advies van de Bank.
Art.272. Le ou les curateurs visés à l'article XX.122, § 1er, du Code de droit économique, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article XX.122, § 2, sont désignés sur avis de la Banque.
Art.273. § 1. Onverminderd de artikelen XX.111 tot en met XX.115 van het Wetboek van economisch recht, zijn de op de dag van haar faillietverklaring door een beursvennootschap verrichte betalingen, transacties en handelingen en de op die dag aan een dergelijke vennootschap gedane betalingen geldig indien zij het tijdstip van het vonnis van faillietverklaring voorafgaan of werden verricht zonder van het faillissement van de beursvennootschap af te weten.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de instellingen belast met de verrekening of de vereffening tussen beursvennootschappen van betalingen of van financiële transacties, met beursvennootschappen gelijkgesteld.
§ 2. De Koning kan voor de transacties en betalingen die Hij bepaalt de toepassing van dit artikel uitbreiden tot andere categorieën van instellingen uit de financiële sector.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de instellingen belast met de verrekening of de vereffening tussen beursvennootschappen van betalingen of van financiële transacties, met beursvennootschappen gelijkgesteld.
§ 2. De Koning kan voor de transacties en betalingen die Hij bepaalt de toepassing van dit artikel uitbreiden tot andere categorieën van instellingen uit de financiële sector.
Art.273. § 1er. Sans préjudice des articles XX.111 à XX.115 du Code de droit économique, les paiements, opérations et actes effectués par une société de bourse et les paiements faits à une pareille société le jour de sa déclaration en faillite, sont valables s'ils précèdent le moment du jugement déclaratif de faillite ou s'ils ont été effectués dans l'ignorance de la faillite de la société de bourse.
Pour l'application du présent paragraphe, les établissements chargés de la compensation ou du règlement entre des sociétés de bourse de paiements ou d'opérations financières sont assimilés à des sociétés de bourse.
§ 2. Le Roi peut, pour les opérations et paiements qu'Il désigne, étendre l'application du présent article à d'autres catégories d'institutions financières.
Pour l'application du présent paragraphe, les établissements chargés de la compensation ou du règlement entre des sociétés de bourse de paiements ou d'opérations financières sont assimilés à des sociétés de bourse.
§ 2. Le Roi peut, pour les opérations et paiements qu'Il désigne, étendre l'application du présent article à d'autres catégories d'institutions financières.
BOEK VIII. - BELEGGERSBESCHERMINGSREGELINGEN
LIVRE VIII. - DU SYSTEME DE PROTECTION DES INVESTISSEURS
Art.274. Iedere in België gevestigde beursvennootschap moet deelnemen aan een collectieve beleggersbeschermingsregeling waaraan zij bijdraagt en die tot doel heeft aan bepaalde categorieën van beleggers een schadevergoeding toe te kennen wanneer het faillissement van een dergelijke vennootschap is uitgesproken of wanneer de Bank de in artikel 275, tweede lid bedoelde beslissing heeft genomen ten aanzien van een dergelijke vennootschap.
Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de verbintenissen door een beleggersbeschermingsregeling van die staat minstens op evenwaardige wijze gedekt zijn als in het kader van de in het eerste lid bedoelde regeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de beleggersbeschermingsregeling waar.
Het eerste lid geldt niet voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren. Het geldt evenmin voor de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een derde land ressorteren en waarvan de verbintenissen door een beleggersbeschermingsregeling van die staat minstens op evenwaardige wijze gedekt zijn als in het kader van de in het eerste lid bedoelde regeling, voor wat betreft de gedekte activa en het vastgestelde dekkingsniveau.
Het Garantiefonds neemt het beheer en de verrichtingen van de beleggersbeschermingsregeling waar.
Art.274. Les sociétés de bourse établies en Belgique doivent participer à un système collectif de protection des investisseurs auquel elles contribuent et visant à accorder à certaines catégories d'investisseurs une indemnisation lorsque la faillite d'un telle société est prononcée ou lorsque la Banque a pris la décision visée à l'article 275, alinéa 2, à l'égard d'une telle société.
L'alinéa 1er n'est pas applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre. Il n'est également pas applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant du droit d'un pays tiers et dont les engagements sont couverts par un système de protection des investisseurs de cet Etat dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système visé à l'alinéa 1er, quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu.
Le Fonds de garantie assure la gestion et les opérations du système de protection des investisseurs.
L'alinéa 1er n'est pas applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre. Il n'est également pas applicable aux succursales de sociétés de bourse relevant du droit d'un pays tiers et dont les engagements sont couverts par un système de protection des investisseurs de cet Etat dans une mesure au moins équivalente à celle résultant du système visé à l'alinéa 1er, quant aux actifs couverts et au niveau de couverture prévu.
Le Fonds de garantie assure la gestion et les opérations du système de protection des investisseurs.
Art.275. De Bank informeert het Garantiefonds zo spoedig mogelijk ingeval zij problemen op het spoor komt die waarschijnlijk tot de interventie van de beleggersbeschermingsregeling zullen leiden.
Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de Bank de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 274 bedoelde beursvennootschap, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn geldmiddelen terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de beursvennootschap verschuldigd is, en dat de beursvennootschap daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de beursvennootschap heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare geldmiddelen of een financieel instrument terug te betalen.
Het Fonds zorgt voor de in artikel 276 bedoelde schadeloosstelling binnen drie maanden nadat de vordering van de belegger in aanmerking is genomen en het bedrag van die vordering is vastgesteld. De Bank kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze verlenging mag enkel worden toegestaan in zeer uitzonderlijke omstandigheden en in specifieke gevallen.
De beursvennootschap, of, als deze failliet is, de curator, deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die deze laatste nodig heeft om de in artikel 276 bedoelde schadevergoeding toe te kennen aan de beleggers. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de beursvennootschap of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds in uitvoering van het vorige lid heeft ontvangen, kijkt de beursvennootschap of de curator deze op zijn verzoek na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.
Behalve in de gevallen waarin het faillissement is uitgesproken, neemt de Bank de beslissing waarmee wordt vastgesteld dat een in artikel 274 bedoelde beursvennootschap, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn geldmiddelen terug te betalen of te voldoen aan haar verplichtingen jegens de beleggers tot terugbetaling van de financiële instrumenten die voor hun rekening worden gehouden of die de beursvennootschap verschuldigd is, en dat de beursvennootschap daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat zal zijn. Deze vaststelling geschiedt zo spoedig mogelijk en in elk geval uiterlijk vijf werkdagen nadat voor het eerst is vastgesteld dat de beursvennootschap heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare geldmiddelen of een financieel instrument terug te betalen.
Het Fonds zorgt voor de in artikel 276 bedoelde schadeloosstelling binnen drie maanden nadat de vordering van de belegger in aanmerking is genomen en het bedrag van die vordering is vastgesteld. De Bank kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. Deze verlenging mag enkel worden toegestaan in zeer uitzonderlijke omstandigheden en in specifieke gevallen.
De beursvennootschap, of, als deze failliet is, de curator, deelt te allen tijde en op verzoek van het Garantiefonds alle gegevens mee die deze laatste nodig heeft om de in artikel 276 bedoelde schadevergoeding toe te kennen aan de beleggers. De Koning kan de nadere regels bepalen voor de uitwisseling van de gegevens tussen de beursvennootschap of curator, enerzijds, en het Garantiefonds, anderzijds.
Indien er twijfels rijzen over de juistheid van de gegevens die het Garantiefonds in uitvoering van het vorige lid heeft ontvangen, kijkt de beursvennootschap of de curator deze op zijn verzoek na en deelt in voorkomend geval de verbeterde gegevens mee aan het Garantiefonds.
Art.275. La Banque informe dans les meilleurs délais le Fonds de garantie lorsqu'elle décèle des problèmes susceptibles de donner lieu à l'intervention du système de protection des investisseurs.
Sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, la Banque prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, une société de bourse visée à l'article 274 n'apparaît pas en mesure de restituer des fonds ou de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont la société de bourse est redevable et que la société de bourse ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que la société de bourse n'a pas restitué les fonds échus et exigibles ou a omis de restituer un instrument financier.
Le Fonds de garantie assure l'indemnisation visé à l'article 276 dans un délai de trois mois après que l'éligibilité et le montant de la créance de l'investisseur ont été établis. La Banque peut accorder une prolongation ne dépassant pas trois mois. Cette prolongation ne peut être accordée que dans des circonstances très exceptionnelles et pour des cas particuliers.
La société de bourse ou, si celle-ci est en faillite, le curateur communique à tout moment et à la demande du Fonds de garantie, toutes les données dont ce dernier a besoin pour assurer l'indemnisation des investisseurs visée à l'article 276. Le Roi peut définir les règles relatives à l'échange des données entre la société de bourse, ou le curateur, d'une part, et le Fonds de garantie, d'autre part.
S'il y a un doute concernant l'exactitude des données que le Fonds de garantie a reçues en exécution de l'alinéa précédent, la société de bourse ou le curateur les vérifie à sa demande et lui transfère, le cas échéant, les données corrigées.
Sauf dans les cas où la faillite a été prononcée, la Banque prend la décision constatant que, pour des raisons liées directement à sa situation financière, une société de bourse visée à l'article 274 n'apparaît pas en mesure de restituer des fonds ou de remplir ses obligations à l'égard des investisseurs en matière de restitution des instruments financiers qui sont détenus pour leur compte ou dont la société de bourse est redevable et que la société de bourse ne sera pas en mesure de le faire dans un futur rapproché. Ce constat est fait dès que possible, et en tout état de cause au plus tard cinq jours ouvrables après avoir établi pour la première fois que la société de bourse n'a pas restitué les fonds échus et exigibles ou a omis de restituer un instrument financier.
Le Fonds de garantie assure l'indemnisation visé à l'article 276 dans un délai de trois mois après que l'éligibilité et le montant de la créance de l'investisseur ont été établis. La Banque peut accorder une prolongation ne dépassant pas trois mois. Cette prolongation ne peut être accordée que dans des circonstances très exceptionnelles et pour des cas particuliers.
La société de bourse ou, si celle-ci est en faillite, le curateur communique à tout moment et à la demande du Fonds de garantie, toutes les données dont ce dernier a besoin pour assurer l'indemnisation des investisseurs visée à l'article 276. Le Roi peut définir les règles relatives à l'échange des données entre la société de bourse, ou le curateur, d'une part, et le Fonds de garantie, d'autre part.
S'il y a un doute concernant l'exactitude des données que le Fonds de garantie a reçues en exécution de l'alinéa précédent, la société de bourse ou le curateur les vérifie à sa demande et lui transfère, le cas échéant, les données corrigées.
Art.276. Onverminderd eventuele franchises overeenkomstig het recht van de Europese Unie, voorziet het onderdeel financiële instrumenten van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling, tot een bedrag van maximum 20 000 euro per belegger en per beursvennootschap die aan deze regeling deelneemt, in een schadevergoeding voor niet-terugbetaling van financiële instrumenten die voor rekening van de beleggers worden gehouden of die de beursvennootschap verschuldigd is, ongeacht de munteenheid waarin de financiële instrumenten zijn uitgedrukt.
Het onderdeel geldmiddelen van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per beursvennootschap die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de geldmiddelen die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze geldmiddelen niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 380 tot en met 384/1 van de wet van 25 april 2014 bedoelde depositobeschermingsregeling.
Het onderdeel geldmiddelen van de door het Garantiefonds ingestelde beleggersbeschermingsregeling voorziet, tot een bedrag van maximum 100 000 euro per belegger en per beursvennootschap die aan deze regeling deelneemt, in de terugbetaling van de geldmiddelen die voor rekening van de beleggers worden gehouden en die bestemd zijn voor de verwerving van financiële instrumenten, voor belegging in gestructureerde deposito's of voor terugbetalingen, ongeacht de munteenheid waarin ze zijn uitgedrukt, op voorwaarde dat deze geldmiddelen niet reeds gedekt zijn door de in de artikelen 380 tot en met 384/1 van de wet van 25 april 2014 bedoelde depositobeschermingsregeling.
Art.276. Sans préjudice d'éventuelles franchises conformes au droit de l'Union européenne, le volet instruments financiers du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie prévoit une indemnisation pour toute non-restitution d'instruments financiers qui sont détenus pour le compte des investisseurs ou dont la société de bourse est redevable, jusqu'à un plafond de 20 000 euros par investisseur et par société de bourse adhérant à ce système, quelle que soit la devise dans laquelle les instruments financiers sont libellés.
Le volet fonds du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie prévoit, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par investisseur et par société de bourse adhérant à ce système, le remboursement des fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissements en dépôts structurés ou en attente de restitution, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés, à condition que ces fonds ne soient pas déjà couverts par le système de protection des dépôts visé dans les articles 380 à 384/1 de la loi du 25 avril 2014.
Le volet fonds du système de protection des investisseurs institué par le Fonds de garantie prévoit, jusqu'à un plafond de 100 000 euros par investisseur et par société de bourse adhérant à ce système, le remboursement des fonds détenus pour le compte des investisseurs en attente d'affectation à l'acquisition d'instruments financiers, en attente d'investissements en dépôts structurés ou en attente de restitution, quelle que soit la devise dans laquelle ils sont libellés, à condition que ces fonds ne soient pas déjà couverts par le système de protection des dépôts visé dans les articles 380 à 384/1 de la loi du 25 avril 2014.
Art.277. De Koning bepaalt welke informatie de beursvennootschappen aan de beleggers moeten verstrekken over de dekking van hun tegoeden ingevolge de beleggersbeschermingsregeling.
De aanwending in het kader van reclame van de in het eerste lid bedoelde informatie is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de geldmiddelen of financiële instrumenten waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan toestaan dat aanvullende informatie wordt meegedeeld.
De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitvoering van deze opdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.
De aanwending in het kader van reclame van de in het eerste lid bedoelde informatie is beperkt tot de loutere vermelding van de beleggersbeschermingsregeling die een garantie biedt voor de geldmiddelen of financiële instrumenten waarop de reclame betrekking heeft. De Koning kan toestaan dat aanvullende informatie wordt meegedeeld.
De FSMA ziet toe op de naleving van dit artikel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Voor de uitvoering van deze opdracht beschikt zij over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 34, § 1, 1°, 35, §§ 1 en 2, 36, 36bis en 37 van de wet van 2 augustus 2002.
Art.277. Le Roi règle le contenu de l'information à procurer aux investisseurs par les sociétés de bourse concernant la couverture de leurs avoirs résultant du système de protection des investisseurs.
L'usage dans un cadre publicitaire des informations visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de protection des investisseurs qui garantit les fonds ou les instruments financiers visés dans la publicité. Le Roi peut autoriser la communication d'informations complémentaires.
La FSMA veille au respect de l'application du présent article et des arrêtés pris pour son exécution. Pour l'exercice de cette mission de surveillance, elle dispose des compétences visées aux articles 34, § 1er, 1°, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.
L'usage dans un cadre publicitaire des informations visées à l'alinéa 1er est limité à une simple mention du système de protection des investisseurs qui garantit les fonds ou les instruments financiers visés dans la publicité. Le Roi peut autoriser la communication d'informations complémentaires.
La FSMA veille au respect de l'application du présent article et des arrêtés pris pour son exécution. Pour l'exercice de cette mission de surveillance, elle dispose des compétences visées aux articles 34, § 1er, 1°, 35, §§ 1er et 2, 36, 36bis et 37 de la loi du 2 août 2002.
Art.278. Het Garantiefonds treft de nodige maatregelen en schikkingen om de bijkantoren van beursvennootschappen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, in staat te stellen deel te nemen aan de beleggersbeschermingsregeling die het beheert, teneinde, binnen de grenzen van deze regeling, de waarborgen verstrekt door de regeling waaraan de vennootschap in haar staat deelneemt, aan te vullen.
Indien het bijkantoor dat de mogelijkheid van het eerste lid heeft benut, zijn verplichtingen ten aanzien van de beleggersbeschermingsregeling niet nakomt, wendt het Garantiefonds zich in samenwerking met de Bank tot de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft verleend aan de beursvennootschap waarvan het bijkantoor afhangt. Indien de toestand niet binnen twaalf maanden wordt verholpen, kan het Garantiefonds, op eensluidend advies van deze autoriteit, het bijkantoor uitsluiten na afloop van een opzeggingstermijn van twaalf maanden. De termijnverbintenissen van voor de uitsluiting blijven gedekt door de beschermingsregeling tot ze vervallen. De andere tegoeden die vóór de uitsluiting werden gehouden, blijven nog twaalf maanden gedekt. De beleggers worden door het bijkantoor of, bij ontstentenis, door de Bank op de hoogte gebracht van het verval van de dekking.
Indien het bijkantoor dat de mogelijkheid van het eerste lid heeft benut, zijn verplichtingen ten aanzien van de beleggersbeschermingsregeling niet nakomt, wendt het Garantiefonds zich in samenwerking met de Bank tot de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft verleend aan de beursvennootschap waarvan het bijkantoor afhangt. Indien de toestand niet binnen twaalf maanden wordt verholpen, kan het Garantiefonds, op eensluidend advies van deze autoriteit, het bijkantoor uitsluiten na afloop van een opzeggingstermijn van twaalf maanden. De termijnverbintenissen van voor de uitsluiting blijven gedekt door de beschermingsregeling tot ze vervallen. De andere tegoeden die vóór de uitsluiting werden gehouden, blijven nog twaalf maanden gedekt. De beleggers worden door het bijkantoor of, bij ontstentenis, door de Bank op de hoogte gebracht van het verval van de dekking.
Art.278. Le Fonds de garantie prend les mesures et dispositions nécessaires pour permettre aux succursales des sociétés de bourse relevant du droit d'un autre Etat membre de participer au système de protection des investisseurs dont il assume la gestion, en vue de compléter, dans les limites de ce système, les garanties procurées par le système auquel la société adhère dans son Etat.
Si la succursale qui a fait usage de la faculté prévue par l'alinéa 1er ne remplit pas ses obligations envers le système de protection des investisseurs, le Fonds de garantie, en collaboration avec la Banque, en saisit l'autorité compétente qui a délivré l'agrément à la société de bourse dont relève la succursale. A défaut de redressement de la situation, dans les douze mois, le Fonds de garantie peut, de l'avis conforme de cette autorité, exclure la succursale au terme d'un préavis de douze mois. Les engagements à terme antérieurs à l'exclusion restent couverts par le système de protection, jusqu'à leur terme. Les autres avoirs détenus antérieurement à l'exclusion restent couverts pendant douze mois. Les investisseurs sont informés par la succursale, ou, à défaut, par la Banque, de la cessation de la couverture.
Si la succursale qui a fait usage de la faculté prévue par l'alinéa 1er ne remplit pas ses obligations envers le système de protection des investisseurs, le Fonds de garantie, en collaboration avec la Banque, en saisit l'autorité compétente qui a délivré l'agrément à la société de bourse dont relève la succursale. A défaut de redressement de la situation, dans les douze mois, le Fonds de garantie peut, de l'avis conforme de cette autorité, exclure la succursale au terme d'un préavis de douze mois. Les engagements à terme antérieurs à l'exclusion restent couverts par le système de protection, jusqu'à leur terme. Les autres avoirs détenus antérieurement à l'exclusion restent couverts pendant douze mois. Les investisseurs sont informés par la succursale, ou, à défaut, par la Banque, de la cessation de la couverture.
BOEK IX. - DIVERSE EN SLOT-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN
LIVRE IX. - DISPOSITIONS DIVERSES, FINALES, MODIFICATIVES, TRANSITOIRES ET ABROGATOIRES
TITEL I. - Diverse bepaling
TITRE I. - Disposition diverse
Art.279. De artikelen 226 tot en met 232/1, 242 tot en met 311 en 423 tot en met 485 van de wet van 25 april 2014 zijn van toepassing op de in artikel 13, § 2 bedoelde beursvennootschappen, met dien verstande dat, voor de beursvennootschappen die niet beschouwd worden als grote beursvennootschappen:
1° de verwijzingen naar artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 wat betreft de totale kapitaalratio moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 11, lid 1, van Verordening 2019/2033;
2° de verwijzingen naar artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 wat betreft het totaal van de risicoposten, moeten worden gelezen als verwijzingen naar het toepasselijke vereiste in artikel 11, lid 1, van Verordening 2019/2033, vermenigvuldigd met 12,5;
3° de verwijzingen naar artikel 149, eerste lid van de wet van 25 april 2014 wat betreft het aanvullend-eigenvermogensvereiste moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 138 van deze wet.
1° de verwijzingen naar artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening nr. 575/2013 wat betreft de totale kapitaalratio moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 11, lid 1, van Verordening 2019/2033;
2° de verwijzingen naar artikel 92, lid 3, van Verordening nr. 575/2013 wat betreft het totaal van de risicoposten, moeten worden gelezen als verwijzingen naar het toepasselijke vereiste in artikel 11, lid 1, van Verordening 2019/2033, vermenigvuldigd met 12,5;
3° de verwijzingen naar artikel 149, eerste lid van de wet van 25 april 2014 wat betreft het aanvullend-eigenvermogensvereiste moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 138 van deze wet.
Art.279. Les articles 226 à 232/1, 242 à 311 et 423 à 485 de la loi du 25 avril 2014 sont applicables aux sociétés de bourse visées à l'article 13, § 2, étant entendu que pour les sociétés de bourse qui ne qualifient pas de sociétés de bourse taille importante :
1° les références à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 concernant l'exigence de ratio de fonds propres total doivent être lues comme des références à l'article 11, paragraphe 1er, du Règlement 2019/2033 ;
2° les références faites à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 concernant le montant total d'exposition au risque doivent être lues comme des références à l'exigence applicable figurant à l'article 11, paragraphe 1er, du Règlement 2019/2033 multipliée par 12,5 ;
3° les références faites à l'article 149, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014concernant les exigences de fonds propres supplémentaires doivent être lues comme des références à l'article 138 de la présente loi.
1° les références à l'article 92, paragraphe 1er, point c), du Règlement n° 575/2013 concernant l'exigence de ratio de fonds propres total doivent être lues comme des références à l'article 11, paragraphe 1er, du Règlement 2019/2033 ;
2° les références faites à l'article 92, paragraphe 3, du Règlement n° 575/2013 concernant le montant total d'exposition au risque doivent être lues comme des références à l'exigence applicable figurant à l'article 11, paragraphe 1er, du Règlement 2019/2033 multipliée par 12,5 ;
3° les références faites à l'article 149, alinéa 1er de la loi du 25 avril 2014concernant les exigences de fonds propres supplémentaires doivent être lues comme des références à l'article 138 de la présente loi.
TITEL II. - Slotbepaling
TITRE II. - Disposition finale
Art.280. De Koning kan de bepalingen van andere wetgeving die verwijst naar bepalingen die bij onderhavige wet gewijzigd of opgeheven worden, of hun uitvoeringsbesluiten en -reglementen aanpassen om deze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen.
Art.280. Le Roi peut adapter les dispositions d'autres législations qui renvoient à des dispositions modifiées ou abrogées par la présente loi, ou de leurs arrêtés et règlements d'exécution, pour les mettre en concordance avec les dispositions de la présente loi ou de ses arrêtés et règlements d'exécution.
TITEL III. - Wijzigingsbepalingen
TITRE III. - Dispositions modificatives
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de hypotheekwet van 16 december 1851
CHAPITRE Ier. - Modifications de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851
Art.281. In artikel 81undecies van de hypotheekwet van 16 december 1851, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, worden de woorden "Zonder afbreuk te doen aan artikel 78 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen" vervangen door de woorden "Zonder afbreuk te doen aan artikel 78 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en aan artikel 106 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen".
Art.281. A l'article 81undecies de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, modifié en dernier lieu par la loi du 26 octobre 2015, les mots "Sans préjudice de l'article 78 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de l'article 78 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et de l'article 106 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique
Art.282. In artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
"Evenzo zijn de speciaal commissarissen en de voorlopige bestuurders die de Bank aanduidt met toepassing van de sectorale toezichtswetten op de naleving waarvan zij dient toe te zien, niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, niet-optreden, handelingen of gedragingen in het kader van de opdracht die hun door de Bank is toevertrouwd, behalve in geval van bedrog of zware fout.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De Bank dekt de kosten die verband houden met de verdediging van de in het eerste lid bedoelde personen van wie de burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid in het kader van hun functies in het geding is. Zij verleent bovendien dekking voor elke veroordeling wegens burgerlijke aansprakelijkheid van deze speciaal commissarissen en voorlopige bestuurders die tegen hen wordt uitgesproken ondanks de beperking van de burgerlijke aansprakelijkheid waarin het eerste lid voorziet. Wanneer de veroordeling het gevolg is van bedrog, betaalt de speciaal commissaris of de voorlopige bestuurder die schuldig is bevonden aan bedrog de genoemde kosten aan de Bank terug, alsmede elk bedrag dat door de Bank aan het slachtoffer van het bedrog is betaald in uitvoering van deze veroordeling.".
1° in paragraaf 3 wordt het eerste lid aangevuld met de volgende zin:
"Evenzo zijn de speciaal commissarissen en de voorlopige bestuurders die de Bank aanduidt met toepassing van de sectorale toezichtswetten op de naleving waarvan zij dient toe te zien, niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, niet-optreden, handelingen of gedragingen in het kader van de opdracht die hun door de Bank is toevertrouwd, behalve in geval van bedrog of zware fout.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De Bank dekt de kosten die verband houden met de verdediging van de in het eerste lid bedoelde personen van wie de burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid in het kader van hun functies in het geding is. Zij verleent bovendien dekking voor elke veroordeling wegens burgerlijke aansprakelijkheid van deze speciaal commissarissen en voorlopige bestuurders die tegen hen wordt uitgesproken ondanks de beperking van de burgerlijke aansprakelijkheid waarin het eerste lid voorziet. Wanneer de veroordeling het gevolg is van bedrog, betaalt de speciaal commissaris of de voorlopige bestuurder die schuldig is bevonden aan bedrog de genoemde kosten aan de Bank terug, alsmede elk bedrag dat door de Bank aan het slachtoffer van het bedrog is betaald in uitvoering van deze veroordeling.".
Art.282. A l'article 12bis de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique, modifié en dernier lieu par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
"De même, les commissaires spéciaux et les administrateurs provisoires que la Banque désigne en application des lois de contrôle sectorielles au respect desquelles elle est chargée de veiller n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs décisions, non-interventions, actes ou comportements dans le cadre de la mission qui leur est confiée par la Banque, sauf en cas de dol ou de faute lourde." ;
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
"La Banque assure la couverture des frais liés à la défense des personnes visées à l'alinéa 1er dont la responsabilité, civile ou pénale, est mise en cause dans le cadre de leurs fonctions. Elle couvre, en outre, toute condamnation résultant d'une responsabilité civile desdits commissaires spéciaux et administrateurs provisoires prononcée à leur encontre nonobstant la limitation de responsabilité civile visée à l'alinéa 1er. Lorsque la condamnation résulte d'un dol, le commissaire spécial ou de l'administrateur provisoire reconnu coupable de dol rembourse lesdits frais à la Banque et tout montant payé par la Banque à la victime du dol en exécution de pareille condamnation.".
1° au paragraphe 3, l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante :
"De même, les commissaires spéciaux et les administrateurs provisoires que la Banque désigne en application des lois de contrôle sectorielles au respect desquelles elle est chargée de veiller n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs décisions, non-interventions, actes ou comportements dans le cadre de la mission qui leur est confiée par la Banque, sauf en cas de dol ou de faute lourde." ;
2° le paragraphe 3 est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
"La Banque assure la couverture des frais liés à la défense des personnes visées à l'alinéa 1er dont la responsabilité, civile ou pénale, est mise en cause dans le cadre de leurs fonctions. Elle couvre, en outre, toute condamnation résultant d'une responsabilité civile desdits commissaires spéciaux et administrateurs provisoires prononcée à leur encontre nonobstant la limitation de responsabilité civile visée à l'alinéa 1er. Lorsque la condamnation résulte d'un dol, le commissaire spécial ou de l'administrateur provisoire reconnu coupable de dol rembourse lesdits frais à la Banque et tout montant payé par la Banque à la victime du dol en exécution de pareille condamnation.".
Art.283. In artikel 12ter, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art.283. Dans l'article 12ter, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
Art.284. Artikel 21ter, § 5 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
" § 5. Het Afwikkelingscollege vervangt het Directiecomité voor de toepassing van afdeling 3 van Hoofdstuk IV/1 van deze wet in geval van schending van:
1° de bepalingen van Boek II, Titels IV en VIII en Boek XI van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en de maatregelen genomen in uitvoering daarvan;
2° artikel 279 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen en de maatregelen genomen in uitvoering daarvan.".
" § 5. Het Afwikkelingscollege vervangt het Directiecomité voor de toepassing van afdeling 3 van Hoofdstuk IV/1 van deze wet in geval van schending van:
1° de bepalingen van Boek II, Titels IV en VIII en Boek XI van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en de maatregelen genomen in uitvoering daarvan;
2° artikel 279 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen en de maatregelen genomen in uitvoering daarvan.".
Art.284. L'article 21ter, § 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le Collège de résolution se substitue au Comité de direction pour les besoins de l'application de la section 3 du Chapitre IV/1 de la présente loi en cas d'infraction :
1° aux dispositions du Livre II, Titres IV et VIII et du Livre XI de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et aux mesures prises en exécution de ceux-ci ;
2° à l'article 279 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses et aux mesures prises en exécution de celui-ci.".
" § 5. Le Collège de résolution se substitue au Comité de direction pour les besoins de l'application de la section 3 du Chapitre IV/1 de la présente loi en cas d'infraction :
1° aux dispositions du Livre II, Titres IV et VIII et du Livre XI de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et aux mesures prises en exécution de ceux-ci ;
2° à l'article 279 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses et aux mesures prises en exécution de celui-ci.".
Art.285. In artikel 36/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 5° worden de woorden "in Boek XII van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen" vervangen door de woorden "in de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen".
1° in de bepaling onder 3° worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 5° worden de woorden "in Boek XII van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen" vervangen door de woorden "in de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen".
Art.285. Dans l'article 36/1 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 3°, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° au 5°, les mots "au Livre XII de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "par la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses".
1° au 3°, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° au 5°, les mots "au Livre XII de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "par la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses".
Art.286. In artikel 36/6, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De Bank verstrekt op haar website eveneens de volgende informatie:
1° naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de beursvennootschappen en de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, evenals de besluiten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op de kredietinstellingen, prudentieel toezicht op de beursvennootschappen en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met opgaaf van de gekozen opties;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, met inbegrip van de criteria voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bedoeld in het vierde lid van het genoemde artikel 142, in artikel 131 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving;
4° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op kredietinstellingen, op het vlak van het toezicht op beursvennootschappen en op het vlak van het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"De Bank verstrekt op haar website eveneens de volgende informatie:
1° naast de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de beursvennootschappen en de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, evenals de besluiten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving of van de Europeesrechtelijke verordeningen ter zake, een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op de kredietinstellingen, prudentieel toezicht op de beursvennootschappen en toezicht op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, met opgaaf van de gekozen opties;
2° de doelstellingen van het toezicht dat door haar wordt uitgeoefend met toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving en de taken en activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefent, in het bijzonder de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 142 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, met inbegrip van de criteria voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bedoeld in het vierde lid van het genoemde artikel 142, in artikel 131 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen en in de artikelen 318 tot 321 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
3° geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving;
4° andere informatie, als voorgeschreven bij de besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"De Bank maakt ook alle andere informatie bekend die vereist is met toepassing van de Unierechtelijke handelingen die van toepassing zijn op het vlak van het toezicht op kredietinstellingen, op het vlak van het toezicht op beursvennootschappen en op het vlak van het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen.".
Art.286. Dans l'article 36/6, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La Banque fournit également sur son site internet les informations suivantes :
1° outre la législation relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, la législation relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et la législation relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance, ainsi que les arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou en application de ces législations ou des règlements du droit de l'Union européenne relatifs à ces matières, un tableau de transposition des dispositions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des établissements de crédit, à la surveillance prudentielle des sociétés de bourse et à la surveillance des entreprises d'assurance et de réassurance, indiquant les options retenues ;
2° les objectifs du contrôle qu'elle exerce en application des législations visées au 1°, et les fonctions et activités exercées à ce titre, en particulier, les critères de vérification et les méthodes qu'elle utilise pour procéder à l'évaluation visée à l'article 142 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, y compris les critères pour l'application du principe de proportionnalité visé à alinéa 4 dudit article 142, à l'article 131 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses et aux articles 318 à 321 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance ;
3° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects relatifs à l'application des législations visées au 1° ;
4° toute autre information prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi." ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"La Banque publie également toute autre information requise en application des actes du droit de l'Union européenne applicables dans le domaine du contrôle des établissements de crédit, dans le domaine du contrôle des sociétés de bourse et dans le domaine du contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La Banque fournit également sur son site internet les informations suivantes :
1° outre la législation relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, la législation relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et la législation relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance, ainsi que les arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou en application de ces législations ou des règlements du droit de l'Union européenne relatifs à ces matières, un tableau de transposition des dispositions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des établissements de crédit, à la surveillance prudentielle des sociétés de bourse et à la surveillance des entreprises d'assurance et de réassurance, indiquant les options retenues ;
2° les objectifs du contrôle qu'elle exerce en application des législations visées au 1°, et les fonctions et activités exercées à ce titre, en particulier, les critères de vérification et les méthodes qu'elle utilise pour procéder à l'évaluation visée à l'article 142 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, y compris les critères pour l'application du principe de proportionnalité visé à alinéa 4 dudit article 142, à l'article 131 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses et aux articles 318 à 321 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance ;
3° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects relatifs à l'application des législations visées au 1° ;
4° toute autre information prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi." ;
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"La Banque publie également toute autre information requise en application des actes du droit de l'Union européenne applicables dans le domaine du contrôle des établissements de crédit, dans le domaine du contrôle des sociétés de bourse et dans le domaine du contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance.".
Art.287. In artikel 36/14, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1°, tweede lid worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 23°, a) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 23°, b) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
4° de bepaling onder 23°, c) wordt vervangen als volgt:
"c) de speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder als bedoeld in artikel 236, § 1 van de voornoemde wet van 25 april 2014, artikel 204, § 1 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, artikel 517, § 1 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de artikelen 117, § 1 en 215, § 1 van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, artikel 48, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 april 1999 betreffende het statuut en de controle der maatschappijen voor onderlinge borgstelling, en de artikelen 36/30, § 1, tweede lid en 36/30/1, § 2 van deze wet;".
5° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 27° en 28°, luidende:
"27° ingeval de financiële situatie van een financiële instelling als bedoeld in artikel 36/2 verslechtert, aan het openbaar ministerie;
28° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Europese Commissie als deze gegevens nodig zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van deze laatste.".
1° in de bepaling onder 1°, tweede lid worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 23°, a) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 23°, b) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
4° de bepaling onder 23°, c) wordt vervangen als volgt:
"c) de speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder als bedoeld in artikel 236, § 1 van de voornoemde wet van 25 april 2014, artikel 204, § 1 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, artikel 517, § 1 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, de artikelen 117, § 1 en 215, § 1 van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen, artikel 48, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 april 1999 betreffende het statuut en de controle der maatschappijen voor onderlinge borgstelling, en de artikelen 36/30, § 1, tweede lid en 36/30/1, § 2 van deze wet;".
5° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 27° en 28°, luidende:
"27° ingeval de financiële situatie van een financiële instelling als bedoeld in artikel 36/2 verslechtert, aan het openbaar ministerie;
28° binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie, aan de Europese Commissie als deze gegevens nodig zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden van deze laatste.".
Art.287. Dans l'article 36/14, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 1°, alinéa 2, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° au 23°, a) les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
3° au 23°, b) les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
4° le 23°, c) est remplacé par ce qui suit :
"c) le commissaire spécial et l'administrateur provisoire visés à l'article 236, § 1er, de la loi précitée du 25 avril 2014, à l'article 204, § 1er de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses, à l'article 517, § 1er, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, l'article 117, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, l'article 215, § 1er, de la loi précitée, l'article 48, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 avril 1999 réglementant le statut et le contrôle des sociétés de cautionnement mutuel et l'article 36/30, § 1er, alinéa 2, et l'article 36/30/1, § 2 de la présente loi ;".
5° l'article est complété par les 27° et 28° rédigés comme suit :
"27° en cas de détérioration de la situation financière d'un établissement financier visé à l'article 36/2, au Ministère public ;
28° dans les limites du droit de l'Union européenne, à la Commission européenne lorsque ces informations sont nécessaires à l'exercice des compétences de cette dernière.".
1° au 1°, alinéa 2, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° au 23°, a) les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
3° au 23°, b) les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
4° le 23°, c) est remplacé par ce qui suit :
"c) le commissaire spécial et l'administrateur provisoire visés à l'article 236, § 1er, de la loi précitée du 25 avril 2014, à l'article 204, § 1er de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses, à l'article 517, § 1er, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, l'article 117, § 1er, de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, l'article 215, § 1er, de la loi précitée, l'article 48, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 avril 1999 réglementant le statut et le contrôle des sociétés de cautionnement mutuel et l'article 36/30, § 1er, alinéa 2, et l'article 36/30/1, § 2 de la présente loi ;".
5° l'article est complété par les 27° et 28° rédigés comme suit :
"27° en cas de détérioration de la situation financière d'un établissement financier visé à l'article 36/2, au Ministère public ;
28° dans les limites du droit de l'Union européenne, à la Commission européenne lorsque ces informations sont nécessaires à l'exercice des compétences de cette dernière.".
Art.288. In artikel 36/17, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
Art.288. Dans l'article 36/17, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés.
Art.289. In artikel 36/24 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen" vervangen door de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
1° in paragraaf 1, 1° worden de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen" vervangen door de woorden "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art.289. Dans l'article 36/24 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots "à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, à la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses" ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots "à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse" sont remplacés par les mots "à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, à la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses" ;
2° dans le paragraphe 2, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
Art.290. In artikel 36/26/1, §§ 6 en 9 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juni 2021, worden de woorden "en beursvennootschappen" telkens geschrapt.
Art.290. Dans l'article 36/26/1, §§ 6 et 9 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 juin 2021, les mots "et des sociétés de bourse" sont, à chaque fois, abrogés.
Art.291. In artikel 36/34, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid wordt de bepaling onder 10° opgeheven;
2° het derde en vierde lid worden opgeheven.
1° in het tweede lid wordt de bepaling onder 10° opgeheven;
2° het derde en vierde lid worden opgeheven.
Art.291. A l'article 36/34, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 2, le 10° est abrogé ;
2° les alinéa 3 et 4 sont abrogés.
1° à l'alinéa 2, le 10° est abrogé ;
2° les alinéa 3 et 4 sont abrogés.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse
Art.292. In het opschrift van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art.292. Dans l'intitulé de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
Art.293. In artikel 3 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 7° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 8° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 8° /7 worden de woorden "Verordening nr. 2017/2402" vervangen door de woorden "Verordening 2017/2402";
4° in de bepaling onder 38° worden in de Franse tekst de woorden "sont liés à" vervangen door het woord "concernent";
5° in de bepaling onder 47° wordt in de Nederlandse tekst het woord "interneauditfunctie" vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
6° de bepaling onder 50/1° wordt in de Nederlandse tekst vervangen als volgt:
"50/1° groepsherstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 425 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming";
7° in de bepaling onder 66° worden de woorden "of beursvennootschap" geschrapt;
8° de bepaling onder 74° /1 wordt opgeheven;
9° de bepaling onder 81°, b), 1° wordt in de Franse tekst aangevuld met de woorden "en vue de leur livraison à une date ultérieure";
10° de bepaling onder 83°, e) wordt vervangen als volgt:
"e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;";
11° de bepaling onder 87° wordt vervangen als volgt:
"87° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, ongeacht hun gender;".
1° in de bepaling onder 7° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 8° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 8° /7 worden de woorden "Verordening nr. 2017/2402" vervangen door de woorden "Verordening 2017/2402";
4° in de bepaling onder 38° worden in de Franse tekst de woorden "sont liés à" vervangen door het woord "concernent";
5° in de bepaling onder 47° wordt in de Nederlandse tekst het woord "interneauditfunctie" vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
6° de bepaling onder 50/1° wordt in de Nederlandse tekst vervangen als volgt:
"50/1° groepsherstelplan: een plan dat overeenkomstig artikel 425 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming";
7° in de bepaling onder 66° worden de woorden "of beursvennootschap" geschrapt;
8° de bepaling onder 74° /1 wordt opgeheven;
9° de bepaling onder 81°, b), 1° wordt in de Franse tekst aangevuld met de woorden "en vue de leur livraison à une date ultérieure";
10° de bepaling onder 83°, e) wordt vervangen als volgt:
"e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de kredietinstelling;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde kredietinstelling worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de kredietinstelling; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;";
11° de bepaling onder 87° wordt vervangen als volgt:
"87° genderneutraal beloningsbeleid: een beloningsbeleid dat gebaseerd is op gelijke beloning van werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, ongeacht hun gender;".
Art.293. Dans l'article 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 7°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 8°, les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés ;
3° au 8° /7, les mots "Règlement n° 2017/2402" sont remplacés par les mots "Règlement 2017/2402" ;
4° au 38°, dans le texte français, les mots "sont liés à" sont remplacés par les mots "concernent" ;
5° au 47°, dans le texte néerlandais, le mot "interneauditfunctie" est remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
6° dans le texte néerlandais, le 50/1° est remplacé par ce qui suit :
"50/1° groepsherstelplan : een plan dat overeenkomstig artikel 425 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming" ;
7° au 66°, les mots "ou une société de bourse" sont abrogés ;
8° le 74° /1 est abrogé ;
9° dans le texte français, le 81°, b), 1° est complété par les mots "en vue de leur livraison à une date ultérieure" ;
10° le 83°, point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'établissement de crédit ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans le même établissement de crédit par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de l'établissement de crédit ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;" ;
11° le 87° est remplacé par ce qui suit :
"87° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs pour un travail identique ou équivalent, et ce quel que soit leur genre ;".
1° au 7°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 8°, les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés ;
3° au 8° /7, les mots "Règlement n° 2017/2402" sont remplacés par les mots "Règlement 2017/2402" ;
4° au 38°, dans le texte français, les mots "sont liés à" sont remplacés par les mots "concernent" ;
5° au 47°, dans le texte néerlandais, le mot "interneauditfunctie" est remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
6° dans le texte néerlandais, le 50/1° est remplacé par ce qui suit :
"50/1° groepsherstelplan : een plan dat overeenkomstig artikel 425 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 7 van richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een EER-moederonderneming" ;
7° au 66°, les mots "ou une société de bourse" sont abrogés ;
8° le 74° /1 est abrogé ;
9° dans le texte français, le 81°, b), 1° est complété par les mots "en vue de leur livraison à une date ultérieure" ;
10° le 83°, point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'établissement de crédit ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans le même établissement de crédit par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de l'établissement de crédit ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;" ;
11° le 87° est remplacé par ce qui suit :
"87° politique de rémunération neutre du point de vue du genre, une politique de rémunération fondée sur le principe de l'égalité des rémunérations entre travailleurs pour un travail identique ou équivalent, et ce quel que soit leur genre ;".
Art.294. In artikel 4 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de inleidende zin vervangen als volgt:
"De volgende werkzaamheden komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en bij Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° :";
2° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Enkel de beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten bedoeld in artikel 3, 71° en 72° komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°. ".
1° in het eerste lid wordt de inleidende zin vervangen als volgt:
"De volgende werkzaamheden komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en bij Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1° :";
2° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Enkel de beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten bedoeld in artikel 3, 71° en 72° komen in aanmerking voor wederzijdse erkenning zoals geregeld bij de artikelen 86, 90 en 92 en Boek III, Titel I, voor de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2°. ".
Art.294. Dans l'article 4 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit :
"Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sont prises en considération les activités suivantes :" ;
2° l'article est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
"Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sont seulement pris en considération les services d'investissement, les activités d'investissement et les services auxiliaires visés à l'article 3, 71° et 72°. ".
1° dans l'alinéa 1er, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit :
"Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1°, sont prises en considération les activités suivantes :" ;
2° l'article est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
"Pour la reconnaissance mutuelle organisée par les articles 86, 90 et 92 et par le Livre III, Titre Ier en ce qui concerne les établissements de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, sont seulement pris en considération les services d'investissement, les activités d'investissement et les services auxiliaires visés à l'article 3, 71° et 72°. ".
Art.295. In artikel 5, eerste en tweede lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, worden in de Nederlandse tekst de woorden "gebruik maken" telkens vervangen door het woord "gebruikmaken".
Art.295. Dans l'article 5, alinéas 1er et 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2018, dans le texte néerlandais, les mots "gebruik maken" sont à chaque fois remplacés par le mot "gebruikmaken".
Art.296. In artikel 10 van dezelfde wet wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 35, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als respectievelijk bedoeld in het eerste of tweede lid of de persoon die deelneemt aan de leiding van de kredietinstelling eveneens deelneemt aan de leiding van een van de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor een onafhankelijke controlefunctie deze functie uitoefent bij de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde onderneming of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, personen die deelnemen aan de leiding en personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.".
"De Bank raadpleegt eveneens vooraf de autoriteiten bedoeld in het eerste of tweede lid voor het beoordelen van de geschiktheid van de aandeelhouders, de leiding en de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 35, wanneer deze aandeelhouder een onderneming is als respectievelijk bedoeld in het eerste of tweede lid of de persoon die deelneemt aan de leiding van de kredietinstelling eveneens deelneemt aan de leiding van een van de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of van een onderneming die tot dezelfde groep behoort, of wanneer de persoon die verantwoordelijk is voor een onafhankelijke controlefunctie deze functie uitoefent bij de in respectievelijk het eerste of tweede lid bedoelde onderneming of bij een onderneming die tot dezelfde groep behoort. De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, personen die deelnemen aan de leiding en personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.".
Art.296. Dans l'article 10, de la même loi, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, aux fins d'évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 18, 19 en 35, lorsque l'actionnaire est une entreprise respectivement visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de l'établissement de crédit prend part également à la direction de l'une des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou d'une entreprise qui appartient au même groupe, ou que la personne responsable d'une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou au sein d'une entreprise qui appartient au même groupe. La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.".
"De même, la Banque consulte préalablement les autorités visées à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, aux fins d'évaluer les qualités requises des actionnaires, des dirigeants et des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes conformément aux articles 18, 19 en 35, lorsque l'actionnaire est une entreprise respectivement visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou que la personne participant à la direction de l'établissement de crédit prend part également à la direction de l'une des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou d'une entreprise qui appartient au même groupe, ou que la personne responsable d'une fonction de contrôle indépendante exerce une telle fonction au sein des entreprises visées respectivement à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 ou au sein d'une entreprise qui appartient au même groupe. La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.".
Art.297. In artikel 14/1, derde lid van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 juli 2021, worden de woorden "Boek XII" vervangen door de woorden "de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen".
Art.297. Dans l'article 14/1, alinéa 3 de la même loi, inséré par la loi du 11 juillet 2021, les mots "du Livre XII" sont remplacés par les mots "de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses".
Art.298. In artikel 17 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere kredietinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere kredietinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
Art.298. Dans l'article 17 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de crédit constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la partie fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.".
"Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de crédit constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la partie fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.".
Art.299. Artikel 20, § 1, eerste lid, 2° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt aangevuld als volgt:
"z/11) artikel 239 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;".
"z/11) artikel 239 van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;".
Art.299. L'article 20, § 1er, alinéa 1er, 2° de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, est complété par ce qui suit :
"z/11) l'article 239 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;".
"z/11) l'article 239 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;".
Art.300. In artikel 21, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° worden in de Nederlandse tekst de woorden "op die leidingen die" vervangen door de woorden "op die leiding, en die";
2° in de bepaling onder 2° wordt in de Nederlandse tekst het woord "controlesysteeem" vervangen door het woord "controlesysteem";
3° in de bepaling onder 4° wordt in de Nederlandse tekst het woord "interneauditfunctie" vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
4° de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
"8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling;".
1° in de bepaling onder 1° worden in de Nederlandse tekst de woorden "op die leidingen die" vervangen door de woorden "op die leiding, en die";
2° in de bepaling onder 2° wordt in de Nederlandse tekst het woord "controlesysteeem" vervangen door het woord "controlesysteem";
3° in de bepaling onder 4° wordt in de Nederlandse tekst het woord "interneauditfunctie" vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
4° de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
"8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling;".
Art.300. Dans l'article 21, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, au 1°, les mots "op die leidingen die" sont remplacés par les mots "op die leiding, en die" ;
2° dans le texte néerlandais, au 2°, le mot "controlesysteeem" est remplacé par le mot "controlesysteem" ;
3° dans le texte néerlandais, au 4°, le mot "interneauditfunctie" est remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
4° le 8° est remplacé par ce qui suit :
"8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement ;".
1° dans le texte néerlandais, au 1°, les mots "op die leidingen die" sont remplacés par les mots "op die leiding, en die" ;
2° dans le texte néerlandais, au 2°, le mot "controlesysteeem" est remplacé par le mot "controlesysteem" ;
3° dans le texte néerlandais, au 4°, le mot "interneauditfunctie" est remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
4° le 8° est remplacé par ce qui suit :
"8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement ;".
Art.301. Artikel 27 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 27 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
"Art. 27. Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere kredietinstelling binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een risicocomité;
3° een remuneratiecomité;
4° een benoemingscomité,
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn; een lid mag niet in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen.
De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 3, 83°. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
Het risico-, remuneratie- en benoemingscomité hebben elk ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 3, 83°. ".
"Art. 27. Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere kredietinstelling binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een risicocomité;
3° een remuneratiecomité;
4° een benoemingscomité,
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn; een lid mag niet in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen.
De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 3, 83°. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
Het risico-, remuneratie- en benoemingscomité hebben elk ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 3, 83°. ".
Art.301. L'article 27 de la même loi, remplacé par la loi du 27 juin 2021, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 27. Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les établissements de crédit constituent, au sein de cet organe, les comités suivants :
1° un comité d'audit ;
2° un comité des risques ;
3° un comité de rémunération ;
4° un comité de nomination,
exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs, un membre ne pouvant pas siéger dans plus de trois des comités précités.
Les membres du comité d'audit sont en majorité indépendants au sens de l'article 3, 83° et son président est désigné par ses membres.
Les comités des risques, de rémunération et de nomination comprennent au moins un membre indépendant au sens de l'article 3, 83°. ".
"Art. 27. Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les établissements de crédit constituent, au sein de cet organe, les comités suivants :
1° un comité d'audit ;
2° un comité des risques ;
3° un comité de rémunération ;
4° un comité de nomination,
exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs, un membre ne pouvant pas siéger dans plus de trois des comités précités.
Les membres du comité d'audit sont en majorité indépendants au sens de l'article 3, 83° et son président est désigné par ses membres.
Les comités des risques, de rémunération et de nomination comprennent au moins un membre indépendant au sens de l'article 3, 83°. ".
Art.302. In artikel 28 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "minstens één lid van het auditcomité beschikt" vervangen door de woorden "beschikt minstens één lid van het auditcomité";
2° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "opgenomen taken" vervangen door de woorden "bepaalde taken";
3° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden "op technische punten" geschrapt;
4° in paragraaf 3 wordt het woord "erkend" geschrapt.
1° in paragraaf 1 worden de woorden "minstens één lid van het auditcomité beschikt" vervangen door de woorden "beschikt minstens één lid van het auditcomité";
2° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "opgenomen taken" vervangen door de woorden "bepaalde taken";
3° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden "op technische punten" geschrapt;
4° in paragraaf 3 wordt het woord "erkend" geschrapt.
Art.302. L'article 28 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, les mots "minstens één lid van het auditcomité beschikt" sont remplacés par les mots "beschikt minstens één lid van het auditcomité" ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "missions reprises sous" sont remplacés par les mots "missions prévues par" ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "sur des points d'ordre technique" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 3, le mot "agréé" est abrogé.
1° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, les mots "minstens één lid van het auditcomité beschikt" sont remplacés par les mots "beschikt minstens één lid van het auditcomité" ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "missions reprises sous" sont remplacés par les mots "missions prévues par" ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "sur des points d'ordre technique" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 3, le mot "agréé" est abrogé.
Art.303. In artikel 29, § 3 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "aan hem" vervangen door het woord "aan het comité".
Art.303. Dans l'article 29, § 3 de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "aan hem" sont remplacés par le mot "aan het comité".
Art.304. In artikel 31, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1° wordt het woord "van" ingevoegd tussen de woorden "het beoordelen" en de woorden "hoeveel tijd";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van de besluitvormingsorganen niet domineert op een wijze die de collegialiteit van die organen aantast of die de belangen van de instelling in haar geheel schaadt.";
3° in het derde lid worden de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken".
1° in het eerste lid, 1° wordt het woord "van" ingevoegd tussen de woorden "het beoordelen" en de woorden "hoeveel tijd";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van de besluitvormingsorganen niet domineert op een wijze die de collegialiteit van die organen aantast of die de belangen van de instelling in haar geheel schaadt.";
3° in het derde lid worden de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken".
Art.304. Dans l'article 31, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 1er, 1°, le mot "van" est inséré entre les mots "het beoordelen" et les mots "hoeveel tijd" ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein des organes décisionnels ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui porte atteinte à la collégialité de ces organes ou qui soit préjudiciable aux intérêts de l'établissement dans son ensemble." ;
3° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 3, les mots "gebruik maken" sont remplacés par le mot "gebruikmaken".
1° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 1er, 1°, le mot "van" est inséré entre les mots "het beoordelen" et les mots "hoeveel tijd" ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein des organes décisionnels ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui porte atteinte à la collégialité de ces organes ou qui soit préjudiciable aux intérêts de l'établissement dans son ensemble." ;
3° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 3, les mots "gebruik maken" sont remplacés par le mot "gebruikmaken".
Art.305. In artikel 36, § 2, tweede lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, wordt het woord "hij" vervangen door het woord "het".
Art.305. Dans l'article 36, § 2, alinéa 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, dans le texte néerlandais, le mot "hij" est remplacé par le mot "het".
Art.306. In artikel 37, § 2 van dezelfde wet wordt in de Nederlandse tekst het woord "is" vervangen door het woord "zijn".
Art.306. Dans l'article 37, § 2 de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot "is" est remplacé par le mot "zijn".
Art.307. In artikel 39 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het woord "interneauditfunctie" wordt telkens vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
2° in paragraaf 1 worden de woorden ", dat zij een onbeperkt recht op toegang tot informatie heeft" ingevoegd tussen de woorden "onafhankelijk is" en de woorden "en dat haar taken".
1° het woord "interneauditfunctie" wordt telkens vervangen door de woorden "interne auditfunctie";
2° in paragraaf 1 worden de woorden ", dat zij een onbeperkt recht op toegang tot informatie heeft" ingevoegd tussen de woorden "onafhankelijk is" en de woorden "en dat haar taken".
Art.307. Dans l'article 39 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, le mot "interneauditfunctie" est, à chaque fois, remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
2° dans le paragraphe 1er, les mots ", ses prérogatives illimitées d'accès à l'information" sont insérés entre lest mots "audit interne" et les mots "et l'étendue de ses missions".
1° dans le texte néerlandais, le mot "interneauditfunctie" est, à chaque fois, remplacé par les mots "interne auditfunctie" ;
2° dans le paragraphe 1er, les mots ", ses prérogatives illimitées d'accès à l'information" sont insérés entre lest mots "audit interne" et les mots "et l'étendue de ses missions".
Art.308. In artikel 41, § 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste streepje worden de woorden "de relevante personen op wie" vervangen door de woorden "de personen op wie";
2° in het derde streepje worden de woorden "waaronder de relevante personen" vervangen door de woorden "waaronder de betrokken personen".
1° in het eerste streepje worden de woorden "de relevante personen op wie" vervangen door de woorden "de personen op wie";
2° in het derde streepje worden de woorden "waaronder de relevante personen" vervangen door de woorden "waaronder de betrokken personen".
Art.308. Dans l'article 41, § 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier tiret, les mots "les personnes concernées auxquelles" sont remplacés par les mots "les personnes auxquelles" ;
2° au troisième tiret, dans le texte néerlandais, les mots "waaronder de relevante personen" sont remplacés par les mots "waaronder de betrokken personen".
1° au premier tiret, les mots "les personnes concernées auxquelles" sont remplacés par les mots "les personnes auxquelles" ;
2° au troisième tiret, dans le texte néerlandais, les mots "waaronder de relevante personen" sont remplacés par les mots "waaronder de betrokken personen".
Art.309. Artikel 42/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 21 november 2017, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De persoon die verantwoordelijk is voor de naleving door de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten, is eveneens verantwoordelijk voor de naleving door de kredietinstelling van haar verplichtingen betreffende de vrijwaring van geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 65 en 74/1 en de reglementaire bepalingen die met toepassing van die artikelen zijn vastgesteld."
"De persoon die verantwoordelijk is voor de naleving door de kredietinstelling in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 2° van haar verplichtingen met betrekking tot de vrijwaring van de financiële instrumenten van haar cliënten, is eveneens verantwoordelijk voor de naleving door de kredietinstelling van haar verplichtingen betreffende de vrijwaring van geldmiddelen van haar cliënten overeenkomstig de artikelen 65 en 74/1 en de reglementaire bepalingen die met toepassing van die artikelen zijn vastgesteld."
Art.309. L'article 42/1 de la même loi, inséré par la loi du 21 novembre 2017, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"La personne responsable du respect par l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de ses clients est également responsable du respect par cette établissement de ses obligations concernant la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 65 et 74/1 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.".
"La personne responsable du respect par l'établissement de crédit au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2° de ses obligations concernant la sauvegarde des instruments financiers de ses clients est également responsable du respect par cette établissement de ses obligations concernant la sauvegarde des fonds de ses clients conformément aux articles 65 et 74/1 et aux dispositions réglementaires prises en application desdits articles.".
Art.310. In artikel 47, tweede lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de woorden "in paragraaf 3" vervangen door de woorden "in artikel 48".
Art.310. Dans l'article 47, alinéa 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les mots "au paragraphe 3" sont remplacés par les mots "à l'article 48".
Art.311. In artikel 53, derde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de woorden "ten minste eens" vervangen door de woorden "minstens eenmaal".
Art.311. Dans l'article 53, alinéa 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, dans le texte néerlandais, les mots "ten minste eens" sont remplacés par les mots "minstens eenmaal".
Art.312. Artikel 55 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Elke verhoging van het in artikel 17, lid 4 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van genoemd wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van dit vast gedeelte, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder.".
" § 2. Elke verhoging van het in artikel 17, lid 4 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van genoemd wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van dit vast gedeelte, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de toezichthouder.".
Art.312. L'article 55 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 13, alinéa 4 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.
Les articles 7:208, 7:209 et 7:210 dudit Code sont applicables, par analogie, à toute réduction de cette part fixe, qui requiert l'accord préalable de l'autorité de contrôle.".
" § 2. Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 13, alinéa 4 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.
Les articles 7:208, 7:209 et 7:210 dudit Code sont applicables, par analogie, à toute réduction de cette part fixe, qui requiert l'accord préalable de l'autorité de contrôle.".
Art.313. In artikel 56, § 5 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de woorden "kan het een beroep doen" vervangen door de woorden "doet het een beroep".
Art.313. Dans l'article 56, § 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les mots "peut recourir" sont remplacés par le mot "recourt".
Art.314. Artikel 57, § 3 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.314. L'article 57, § 3 de la même loi est abrogé.
Art.315. In artikel 58, § 1 van dezelfde wet worden de woorden "in overeenstemming is" vervangen door de woorden "in overeenstemming zijn".
Art.315. Dans l'article 58, § 1er de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "in overeenstemming is" sont remplacés par les mots "in overeenstemming zijn".
Art.316. Artikel 59 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt aangevuld met een paragraaf, luidende:
" § 5. Voor de toepassing van artikel 57 delen het directiecomité en de personen die belast zijn met de effectieve leiding aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de instelling en de wijzigingen daarin."
" § 5. Voor de toepassing van artikel 57 delen het directiecomité en de personen die belast zijn met de effectieve leiding aan het wettelijk bestuursorgaan passende informatie mee over alle significante risico's en over alle beleidslijnen inzake beheer en beheersing van de significante risico's van de instelling en de wijzigingen daarin."
Art.316. L'article 59 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, est complété par un paragraphe rédigé comme suit :
" § 5. Aux fins de l'article 57, le comité de direction et les personnes chargées de la direction effective communiquent à l'organe légal d'administration les informations appropriées portant sur l'ensemble des risques significatifs, des politiques de gestion et de maîtrise des risques significatifs de l'établissement et des modifications apportées à celles-ci.".
" § 5. Aux fins de l'article 57, le comité de direction et les personnes chargées de la direction effective communiquent à l'organe légal d'administration les informations appropriées portant sur l'ensemble des risques significatifs, des politiques de gestion et de maîtrise des risques significatifs de l'établissement et des modifications apportées à celles-ci.".
Art.317. In artikel 59/1, § 1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "naar aanleiding van" vervangen door de woorden "in het kader van";
2° in het vierde lid worden in de Franse tekst de woorden "conflit d'intérêt" vervangen door de woorden "conflit d'intérêts".
1° in het eerste lid worden de woorden "naar aanleiding van" vervangen door de woorden "in het kader van";
2° in het vierde lid worden in de Franse tekst de woorden "conflit d'intérêt" vervangen door de woorden "conflit d'intérêts".
Art.317. Dans l'article 59/1, § 1er de la même loi, inséré par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, dans le texte néerlandais, les mots "naar aanleiding van" sont remplacés par les mots "in het kader van" ;
2° dans l'alinéa 4, les mots "conflit d'intérêt" sont remplacés par les mots "conflit d'intérêts".
1° dans l'alinéa 1er, dans le texte néerlandais, les mots "naar aanleiding van" sont remplacés par les mots "in het kader van" ;
2° dans l'alinéa 4, les mots "conflit d'intérêt" sont remplacés par les mots "conflit d'intérêts".
Art.318. In artikel 62 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden ", of een vereniging";
2° in paragraaf 3, tweede lid wordt de Nederlandse tekst vervangen als volgt:
"De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.";
3° in paragraaf 5 worden de woorden ", voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de kredietinstelling en" geschrapt;
4° in paragraaf 6 worden de woorden "voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de kredietinstelling en" geschrapt;
5° in paragraaf 9 wordt het derde lid opgeheven.
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden ", of een vereniging";
2° in paragraaf 3, tweede lid wordt de Nederlandse tekst vervangen als volgt:
"De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd.";
3° in paragraaf 5 worden de woorden ", voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de kredietinstelling en" geschrapt;
4° in paragraaf 6 worden de woorden "voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de kredietinstelling en" geschrapt;
5° in paragraaf 9 wordt het derde lid opgeheven.
Art.318. Dans l'article 62 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 2, les mots "ou encore d'une association" sont ajoutés entre les mots "industrielle, commerciale ou financière," et les mots "aux conditions et dans les limites prévues" ;
2° dans le texte néerlandais, le paragraphe 3, alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd." ;
3° dans le paragraphe 5, les mots ", pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que l'établissement de crédit" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 6, les mots ", pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que l'établissement de crédit," sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 9, l'alinéa 3 est abrogé.
1° dans le paragraphe 2, les mots "ou encore d'une association" sont ajoutés entre les mots "industrielle, commerciale ou financière," et les mots "aux conditions et dans les limites prévues" ;
2° dans le texte néerlandais, le paragraphe 3, alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"De Bank bepaalt bij reglement vastgesteld overeenkomstig artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 hoe die verplichtingen ten uitvoer worden gelegd." ;
3° dans le paragraphe 5, les mots ", pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que l'établissement de crédit" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 6, les mots ", pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que l'établissement de crédit," sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 9, l'alinéa 3 est abrogé.
Art.319. In artikel 64, vijfde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden in de Franse tekst de woorden "que l'établissement est incapable d'enregistrer ou de copier" vervangen door de woorden "à propos duquel l'établissement est incapable d'effectuer un enregistrement ou une copie".
Art.319. Dans l'article 64, alinéa 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, dans le texte français, les mots "que l'établissement est incapable d'enregistrer ou de copier" sont remplacés par les mots "à propos duquel l'établissement est incapable d'effectuer un enregistrement ou une copie".
Art.320. In artikel 65 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden in de Nederlandse tekst de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in geval van haar insolventie" vervangen door de woorden ", met name wanneer er tegen haar een liquidatieprocedure is geopend".
1° in paragraaf 1 worden in de Nederlandse tekst de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "in geval van haar insolventie" vervangen door de woorden ", met name wanneer er tegen haar een liquidatieprocedure is geopend".
Art.320. Dans l'article 65 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, dans le texte néerlandais, les mots "gebruik maken" sont remplacés par le mot "gebruikmaken" ;
2° dans le paragraphe 3, les mots "en cas d'insolvabilité de l'établissement" sont remplacés par les mots "en particulier en cas de procédure de liquidation d'établissement".
1° dans le paragraphe 1er, dans le texte néerlandais, les mots "gebruik maken" sont remplacés par le mot "gebruikmaken" ;
2° dans le paragraphe 3, les mots "en cas d'insolvabilité de l'établissement" sont remplacés par les mots "en particulier en cas de procédure de liquidation d'établissement".
Art.321. Artikel 65/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 65/1. § 1. De kredietinstellingen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliënt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliënten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.
Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen.
§ 2. De kredietinstellingen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
§ 3. De Koning kan, na advies van de Bank, de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen.".
"Art. 65/1. § 1. De kredietinstellingen moeten alle gegevens en rekeningen bijhouden die noodzakelijk zijn om hen op elk ogenblik in staat te stellen de tegoeden die voor een cliënt worden aangehouden onmiddellijk te onderscheiden van de tegoeden die voor andere cliënten worden aangehouden, en van hun eigen tegoeden.
Deze gegevens en rekeningen moeten op zodanige wijze worden bijgehouden dat zij steeds accuraat zijn en inzonderheid de voor cliënten aangehouden financiële instrumenten en gelden weerspiegelen.
§ 2. De kredietinstellingen moeten op gezette tijden nagaan of hun interne rekeningen en gegevens overeenstemmen met die van eventuele derde bemiddelaars die deze tegoeden aanhouden.
§ 3. De Koning kan, na advies van de Bank, de voorwaarden en nadere regels vaststellen voor de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vereisten, alsook, meer algemeen, vereisten aangaande de boekhoudkundige organisatie en de boekhoudregels voor het deponeren van financiële instrumenten bij kredietinstellingen.".
Art.321. L'article 65/1 de la même loi, inséré par la loi du 25 octobre 2016, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 65/1. § 1er. Les établissements de crédit doivent établir toutes les données et tenir tous les comptes nécessaires pour permettre de distinguer à tout moment et sans délai les avoirs détenus pour un client déterminé de ceux détenus pour d'autres clients ainsi que de leurs propres avoirs.
Ces données et comptes doivent être établis et tenus d'une manière assurant la fidélité et en particulier leur correspondance avec les instruments financiers et les fonds détenus pour les clients.
§ 2. Les établissements de crédit doivent effectuer régulièrement des rapprochements entre leurs comptes et données internes et ceux de tout intermédiaire tiers auprès duquel ces avoirs seraient détenus.
§ 3. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers effectués auprès d'établissements de crédit.".
"Art. 65/1. § 1er. Les établissements de crédit doivent établir toutes les données et tenir tous les comptes nécessaires pour permettre de distinguer à tout moment et sans délai les avoirs détenus pour un client déterminé de ceux détenus pour d'autres clients ainsi que de leurs propres avoirs.
Ces données et comptes doivent être établis et tenus d'une manière assurant la fidélité et en particulier leur correspondance avec les instruments financiers et les fonds détenus pour les clients.
§ 2. Les établissements de crédit doivent effectuer régulièrement des rapprochements entre leurs comptes et données internes et ceux de tout intermédiaire tiers auprès duquel ces avoirs seraient détenus.
§ 3. Le Roi peut définir, sur avis de la Banque, les conditions et modalités des exigences prévues aux paragraphes 1er et 2 ainsi que, plus généralement, les exigences en matière d'organisation comptable et de règles comptables afférentes aux dépôts d'instruments financiers effectués auprès d'établissements de crédit.".
Art.322. In artikel 65/2, § 3 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "Directive déléguée" vervangen door de woorden "Directive déléguée".
Art.322. Dans l'article 65/2, § 3 de la même loi, dans le texte français, les mots "Directive déléguée" sont remplacés par les mots "directive déléguée".
Art.323. In artikel 67, derde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden in de Franse tekst de woorden "incidence substantielle" vervangen door de woorden "incidence significative".
Art.323. Dans l'article 67, alinéa 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, dans le texte français, les mots "incidence substantielle" sont remplacés par les mots "incidence significative".
Art.324. In artikel 68 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "conditions travail" vervangen door de woorden "conditions de travail".
Art.324. Dans l'article 68 de la même loi, dans le texte français, les mots "conditions travail" sont remplacés par les mots "conditions de travail".
Art.325. In artikel 75, § 1, eerste lid van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "bepaalt de toezichthouder, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998," worden vervangen door de woorden "kan de toezichthouder bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepalen";
2° het woord "eigenvermogensbehoeften" wordt vervangen door de woorden "eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften".
1° de woorden "bepaalt de toezichthouder, in voorkomend geval bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998," worden vervangen door de woorden "kan de toezichthouder bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998 bepalen";
2° het woord "eigenvermogensbehoeften" wordt vervangen door de woorden "eigenvermogens- en liquiditeitsbehoeften".
Art.325. Dans l'article 75, § 1er alinéa 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "détermine, le cas échéant par" est remplacé par les mots "peut déterminer, par" ;
2° les mots "et de liquidité" sont insérés entre les mots "besoins en fonds propres" et les mots "par référence aux exigences".
1° les mots "détermine, le cas échéant par" est remplacé par les mots "peut déterminer, par" ;
2° les mots "et de liquidité" sont insérés entre les mots "besoins en fonds propres" et les mots "par référence aux exigences".
Art.326. In artikel 75/2, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2020, wordt in de Nederlandse tekst het woord "rapportage" vervangen door het woord "rapportering".
Art.326. Dans l'article 75/2, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 28 avril 2020, dans le texte néerlandais, le mot "rapportage" est remplacé par le mot "rapportering".
Art.327. In artikel 78 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "is aan derden tegenstelbaar" vervangen door de woorden "is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet,";
2° in het tweede lid worden de woorden ", met name" ingevoegd tussen de woorden "nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren" en de woorden "krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.".
1° in het eerste lid worden de woorden "is aan derden tegenstelbaar" vervangen door de woorden "is tegenstelbaar aan derden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet,";
2° in het tweede lid worden de woorden ", met name" ingevoegd tussen de woorden "nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren" en de woorden "krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de kredietinstelling en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de kredietinstelling opeisbaar maken.".
Art.327. A l'article 78 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots ", en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi" sont ajoutés entre les mots "aux tiers" et les mots "dès la publication au Moniteur belge de cette autorisation" ;
2° à l'alinéa 2, les mots ", notamment" sont insérés entre les mots "d'une nullité ou inopposabilité" et les mots "en vertu de l'article 1167 du Code civil" ;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de crédit et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de crédit.".
1° à l'alinéa 1er, les mots ", en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi" sont ajoutés entre les mots "aux tiers" et les mots "dès la publication au Moniteur belge de cette autorisation" ;
2° à l'alinéa 2, les mots ", notamment" sont insérés entre les mots "d'une nullité ou inopposabilité" et les mots "en vertu de l'article 1167 du Code civil" ;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'établissement de crédit et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'établissement de crédit.".
Art.328. In artikel 86 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook, voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de financiële instrumenten, de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.".
"Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen werkzaamheden wordt vermeld, evenals gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de effectieve leiders van het bijkantoor en, in voorkomend geval, van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van het bijkantoor, alsook, voor de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 2°, de financiële instrumenten, de beleggingsdiensten en/of -activiteiten en de nevendiensten die het bijkantoor voornemens is te verrichten, en of het bijkantoor van plan is een beroep te doen op verbonden agenten.".
Art.328. Dans l'article 86 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 octobre 2016, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d'opérations envisagées, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné et le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes, ainsi que, en ce qui concerne les établissements de crédit visés à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les instruments financiers, les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires que la succursale envisage de fournir ou d'exercer et si la succursale prévoit de recourir à des agents liés.".
"Cette notification est assortie d'un programme d'activités dans lequel sont notamment indiqués les catégories d'opérations envisagées, la structure de l'organisation de la succursale, la domiciliation de la correspondance dans l'Etat concerné et le nom des dirigeants effectifs de la succursale et, le cas échéant, de ses responsables des fonctions de contrôle indépendantes, ainsi que, en ce qui concerne les établissements de crédit visés à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 2°, les instruments financiers, les services et/ou activités d'investissement et les services auxiliaires que la succursale envisage de fournir ou d'exercer et si la succursale prévoit de recourir à des agents liés.".
Art.329. In artikel 106, § 3, eerste lid van dezelfde wet wordt in de Nederlandse tekst het woord "genomen" vervangen door het woord "vastgestelde".
Art.329. Dans l'article 106, § 3, alinéa 1er de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot "genomen" est remplacé par le mot "vastgestelde".
Art.330. In artikel 113, § 4, eerste lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 maart 2018, wordt in de Nederlandse tekst het woord "financieringvoorwaarden" vervangen door het woord "financieringsvoorwaarden".
Art.330. Dans l'article 113, § 4, alinéa 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 mars 2018, dans le texte néerlandais, le mot "financieringvoorwaarden" est remplacé par le mot "financieringsvoorwaarden".
Art.331. In artikel 115, § 1, derde lid van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "attention particulière sur l'adéquation" vervangen door de woorden "attention particulière à l'adéquation".
Art.331. Dans l'article 115, § 1er, alinéa 3 de la même loi, dans le texte français, les mots "attention particulière sur l'adéquation" sont remplacés par les mots "attention particulière à l'adéquation".
Art.332. In artikel 144, § 2 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken".
Art.332. Dans l'article 144, § 2 de la même loi, dans le texte néerlandais, les mots "gebruik maken" sont remplacés par le mot "gebruikmaken".
Art.333. In artikel 156, § 1, eerste lid van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden" worden vervangen door de woorden "omvat eveneens de werkzaamheden";
2° de woorden "een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat" worden vervangen door de woorden "bijkantoren of het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten".
1° de woorden "heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden" worden vervangen door de woorden "omvat eveneens de werkzaamheden";
2° de woorden "een bijkantoor of het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat" worden vervangen door de woorden "bijkantoren of het vrij verrichten van diensten in andere lidstaten".
Art.333. Dans l'article 156, § 1er, alinéa 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "porte également sur les activités" sont remplacés par les mots "appréhende également les activités" ;
2° les mots "succursale ou de libre prestation de services dans un autre Etat membre" sont remplacés par les mots "succursales ou de libre prestation de services dans d'autres Etats membres".
1° les mots "porte également sur les activités" sont remplacés par les mots "appréhende également les activités" ;
2° les mots "succursale ou de libre prestation de services dans un autre Etat membre" sont remplacés par les mots "succursales ou de libre prestation de services dans d'autres Etats membres".
Art.334. In artikel 158 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de eigendom" vervangen door de woorden "de aandeelhoudersstructuur";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "een liquiditeitsspanning" telkens vervangen door de woorden "een ernstig liquiditeitsprobleem";
3° in paragraaf 4, tweede lid wordt het woord "inbreuken" vervangen door het woord "tekortkomingen".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "de eigendom" vervangen door de woorden "de aandeelhoudersstructuur";
2° in paragraaf 3 worden de woorden "een liquiditeitsspanning" telkens vervangen door de woorden "een ernstig liquiditeitsprobleem";
3° in paragraaf 4, tweede lid wordt het woord "inbreuken" vervangen door het woord "tekortkomingen".
Art.334. Dans l'article 158 de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "la propriété" sont remplacés par les mots "l'actionnariat" ;
2° dans le paragraphe 3, les mots "une crise de liquidité" sont remplacés par les mots "un problème grave de liquidité" ;
3° dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots "de nouvelles infractions" sont remplacés par les mots "de nouveaux manquements".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "la propriété" sont remplacés par les mots "l'actionnariat" ;
2° dans le paragraphe 3, les mots "une crise de liquidité" sont remplacés par les mots "un problème grave de liquidité" ;
3° dans le paragraphe 4, alinéa 2, les mots "de nouvelles infractions" sont remplacés par les mots "de nouveaux manquements".
Art.335. In artikel 183/1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de woorden "artikel 165, 2° " vervangen door de woorden "artikel 165, § 1, 2° ".
Art.335. Dans l'article 183/1 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les mots "l'article 165, 2° " sont remplacés par les mots "l'article 165, § 1er, 2° ".
Art.336. In artikel 209 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.336. Dans l'article 209 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, dans le texte français, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.337. In artikel 210, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden in de Franse tekst de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de inleidende zin wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire visée au Code des sociétés est:";
2° in de bepaling onder 1° worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
1° de inleidende zin wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire visée au Code des sociétés est:";
2° in de bepaling onder 1° worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.337. Dans l'article 210, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, dans le texte français, les modifications suivantes sont apportées :
1° la phrase introductive est remplacée par cet qui suit :
"La mission de commissaire visée au Code des sociétés est :" ;
2° au 1°, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
1° la phrase introductive est remplacée par cet qui suit :
"La mission de commissaire visée au Code des sociétés est :" ;
2° au 1°, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.338. In artikel 220 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les établissements de crédit de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222.";
2° in het tweede lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
3° in het derde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les établissements de crédit de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222.";
2° in het tweede lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
3° in het derde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.338. Dans l'article 220 de la même loi, dans le texte français, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les établissements de crédit de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222." ;
2° à l'alinéa 2 les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacés par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
3° à l'alinéa 3, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les établissements de crédit de droit belge, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 222." ;
2° à l'alinéa 2 les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacés par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
3° à l'alinéa 3, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.339. In artikel 221 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions de commissaire prévues" vervangen door de woorden "la mission de commissaire prévue" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission";
2° in het eerste lid wordt de eerste zin, die aanvangt met de woorden "Erkende revisorenvennootschappen" en eindigt met de woorden "die zij aanduiden.", vervangen als volgt:"Erkende revisorenvennootschappen doen voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 220 een beroep op een erkende revisor die zij aanduiden overeenkomstig artikel 3:60 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.".
1° in het eerste lid worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions de commissaire prévues" vervangen door de woorden "la mission de commissaire prévue" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission";
2° in het eerste lid wordt de eerste zin, die aanvangt met de woorden "Erkende revisorenvennootschappen" en eindigt met de woorden "die zij aanduiden.", vervangen als volgt:"Erkende revisorenvennootschappen doen voor de uitoefening van de opdracht van commissaris als bedoeld in artikel 220 een beroep op een erkende revisor die zij aanduiden overeenkomstig artikel 3:60 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen.".
Art.339. Dans l'article 221 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte français, à l'alinéa 1er, les mots "les fonctions de commissaire prévues" sont remplacés par les mots "la mission de commissaire prévue" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission" ;
2° à l'alinéa 1er, les mots "et conformément à l'article 6 de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises" sont remplacés par les mots "conformément à l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations".
1° dans le texte français, à l'alinéa 1er, les mots "les fonctions de commissaire prévues" sont remplacés par les mots "la mission de commissaire prévue" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission" ;
2° à l'alinéa 1er, les mots "et conformément à l'article 6 de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises" sont remplacés par les mots "conformément à l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations".
Art.340. In artikel 222, derde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 maart 2018, worden in de Franse tekst de woorden "ses fonctions" vervangen door de woorden "sa mission".
Art.340. Dans l'article 222, alinéa 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 mars 2018, dans le texte français, les mots "ses fonctions" sont remplacés par les mots "sa mission".
Art.341. In artikel 224, eerste lid van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission".
Art.341. Dans l'article 224, alinéa 1er de la même loi, dans le texte français, les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission".
Art.342. In artikel 225 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 4°, b) worden in de Nederlandse tekst de woorden "deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen" vervangen door de woorden "deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen";
2° in het vijfde lid worden in de Nederlandse tekst de woorden "het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten" vervangen door de woorden "de controles en onderzoeken verrichten";
3° in het vijfde lid worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission".
1° in het eerste lid, 4°, b) worden in de Nederlandse tekst de woorden "deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen" vervangen door de woorden "deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen";
2° in het vijfde lid worden in de Nederlandse tekst de woorden "het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten" vervangen door de woorden "de controles en onderzoeken verrichten";
3° in het vijfde lid worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission".
Art.342. Dans l'article 225 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 1er, 4°, b) les mots "deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen" sont remplacés par les mots "deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen" ;
2° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 5 les mots "het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten" sont remplacés par les mots "de controles en onderzoeken verrichten" ;
3° dans le texte français, dans l'alinéa 5 les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission".
1° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 1er, 4°, b) les mots "deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen" sont remplacés par les mots "deze wet en haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen" ;
2° dans le texte néerlandais, dans l'alinéa 5 les mots "het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten" sont remplacés par les mots "de controles en onderzoeken verrichten" ;
3° dans le texte français, dans l'alinéa 5 les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission".
Art.343. In artikel 234 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
"Art. 234. § 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402;
3° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
4° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.";
2° in paragraaf 2, 4° worden in de Franse tekst de woorden "aux actionnaires et aux titulaires" vervangen door de woorden "aux actionnaires et titulaires";
3° in paragraaf 2, 6° worden de woorden "specifieke liquiditeitsnormen" vervangen door de woorden "specifieke liquiditeitsvereisten";
4° in paragraaf 2, 11° wordt in de Nederlandse tekst het woord "gelasten" vervangen door het woord "opleggen".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
"Art. 234. § 1. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een kredietinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer hij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402;
3° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
4° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in punt 2° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 3° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt hij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.";
2° in paragraaf 2, 4° worden in de Franse tekst de woorden "aux actionnaires et aux titulaires" vervangen door de woorden "aux actionnaires et titulaires";
3° in paragraaf 2, 6° worden de woorden "specifieke liquiditeitsnormen" vervangen door de woorden "specifieke liquiditeitsvereisten";
4° in paragraaf 2, 11° wordt in de Nederlandse tekst het woord "gelasten" vervangen door het woord "opleggen".
Art.343. Dans l'article 234 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
"Art. 234. § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou lorsqu'il dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des 12 prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014 ou du Règlement 2017/565 ou les articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ;
3° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
4° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 3°,
l'autorité de contrôle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation." ;
2° dans le paragraphe 2, 4°, dans le texte français, les mots "aux actionnaires et aux titulaires" sont remplacés par les mots "aux actionnaires et titulaires" ;
3° dans le paragraphe 2, 6°, les mots "normes spécifiques de liquidité" est remplacé par les mots "exigences spécifiques de liquidité" ;
4° dans le paragraphe 2, 11°, dans le texte néerlandais, le mot "gelasten" est remplacé par le mot "opleggen".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
"Art. 234. § 1er. Lorsque l'autorité de contrôle constate qu'un établissement de crédit ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou lorsqu'il dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des 12 prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014 ou du Règlement 2017/565 ou les articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ;
3° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
4° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 3°,
l'autorité de contrôle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation." ;
2° dans le paragraphe 2, 4°, dans le texte français, les mots "aux actionnaires et aux titulaires" sont remplacés par les mots "aux actionnaires et titulaires" ;
3° dans le paragraphe 2, 6°, les mots "normes spécifiques de liquidité" est remplacé par les mots "exigences spécifiques de liquidité" ;
4° dans le paragraphe 2, 11°, dans le texte néerlandais, le mot "gelasten" est remplacé par le mot "opleggen".
Art.344. In artikel 235 van dezelfde wet wordt in de Nederlandse tekst het woord "herstelpan" vervangen door het woord "herstelplan".
Art.344. Dans l'article 235 de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot "herstelpan" est remplacé par "herstelplan".
Art.345. In artikel 236 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de kredietinstelling, binnen een termijn die hij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De toezichthouder maakt zijn beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de toezichthouder een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
Mits de toezichthouder hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de toezichthouder om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De kredietinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De toezichthouder kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de kredietinstelling ten aanzien waarvan hij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de betrokken instelling.
De toezichthouder kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;";
2° in paragraaf 1, 5° worden in de Nederlandse tekst de woorden "Verordening nr. 575/2013; artikel 54, tweede lid, is van toepassing;" vervangen door de woorden "Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing;";
3° in paragraaf 1, 5° /1 worden in de Nederlandse tekst de woorden "lid 1" vervangen door de woorden "eerste lid";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "eerste lid," geschrapt;
5° paragraaf 7 wordt opgeheven.
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de kredietinstelling, binnen een termijn die hij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling ontslaan, of in de plaats van een deel van of van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De toezichthouder maakt zijn beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de toezichthouder een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
Mits de toezichthouder hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de toezichthouder om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De kredietinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De toezichthouder kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de kredietinstelling ten aanzien waarvan hij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de toezichthouder en gedragen door de betrokken instelling.
De toezichthouder kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;";
2° in paragraaf 1, 5° worden in de Nederlandse tekst de woorden "Verordening nr. 575/2013; artikel 54, tweede lid, is van toepassing;" vervangen door de woorden "Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing;";
3° in paragraaf 1, 5° /1 worden in de Nederlandse tekst de woorden "lid 1" vervangen door de woorden "eerste lid";
4° in paragraaf 5 worden de woorden "eerste lid," geschrapt;
5° paragraaf 7 wordt opgeheven.
Art.345. Dans l'article 236 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par la disposition suivante :
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit ou substituer à une partie ou à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. L'autorité de contrôle publie sa décision au Moniteur Belge.
Lorsque les circonstances le justifient, l'autorité de contrôle peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
Moyennant l'autorisation de l'autorité de contrôle, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de l'autorité de contrôle substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de crédit accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
L'autorité de contrôle peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de crédit faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par l'autorité de contrôle et supportée par l'établissement concerné.
L'autorité de contrôle peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;" ;
2° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, 5°, les mots "Verordening nr. 575/2013 ; artikel 54, tweede lid, is van toepassing ;" sont remplacés par les mots "Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing ;" ;
3° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, 5° /1, les mots "lid 1" sont remplacés par les mots "eerste lid" ;
4° dans le paragraphe 5, les mots "alinéa 1er," sont supprimés ;
5° le paragraphe 7 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par la disposition suivante :
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de crédit ou substituer à une partie ou à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. L'autorité de contrôle publie sa décision au Moniteur Belge.
Lorsque les circonstances le justifient, l'autorité de contrôle peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
Moyennant l'autorisation de l'autorité de contrôle, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de l'autorité de contrôle substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de crédit accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
L'autorité de contrôle peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de crédit faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par l'autorité de contrôle et supportée par l'établissement concerné.
L'autorité de contrôle peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;" ;
2° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, 5°, les mots "Verordening nr. 575/2013 ; artikel 54, tweede lid, is van toepassing ;" sont remplacés par les mots "Verordening nr. 575/2013. In dat geval is artikel 54, tweede lid van toepassing ;" ;
3° dans le texte néerlandais, dans le paragraphe 1er, 5° /1, les mots "lid 1" sont remplacés par les mots "eerste lid" ;
4° dans le paragraphe 5, les mots "alinéa 1er," sont supprimés ;
5° le paragraphe 7 est abrogé.
Art.346. In Boek II, Titel VI, Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel 236/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 236/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 236, § 1 dragen voor rekening van de toezichthouder bij aan de uitoefening van zijn wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de toezichthouder met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist;
- brengen zij op verzoek van de toezichthouder, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de toezichthouder, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de kredietinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 236, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de kredietinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de toezichthouder, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
"Art. 236/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 236, § 1 dragen voor rekening van de toezichthouder bij aan de uitoefening van zijn wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de toezichthouder met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de toezichthouder vereist;
- brengen zij op verzoek van de toezichthouder, volgens de modaliteiten die hij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de toezichthouder, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de kredietinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 236, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de kredietinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de toezichthouder, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
Art.346. Dans le Livre II, Titre VI, Chapitre III de la même loi, il est inséré un article 236/1 rédigé comme suit :
"Art. 236/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 236, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de l'autorité de contrôle, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 ;
- ils suivent les instructions de l'autorité de contrôle quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de l'autorité de contrôle ;
- ils font, à la requête de l'autorité de contrôle, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de l'autorité de contrôle précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de crédit par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 236, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de crédit de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de l'autorité de contrôle exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
"Art. 236/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 236, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de l'autorité de contrôle, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 ;
- ils suivent les instructions de l'autorité de contrôle quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de l'autorité de contrôle ;
- ils font, à la requête de l'autorité de contrôle, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de l'autorité de contrôle précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de crédit par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 236, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de crédit de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de l'autorité de contrôle exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
Art.347. In artikel 326, § 2 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6° luidende:
"6° maken zij jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.";
2° het vijfde lid wordt opgeheven.
1° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 6° luidende:
"6° maken zij jaarlijks aan de toezichthouder een verklaring over waarin wordt aangegeven of zij al dan niet bijzondere mechanismen in de zin van artikel 21, § 1/1, hebben vastgesteld.";
2° het vijfde lid wordt opgeheven.
Art.347. Dans l'article 326, § 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est complété avec un 6° rédigé comme suit :
"6° ils transmettent chaque année à l'autorité de contrôle une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 21, § 1er/1." ;
2° l'alinéa 5 est abrogé.
1° l'alinéa 1er est complété avec un 6° rédigé comme suit :
"6° ils transmettent chaque année à l'autorité de contrôle une déclaration précisant s'ils ont (ou non) constaté des mécanismes particuliers au sens de l'article 21, § 1er/1." ;
2° l'alinéa 5 est abrogé.
Art.348. Artikel 333, § 1, tweede lid, 5° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, wordt vervangen als volgt:
"5° de artikelen 18 tot 22, 36, 41 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36, 41 en 42/1 voor het bijkantoor in België;".
"5° de artikelen 18 tot 22, 36, 41 en 42/1, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 18 geldt voor de kredietinstelling waaronder het bijkantoor ressorteert en de verwijzing naar de artikelen 19 tot 22, 36, 41 en 42/1 voor het bijkantoor in België;".
Art.348. L'article 333, § 1er, alinéa 2, 5° de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, est remplacé par ce qui suit :
"5° les articles 18 à 22, 36, 41 et 42/1, étant entendu que la référence faite à l'article 18 vaut pour l'établissement de crédit dont relève la succursale et que la référence faite aux articles 19 à 22, 36, 41 et 42/1 vaut pour la succursale en Belgique ;".
"5° les articles 18 à 22, 36, 41 et 42/1, étant entendu que la référence faite à l'article 18 vaut pour l'établissement de crédit dont relève la succursale et que la référence faite aux articles 19 à 22, 36, 41 et 42/1 vaut pour la succursale en Belgique ;".
Art.349. Artikel 334 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, wordt vervangen als volgt:
"Art. 334. § 1. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
1° de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;
2° de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 3;
3° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 2. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, deelt de Bank de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten op haar verzoek de volgende informatie mee betreffende deze bijkantoren:
1° de aan de bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen daarvan;
2° de schaal en reikwijdte van de door de bijkantoren verrichte diensten en activiteiten;
3° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;
4° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 3. Wanneer een bijkantoor van een kredietinstelling uit een derde land, waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, beleggingsactiviteiten verricht en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verleent, werkt de Bank nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 33° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen enerzijds en beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de EER worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 en voornoemde wet van 20 juli 2022, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.".
"Art. 334. § 1. De Bank stelt de EBA in kennis van de volgende informatie betreffende de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend:
1° de toekenning van de vergunning aan het bijkantoor en alle latere wijzigingen daarvan;
2° de totale activa en passiva van het bijkantoor, zoals gerapporteerd aan de Bank krachtens artikel 335, § 3;
3° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 2. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, deelt de Bank de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten op haar verzoek de volgende informatie mee betreffende deze bijkantoren:
1° de aan de bijkantoren verleende vergunningen en de latere wijzigingen daarvan;
2° de schaal en reikwijdte van de door de bijkantoren verrichte diensten en activiteiten;
3° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 2° bedoelde diensten en activiteiten;
4° de naam van de groep uit een derde land waar het bijkantoor deel van uitmaakt.
§ 3. Wanneer een bijkantoor van een kredietinstelling uit een derde land, waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, beleggingsactiviteiten verricht en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verleent, werkt de Bank nauw samen met de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten, de EBA, de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten bedoeld in artikel 3, 33° van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die respectievelijk zijn belast met het toezicht op kredietinstellingen en bijkantoren van kredietinstellingen enerzijds en beleggingsondernemingen en bijkantoren van beleggingsondernemingen anderzijds die deel uitmaken van de groep waartoe het bijkantoor behoort, om ervoor te zorgen dat alle activiteiten van die groep in de EER worden onderworpen aan uitgebreid, consistent en doeltreffend toezicht overeenkomstig deze wet, de wet van 25 oktober 2016 en voornoemde wet van 20 juli 2022, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2019/2033 en Verordening nr. 575/2013, en overeenkomstig de wetgeving die zorgt voor de omzetting van richtlijn 2013/36/EU, richtlijn 2014/65/EU en richtlijn 2019/2034 in de lidstaten waartoe de voornoemde autoriteiten behoren, en overeenkomstig de handelingen die ter uitvoering van deze richtlijnen zijn vastgesteld.".
Art.349. L'article 334 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, est remplacé comme suit :
"Art. 334. § 1er. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
1° l'octroi de l'agrément à la succursale et toute modification ultérieure audit agrément ;
2° le total de l'actif et du passif de la succursale, tel qu'il est communiqué à la Banque en vertu de l'article 335, § 3 ;
3° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 2. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, la Banque communique à l'Autorité européenne des marchés financiers, à la demande de celle-ci, les informations suivantes concernant ces succursales :
1° les agréments octroyés aux succursales, ainsi que les modifications ultérieures de ceux-ci ;
2° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par les succursales ;
3° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 2° ;
4° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 3. Lorsqu'une succursale d'un établissement de crédit de pays tiers agréée en application du présent Titre exerce des activités d'investissement et/ou fournit des services d'investissement ou des services auxiliaires, la Banque coopère étroitement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, l'ABE, les autorités compétentes et les autorités visées à l'article 3, 33° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses chargées respectivement de la supervision des établissements de crédit, des succursales d'établissements de crédit, des entreprises d'investissement et des succursales d'entreprises d'investissement faisant partie du groupe auquel appartient la succursale, dans le but d'assurer que toutes les activités de ce groupe dans l'EEE soient soumises à une surveillance exhaustive, cohérente et efficace conformément à la présente loi, la loi du 25 octobre 2016 et ladite loi du 20 juillet 2022, au Règlement n° 600/2014, au Règlement 2019/2033 et au Règlement n° 575/2013, et à la législation prise en vue de la transposition de la directive 2013/36/UE, de la directive 2014/65/UE et de la directive 2019/2034 dans les Etats membres dont relèvent lesdites autorités, ainsi qu'aux actes pris en exécution de celles-ci.".
"Art. 334. § 1er. La Banque notifie à l'ABE les informations suivantes concernant les succursales agréées en application du présent Titre :
1° l'octroi de l'agrément à la succursale et toute modification ultérieure audit agrément ;
2° le total de l'actif et du passif de la succursale, tel qu'il est communiqué à la Banque en vertu de l'article 335, § 3 ;
3° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 2. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, la Banque communique à l'Autorité européenne des marchés financiers, à la demande de celle-ci, les informations suivantes concernant ces succursales :
1° les agréments octroyés aux succursales, ainsi que les modifications ultérieures de ceux-ci ;
2° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par les succursales ;
3° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 2° ;
4° la dénomination sous laquelle se présente le groupe de pays tiers auquel appartient la succursale.
§ 3. Lorsqu'une succursale d'un établissement de crédit de pays tiers agréée en application du présent Titre exerce des activités d'investissement et/ou fournit des services d'investissement ou des services auxiliaires, la Banque coopère étroitement avec l'Autorité européenne des marchés financiers, l'ABE, les autorités compétentes et les autorités visées à l'article 3, 33° de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses chargées respectivement de la supervision des établissements de crédit, des succursales d'établissements de crédit, des entreprises d'investissement et des succursales d'entreprises d'investissement faisant partie du groupe auquel appartient la succursale, dans le but d'assurer que toutes les activités de ce groupe dans l'EEE soient soumises à une surveillance exhaustive, cohérente et efficace conformément à la présente loi, la loi du 25 octobre 2016 et ladite loi du 20 juillet 2022, au Règlement n° 600/2014, au Règlement 2019/2033 et au Règlement n° 575/2013, et à la législation prise en vue de la transposition de la directive 2013/36/UE, de la directive 2014/65/UE et de la directive 2019/2034 dans les Etats membres dont relèvent lesdites autorités, ainsi qu'aux actes pris en exécution de celles-ci.".
Art.350. In artikel 335 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° /1 vervangen als volgt:
"3° /1 de artikelen 65/3, 66, 67 tot 71;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.";
3° het artikel wordt aangevuld als volgt:
" § 3. De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;
2° informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;
3° de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;
4° informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;
5° informatie over het risicobeheer;
6° de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;
7° de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.
§ 4. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, delen zij de Bank ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie mee, voor zover deze informatie haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
2° voor kredietinstellingen uit derde landen die de in artikel 2, 1°, 3 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de EU;
3° voor kredietinstellingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 2, 1°, 6 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de EU die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;
4° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
5° een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 333, § 1, 6° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;
6° het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de onder 1° bedoelde diensten en activiteiten;
7° de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.".
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 3° /1 vervangen als volgt:
"3° /1 de artikelen 65/3, 66, 67 tot 71;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. De Koning bepaalt de verplichtingen en regels voor de openbaarmaking van de jaarlijkse boekhoudstaten van de bijkantoren.";
3° het artikel wordt aangevuld als volgt:
" § 3. De volgende informatie moet ten minste eenmaal per jaar aan de Bank worden gerapporteerd, voor zover ze haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de totale activa die overeenstemmen met de activiteiten van het bijkantoor;
2° informatie over de liquide activa waarover het bijkantoor beschikt, met name de beschikbaarheid van liquide activa in valuta's van de lidstaten;
3° de dotatie van eigen vermogen waarover het bijkantoor beschikt;
4° informatie over de depositobescherming die de depositohouders bij het bijkantoor genieten;
5° informatie over het risicobeheer;
6° de governanceregeling, met inbegrip van de identiteit van de leiding, van de compliancefunctie, en, in voorkomend geval, van de personen die de andere onafhankelijke controlefuncties uitoefenen voor de activiteiten van het bijkantoor;
7° de herstelplannen die betrekking hebben op het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor.
§ 4. Wanneer de bijkantoren waaraan met toepassing van deze Titel een vergunning is verleend, in België beleggingsactiviteiten verrichten en/of beleggingsdiensten of nevendiensten verlenen, delen zij de Bank ten minste eenmaal per jaar de volgende informatie mee, voor zover deze informatie haar niet reeds jaarlijks wordt verstrekt in het kader van de naleving van de verplichtingen van paragraaf 1:
1° de schaal en reikwijdte van de door het in België gevestigde bijkantoor verrichte diensten en activiteiten;
2° voor kredietinstellingen uit derde landen die de in artikel 2, 1°, 3 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde activiteit verrichten, hun maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen uit de EU;
3° voor kredietinstellingen uit derde landen die een of beide van de in artikel 2, 1°, 6 van de wet van 25 oktober 2016 vermelde diensten verlenen, de totale waarde van financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen uit de EU die de voorafgaande twaalf maanden zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst;
4° de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de in 1° bedoelde diensten en activiteiten;
5° een gedetailleerde beschrijving van de voor de cliënten van het bijkantoor beschikbare beleggersbeschermingsregeling, met inbegrip van de rechten van deze cliënten die voortvloeien uit het in artikel 333, § 1, 6° bedoelde beleggerscompensatiestelsel;
6° het beleid en de regelingen inzake risicobeheer die door het bijkantoor worden toegepast voor de onder 1° bedoelde diensten en activiteiten;
7° de governanceregelingen, met inbegrip van de personen wier beroepswerkzaamheden een significante invloed hebben op het risicoprofiel van het bijkantoor;
8° alle andere informatie die de Bank noodzakelijk acht om de activiteiten van het bijkantoor doeltreffend te kunnen monitoren.".
Art.350. Dans l'article 335 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, le 3° /1 est remplacé par ce qui suit :
"3° /1 les articles 65/3, 66, 67 à 71 ;" ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales." ;
3° l'article est complété comme suit :
" § 3. Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° le total de l'actif correspondant aux activités de la succursale ;
2° des informations sur les actifs liquides dont la succursale dispose, notamment la disponibilité d'actifs liquides en monnaies des Etats membres ;
3° le montant de la dotation en fonds propres dont la succursale dispose ;
4° des informations sur la protection des dépôts dont les déposants dans ladite succursale bénéficient ;
5° des informations sur la gestion des risques ;
6° le dispositif de gouvernance, y compris l'identité des dirigeants, de la fonction de conformité (compliance), et, le cas échéant, des personnes assurant les autres fonctions de contrôle indépendantes pour les activités de la succursale ;
7° les plans de redressement concernant la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire pour permettre un suivi complet des activités de la succursale.
§ 4. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, elles communiquent à la Banque au moins une fois par an les informations suivantes, dans la mesure où ces informations ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale située en Belgique ;
2° pour les établissements de crédit de pays tiers exerçant l'activité mentionnée à l'article 2, 1°, 3 de la loi du 25 octobre 2016, leur exposition mensuelle minimale, moyenne et maximale sur des contreparties de l'Union ;
3° pour les établissements de crédit de pays tiers fournissant l'un des services énumérés à l'article 2, 1°, 6 de la loi du 25 octobre 2016, ou les deux, la valeur totale des instruments financiers provenant de contreparties de l'Union souscrits ou placés avec engagement ferme au cours des douze derniers mois ;
4° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 1° ;
5° une description détaillée des dispositions prises en vue de protéger les investisseurs dont peuvent se prévaloir les clients de la succursale, notamment les droits conférés à ces clients par le système d'indemnisation des investisseurs visé à l'article 333, § 1er, 6° ;
6° la politique et les dispositions de gestion des risques appliquées par la succursale dans le cadre des services et des activités visés au 1° ;
7° les dispositifs de gouvernance d'entreprise, en ce compris les personnes dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire afin d'assurer un suivi effectif des activités de la succursale.".
1° dans le paragraphe 1er, le 3° /1 est remplacé par ce qui suit :
"3° /1 les articles 65/3, 66, 67 à 71 ;" ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Roi détermine les obligations et les modalités en matière de publication des situations comptables annuelles des succursales." ;
3° l'article est complété comme suit :
" § 3. Les informations suivantes doivent être communiquées au moins une fois par an à la Banque, dans la mesure où elles ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° le total de l'actif correspondant aux activités de la succursale ;
2° des informations sur les actifs liquides dont la succursale dispose, notamment la disponibilité d'actifs liquides en monnaies des Etats membres ;
3° le montant de la dotation en fonds propres dont la succursale dispose ;
4° des informations sur la protection des dépôts dont les déposants dans ladite succursale bénéficient ;
5° des informations sur la gestion des risques ;
6° le dispositif de gouvernance, y compris l'identité des dirigeants, de la fonction de conformité (compliance), et, le cas échéant, des personnes assurant les autres fonctions de contrôle indépendantes pour les activités de la succursale ;
7° les plans de redressement concernant la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire pour permettre un suivi complet des activités de la succursale.
§ 4. Lorsque les succursales agréées en application du présent Titre exercent des activités d'investissement et/ou fournissent des services d'investissement ou des services auxiliaires en Belgique, elles communiquent à la Banque au moins une fois par an les informations suivantes, dans la mesure où ces informations ne sont pas déjà transmises annuellement dans le cadre du respect des obligations énoncées au paragraphe 1er :
1° l'échelle et l'étendue des services fournis et des activités exercées par la succursale située en Belgique ;
2° pour les établissements de crédit de pays tiers exerçant l'activité mentionnée à l'article 2, 1°, 3 de la loi du 25 octobre 2016, leur exposition mensuelle minimale, moyenne et maximale sur des contreparties de l'Union ;
3° pour les établissements de crédit de pays tiers fournissant l'un des services énumérés à l'article 2, 1°, 6 de la loi du 25 octobre 2016, ou les deux, la valeur totale des instruments financiers provenant de contreparties de l'Union souscrits ou placés avec engagement ferme au cours des douze derniers mois ;
4° le volume d'échanges et la valeur totale des actifs correspondant aux services et aux activités visés au 1° ;
5° une description détaillée des dispositions prises en vue de protéger les investisseurs dont peuvent se prévaloir les clients de la succursale, notamment les droits conférés à ces clients par le système d'indemnisation des investisseurs visé à l'article 333, § 1er, 6° ;
6° la politique et les dispositions de gestion des risques appliquées par la succursale dans le cadre des services et des activités visés au 1° ;
7° les dispositifs de gouvernance d'entreprise, en ce compris les personnes dont les activités professionnelles ont une incidence substantielle sur le profil de risque de la succursale ;
8° toute autre information que la Banque estime nécessaire afin d'assurer un suivi effectif des activités de la succursale.".
Art.351. In artikel 345 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Art. 345. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, bekendmaken dat een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.".
"Art. 345. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder of de afwikkelingsautoriteit, naargelang het geval, bekendmaken dat een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.".
Art.351. Dans l'article 345, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Art. 345. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution, selon le cas, peut publier qu'un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter, dans le délai qu'elle détermine :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. ".
"Art. 345. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle ou l'autorité de résolution, selon le cas, peut publier qu'un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter, dans le délai qu'elle détermine :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. ".
Art.352. In artikel 346 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
"Art. 346. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder voor een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr° 648/2012;
c) de artikelen 5 tot en met 9 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 315 bedoelde verplichtingen;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.
5° waarbinnen zij zich moeten conformeren aan welbepaalde voorschriften van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan.".
"Art. 346. § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de toezichthouder voor een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding of gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr° 648/2012;
c) de artikelen 5 tot en met 9 van Verordening 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar regeling voor de bedrijfsorganisatie of haar beleid inzake eigenvermogensbehoeften en het beheer van haar liquiditeit. Deze aanmaning geldt voor de bijkantoren van kredietinstellingen die onder een andere lidstaat ressorteren enkel voor wat betreft de niet-nakoming van een van de in de artikel 315 bedoelde verplichtingen;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.
5° waarbinnen zij zich moeten conformeren aan welbepaalde voorschriften van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan.".
Art.352. Dans l'article 346 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
"Art. 346. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle peut fixer à un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il ou elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
c) des articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ou des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il ou elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à son dispositif d'organisation d'entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de sa liquidité. Cette injonction n'est applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant d'un autre Etat membre, que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées à l'article 315 ;
3° il ou elle doit se conformer à une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1° ;
4° il ou elle doit se conformer aux exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.
5° il ou elle doit se conformer aux dispositions spécifiques de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution.".
"Art. 346. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, l'autorité de contrôle peut fixer à un établissement de crédit, une compagnie financière, une compagnie financière mixte ou une compagnie mixte de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il ou elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
c) des articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ou des articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il ou elle doit apporter les adaptations qui s'imposent à son dispositif d'organisation d'entreprise ou à sa politique concernant ses besoins en fonds propres et à la gestion de sa liquidité. Cette injonction n'est applicable aux succursales d'établissements de crédit relevant d'un autre Etat membre, que pour ce qui concerne un manquement à une des obligations visées à l'article 315 ;
3° il ou elle doit se conformer à une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1° ;
4° il ou elle doit se conformer aux exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.
5° il ou elle doit se conformer aux dispositions spécifiques de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution.".
Art.353. In artikel 347 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr. 648/2012
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
6° vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;
8° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo'S in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan,
een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2/1, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.";
5° in paragraaf 2/2, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Verordening nr. 575/2013, Verordening nr. 600/2014, Verordening 2017/565 of Titel II van Verordening nr. 648/2012
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.
6° vaststelt dat een vereiste dat door de toezichthouder is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de toezichthouder zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd;
8° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo'S in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan,
een administratieve geldboete opleggen aan een kredietinstelling, financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2/1, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de instelling of aan de in paragraaf 1 bedoelde holding wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro;
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die entiteit van het voorbije boekjaar.";
5° in paragraaf 2/2, wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/2. In geval van een inbreuk op de artikelen 5 tot 9 van Verordening 2017/2402, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de in paragraaf 2, eerste lid bedoelde administratieve geldboete in het geval van een rechtspersoon maximaal 5 000 000 euro of 10 % van de totale jaaromzet van die vennootschap van het voorbije boekjaar.".
Art.353. Dans l'article 347 de la même loi modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, peut, lorsqu'elle constate :
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° une infraction aux dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou aux articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation ;
8° une infraction aux dispositions de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution,
infliger une amende administrative à un établissement de crédit, à une compagnie financière, à une compagnie financière mixte, à une compagnie mixte, de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités, aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "de minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2/1, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à l'établissement ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ;
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entité au cours de l'exercice précédent." ;
5° dans le paragraphe 2/2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/2. En cas d'infraction aux articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 2, alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5 000 000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque, le cas échéant à la demande de la Banque centrale européenne, peut, lorsqu'elle constate :
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° une infraction aux dispositions du Règlement n° 575/2013, du Règlement n° 600/2014, du Règlement 2017/565 ou du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou aux articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par l'autorité de contrôle en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par l'autorité de contrôle comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1°, 2°, 3°, 4° ou 5°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation ;
8° une infraction aux dispositions de la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d'octroyer une garantie d'Etat pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et aux mesures prises pour les mettre en oeuvre ou de l'article 27 de la loi du 20 juillet 2020 portant octroi d'une garantie de l'Etat pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d'exécution,
infliger une amende administrative à un établissement de crédit, à une compagnie financière, à une compagnie financière mixte, à une compagnie mixte, de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités, aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "de minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2/1, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à l'établissement ou à la compagnie visée au paragraphe 1er, est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ;
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entité au cours de l'exercice précédent." ;
5° dans le paragraphe 2/2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/2. En cas d'infraction aux articles 5 à 9 du Règlement 2017/2402, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative visée au paragraphe 2, alinéa 1er est dans le cas d'une personne morale, de maximum 5 000 000 euros ou 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette société au cours de l'exercice précédent.".
Art.354. In artikel 5, § 3, derde lid van Bijlage I bij dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden in de Nederlandse tekst de woorden "gebruik maken" vervangen door het woord "gebruikmaken".
Art.354. Dans l'article 5, § 3, alinéa 3 de l'Annexe I de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, dans le texte néerlandais, les mots "gebruik maken" sont remplacés par les mots "gebruikmaken".
Art.355. Artikel 7 van Bijlage II bij dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Het uitgestelde deel van de variabele beloning wordt niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.".
"Het uitgestelde deel van de variabele beloning wordt niet sneller dan op pro-ratabasis toegekend.".
Art.355. L'article 7 de l'Annexe II de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, est complété par un nouvel alinéa comme suit :
"La rémunération variable qui est due conformément aux dispositifs de report n'est pas acquise plus rapidement qu'au prorata.".
"La rémunération variable qui est due conformément aux dispositifs de report n'est pas acquise plus rapidement qu'au prorata.".
Art.356. In artikel 13/1, § 1, 3° van Bijlage III bij dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 november 2021, worden de woorden ", tenzij de Bank uitdrukkelijk een verlenging met meer dan één jaar toestaat indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen" geschrapt.
Art.356. Dans l'article 13/1, § 1er, 3° de l'Annexe III de la même loi, inséré par la loi du 26 novembre 2021, les mots "et ce, sauf si la Banque autorise expressément une prolongation excédant un an si les circonstances le justifient" sont abrogés.
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance
Art.357. In artikel 2, 3° van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
Art.357. Dans l'article 2, 3° de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés.
Art.358. Artikel 15 van dezelfde wet laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 8° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 49°, b) worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 94° wordt het punt e) vervangen als volgt:
"e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;".
1° in de bepaling onder 8° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 49°, b) worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
3° in de bepaling onder 94° wordt het punt e) vervangen als volgt:
"e) i) geen maatschappelijke rechten bezitten die een tiende of meer vertegenwoordigen van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de aandelen of van een soort aandelen of van de stemrechten van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;
ii) indien zij maatschappelijke rechten bezitten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen:
- mogen die maatschappelijke rechten samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden aangehouden door vennootschappen waarover de betrokken bestuurder controle heeft, geen tiende bereiken van het kapitaal, van het eigen vermogen, van de stemrechten, van de aandelen of van een soort aandelen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming; of
- mogen de daden van beschikking over die aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten niet onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die het betrokken lid van het wettelijk bestuursorgaan heeft aangegaan;
iii) in geen geval een aandeelhouder vertegenwoordigen die onder de voorwaarden valt van dit punt;".
Art.358. Dans l'article 15 de la même loi modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 8°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 49°, b) les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés ;
3° au 94°, le point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans la même entreprise d'assurance ou de réassurance par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;".
1° au 8°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 49°, b) les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés ;
3° au 94°, le point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) i) ne détenir aucun droit social représentant un dixième ou plus du capital, des capitaux propres, des actions ou d'une classe d'actions ou des droits de vote de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ;
ii) si elles détiennent des droits sociaux qui représentent une quotité inférieure à 10 % :
- par l'addition des droits sociaux avec ceux détenus dans la même entreprise d'assurance ou de réassurance par des sociétés dont l'administrateur concerné a le contrôle, ces droits sociaux ne peuvent pas atteindre un dixième du capital, des capitaux propres, des droits de vote, des actions ou d'une classe d'actions de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ; ou
- les actes de disposition relatifs à ces actions ou l'exercice des droits y afférents ne peuvent pas être soumis à des stipulations conventionnelles ou à des engagements unilatéraux auxquels le membre concerné de l'organe légal d'administration a souscrit ;
iii) ne pas représenter en aucune manière un actionnaire rentrant dans les conditions du présent point ;".
Art.359. In artikel 26, derde lid van dezelfde wet wordt de laatste zin vervangen als volgt:
"De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, bij de leiding betrokken personen en verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.".
"De Bank pleegt overleg met deze autoriteiten om ervoor te zorgen dat alle informatie die relevant is voor het beoordelen van de geschiktheid van de in dit lid bedoelde aandeelhouders, bij de leiding betrokken personen en verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, gedeeld wordt.".
Art.359. Dans l'article 26, alinéa 3 de la même loi, la dernière phrase est remplacée par ce qui suit :
"La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.".
"La Banque se concerte avec ces autorités en vue d'assurer une communication mutuelle de toute information utile pour l'évaluation des qualités requises des actionnaires et des personnes participant à la direction ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes visés au présent alinéa.".
Art.360. In artikel 42, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 8° vervangen als volgt:
"8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de onderneming;".
"8° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de onderneming;".
Art.360. Dans l'article 42, § 1er de la même loi, le 8° est remplacé par ce qui suit :
"8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l'entreprise ;".
"8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l'entreprise ;".
Art.361. Artikel 48 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 27 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
"Art. 48. Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een risicocomité;
3° een remuneratiecomité;
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn.
De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 15, 94°. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
Het risico- en remuneratiecomité hebben elk ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 15, 94°. ".
"Art. 48. Onverminderd de taken van het wettelijk bestuursorgaan richt iedere verzekerings- of herverzekeringsonderneming binnen dit orgaan de volgende comités op:
1° een auditcomité;
2° een risicocomité;
3° een remuneratiecomité;
die uitsluitend zijn samengesteld uit leden van het wettelijk bestuursorgaan die er geen uitvoerend lid van zijn.
De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 15, 94°. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
Het risico- en remuneratiecomité hebben elk ten minste één onafhankelijk lid in de zin van artikel 15, 94°. ".
Art.361. L'article 48 de la même loi, remplacé par la loi du 27 juin 2021, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 48. Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les entreprises d'assurance ou de réassurance constituent, au sein de cet organe, les comités suivants :
1° un comité d'audit ;
2° un comité des risques ;
3° un comité de rémunération ;
exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs.
Le comité d'audit comprend une majorité de membres indépendants au sens de l'article 15, 94° et son président est désigné par ses membres.
Les comités des risques et de rémunération comprennent au moins un membre indépendant au sens de l'article 15, 94°. ".
"Art. 48. Sans préjudice des missions de l'organe légal d'administration, les entreprises d'assurance ou de réassurance constituent, au sein de cet organe, les comités suivants :
1° un comité d'audit ;
2° un comité des risques ;
3° un comité de rémunération ;
exclusivement composés de membres de l'organe légal d'administration qui n'en sont pas membres exécutifs.
Le comité d'audit comprend une majorité de membres indépendants au sens de l'article 15, 94° et son président est désigné par ses membres.
Les comités des risques et de rémunération comprennent au moins un membre indépendant au sens de l'article 15, 94°. ".
Art.362. In artikel 58, § 1, tweede lid van dezelfde wet worden de woorden ", dat zij een onbeperkt recht op toegang tot informatie heeft" ingevoegd tussen de woorden "onafhankelijk is" en de woorden "en dat haar taken".
Art.362. Dans l'article 58, § 1er, alinéa 2 de la même loi, les mots ", ses prérogatives illimitées d'accès à l'information" sont insérés entre les mots "audit interne" et les mots "et l'étendue de ses missions".
Art.363. In artikel 83, § 6, 1° van dezelfde wet worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
Art.363. Dans l'article 83, § 6, 1° de la même loi, les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés.
Art.364. In artikel 106 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de tweede zin, die aanvangt met de woorden "Onverminderd de artikelen 17 en 18" en eindigt met de woorden "zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is.", vervangen als volgt:
"Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is, zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is, elke gehele of gedeeltelijke overdracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet.";
2° in het derde lid worden de woorden ", met name" ingevoegd tussen de woorden "nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren" en de woorden "krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming opeisbaar maken.".
1° in het eerste lid wordt de tweede zin, die aanvangt met de woorden "Onverminderd de artikelen 17 en 18" en eindigt met de woorden "zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is.", vervangen als volgt:
"Onverminderd de artikelen 17 en 18 van de Wet Verzekeringen is, zodra de goedkeuring van de Bank in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is, elke gehele of gedeeltelijke overdracht van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze verrichtingen tegenwerpbaar aan derden, met name aan de verzekeringnemers, de verzekerden en de begunstigden, met inbegrip van iedere derde die een recht van voorkoop heeft of de begunstigde is van een goedkeuringsclausule ten aanzien van een actief dat het voorwerp uitmaakt van een dergelijke overdracht, ongeacht of dit recht of deze clausule is vastgelegd in een overeenkomst, in statuten of in de wet.";
2° in het derde lid worden de woorden ", met name" ingevoegd tussen de woorden "nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren" en de woorden "krachtens artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Niettegenstaande elke strijdige contractuele bepaling mogen de in het eerste lid bedoelde gehele of gedeeltelijke overdrachten niet leiden tot het rechtvaardigen van een wijziging van de bepalingen van een overeenkomst die werd afgesloten tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en een of meer derden, en geen einde stellen aan een dergelijke overeenkomst, noch aan enige partij het recht geven om deze eenzijdig te beëindigen of een schuld van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming opeisbaar maken.".
Art.364. A l'article 106 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, la deuxième phrase commençant pas les mots "Sans préjudice des articles 17 et 18" et finissant par les mots "dès la publication au Moniteur belge de l'autorisation de la Banque." est remplacée par la phrase suivante :
"Sans préjudice des articles 17 et 18 de la Loi assurances, dès la publication au Moniteur belge de l'autorisation de la Banque, toute cession totale ou partielle des droits et obligations résultant de ces opérations est opposable aux tiers, notamment les preneurs d'assurance, les assurés et les bénéficiaires, en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi." ;
2° à l'alinéa 3, les mots ", notamment" sont insérés entre les mots "d'une nullité ou inopposabilité" et les mots "en vertu de l'article 1167 du Code civil" ;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'entreprise d'assurance ou de réassurance et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'entreprise d'assurance ou de réassurance.".
1° à l'alinéa 1er, la deuxième phrase commençant pas les mots "Sans préjudice des articles 17 et 18" et finissant par les mots "dès la publication au Moniteur belge de l'autorisation de la Banque." est remplacée par la phrase suivante :
"Sans préjudice des articles 17 et 18 de la Loi assurances, dès la publication au Moniteur belge de l'autorisation de la Banque, toute cession totale ou partielle des droits et obligations résultant de ces opérations est opposable aux tiers, notamment les preneurs d'assurance, les assurés et les bénéficiaires, en ce compris tout tiers titulaire d'un droit de préemption ou bénéficiaire d'une clause d'agrément à l'égard d'un actif faisant l'objet d'une telle cession et ce, que ce droit ou cette clause trouve sa source dans un contrat, dans des statuts ou dans la loi." ;
2° à l'alinéa 3, les mots ", notamment" sont insérés entre les mots "d'une nullité ou inopposabilité" et les mots "en vertu de l'article 1167 du Code civil" ;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Nonobstant toute disposition conventionnelle contraire, les cessions totales ou partielles visées à l'alinéa 1er ne peuvent avoir pour effet de justifier une modification des termes d'une convention conclue entre l'entreprise d'assurance ou de réassurance et un ou plusieurs tiers, ou de mettre fin à une telle convention, ni de donner à aucune partie le droit de la résilier unilatéralement ou encore de rendre exigible une dette de l'entreprise d'assurance ou de réassurance.".
Art.365. In artikel 325 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden in de Franse tekst de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Sans préjudice de l'article 87ter de la loi du 2 août 2002, la mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les entreprises d'assurance ou de réassurance, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 327.";
2° in paragraaf 1, derde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"Sans préjudice de l'article 87ter de la loi du 2 août 2002, la mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les entreprises d'assurance ou de réassurance, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 327.";
2° in paragraaf 1, derde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.365. Dans l'article 325 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, dans le texte français, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 87ter de la loi du 2 août 2002, la mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les entreprises d'assurance ou de réassurance, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 327." ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacées par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
3° au paragraphe 2, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Sans préjudice de l'article 87ter de la loi du 2 août 2002, la mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans les entreprises d'assurance ou de réassurance, qu'à un ou plusieurs réviseurs ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréés par la Banque conformément à l'article 327." ;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacées par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
3° au paragraphe 2, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.366. In artikel 326, eerste lid van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions de commissaire prévues" vervangen door de woorden "la mission de commissaire prévue" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission".
Art.366. Dans l'article 326, alinéa 1er de la même loi, dans le texte français, les mots "les fonctions de commissaire prévues" sont remplacés par les mots "la mission de commissaire prévue" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission".
Art.367. In artikel 327, derde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden in de Franse tekst de woorden "ses fonctions" vervangen door de woorden "sa mission".
Art.367. Dans l'article 327, alinéa 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, dans le texte français, les mots "ses fonctions" sont remplacés par les mots "sa mission".
Art.368. In artikel 329, eerste lid van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission".
Art.368. Dans l'article 329, alinéa 1er de la même loi dans le texte français, les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission".
Art.369. In de artikelen 430, 431, § 1, en 488 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.369. Dans les articles 430, 431, § 1er, et 488 de la même loi, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.370. In de artikelen 431, § 1 en 489, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés et des associations sont confiées" vervangen door de woorden "la mission de commissaire visée au Code des sociétés et des associations est confiée".
Art.370. Dans les articles 431, § 1er et 489, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, dans le texte français, les mots "les fonctions de commissaire visées au Code des sociétés et des associations sont confiées" sont remplacés par les mots "la mission de commissaire visée au Code des sociétés et des associations est confiée".
Art.371. Artikel 508, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt vervangen als volgt:
" § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.".
" § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze onderneming in de komende twaalf maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.".
Art.371. L'article 508, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsque la Banque constate qu'une entreprise d'assurance ou de réassurance ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.".
" § 1er. Lorsque la Banque constate qu'une entreprise d'assurance ou de réassurance ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que cette entreprise risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.".
Art.372. In artikel 517, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderneming.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderneming een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderneming.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De verzekerings- of herverzekeringsonderneming vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderneming.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
Art.372. A l'article 517, § 1er de la même loi le 2° est remplacé par la disposition suivante :
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'entreprise d'assurance ou de réassurance, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entreprise un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'entreprise.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'entreprise d'assurance ou de réassurance accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'entreprise d'assurance ou de réassurance faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'entreprise concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'entreprise d'assurance ou de réassurance, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'entreprise d'assurance ou de réassurance ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entreprise un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'entreprise.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'entreprise d'assurance ou de réassurance accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'entreprise d'assurance ou de réassurance faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'entreprise concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
Art.373. In Boek II, Titel VI, Hoofdstuk II, Afdeling V van dezelfde wet wordt een artikel 517/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 517/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 517, § 1 dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 3 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de onderneming en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 517, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
"Art. 517/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 517, § 1 dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 3 vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de onderneming en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 517, § 1, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
Art.373. Dans le Livre II, Titre VI, Chapitre II, Section V de la même loi, il est inséré un article 517/1 rédigé comme suit :
"Art. 517/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 517, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission :
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 3 ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'entreprise et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entreprise d'assurance ou de réassurance par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 517, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'entreprise d'assurance ou de réassurance de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
"Art. 517/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 517, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission :
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 3 ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'entreprise et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entreprise d'assurance ou de réassurance par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 517, § 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'entreprise d'assurance ou de réassurance de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
Art.374. In artikel 522, eerste lid van dezelfde wet worden de woorden "niet-tegenwerpbaar te verklaren" vervangen door de woorden "nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name".
Art.374. A l'article 522, alinéa 1er de la même loi, les mots "d'une opposabilité" sont remplacés par les mots "d'une nullité ou inopposabilité, notamment".
Art.375. Artikel 602 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, wordt vervangen als volgt:
"Art. 602. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.".
"Art. 602. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, een verzekeringsholding, een gemengde financiële holding of een gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402 of de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.".
Art.375. L'article 602 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 602. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'une entreprise d'assurance ou de réassurance, une société holding d'assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d'assurance de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine :
1° des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° des dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. ".
"Art. 602. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'une entreprise d'assurance ou de réassurance, une société holding d'assurance, une compagnie financière mixte ou une société holding mixte d'assurance de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformée aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine :
1° des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° des dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° les articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ou les articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. ".
Art.376. In artikel 603, § 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;";
3° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
"1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;";
2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
"3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;";
3° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
Art.376. Dans l'article 603, § 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou des articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;" ;
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° elle doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;" ;
3° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° elle doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
1° le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° elle doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou des articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;" ;
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° elle doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;" ;
3° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° elle doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
Art.377. In artikel 604 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of op de maatregelen genomen ter uitvoering ervan;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen;
6° vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1° tot 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1° tot 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding, gemengde financiële holding of gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
5° in paragraaf 2/1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro; en
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die onderneming van het voorbije boekjaar.";
6° in paragraaf 2/2, eerste lid worden de woorden "op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling," ingevoegd tussen de woorden "Verordening nr. 2017/2402," en de woorden "bedraagt de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde administratieve geldboete".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
1° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of op de maatregelen genomen ter uitvoering ervan;
2° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening nr. 648/2012;
3° een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365 of op de artikelen 5 tot 9 van Verordening nr. 2017/2402;
4° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet, met inbegrip van Verordening 2015/35; of
5° een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen;
6° vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten 1° tot 5° niet wordt nageleefd;
7° vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten 1° tot 5°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, verzekeringsholding, gemengde financiële holding of gemengde verzekeringsholding naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité van deze entiteiten, aan de personen die bij ontstentenis van een directiecomité deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
5° in paragraaf 2/1 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2/1. In geval van een inbreuk op de artikelen 4 en 15 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling, bedraagt de administratieve geldboete die aan de in paragraaf 1 bedoelde onderneming wordt opgelegd:
a) in het geval van een natuurlijke persoon: maximaal 5 000 000 euro; en
b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling,
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die onderneming van het voorbije boekjaar.";
6° in paragraaf 2/2, eerste lid worden de woorden "op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling," ingevoegd tussen de woorden "Verordening nr. 2017/2402," en de woorden "bedraagt de in paragraaf 2, eerste en tweede lid bedoelde administratieve geldboete".
Art.377. Dans l'article 604 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou aux mesures prises en exécution de celle-ci ;
2° une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou encore aux articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux 1° à 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux 1° à 5°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à une entreprise d'assurance ou de réassurance, à une société holding d'assurance, à une compagnie financière mixte, à une société holding mixte d'assurance, de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction de ces entités, aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "de minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 2/1, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à l'entreprise visée au paragraphe 1er est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ; et
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entreprise au cours de l'exercice précédent." ;
6° dans le paragraphe 2/2, alinéa 1er, les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre "Règlement n° 2017/2402" et ", le montant de l'amende".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou aux mesures prises en exécution de celle-ci ;
2° une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement n° 648/2012 ;
3° une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365 ou encore aux articles 5 à 9 du Règlement n° 2017/2402 ;
4° une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou au 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition, en ce compris le Règlement 2015/35 ; ou
5° une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4° ;
6° le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux 1° à 5° ;
7° le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux 1° à 5°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à une entreprise d'assurance ou de réassurance, à une société holding d'assurance, à une compagnie financière mixte, à une société holding mixte d'assurance, de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction de ces entités, aux personnes qui, en l'absence de comité de direction, participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "de minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "de minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
5° dans le paragraphe 2/1, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2/1. En cas d'infraction aux articles 4 et 15 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué, le montant de l'amende administrative infligée à l'entreprise visée au paragraphe 1er est :
a) dans le cas d'une personne physique, de maximum 5 000 000 euros ; et
b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué,
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cette entreprise au cours de l'exercice précédent." ;
6° dans le paragraphe 2/2, alinéa 1er, les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre "Règlement n° 2017/2402" et ", le montant de l'amende".
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
CHAPITRE V. - Modifications de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces
Art.378. In artikel 4 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849:
a) de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2015/849;
b) de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2015/849 of overeenkomstig de in punt a) bedoelde gedelegeerde handelingen;";
2° in de bepaling onder 5°, wordt het punt b) aangevuld met de woorden "en de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2015/847;";
3° de bepaling onder 6° wordt aangevuld met de woorden "in Titel VIII van de wet van 2 mei 2019 houdende diverse financiële bepalingen";
4° in de bepaling onder 37° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
"4° de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849:
a) de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2015/849;
b) de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig richtlijn 2015/849 of overeenkomstig de in punt a) bedoelde gedelegeerde handelingen;";
2° in de bepaling onder 5°, wordt het punt b) aangevuld met de woorden "en de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2015/847;";
3° de bepaling onder 6° wordt aangevuld met de woorden "in Titel VIII van de wet van 2 mei 2019 houdende diverse financiële bepalingen";
4° in de bepaling onder 37° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
Art.378. Dans l'article 4 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° mesures d'exécution de la directive 2015/849 :
a) les dispositions des actes délégués adoptés en vertu de la directive 2015/849 ;
b) les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu de la directive 2015/849 ou en vertu des actes délégués visés au a) ;" ;
2° au 5°, le b) est complété par les mots "ainsi que les actes d'exécution adoptés en vertu du Règlement (UE) 2015/847 ;" ;
3° le 6° est complété par les mots suivants : ", dans le Titre VIII de la loi du 2 mai 2019 portant des dispositions financières diverses" ;
4° au 37°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés.
1° le 4° est remplacé par ce qui suit :
"4° mesures d'exécution de la directive 2015/849 :
a) les dispositions des actes délégués adoptés en vertu de la directive 2015/849 ;
b) les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu de la directive 2015/849 ou en vertu des actes délégués visés au a) ;" ;
2° au 5°, le b) est complété par les mots "ainsi que les actes d'exécution adoptés en vertu du Règlement (UE) 2015/847 ;" ;
3° le 6° est complété par les mots suivants : ", dans le Titre VIII de la loi du 2 mai 2019 portant des dispositions financières diverses" ;
4° au 37°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés.
Art.379. In artikel 5 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 februari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, a) en 22° en vijfde lid worden de woorden "en beursvennootschappen" telkens geschrapt;
2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 10° vervangen als volgt:
"10° a) de beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die ressorteren onder het Belgische recht;
b) de in België gevestigde bijkantoren van beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van dezelfde wet, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat of van een derde land;
c) de beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van dezelfde wet, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die een beroep doen op een in België gevestigde verbonden agent om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten in de zin van artikel 2, 1° van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, alsmede nevendiensten in de zin van artikel 2, 2° van dezelfde wet, te verrichten;"
3° in paragraaf 3, eerste lid worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, a) en 22° en vijfde lid worden de woorden "en beursvennootschappen" telkens geschrapt;
2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 10° vervangen als volgt:
"10° a) de beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen, die ressorteren onder het Belgische recht;
b) de in België gevestigde bijkantoren van beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van dezelfde wet, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat of van een derde land;
c) de beursvennootschappen bedoeld in artikel 2 van dezelfde wet, die ressorteren onder het recht van een andere lidstaat en die een beroep doen op een in België gevestigde verbonden agent om er beleggingsdiensten en/of -activiteiten in de zin van artikel 2, 1° van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, alsmede nevendiensten in de zin van artikel 2, 2° van dezelfde wet, te verrichten;"
3° in paragraaf 3, eerste lid worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art.379. Dans l'article 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 23 février 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéas 1er, 4°, a) et 22° et 5, les mots "et des sociétés de bourse" sont à chaque fois abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° a) les sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses, qui relèvent du droit belge ;
b) les succursales en Belgique des sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la même loi, qui relèvent du droit d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers ;
c) les sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la même loi, qui relèvent du droit d'un autre Etat membre et qui recourent à un agent lié établi en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement au sens de l'article 2, 1°, de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, et fournir des services auxiliaires au sens de l'article 2, 2°, de la même loi ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéas 1er, 4°, a) et 22° et 5, les mots "et des sociétés de bourse" sont à chaque fois abrogés ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° a) les sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses, qui relèvent du droit belge ;
b) les succursales en Belgique des sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la même loi, qui relèvent du droit d'un autre Etat membre ou d'un pays tiers ;
c) les sociétés de bourse, visées à l'article 2 de la même loi, qui relèvent du droit d'un autre Etat membre et qui recourent à un agent lié établi en Belgique pour y fournir des services d'investissement et/ou exercer des activités d'investissement au sens de l'article 2, 1°, de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, et fournir des services auxiliaires au sens de l'article 2, 2°, de la même loi ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
Art.380. In artikel 93, § 2, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2020, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
"1° het feit dat de onderworpen entiteit geen gevolg heeft gegeven aan het bevel dat haar werd gegeven om zich binnen de termijn die hij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen, of van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, die onder haar bevoegdheden vallen;".
"1° het feit dat de onderworpen entiteit geen gevolg heeft gegeven aan het bevel dat haar werd gegeven om zich binnen de termijn die hij bepaalt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten of reglementen, van de uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen, of van de waakzaamheidsplichten bedoeld in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, die onder haar bevoegdheden vallen;".
Art.380. Dans l'article 93, § 2, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 20 juillet 2020, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° rendre publique le fait que l'entité assujettie ne s'est pas conformée à l'injonction qui lui a été faite de respecter dans le délai qu'elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution, des mesures d'exécution de la directive 2015/849, du Règlement européen relatif aux transferts de fonds ou des devoirs de vigilance prévus par les dispositions contraignantes relatives aux embargos, qui ressortissent de ses compétences ;".
"1° rendre publique le fait que l'entité assujettie ne s'est pas conformée à l'injonction qui lui a été faite de respecter dans le délai qu'elle détermine des dispositions de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution, des mesures d'exécution de la directive 2015/849, du Règlement européen relatif aux transferts de fonds ou des devoirs de vigilance prévus par les dispositions contraignantes relatives aux embargos, qui ressortissent de ses compétences ;".
Art.381. In artikel 94, eerste lid van dezelfde wet wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de onderworpen entiteit, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de onderworpen entiteit ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderworpen entiteit een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderworpen entiteit.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De onderworpen entiteit vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de onderworpen entiteit ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderworpen entiteit.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
"2° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de onderworpen entiteit, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de onderworpen entiteit ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderworpen entiteit een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de onderworpen entiteit.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen te vervangen door een of meer voorlopige bestuurders. De onderworpen entiteit vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de onderworpen entiteit ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken onderworpen entiteit.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
Art.381. A l'article 94, alinéa 1er de la même loi, le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'entité assujettie, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'entité assujettie ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entité assujettie un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'entité assujettie.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'entité assujettie accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'entité assujettie faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'entité assujettie concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
"2° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'entité assujettie, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'entité assujettie ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entité assujettie un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'entité assujettie.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'entité assujettie accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'entité assujettie faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'entité assujettie concernée.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
Art.382. In Boek IV, Titel 4, Hoofdstuk 2 van dezelfde wet wordt een artikel 94/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 94/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 94, eerste lid, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel en van het doel als omschreven in de wetgeving die voorziet in het wettelijk statuut van de onderworpen entiteit;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de onderworpen entiteit en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderworpen entiteit door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 94, eerste lid, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de onderworpen entiteit in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
"Art. 94/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 94, eerste lid, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel en van het doel als omschreven in de wetgeving die voorziet in het wettelijk statuut van de onderworpen entiteit;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de onderworpen entiteit en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de onderworpen entiteit door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 94, eerste lid, 2°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de onderworpen entiteit in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
Art.382. Dans le Livre IV, Titre 4, Chapitre 2 de la même loi, il est inséré un article 94/1 rédigé comme suit :
"Art. 94/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 94, alinéa 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi et de celle définie par la législation prévoyant le statut légal dont relève l'entité assujettie ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'entité assujettie et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entité assujettie par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 94, alinéa 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'entité assujettie de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
"Art. 94/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 94, alinéa 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi et de celle définie par la législation prévoyant le statut légal dont relève l'entité assujettie ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'entité assujettie et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'entité assujettie par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 94, alinéa 1er, 2° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'entité assujettie de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
Art.383. In artikel 97 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de woorden "de artikelen 93, 94, 2° en 4°, en 95" vervangen door de woorden "de artikelen 93 tot en met 95".
Art.383. A l'article 97 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les mots "articles 93, 94, 2° et 4°, et 95" sont remplacés par les mots "articles 93 à 95".
Art.384. In artikel 98/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2020, worden de woorden "de artikelen 93 tot en met 95" vervangen door de woorden "de artikelen 93, §§ 1 en 2, 2°, 94 en 95".
Art.384. A l'article 98/1 de la même loi, inséré par la loi du 20 juillet 2020, les mots "articles 93 à 95" sont remplacés par les mots "articles 93, §§ 1er et 2, 2°, 94 et 95".
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen
CHAPITRE VI. - Modifications de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement, et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement
Art.385. In artikel 1 van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld, en de toegang tot betalingssystemen wordt paragraaf 2 aangevuld met de woorden ", teneinde de veiligheid van de betalingsdiensten te waarborgen en de gebruikers ervan op passende wijze te beschermen en aldus niet alleen bij te dragen tot de goede werking van de markt voor betalingsdiensten, maar ook de efficiëntie van het betalingssysteem als geheel te bevorderen en het financiële stelsel beter te beschermen".
Art.385. A l'article 1er de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique, à l'accès à l'activité de prestataire de services de paiement et à l'activité d'émission de monnaie électronique, et à l'accès aux systèmes de paiement, le paragraphe 2 est complété par les mots "et ce, dans le but d'assurer la sécurité des services de paiement et une protection adéquate de leurs utilisateurs et dès lors, non seulement de contribuer au bon fonctionnement du marché des services de paiement mais également de renforcer l'efficacité du système de paiement dans son ensemble et la protection du système financier".
Art.386. In artikel 2 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 56° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 57° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
1° in de bepaling onder 56° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt;
2° in de bepaling onder 57° worden de woorden "en beleggingsondernemingen" geschrapt.
Art.386. Dans l'article 2 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 56°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 57°, les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés.
1° au 56°, les mots "et des entreprises d'investissement" sont abrogés ;
2° au 57°, les mots "et aux entreprises d'investissement" sont abrogés.
Art.387. In artikel 5, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
"1° kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de bankwet, kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 312 en 313 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 333 van de bankwet en die op grond van het recht van dat derde land gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;".
"1° kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de bankwet, kredietinstellingen die onder het recht van een andere lidstaat ressorteren, die gemachtigd zijn om in hun land van herkomst betalingsdiensten aan te bieden en die in België werkzaam zijn op grond van de artikelen 312 en 313 van de bankwet, en bijkantoren van kredietinstellingen die onder het recht van een derde land ressorteren, die in België zijn gevestigd overeenkomstig artikel 333 van de bankwet en die op grond van het recht van dat derde land gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;".
Art.387. Dans l'article 5, § 1er, de la même loi, le 1° est remplacé par ce qui suit :
"1° les établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi bancaire, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, habilités à fournir des services de paiement dans leur Etat d'origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 312 ou 313 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui sont établies en Belgique conformément à l'article 333 de la loi bancaire et qui sont habilitées à fournir des services de paiement en vertu du droit de ce pays tiers ;".
"1° les établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi bancaire, les établissements de crédit relevant du droit d'un autre Etat membre, habilités à fournir des services de paiement dans leur Etat d'origine, et opérant en Belgique en vertu des articles 312 ou 313 de la loi bancaire, ainsi que les succursales d'établissements de crédit relevant du droit d'un pays tiers qui sont établies en Belgique conformément à l'article 333 de la loi bancaire et qui sont habilitées à fournir des services de paiement en vertu du droit de ce pays tiers ;".
Art.388. In artikel 17 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere betalingsinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere betalingsinstelling die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte, dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
Art.388. Dans l'article 17 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'article 6 :4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de paiement constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.".
"Par dérogation à l'article 6 :4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de paiement constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7:6 dudit Code étant d'application par analogie.".
Art.389. Artikel 21, § 1 van dezelfde wet wordt aangevuld met een bepaling onder 10°, luidende:
"10° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling.".
"10° een passend intern waarschuwingssysteem, dat in overeenstemming is met de wetgeving tot omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden en dat met name voorziet in een specifieke onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes die van toepassing zijn op de instelling.".
Art.389. L'article 21, § 1er, de la même loi, est complété d'un 10°, rédigé comme suit :
"10° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement.".
"10° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite applicables à l'établissement.".
Art.390. In artikel 33, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke verhoging van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing."
1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke verhoging van het in artikel 17, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing."
Art.390. Dans l'article 33, § 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
"S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.".
1° l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
"S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 17, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.".
Art.391. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdeling 4 van dezelfde wet wordt een artikel 37/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 37/1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de betalingsinstelling of in een vennootschap waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft.
De Bank kan per geval toestaan dat een betalingsinstelling voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de betalingsinstelling, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.".
"Art. 37/1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de betalingsinstelling of in een vennootschap waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft.
De Bank kan per geval toestaan dat een betalingsinstelling voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de betalingsinstelling een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de betalingsinstelling, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.".
Art.391. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-section 4 de la même loi, il est inséré un article 37/1 rédigé comme suit :
"Art. 37/1. Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de paiement ou d'une société dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de paiement à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de paiement, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.".
"Art. 37/1. Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de paiement ou d'une société dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de paiement à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de paiement détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de paiement, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.".
Art.392. In artikel 110 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden in de Franse tekst de volgende wijzingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans un établissement de paiement, qu'à un ou plusieurs réviseurs agréés ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire.";
2° in het tweede lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission";
3° in het vierde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
4° in het vijfde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans un établissement de paiement, qu'à un ou plusieurs réviseurs agréés ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire.";
2° in het tweede lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission";
3° in het vierde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission" en de woorden "aux fonctions de commissaire exercées" door de woorden "à la mission de commissaire exercée";
4° in het vijfde lid worden de woorden "les fonctions" vervangen door de woorden "la mission".
Art.392. Dans l'article 110 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, dans le texte français, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans un établissement de paiement, qu'à un ou plusieurs réviseurs agréés ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire." ;
2° à l'alinéa 2 les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" ;
3° à l'alinéa 4, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacés par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
4° à l'alinéa 5, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"La mission de commissaire prévue par le Code des sociétés et des associations ne peut être confiée, dans un établissement de paiement, qu'à un ou plusieurs réviseurs agréés ou à une ou plusieurs sociétés de réviseurs agréées par la Banque conformément à l'article 110/1 ou conformément à l'article 222 de la loi bancaire." ;
2° à l'alinéa 2 les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" ;
3° à l'alinéa 4, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission" et les mots "aux fonctions de commissaire exercées" sont remplacés par les mots "à la mission de commissaire exercée" ;
4° à l'alinéa 5, les mots "les fonctions" sont remplacés par les mots "la mission".
Art.393. In artikel 110/1, derde lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden in de Franse tekst de woorden "ses fonctions" vervangen door de woorden "sa mission".
Art.393. Dans l'article 110/1, alinéa 3 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, dans le texte français, les mots "ses fonctions" sont remplacés par les mots "sa mission".
Art.394. In artikel 111, eerste lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden in de Franse tekst de woorden "les fonctions de commissaire visées" vervangen door de woorden "la mission de commissaire visée" en de woorden "aux fonctions" door de woorden "à la mission".
Art.394. Dans l'article 111, alinéa 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, dans le texte français, les mots "les fonctions de commissaire visées" sont remplacés par les mots "la mission de commissaire visée" et les mots "aux fonctions" sont remplacés par les mots "à la mission".
Art.395. In artikel 112 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "ses fonctions révisorales" vervangen door de woorden "sa mission révisorale".
Art.395. Dans l'article 112 de la même loi dans le texte français, les mots "ses fonctions révisorales" sont remplacés par les mots "sa mission révisorale".
Art.396. In artikel 114, eerste lid van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission" en de woorden "aux fonctions révisorales" door de woorden "à sa mission révisorale".
Art.396. Dans l'article 114, alinéa 1er de la même loi, dans le texte français, les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission" et les mots "aux fonctions révisorales" sont remplacés par les mots "à sa mission révisorale".
Art.397. In artikel 115, § 9 van dezelfde wet worden in de Franse tekst de woorden "leurs fonctions" vervangen door de woorden "leur mission".
Art.397. Dans l'article 115, § 9 de la même loi dans le texte français, les mots "leurs fonctions" sont remplacés par les mots "leur mission".
Art.398. Artikel 116, § 1 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
" § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.".
" § 1. Wanneer de Bank vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de volgende bepalingen of wanneer zij over gegevens beschikt waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze instelling in de komende 12 maanden niet meer zal werken overeenkomstig deze bepalingen:
1° de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
5° de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen,
stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.".
Art.398. L'article 116, § 1er de la même loi est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Lorsque la Banque constate qu'un établissement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° les articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; of
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.".
" § 1er. Lorsque la Banque constate qu'un établissement de paiement ne fonctionne pas en conformité avec les dispositions suivantes ou qu'elle dispose d'éléments indiquant que cet établissement risque de ne plus fonctionner en conformité avec ces dispositions au cours des douze prochains mois :
1° les dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution ;
2° les dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° les articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° les dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; of
5° les dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°,
la Banque fixe le délai dans lequel il doit être remédié à cette situation.".
Art.399. In artikel 117, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de betalingsinstelling.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De betalingsinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de betalingsinstelling ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken betalingsinstelling.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
"4° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de betalingsinstelling.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De betalingsinstelling vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de betalingsinstelling ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken betalingsinstelling.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
Art.399. A l'article 117, § 1er de la même loi, le 4° est remplacé par la disposition suivante :
"4° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement de paiement.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de paiement accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de paiement faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de paiement concerné.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
"4° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de paiement ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement de paiement.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de paiement accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de paiement faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de paiement concerné.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
Art.400. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling II, Onderafdeling 2 van dezelfde wet wordt een artikel 117/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 117/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 117, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de betalingsinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 117, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de betalingsinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
"Art. 117/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 117, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de betalingsinstelling door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 117, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de betalingsinstelling in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
Art.400. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III, Section II, Sous-section 2 de la même loi, il est inséré un article 117/1 rédigé comme suit :
"Art. 117/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 117, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de paiement par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 117, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de paiement de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
"Art. 117/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 117, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de paiement par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 117, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de paiement de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
Art.401. In Boek II, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling III van dezelfde wet wordt een artikel 119/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 119/1. Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een betalingsinstelling aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan,, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".
"Art. 119/1. Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een betalingsinstelling aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan,, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".
Art.401. Dans le Livre II, Titre II, Chapitre III, Section III de la même loi, il est inséré un article 119/1 rédigé comme suit :
"Art. 119/1. Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de paiement, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
"Art. 119/1. Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de paiement, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
Art.402. In artikel 147 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
1° Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.";
2° paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
" § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
1° Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.";
2° paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
" § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
Art.402. Dans l'article 147 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
1° du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. "
2° le paragraphe 2, alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
1° du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. "
2° le paragraphe 2, alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
Art.403. In artikel 148 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht, aan een in artikel 5, § 1, 1° en 2°, bedoelde betalingsdienstverlener die zich niet conformeert aan artikel 145, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1° worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden ", op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling" worden ingevoegd tussen de woorden "Verordening (EU) nr. 2015/2365" en de woorden ", kan de Bank aan een betalingsinstelling";
b) de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt:
"b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek II van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht, aan een in artikel 5, § 1, 1° en 2°, bedoelde betalingsdienstverlener die zich niet conformeert aan artikel 145, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1° worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden ", op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling" worden ingevoegd tussen de woorden "Verordening (EU) nr. 2015/2365" en de woorden ", kan de Bank aan een betalingsinstelling";
b) de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt:
"b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.".
Art.403. Dans l'article 148 de la même loi, modifié pour la dernière fois par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
a) une infraction aux dispositions du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, à un prestataire de services de paiement visé à l'article 5, § 1er, 1° et 2° ne se conformant pas à l'article 145, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, les mots "à minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les mots "à minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre les mots "Règlement (UE) n° 2015/2365" et les mots ", la Banque peut infliger" ;
b) le b) est remplacé par ce qui suit :
"b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
a) une infraction aux dispositions du Livre II de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à un établissement de paiement de droit belge ou de droit étranger, à un prestataire de services de paiement visé à l'article 5, § 1er, 1° et 2° ne se conformant pas à l'article 145, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, les mots "à minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les mots "à minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre les mots "Règlement (UE) n° 2015/2365" et les mots ", la Banque peut infliger" ;
b) le b) est remplacé par ce qui suit :
"b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.".
Art.404. In artikel 149, § 1, 6° van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juni 2021, worden de woorden "de artikelen 33, 76 tot 78 en 133" vervangen door de woorden "de artikelen 76 tot 78 en 133".
Art.404. Dans l'article 149, § 1er, 6° de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 juin 2021, les mots "articles 33, 76 à 78 et 133" sont remplacés par les mots "articles 76 à 78 et 133".
Art.405. In artikel 163, 1° van dezelfde wet worden de woorden "kredietinstellingen naar Belgisch recht" vervangen door de woorden "kredietinstellingen naar Belgisch recht in de zin van artikel 1, § 3, eerste lid, 1°, van de bankwet".
Art.405. Dans l'article 163, 1° de la même loi, les mots "établissements de crédit de droit belge" sont remplacés par "établissements de crédit de droit belge au sens de l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 1° de la loi bancaire".
Art.406. In artikel 173 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt het derde lid vervangen als volgt:
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere instelling voor elektronisch geld die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte,dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
"In afwijking van artikel 6:4 en van de bepalingen van Boek 6, Titel 6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen moet iedere instelling voor elektronisch geld die is opgericht als coöperatieve vennootschap over een kapitaal beschikken waarvan het vast gedeelte,dat vastgesteld is in de statuten, niet lager mag zijn dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dat volgestort moet zijn ten belope van het dit bedrag. Artikel 7:6 van het genoemd wetboek is van overeenkomstige toepassing.".
Art.406. Dans l'article 173 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de monnaie électronique constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7 :6 dudit Code étant d'application par analogie.".
"Par dérogation à l'article 6:4 et aux dispositions du Livre 6 du Code des sociétés et associations, les établissements de monnaie électronique constitués sous la forme d'une société coopérative doivent être dotés d'un capital dont la part fixe, prévue dans les statuts, ne peut pas être inférieure au montant visé à l'alinéa 1er, et qui doit être entièrement libéré à concurrence dudit montant, l'article 7 :6 dudit Code étant d'application par analogie.".
Art.407. In artikel 176, § 1 van dezelfde wet worden de woorden "tot 9° " vervangen door de woorden "tot 10° ".
Art.407. Dans l'article 176, § 1er de la même loi, les mots "à 9° " sont remplacés par les mots "à 10° ".
Art.408. In Boek IV, Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III, Onderafdeling 2 van dezelfde wet wordt een artikel 181/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 181/1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de instelling voor elektronisch geld of in een vennootschap waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft.
De Bank kan per geval toestaan dat een instelling voor elektronisch geld voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de instelling voor elektronisch geld, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.".
"Art. 181/1. De leden van het wettelijk bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, mogen geen functie als loontrekkende uitoefenen in de instelling voor elektronisch geld of in een vennootschap waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft.
De Bank kan per geval toestaan dat een instelling voor elektronisch geld voor de leden van haar wettelijk bestuursorgaan afwijkt van de in het eerste lid bedoelde verplichting wanneer zij voornemens is in haar wettelijk bestuursorgaan personen te benoemen die loontrekkende en werknemersvertegenwoordiger zijn in bijkantoren die gevestigd zijn in een lidstaat waar de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk is verankerd of in entiteiten waarin de instelling voor elektronisch geld een deelneming heeft, vanwege haar internationale dimensie of omdat zij deel uitmaakt van een groep waartoe entiteiten behoren die onderworpen zijn aan een ander rechtsstelsel waarin de medezeggenschap van werknemersvertegenwoordigers in het toezichthoudend orgaan wettelijk verankerd is, indien deze afwijking naar het oordeel van de Bank geen afbreuk doet aan het passende karakter van het governancesysteem van de instelling voor elektronisch geld, en met name niet aan de adequaatheid van het toezicht op de effectieve leiding. De Bank kan aan een op grond van dit lid verleende afwijking voorwaarden verbinden om het passende karakter van de governance van de instelling te waarborgen.".
Art.408. Dans le Livre IV, Titre II, Chapitre Ier, Section III, Sous-section 2 de la même loi, il est inséré un article 181/1 rédigé comme suit :
"Art. 181/1. Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de monnaie électronique ou d'une société dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de monnaie électronique à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de monnaie électronique, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.".
"Art. 181/1. Les membres de l'organe légal d'administration et, le cas échéant, les membres du conseil de surveillance et les membres du conseil de direction, ne peuvent pas exercer de fonction en qualité de salarié au sein de l'établissement de monnaie électronique ou d'une société dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation.
La Banque peut, au cas par cas, autoriser un établissement de monnaie électronique à déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er en ce qu'elle concerne les membres de son organe légal d'administration, lorsque cet établissement entend procéder à la nomination au sein de son organe légal d'administration de personnes ayant la qualité de salarié et de représentant du personnel auprès de succursales situées dans un Etat au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée ou d'entités dans laquelle l'établissement de monnaie électronique détient une participation, en raison de sa dimension internationale ou de son appartenance à un groupe dont des entités relèvent d'un autre ordre juridique au sein duquel la participation de représentants des travailleurs au sein de l'organe de surveillance est légalement consacrée si, à l'appréciation de la Banque, une telle dérogation ne porte pas atteinte au caractère adéquat du système de gouvernance de l'établissement de monnaie électronique, en particulier l'adéquation de la surveillance de la direction effective. La Banque peut assortir une dérogation accordée en application du présent alinéa de conditions visant à assurer le caractère adéquat de la gouvernance de l'établissement.".
Art.409. In artikel 182, § 1 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke verhoging van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing."
1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Wanneer het gaat om een coöperatieve vennootschap zijn de artikelen 7:208, 7:209 en 7:210 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van overeenkomstige toepassing op elke vermindering van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal, die onderworpen zijn aan de voorafgaande goedkeuring van de Bank.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke verhoging van het in artikel 173, lid 3 bedoelde vast gedeelde van het kapitaal moet volledig geplaatst en gestort zijn en bij authentieke akte vastgesteld worden. De artikelen 7:179 en 7:195 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zijn van overeenkomstige toepassing."
Art.409. Dans l'article 182, § 1er de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
"S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.".
1° l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante :
"S'il s'agit d'une société coopérative, les articles 7:208, 7:209 et 7:210 du Code des sociétés et associations sont applicables, par analogie, à toute réduction de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3, qui requiert l'accord préalable de la Banque." ;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Toute augmentation de la part fixe du capital visée à l'article 173, alinéa 3 doit être intégralement souscrite et libérée et être constatée par acte authentique. Les articles 7:179 et 7:195 du Code des sociétés et associations sont d'application par analogie.".
Art.410. In artikel 214 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° opgeheven.
Art.410. Dans l'article 214 de la même loi, le 1° est abrogé.
Art.411. In artikel 215, § 1 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt:
"4° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De instelling voor elektronisch geld vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de instelling voor elektronisch geld ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken instelling voor elektronisch geld.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
"4° de vervanging gelasten van alle of een deel van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, van de personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld, binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, een of meerdere leden van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité en/of, in voorkomend geval, een of meer personen belast met de effectieve leiding van de instelling voor elektronisch geld ontslaan, of in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders aanstellen die alleen of collegiaal, naargelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De Bank maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de Bank een of meer voorlopige bestuurders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de leiders van de instelling.
Mits de Bank hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopige bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.
Het mandaat van de vervangen personen, met name dat van lid van het wettelijk bestuursorgaan of van het directiecomité, eindigt na de kennisgeving van de beslissing van de Bank om hen door een of meer voorlopige bestuurders te vervangen. De instelling voor elektronisch geld vervult de openbaarmakingsformaliteiten die vereist zijn in geval van beëindiging van de betrokken mandaten.
De Bank kan met inachtneming van de bepalingen van het recht van de Europese Unie afwijken van de door of krachtens deze wet vastgestelde rapporteringsverplichtingen voor de instelling voor elektronisch geld ten aanzien waarvan zij een maatregel bestaande in de benoeming van een of meer voorlopige bestuurders heeft genomen.
De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) wordt vastgesteld door de Bank en gedragen door de betrokken instelling voor elektronisch geld.
De Bank kan de voorlopige bestuurder(s) te allen tijde vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet langer de nodige waarborgen biedt;".
Art.411. A l'article 215, § 1er de la même loi, le 4° est remplacé par la disposition suivante :
"4° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de monnaie électronique accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de monnaie électronique faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de monnaie électronique concerné.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
"4° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe légal d'administration, du comité de direction et/ou, le cas échéant, des personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique, dans un délai qu'elle fixe et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe légal d'administration ou du comité de direction et/ou, le cas échéant, une ou plusieurs personnes chargées de la direction effective de l'établissement de monnaie électronique ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement un ou plusieurs administrateurs provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La Banque publie sa décision au Moniteur belge.
Lorsque les circonstances le justifient, la Banque peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants de l'établissement.
Moyennant l'autorisation de la Banque, le ou les administrateurs provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.
Les fonctions, notamment le mandat de membre de l'organe légal d'administration ou du comité de direction, des personnes remplacées prennent fin dès la notification de la décision de la Banque substituant un ou plusieurs administrateurs provisoires. L'établissement de monnaie électronique accomplit les formalités de publicité requises par la fin des mandats concernés.
La Banque peut, dans le respect des dispositions du droit de l'Union européenne, déroger aux obligations de reporting prévues par ou en vertu de la présente loi à l'égard de l'établissement de monnaie électronique faisant l'objet d'une mesure de nomination d'un ou plusieurs administrateurs provisoires.
La rémunération du ou des administrateurs provisoires est fixée par la Banque et supportée par l'établissement de monnaie électronique concerné.
La Banque peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsque ceux-ci justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;".
Art.412. In Boek IV, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling II, Onderafdeling 2 van dezelfde wet wordt een artikel 215/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 215/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 215, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling voor elektronisch geld door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 215, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de instelling voor elektronisch geld in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
"Art. 215/1. § 1. De speciaal commissaris en de voorlopige bestuurder(s) bedoeld in artikel 215, § 1, dragen voor rekening van de Bank bij aan de uitoefening van haar wettelijke opdracht. In het kader van deze opdracht:
- handelen zij uitsluitend in het kader van het in artikel 1, § 2, van deze wet vastgelegde doel;
- volgen zij de instructies van de Bank met betrekking tot de wijze waarop de hun toevertrouwde specifieke opdracht moet worden uitgevoerd;
- zijn zij onderworpen aan dezelfde verplichtingen inzake beroepsgeheim als die welke voor de Bank gelden in het kader van de in deze wet vastgelegde toezichtsopdracht; voor het gebruik van wettelijke uitzonderingen is de voorafgaande toestemming van de Bank vereist;
- brengen zij op verzoek van de Bank, volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verslag uit over de financiële positie van de instelling en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, evenals over de financiële positie aan het begin en aan het einde van die opdracht.
§ 2. Hun ondersteunende rol ten aanzien van de Bank, als omschreven in paragraaf 1, impliceert dat zij als dusdanig niet als administratieve autoriteit kunnen worden beschouwd.
De vervanging van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling voor elektronisch geld door voorlopige bestuurders, overeenkomstig artikel 215, § 1, 4°, impliceert niet dat deze laatsten moeten worden beschouwd als bestuurders of leden van het wettelijk bestuursorgaan in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, maar enkel dat zij de bevoegdheden hebben van de vervangen personen, met name om de handelingen te verrichten die de instelling voor elektronisch geld in staat stellen te voldoen aan haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, in het bijzonder deze die door of krachtens het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn vastgesteld. Er wordt aan hen geen kwijting verleend bij een beslissing of stemming als bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen; zij zijn voor hun opdracht uitsluitend verantwoording verschuldigd ten aanzien van de Bank, die hen in voorkomend geval kwijting verleent.".
Art.412. Dans le Livre IV, Titre II, Chapitre III, Section II, Sous-section 2 de la même loi, il est inséré un article 215/1 rédigé comme suit :
"Art. 215/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 215, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de monnaie électronique par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 215, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de monnaie électronique de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
"Art. 215/1. § 1er. Le commissaire spécial et le ou les administrateurs provisoires visés à l'article 215, § 1er contribuent à l'exercice de la mission légale de la Banque, pour compte de celle-ci. Dans le cadre de cette mission,
- ils agissent exclusivement dans le cadre de la finalité prévue par l'article 1er, § 2 de la présente loi ;
- ils suivent les instructions de la Banque quant à la manière d'accomplir la mission particulière qui leur est confiée ;
- ils sont assujettis aux mêmes obligations en matière de secret professionnel que celles applicables à la Banque en ce qui concerne la mission de contrôle prévue par la présente loi, l'usage des exceptions légales étant soumis à une autorisation préalable de la Banque ;
- ils font, à la requête de la Banque, selon les modalités qu'elle détermine, rapport sur la situation financière de l'établissement et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.
§ 2. Leur qualité d'auxiliaire de la Banque précisée au paragraphe 1er implique qu'ils ne peuvent, comme tels, être considérés comme une autorité administrative.
La substitution de l'ensemble des organes d'administration et de gestion de l'établissement de monnaie électronique par les administrateurs provisoires opérée en application de l'article 215, § 1er, 4° n'implique pas que ces derniers doivent être considérés comme des administrateurs ou membres de l'organe légal d'administration au sens du Code des sociétés et des associations mais seulement qu'ils bénéficient des pouvoirs des personnes remplacées, notamment aux fins d'accomplir les actes permettant à l'établissement de monnaie électronique de satisfaire à ses obligations légales et réglementaires, en particulier celles prévues par ou en vertu du Code des sociétés et des associations. A ce titre, ils ne font pas l'objet d'une décision ou d'un vote sur la décharge tel que prévu par le Code des sociétés et des associations mais répondent de leur mission à l'égard de la Banque exclusivement qui leur donne décharge s'il y échet.".
Art.413. In Boek IV, Titel II, Hoofdstuk III, Afdeling III van dezelfde wet wordt een artikel 217/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 217/1. Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een instelling voor elektronisch geld aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan, verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".
"Art. 217/1. Ingeval de Bank van oordeel is dat in hoofde van een instelling voor elektronisch geld aan de in artikel XX.99 van het Wetboek van economisch recht bepaalde voorwaarden is voldaan, verslechtert, kan de Bank, in afwijking van artikel XX.100 van het Wetboek van Economisch Recht, de zaak uit eigen beweging bij dagvaarding aanhangig maken bij de insolventierechtbank.".
Art.413. Dans le Livre IV, Titre II, Chapitre III, Section III, il est inséré un article 217/1 rédigé comme suit :
"Art. 217/1. Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de monnaie électronique, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
"Art. 217/1. Lorsque la Banque estime que les conditions fixées à l'article XX.99 du Code de droit économique sont réunies dans le chef d'un établissement de monnaie électronique, la Banque peut, par dérogation à l'article XX.100 du Code de droit économique, d'initiative saisir le tribunal de l'insolvabilité par voie de citation.".
Art.414. In artikel 229 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
1° Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.";
2° paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
" § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank bekendmaken dat een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij bepaalt te conformeren aan de bepalingen van:
1° Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
2° Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
3° de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
4° de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
5° de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten 2° of 3° bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt 4° bedoelde gedelegeerde handelingen.";
2° paragraaf 2, eerste lid wordt vervangen als volgt:
" § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen kan de Bank voor een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht een termijn bepalen:
1° waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van:
a) deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet;
e) de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
2° waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle;
3° waarbinnen zij zich moet conformeren aan een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen;
4° waarbinnen zij zich moet conformeren aan de vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van de in punt 1° bedoelde bepalingen, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking.".
Art.414. Dans l'article 229 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
1° du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut publier qu'un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger ne s'est pas conformé aux injonctions qui lui ont été faites de respecter dans le délai qu'elle détermine les dispositions :
1° du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
2° du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
3° des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
4° des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3° ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
5° des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au 2° ou 3°, en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au 4°. " ;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la Banque peut fixer à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, un délai dans lequel :
1° il doit se conformer à des dispositions déterminées :
a) de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) des articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ;
e) des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou au c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
2° il doit apporter les adaptations qui s'imposent à sa structure de gestion, à son organisation administrative et comptable ou à son contrôle interne ;
3° il doit se conformer à une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées au 1° ;
4° il doit se conformer aux exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application des dispositions visées au 1°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation.".
Art.415. In artikel 230 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1° worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling," worden ingevoegd tussen de woorden "Verordening (EU) nr. 2015/2365," en de woorden "kan de Bank";
b) het woord "betalingsinstelling" wordt vervangen door de woorden "instelling voor elektronisch geld";
c) de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt:
"b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Onverminderd andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen en onverminderd de bij andere wetten, besluiten of reglementen voorgeschreven maatregelen, kan de Bank, indien zij:
a) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Boek IV van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en -reglementen;
b) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van Titel II van Verordening (EU) nr. 648/2012;
c) een inbreuk vaststelt op de artikelen 4 en 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365;
d) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen of overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet; of
e) een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig de in de punten b) of c) bedoelde bepalingen, overeenkomstig de Europese richtlijnen die bij deze wet worden omgezet of overeenkomstig de in punt d) bedoelde gedelegeerde handelingen;
f) vaststelt dat een vereiste dat door de Bank is opgelegd met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e) niet wordt nageleefd;
g) vaststelt dat vereisten die door de Bank zijn vastgesteld als voorwaarden voor een besluit genomen met toepassing van het bepaalde in de punten a) tot e), met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, niet worden nageleefd,
een administratieve geldboete opleggen aan een instelling voor elektronisch geld naar Belgisch of buitenlands recht, aan een of meer leden van het wettelijk bestuursorgaan van deze entiteiten en/of aan de personen die deelnemen aan hun effectieve leiding, die voor de vastgestelde tekortkoming verantwoordelijk zijn.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1° worden de woorden "minimum 10 000 euro en" geschrapt;
3° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden "minimum 5 000 euro en" geschrapt;
4° in paragraaf 2, tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig deze artikelen of een dergelijke gedelegeerde handeling," worden ingevoegd tussen de woorden "Verordening (EU) nr. 2015/2365," en de woorden "kan de Bank";
b) het woord "betalingsinstelling" wordt vervangen door de woorden "instelling voor elektronisch geld";
c) de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt:
"b) in het geval van een rechtspersoon: maximaal:
- 5 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 4 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling; en
- 15 000 000 euro in geval van een inbreuk op artikel 15 van Verordening (EU) nr. 2015/2365, op een gedelegeerde handeling die is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of op een uitvoeringsbesluit dat is vastgesteld overeenkomstig dat artikel of een dergelijke gedelegeerde handeling;
of, indien dit hoger is, 10 % van de totale jaaromzet van die instelling van het voorbije boekjaar.".
Art.415. Dans l'article 230 de la même loi, modifié pour la dernière fois par la loi du 2 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
a) une infraction aux dispositions du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, les mots "à minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les mots "à minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre les mots "Règlement (UE) n° 2015/2365" et les mots ", la Banque peut infliger" ;
b) les mots "établissement de paiement" sont remplacés par les mots "établissement de monnaie électronique" ;
c) le b) est remplacé par ce qui suit :
"b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er Sans préjudice d'autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures prévues par d'autres lois, arrêtés ou règlements, la Banque peut, lorsqu'elle constate :
a) une infraction aux dispositions du Livre IV de la présente loi ou des arrêtés ou règlements pris pour son exécution ;
b) une infraction aux dispositions du Titre II du Règlement (UE) n° 648/2012 ;
c) une infraction aux articles 4 et 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365 ;
d) une infraction aux dispositions des actes délégués adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c) ou en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ; ou
e) une infraction aux dispositions des actes d'exécution adoptés en vertu des dispositions visées au b) ou c), en vertu des directives européennes dont la présente loi assure la transposition ou en vertu des actes délégués visés au d) ;
f) le non-respect d'une exigence imposée par la Banque en application de dispositions visées aux a) à e) ;
g) le non-respect d'exigences fixées par la Banque comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées aux a) à e), notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,
infliger une amende administrative à un établissement de monnaie électronique de droit belge ou de droit étranger, à un ou plusieurs des membres de l'organe légal d'administration de ces entités et/ou aux personnes qui participent à leur direction effective, responsables du manquement constaté." ;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, les mots "à minimum 10 000 euros et" sont abrogés ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les mots "à minimum 5 000 euros et" sont abrogés ;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les modifications suivantes sont apportées :
a) les mots ", à un acte délégué adopté en vertu desdits articles ou à un acte d'exécution adopté en vertu desdits articles ou d'un tel acte délégué" sont insérés entre les mots "Règlement (UE) n° 2015/2365" et les mots ", la Banque peut infliger" ;
b) les mots "établissement de paiement" sont remplacés par les mots "établissement de monnaie électronique" ;
c) le b) est remplacé par ce qui suit :
"b) dans le cas d'une personne morale, de maximum :
- 5 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 4 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ; et
- 15 000 000 euros en cas d'infraction à l'article 15 du Règlement (UE) n° 2015/2365, à un acte délégué adopté en vertu dudit article ou à un acte d'exécution adopté en vertu dudit article ou d'un tel acte délégué ;
ou, si le montant obtenu par l'application de ce pourcentage est plus élevé, 10 % du chiffre d'affaires annuel total réalisé par cet établissement au cours de l'exercice précédent.".
Art.416. In dezelfde wet wordt een Boek IV/1 ingevoegd met als opschrift "Bijzondere regels in geval van een collectieve procedure".
Art.416. Dans la même loi, il est inséré un Livre IV/1 intitulé "Des règles particulières en cas de procédure collective".
Art.417. In hetzelfde Boek IV/1, ingevoegd bij artikel 416, wordt een artikel 236/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 236/1. § 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt verricht met toepassing van artikel 119/1 of 217/1, kan de opening van een faillissementsprocedure tegen een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een betalingsinstelling of op een instelling voor elektronisch geld waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.".
"Art. 236/1. § 1. Behalve wanneer er een dagvaarding wordt verricht met toepassing van artikel 119/1 of 217/1, kan de opening van een faillissementsprocedure tegen een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld enkel worden uitgesproken na eensluidend advies van de Bank.
§ 2. Het verzoek om advies wordt schriftelijk aan de Bank gericht. Bij dit verzoek worden de nodige documenten ter informatie gevoegd.
De Bank brengt haar advies uit binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek om advies. Ingeval een procedure betrekking heeft op een betalingsinstelling of op een instelling voor elektronisch geld waarvan de Bank vermoedt dat er zich belangrijke verwikkelingen kunnen voordoen op het vlak van het systeemrisico of waarvoor een voorafgaande coördinatie met buitenlandse autoriteiten vereist is, beschikt de Bank over een ruimere termijn om haar advies uit te brengen, met dien verstande dat de totale termijn niet meer dan dertig dagen mag bedragen. Indien de Bank van oordeel is dat zij gebruik moet maken van deze uitzonderlijke termijn, brengt zij dit ter kennis van de rechterlijke instantie die een uitspraak moet doen. De termijn waarover de Bank beschikt om een advies uit te brengen, schorst de termijn waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen. Indien de Bank geen advies verstrekt binnen de vastgestelde termijn, kan de insolventierechtbank uitspraak doen.
De Bank verstrekt haar advies schriftelijk. Het wordt door ongeacht welk middel bezorgd aan de griffier, die het doorgeeft aan de voorzitter van de insolventierechtbank en aan de procureur des Konings. Het advies wordt toegevoegd aan het dossier.".
Art.417. Dans le même Livre IV/1, inséré par l'article 416, il est inséré un article 236/1 rédigé comme suit :
"Art. 236/1. § 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de citation effectuée en application de l'article 119/1 ou 217/1, l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique ne peut être prononcée que sur avis conforme de la Banque.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. La Banque peut, dans le cas d'une procédure relative à un établissement de paiement ou à un établissement de monnaie électronique susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal de l'insolvabilité peut statuer.
L'avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de l'insolvabilité et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.".
"Art. 236/1. § 1er. Sauf en ce qui concerne les cas de citation effectuée en application de l'article 119/1 ou 217/1, l'ouverture d'une procédure de faillite à l'encontre d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique ne peut être prononcée que sur avis conforme de la Banque.
§ 2. La saisine de la Banque est écrite. Elle est accompagnée des pièces nécessaires à son information.
La Banque rend son avis dans un délai de quinze jours à compter de la réception de la demande d'avis. La Banque peut, dans le cas d'une procédure relative à un établissement de paiement ou à un établissement de monnaie électronique susceptible de présenter, selon son appréciation, des implications systémiques importantes ou qui nécessite au préalable une coordination avec des autorités étrangères, rendre son avis dans un délai plus long, sans toutefois que le délai total ne puisse excéder trente jours. Lorsqu'elle estime devoir faire usage de ce délai exceptionnel, la Banque le notifie à la juridiction appelée à statuer. Le délai dont dispose la Banque pour rendre son avis suspend le délai dans lequel la juridiction doit statuer. En l'absence de réponse de la Banque dans le délai imparti, le tribunal de l'insolvabilité peut statuer.
L'avis de la Banque est écrit. Il est transmis par tout moyen au greffier, qui le remet au président du tribunal de l'insolvabilité et au procureur du Roi. L'avis est versé au dossier.".
Art.418. In hetzelfde Boek IV/1, ingevoegd bij artikel 416, wordt een artikel 236/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 236/2. De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de Bank.".
"Art. 236/2. De curator of curatoren bedoeld in artikel XX.122, § 1, van het Wetboek van Economisch Recht, evenals de personen die als curator zijn toegevoegd met toepassing van hetzelfde artikel XX.122, § 2, worden aangewezen op advies van de Bank.".
Art.418. Dans le même Livre IV/1, inséré par l'article 416, il est inséré un article 236/2 rédigé comme suit :
"Art. 236/2. Le ou les curateurs visés à l'article XX.122, § 1er du Code de droit économique, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article XX.122, § 2 sont désignés sur avis de la Banque.".
"Art. 236/2. Le ou les curateurs visés à l'article XX.122, § 1er du Code de droit économique, ainsi que les personnes adjointes en application dudit article XX.122, § 2 sont désignés sur avis de la Banque.".
Art.419. In hetzelfde Boek IV/1, ingevoegd bij artikel 416, wordt een artikel 236/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 236/3. § 1. Voor de ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt, en voor de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is het eensluidend advies van de Bank vereist.
Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, richt de ondernemingsrechtbank een verzoek om advies aan de Bank volgens de procedure van artikel 236/1, § 2.
§ 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding van de betalingsinstelling of de instelling voor elektronisch geld kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank.
Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de vennootschappen en onverminderd de artikelen 119 en 217, kan de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van de liquidateur bepalen, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld en in voorkomend geval de betalingsdienstgebruikers. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht.
§ 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten en de Federale Overheidsdienst Economie onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan.".
"Art. 236/3. § 1. Voor de ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, ongeacht of deze vrijwillig of gerechtelijk geschiedt, en voor de daaropvolgende vereffening in de zin van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, is het eensluidend advies van de Bank vereist.
Alvorens uitspraak te doen over een in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen vastgelegde grond tot gerechtelijke ontbinding van een betalingsinstelling of een instelling voor elektronisch geld, richt de ondernemingsrechtbank een verzoek om advies aan de Bank volgens de procedure van artikel 236/1, § 2.
§ 2. Bij vrijwillige of gerechtelijke ontbinding van de betalingsinstelling of de instelling voor elektronisch geld kan de liquidateur, die aangewezen wordt overeenkomstig de statutaire of wettelijke regels, slechts worden benoemd met goedkeuring van de Bank.
Onverminderd de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn op de vennootschappen en onverminderd de artikelen 119 en 217, kan de Koning op advies van de Bank de bevoegdheden en verplichtingen van de liquidateur bepalen, in het bijzonder wat de vereffening betreft van de verbintenissen ten aanzien van de houders van elektronisch geld en in voorkomend geval de betalingsdienstgebruikers. De liquidateur moet in elk geval voldoen aan verzoeken om informatie van de Bank en moet de Bank ook uit eigen beweging inlichten over het verloop van zijn opdracht.
§ 3. De Bank stelt de toezichthouders van alle andere betrokken lidstaten en de Federale Overheidsdienst Economie onverwijld in kennis van elke ontbinding, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen ervan.".
Art.419. Dans le même Livre IV/1, inséré par l'article 416, il est inséré un article 236/3 rédigé comme suit :
"Art. 236/3. § 1er. Toute dissolution d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, qu'elle soit volontaire ou judicaire, et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit, requiert l'avis conforme de la Banque.
Avant qu'il ne soit statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, le tribunal de l'entreprise saisit la Banque d'une demande d'avis selon la procédure prévue à l'article 236/1, § 2.
§ 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique, le liquidateur, qui est désigné conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être nommé qu'avec l'approbation de la Banque.
Sans préjudice des dispositions légales applicables aux sociétés et des articles 119 et 217, le Roi peut déterminer, sur avis de la Banque, les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des engagements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant des utilisateurs de services de paiement. En tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre aux demandes d'information que lui adresse la Banque et doit, en outre, informer d'initiative la Banque de l'évolution de sa mission.
§ 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle de tous les autres Etats membres concernés et, le Service public fédéral Economie de toute dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles.".
"Art. 236/3. § 1er. Toute dissolution d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, qu'elle soit volontaire ou judicaire, et la liquidation au sens du Code des sociétés et des associations qui s'ensuit, requiert l'avis conforme de la Banque.
Avant qu'il ne soit statué sur une cause de dissolution judiciaire prévue par le Code des sociétés et des associations à l'égard d'un établissement de paiement ou d'un établissement de monnaie électronique, le tribunal de l'entreprise saisit la Banque d'une demande d'avis selon la procédure prévue à l'article 236/1, § 2.
§ 2. En cas de dissolution volontaire ou judiciaire de l'établissement de paiement ou de l'établissement de monnaie électronique, le liquidateur, qui est désigné conformément aux règles statutaires ou légales, ne peut être nommé qu'avec l'approbation de la Banque.
Sans préjudice des dispositions légales applicables aux sociétés et des articles 119 et 217, le Roi peut déterminer, sur avis de la Banque, les pouvoirs et les obligations du liquidateur, spécialement en ce qui concerne la liquidation des engagements vis-à-vis des détenteurs de monnaie électronique et le cas échéant des utilisateurs de services de paiement. En tout état de cause, le liquidateur est tenu de répondre aux demandes d'information que lui adresse la Banque et doit, en outre, informer d'initiative la Banque de l'évolution de sa mission.
§ 3. La Banque informe sans délai les autorités de contrôle de tous les autres Etats membres concernés et, le Service public fédéral Economie de toute dissolution ainsi que de ses effets concrets possibles.".
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt
CHAPITRE VII. - Modifications de la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés
Art.420. In artikel 21, § 1 van de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder b) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° de bepaling onder e) wordt vervangen als volgt:
"e) de beursvennootschappen bedoeld in Boek II van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;".
1° in de bepaling onder b) worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt;
2° de bepaling onder e) wordt vervangen als volgt:
"e) de beursvennootschappen bedoeld in Boek II van de wet van 20 juli 2022 op het statuut van en het toezicht op beursvennootschappen en houdende diverse bepalingen;".
Art.420. Dans l'article 21, § 1er de la loi du 11 juillet 2018 relative aux offres au public d'instruments de placement et aux admissions d'instruments de placement à la négociation sur des marchés réglementés, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point b), les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° le point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) le sociétés de bourse visées au Livre II de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;".
1° au point b), les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés ;
2° le point e) est remplacé par ce qui suit :
"e) le sociétés de bourse visées au Livre II de la loi du 20 juillet 2022 relative au statut et au contrôle des sociétés de bourse et portant dispositions diverses ;".
Art.421. In artikel 28, eerste lid van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 1° /1 wordt opgeheven;
2° de bepaling onder 4° wordt opgeheven;
3° in de bepaling onder 5° worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
1° de bepaling onder 1° /1 wordt opgeheven;
2° de bepaling onder 4° wordt opgeheven;
3° in de bepaling onder 5° worden de woorden "en beursvennootschappen" geschrapt.
Art.421. Dans l'article 28, alinéa 1er de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2021, les modifications suivantes sont apportées à l'alinéa 1er :
1° le 1° /1 est abrogé ;
2° le 4° est abrogé ;
3° au 5°, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
1° le 1° /1 est abrogé ;
2° le 4° est abrogé ;
3° au 5°, les mots "et des sociétés de bourse" sont abrogés.
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
CHAPITRE VIII. - Modifications du Code des sociétés et des associations
Art.422. In het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt artikel 12:99, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing bij inbrengen van een algemeenheid of van een bedrijfstak wanneer een vennootschap die aan de verrichting deelneemt een van financiële instelling is die onderworpen is aan het toezicht van de Nationale Bank van België of de Europese Centrale Bank.".
" § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing bij inbrengen van een algemeenheid of van een bedrijfstak wanneer een vennootschap die aan de verrichting deelneemt een van financiële instelling is die onderworpen is aan het toezicht van de Nationale Bank van België of de Europese Centrale Bank.".
Art.422. Dans le Code des sociétés et des associations, l'article 12:99 dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit :
" § 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux apports d'universalité ou de branche d'activité lorsqu'une société participant à l'opération est une institution financière soumise au contrôle de la Banque nationale de Belgique ou de la Banque centrale européenne.".
" § 2. Le paragraphe 1er n'est pas applicable aux apports d'universalité ou de branche d'activité lorsqu'une société participant à l'opération est une institution financière soumise au contrôle de la Banque nationale de Belgique ou de la Banque centrale européenne.".
TITEL IV. - Overgangsbepaling
TITRE IV. - Disposition transitoire
Art.423. Voor de toepassing van de artikelen 274 tot 278 dienen de woorden "het Garantiefonds" begrepen te worden als het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten dat optreedt krachtens de wet van 17 december 1998 tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's en financiële instrumenten, tot op de datum waarop zijn opdrachten aan het Garantiefonds worden overgedragen.
Art.423. Aux fins des articles 274 à 278, les mots "Fonds de garantie" doivent s'entendre comme le Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers agissant en vertu de la loi du 17 décembre 1998 créant un fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et réorganisant les systèmes de protection des dépôts et des instruments financiers, jusqu'à la date à laquelle ses missions sont transférées au Fonds de garantie.
Art.424. Gedurende de periode vanaf de in artikel 426, § 1 bedoelde datum van inwerkingtreding tot de in artikel 65, eerste lid van de wet van 20 juli 2022 houdende Boek 5 "Verbintenissen" van het Burgerlijk Wetboek bedoelde datum van inwerkingtreding:
1° moet, in artikel 96 van deze wet, het tweede lid als volgt worden gelezen:
"Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 95, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 1167 van het oud Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.";
2° moet, in artikel 265 van deze wet, paragraaf 2 als volgt worden gelezen:
" § 2. Artikel 1167 van het oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van het Wetboek van economisch recht zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.".
1° moet, in artikel 96 van deze wet, het tweede lid als volgt worden gelezen:
"Het is niet mogelijk om de overdrachten waarvoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 95, nietig of niet-tegenwerpbaar te verklaren, met name krachtens artikel 1167 van het oud Burgerlijk Wetboek of de artikelen XX.111, XX.112 of XX.114 van het Wetboek van economisch recht.";
2° moet, in artikel 265 van deze wet, paragraaf 2 als volgt worden gelezen:
" § 2. Artikel 1167 van het oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen XX.111 tot en met XX.114 van het Wetboek van economisch recht zijn niet van toepassing wanneer diegene die voordeel heeft bij de rechtshandeling bedoeld in de genoemde bepalingen, het bewijs levert dat de rechtshandeling onderworpen is aan het recht van een lidstaat dat niet het Belgische recht is en dat dit recht in casu niet voorziet in de mogelijkheid om die rechtshandeling te bestrijden.".
Art.424. Pendant la période allant de la date d'entrée en vigueur visée à l'article 426, § 1er à la date d'entrée en vigueur prévue à l'article 65, alinéa 1er de la loi du 20 juillet 2022 portant le Livre 5 "Les obligations" du Code civil :
1° dans l'article 96 de la présente loi, l'alinéa 2 doit se lire comme suit :
"Les cessions autorisées conformément à l'article 95 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 1167 de l'ancien Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique." ;
2° dans l'article 265 de la présente loi, le paragraphe 2 doit se lire comme suit :
" § 2. L'article 1167 de l'ancien Code civil et les articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d'un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l'acte est soumis à la loi d'un Etat membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l'espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte.".
1° dans l'article 96 de la présente loi, l'alinéa 2 doit se lire comme suit :
"Les cessions autorisées conformément à l'article 95 ne peuvent faire l'objet d'une nullité ou inopposabilité, notamment en vertu de l'article 1167 de l'ancien Code civil ou des articles XX.111, XX.112 ou XX.114 du Code de droit économique." ;
2° dans l'article 265 de la présente loi, le paragraphe 2 doit se lire comme suit :
" § 2. L'article 1167 de l'ancien Code civil et les articles XX.111 à XX.114 du Code de droit économique ne sont pas applicables lorsque le bénéficiaire d'un acte visé auxdites dispositions apporte la preuve que l'acte est soumis à la loi d'un Etat membre autre que la loi belge et que cette loi ne prévoit, en l'espèce, aucun moyen de remettre en cause cet acte.".
TITEL V. - Opheffingsbepaling
TITRE V. - Disposition abrogatoire
Art.425. In de wet van 25 april 2014 wordt Boek XII opgeheven.
Art.425. Dans la loi du 25 avril 2014, le Livre XII est abrogé.
BOEK X. - INWERKINGTREDING
LIVRE X. - ENTREE EN VIGUEUR
Art.426. § 1. Deze wet treedt in werking overeenkomstig het gemeen recht.
§ 2. [1 Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, treedt artikel 24 in werking 18 maanden na de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt voor wat de beursvennootschappen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) het totaal bedrag aan in bewaring ontvangen financiële instrumenten is minder dan of gelijk aan 5 miljard euro gedurende twee opeenvolgende boekjaren; en
b) de beursvennootschap voldoet aan ten minste twee van de volgende criteria:
- een gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken boekjaar van minder dan 250 personen;
- een balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 miljoen euro;
- een jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 miljoen euro.
De Bank kan beslissen dat onderhavige paragraaf niet van toepassing is op een beursvennootschap die voldoet aan de twee voorwaarden van het eerste lid wegens met name haar interne organisatie en de aard, de omvang, de verwevenheid met entiteiten binnen of buiten de groep, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden.
De Koning kan de in het eerste lid bedoelde termijn inkorten op advies van de Bank.]1
§ 2. [1 Bij wijze van uitzondering op paragraaf 1, treedt artikel 24 in werking 18 maanden na de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekend gemaakt voor wat de beursvennootschappen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) het totaal bedrag aan in bewaring ontvangen financiële instrumenten is minder dan of gelijk aan 5 miljard euro gedurende twee opeenvolgende boekjaren; en
b) de beursvennootschap voldoet aan ten minste twee van de volgende criteria:
- een gemiddeld aantal werknemers gedurende het betrokken boekjaar van minder dan 250 personen;
- een balanstotaal van minder dan of gelijk aan 43 miljoen euro;
- een jaarlijkse netto-omzet van minder dan of gelijk aan 50 miljoen euro.
De Bank kan beslissen dat onderhavige paragraaf niet van toepassing is op een beursvennootschap die voldoet aan de twee voorwaarden van het eerste lid wegens met name haar interne organisatie en de aard, de omvang, de verwevenheid met entiteiten binnen of buiten de groep, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van haar werkzaamheden.
De Koning kan de in het eerste lid bedoelde termijn inkorten op advies van de Bank.]1
Art.426. § 1er. La présente loi entre en vigueur conformément au droit commun.
§ 2. [1 Par exception au paragraphe 1er, l'article 24 entre en vigueur 18 mois après le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, s'agissant des sociétés de bourse répondant aux conditions suivantes :
a) le total des instruments financiers reçus en dépôt est inférieur ou égal à 5 milliards d'euros durant deux exercices comptables consécutifs ; et
b) la société répond à au moins deux des critères suivants :
- le nombre moyen de salariés est inférieur à 250 personnes sur l'ensemble de l'exercice concerné ;
- le total du bilan est inférieur ou égal à 43 millions d'euros ;
- le chiffre d'affaires net annuel est inférieur ou égal à 50 millions d'euros.
La Banque peut décider que le présent paragraphe n'est pas applicable à une société de bourse répondant aux deux conditions visées sous l'alinéa 1er en raison notamment de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de l'interdépendance interne ou externe, de la complexité ou du caractère transfrontalier de ses activités.
Le Roi peut, sur avis de la Banque, écourter la période visée à l'alinéa 1er.]1
§ 2. [1 Par exception au paragraphe 1er, l'article 24 entre en vigueur 18 mois après le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, s'agissant des sociétés de bourse répondant aux conditions suivantes :
a) le total des instruments financiers reçus en dépôt est inférieur ou égal à 5 milliards d'euros durant deux exercices comptables consécutifs ; et
b) la société répond à au moins deux des critères suivants :
- le nombre moyen de salariés est inférieur à 250 personnes sur l'ensemble de l'exercice concerné ;
- le total du bilan est inférieur ou égal à 43 millions d'euros ;
- le chiffre d'affaires net annuel est inférieur ou égal à 50 millions d'euros.
La Banque peut décider que le présent paragraphe n'est pas applicable à une société de bourse répondant aux deux conditions visées sous l'alinéa 1er en raison notamment de son organisation interne ainsi que de la nature, de l'ampleur, de l'interdépendance interne ou externe, de la complexité ou du caractère transfrontalier de ses activités.
Le Roi peut, sur avis de la Banque, écourter la période visée à l'alinéa 1er.]1
Änderungen
Art.427. § 1. Voor de toepassing van artikel 310, derde lid van de wet van 11 juli 2021 tot omzetting van richtlijn 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019, van richtlijn 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019, van richtlijn 2019/2177 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2019, van richtlijn 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 en houdende diverse bepalingen, moet de verwijzing in dit artikel naar de bepalingen van Boek XII van de wet van 25 april 2014 gelezen worden als een verwijzing naar die bepalingen zoals die van toepassing waren vóór de opheffing ervan bij artikel 425 van deze wet.
§ 2. Met toepassing van artikel 315, tweede lid van voornoemde wet van 11 juli 2021 treden de artikelen 16, 17, 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° tot en met 18°, 20° tot en met 23°, 20, 21, 22, 27, 30, 1° en 3°, 31, 32, 34, 36 tot en met 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 tot en met 232, 259, 263, 266, 2° en 302 van voornoemde wet van 11 juli 2021 in werking op de in artikel 426, § 1 bedoelde datum.
§ 2. Met toepassing van artikel 315, tweede lid van voornoemde wet van 11 juli 2021 treden de artikelen 16, 17, 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° tot en met 18°, 20° tot en met 23°, 20, 21, 22, 27, 30, 1° en 3°, 31, 32, 34, 36 tot en met 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 tot en met 232, 259, 263, 266, 2° en 302 van voornoemde wet van 11 juli 2021 in werking op de in artikel 426, § 1 bedoelde datum.
Art.427. § 1er. Pour l'application de l'article 310, alinéa 3 de la loi du 11 juillet 2021 visant à assurer la transposition de la directive 2019/878 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019, de la directive 2019/879 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2019, de la directive 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019, de la directive 2019/2177 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2019, de la directive 2021/338 du Parlement européen et du Conseil du 16 février 2021 et portant dispositions diverses, la référence dans cet article aux dispositions du Livre XII de la loi du 25 avril 2014, doit être lue comme une référence à ces dispositions telles qu'elles étaient applicables avant leur abrogation par l'article 425 de la présente loi.
§ 2. En application de l'article 315, alinéa 2 de la loi précitée du 11 juillet 2021, les articles 16, 17, 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° à 18°, 20° à 23°, 20, 21, 22, 27, 30, 1° et 3°, 31, 32, 34, 36 à 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 à 232, 259, 263, 266, 2° et 302 de la loi précitée du 11 juillet 2021 entrent en vigueur à la date visée à l'article 426, § 1er.
§ 2. En application de l'article 315, alinéa 2 de la loi précitée du 11 juillet 2021, les articles 16, 17, 18, 1°, 3°, 4°, 7°, 10° à 18°, 20° à 23°, 20, 21, 22, 27, 30, 1° et 3°, 31, 32, 34, 36 à 41, 43, 66, 67, 162, 165, 166, 218, 219, 220, 224, 228, 230 à 232, 259, 263, 266, 2° et 302 de la loi précitée du 11 juillet 2021 entrent en vigueur à la date visée à l'article 426, § 1er.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-09-2022, p. 70083)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-09-2022, p. 70083)