Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 JANUARI 2022. - BURGERLIJK WETBOEK - BOEK 4 : " Nalatenschappen, schenkingen en testamenten " (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-03-2022 en tekstbijwerking tot 27-06-2025)
Titre
19 JANVIER 2022. - CODE CIVIL - LIVRE 4 : " Les successions, donations et testaments "(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 14-03-2022 et mise à jour au 27-06-2025)
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Titel 1. Nalatenschappen en wettelijke erfopvol... Ondertitel 1. Algemene bepalingen Ondertitel 2. Hoedanigheden vereist om te erven Ondertitel 3. Onwaardigheid om te erven Ondertitel 4. Wettelijke erfopvolging Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Plaatsvervulling Hoofdstuk 3. Aanwezigheid van afstammelingen Hoofdstuk 4. Erfrechtelijke roeping van de echt... Afdeling 1. De langstlevende echtgenoot Afdeling 2. De langstlevende wettelijk samenwon... Hoofdstuk 5. Recht van wettelijke terugkeer Hoofdstuk 6. Afwezigheid van afstammelingen en ... Hoofdstuk 7. Afwezigheid van afstammelingen en ... Hoofdstuk 8. Nalatenschap van de kinderloos ove... Ondertitel 5. Rechten van de Staat Ondertitel 6. Erfkeuze Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Zuivere aanvaarding van de nalaten... Hoofdstuk 3. Verwerping van de nalatenschap Hoofdstuk 4. Aanvaarding onder voorrecht van bo... Hoofdstuk 5. Onbeheerde nalatenschappen Hoofdstuk 6. [1 Bewijs van erfrechtelijke hoeda... Ondertitel 7. Omzetting van het vruchtgebruik v... Ondertitel 8. Verdeling en inbreng Hoofdstuk 1. Verdeling Afdeling 1. Algemene bepalingen Afdeling 2. Vordering tot verdeling Afdeling 3. Bepalingen die voor elke verdeling ... Afdeling 4. Bijzondere bepalingen Afdeling 5. Overdracht van erfrechten en erfuit... Hoofdstuk 2. Inbreng Afdeling 1. Inbreng van giften Afdeling 2. Inbreng van schulden Hoofdstuk 3. Schulden en lasten van de nalatens... Hoofdstuk 4. Gevolgen van de verdeling en vrijw... Hoofdstuk 5. Betwisting van de verdeling Ondertitel 9. Kleine nalatenschappen Ondertitel 10. Erfregeling landbouwbedrijven Ondertitel 11. Centraal erfrechtregister Titel 2. Schenkingen, testamenten en erfovereen... Ondertitel 1. Algemene bepalingen Ondertitel 2. Bekwaamheid Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Minderjarigen en beschermde meerde... Hoofdstuk 3. Specifieke onbekwaamheden Ondertitel 3. Beschikbaar deel en inkorting Hoofdstuk 1. Beschikbaar deel Hoofdstuk 2. Inkorting Ondertitel 4. Schenkingen Hoofdstuk 1. Vorm van de schenkingen Hoofdstuk 2. Aanvaarding van de schenkingen Hoofdstuk 3. Voorwerp en modaliteiten van de sc... Hoofdstuk 4. Ontbinding en herroeping van schen... Ondertitel 5. Testamenten Hoofdstuk 1. Vormen van de testamenten Afdeling 1. Algemene bepalingen Afdeling 2. Vormvereisten Afdeling 3. Bijzonder toegelaten testamentsvormen Afdeling 4. Sanctionering Afdeling 5. Formaliteiten na overlijden Hoofdstuk 2. Legaten Afdeling 1. Algemene bepaling Afdeling 2. Algemeen legaat Afdeling 3. Legaat onder algemene titel Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen voor ... Afdeling 5. Bijzondere legaten Afdeling 6. Bijzondere bepalingen inzake legaten Afdeling 7. Testamentuitvoerder Afdeling 8. Herroeping en verval van testamenten Ondertitel 6. Toegelaten gift met bewaarplicht ... Ondertitel 7. Ouderlijke boedelverdeling Ondertitel 8. Schenkingen ten voordele van het ... Ondertitel 9. Schenkingen tussen echtgenoten Ondertitel 10. Erfovereenkomsten Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Hoofdstuk 2. Sanctionering van niet toegelaten ... Hoofdstuk 3. Gevolgen van de erfovereenkomsten Hoofdstuk 4. Vorm van de erfovereenkomsten Hoofdstuk 5. Publiciteit van de erfovereenkomsten Hoofdstuk 6. De globale erfovereenkomst Ondertitel 11. Centraal register van testamenten
Inhoud
Titre 1er. Les successions et la dévolution légale Sous-titre 1er. Dispositions générales Sous-titre 2. Qualités requises pour succéder Sous-titre 3. Indignité successorale Sous-titre 4. Dévolution légale Chapitre 1er. Dispositions générales Chapitre 2. Substitution Chapitre 3. Présence de descendants Chapitre 4. Vocation successorale du conjoint e... Section 1re. Le conjoint survivant Section 2. Le cohabitant légal survivant Chapitre 5. Droit de retour légal Chapitre 6. Absence de descendants et présence ... Chapitre 7. Absence de descendants et de collat... Chapitre 8. Succession de l'enfant adopté décéd... Sous-titre 5. Droits de l'Etat Sous-titre 6. Option héréditaire Chapitre 1er. Dispositions générales Chapitre 2. Acceptation pure et simple de la su... Chapitre 3. Renonciation à la succession Chapitre 4. Acceptation sous bénéfice d'inventaire Chapitre 5. Successions vacantes Chapitre 6. [1 Preuve de la qualité successorale]1 Sous-titre 7. Conversion de l'usufruit du conjo... Sous-titre 8. Partage et rapport. Chapitre 1er. Partage Section 1re. Dispositions générales Section 2. Action en partage Section 3. Règles communes à tout partage Section 4. Dispositions particulières Section 5. Cession de droits successifs et retr... Chapitre 2. Rapport Section 1re. Rapport des libéralités Section 2. Rapport des dettes Chapitre 3. Dettes et charges de la succession Chapitre 4. Effets du partage et garantie des lots Chapitre 5. Contestation du partage Sous-titre 9. Petits héritages Sous-titre 10. Régime successoral des exploitat... Sous-titre 11. Registre central successoral Titre 2. Les donations, testaments et pactes su... Sous-titre 1er. Dispositions générales Sous-titre 2. Capacité Chapitre 1er. Dispositions générales Chapitre 2. Mineurs et majeurs protégés Chapitre 3. Incapacités spéciales Sous-titre 3. Quotité disponible et réduction Chapitre 1er. Quotité disponible Chapitre 2. Réduction Sous-titre 4. Donations Chapitre 1er. Forme des donations Chapitre 2. Acceptation des donations Chapitre 3. Objet et modalités des donations Chapitre 4. Résolution et révocation des donations Sous-titre 5. Testaments Chapitre 1er. Formes des testaments Section 1re. Dispositions générales Section 2. Exigences formelles Section 3. Formes de testaments exceptionnellem... Section 4. Sanction Section 5. Formalités après le décès Chapitre 2. Legs Section 1re. Disposition générale Section 2. Legs universel Section 3. Legs à titre universel Section 4. Dispositions communes aux legs à voc... Section 5. Legs particuliers Section 6. Dispositions particulières concernan... Section 7. Exécuteur testamentaire Section 8. Révocation et caducité des testaments Sous-titre 6. Libéralité avec charge de conserv... Sous-titre 7. Partage d'ascendants Sous-titre 8. Donations en faveur du mariage Sous-titre 9. Donations entre époux Sous-titre 10. Les pactes successoraux Chapitre 1er. Dispositions générales Chapitre 2. Sanction des pactes successoraux no... Chapitre 3. Effets des pactes successoraux Chapitre 4. Formalités des pactes successoraux Chapitre 5. Publicité des pactes successoraux Chapitre 6. Le pacte successoral global Sous-titre 11. Registre central des testaments
Tekst (349)
Texte (349)
Titel 1. Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging
Titre 1er. Les successions et la dévolution légale
Ondertitel 1. Algemene bepalingen
Sous-titre 1er. Dispositions générales
Art. 4.1. Openvallen van de nalatenschap
  Nalatenschappen vallen open door het overlijden.
Art. 4.1. Ouverture de la succession
  Les successions s'ouvrent par le décès.
Art. 4.2. Erfgerechtigden en erfgenamen
  Erfgerechtigden hebben roeping tot de nalatenschap krachtens de wet, of hebben een algemene roeping of een roeping onder algemene titel tot de nalatenschap door de wil van de erflater.
  Door de aanvaarding van de nalatenschap neemt de erfgerechtigde de hoedanigheid aan van erfgenaam, of erfopvolger.
Art. 4.2. Successibles et héritiers
  Les successibles ont vocation à la succession en vertu de la loi, ou ont vocation universelle ou à titre universel à la succession par la volonté du défunt.
  Le successible prend, par son acceptation de la succession, la qualité d'héritier, ou successeur.
Art. 4.3. Bezit van de erfgenamen
  De door de wet aangeduide erfgenamen treden van rechtswege in het bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de erflater, onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen.
Art. 4.3. Saisine des héritiers
  Les héritiers désignés par la loi sont saisis de plein droit des biens, droits et actions du défunt, sous l'obligation d'acquitter toutes les charges de la succession.
Ondertitel 2. Hoedanigheden vereist om te erven
Sous-titre 2. Qualités requises pour succéder
Art. 4.4. Bestaansvoorwaarde
  Om erfgerechtigd te zijn moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt.
  Zijn dus niet erfgerechtigd:
  1° het kind dat nog niet verwekt is;
  2° het kind dat niet levensvatbaar geboren is.
Art. 4.4. Condition d'existence
  Pour être successible, il faut exister à l'instant de l'ouverture de la succession.
  Ainsi, ne sont pas successibles:
  1° l'enfant qui n'est pas encore conçu;
  2° l'enfant qui [1 n']1 est pas né viable.
  
Art. 4.5. Overlevingsvoorwaarde
  Om erfgerechtigd te zijn moet men de erflater overleven.
  Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden.
  Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of meer malen uitstel verlenen, voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd.
Art. 4.5. Condition de survie
  Pour être successible, il faut survivre au défunt.
  Lorsque l'ordre dans lequel deux ou plusieurs personnes sont décédées ne peut être déterminé, ces personnes sont censées être décédées simultanément.
  Si, par suite de circonstances qui ne peuvent lui être imputées, une personne intéressée éprouve des difficultés à établir l'ordre des décès, le juge peut lui accorder un ou plusieurs délais, pour autant qu'il soit raisonnable d'admettre que la preuve pourra être rapportée dans ces délais.
Ondertitel 3. Onwaardigheid om te erven
Sous-titre 3. Indignité successorale
Art. 4.6. Onwaardigheid
  § 1. Onwaardig om krachtens de wet tot de nalatenschap te komen, en dus van de nalatenschap uitgesloten is:
  1° hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van het Strafwetboek; zo ook hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen;
  2° hij die onwaardig is verklaard omdat hij een in de bepaling onder 1° bedoeld feit heeft gepleegd, of gepoogd heeft te plegen, maar die, omdat hij ondertussen overleden is, voor dat feit niet werd veroordeeld;
  3° hij die onwaardig is verklaard omdat hij als dader, mededader of medeplichtige schuldig werd bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek.
  § 2. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die uitwerking heeft door het louter feit dat de erfgerechtigde schuldig werd bevonden.
  De in paragraaf 1, 2°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de procureur des Konings.
  De in paragraaf 1, 3°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke sanctie die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de daarin vermelde feiten. De strafrechter kan deze burgerlijke sanctie ook uitspreken ten aanzien van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk feit te plegen.
Art. 4.6. Indignité
  § 1er. Est indigne de venir à la succession par la loi, et, comme tel, exclu de la succession:
  1° celui qui est reconnu coupable d'avoir, comme auteur, coauteur ou complice, commis sur la personne du défunt, un fait ayant entraîné sa mort, tel que visé aux articles 376, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du Code pénal, de même que celui qui est reconnu coupable d'avoir tenté de commettre un tel fait;
  2° celui qui est déclaré indigne parce qu'il a commis ou tenté de commettre un fait visé au 1°, mais qui, parce qu'il est décédé entretemps, n'a pas été condamné pour ce fait;
  3° celui qui est déclaré indigne parce qu'il a été reconnu coupable d'avoir commis, comme auteur, coauteur ou complice, sur la personne du défunt un fait tel que visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal.
  § 2. L'indignité visée au paragraphe 1er, 1°, est une sanction civile qui produit ses effets par le seul fait pour le successible d'avoir été reconnu coupable.
  L'indignité visée au paragraphe 1er, 2°, est une sanction civile, prononcée par le tribunal sur la réquisition du procureur du Roi.
  L'indignité visée au paragraphe 1er, 3°, est une sanction civile que peut prononcer le juge pénal qui reconnaît le successible coupable d'avoir commis un des faits qui y sont mentionnés. Le juge pénal peut également prononcer cette sanction civile à l'égard de celui qu'il a reconnu coupable d'avoir tenté de commettre un tel fait.
Art. 4.7. Vergiffenis
  Er is geen onwaardigheid indien de erflater, in de in artikel 4.6, § 1, 3°, bedoelde gevallen de dader, mededader of medeplichtige, de feiten heeft vergeven. Vergiffenis kan enkel worden geschonken in een geschrift dat van de erflater uitgaat, en dat na de feiten is opgemaakt in de vorm die voor een testamentaire beschikking is vereist.
Art. 4.7. Pardon
  L'indignité est levée, dans les cas prévus à l'article 4.6, § 1er, 3°, si le défunt a pardonné les faits à leur auteur, coauteur ou complice. Le pardon ne peut être accordé que dans un écrit émanant du défunt, établi après les faits et dans les formes requises pour un testament.
Art. 4.8. Gevolgen van de onwaardigheid
  De wegens onwaardigheid van de nalatenschap uitgesloten erfgerechtigde wordt geacht nooit enig recht in de nalatenschap te hebben gehad, zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten van derden die te goeder trouw handelden.
  De onwaardige is gehouden tot teruggave van alle vruchten en inkomsten die hij sinds het openvallen van de nalatenschap genoten heeft.
  Het aandeel van de onwaardige komt ten goede aan zijn afstammelingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt. Zo niet, komt zijn aandeel door aanwas ten goede aan de andere erfgerechtigden in dezelfde graad. Indien de onwaardige alleen is in zijn graad, vervalt het aan de overige erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn.
Art. 4.8. Effets de l'indignité
  Le successible exclu de la succession pour cause d'indignité est réputé n'avoir jamais eu aucun droit dans la succession, sans préjudice toutefois des droits des tiers ayant agi de bonne foi.
  L'indigne est tenu de rendre tous les fruits et revenus dont il a eu la jouissance depuis l'ouverture de la succession.
  La part de l'indigne bénéficie à ses descendants, si la substitution a lieu. Dans le cas contraire, sa part accroît celle des autres successibles de son degré. Si l'indigne est seul à son degré, elle est dévolue aux autres successibles appelés à cette succession.
Art. 4.9. Kinderen van de onwaardige
  De kinderen van de onwaardige zijn niet van de nalatenschap uitgesloten wegens de schuld van hun ouder. Ze kunnen bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen.
  De onwaardige heeft geen wettelijk genot op de goederen die zijn kinderen ten gevolge van zijn onwaardigheid vererven, en kan deze goederen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks van deze kinderen vererven.
  Wanneer de door een kind van de onwaardige aldus vererfde goederen bij overlijden van dit kind nog in natura in zijn nalatenschap aanwezig zijn, is de onwaardige voor deze goederen van de nalatenschap van het kind uitgesloten. Zijn deze goederen niet meer in natura aanwezig, dan is de onwaardige uit de nalatenschap gesloten ten belope van de waarde ervan, tenzij en in de mate deze goederen zijn verbruikt en dus ook hun tegenwaarde niet meer in de nalatenschap aanwezig is. De waarde van die goederen wordt bepaald op het ogenblik waarop het kind ze verkregen heeft.
Art. 4.9. Enfants de l'indigne
  Les enfants de l'indigne ne sont pas exclus de la succession en raison de la faute de leur parent. Ils peuvent venir à la succession par substitution.
  L'indigne n'a aucun droit de jouissance légale sur les biens dont ses enfants héritent à la suite de son indignité et ne peut en hériter de ces enfants ni directement ni indirectement.
  Si les biens recueillis par l'enfant d'un indigne se retrouvent en nature dans la succession de cet enfant au décès de celui-ci, l'indigne est exclu de cette succession en ce qui concerne ces biens. S'ils ne se retrouvent plus en nature dans cette succession, l'indigne en est exclu à concurrence de leur valeur, sauf et dans la mesure où ces biens ont été consommés et que dès lors leur contrevaleur ne se trouve plus dans la succession. La valeur de ces biens est déterminée au moment où l'enfant les a recueillis.
Ondertitel 4. Wettelijke erfopvolging
Sous-titre 4. Dévolution légale
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Chapitre 1er. Dispositions générales
Art. 4.10. Erfrechtelijke roeping
  § 1. De nalatenschappen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de erflater, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn verwanten in de opgaande lijn, aan zijn verwanten in de zijlijn, en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend, overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald.
  § 2. De erfrechtelijke roeping wordt vastgesteld volgens de eventuele aanwezigheid van een langstlevende echtgenoot of langstlevende wettelijk samenwonende, en van een van de vier mekaar opvolgende erfrechtelijke situaties, in de hierna vermelde volgorde:
  1° aanwezigheid van afstammelingen die de eerste erfrechtelijke orde vormen;
  2° afwezigheid van afstammelingen, en aanwezigheid van nauwe zijverwanten, in voorkomend geval samen met vader en moeder, die de tweede erfrechtelijke orde vormen;
  3° afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten, en aanwezigheid van ascendenten die de derde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing, in voorkomend geval, van de regels van de kloving;
  4° afwezigheid van afstammelingen, van nauwe zijverwanten en van ascendenten, en aanwezigheid van gewone zijverwanten die de vierde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing van de regels van de kloving, en met behoud van de toepassing van artikel 4.30, eerste lid.
Art. 4.10. Vocation successorale
  § 1er. Les successions sont déférées aux enfants et descendants du défunt, à son conjoint non divorcé ni séparé de corps, à ses ascendants, à ses collatéraux et, dans les limites des droits qui lui sont conférés, à son cohabitant légal, suivant les règles ci-après déterminées.
  § 2. La vocation successorale est déterminée en fonction de la présence éventuelle d'un conjoint ou d'un cohabitant légal survivant et de l'une des quatre situations successorales qui peuvent se présenter dans l'ordre suivant:
  1° présence de descendants, qui forment le premier ordre successoral;
  2° absence de descendants, et présence de collatéraux proches, le cas échéant avec le père et la mère, qui forment le deuxième ordre successoral;
  3° absence de descendants et de collatéraux proches, et présence d'ascendants qui forment le troisième ordre successoral, avec application, le cas échéant, des règles de la fente;
  4° absence de descendants, de collatéraux proches et d'ascendants, et présence de collatéraux simples qui forment le quatrième ordre successoral, avec application des règles de la fente, et sans préjudice de l'application de l'article 4.30, alinéa 1er.
Art. 4.11. Lijnen en graden
  § 1. De erfopvolging is in rechte lijn wanneer ze plaatsvindt tussen personen die van elkaar afstammen. Men onderscheidt in die lijn de rechte neerdalende lijn en de rechte opgaande lijn. De eerste verbindt de stamouder met de personen die van hem afstammen; de laatste verbindt een persoon met degenen van wie hij afstamt.
  § 2. De erfopvolging is in de zijlijn, wanneer ze plaats vindt tussen personen die niet van elkaar, maar van een gemene stamouder afstammen. Broers en zussen en hun afstammelingen worden ook de nauwe zijverwanten genoemd. De overige verwanten in de zijlijn worden de gewone zijverwanten genoemd.
  § 3. De afstand in verwantschap wordt bepaald door het aantal generaties. Elke generatie wordt een graad genoemd.
  § 4. In de rechte lijn zijn er zoveel graden als er generaties zijn tussen de personen in die lijn.
  Zo staat het kind in de eerste graad tegenover zijn vader of zijn moeder, en staat het kleinkind in de tweede graad. Dit geldt ook wederkerig voor de vader of de moeder tegenover hun kind, en voor de grootvader of de grootmoeder tegenover hun kleinkinderen.
  § 5. In de zijlijn worden de graden bepaald door het aantal generaties, te rekenen van een van de verwanten tot aan de gemene stamouder, en vervolgens van deze stamouder tot aan de andere verwant.
  Zo staan broer en zus tegenover elkaar in de tweede graad; oom of tante tegenover neef of nicht, in de derde graad; volle neven en nichten onderling, in de vierde graad; en zo verder.
  § 6. Verwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden.
Art. 4.11. Lignes et degrés
  § 1er. La succession est déférée en ligne directe lorsqu'elle a lieu entre personnes qui descendent l'une de l'autre. On distingue dans la ligne directe, la ligne directe descendante et la ligne directe ascendante. La première est celle qui lie l'auteur avec ceux qui descendent de lui; la deuxième est celle qui lie une personne avec ceux dont elle descend.
  § 2. La succession est déférée en ligne collatérale, lorsqu'elle a lieu entre personnes qui ne descendent pas les unes des autres, mais qui descendent d'un auteur commun. Les frères et soeurs et leurs descendants sont également appelés les collatéraux proches. Les autres parents dans la ligne collatérale sont appelés les collatéraux simples.
  § 3. La proximité de parenté s'établit par le nombre de générations. Chaque génération s'appelle un degré.
  § 4. En ligne directe, on compte autant de degrés qu'il y a de générations entre les personnes dans cette ligne.
  Ainsi l'enfant est, à l'égard du père ou de la mère, au premier degré, et le petit-enfant au second degré. Ceci vaut réciproquement pour le père ou la mère à l'égard de leur enfant, et du grand-père et de la grand-mère à l'égard de leurs petits-enfants.
  § 5. En ligne collatérale, les degrés se comptent par le nombre de générations, depuis l'un des parents jusqu'à l'auteur commun, et depuis celui-ci jusqu'à l'autre parent.
  Ainsi, frère et soeur sont au deuxième degré; l'oncle ou la tante, et le neveu ou la nièce sont au troisième degré; les cousins germains au quatrième; ainsi de suite.
  § 6. Les parents au-delà du quatrième degré ne succèdent pas, à moins qu'ils ne soient appelés par substitution.
Art. 4.12. Erfrechtelijke roeping na gewone adoptie
  In geval van gewone adoptie behouden de geadopteerde en zijn afstammelingen al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie.
  Ze verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden hebben.
  Ze verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de verwanten van de adoptant of adoptanten.
Art. 4.12. Vocation successorale après adoption simple
  En cas d'adoption simple, l'adopté et ses descendants conservent tous leurs droits héréditaires dans la famille d'origine.
  Ils acquièrent sur la succession de l'adoptant ou des adoptants les mêmes droits que ceux qu'auraient un enfant ou ses descendants.
  Ils n'acquièrent aucun droit sur la succession des parents de l'adoptant ou des adoptants.
Hoofdstuk 2. Plaatsvervulling
Chapitre 2. Substitution
Art. 4.13. Principe van de plaatsvervulling
  § 1. Door plaatsvervulling nemen de afstammelingen van een erfgerechtigde zijn plaats in en worden zij in zijn graad tot de nalatenschap geroepen.
  Plaatsvervulling heeft, volgens de hierna vermelde regels, plaats in geval van vooroverlijden, van gelijktijdig overlijden, van verwerping en van onwaardigheid van een erfgerechtigde.
  § 2. Men kan de plaats vervullen van hem wiens nalatenschap men verworpen heeft.
Art. 4.13. Principe de la substitution
  § 1er. La substitution permet aux descendants d'un successible de prendre sa place dans la succession, et d'y être appelé à son degré.
  La substitution a lieu, selon les règles mentionnées ci-après, en cas de prédécès, de décès simultané, de renonciation et d'indignité d'un successible.
  § 2. On peut se substituer à celui à la succession duquel on a renoncé.
Art. 4.14. Toepassingen
  In de rechte neerdalende lijn is er plaatsvervulling tot in het oneindige.
  In de rechte opgaande lijn is er geen plaatsvervulling; de naaste in elk van beide lijnen sluit altijd de verdere uit.
  In de zijlijn is er plaatsvervulling ten voordele van de afstammelingen van broers en zussen, ooms en tantes van de erflater.
  Plaatsvervulling is er niet ten voordele van de afstammelingen van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende.
Art. 4.14. Applications
  La substitution a lieu à l'infini dans la ligne directe descendante.
  La substitution n'a pas lieu en faveur des ascendants; le plus proche, dans chacune des deux lignes, exclut toujours le plus éloigné.
  En ligne collatérale, la substitution a lieu en faveur des descendants de frères et soeurs, oncles et tantes du défunt.
  La substitution n'a pas lieu en faveur des descendants du conjoint ou du cohabitant légal.
Art. 4.15. Graden en staken bij plaatsvervulling
  Er is ook plaatsvervulling wanneer geen van de erfgerechtigden in dezelfde graad tot de nalatenschap komen, hetzij omdat ze voor of gelijktijdig met de erflater overleden zijn, dan wel de nalatenschap verworpen hebben of onwaardig zijn. Ze heeft plaats ongeacht of de afstammelingen onder elkaar in gelijke of in ongelijke graden staan.
  In alle gevallen van plaatsvervulling geschiedt de verdeling bij staken. Indien een zelfde staak verscheidene takken heeft voortgebracht, geschiedt de onderverdeling in elke tak eveneens bij staken en delen de leden van dezelfde tak onder elkaar per hoofd.
Art. 4.15. Degrés et souches en cas de substitution
  La substitution a lieu même lorsqu'aucun des successibles au même degré ne vient à la succession, soit parce qu'ils sont décédés avant ou au même moment que le défunt, soit parce qu'ils ont renoncé ou qu'ils sont indignes. Elle a lieu, encore que les descendants se situent à des degrés égaux ou inégaux.
  Dans tous les cas de substitution, le partage s'opère par souche. Si une même souche a produit plusieurs branches, la subdivision se fait aussi par souche dans chaque branche, et les membres de la même branche partagent entre eux par tête.
Hoofdstuk 3. Aanwezigheid van afstammelingen
Chapitre 3. Présence de descendants
Art. 4.16. Rechte neerdalende lijn
  De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootouders of verdere verwanten in de opgaande lijn, ook al hebben zij niet dezelfde ouders, en ongeacht de wijze waarop hun afstamming is vastgesteld.
  De nalatenschap komt toe aan de afstammelingen die de naaste in graad zijn. Zij erven voor gelijke delen en per hoofd, wanneer zij allen in de eerste graad staan en uit eigen hoofde geroepen worden. Zij erven bij staken, wanneer zij allen of een gedeelte van hen bij plaatsvervulling opkomen.
Art. 4.16. Ligne directe descendante
  Les enfants ou leurs descendants succèdent à leurs père et mère, aïeuls, aïeules, ou autres ascendants, encore qu'ils n'aient pas les mêmes parents et quel que soit le mode d'établissement de leur filiation.
  La succession est déférée aux descendants les plus proches en degré. Ils succèdent par égales portions et par tête, quand ils sont tous au premier degré et appelés de leur chef. Ils succèdent par souche, lorsqu'ils viennent tous ou en partie par substitution.
Hoofdstuk 4. Erfrechtelijke roeping van de echtgenoot en de wettelijk samenwonende
Chapitre 4. Vocation successorale du conjoint et du cohabitant légal
Afdeling 1. De langstlevende echtgenoot
Section 1re. Le conjoint survivant
Art. 4.17. Erfrecht van de langstlevende echtgenoot
  § 1. Wanneer de erflater afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap.
  § 2. Wanneer de erflater verwanten in de opgaande lijn of nauwe zijverwanten achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot:
  1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is, en
  2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen.
  3° het vruchtgebruik op de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.25, tenzij in de akte van schenking of in het testament anders is bepaald.
  § 3. Wanneer de erflater andere erfgenamen of geen erfgenamen achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van de gehele nalatenschap.
Art. 4.17. Droit successoral du conjoint survivant
  § 1er. Lorsque le défunt laisse des descendants, des enfants adoptifs ou des descendants de ceux-ci, le conjoint survivant recueille l'usufruit de toute la succession.
  § 2. Lorsque le défunt laisse des ascendants ou des collatéraux proches, le conjoint survivant recueille:
  1° la pleine propriété de la part du prémourant dans le patrimoine commun et dans le patrimoine en indivision exclusivement entre les époux, et
  2° l'usufruit des autres biens du patrimoine propre du défunt.
  3° l'usufruit des biens soumis au droit de retour légal visé à l'article 4.24 ou à l'article 4.25, à moins qu'il n'en ait été décidé autrement dans l'acte de donation ou dans le testament.
  § 3. Lorsque le défunt laisse d'autres héritiers ou ne laisse aucun héritier, le conjoint survivant recueille la pleine propriété de toute la succession.
Art. 4.18. Vruchtgebruik op geschonken goederen
  Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  De echtgenoot kan afstand doen van dat vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de schenker.
Art. 4.18. Usufruit sur des biens donnés
  Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit des biens que celui-ci a donnés et sur lesquels il s'est réservé l'usufruit, pour autant que le conjoint ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
  Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession au logement principal de la famille, et des meubles qui le garnissent, pour autant que le donateur ait donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, que le conjoint cohabitait légalement avec le donateur au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
  Le conjoint peut renoncer à cet usufruit. Les articles 4.244 à 4.253 s'appliquent à cette renonciation, lorsqu'elle a lieu du vivant du donateur.
Art. 4.19. Uitoefening van erfrechtelijk vruchtgebruik
  Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden.
  Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren, na aftrek van de legaten.
  Het bezwaart eveneens:
  1° onder de voorwaarden bepaald in artikel 4.18, de goederen die door de erflater zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden;
  2° onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, en in afwijking van het tweede lid, de door de erflater gelegateerde goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten;
  3° onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, de door de erflater geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.
Art. 4.19. Exercice de l'usufruit successoral
  Lorsque le conjoint survivant a droit à l'usufruit de toute la succession, cet usufruit est établi conformément aux alinéas suivants.
  L'usufruit visé à l'alinéa 1er grève les biens existants au jour du décès, déduction faite des legs.
  Il grève également:
  1° aux conditions prévues à l'article 4.18, les biens donnés par le défunt et dont il s'était réservé l'usufruit;
  2° aux conditions et selon les modalités prévues au titre 2, sous-titre 3, chapitre 2, et par dérogation à l'alinéa 2, les biens légués par le défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci;
  3° aux conditions et selon les modalités prévues au titre 2, sous-titre 3, chapitre 2, les biens donnés par le défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.
Art. 4.20. Recht op huur
  De langstlevende echtgenoot verkrijgt als enige, met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot voornaamste woning diende.
Art. 4.20. Droit au bail
  Le conjoint survivant recueille seul, à l'exclusion de tous les autres héritiers, le droit au bail relatif à l'immeuble affecté au logement principal de la famille au jour de l'ouverture de la succession du défunt.
Art. 4.21. Boedelbeschrijving en belegging
  Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat voor alle met vruchtgebruik belaste goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van de onroerende worden opgemaakt, en dat de geldsommen worden belegd.
Art. 4.21. Inventaire et emploi
  Nonobstant toute stipulation contraire, quiconque recueille la nue-propriété peut exiger qu'il soit dressé pour tous les biens sujets à l'usufruit un inventaire des meubles et un état des immeubles et qu'il soit fait emploi des sommes recueillies.
Art. 4.22. Uitsluiting of verval
  § 1. De langstlevende echtgenoot kan van zijn erfrecht geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten of daarvan vervallen worden verklaard indien hij geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag over de kinderen geboren uit zijn huwelijk met de erflater.
  § 2. De rechtsvordering wordt door de afstammelingen ingesteld binnen een jaar te rekenen hetzij van het openvallen van de nalatenschap, hetzij van de ontzetting uit het ouderlijk gezag.
  Het vonnis heeft gevolg met ingang van de datum waarop de vordering is ingesteld.
  § 3. Indien het vruchtgebruik reeds is omgezet in de volle eigendom van een goed of in een geldsom, of indien de blote eigendom van de goederen bedoeld in art. 4.61, § 7, reeds is overgedragen, levert de uitsluiting of de vervallenverklaring grond op tot vergoeding.
  Die vergoeding wordt vastgesteld door de rechtbank en stemt overeen met de waarde van het vruchtgebruik, mede gelet op de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker bij het instellen van de rechtsvordering.
  Is het vruchtgebruik omgezet in een lijfrente, dan werkt het vonnis terug tot hetzelfde tijdstip.
Art. 4.22. Exclusion ou déchéance
  § 1er. Le conjoint survivant peut être exclu ou déchu en tout ou en partie de ses droits successoraux s'il est déchu en tout ou en partie de l'autorité parentale à l'égard des enfants issus de son mariage avec le défunt.
  § 2. L'action est introduite par les descendants dans l'année qui suit, soit l'ouverture de la succession, soit la déchéance de l'autorité parentale.
  Le jugement produit ses effets à la date de l'introduction de la demande.
  § 3. S'il y a déjà eu conversion de l'usufruit en la pleine propriété d'un bien ou en une somme ou cession de la nue-propriété des biens visés à l'article 4.61, § 7, l'exclusion ou la déchéance donnent lieu à indemnité.
  Celle-ci est fixée par le tribunal et correspond à la valeur de l'usufruit, compte tenu de la durée de vie probable de l'usufruitier à la date de l'introduction de la demande.
  Si la conversion a eu lieu en rente viagère, le jugement rétroagit à la même date.
Afdeling 2. De langstlevende wettelijk samenwonende
Section 2. Le cohabitant légal survivant
Art. 4.23. Erfrecht en recht op huur van de langstlevende wettelijk samenwonende
  § 1. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt, met welke erfgenamen hij ook tot de nalatenschap komt, het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad.
  Dit recht oefent de langstlevende wettelijk samenwonende ook uit indien de in het eerste lid vermelde goederen voorwerp zijn van een recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.25.
  § 2. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
  De wettelijk samenwonende kan afstand doen van het in het eerste lid bedoelde vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de schenker.
  § 3. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt als enige, met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de vooroverleden wettelijk samenwonende het gezin tot voornaamste woning diende, en verkrijgt het vruchtgebruik van het daarin aanwezige huisraad.
  § 4. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende wettelijk samenwonende een afstammeling is van de vooroverleden wettelijk samenwonende.
  § 5. Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote eigendom verkrijgt, eisen dat een boedelbeschrijving van het huisraad en een staat van het onroerend goed dat het gezin tot voornaamste woning diende wordt opgemaakt.
  § 6. De regels inzake het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot die zijn opgenomen in de artikelen 4.22 en 4.60 tot 4.64 zijn van overeenkomstige toepassing op het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijk samenwonende.
Art. 4.23. Droit successoral et droit au bail du cohabitant légal survivant
  § 1er. Quels que soient les héritiers avec lesquels il vient à la succession, le cohabitant légal survivant recueille l'usufruit de l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du défunt au logement principal de la famille et des meubles meublants qui le garnissent.
  Le cohabitant légal survivant exerce également ce droit lorsque les biens mentionnés à l'alinéa 1er sont l'objet d'un droit de retour légal comme prévu à l'article 4.24 ou à l'article 4.25.
  § 2. Le cohabitant légal survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession au logement principal de la famille, et des meubles qui le garnissent, si le donateur a donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, pour autant que le cohabitant légal ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
  Le cohabitant légal peut renoncer à l'usufruit visé à l'alinéa 1er. Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables à cette renonciation, lorsqu'elle a lieu du vivant du donateur.
  § 3. Le cohabitant légal survivant recueille seul, à l'exclusion de tous les autres héritiers, le droit au bail relatif à l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession du cohabitant légal prédécédé au logement principal de la famille et recueille l'usufruit des meubles qui le garnissent.
  § 4. Les dispositions qui précèdent ne s'appliquent pas lorsque le cohabitant légal survivant est le descendant du cohabitant légal prédécédé.
  § 5. Nonobstant toute clause contraire, toute personne attributaire de la nue-propriété peut exiger que soient dressés un inventaire des meubles meublants ainsi qu'un état de l'immeuble affecté au logement principal de la famille.
  § 6. Les règles relatives à l'usufruit du conjoint survivant qui sont énoncées aux articles 4.22 et 4.60 à 4.64 s'appliquent par analogie à l'usufruit du cohabitant légal survivant.
Hoofdstuk 5. Recht van wettelijke terugkeer
Chapitre 5. Droit de retour légal
Art. 4.24. Recht van wettelijke terugkeer ten voordele van ascendenten
  § 1. De verwanten in de opgaande lijn erven, met uitsluiting van alle anderen, de goederen door hen geschonken aan hun kinderen of afstammelingen die zelf overleden zijn zonder afstammelingen achter te laten, wanneer de geschonken goederen nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden.
  § 2. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien de prijs nog niet betaald is of er nog geen vermenging plaats vond in het vermogen van de begiftigde.
  Zij erven ook de vordering tot terugneming die de begiftigde mocht hebben.
Art. 4.24. Droit de retour légal au profit des ascendants
  § 1er. Les ascendants succèdent, à l'exclusion de tous autres, aux biens par eux donnés à leurs enfants ou descendants décédés sans descendance, lorsque ces biens se retrouvent en nature dans la succession, à charge de contribuer aux dettes et sous réserve des droits acquis des tiers.
  § 2. Si les biens ont été vendus, ce droit s'exerce sur le prix, s'il n'a pas encore été payé, ou s'il n'y a pas encore eu confusion dans le patrimoine du donataire.
  Ils succèdent aussi à l'action en reprise que pouvait avoir le donataire.
Art. 4.25. Recht van terugkeer na gewone adoptie
  § 1. In geval van gewone adoptie geldt artikel 4.24 niet. De goederen die door de verwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of door de adoptanten geschonken dan wel uit hun nalatenschap verkregen zijn en nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap van de geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, keren terug naar die verwanten in de opgaande lijn of adoptanten of naar hun afstammelingen, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden.
  § 2. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien deze nog niet is betaald of er nog geen vermenging in het vermogen van de geadopteerde plaats vond.
  De verwanten in opgaande lijn van de geadopteerde en de adoptanten verkrijgen ook de rechtsvordering tot terugneming die de geadopteerde mocht hebben.
Art. 4.25. Droit de retour après une adoption simple
  § 1er. En cas d'adoption simple, l'article 4.24 ne s'applique pas. Les biens donnés par les ascendants de l'adopté ou par les adoptants ou recueillis dans leur succession et qui se retrouvent en nature dans la succession de l'adopté décédé sans descendance, retournent à ces ascendants ou adoptants ou à leurs héritiers en ligne descendante, à charge de contribuer aux dettes et sous réserve des droits acquis des tiers.
  § 2. Si les biens ont été vendus, ce droit s'exerce sur le prix, s'il n'a pas encore été payé, ou s'il n'y a pas encore eu confusion dans le patrimoine de l'adopté.
  Les ascendants de l'adopté et les adoptants recueillent aussi l'action en reprise que pouvait avoir l'adopté.
Hoofdstuk 6. Afwezigheid van afstammelingen en aanwezigheid van nauwe zijverwanten
Chapitre 6. Absence de descendants et présence de collatéraux proches
Art. 4.26. Nauwe zijverwanten, eventueel samen met vader en moeder
  Indien de erflater geen afstammelingen heeft achtergelaten, worden zijn nauwe zijverwanten tot de nalatenschap geroepen, in voorkomend geval samen met zijn vader en moeder, volgens de regels bepaald in de volgende paragrafen.
  Indien de erflater, in het geval vermeld in het eerste lid, een langstlevende echtgenoot achterlaat, zijn de rechten van de nauwe zijverwanten, en in voorkomend geval die van vader en moeder, evenwel beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven.
  Indien beide ouders van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, hem hebben overleefd, en hij broers en zussen of hun afstammelingen achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee helften gesplitst, waarvan een helft aan de ouders toekomt, die ze onder elkaar gelijk verdelen. De andere helft komt toe aan de nauwe zijverwanten.
  Indien enkel de vader of moeder van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, vooroverleden is, wordt het gedeelte dat hem of haar, overeenkomstig het derde lid, zou zijn te beurt gevallen, gevoegd bij de helft die toekomt aan de nauwe zijverwanten.
  In geval van vooroverlijden van vader en moeder van een persoon die zonder afstammelingen overleden is, komt de nalatenschap uitsluitend toe aan de nauwe zijverwanten met uitsluiting van de overige ascendenten en van de overige zijverwanten.
Art. 4.26. Collatéraux proches éventuellement en concours avec le père et la mère
  Si le défunt n'a pas laissé de descendance, ses collatéraux proches, le cas échéant en concours avec son père et sa mère, sont appelés à la succession, selon les règles déterminées aux paragraphes suivants.
  Si le défunt laisse, dans le cas prévu à l'alinéa 1er, un conjoint survivant, les droits des collatéraux proches et le cas échéant ceux de son père et de sa mère, sont cependant limités à la nue-propriété des autres biens du patrimoine propre du défunt comme définis à l'article 4.17, § 2, 2°.
  Lorsque le père et la mère d'une personne décédée sans descendance lui ont survécu, et qu'elle a laissé des frères, soeurs, ou leurs descendants, la succession se divise en deux portions égales, dont une moitié est déférée au père et à la mère, qui la partagent entre eux également. L'autre moitié est déférée aux collatéraux proches.
  Lorsque seul le père ou la mère de la personne décédée sans descendance est prédécédé, la portion qui lui aurait été dévolue conformément à l'alinéa 3, se réunit à la moitié déférée aux collatéraux proches.
  En cas de prédécès tant du père que de la mère d'une personne décédée sans descendance, les collatéraux proches sont appelés à la succession, à l'exclusion des autres ascendants et des autres collatéraux.
Art. 4.27. Rechten van de nauwe zijverwanten onderling
  Nauwe zijverwanten erven, ofwel uit eigen hoofde, ofwel bij plaatsvervulling, overeenkomstig hetgeen in hoofdstuk 2 is bepaald.
  Indien broers en zussen dezelfde ouders hebben, erven zij in gelijke delen.
  Indien zij niet dezelfde ouders hebben, wordt een onderscheid gemaakt tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn van de erflater. Het gedeelte van de nalatenschap dat toekomt aan de nauwe zijverwanten wordt voor de helft aan elke lijn toegewezen. Volle broers en zussen erven in beide lijnen; halfbroers en halfzussen van vaderszijde erven slechts in de vaderlijke lijn; halfbroers en halfzussen van moederszijde erven slechts in de moederlijke lijn. Zijn er enkel broers of zussen van één zijde, dan erven ze alles, met uitsluiting van alle andere verwanten van de andere lijn.
Art. 4.27. Droits des collatéraux proches entre eux
  Les collatéraux proches succèdent, ou de leur chef, ou par substitution, conformément aux dispositions du chapitre 2.
  Si les frères et soeurs ont tous le même père et la même mère, ils succèdent par égales portions.
  S'ils n'ont pas le même père et la même mère, une distinction est faite entre les deux lignes paternelle et maternelle du défunt. La part de la succession qui revient aux collatéraux proches est dévolue pour moitié à chacune des deux lignes. Les germains prennent part dans les deux lignes; les demi-frères et demi-soeurs ayant le même père ne prennent part que dans la ligne paternelle; les demi-frères et demi-soeurs ayant la même mère, dans la ligne maternelle seulement. S'il n'y a de frères et soeurs que d'un côté, ils succèdent à la totalité, à l'exclusion de tous autres parents de l'autre ligne.
Hoofdstuk 7. Afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten
Chapitre 7. Absence de descendants et de collatéraux proches
Art. 4.28. Kloving
  Indien de erflater geen afstammelingen, en geen nauwe zijverwanten heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap, als gevolg van kloving, in twee helften gesplitst tussen de verwanten in de vaderlijke lijn en de verwanten in de moederlijke lijn. Binnen elke lijn wordt ze toegewezen volgens de in dit hoofdstuk bepaalde regels.
  Is deze eerste splitsing tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn gedaan, dan heeft geen verdere splitsing plaats tussen de verschillende takken.
  Zijn er in de ene lijn geen verwanten in erfelijke graad, dan erven de verwanten van de andere lijn de gehele nalatenschap.
Art. 4.28. Fente
  Lorsque le défunt ne laisse ni descendants, ni collatéraux proches, la succession est, par l'effet de la fente, divisée en deux parts égales: l'une pour les parents de la ligne paternelle, l'autre pour les parents de la ligne maternelle. Elle est dévolue, dans chacune de ces lignes, selon les règles déterminées au présent chapitre.
  Cette première division opérée entre les lignes paternelle et maternelle, il ne se fait plus de division entre les diverses branches.
  A défaut de parents au degré successible dans une ligne, les parents de l'autre ligne succèdent pour le tout.
Art. 4.29. Verwanten in rechte opgaande lijn
  § 1. Wanneer er na kloving, zoals bepaald in artikel 4.28, in beide lijnen verwanten in de opgaande lijn bestaan, dan erft in elke lijn de naaste verwant in graad, ook als de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat. In elke lijn erven verwanten in opgaande lijn in gelijke graad, per hoofd.
  § 2. Indien er slechts in één lijn verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat, vindt evenwel geen kloving plaats. Alleen de verwanten in opgaande lijn komen in dat geval tot de nalatenschap. In die lijn komt de naaste in graad tot de nalatenschap en erven de verwanten in opgaande lijn in gelijke graad per hoofd.
  § 3. In het geval bepaald in paragraaf 1, indien de erflater ook een langstlevende echtgenoot nalaat, en in het geval bepaald in paragraaf 2, worden de rechten van de verwanten in opgaande lijn, beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven.
  § 4. Indien er in een van beide lijnen geen verwanten in opgaande lijn bestaan, en de erflater geen langstlevende echtgenoot achterlaat, dan is er wel kloving, en komen in die lijn de gewone zijverwanten tot de nalatenschap, volgens de regels bepaald in artikel 4.30.
  In dat geval heeft de overlevende vader of moeder het vruchtgebruik van het derde gedeelte van de goederen die hij of zij niet in eigendom erft.
Art. 4.29. Parents en ligne directe ascendante
  § 1er. En cas de fente comme prévu à l'article 4.28, et si le défunt laisse des parents en ligne ascendante dans chaque ligne, l'ascendant qui se trouve au degré le plus proche, recueille la moitié affectée à sa ligne, même si le défunt laisse un conjoint survivant. Dans chaque ligne, les ascendants au même degré succèdent par tête.
  § 2. Si, par contre, il n'y a d'ascendants que dans une ligne, et que le défunt laisse un conjoint survivant, il n'y aura pas lieu à fente. Seuls les parents en ligne ascendante sont appelés à la succession. Dans cette ligne, la succession est dévolue à l'ascendant au degré le plus proche et les ascendants au même degré succèdent par tête.
  § 3. Dans le cas prévu au paragraphe 1er, si le défunt laisse aussi un conjoint survivant, ainsi que dans le cas prévu au paragraphe 2, les droits des ascendants sont limités à la nue-propriété des autres biens du patrimoine propre du défunt comme définis à l'article 4.17, § 2, 2°.
  § 4. S'il n'y a d'ascendants que dans une ligne, et que le défunt ne laisse pas de conjoint survivant, il y aura lieu à fente, et les collatéraux simples seront appelés à la succession dans l'autre ligne, selon les règles déterminées à l'article 4.30.
  Le père ou la mère survivant a dans ce cas l'usufruit du tiers des biens auxquels il ne succède pas en propriété.
Art. 4.30. Gewone zijverwanten
  Gewone zijverwanten worden niet tot de nalatenschap geroepen indien de erflater een langstlevende echtgenoot nalaat.
  Indien er slechts in één lijn verwanten in de opgaande lijn zijn, wordt de andere helft toegewezen aan de gewone zijverwanten van de andere lijn, en in die lijn aan de naaste in graad.
  Indien er in geen van beide lijnen verwanten in de opgaande lijn zijn, wordt de nalatenschap toegewezen aan de gewone zijverwanten, in iedere lijn aan de naaste in graad.
  Indien er, in één lijn, verschillende gewone zijverwanten van dezelfde graad samen opkomen, delen zij per hoofd, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden, voor zover plaatsvervulling toegelaten is.
Art. 4.30. Collatéraux simples
  Les collatéraux simples ne sont pas appelés à la succession si le défunt laisse un conjoint survivant.
  S'il n'y a d'ascendants que dans une ligne, la moitié déférée aux collatéraux simples de l'autre ligne est dévolue à celui d'entre eux qui se trouve au degré le plus proche.
  S'il n'y a d'ascendants dans aucune des deux lignes, la succession est déférée aux collatéraux simples, dans chacune des deux lignes à celui qui se trouve au degré le plus proche dans cette ligne.
  S'il y a, dans une même ligne, concours de collatéraux simples au même degré, ils succèdent par tête, à moins qu'ils ne soient appelés par substitution, pour autant que la substitution soit autorisée.
Hoofdstuk 8. Nalatenschap van de kinderloos overleden geadopteerde
Chapitre 8. Succession de l'enfant adopté décédé sans descendance
Art. 4.31. Kloving in de nalatenschap van de geadopteerde
  In geval van gewone adoptie worden, na uitoefening van het recht van terugkeer zoals bepaald in artikel 4.25 de overige goederen van de geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, in twee gelijke helften gesplitst tussen de oorspronkelijke en de adoptieve familie.
  In de oorspronkelijke familie is die ene helft van de nalatenschap onderworpen aan de regels van artikelen 4.10 tot 4.30.
  In de adoptieve familie komt de andere helft van de nalatenschap uitsluitend toe aan de adoptant of bij helften aan ieder van de adoptanten of aan hun afstammelingen, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de overlevende echtgenoot of van de langstlevende wettelijk samenwonende. Indien een van de adoptanten overleden is zonder afstammelingen achter te laten, erven de andere adoptant of zijn afstammelingen deze helft van de nalatenschap.
  Indien in een van deze families niemand tot de helft van de nalatenschap geroepen is, of de erfgenamen allen de nalatenschap verwerpen, vallen alle overige goederen van de geadopteerde aan de andere familie toe.
  Artikel 4.24 is niet van toepassing, ten aanzien van de oorspronkelijke familie van de geadopteerde, op de nalatenschap van zijn kinderen die na hem overleden zijn zonder afstammelingen achter te laten. Het aandeel van de nalatenschap van de langstlevende van die kinderen, dat volgens artikel 4.29 wordt toegekend aan de verwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde, wordt verdeeld overeenkomstig het eerste tot het vierde lid.
Art. 4.31. Fente dans la succession de l'enfant adopté
  En cas d'adoption simple, après exercice du droit de retour comme il est prévu à l'article 4.25, le surplus des biens de l'adopté décédé sans descendance, se divise en deux parts égales entre la famille d'origine et la famille adoptive.
  Dans la famille d'origine, la moitié de cette succession qui lui revient est soumise aux règles prévues aux articles 4.10 à 4.30.
  Dans la famille adoptive, l'autre moitié est, sous réserve des droits du conjoint survivant ou du cohabitant légal survivant, déférée exclusivement à l'adoptant ou par moitié à chacun des adoptants ou à leurs descendants. Si l'un des adoptants est décédé sans descendance, l'autre adoptant ou ses descendants succèdent pour le tout.
  Si dans l'une de ces familles, personne ne se trouve appelé à recueillir la moitié de la succession ou si les héritiers renoncent tous à la succession, l'autre famille recueille tout le surplus des biens de l'adopté.
  L'article 4.24 n'est pas applicable, en ce qui concerne la famille d'origine de l'adopté, aux successions de ses enfants, décédés après lui sans descendance. La part de la succession du dernier mourant de ces enfants qui, aux termes de l'article 4.29 est attribuée aux ascendants de l'adopté, se divise conformément aux alinéas 1er à 4.
Ondertitel 5. Rechten van de Staat
Sous-titre 5. Droits de l'Etat
Art. 4.32. Erfloze nalatenschap
  Bij gebreke van erfgenamen vervalt de nalatenschap aan de Staat, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 4.32. Succession en déshérence
  A défaut de tout héritier, la succession est acquise à l'Etat, sans préjudice des droits des centres publics d'aide sociale.
Art. 4.33. Formaliteiten
  Wanneer de Staat aanspraak maakt op de nalatenschap, moet hij de zegels doen leggen en een boedelbeschrijving doen opmaken in de vorm die is voorgeschreven voor de aanvaarding van nalatenschappen onder voorrecht van boedelbeschrijving.
  De Staat moet de inbezitstelling vragen bij de familierechtbank van het rechtsgebied waarbinnen de nalatenschap is opengevallen. De rechtbank kan over de eis geen uitspraak doen dan na drie bekendmakingen en aanplakkingen in de gebruikelijke vorm, en na de procureur des Konings te hebben gehoord.
  Indien de Staat de voorgeschreven formaliteiten niet heeft vervuld, kan hij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan de erfgenamen die zich zouden aanmelden.
Art. 4.33. Formalités
  Lorsque l'Etat prétend avoir droit à la succession, il est tenu de faire apposer les scellés et de faire dresser inventaire dans les formes prescrites pour l'acceptation des successions sous bénéfice d'inventaire.
  L'Etat doit demander l'envoi en possession au tribunal de la famille dans le ressort duquel la succession est ouverte. Le tribunal ne peut statuer sur la demande qu'après trois publications et affiches dans les formes usitées, et après avoir entendu le procureur du Roi.
  Si l'Etat n'a pas rempli les formalités prescrites, il pourra être condamné aux dommages et intérêts envers les héritiers, s'il s'en présente.
Ondertitel 6. Erfkeuze
Sous-titre 6. Option héréditaire
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Chapitre 1er. Dispositions générales
Art. 4.34. Vrije keuze
  Een nalatenschap kan of zuiver, of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard worden.
  Niemand is gehouden een hem opgekomen nalatenschap te aanvaarden.
Art. 4.34. Option libre
  Une succession peut être acceptée purement et simplement, ou sous bénéfice d'inventaire.
  Nul n'est tenu d'accepter une succession qui lui est échue.
Art. 4.35. Overgang van erfkeuze
  Wanneer hij aan wie een nalatenschap is opgekomen, overleden is zonder zijn erfkeuze te hebben uitgeoefend, gaat deze erfkeuze op zijn erfgenamen over.
  Indien deze erfgenamen omtrent deze erfkeuze van mening verschillen, moet de nalatenschap worden aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
Art. 4.35. Transmission de l'option héréditaire
  Lorsque celui à qui une succession est échue, est décédé sans avoir exercé son option héréditaire, cette option héréditaire est transmise à ses héritiers.
  Si ces héritiers ne sont pas d'accord sur la manière d'exercer cette option héréditaire, la succession doit être acceptée sous bénéfice d'inventaire.
Art. 4.36. Tijdstip voor de uitoefening van de erfkeuze
  Men kan omtrent de nalatenschap van een persoon die nog in leven is, geen erfkeuze maken, tenzij de wet anders bepaalt.
  Het recht om een erfkeuze te maken verjaart door verloop van dertig jaar, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is opengevallen.
Art. 4.36. Moment de l'exercice de l'option héréditaire
  On ne peut exercer l'option héréditaire relative à la succession d'une personne vivante, sauf dans les cas prévus par la loi.
  La faculté d'exercer l'option héréditaire se prescrit par trente ans, à compter du jour de l'ouverture de la succession.
Art. 4.37. Opschortende exceptie van boedelbeschrijving en beraad
  § 1. Gedurende de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, kan een erfgerechtigde niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen, en kan tegen hem geen veroordeling worden verkregen.
  § 2. De termijn voor het opmaken van de boedelbeschrijving is drie maanden, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is opengevallen.
  De termijn om zich omtrent de erfkeuze te beraden, is veertig dagen, te rekenen van de dag dat de voor het opmaken van de boedelbeschrijving verleende drie maanden verstreken zijn, of van de dag van het sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze vóór het verstrijken van de drie maanden is beëindigd.
  § 3. Na verloop van de hierboven bepaalde termijnen, kan de erfgerechtigde, indien tegen hem een vervolging wordt ingesteld, een nieuwe termijn aanvragen, die door de familierechtbank waarvoor het geschil aanhangig is, naar gelang van de omstandigheden wordt toegestaan of geweigerd.
  § 4 De kosten van de vervolging, in het geval van paragraaf 3, komen ten laste van de nalatenschap, indien de erfgerechtigde bewijst dat hij van het overlijden geen kennis heeft gedragen, of dat de termijnen onvoldoende zijn geweest, hetzij wegens de ligging van de goederen, hetzij wegens de gerezen geschillen; indien hij daarvan het bewijs niet levert, blijven de kosten te zijnen laste.
  De kosten van opneming en andere waarschuwingen blijven ten laste van de nalatenschap als gerechtskosten.
Art. 4.37. Exception dilatoire pour faire inventaire et délibérer
  § 1er. Pendant la durée des délais pour faire inventaire et pour délibérer, le successible ne peut être contraint à prendre la qualité d'héritier, et il ne peut être obtenu contre lui de condamnation.
  § 2. Le délai pour faire inventaire est de trois mois, à compter du jour de l'ouverture de la succession.
  Le délai pour délibérer sur l'option héréditaire à prendre est de quarante jours, qui commencent à courir du jour de l'expiration des trois mois donnés pour l'inventaire, ou du jour de la clôture de l'inventaire s'il a été terminé avant les trois mois.
  § 3. Après l'expiration des délais ci-dessus, le successible, en cas de poursuite dirigée contre lui, peut demander un nouveau délai, que le tribunal de la famille saisi de la contestation accorde ou refuse suivant les circonstances.
  § 4. Les frais de poursuite, dans le cas du paragraphe 3, sont à la charge de la succession, si le successible justifie, ou qu'il n'avait pas eu connaissance du décès, ou que les délais ont été insuffisants, soit à raison de la situation des biens, soit à raison des contestations survenues; s'il n'en justifie pas, les frais restent à sa charge personnelle.
  Les frais d'insertion et autres avertissements restent à charge de la succession comme frais de justice.
Art. 4.38. Erfkeuze na verloop van de toegestane termijnen
  Na verloop van de bij artikel 4.37, § 2, verleende, en zelfs van de door de rechter overeenkomstig artikel 4.37, § 3, toegestane termijnen, behoudt de erfgerechtigde niettemin het recht om de boedelbeschrijving alsnog te doen opmaken, en zijn erfkeuze uit te oefenen, tenzij hij reeds een daad van erfgenaam verricht heeft, of tegen hem een vonnis bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver erfgenaam veroordeelt.
  Indien de erfgerechtigde de nalatenschap verwerpt, nadat de termijnen zijn verstreken of vroeger, komen de kosten, door hem tot dan toe wettig gemaakt, ten laste van de nalatenschap.
Art. 4.38. Option héréditaire après écoulement des délais accordés
  Le successible conserve néanmoins, après l'expiration des délais accordés par l'article 4.37, § 2, et même de ceux donnés par le juge conformément à l'article 4.37, § 3, la faculté de faire encore inventaire et d'exercer son option héréditaire, sauf s'il a déjà fait acte d'héritier, ou s'il existe contre lui un jugement passé en force de chose jugée, qui le condamne en qualité d'héritier pur et simple.
  Si le successible renonce lorsque les délais sont expirés ou avant, les frais par lui faits légitimement jusqu'à cette époque sont à la charge de la succession.
Art. 4.39. Gevolgen van de gemaakte erfkeuze
  De erfkeuze werkt terug tot op de dag waarop de nalatenschap is opengevallen.
  De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit erfgerechtigde te zijn geweest.
Art. 4.39. Effets de l'option héréditaire exercée
  L'effet de l'option héréditaire exercée remonte au jour de l'ouverture de la succession.
  Le successible qui renonce est censé n'avoir jamais été successible.
Art. 4.40. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen
  § 1. Omtrent nalatenschappen die aan minderjarigen toekomen, kan de erfkeuze slechts rechtsgeldig worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van artikel 410, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek.
  § 2. De fondsen en waarden die zij verkrijgen, worden geplaatst op een rekening geopend op hun naam en worden onbeschikbaar gemaakt tot de meerderjarigheid, zonder afbreuk te doen aan het recht op wettelijk genot, en met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 410, § 1, 14°, van het oud Burgerlijk Wetboek.
  § 3. Ingeval minderjarigen of personen die overeenkomstig artikel 492/1, § 2, derde lid, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om een nalatenschap te verwerpen, tot een nalatenschap bedoeld in artikel 4.44, derde lid, geroepen zijn, ook indien dit slechts in ondergeschikte graad of orde is, kan de vrederechter, voor het geheel of een deel van deze personen, worden verzocht om een gezamenlijke machtiging om deze nalatenschap te verwerpen.
  Het verzoek kan gezamenlijk worden ingediend door de respectievelijke wettelijke vertegenwoordigers, overeenkomstig artikel 1185 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 4.40. Mineurs et majeurs protégés
  § 1er. Pour les successions échues aux mineurs, l'option héréditaire ne peut être valablement exercée que conformément aux dispositions de l'article 410, § 1er, de l'ancien Code civil.
  § 2. Les fonds et valeurs leur revenant sont placés sur un compte à leur nom, frappé d'indisponibilité jusqu'à la majorité, sans préjudice du droit de jouissance légale, et sans préjudice de l'article 410, § 1er, 14°, de l'ancien Code civil.
  § 3. Dans le cas où des mineurs ou des personnes qui ont été déclarées incapables de renoncer à une succession conformément à l'article 492/1, § 2, alinéa 3, 5°, de l'ancien Code civil, sont appelés à une succession visée à l'article 4.44, alinéa 3, même si ce n'est qu'à un degré ou à un ordre subséquent, une autorisation conjointe de renoncer à cette succession peut être demandée au juge de paix, pour tout ou partie de ces personnes.
  La requête peut être introduite conjointement par leurs représentants légaux respectifs, conformément à l'article 1185 du Code judiciaire.
Hoofdstuk 2. Zuivere aanvaarding van de nalatenschap
Chapitre 2. Acceptation pure et simple de la succession
Art. 4.41. Uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding
  § 1. De zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.
  § 2. Zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt.
  § 3. Zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.
  § 4. Daden die alleen dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig beheer, zijn geen daden van aanvaarding van de nalatenschap, indien daarbij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam niet is aangenomen.
  Indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen bederven, of waarvan de bewaring grote kosten vergt, kan de erfgerechtigde zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde mag afleiden, zich door de rechter doen machtigen om die zaken te verkopen. De bepalingen van boek IV, hoofdstuk V, van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.41. Acceptation expresse ou tacite
  § 1er. L'acceptation pure et simple peut être expresse ou tacite.
  § 2. Elle est expresse, quand le successible prend le titre ou la qualité d'héritier dans un acte authentique ou dans un acte sous signature privée.
  § 3. Elle est tacite, quand le successible fait un acte qui suppose nécessairement son intention d'accepter, et qu'il n'aurait droit de faire qu'en sa qualité d'héritier.
  § 4. Les actes purement conservatoires, de surveillance et d'administration provisoire, ne sont pas des actes d'acceptation de succession, si l'on n'y a pas pris le titre ou la qualité d'héritier.
  Si cependant il existe dans la succession, des objets susceptibles de dépérir ou dispendieux à conserver, le successible peut, sans qu'on puisse en induire de sa part une acceptation, se faire autoriser par justice à procéder à la vente de ces objets. Les dispositions du livre IV, chapitre V, du Code judiciaire s'appliquent par analogie.
Art. 4.42. Overdracht die aanvaarding inhoudt
  De schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een van de erfgenamen gedaan, hetzij aan een vreemde persoon, hetzij aan al zijn mede-erfgenamen, hetzij aan enkelen onder hen, heeft voor hem aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge.
  Hetzelfde geldt:
  1° voor de verwerping, zelfs om niet, door een van de erfgenamen gedaan ten voordele van een of meer van zijn mede-erfgenamen;
  2° voor de verwerping door hem gedaan, zelfs ten voordele van al zijn mede-erfgenamen zonder onderscheid, wanneer hij voor de verwerping een prijs ontvangt.
Art. 4.42. Cession emportant acceptation
  La donation, vente ou cession que fait de ses droits successifs un des cohéritiers, soit à un étranger, soit à tous ses cohéritiers, soit à quelques-uns d'eux, emporte de sa part acceptation de la succession.
  Il en est de même:
  1° de la renonciation, même gratuite, que fait un des héritiers au profit d'un ou de plusieurs de ses cohéritiers;
  2° de la renonciation qu'il fait même au profit de tous ses cohéritiers indistinctement, lorsqu'il reçoit le prix de sa renonciation.
Art. 4.43. Bedrog of benadeling bij aanvaarding
  Een meerderjarige kan tegen de door hem uitdrukkelijk of stilzwijgend gedane aanvaarding van een nalatenschap slechts opkomen ingeval die aanvaarding het gevolg mocht zijn geweest van een jegens hem gepleegd bedrog.
  Hij kan er nooit tegen opkomen onder voorwendsel van benadeling, tenzij de nalatenschap mocht zijn teniet gedaan of met meer dan de helft verminderd, door de ontdekking van een testament dat op het ogenblik van de aanvaarding onbekend was.
Art. 4.43. Dol ou lésion invalidant l'acceptation
  Le majeur ne peut attaquer l'acceptation expresse ou tacite qu'il a faite d'une succession, que dans le cas où cette acceptation aurait été la suite d'un dol pratiqué envers lui.
  Il ne peut jamais l'attaquer sous prétexte de lésion, excepté seulement dans le cas où la succession se trouverait absorbée ou diminuée de plus de moitié, par la découverte d'un testament inconnu au moment de l'acceptation.
Hoofdstuk 3. Verwerping van de nalatenschap
Chapitre 3. Renonciation à la succession
Art. 4.44. Uitdrukkelijke keuze vereist
  De verwerping van een nalatenschap wordt niet vermoed: zij moet worden gedaan door middel van een verklaring afgelegd ten overstaan van een notaris, in een authentieke akte.
  Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de verwerping, door toedoen van de notaris en op kosten van de verwerpende erfgerechtigde, ingeschreven in het centraal erfrechtregister.
  Ingeval de verwerper of verwerpers op eer verklaren in de akte dat volgens hun kennis het netto actief van de nalatenschap niet meer bedraagt dan 5 000 euro, wordt de verklaring van verwerping bedoeld in het eerste lid, kosteloos verleden en geregistreerd en wordt zij vrijgesteld van de betaling van recht op geschriften en bekendmakingskosten. Elke drie jaar, op 1 augustus, wordt het bedrag van 5 000 euro van rechtswege aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. Het aanvangsindexcijfer is het indexcijfer van de maand juli 2017.
Art. 4.44. Exigence d'une volonté expresse
  La renonciation à une succession ne se présume pas: elle doit être faite par déclaration devant notaire, dans un acte authentique.
  Dans les quinze jours qui suivent l'acte authentique, la renonciation est inscrite, par les soins du notaire et aux frais du successible renonçant, dans le registre central successoral.
  Lorsque la ou les personnes qui renoncent déclarent sur l'honneur dans l'acte qu'à leur connaissance l'actif net de la succession ne dépasse pas 5 000 euros, la déclaration de renonciation visée à l'alinéa 1er est reçue et enregistrée gratuitement et exemptée de paiement de droit d'écriture et de frais de publication. Tous les trois ans, au 1er août, le montant de 5 000 euros est adapté de plein droit à l'indice des prix à la consommation du mois qui précède celui de l'adaptation. L'indice de départ est celui du mois de juillet 2017.
Art. 4.45. Gevolgen van de verwerping
  Het aandeel van hem die de nalatenschap verwerpt, komt ten goede aan zijn afstammelingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt.
  Zo niet, komt zijn aandeel door aanwas ten goede aan de andere erfgerechtigden in dezelfde graad.
  Indien de verwerper alleen is in zijn graad, vervalt het aan de overige erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn.
Art. 4.45. Effets de la renonciation
  La part du renonçant bénéficie à ses descendants, si la substitution a lieu.
  Dans le cas contraire, sa part accroît celle des autres successibles de son degré.
  Si le renonçant est seul à son degré, elle est dévolue aux autres successibles appelés à cette succession.
Art. 4.46. Schuldeisers
  De schuldeisers van hem die met benadeling van hun rechten een nalatenschap verwerpt, kunnen zich door de rechter doen machtigen om de nalatenschap uit hoofde van hun schuldenaar in zijn plaats te aanvaarden.
  In dit geval is de verwerping alleen ten voordele van de schuldeisers en slechts tot het bedrag van hun schuldvorderingen vernietigd. Zij is het niet ten voordele van de erfgerechtigde die de nalatenschap verworpen heeft.
Art. 4.46. Créanciers
  Les créanciers de celui qui renonce au préjudice de leurs droits, peuvent se faire autoriser en justice à accepter la succession du chef de leur débiteur, en son lieu et place.
  Dans ce cas, la renonciation n'est annulée qu'en faveur des créanciers, et jusqu'à concurrence seulement de leurs créances: elle ne l'est pas au profit du successible qui a renoncé.
Art. 4.47. Intrekking van de verwerping
  Zolang tegen erfgerechtigden die een nalatenschap verworpen hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, blijven zij bevoegd om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard; zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten die door derden op de goederen van de nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde nalatenschap.
Art. 4.47. Rétractation de la renonciation
  Tant que la prescription du droit d'accepter n'est pas acquise contre les successibles qui ont renoncé, ils ont la faculté d'accepter encore la succession, si elle n'a pas déjà été acceptée par d'autres héritiers; sans préjudice néanmoins des droits qui peuvent être acquis à des tiers sur les biens de la succession, soit par prescription, soit par des actes valablement faits avec le curateur à la succession vacante.
Art. 4.48. Heling en verval van het recht op verwerping
  De erfgenaam of de erfgerechtigde die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.
  De erfgenaam of de erfgerechtigde die schuldig is aan heling verliest de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen. Ook al zou hij die willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen maken.
  Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam of de erfgerechtigde die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.
Art. 4.48. Recel et déchéance du droit de renoncer
  L'héritier ou le successible qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l'étendue de la succession, pour en retirer un avantage pour lui-même au préjudice de ses cohéritiers ou des créanciers de la succession, est coupable de recel.
  L'héritier ou le successible qui est coupable de recel est déchu de la faculté de renoncer à la succession. Même s'il voulait y renoncer, il demeure héritier pur et simple, sans pouvoir prétendre à aucune part dans les biens ou valeurs recelés.
  Cette sanction ne peut être invoquée à l'encontre de l'héritier ou du successible qui fournit, spontanément et en temps utile, l'information exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.
Hoofdstuk 4. Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving
Chapitre 4. Acceptation sous bénéfice d'inventaire
Art. 4.49. Uitdrukkelijke keuze vereist
  § 1. De verklaring waarbij een erfgerechtigde te kennen geeft dat hij de hoedanigheid van erfgenaam slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, moet worden afgelegd ten overstaan van een notaris, in een authentieke akte.
  § 2. Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, door toedoen van de notaris en op kosten van de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, ingeschreven in het centraal erfrechtregister.
  § 3. Bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wegens onbekwaamheid van de erfgerechtigde, wordt de verklaring afgelegd door de vader en de moeder of door degene van hen die het ouderlijk gezag uitoefent, door de ontvoogde minderjarige, door de voogd of door de bewindvoerder met vertegenwoordigingsopdracht. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 2. De vrederechter ziet toe op de inachtneming van deze vormen.
  In geval van belangentegenstelling tussen de onbekwame en zijn wettelijke vertegenwoordiger, wordt door de vrederechter, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc of een bewindvoerder ad hoc aangewezen.
  § 4. Een uittreksel uit de verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wordt bekendgemaakt door een mededeling in het Belgisch Staatsblad, door toedoen van de notaris en op kosten van de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, met verzoek aan de schuldeisers en legatarissen om, bij aangetekende zending, hun rechten te doen kennen binnen drie maanden te rekenen van de datum van die bekendmaking.
  Dat uittreksel vermeldt enkel de volgende gegevens met betrekking tot de erflater:
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboorteplaats en -datum;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  e) de plaats en de datum van overlijden;
  f) de gekozen woonplaats voor de verzending van de aangetekende zending vermeld in het eerste lid.
  De identiteit van de aangever wordt niet vermeld in dat uittreksel.
  Behoudens later bewijs van de werkelijkheid van hun schuldvorderingen, maken de schuldeisers en legatarissen zich bekend bij aangetekende zending, gericht aan de woonplaats die de erfgenaam gekozen heeft en die in de opgenomen verklaring is vermeld.
  
Art. 4.49. Exigence d'une volonté expresse
  § 1er. La déclaration d'un successible qu'il entend ne prendre la qualité d'héritier que sous bénéfice d'inventaire, doit être faite devant notaire, dans un acte authentique.
  § 2. Dans les quinze jours qui suivent l'acte authentique, la déclaration d'acceptation sous bénéfice d'inventaire est, par les soins du notaire et aux frais de l'héritier acceptant sous bénéfice d'inventaire, inscrite dans le registre central successoral.
  § 3. En cas d'acceptation sous bénéfice d'inventaire en raison de l'incapacité de l'héritier, la déclaration est faite par le père et la mère ou celui d'entre eux qui exerce l'autorité parentale, par le mineur émancipé, par le tuteur ou par l'administrateur chargé de représenter la personne protégée. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 2. Le juge de paix veille à l'accomplissement de ces formalités.
  En cas d'opposition d'intérêts entre l'incapable et son représentant légal, le juge de paix désigne un tuteur ad hoc ou un administrateur ad hoc soit à la requête de toute personne intéressée, soit d'office.
  § 4. Un extrait de la déclaration d'acceptation sous bénéfice d'inventaire est publié par mention au Moniteur belge, par les soins du notaire et aux frais de l'héritier acceptant sous bénéfice d'inventaire, avec invitation aux créanciers et aux légataires d'avoir à faire connaître, par envoi recommandé, leurs droits dans un délai de trois mois à compter de la date de cette publication.
  Cet extrait mentionne uniquement les données suivantes relatives au défunt:
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) le lieu et la date de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle;
  e) le lieu et la date du décès;
  f) le domicile élu pour l'envoi du recommandé indiqué à l'alinéa 1er.
  Il n'est pas fait mention de l'identité du déclarant dans cet extrait.
  Sous réserve de justifications ultérieures de la réalité de leurs créances, les créanciers et légataires se font connaître par envoi recommandé adressé au domicile élu par l'héritier et indiqué dans l'insertion.
  
Art. 4.50. Boedelbeschrijving vereist
  De verklaring waarbij een erfgerechtigde aanvaardt onder voorrecht van boedelbeschrijving, heeft slechts kracht voor zover zij is voorafgegaan of gevolgd door een getrouwe en nauwkeurige boedelbeschrijving van de goederen van de nalatenschap, in de vorm door het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven.
Art. 4.50. Nécessité d'un inventaire
  La déclaration d'un successible qu'il accepte sous bénéfice d'inventaire, n'a d'effet qu'autant qu'elle est précédée ou suivie d'un inventaire fidèle et exact des biens de la succession dans les formes réglées par le Code judiciaire.
Art. 4.51. Verval van het voorrecht
  Het voorrecht van boedelbeschrijving vervalt voor de erfgenaam die schuldig is aan heling, of die, wetens en willens en te kwader trouw, verzuimd heeft goederen van de nalatenschap in de boedelbeschrijving te doen opnemen.
Art. 4.51. Perte du bénéfice
  L'héritier qui est coupable de recel, ou qui a omis, sciemment et de mauvaise foi, de comprendre dans l'inventaire, des biens de la succession, est déchu du bénéfice d'inventaire.
Art. 4.52. Gevolgen van het voorrecht
  Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldeisers en de legatarissen.
  De erfgenaam behoudt tegen de nalatenschap de rechten die hij had tegen de erflater. Hij is tot de betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap slechts gehouden op de goederen die hij verkrijgt.
  De schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen worden uit die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeisers van de erfgenaam.
Art. 4.52. Effets du bénéfice
  Le bénéfice d'inventaire a pour effet d'empêcher la confusion des patrimoines, tant à l'égard de l'héritier que des créanciers et légataires.
  L'héritier conserve contre la succession les droits qu'il avait contre le défunt. Il n'est tenu des dettes et charges de la succession que sur les biens qu'il recueille.
  Les créanciers de la succession et les légataires sont payés sur ces biens de préférence aux créanciers personnels de l'héritier.
Art. 4.53. Beheer en vereffening door de erfgenaam
  De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is belast met het beheer en de vereffening van de goederen van de nalatenschap. Hij moet van zijn beheer rekening en verantwoording doen aan de schuldeisers en de legatarissen.
  Hij kan geen dading treffen, geen compromis aangaan, noch de goederen met hypotheken of andere zakelijke lasten bezwaren, zonder machtiging van de rechter.
  Hij kan in zijn persoonlijke goederen niet verder worden aangesproken dan tot het bedrag dat hij als overschot heeft ontvangen.
Art. 4.53. Administration et liquidation par l'héritier
  L'héritier bénéficiaire est chargé d'administrer les biens de la succession et de les liquider. Il doit rendre compte de sa gestion aux créanciers et aux légataires.
  Il ne peut transiger, compromettre, ni grever les biens d'hypothèques ou d'autres charges réelles sans l'autorisation de justice.
  Il ne peut être contraint sur ses biens personnels que jusqu'à concurrence seulement du reliquat qu'il a perçu.
Art. 4.54. Beheer en vereffening door een beheerder
  § 1. De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, kan zich ontheffen van de zorg om de nalatenschap te beheren en te vereffenen. Hij moet vooraf, onder indiening van een verzoekschrift, bij beschikking van de familierechtbank, een beheerder doen benoemen, aan wie hij alle goederen van de nalatenschap overgeeft onder verplichting om ze met inachtneming van de hierna bepaalde regels te vereffenen.
  § 2. Ingeval de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap of van de legatarissen in het gedrang kunnen komen wegens nalatigheid van de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of wegens zijn vermogenstoestand, kan iedere belanghebbende vorderen dat deze wordt vervangen door een beheerder die de nalatenschap moet vereffenen.
  Die beheerder wordt benoemd bij een beschikking in kort geding, de erfgenaam gehoord of vooraf opgeroepen.
  § 3. De beschikking tot aanwijzing van een beheerder in toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in het centraal erfrechtregister.
  § 4. De beheerder, benoemd ingevolge de paragrafen 1 en 2, heeft dezelfde macht als die waarover de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam zelf beschikte.
  Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam. Hij is ontslagen van borgstelling.
  [1 § 5. Vanaf de beschikking tot aanwijzing van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde beheerder kan de familierechtbank, op uitdrukkelijk en met redenen omkleed verzoek van deze beheerder en om de nalatenschap te beheren, alle informatie over de erflater opvragen, bij het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. De rechtbank bezorgt de ontvangen informatie aan de beheerder.]1
  
Art. 4.54. Administration et liquidation par un administrateur
  § 1er. L'héritier bénéficiaire peut se décharger du soin d'administrer et de liquider la succession. Il doit au préalable faire nommer sur requête, par ordonnance du tribunal de la famille, un administrateur auquel il remettra tous les biens de la succession, à charge pour celui-ci de la liquider en se conformant aux règles ci-dessous prescrites.
  § 2. Au cas où les intérêts des créanciers héréditaires ou des légataires pourraient être compromis par la négligence ou par la situation de fortune de l'héritier bénéficiaire, tout intéressé peut provoquer son remplacement par un administrateur chargé de liquider la succession.
  Cet administrateur est nommé par ordonnance rendue en référé, l'héritier entendu ou préalablement appelé.
  § 3. L'ordonnance de désignation d'un administrateur en application des paragraphes 1er et 2 est inscrite dans les quinze jours dans le registre central successoral.
  § 4. L'administrateur nommé en vertu des paragraphes 1er et 2, dispose de pouvoirs identiques à ceux dont disposait l'héritier bénéficiaire lui-même.
  Il est soumis aux mêmes obligations que l'héritier. Il est dispensé de fournir caution.
  [1 § 5. A dater de l'ordonnance de désignation de l'administrateur visée aux paragraphes 1er et 2, le tribunal de la famille peut, à la demande expresse et motivée dudit administrateur et dans le but d'administrer la succession, demander toute information relative au défunt au point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique, conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. Le tribunal communique les informations reçues à l'administrateur.]1
  
Art. 4.55. Vereffeningsverrichtingen
  § 1. De verkoop van de roerende of onroerende goederen geschiedt in de vorm, door het Gerechtelijk Wetboek bepaald.
  Indien de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam deze goederen niet verkoopt, is hij slechts verantwoordelijk voor de waardevermindering of de beschadiging door zijn nalatigheid veroorzaakt.
  § 2. De onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden het vorderen, een solvabele borg te stellen voor de waarde van de in de boedelbeschrijving begrepen roerende goederen en voor het gedeelte van de prijs van de onroerende goederen dat niet aan de hypothecaire schuldeisers is overgewezen, met behoud van de toepassing van artikel 4.54, § 2.
  Indien hij in gebreke blijft een zodanige borg te stellen, worden de roerende goederen verkocht en wordt de prijs daarvan, evenals het niet overgewezen gedeelte van de prijs van de onroerende goederen, in bewaring gesteld, om tot voldoening van de lasten van de nalatenschap te dienen.
  § 3. Bij vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, mag de erfgenaam geen niet-bevoorrechte schuldeiser of legataris betalen vóór het verstrijken van de termijn, gesteld in artikel 4.49, § 4, eerste lid.
  Hij mag evenwel de schuldvorderingen vermeld in artikel 19 van de wet van 16 december 1851, betalen volgens hun rang.
  § 4. Na het verstrijken van die termijn kan de betaling, indien niet alle bekende schuldeisers het eens zijn om een minnelijke schikking te treffen, alleen geschieden in de volgorde en op de wijze, door de rechter bepaald.
  § 5. De kosten van de verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de boedelbeschrijving en van het opmaken van de rekening, komen ten laste van de nalatenschap.
Art. 4.55. Opérations de liquidation
  § 1er. La vente des biens meubles ou immeubles a lieu dans les formes prescrites par le Code judiciaire.
  Si l'héritier bénéficiaire ne les vend pas, il n'est tenu que de la dépréciation ou de la détérioration due à sa négligence.
  § 2. L'héritier bénéficiaire est tenu, si les créanciers ou autres personnes intéressées l'exigent, de donner caution solvable de la valeur du mobilier compris dans l'inventaire et de la portion du prix des immeubles non délégués aux créanciers hypothécaires, sans préjudice de l'article 4.54, § 2.
  Faute par lui de fournir cette caution, les biens meubles sont vendus et leur prix est déposé, ainsi que la portion non déléguée du prix des biens immeubles, pour être employés à l'acquit des charges de la succession.
  § 3. En cas d'acceptation bénéficiaire volontaire, l'héritier ne peut payer aucun créancier chirographaire ni légataire avant l'expiration du délai fixé par l'article 4.49, § 4, alinéa 1er.
  Il peut toutefois payer les créances énumérées à l'article 19 de la loi du 16 décembre 1851 suivant leur rang.
  § 4. Après l'expiration de ce délai, si tous les créanciers connus ne sont pas d'accord pour procéder à un règlement amiable, le paiement ne peut se faire que dans l'ordre et de la manière déterminée par le juge.
  § 5. Les frais de scellés, s'il en a été apposé, d'inventaire et de compte, sont à la charge de la succession.
Art. 4.56. Schuldeisers die zich later melden
  Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legatarissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam.
Art. 4.56. Créanciers se présentant ultérieurement
  Les créanciers qui, inconnus à l'époque d'un premier paiement, se font connaître ultérieurement, ont recours contre les légataires payés pendant un laps de trois ans à compter du jour de l'apurement du compte et du paiement du reliquat. Ils n'ont aucun recours contre les créanciers déjà payés, mais ils ont le droit de prélever sur l'actif non encore réparti les dividendes afférents à leurs créances dans les premières répartitions.
Art. 4.57. Vereffening bij niet eenstemmige keuze
  Aanvaarden sommige erfgenamen de nalatenschap zuiver en andere onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan gelden de regelen inzake voorrecht van boedelbeschrijving die op de vorm van vereffening of op het vervolgingsrecht van de schuldeisers betrekking hebben voor de gehele nalatenschap tot bij de verdeling.
  In dat geval kan de rechtbank de vereffening van de gehele nalatenschap opdragen aan een erfgenaam naar haar keuze, onder verplichting, voor deze erfgenaam, die in het vonnis bepaalde zekerheid te stellen.
  Tijdens de vereffening kan geen erfgenaam in zijn persoonlijke goederen aangesproken worden. Na de verdeling blijven de gevolgen van de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving alleen bestaan ten aanzien van de erfgenamen die in deze vorm hebben aanvaard.
Art. 4.57. Liquidation en cas de choix non unanime
  Si parmi les héritiers les uns acceptent la succession purement et simplement et les autres sous bénéfice d'inventaire, les règles du bénéfice d'inventaire relatives, soit à la forme de liquidation, soit au droit de poursuite des créanciers, s'appliquent à la succession tout entière jusqu'au partage.
  Dans ce cas, le tribunal peut confier la liquidation de la succession tout entière à tel des héritiers qu'il lui plaît de choisir, à charge par celui-ci de fournir les sûretés déterminées par le jugement.
  Pendant la durée de la liquidation, aucun des héritiers ne peut être poursuivi sur ses biens personnels. Après le partage, les effets de l'acceptation bénéficiaire ne subsistent qu'au regard des héritiers qui ont accepté dans cette forme.
Hoofdstuk 5. Onbeheerde nalatenschappen
Chapitre 5. Successions vacantes
Art. 4.58. Vereffening van een onbeheerde nalatenschap
  § 1. Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgerechtigden de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd.
  § 2. De door de familierechtbank, overeenkomstig artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek aangewezen curator is gehouden de staat van nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen.
  Hij beheert de nalatenschap. De bepalingen van hoofdstuk 4 betreffende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam, zijn van toepassing.
  [1 § 3. Vanaf de beschikking tot aanwijzing van een curator bedoeld in artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek kan de familierechtbank, op uitdrukkelijk en met redenen omkleed verzoek van deze curator en om de nalatenschap te beheren, alle informatie over de erflater opvragen bij het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. De rechtbank bezorgt de ontvangen informatie aan de curator.]1
  
Art. 4.58. Liquidation d'une succession vacante
  § 1er. Lorsqu'après l'expiration des délais pour faire inventaire et pour délibérer, il ne se présente personne qui réclame une succession, qu'il n'y a pas d'héritier connu, ou que les successibles connus y ont renoncé, cette succession est réputée vacante.
  § 2. Le curateur désigné par le tribunal de la famille, conformément à l'article 1228 du Code judiciaire est tenu de faire constater l'état de la succession par un inventaire.
  Il administre la succession. Les dispositions du chapitre 4 relatives tant à la réalisation de l'actif qu'au paiement du passif par l'héritier bénéficiaire sont applicables.
  [1 § 3. A dater de l'ordonnance de désignation du curateur visée à l'article 1228 du Code judiciaire, le tribunal de la famille peut, à la demande expresse et motivée dudit curateur et dans le but d'administrer la succession, demander toute information relative au défunt au point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique, conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. Le tribunal communique les informations reçues au curateur.]1
  
Hoofdstuk 6. [1 Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid]1
Chapitre 6. [1 Preuve de la qualité successorale]1
Art. 4.59. "Akten of attesten van erfopvolging"
  [1 § 1. Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan al wie als erfgerechtigde tot een nalatenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging voor te leggen.
   Zonder afbreuk te doen aan de andere bewijsmiddelen, kan de langstlevende echtgenoot door voorlegging van een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden, zelfs indien de akte of attest de devolutie van de nalatenschap van zijn overleden echtgenoot niet vermeldt.
   Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aangewezen beheerder van de nalatenschap kunnen hun bevoegdheden om de goederen van de nalatenschap te beheren of om daarover te beschikken, bewijzen door een akte of een attest van erfopvolging voor te leggen.
   § 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opgemaakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de in de paragraaf 1 bedoelde personen, of, desgevallend, hun rechtsopvolgers.
   Bij gebreke van erfgenamen en na het vervullen van de in artikel 4.33, tweede lid, bedoelde formaliteiten, kan de akte van erfopvolging ook opgemaakt en afgeleverd worden op verzoek van de Staat.
   De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld door een notaris.
   Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig ondertitel 4, indien er geen onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden zijn en indien er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in hoofde van de erflater, kan een akte of een attest van erfopvolging ook worden opgemaakt en afgeleverd door een ambtenaar van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
   Indien de nalatenschap van de erflater vervalt aan de Staat overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 5, en indien er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst in hoofde van de erflater is, wordt de akte van erfopvolging opgemaakt door een ambtenaar van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
   De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister in overeenkomstig artikel 4.126.
   § 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging vermeldt de volgende gegevens:
   1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
   2° het op de nalatenschap toepasselijk recht.
   § 4. Voor zover vereist door de wet, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald:
   1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, eventueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
   2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid: of, en in voorkomend geval hoe en wanneer ze hun erfkeuze hebben uitgeoefend, de omvang van het erfdeel, de omschrijving van de goederen die hen toekomen, de aard van hun rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking;
   3° in voorkomend geval van de langstlevende echtgenoot: de gegevens over hun huwelijk en hun huwelijksstelsel, de omschrijving van de goederen die hem toekomen, de aard van zijn rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; tevens of hij een keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en in voorkomend geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitgeoefend, evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang van goederen betreft;
   4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe en wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld, dan wel dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden;
   5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van de nalatenschap: de omvang van zijn bevoegdheden en de gegevens met betrekking tot de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen;
   6° van de Staat: de vervulling van de in artikel 4.33, tweede lid, bedoelde formaliteiten.
   De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan, wanneer een akte van erfopvolging voor verschillende doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van de akte afleveren voor een bepaald doel. Het uittreksel bevat alle informatie die vereist is om de beoogde doelstelling te bereiken.
   De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor de vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke akte of attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in het tweede lid bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze doelstelling opgemaakt of afgeleverd, met de door de wet vereiste vermeldingen. Het bevat de gegevens van de personen vermeld in het eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor zover deze personen op deze tegoeden gerechtigd zijn.
   In de mate waarin een akte van erfopvolging de verkrijging van zakelijke rechten ter zake des doods vaststelt met betrekking tot onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°, mag de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van die akte een letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.31.
   § 5. De notaris en het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen de aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de door hen verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn door paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het attest zou worden afgegeven.
   § 6. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn vermeld, worden geacht de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kunnen uitoefenen.
   Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de in de akte of het attest van erfopvolging vermelde informatie met een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld, wordt geacht te handelen met een persoon die de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid heeft.
   Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien de schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan of op instructie van de personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn aangewezen als degene die op deze tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris.
   De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld, ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden.
   § 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging opgesteld door een ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie:
   1° de materiële vormen van de akte bepalen;
   2° de nadere regels inzake de aflevering van uitgiften en uittreksels van de akte bepalen;
   3° de nadere regels inzake de legalisatie van de akte bepalen;
   4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten te waarborgen;
   5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan Hij het model bepaalt en bepalen of de aanvraag op een gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend alsmede de nadere regels van haar indiening.
   De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, gelden eveneens voor de attesten van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie overeenkomstig dit artikel. De Koning kan bepalen dat deze attesten op een gedematerialiseerde wijze kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede de nadere regels van hun aflevering.]1

  
Art. 4.59. Actes ou certificats d'hérédité
  [1 § 1er. Sans préjudice des autres moyens de preuve, toute personne appelée à la succession en tant que successible, ou y ayant la qualité d'héritier, ou encore en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d'hérédité.
   Sans préjudice des autres moyens de preuve, le conjoint survivant peut, par la présentation d'un acte ou d'un certificat d'hérédité, prouver quels droits il acquiert en vertu de son régime matrimonial à la suite de la dissolution de celui-ci par le décès, même si l'acte ou le certificat n'indique pas la dévolution de la succession de son conjoint défunt.
   Un exécuteur testamentaire et un administrateur judiciaire de la succession peuvent prouver leurs pouvoirs d'administration ou de disposition à l'égard des biens de la succession par la présentation d'un acte ou d'un certificat d'hérédité.
   § 2. L'acte ou le certificat d'hérédité est établi et délivré à la demande d'une ou plusieurs des personnes visées au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de leurs ayants droit.
   A défaut de tout héritier et après l'accomplissement des formalités visées à l'article 4.33, alinéa 2, l'acte d'hérédité peut également être établi et délivré à la demande de l'Etat.
   L'acte ou le certificat d'hérédité est établi par un notaire.
   Si la succession du défunt est exclusivement dévolue conformément au sous-titre 4, s'il n'y a pas d'héritiers ou successibles incapables et s'il n'est pas question de dispositions de dernière volonté, d'un pacte successoral, d'une institution contractuelle ou d'une convention matrimoniale dans le chef du défunt, un acte ou un certificat d'hérédité peut également être établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale.
   Si la succession du défunt est acquise à l'Etat conformément aux dispositions du sous-titre 5 et s'il n'est pas question de dispositions de dernière volonté, d'un pacte successoral, d'une institution contractuelle ou d'une convention matrimoniale dans le chef du défunt, l'acte d'hérédité est établi par un fonctionnaire du bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale.
   Le notaire ou le bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit ses actes et certificats d'hérédité dans le registre central successoral conformément à l'article 4.126.
   § 3. Tout acte et tout certificat d'hérédité mentionnent les données suivantes :
   1° du défunt : ses nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et date de décès ; le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ;
   2° la loi applicable à la succession.
   § 4. Dans la mesure requise par la loi, l'acte ou le certificat d'hérédité mentionne les données suivantes, pour autant qu'elles aient pu raisonnablement être déterminées :
   1° pour toutes les personnes mentionnées au paragraphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ;
   2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er : si, et le cas échéant comment et quand ils ont exercé leur option héréditaire, l'étendue de leur part héréditaire, la description des biens qui leur reviennent, la nature de leurs droits et les restrictions à l'exercice de leurs droits en raison de leur incapacité, d'une mesure de protection ou d'une disposition testamentaire ;
   3° le cas échéant, pour le conjoint survivant : les données relatives au mariage et au régime matrimonial, la description des biens qui lui reviennent, la nature de ses droits, et les restrictions à l'exercice de ses droits en raison de son incapacité, d'une mesure de protection ou d'une disposition testamentaire ; en outre, s'il a exercé une option quant aux droits mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences de celle-ci pour la transmission des biens ;
   4° pour les légataires : s'ils ont et, le cas échéant quand et comment ils ont été mis en possession de leur legs, ou s'ils sont entrés en cette possession de plein droit ;
   5° pour l'exécuteur testamentaire ou l'administrateur judiciaire de la succession : l'étendue de ses pouvoirs et les données relatives à la disposition qui lui accorde ces pouvoirs ;
   6° pour l'Etat : l'accomplissement des formalités visées à l'article 4.33, alinéa 2.
   Lorsqu'un acte d'hérédité est établi en vue de plusieurs finalités, le notaire ou le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait littéral de l'acte en vue d'une finalité déterminée. L'extrait mentionne toute l'information requise pour atteindre utilement la finalité envisagée.
   L'acte ou le certificat d'hérédité destiné à la libération des avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat distinct, soit faire l'objet d'un extrait conformément à l'alinéa 2, établi ou délivré exclusivement en vue de cette finalité et contenant les mentions exigées par la loi. Il ne contient les données des personnes mentionnées à l'alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant que ces personnes puissent prétendre à ces avoirs.
   Dans la mesure où un acte d'hérédité constate l'acquisition pour cause de mort, visée à l'article 3.30, § 1er, 7°, de droits réels portant sur des immeubles, le notaire ou le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peut en délivrer un extrait littéral qui sera transcrit au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale dans le ressort duquel les biens sont situés, de la manière et dans les délais prévus à l'article 3.31.
   § 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peuvent refuser toute remise d'acte ou de certificat d'hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de constater avec certitude les données qui sont requises par le paragraphe 3 ou qui sont requises conformément au paragraphe 4 en raison des finalités pour lesquelles l'acte ou le certificat devrait être délivré.
   § 6. Toutes les personnes désignées dans l'acte ou le certificat d'hérédité sont censées avoir la qualité qui est mentionnée dans l'acte ou le certificat, et pouvoir exercer les droits et les pouvoirs qui y sont rattachés.
   Toute personne agissant de bonne foi sur la base de l'information mentionnée dans l'acte ou le certificat d'hérédité avec une personne désignée dans cet acte ou ce certificat, est censée agir avec une personne ayant la qualité mentionnée dans cet acte ou ce certificat.
   Sauf disposition légale contraire, le paiement des avoirs du défunt est libératoire s'il est fait par le débiteur de bonne foi, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par cet acte ou ce certificat d'hérédité comme étant celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction d'un mandataire judiciaire.
   Le respect des dispositions prévues au présent paragraphe n'exempte en aucun cas le débiteur d'éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs.
   § 7. Le Roi peut, pour les actes d'hérédité établis par un fonctionnaire de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale :
   1° déterminer les formes matérielles de l'acte ;
   2° déterminer les modalités relatives à la délivrance des expéditions et extraits de cet acte ;
   3° déterminer les modalités relatives à la légalisation de l'acte ;
   4° déterminer des modalités complémentaires nécessaires pour garantir l'immuabilité, la confidentialité et la conservation de l'acte ;
   5° déterminer les formes matérielles et le contenu de chaque demande d'acte d'hérédité. Il peut prescrire l'utilisation de formulaires dont Il détermine le modèle et déterminer si la demande peut ou doit être présentée de manière dématérialisée et les modalités de sa présentation.
   Les dispositions de l'alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s'appliquent également aux certificats d'hérédité établis par le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale conformément au présent article. Le Roi peut déterminer que ces certificats peuvent ou doivent être délivrés de manière dématérialisée, ainsi que les modalités de leur délivrance.]1

  
Ondertitel 7. Omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot
Sous-titre 7. Conversion de l'usufruit du conjoint survivant
Art. 4.60. Omzetting in onderling overleg
  Indien alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot meerderjarig en handelingsbekwaam zijn, kunnen zij in iedere stand van de zaak, in onderlinge overeenstemming en op de wijze die zij hebben vastgesteld, overgaan tot de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of tot de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7.
  Indien een van hen minderjarig of anderszins onbekwaam is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Bij gebreke van overeenstemming, geschiedt de omzetting gerechtelijk, zoals bepaald in artikel 4.63.
Art. 4.60. Conversion amiable
  Lorsque tous les nus-propriétaires et le conjoint survivant sont majeurs et capables, ils peuvent en tout état de cause procéder d'un commun accord et comme ils en auront convenu, aux opérations de conversion de l'usufruit du conjoint survivant ou à la cession de la nue-propriété des biens visés à l'article 4.61, § 7.
  S'il existe parmi eux un mineur ou un autre incapable, il est procédé conformément aux dispositions de l'article 1206 du Code judiciaire.
  A défaut d'accord, la conversion a lieu judiciairement conformément à l'article 4.63.
Art. 4.61. Recht om de omzetting te vragen
  § 1. Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars vragen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 7 kan de omzetting die gevraagd wordt door een afstammeling, of door een geadopteerd kind, of door een afstammeling van deze, die niet tevens afstammeling of geadopteerd kind, of afstammeling van deze, van de langstlevende echtgenoot is, niet worden geweigerd, indien die vraag is gesteld binnen de termijnen bepaald in artikel 4.63, § 2.
  Hetzelfde geldt voor de omzetting die gevraagd wordt door de langstlevende echtgenoot wanneer de blote eigendom geheel of gedeeltelijk behoort aan afstammelingen en geadopteerde kinderen zoals omschreven in het eerste lid.
  Tenzij alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot anders zijn overeengekomen, wordt het vruchtgebruik in de gevallen vermeld in het eerste en tweede lid, omgezet in een onverdeeld aandeel van de nalatenschap in volle eigendom. Dit aandeel wordt bepaald op basis van de omzettingstabellen bedoeld in artikel 4.64, § 3, en de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de vraag. De artikelen 4.63, § 3, en 4.64, §§ 2, 4 en 6, zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 3. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan die bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan de langstlevende echtgenoot die omzetting vragen binnen vijf jaar na het openvallen van de nalatenschap.
  In hetzelfde geval kan hij te allen tijde vragen dat de blote eigendom van de goederen bedoeld in paragraaf 7 hem tegen geld wordt overgedragen.
  § 4. Behalve in de omstandigheden waarvan sprake in paragraaf 2, kan de familierechtbank de omzetting weigeren wanneer omwille van de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze van de statistische tabellen, tenzij de rechtbank artikel 4.64, § 4, toepast.
  Ze kan ook de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden.
  § 5. Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in de paragrafen 1 en 2 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende echtgenoot.
  § 6. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer kan alleen worden gevraagd door degene die dat recht bezit.
  § 7. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot.
Art. 4.61. Droit de demander la conversion
  § 1er. Lorsque la nue-propriété appartient aux descendants de l'époux prédécédé, à ses enfants adoptifs ou aux descendants de ceux-ci, la conversion totale ou partielle de l'usufruit peut être demandée par le conjoint survivant ou un des nus-propriétaires, soit en la pleine propriété de biens grevés de l'usufruit, soit en une somme, soit en une rente indexée et garantie.
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 7, la conversion demandée par un descendant ou par un enfant adopté, ou par un descendant de celui-ci, qui n'est pas simultanément un descendant ou un enfant adopté, ou un descendant de celui-ci, du conjoint survivant, ne peut être refusée si cette demande est formulée dans les délais prévus à l'article 4.63, § 2.
  Il en va de même pour la conversion qui est demandée par le conjoint survivant lorsque la nue-propriété appartient, en tout ou en partie, à des descendants et à des enfants adoptés, tels que définis à l'alinéa 1er.
  Sauf si tous les nus-propriétaires et le conjoint survivant en conviennent autrement, l'usufruit visé aux alinéas 1er et 2 est converti en une part indivise de la succession en pleine propriété. Cette part est déterminée sur la base des tables de conversion visées à l'article 4.64, § 3, et de l'âge de l'usufruitier à la date de la demande. Les articles 4.63, § 3, et 4.64, §§ 2, 4 et 6, s'appliquent par analogie.
  § 3. Lorsque la nue-propriété appartient à d'autres que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, le conjoint survivant peut demander cette conversion dans un délai de cinq ans à dater de l'ouverture de la succession.
  Il peut, dans le même cas, demander à tout moment que lui soit cédée, contre une somme d'argent, la nue-propriété des biens visés au paragraphe 7.
  § 4. Sauf dans les circonstances prévues au paragraphe 2, le tribunal de la famille peut refuser la conversion lorsque, en raison de l'état de santé de l'usufruitier, sa durée de vie probable est manifestement inférieure à celle des tables statistiques, sauf pour le tribunal à appliquer l'article 4.64, § 4.
  Il peut également refuser la conversion de l'usufruit et l'attribution de la pleine propriété, si elles sont de nature à nuire gravement aux intérêts d'une entreprise ou d'une activité professionnelle.
  § 5. Le tribunal pourra, s'il l'estime équitable en raison de circonstances propres à la cause, agréer une demande de conversion présentée par un nu-propriétaire, autre que ceux visés aux paragraphes 1er et 2, ou, après le délai de cinq ans, par le conjoint survivant.
  § 6. La conversion de l'usufruit des biens soumis au droit de retour légal ne peut être demandée que par le titulaire de ce droit.
  § 7. L'usufruit qui s'exerce sur l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession au logement principal de la famille et sur les meubles meublants qui le garnissent, ne peut être converti que de l'accord du conjoint survivant.
Art. 4.62. Aard van het recht op omzetting
  § 1. Het recht om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7, te vragen, geldt voor elk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, onverschillig of het verkregen is krachtens de wet of bij testament, dan wel ingevolge huwelijksovereenkomst of contractuele erfstelling.
  Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende.
  § 2. Het recht om de omzetting te vragen kan niet worden ontnomen aan de afstammelingen uit een vorige relatie van de vooroverleden echtgenoot.
  Aan de langstlevende echtgenoot kan niet het recht worden ontnomen om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7, te vragen.
Art. 4.62. Nature du droit à la conversion
  § 1er. Le droit de demander la conversion de l'usufruit ou l'attribution de la pleine propriété des biens visés à l'article 4.61, § 7, s'applique à tout usufruit du conjoint survivant, qu'il soit légal ou testamentaire ou qu'il résulte d'une convention matrimoniale ou d'une institution contractuelle.
  Ce droit est personnel et incessible. Il ne peut être exercé par les créanciers du titulaire.
  § 2. Les descendants d'une précédente relation du prémourant ne peuvent être privés par celui-ci du droit de demander la conversion.
  Le conjoint survivant ne peut être privé du droit de demander la conversion de l'usufruit des biens visés à 4.61, § 7, ou leur attribution en pleine propriété.
Art. 4.63. Gerechtelijke omzetting
  § 1. De vraag tot omzetting of tot overdracht van de blote eigendom wordt aan de familierechtbank voorgelegd. Ze wordt aanhangig gemaakt op verzoekschrift. Alle erfgenamen worden in het geding geroepen bij gerechtsbrief.
  Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7.
  In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel van de goederen die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. De omzetting bedoeld in artikel 4.61, § 2, kan echter enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling worden gevraagd, uiterlijk bij de mededeling van de aanspraken vermeld in artikel 1218, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Is de vraag niet binnen die termijn gesteld, dan kan de omzetting later nog worden gevorderd, maar behoudt de rechtbank dezelfde beoordelingsbevoegdheid als bij een vraag tot omzetting op grond van artikel 4.61, § 1. Zo ook indien de omzetting van het vruchtgebruik wordt gevraagd nadat de nalatenschap minnelijk verdeeld is, met geheel of gedeeltelijk behoud van het vruchtgebruik voor de langstlevende.
  § 3. De vruchtgebruiker behoudt het vruchtgebruik van de goederen tot op het ogenblik dat de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtgebruik hem effectief is betaald.
  Tot dat ogenblik brengt deze som geen interesten op in het voordeel van de vruchtgebruiker, behalve indien de vruchtgebruiker na de definitieve vaststelling van de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtgebruik beslist om afstand te doen van het genot van het goed. In dit geval zal aan de vruchtgebruiker een interest verschuldigd zijn gelijk aan de wettelijke interest vanaf het ogenblik waarop deze aan de blote eigenaar, bij aangetekende zending of deurwaardersexploot, bevestigt dat hij afstand heeft gedaan van het genot van het goed en hij de blote eigenaar in gebreke stelt tot het betalen van deze interest.
Art. 4.63. Conversion judiciaire
  § 1er. La demande de conversion ou de cession de la nue-propriété est portée devant le tribunal de la famille. Celui-ci est saisi par requête. Tous les héritiers sont appelés à la cause par pli judiciaire.
  Lorsqu'il fait droit à la demande en tout ou en partie, le tribunal fixe les modalités de la conversion ou le montant du prix à payer pour la cession de la nue-propriété des biens visés à l'article 4.61, § 7.
  Il ordonne, le cas échéant, la vente de la pleine propriété de tout ou partie des biens grevés d'usufruit ou leur partage, même s'il n'y a pas d'indivision quant à ce droit, à moins qu'il ne préfère renvoyer les parties devant un notaire pour procéder aux opérations de conversion suivant la procédure prévue par les articles 1207 à 1225 du Code judiciaire.
  § 2. La conversion visée à l'article 4.61, § 2, ne peut toutefois être demandée que dans le cadre de la procédure de liquidation-partage, au plus tard lors de la communication des revendications visée à l'article 1218, § 1er, alinéa 2, du Code judiciaire. Si la demande n'a pas été faite dans ce délai, la conversion peut encore être demandée ultérieurement, mais le tribunal conserve le même pouvoir d'appréciation que lors d'une demande de conversion fondée sur l'article 4.61, § 1er. Il en va de même si la conversion de l'usufruit est demandée après le partage amiable de la succession, avec maintien intégral ou partiel de l'usufruit pour le survivant.
  § 3. L'usufruitier conserve l'usufruit des biens jusqu'au moment où la valeur capitalisée de son usufruit lui est effectivement payée.
  Jusqu'à ce moment cette somme ne produit pas d'intérêt au profit de l'usufruitier, sauf si, après que la valeur capitalisée de son usufruit a été définitivement fixée, l'usufruitier décide de renoncer à la jouissance du bien. Dans ce cas, il sera dû à l'usufruitier un intérêt au taux légal dès l'instant où il aura confirmé au nu-propriétaire, par envoi recommandé ou par exploit d'huissier qu'il abandonnait la jouissance du bien, et qu'il le mettait en demeure de lui payer cet intérêt.
Art. 4.64. Waardering van het vruchtgebruik
  § 1. Tenzij partijen anders zijn overeengekomen gebeurt de waardering van het vruchtgebruik op basis van de verkoopwaarde van de goederen, van de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de indiening van het in het artikel 4.63, § 1, eerste lid, bedoelde verzoekschrift, en van de in paragraaf 3 vermelde omzettingstabellen.
  § 2. Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt met afstammelingen uit een vorige relatie, wordt de langstlevende echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste afstammeling uit een vorige relatie.
  § 3. De minister van Justitie bepaalt voor de omzetting van het vruchtgebruik twee omzettingstabellen: een voor mannen en een voor vrouwen.
  Deze omzettingstabellen bepalen de waarde van het vruchtgebruik als een percentage van de normale verkoopwaarde van de goederen onderworpen aan het vruchtgebruik, rekening houdend met:
  1° de gemiddelde rentevoet over de laatste twee jaar van de lineaire obligaties waarvan de maturiteit gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker. De rentevoet die overeenstemt met de hoogste maturiteit wordt toegepast wanneer de levensverwachting deze maturiteit overschrijdt. Deze rentevoet wordt toegepast na aftrek van de roerende voorheffing. De bij het opstellen van de omzettingstabellen in aanmerking te nemen rentevoet mag evenwel niet lager zijn dan 1 % per jaar. De periode van twee jaar loopt vanaf 1 mei van het tweede aan de bekendmaking van de omzettingstabellen voorafgaande jaar tot 30 april van het jaar van de bekendmaking van die tabellen;
  2° de Belgische prospectieve sterftetafels die jaarlijks worden gepubliceerd door het Federaal Planbureau.
  § 4. Wanneer evenwel omwille van de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze van de statistische tabellen, en indien geen toepassing werd gemaakt van artikel 4.61, § 4, eerste lid, kan de rechtbank, op vraag van een blote eigenaar of van de langstlevende echtgenoot, de toepassing van de omzettingstabellen uitsluiten en andere omzettingsvoorwaarden bepalen.
  § 5. De minister van Justitie bepaalt jaarlijks op 1 juli de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde omzettingstabellen. Bij deze gelegenheid houdt hij rekening met de in paragraaf 1 en in paragraaf 3, tweede lid, vermelde parameters en met de voorstellen van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, na kennis te hebben genomen van de resultaten van de werkzaamheden geleverd door het Federaal Planbureau en het Instituut voor actuarissen in België.
  De omzettingstabellen worden ieder jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Naast de leeftijd van de vruchtgebruiker vermelden deze tabellen zijn levensverwachting evenals de overeenkomstige rentevoet en waarde van het vruchtgebruik.
  § 6. De waarde van het vruchtgebruik verstrekt door de omzettingstabellen is gelijk aan het verschil tussen de waarde van de volle eigendom en de waarde van de blote eigendom. De waarde van de blote eigendom is gelijk aan een breuk waarvan de teller gelijk is aan de waarde van de volle eigendom; de noemer is gelijk aan één te vermeerderen met de rentevoet, deze som zijnde verheven tot de macht die gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker. De levensverwachting uitgedrukt in jaren, de rentevoet uitgedrukt in procent, en de waarde van het vruchtgebruik uitgedrukt in procent van de waarde van de volle eigendom, bevatten twee decimalen.
Art. 4.64. Evaluation de l'usufruit
  § 1er. Sauf si les parties en ont convenu autrement, la valeur de l'usufruit est calculée sur la base de la valeur vénale des biens, de l'âge de l'usufruitier au jour de l'introduction de la requête visée à l'article 4.63, § 1er, alinéa 1er et des tables de conversion visées au paragraphe 3.
  § 2. En cas de concours du conjoint survivant avec des descendants d'une précédente relation, le conjoint survivant est censé avoir au moins vingt ans de plus que l'aîné des descendants d'une précédente relation.
  § 3. Le ministre de la Justice établit pour la conversion de l'usufruit deux tables de conversion: l'une pour les hommes et l'autre pour les femmes.
  Ces tables de conversion expriment la valeur de l'usufruit en un pourcentage de la valeur vénale normale des biens grevés de l'usufruit en tenant compte:
  1° du taux d'intérêt moyen sur les deux dernières années des obligations linéaires de maturité égale à l'espérance de vie de l'usufruitier. Le taux d'intérêt correspondant à la maturité la plus élevée s'applique lorsque l'espérance de vie est supérieure à cette maturité. Ce taux d'intérêt est appliqué après déduction du précompte mobilier. Le taux d'intérêt à prendre en compte lors de l'établissement des tables de conversion ne peut toutefois être inférieur à 1 % par an. La période de deux ans court du 1er mai de la deuxième année précédant la publication des tables de conversion au 30 avril de l'année de publication de ces tables;
  2° des tables de mortalités prospectives belges publiées annuellement par le Bureau fédéral du Plan.
  § 4. Toutefois, lorsque, en raison de l'état de santé de l'usufruitier, sa durée de vie probable est manifestement inférieure à celle tables statistiques, et s'il n'a pas été fait application de l'article 4.61, § 4, alinéa 1er, le tribunal peut sur la demande d'un nu-propriétaire ou du conjoint survivant, écarter les tables de conversion et fixer d'autres conditions de conversion.
  § 5. Le ministre de la Justice établit, au 1er juillet de chaque année, les tables de conversion visées au paragraphe 3, alinéa 1er. Il tient compte, à cette occasion, des paramètres mentionnés au paragraphe 1er et au paragraphe 3, alinéa 2, et des propositions que lui transmet la Fédération royale du notariat belge après avoir pris connaissance des résultats des travaux du Bureau fédéral du Plan et de l'Institut des actuaires en Belgique.
  Les tables de conversion sont publiées chaque année au Moniteur belge. Ces tables indiquent, en regard de l'âge de l'usufruitier, son espérance de vie ainsi que le taux d'intérêt et la valeur de l'usufruit correspondants.
  § 6. La valeur de l'usufruit fournie par les tables de conversion est égale à la différence entre la valeur de la pleine propriété et la valeur de la nue-propriété. La valeur de la nue-propriété est égale à une fraction dont le numérateur est égal à la valeur de la pleine propriété; le dénominateur est égal à l'unité, majorée du taux d'intérêt, cette somme étant élevée à une puissance égale à l'espérance de vie de l'usufruitier. Deux décimales sont retenues pour l'espérance de vie exprimée en années, pour le taux d'intérêt exprimé en pourcentage, et pour la valeur de l'usufruit exprimée en pourcentage de valeur de la pleine propriété.
Ondertitel 8. Verdeling en inbreng
Sous-titre 8. Partage et rapport.
Hoofdstuk 1. Verdeling
Chapitre 1er. Partage
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Section 1re. Dispositions générales
Art. 4.65. Recht op een verrekenbaar voorschot
  § 1. De betaling van tegoeden die gedeponeerd zijn op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de erflater of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, is bevrijdend indien de schuldenaar, na het overlijden en zonder dat een attest of akte van erfopvolging vereist is, aan de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende, op diens verzoek, een bedrag ter beschikking stelt dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5 000 euro overschrijdt, ongeacht het bestaan van enig recht van de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende op het saldo van de rekening.
  § 2. De ter beschikking gestelde bedragen worden bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeldheid of van de nalatenschap in rekening gebracht.
  De erfgenamen behouden echter jegens de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende een vorderingsrecht, ten belope van het bedrag dat het gedeelte overschrijdt dat deze laatste toekomt bij de vereffening van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeldheid of van de nalatenschap.
  § 3. De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende mag met toepassing van paragraaf 1 slechts een bedrag van ten hoogste 5 000 euro opvragen.
  De schuldenaar van tegoeden gedeponeerd op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de overledene of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, wijst de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende op deze beperking, alsook op de in het derde lid bepaalde sanctie bij niet-naleving ervan.
  De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met toepassing van paragraaf 1 een bedrag heeft afgehaald dat hoger is dan de helft van de beschikbare credietsaldi of 5 000 euro, verliest ter waarde van de som die boven dat bedrag is afgehaald enig aandeel in het gemeenschappelijk vermogen, de onverdeeldheid of de nalatenschap.
  De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met toepassing van deze paragraaf enig aandeel verliest, verliest daarenboven de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen of te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. Al verwerpt hij de nalatenschap, toch blijft hij zuiver erfgenaam.
Art. 4.65. Droit à une avance imputable
  § 1er. Le paiement d'avoirs déposés sur un compte à vue ou un compte d'épargne, commun ou indivis, dont le défunt ou le conjoint survivant est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal survivant est cotitulaire, est libératoire si, après le décès et sans qu'un certificat ou un acte d'hérédité soit requis, le débiteur met à la disposition du conjoint ou cohabitant légal survivant, à sa demande, un montant n'excédant pas la moitié des soldes créditeurs disponibles ni 5 000 euros, et ce, même si le conjoint ou cohabitant légal survivant possède un droit quelconque sur le solde du compte.
  § 2. Les montants mis à disposition sont pris en compte lors de la liquidation du patrimoine commun, de l'indivision ou de la succession.
  Les héritiers conservent néanmoins envers le conjoint ou le cohabitant légal survivant un droit de créance, à concurrence du montant qui excède la quotité qui revient à ce dernier dans le cadre de la liquidation du patrimoine commun, de l'indivision ou de la succession.
  § 3. Le conjoint ou cohabitant légal survivant ne peut réclamer, en application du paragraphe 1er, qu'un montant de 5 000 euros maximum.
  Le débiteur d'avoirs déposés sur un compte à vue ou un compte d'épargne, commun ou indivis, dont le défunt ou le conjoint survivant est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal survivant est cotitulaire, attire l'attention du conjoint ou cohabitant légal survivant sur cette restriction, ainsi que sur la sanction prévue à l'alinéa 3 en cas de non-respect de celle-ci.
  Le conjoint ou cohabitant légal survivant ayant, en application du paragraphe 1er, retiré un montant supérieur à la moitié des soldes créditeurs disponibles ou à 5 000 euros perd toute part dans le patrimoine commun, l'indivision ou la succession, à concurrence de la somme prélevée au-delà de ce montant.
  Le conjoint ou cohabitant légal survivant qui perd toute part en application du présent paragraphe est en outre déchu de la faculté de renoncer à la succession ou de l'accepter sous bénéfice d'inventaire. Il demeure héritier pur et simple, nonobstant sa renonciation.
Art. 4.66. Recht op verdeling
  Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven. De verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enig andersluidend beding.
  De verdeling kan echter uitgesteld worden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.75, tweede lid.
Art. 4.66. Droit au partage
  Nul ne peut être contraint à demeurer dans l'indivision. Le partage peut toujours être provoqué, nonobstant toute clause contraire.
  La suspension du partage est possible aux termes de l'article 3.75, alinéa 2.
Art. 4.67. Verdeling in onderling overleg
  Wanneer alle mede-erfgenamen meerderjarig, aanwezig of vertegenwoordigd, en bekwaam zijn, kan de verdeling minnelijk gebeuren, in zodanige vorm en bij zodanige akte als de mede-erfgenamen dienstig oordelen.
Art. 4.67. Partage amiable
  Si tous les héritiers sont majeurs, présents ou représentés, et capables, le partage peut se faire à l'amiable, dans la forme et par tel acte que les cohéritiers jugent convenables.
Art. 4.68. Verdeling met minderjarigen of beschermde meerderjarigen
  Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen zoals omschreven in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de minnelijke verdeling evenwel zoals in artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.
Art. 4.68. Partage avec des mineurs ou des majeurs protégés
  Néanmoins, s'il y a parmi les cohéritiers des mineurs, ou des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, de l'ancien Code civil, ont été déclarées incapables d'aliéner des biens, ou d'autres personnes visées à l'article 1225 du Code judiciaire, le partage amiable se fait conformément à l'article 1206 du Code judiciaire. Il en est de même si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire.
Afdeling 2. Vordering tot verdeling
Section 2. Action en partage
Art. 4.69. Algemene bepaling
  Verdeling kan gevorderd worden, zelfs wanneer een van de mede-erfgenamen het afzonderlijk genot mocht hebben gehad van een gedeelte van de goederen van de nalatenschap, tenzij er een akte van verdeling is geweest of een tot het verkrijgen van de verjaring voldoende bezit.
Art. 4.69. Disposition générale
  Le partage peut être demandé, même quand l'un des cohéritiers aurait joui séparément d'une partie des biens de la succession, s'il n'y a eu un acte de partage, ou possession suffisante pour acquérir la prescription.
Art. 4.70. Vordering tot verdeling met minderjarigen of beschermde meerderjarigen
  De vordering tot verdeling ten aanzien van minderjarige of meerderjarige mede-erfgenamen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, kan worden ingesteld door hun voogd of bewindvoerder die daartoe bijzonder gemachtigd is door de vrederechter van het voogdijforum of het bewindsforum.
Art. 4.70. Action en partage avec des mineurs et des majeurs protégés
  L'action en partage à l'égard des cohéritiers mineurs ou majeurs déclarés incapables d'aliéner des biens en vertu de l'article 492/1, § 2, de l'ancien Code civil, peut être exercée par leur tuteur ou administrateur spécialement habilité à cet effet par le juge de paix du for de la tutelle ou de l'administration.
Afdeling 3. Bepalingen die voor elke verdeling gelden
Section 3. Règles communes à tout partage
Art. 4.71. Principe van de netto verdeling
  § 1. Iedere mede-erfgenaam die tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap gehouden is, kan eisen dat deze schulden en lasten worden betaald vooraleer tot verdeling in natura wordt overgegaan, en dat, zo nodig, onverdeelde goederen vooraf worden verkocht, indien de bankrekeningen en het gereed geld, behorend tot de boedel, hiervoor niet voldoende lijken.
  § 2. De onverdeelde goederen worden in de onderstaande volgorde ter voldoening van het passief besteed:
  1° het geld en de bankrekeningen;
  2° de openbare fondsen, de effecten op naam, de schuldvorderingen en de andere onlichamelijke roerende goederen;
  3° de lichamelijke roerende goederen;
  4° de onroerende goederen.
  § 3. Iedere mede-erfgenaam kan evenwel de verkoop bedoeld in paragraaf 1 verhinderen door een voldoende zekerheid te verschaffen tegen ieder verhaal.
  § 4. Indien de mede-erfgenamen het over de aanwijzing van de bij voorrang te verkopen goederen niet eens zijn, wordt het geschil in het kader van de gerechtelijke verdeling behandeld en beoordeeld.
Art. 4.71. Principe du partage net
  § 1er. Tout cohéritier qui est tenu au paiement des dettes et charges de la succession peut exiger que ces dettes et charges soient payées avant de procéder au partage en nature, et que, si besoin est, des biens indivis soient préalablement vendus, si les comptes en banque et les valeurs de portefeuille, appartenant à la masse, n'y paraissent pas suffire.
  § 2. Les biens indivis sont affectés à l'acquit du passif dans l'ordre suivant:
  1° le numéraire et les comptes en banque;
  2° les fonds publics, les valeurs nominatives, les créances et autres meubles incorporels;
  3° les meubles corporels;
  4° les immeubles.
  § 3. Tout cohéritier peut néanmoins empêcher la vente dont il est question au paragraphe 1er en fournissant une garantie suffisante contre tout recours.
  § 4. Si les cohéritiers ne s'accordent pas pour désigner les biens qui seront vendus par priorité, la question sera soumise et tranchée dans le cadre du partage judiciaire.
Art. 4.72. Principe van de inbreng van giften en schulden
  Iedere mede-erfgenaam doet, volgens de regels van Hoofdstuk 2, in de boedel inbreng van de giften die hem gedaan zijn en van de sommen die hij schuldig is.
Art. 4.72. Principe du rapport des libéralités et des dettes
  Chaque cohéritier fait rapport à la masse, suivant les règles du Chapitre 2, des libéralités qui lui ont été faites et des sommes dont il est débiteur.
Art. 4.73. Principe van de verdeling in natura
  § 1. De verdeling van de nalatenschap gebeurt in principe in natura. Er wordt naar gestreefd voor elke mede-erfgenaam een kavel te vormen met goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid.
  De gelijkheid die tussen de mede-erfgenamen moet worden verwezenlijkt is echter een gelijkheid in waarde.
  § 2. Bij de verdeling in natura moet men de verbrokkeling van erven en de splitsing van bedrijven zoveel mogelijk vermijden.
Art. 4.73. Principe du partage en nature
  § 1er. Le partage de la succession se fait en principe en nature. On tend à former pour chaque cohéritier un lot avec des biens de même nature, qualité et bonté.
  L'égalité qui doit être atteinte entre les cohéritiers est néanmoins une égalité en valeur.
  § 2. Lors du partage en nature, on évite autant que possible de morceler les héritages et de diviser les exploitations.
Art. 4.74. Uitzonderingen op het principe van de verdeling in natura
  Van de regel van de verdeling in natura wordt afgeweken indien een mede-erfgenaam zich op een wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling beroept, die hem het recht verleent zich bepaalde goederen uit de boedel bij voorrang te laten toewijzen, dan wel dergelijke goederen bij voorkeur over te nemen of vooruit te nemen.
  Indien een mede-erfgenaam, die zich niet op een dergelijke wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling kan beroepen, de toewijzing van een onverdeeld goed vraagt, en de andere mede-erfgenamen stemmen daarmee in, dan kunnen alle mede-erfgenamen in onderlinge overeenstemming ook bedingen dat de overnemende mede-erfgenaam het toegewezen goed gedurende een nader te bepalen periode niet vrijwillig ten bezwarende titel mag vervreemden, tenzij met instemming van alle mede-erfgenamen. Ze kunnen tevens een forfaitaire vergoeding bepalen voor het geval dit verbod wordt miskend.
Art. 4.74. Exceptions au principe du partage en nature
  Il est dérogé à la règle du partage en nature si un des cohéritiers invoque une disposition légale, testamentaire ou conventionnelle qui lui accorde le droit de se faire attribuer ou de reprendre par préférence certains biens de la masse, ou encore de les prélever.
  Si un cohéritier qui ne peut pas invoquer une disposition légale, testamentaire ou conventionnelle en ce sens, demande l'attribution d'un bien indivis et que les autres cohéritiers y consentent, tous les héritiers peuvent convenir que le repreneur ne pourra pas aliéner volontairement, à titre onéreux, le bien attribué, pendant une période à déterminer, sauf de l'accord de tous les cohéritiers. Ils peuvent également décider qu'une indemnité forfaitaire sera due si cette interdiction n'est pas respectée.
Art. 4.75. Opleg en compensatie
  § 1. Indien de samenstelling van de boedel niet toelaat om kavels van gelijke waarde te vormen, wordt deze ongelijkheid door middel van een opleg verrekend.
  § 2. Wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een reservatair deel van de nalatenschap bezwaart.
  § 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een reservatair deel van de nalatenschap bezwaart.
  § 4. De compensatie bedoeld in paragrafen 2 en 3 komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 4.154, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun reserve, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitsluiting van de reserve van de kinderen.
  De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of van de wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 4.64.
Art. 4.75. Soulte et compensation
  § 1er. Si la consistance de la masse ne permet pas de constituer des lots d'égale valeur, leur inégalité se compense par une soulte.
  § 2. Lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
  § 3. Lorsque le cohabitant légal survivant a droit à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
  § 4. La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est prévu à l'article 4.154, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur réserve, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la réserve des enfants.
  La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du conjoint survivant ou du cohabitant légal survivant, déterminée comme il est prévu à l'article 4.64.
Art. 4.76. Vrijwillige verkoop
  § 1. Bij een minnelijke verdeling worden onverdeelde goederen die geen van de mede-erfgenamen in zijn kavel wil of kan nemen, uit de hand of openbaar verkocht.
  Indien alle mede-erfgenamen het daarover eens zijn, kunnen ze ook beslissen dat de goederen bij opbod voor een notaris worden verkocht, waarbij derden niet worden toegelaten.
  § 2. Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen bedoeld in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft de verkoop echter plaats zoals bepaald in deel IV, boek IV, hoofdstuk IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. In al deze gevallen worden derden altijd tot de veiling opgeroepen.
Art. 4.76. Vente volontaire
  § 1er. Dans un partage amiable, les biens indivis qu'aucun des cohéritiers ne peut ou ne veut prendre dans son lot, sont vendus de gré à gré ou en vente publique.
  Si les cohéritiers s'entendent sur ce point, ils peuvent également décider de vendre ces biens aux enchères, devant notaire, sans que des tiers y participent.
  § 2. S'il y a parmi les héritiers des mineurs, ou des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, de l'ancien Code civil, ont été déclarées incapables d'aliéner des biens, ou d'autres personnes visées à l'article 1225 du Code judiciaire, la vente a néanmoins lieu comme il est prévu dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV, du Code judiciaire. Il en est de même si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire. Dans tous ces cas les tiers sont toujours appelés à la licitation.
Art. 4.77. Gedwongen verkoop van niet verdeelbare goederen
  Bij een gerechtelijke verdeling worden onverdeelde goederen die niet gevoeglijk kunnen worden verdeeld, verkocht zoals bepaald in artikelen 1224 en 1224/1 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 4.77. Vente forcée de biens non partageables
  Dans un partage judiciaire, les biens indivis qui ne sont pas commodément partageables, sont vendus comme il est prévu aux articles 1224 et 1224/1 du Code judiciaire.
Afdeling 4. Bijzondere bepalingen
Section 4. Dispositions particulières
Art. 4.78. Provisionele verdeling
  Indien artikel 4.68 van toepassing is, en de daarin vermelde regels voor de verdeling niet werden nageleefd, is de verdeling slechts provisioneel.
  Een provisionele verdeling geldt enkel als verdeling van het genot.
Art. 4.78. Partage provisionnel
  Si l'article 4.68 s'applique, et que les règles qu'il impose ne sont pas respectées, le partage ne sera que provisionnel.
  Un partage provisionnel ne vaut que comme partage de la jouissance.
Art. 4.79. Onderonverdeeldheid
  De regels bepaald voor de verdeling van de te verkavelen boedels, gelden eveneens voor de onderverdeling binnen de deelhebbende staken.
Art. 4.79. Sous-indivision
  Les règles établies pour la division des masses à partager, sont également observées dans la subdivision à faire entre les souches copartageantes.
Art. 4.80. Later opkomende erfgenamen
  De erfgenamen wier banden van verwantschap met de erflater niet zijn vastgesteld en die hun rechten niet hebben opgeëist binnen zes maanden na het openvallen van de nalatenschap, kunnen de geldigheid van de handelingen die later te goeder trouw zijn verricht door de andere erfgenamen of legatarissen, niet meer betwisten noch hun aandeel in natura opvorderen van de goederen die door deze laatsten na die termijn zijn vervreemd of verdeeld.
  De erfgenaam die niet bij de verdeling werd betrokken, behoudt het recht om de tegenwaarde van zijn aandeel te vorderen.
Art. 4.80. Héritiers apparaissant ultérieurement
  Les héritiers dont les liens de parenté avec le défunt ne sont pas établis et qui n'ont pas revendiqué leurs droits dans les six mois à compter de l'ouverture de la succession, ne pourront plus contester la validité des actes accomplis ultérieurement par les autres héritiers ou légataires agissant de bonne foi ni réclamer leur part en nature dans les biens aliénés ou partagés par eux après ce délai.
  L'héritier qui aura été omis dans le partage pourra toujours exercer ses droits en valeur.
Afdeling 5. Overdracht van erfrechten en erfuitkoop
Section 5. Cession de droits successifs et retrait successoral
Art. 4.81. Overdracht van erfrechten
  Hij die zijn erfrechten verkoopt zonder de goederen waaruit de nalatenschap bestaat, stuk voor stuk op te geven, moet slechts voor zijn hoedanigheid van erfgenaam instaan.
  Wanneer hij reeds de vruchten van enig goed had genoten, of het bedrag van enige tot die nalatenschap behorende schuldvordering had ontvangen, of enig goed ervan had verkocht, is hij verplicht die aan de koper te vergoeden, behalve indien hij ze uitdrukkelijk voor zich had voorbehouden bij het aangaan van de koop.
  De koper van zijn kant is verplicht aan de verkoper te vergoeden wat hij wegens schulden en lasten van de nalatenschap betaald heeft, en hem te betalen wat hij als schuldeiser te vorderen had, tenzij het tegendeel is bedongen.
Art. 4.81. Cession de droits successifs
  Celui qui vend ses droits successifs sans spécifier en détail les biens qui composent la succession, n'est tenu de garantir que sa qualité d'héritier.
  S'il avait déjà profité des fruits de quelque bien, ou reçu le montant de quelque créance appartenant à cette succession, ou vendu quelques biens de celle-ci, il est tenu de les rembourser à l'acquéreur, sauf s'il les a expressément réservés lors de la vente.
  L'acquéreur doit de son côté rembourser au vendeur ce que celui-ci a payé pour les dettes et charges de la succession, et lui payer tout ce dont il était créancier, sauf s'il y a eu stipulation contraire.
Art. 4.82. Erfuitkoop
  Ieder die, ook al is hij verwant van de erflater, niet zijn erfgenaam is, en aan wie een mede-erfgenaam zijn erfrechten heeft overgedragen, kan uit de verdeling worden geweerd, hetzij door alle mede-erfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht hem wordt terugbetaald.
Art. 4.82. Retrait successoral
  Toute personne, même parente du défunt, qui n'est pas son héritier, et à laquelle un cohéritier aurait cédé ses droits successifs, peut être écartée du partage, soit par tous les cohéritiers, soit par un seul, en lui remboursant le prix de la cession.
Hoofdstuk 2. Inbreng
Chapitre 2. Rapport
Afdeling 1. Inbreng van giften
Section 1re. Rapport des libéralités
Art. 4.83. Inbrengplicht
  § 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, en van de artikelen 4.254 tot 4.259, moet iedere erfgenaam in rechte neerdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede-erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij de schenkingen en legaten met zekerheid zijn vrijgesteld van inbreng.
  Een gift is ook van inbreng vrijgesteld, als ze buiten deel of bij vooruitmaking is gedaan.
  In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, tenzij de inbreng met zekerheid is opgelegd.
  § 2. De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng.
  Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere erfgenamen moeten worden ingebracht of van inbreng zijn vrijgesteld.
  § 3. De verwant die tot de nalatenschap komt en die geen erfgenaam in rechte neerdalende lijn is, moet hetgeen hij van de erflater, bij schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, niet inbrengen tenzij de inbreng hem met zekerheid is opgelegd.
  § 4. De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de nalatenschap openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.
Art. 4.83. Obligation de rapport
  § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2, et des articles 4.254 à 4.259, tout héritier en ligne directe descendante venant à la succession, même s'il accepte sous bénéfice d'inventaire, doit rapporter à ses cohéritiers tout ce qu'il a reçu du défunt, par donation ou par testament, directement ou indirectement, à moins que les dons et legs aient été, de manière certaine, dispensés de rapport.
  Une libéralité est aussi dispensée de rapport lorsqu'elle est faite hors part ou par préciput.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les legs universels et à titre universel sont présumés dispensés de rapport, à moins qu'ils aient, de manière certaine, été stipulés rapportables.
  § 2. Les libéralités faites au conjoint survivant ou au cohabitant légal survivant ne sont pas susceptibles de rapport.
  Ni le conjoint survivant ni le cohabitant légal survivant ne peut exiger le rapport des libéralités faites à d'autres héritiers, que ces libéralités soient rapportables entre les autres héritiers ou qu'elles soient dispensées de rapport.
  § 3. Le parent qui vient à la succession et qui n'est pas un héritier en ligne directe descendante ne doit pas le rapport de ce qu'il a reçu du défunt, par donation ou par testament, directement ou indirectement, à moins que le rapport ait été stipulé de manière certaine.
  § 4. Le donataire qui n'était pas héritier présomptif lors de la donation, mais qui se trouve héritier au jour de l'ouverture de la succession, doit également le rapport, dans les conditions définies au présent article.
Art. 4.84. Wijziging van de inbrengplicht
  De schenking die oorspronkelijk moest worden ingebracht, kan later van inbreng worden vrijgesteld, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.
  De schenking die oorspronkelijk vrijgesteld van inbreng was, kan later aan inbreng worden onderworpen, door een contract dat tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.
  Het contract dat deze modaliteit van de schenking wijzigt, zoals bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt opgesteld in de vorm van een schenking. De artikelen 4.249 tot 4.253 zijn niet van toepassing op dit contract.
  De schenker kan de aard van de schenking die oorspronkelijk al of niet moest worden ingebracht ook bij testament wijzigen. In dat geval is de begiftigde slechts door deze wijziging gebonden indien hij ze na het overlijden van de schenker aanvaardt. Deze aanvaarding blijft zonder invloed op de uitoefening van het keuzerecht van de begiftigde in de nalatenschap van de schenker.
  De gift wordt overeenkomstig de regels bepaald in artikel 4.154, aangerekend op de datum van het contract bedoeld in het derde lid of, indien de wijziging bij testament gebeurt, op de datum van het overlijden van de schenker.
Art. 4.84. Modification de l'obligation de rapporter
  La donation initialement rapportable peut être ultérieurement dispensée de rapport par un contrat conclu entre le donateur et le donataire.
  La donation initialement dispensée de rapport peut être ultérieurement soumise au rapport par un contrat conclu entre le donateur et le donataire.
  Le contrat modifiant cette modalité de la donation, visée aux alinéas 1er et 2, est établie dans la forme d'une donation. Les articles 4.249 à 4.253 ne s'appliquent pas à ce contrat.
  Le donateur peut également modifier le caractère rapportable ou non de la donation par testament. En ce cas, cette modification ne lie le donataire que pour autant qu'il l'accepte, postérieurement au décès du donateur. Cette acceptation est sans incidence sur l'option successorale du donataire dans le cadre de la succession du donateur.
  La libéralité est imputée, conformément aux règles énoncées à l'article 4.154, à la date du contrat visé à l'alinéa 3 ou, lorsque la modification intervient par testament, à la date du décès du donateur.
Art. 4.85. Voorwerp van de inbrengplicht
  § 1. Een erfgenaam gehouden tot inbreng, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt, is slechts gehouden tot inbreng van wat hij zelf heeft gekregen van de erflater, en niet van wat zijn vader of zijn moeder heeft gekregen, zelfs wanneer hij zijn of haar nalatenschap mocht aanvaard hebben. Behoudens andersluidend beding gemaakt overeenkomstig paragraaf 2, brengt hij evenmin in wat zijn kind of zijn afstammeling heeft gekregen.
  § 2. Het kind van de schenker kan zich echter, hetzij in de schenkingsakte, hetzij in een later contract gesloten met de schenker en de begiftigde, ertoe verbinden de schenking aan zijn eigen kind in te brengen in de nalatenschap van de schenker, indien hij deze aanvaardt. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn op deze verbintenis van toepassing.
  De goederen ontvangen door het begiftigde kleinkind worden in de nalatenschap van het kind dat zich heeft verbonden tot inbreng overeenkomstig het eerste lid, behandeld alsof hij de goederen gekregen heeft van deze laatste.
Art. 4.85. Objet de l'obligation de rapport
  § 1er. L'héritier tenu au rapport qui vient à la succession de son chef n'est tenu de rapporter que ce qu'il a lui-même reçu du défunt, et non ce qu'a reçu son père ou sa mère, même quand il aurait accepté la succession de celui-ci ou de celle-ci. Sauf stipulation contraire faite conformément au paragraphe 2, il ne rapporte pas davantage ce qu'a reçu son enfant ou son descendant.
  § 2. Toutefois, l'enfant du donateur peut, soit dans l'acte de donation, soit par un contrat postérieur conclu avec le donateur et le donataire, s'engager à rapporter à la succession du donateur, pour autant qu'il accepte celle-ci, la donation faite à son propre enfant. Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables à cet engagement.
  Les biens reçus par le petit-enfant gratifié sont traités, dans la succession de l'enfant s'étant engagé au rapport conformément à l'alinéa 1er, comme s'il les tenait de ce dernier.
Art. 4.86. Inbreng bij plaatsvervulling, verwerping of onwaardigheid
  § 1. De afstammelingen die bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen, moeten in deze nalatenschap de giften die ze zelf van de erflater hebben gekregen inbrengen, tenzij ze hiervan werden vrijgesteld.
  Zelfs ingeval zij diens nalatenschap mochten hebben verworpen, moeten zij ook de giften die hij, van wie ze de plaats vervullen, van de erflater heeft gekregen, inbrengen tenzij hij van inbreng werd vrijgesteld.
  § 2. De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, mag, indien hij geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, de hem gedane schenking behouden, of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope van het beschikbaar deel.
  § 3. De erfgerechtigde die onwaardig is om te erven, en die geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, mag de gedane schenking slechts behouden, of het hem gemaakte legaat slechts opeisen, ten belope van het beschikbaar deel en voor zover de gift niet herroepen wordt.
Art. 4.86. Rapport en cas de substitution, renonciation ou indignité
  § 1er. Les descendants qui viennent à la succession par substitution sont tenus de rapporter, dans cette succession, les libéralités qu'ils ont reçues du défunt, à moins qu'ils en aient été dispensés.
  Ils sont également tenus de rapporter les libéralités reçues du défunt par la personne à laquelle ils se substituent même dans le cas où ils auraient renoncé à la succession de celle-ci, à moins que ces libéralités aient été dispensées de rapport.
  § 2. Le successible qui renonce à la succession peut, s'il n'a pas de descendants se substituant à lui, retenir la donation ou réclamer le legs qui lui a été consenti, jusqu'à concurrence de la quotité disponible.
  § 3. Le successible indigne de succéder qui n'a pas de descendants se substituant à lui, ne peut retenir la donation ou réclamer le legs qui lui a été consenti, que jusqu'à concurrence de la quotité disponible et pour autant que cette libéralité ne soit pas révoquée.
Art. 4.87. Niet in te brengen giften
  § 1. Schenkingen en legaten aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een erfgerechtigde moeten niet worden ingebracht.
  Zijn de schenkingen en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten of wettelijk samenwonenden gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in. Zijn de schenkingen en legaten gedaan aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.
  § 2. De kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn geen giften. De aard van gebruikelijk geschenk wordt beoordeeld op de dag waarop het wordt toegekend en rekening houdend met het vermogen van de beschikker.
  Wat gediend heeft om aan een van de mede-erfgenamen een stand te verschaffen of om zijn schulden te betalen, moet echter wel ingebracht worden.
Art. 4.87. Libéralités non rapportables
  § 1er. Les dons et legs faits au conjoint ou au cohabitant légal d'un successible ne sont pas rapportables.
  Si les dons et legs sont faits conjointement à deux époux ou cohabitants légaux, dont l'un seulement est successible, celui-ci en rapporte la moitié. Si les dons et legs sont faits à l'époux ou au cohabitant légal successible, il les rapporte en entier.
  § 2. Les frais de nourriture, d'entretien, d'éducation, d'apprentissage, les frais de noces et présents d'usage, ne sont pas des libéralités. Le caractère de présent d'usage s'apprécie à la date où il est consenti et compte tenu de la fortune du disposant.
  Par contre, le rapport est dû de ce qui a été employé pour l'établissement d'un des cohéritiers, ou pour le paiement de ses dettes.
Art. 4.88. Modaliteiten van de inbrengplicht
  § 1. Inbreng is slechts verschuldigd in de nalatenschap van de schenker, en enkel door een mede-erfgenaam aan zijn mede-erfgenamen. Hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de schuldeisers van de nalatenschap.
  § 2. Schenkingen die moeten ingebracht worden, worden voor het geheel ingebracht, zelfs indien ze, na aanrekening op de globale reserve, voor het overige op het beschikbaar deel worden aangerekend.
  Legaten die moeten ingebracht worden en, na aanrekening op de globale reserve, voor het overschot op het beschikbaar deel worden aangerekend, worden slechts ingebracht voor de waarde die na eventuele inkorting over blijft.
Art. 4.88. Modalités de l'obligation de rapport
  § 1er. Le rapport ne se fait qu'à la succession du donateur et il n'est dû que par le cohéritier à son cohéritier. Il n'est pas dû aux légataires ni aux créanciers de la succession.
  § 2. Les donations rapportables sont rapportées pour le tout, même si, après imputation sur la réserve globale, elles sont pour le surplus imputées sur la quotité disponible.
  Les legs rapportables, qui, après imputation sur la réserve globale, sont pour le surplus imputés sur la quotité disponible, ne doivent être rapportés que pour la valeur subsistant après leur éventuelle réduction.
Art. 4.89. Inbreng in waarde
  § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 4.92, geschiedt de inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de boedel van de waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar.
  § 2. Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de boedel van de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als het voorwerp van de ingebrachte giften.
  Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de boedel overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn.
  § 3. Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het overschot aan de boedel. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt het op zijn aandeel in te brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.
Art. 4.89. Rapport en valeur
  § 1er. Sans préjudice de l'article 4.92, le rapport a lieu en valeur, nonobstant toute stipulation contraire, soit en moins prenant, soit par le paiement à la masse de la valeur du bien donné ou légué. Le rapport en moins prenant s'effectue soit par prélèvement soit par imputation sur la part du cohéritier débiteur.
  § 2. Lorsque le rapport en moins prenant s'opère par prélèvement, les cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d'égale valeur sur la masse de la succession. Les prélèvements se font, autant que possible, en objets de même nature, qualité et bonté que l'objet des libéralités rapportées.
  Après ces prélèvements, il est procédé, sur ce qui reste dans la masse, à la composition d'autant de lots égaux qu'il y a d'héritiers copartageants, ou de souches copartageantes.
  § 3. Si le rapport s'opère par imputation sur la part du cohéritier débiteur, la dette s'éteint par confusion. Si le montant à rapporter excède la part du cohéritier, le rapport a lieu par le paiement du surplus à la masse. Lorsque le cohéritier a lui-même une créance à faire valoir à l'égard de la masse, l'imputation du montant à rapporter sur sa part n'a lieu qu'à concurrence du solde dû à la masse après compensation.
Art. 4.90. In te brengen waarde
  § 1. De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de nalatenschap.
  § 2. De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie van de index van de consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van het goed tijdens deze periode.
  § 3. Van paragraaf 2 wordt afgeweken wanneer de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken goed niet vanaf de dag van de schenking had.
  In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom verkrijgt op het ogenblik van het overlijden.
  Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen.
  Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden overeenkomstig paragraaf 2.
  § 4. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op de dag van de schenking.
  § 5. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde.
  § 6. De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3 zal geschieden volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 2. Deze waarde geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde.
  § 7. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op het contract bedoeld in paragraaf 6, en de aanvaarding bedoeld in de paragrafen 5 en 6.
  § 8. De in paragrafen 5 en 6 bedoelde verklaring van de erfgenamen ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de artikelen 4.150 tot 4.157.
  § 9. Zelfs wanneer het geschonken goed door overmacht is teniet gegaan, moet zijn waarde overeenkomstig de vorige paragrafen worden ingebracht.
Art. 4.90. Valeur à rapporter
  § 1er. Le rapport des legs se fait de la valeur intrinsèque du bien légué au jour de l'ouverture de la succession.
  § 2. Le rapport des donations se fait de la valeur intrinsèque du bien donné au jour de la donation, indexée depuis ce jour et jusqu'à la date du décès, en fonction de l'indice des prix à la consommation du mois du décès du donateur, l'indice de base étant celui du mois au cours duquel la donation est intervenue. Il n'est tenu compte ni des fruits produits par le bien donné entre le jour de la donation et celui du décès du disposant, ni de l'avantage résultant, pour le donataire, de la jouissance du bien durant cette période.
  § 3. Il est dérogé au paragraphe 2 lorsque le donataire n'a pas eu le droit de disposer de la pleine propriété du bien donné dès le jour de la donation.
  Dans ce cas, le rapport se fait de la valeur du bien donné au jour du décès du disposant, si le donataire acquiert le droit de disposer de la pleine propriété au moment du décès.
  Si le donataire n'acquiert le droit de disposer de la pleine propriété qu'à une date postérieure au décès, le rapport se fait de la valeur du bien donné au jour du décès, déduction faite de la valeur des charges qui font obstacle à l'exercice du droit de disposition de la pleine propriété.
  Si le donataire acquiert le droit de disposer de la pleine propriété à une date postérieure à la donation, mais avant le décès du disposant, le rapport se fait de la valeur du bien donné à cette date, indexée depuis ce jour jusqu'à la date du décès conformément au paragraphe 2.
  § 4. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation est celle mentionnée dans l'acte ou exprimée au jour de la donation, sauf si elle est manifestement déraisonnable eu égard à l'état et à la situation du bien au jour de la donation.
  § 5. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation, mentionnée dans l'acte ou exprimée au jour de la donation, s'impose à tout héritier qui l'aurait acceptée dans l'acte ou par un contrat postérieur conclu avec le donateur et le donataire.
  § 6. Le donateur et le donataire peuvent convenir que le rapport d'une donation visée au paragraphe 3 se fera de la valeur intrinsèque du bien au jour de la donation, indexée conformément au paragraphe 2. Cette valeur s'impose à tout héritier qui l'aurait acceptée dans l'acte ou par un contrat postérieur conclu avec le donateur et le donataire.
  § 7. Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables au contrat visé au paragraphe 6 et à l'acceptation visée aux paragraphes 5 et 6.
  § 8. La déclaration des héritiers visée aux paragraphes 5 et 6 ne les prive pas du droit de demander la réduction conformément aux articles 4.150 à 4.157.
  § 9. Même lorsque le bien donné a péri par force majeure, sa valeur est sujette à rapport conformément aux paragraphes précédents.
Art. 4.91. Interest op de inbrengschuld
  De waarde die overeenkomstig artikel 4.90 moet worden ingebracht, brengt van rechtswege interesten op aan de wettelijke rentevoet te rekenen van de dag van het overlijden van de beschikker.
Art. 4.91. Intérêts de la dette de rapport
  La valeur à rapporter conformément à l'article 4.90 est, de plein droit, productrice d'intérêts au taux légal à dater du décès du disposant.
Art. 4.92. Aanbod tot inbreng in natura
  De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de schenking.
  Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste van de boedel, indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 en 3 overschrijdt.
  Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de boedel, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden.
Art. 4.92. Offre de rapport en nature
  L'héritier tenu au rapport a la faculté d'exécuter son obligation en rapportant le bien donné en nature, pour autant que celui-ci lui appartienne encore et qu'il soit libre de toute charge ou occupation dont il n'aurait pas déjà été grevé à l'époque de la donation.
  Ce rapport donne lieu au paiement d'une soulte à charge de la masse, si la valeur du bien rapporté en nature excède la valeur à rapporter telle que définie à l'article 4.90, §§ 2 et 3.
  Si la valeur du bien rapporté en nature est inférieure à la valeur à rapporter, une soulte est due à la masse à charge de l'héritier tenu au rapport.
Art. 4.93. Dwingend recht
  De artikelen 4.89, 4.90 en 4.92 zijn van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij de wet anders bepaalt en tenzij de erfgenamen, na het openvallen van de nalatenschap, anders overeenkomen.
Art. 4.93. Droit impératif
  Les articles 4.89, 4.90 et 4.92 s'appliquent nonobstant toute clause contraire, sauf si la loi en dispose autrement, et sauf si, après l'ouverture de la succession, les héritiers en conviennent autrement.
Afdeling 2. Inbreng van schulden
Section 2. Rapport des dettes
Art. 4.94. In te brengen schulden
  Om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling te verzekeren, wordt de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam tegenover de boedel heeft, in de te verdelen boedel ingebracht. De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.
Art. 4.94. Dettes rapportables
  Pour garantir l'égalité de traitement entre les cohéritiers, celui d'entre eux qui est tenu d'une dette liquide à l'égard de la masse, doit la rapporter à la masse. Les règles relatives au mode de rapport des donations sont applicables au rapport des dettes, à l'exception des règles relatives à l'évaluation des donations.
Art. 4.95. Voldoening van de in te brengen schuld
  De inbreng van de schulden geschiedt hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling van het verschuldigde bedrag aan de boedel.
  Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk bedrag vooraf uit de boedel van de nalatenschap.
  Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam- schuldenaar, dan dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, blijft de mede-erfgenaam het saldo verschuldigd met toepassing van de voorwaarden en termijnen die voor de oorspronkelijke schuld golden. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt zijn schuld slechts op zijn aandeel aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de boedel toekomt.
Art. 4.95. Acquittement de la dette rapportable
  Le rapport des dettes a lieu, soit en moins prenant, soit par le paiement à la masse de la somme due.
  Lorsque le rapport en moins prenant s'opère par prélèvement, les cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d'un même montant sur la masse de la succession.
  Si le rapport s'opère par imputation sur la part du cohéritier débiteur, la dette s'éteint par confusion. Si le montant à rapporter excède la part du cohéritier, ce dernier reste redevable du solde aux conditions et délais qui prévalaient pour la dette initiale. Lorsque le cohéritier a lui-même une créance à faire valoir à l'égard de la masse, l'imputation du montant à rapporter sur sa part n'a lieu qu'à concurrence du solde dû à la masse après compensation.
Art. 4.96. Opeisbaarheid van de in te brengen schuld
  Tenzij ze betrekking heeft op de prijs van verkochte goederen uit de onverdeeldheid, is de schuld pas opeisbaar vanaf het sluiten van de verdelingsverrichtingen. De mede-erfgenaam schuldenaar kan echter beslissen om de schuld eerder te voldoen.
Art. 4.96. Exigibilité de la dette rapportable
  Sauf lorsqu'elle est relative au prix de biens indivis vendus, la dette n'est exigible qu'à la clôture des opérations de partage. Toutefois, le cohéritier débiteur peut décider de s'en acquitter avant cette échéance.
Art. 4.97. Interesten op de in te brengen schuld
  De interesten op de schuld lopen door zoals oorspronkelijk was bedongen of beslist. Indien geen interest was bedongen of opgelegd, dan lopen de interesten van rechtswege vanaf het overlijden, aan de wettelijke rentevoet. Indien de schuld tijdens de onverdeeldheid is ontstaan, lopen de interesten van rechtswege vanaf de datum van opeisbaarheid, aan de wettelijke rentevoet.
Art. 4.97. Intérêts de la dette rapportable
  Les intérêts de la dette courent comme il en avait été convenu ou décidé initialement. Si aucun intérêt n'a été convenu ni imposé, ceux-ci courent de plein droit à partir de la date du décès, au taux d'intérêt légal. Si la dette est née pendant l'indivision, les intérêts courent de plein droit à partir de la date de son exigibilité, au taux d'intérêt légal.
Hoofdstuk 3. Schulden en lasten van de nalatenschap
Chapitre 3. Dettes et charges de la succession
Art. 4.98. Verplichting tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap
  De erfgenamen zijn, persoonlijk naar evenredigheid van hun aandeel, en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, onder voorbehoud van hun verhaal op hun mede-erfgenamen, voor het aandeel waarvoor deze laatsten daarin moeten bijdragen.
  De titels die tegen de erflater uitvoerbaar waren, zijn ook tegen de erfgenaam persoonlijk uitvoerbaar. Niettemin kunnen de schuldeisers de tenuitvoerlegging daarvan eerst vervolgen acht dagen na de betekening van die titels aan de persoon of aan de woonplaats van de erfgenaam.
Art. 4.98. Obligation de payer les dettes et les charges de la succession
  Les héritiers sont tenus des dettes et charges de la succession, personnellement pour leur part, et hypothécairement pour le tout, sauf leur recours contre leurs cohéritiers, à raison de la part pour laquelle ils doivent y contribuer.
  Les titres exécutoires contre le défunt sont pareillement exécutoires contre l'héritier personnellement. Néanmoins les créanciers ne pourront en poursuivre l'exécution que huit jours après la signification de ces titres à la personne ou au domicile de l'héritier.
Art. 4.99. Scheiding van de boedels
  § 1. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen in elk geval en tegen elke schuldeiser vorderen dat de boedel van de erflater wordt afgescheiden van de boedel van de erfgenaam.
  § 2. Dit recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, wanneer er schuldvernieuwing heeft plaatsgehad door de erfgenaam als schuldenaar aan te nemen.
  § 3. Dit recht verjaart ten aanzien van roerende goederen door verloop van drie jaar.
  Ten aanzien van onroerende goederen kan de vordering ingesteld worden zolang deze goederen zich in handen van de erfgenaam bevinden.
  § 4. Schuldeisers van een erfgenaam zijn niet bevoegd om tegen de schuldeisers van de nalatenschap de afscheiding van de boedels te vorderen.
Art. 4.99. Séparation des patrimoines
  § 1er. Les créanciers de la succession peuvent demander, dans tous les cas, et contre tout créancier, la séparation du patrimoine du défunt d'avec le patrimoine de l'héritier.
  § 2. Ce droit ne peut cependant plus être exercé, lorsqu'il y a novation par l'acceptation de l'héritier pour débiteur.
  § 3. Il se prescrit, relativement aux meubles, par trois ans.
  A l'égard des immeubles, l'action peut être exercée tant qu'ils existent aux mains de l'héritier.
  § 4. Les créanciers d'un héritier ne sont pas admis à demander la séparation des patrimoines contre les créanciers de la succession.
Art. 4.100. Bijdrage in de schulden en lasten van de nalatenschap
  § 1. De mede-erfgenamen dragen onderling bij in de betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, ieder naar evenredigheid van wat hij daaruit ontvangt.
  § 2. De mede-erfgenaam, die, ten gevolge van de hypotheek, meer dan zijn aandeel in de erfschuld betaalde, heeft op de overige mede-erfgenamen geen verder verhaal dan voor het aandeel dat ieder van hen persoonlijk in de schuld moet dragen, zelfs wanneer de mede-erfgenaam die de schuld betaalde, zich in de rechten van de schuldeisers heeft doen stellen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten van de mede-erfgenaam die, ten gevolge van het voorrecht van boedelbeschrijving, het vermogen mocht hebben behouden om, zoals ieder andere schuldeiser, betaling van zijn persoonlijke schuldvordering te eisen.
  § 3. In geval van onvermogen van een van de mede-erfgenamen, wordt zijn aandeel in de hypothecaire schuld over alle anderen naar evenredigheid omgeslagen.
  § 4. Indien de mede-erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin ze zich bevindt, en een met hypotheek bezwaard onroerend goed aan een van hen wordt toegewezen, die alleen de last zal dragen van de door de hypotheek gewaarborgde rente of de schuld moet dragen, wordt het onroerend goed geschat, na aftrek van het kapitaal van de rente of van de schuld.
  De erfgenaam in wiens kavel dat onroerend goed valt, blijft belast met de uitkering van de rente of de betaling van de schuld, en hij moet zijn mede-erfgenamen daarvoor vrijwaren.
Art. 4.100. Contribution aux dettes et charges de la succession
  § 1er. Les cohéritiers contribuent entre eux au paiement des dettes et charges de la succession, chacun dans la proportion de ce qu'il y prend.
  § 2. Le cohéritier, qui, par l'effet de l'hypothèque, a payé au-delà de sa part de la dette de la succession, n'a de recours contre les autres cohéritiers, que pour la part que chacun d'eux doit personnellement en supporter, même dans le cas où le cohéritier qui a payé la dette se serait fait subroger aux droits des créanciers, sans préjudice néanmoins des droits d'un cohéritier qui, par l'effet du bénéfice d'inventaire, aurait conservé la faculté de réclamer le paiement de sa créance personnelle, comme tout autre créancier.
  § 3. En cas d'insolvabilité d'un des cohéritiers, sa part dans la dette hypothécaire est répartie sur tous les autres, proportionnellement.
  § 4. Si les cohéritiers partagent la succession dans l'état où elle se trouve et qu'un immeuble grevé d'une hypothèque est attribué à l'un d'entre eux qui devra porter seul la charge de la rente ou de la dette garantie par l'hypothèque, l'immeuble grevé est estimé déduction faite du capital de la rente ou de la dette.
  L'héritier dans le lot duquel tombe cet immeuble, demeure seul chargé du service de la rente ou du paiement de la dette, et il doit en garantir ses cohéritiers.
Art. 4.101. Verzet tegen [1 de vereffening en, in voorkomend geval, tegen]1 de verdeling
  Schuldeisers van een erfgenaam kunnen, om te beletten dat [1 de vereffening en, in voorkomend geval,]1 de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt. Zij hebben het recht op eigen kosten [1 hierin]1 tussen te komen.
  Tegen [1 een vereffening waarvan de werkzaamheden zijn gesloten, of]1 een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet.
  
Art. 4.101. Opposition [1 à la liquidation et, le cas échéant,]1 au partage
  Les créanciers d'un héritier, pour éviter que [1 la liquidation et, le cas échéant,]1 le partage ne soit fait en fraude de leurs droits, peuvent s'opposer à ce qu'il y soit procédé hors de leur présence. Ils ont le droit d'y intervenir à leurs frais.
  Mais ils ne peuvent attaquer [1 une liquidation dont les opérations ont été clôturées, ou]1 un partage consommé, à moins toutefois qu'il n'y ait été procédé sans eux et au préjudice d'une opposition qu'ils auraient formée.
  
Hoofdstuk 4. Gevolgen van de verdeling en vrijwaring van de kavels
Chapitre 4. Effets du partage et garantie des lots
Art. 4.102. Declaratieve werking
  Ieder mede-erfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad.
Art. 4.102. Effet déclaratif
  Chaque cohéritier est censé avoir succédé seul et immédiatement à tous les biens compris dans son lot, ou à lui échus sur licitation, et n'avoir jamais eu la propriété des autres biens de la succession.
Art. 4.103. Vrijwaring
  § 1. De mede-erfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak vóór de verdeling bestond.
  Vrijwaring vindt niet plaats indien ze betrekking heeft op een uitwinning die door een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van verdeling is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door eigen schuld uitwinning ondergaat.
  § 2. Ieder mede-erfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredigheid van zijn erfdeel, zijn mede-erfgenaam schadeloos te stellen voor het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt.
  Indien een van de mede-erfgenamen onvermogend is, wordt het door hem verschuldigde aandeel evenredig omgeslagen over de gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen.
  § 3. De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaar na de verdeling.
  Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is ontstaan.
Art. 4.103. Garantie
  § 1er. Les cohéritiers demeurent respectivement garants, les uns envers les autres, des troubles et évictions seulement qui procèdent d'une cause antérieure au partage.
  La garantie n'a pas lieu, si l'espèce d'éviction soufferte a été exceptée par une clause particulière et expresse de l'acte de partage. Elle cesse, si c'est par sa faute que le cohéritier souffre l'éviction.
  § 2. Chacun des cohéritiers est personnellement obligé, en proportion de sa part héréditaire, d'indemniser son cohéritier de la perte que lui a causée l'éviction.
  Si l'un des cohéritiers se trouve insolvable, la portion dont il est tenu doit être proportionnellement répartie entre le garanti et tous les cohéritiers solvables.
  § 3. La garantie de la solvabilité du débiteur d'une rente ne peut être exercée que dans les cinq ans qui suivent le partage.
  Il n'y a pas lieu à garantie à raison de l'insolvabilité du débiteur, quand elle n'est survenue que depuis le partage consommé.
Hoofdstuk 5. Betwisting van de verdeling
Chapitre 5. Contestation du partage
Art. 4.104. Geweld of bedrog
  Verdelingen kunnen worden vernietigd wegens geweld of bedrog.
  Hij tegen wie een vordering tot vernietiging is ingesteld kan die tegenhouden en een herverdeling beletten, door aan de eiser, hetzij in geld, hetzij in natura, aan te bieden en te verschaffen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt.
  De vordering tot vernietiging wegens bedrog of geweld van een mede-erfgenaam die zijn kavel geheel of ten dele vervreemd heeft, is niet meer ontvankelijk, indien hij de vervreemding gedaan heeft na het ontdekken van het bedrog of het ophouden van het geweld.
Art. 4.104. Violence ou dol
  Les partages peuvent être annulés pour cause de violence ou de dol.
  Le défendeur à la demande en annulation peut en arrêter le cours et empêcher un nouveau partage, en offrant et en fournissant au demandeur le supplément de sa portion héréditaire, soit en numéraire, soit en nature.
  Le cohéritier qui a aliéné son lot en tout ou partie, n'est plus recevable à intenter l'action en annulation pour dol ou violence, si l'aliénation qu'il a faite est postérieure à la découverte du dol, ou à la cessation de la violence.
Art. 4.105. Benadeling
  § 1. Wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde is benadeeld, kan hij tegen de anderen een vordering instellen tot aanvulling van het gedeelte dat hem bij de verdeling is toegekend.
  De aanvulling wordt hem in geld toegekend, tenzij de partijen anders overeenkomen.
  § 2. Om te beoordelen of er benadeling geweest is, schat men de goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling.
  § 3. De vordering tot aanvulling is toegestaan tegen elke handeling, ongeacht de benaming ervan, die ertoe strekt de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden. In geval van opeenvolgende gedeeltelijke verdelingen wordt het nadeel slechts beoordeeld bij de afsluiting van de verdeling.
  § 4. Ingeval de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling deel uitmaakt van een dading, is de vordering niet toegestaan ten aanzien van die dading.
  § 5. De vordering is niet toegelaten tegen een verkoop van erfrecht, zonder bedrog aan een mede-erfgenaam, op zijn risico gedaan door zijn overige mede-erfgenamen of door een van hen.
  § 6. De vordering tot aanvulling verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de verdeling of, in geval van gedeeltelijke opeenvolgende verdelingen, vanaf de datum van afsluiting van de verdeling.
Art. 4.105. Lésion
  § 1er. Lorsque l'un des cohéritiers établit, à son préjudice, une lésion de plus du quart, il peut intenter contre les autres une action en complément de la part qui lui a été attribuée lors du partage.
  Le complément de part lui est fourni en numéraire, à défaut d'accord entre les parties.
  § 2. Pour juger s'il y a eu lésion, on estime les biens suivant leur valeur à l'époque du partage.
  § 3. L'action en complément de part est admise contre tout acte, quelle que soit sa dénomination, dont l'objet est de faire cesser l'indivision entre cohéritiers. En cas de partages partiels successifs, la lésion ne s'apprécie qu'à la clôture du partage.
  § 4. Si le partage, ou l'acte qui en tient lieu, est inclus dans une transaction, l'action en complément de part n'est pas admissible à l'encontre de cette transaction.
  § 5. L'action n'est pas admise contre une vente de droit successif faite sans fraude à l'un des cohéritiers, à ses risques et périls, par ses autres cohéritiers, ou par l'un d'eux.
  § 6. L'action en complément de part se prescrit par cinq ans à compter du partage ou, en cas de partages partiels successifs, à compter de la clôture du partage.
Ondertitel 9. Kleine nalatenschappen
Sous-titre 9. Petits héritages
Art. 4.106. Afwijkende regeling
  Wanneer, voor het geheel of voor een deel, een nalatenschap onroerende goederen bevat, waarvan het integrale kadastraal inkomen 1 565 euro niet overtreft, wordt van de bepalingen van ondertitel 8 afgeweken, zoals in de artikelen 4.107 tot 4.113 is aangeduid.
  Het inkomen van de onroerende goederen die nog niet gekadastreerd of niet als afzonderlijk perceel gekadastreerd zijn, wordt, zo daartoe redenen zijn, vastgesteld zoals ter zake van grondbelasting.
  De berekening geschiedt op het kadastraal inkomen van de dag van het openvallen van de nalatenschap.
Art. 4.106. Disposition dérogatoire
  Lorsqu'une succession comprend, pour la totalité ou pour une quotité, des immeubles dont le revenu cadastral intégral ne dépasse pas 1 565 euros, il est dérogé aux dispositions du sous-titre 8 ainsi qu'il est prévu aux articles 4.107 à 4.113.
  Le revenu des immeubles non encore cadastrés ou non cadastrés en parcelle distincte est déterminé, s'il y a lieu, comme en matière de contribution foncière.
  Le calcul se fait sur le revenu cadastral existant au jour de l'ouverture de la succession.
Art. 4.107. Behoud van de onverdeeldheid
  Indien er, onder de erfgenamen in de rechte lijn van de eerststervende echtgenoot, een of meerdere minderjarigen zijn, kan de onverdeeldheid van de goederen die de langstlevende echtgenoot in vruchtgebruik heeft, hetzij op verzoek van een van de belanghebbenden, hetzij ambtshalve, in stand worden gehouden door de familierechtbank voor een termijn of voor achtereenvolgende termijnen, die niet verder zullen gaan dan de meerderjarigheid van de jongste minderjarige.
  Deze bepaling houdt op van kracht te zijn, hetzij wanneer het vruchtgebruik eindigt, hetzij wanneer, bij toepassing van artikel 4.108, de goederen overgenomen worden.
  De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
  Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent recht op het onroerend goed hebben.
Art. 4.107. Maintien de l'indivision
  Si parmi les héritiers en ligne directe de l'époux prémourant, se trouvent un ou plusieurs mineurs, l'indivision des biens grevés d'un usufruit au profit du conjoint survivant, peut soit à la demande de l'un des intéressés, soit d'office, être maintenue par le tribunal de la famille pour un terme ou pour des termes successifs qui ne se prolongeront pas au-delà de la majorité du mineur le moins âgé.
  Cette disposition cesse de produire ses effets, soit en cas d'extinction de l'usufruit, soit en cas de reprise des biens par application de l'article 4.108.
  La décision par laquelle le tribunal de la famille maintient l'indivision est transcrite au registre du bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale.
  A défaut de transcription, cette décision n'est pas opposable aux tiers de bonne foi qui disposent d'un droit concurrent sur le bien immobilier.
Art. 4.108. Recht op overname
  § 1. Zonder afbreuk te doen aan de rechten die artikel 2.3.13 aan de langstlevende echtgenoot toekent, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte lijn en, in voorkomend geval, de noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden langstlevende echtgenoot het recht tot overname, naar schatting, hetzij van de woning, die de erflater, zijn echtgenoot of een van zijn afstammelingen bij het overlijden betrokken, samen met het huisraad, hetzij van het huis, samen met de meubelen, en met de gronden die de bewoner van het huis persoonlijk en voor eigen rekening in gebruik had, het landbouwmaterieel en de dieren die tot de bebouwing dienen of de goederen, de grondstoffen, de beroepsvoorwerpen en andere hulpmiddelen die aan het handels-, ambachts-, of nijverheidsbedrijf zijn verbonden.
  De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen of van de beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of bewindsforum.
  § 2. Willen verschillende belanghebbenden het recht tot overname uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgende orde gegeven aan:
  a) de langstlevende echtgenoot;
  b) degene die de erflater heeft aangewezen;
  c) degene die tot aan het overlijden, zelfs zonder het huis met de erflater of zijn echtgenoot te bewonen, op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf meewerkte;
  d) degene die tot aan het overlijden met de erflater of zijn echtgenoot het huis bewoonde en hem hulp en bijstand verschafte;
  e) degene die op het ogenblik van het overlijden het huis bewoont;
  f) degene die door de meerderheid van de belangen is aangewezen en, bij gebreke van deze meerderheid, hij die door uitloting is aangewezen.
  Eisen meerdere erfgenamen het voordeel van de overname op grond van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, b), c), d) of e) op, dan kunnen zij gezamenlijk tot overname overgaan.
  § 3. Is dit door een belanghebbende of door een schuldeiser gevraagd, dan wordt er tot de schatting overgegaan door toedoen van de familierechtbank, die daartoe een of verscheidene schatters mag benoemen. Door de familierechtbank wordt uitspraak gedaan op de minuut van het verzoekschrift. Haar bevelschrift is op de minuut uitvoerbaar. Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door de schatter, alsook van zijn naam. Deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De schatter kan de eed niet eerder afleggen dan vijftien dagen na de dag waarop de gerechtsbrieven zijn verstuurd. De belanghebbenden, die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd. Elke eis tot wraking van de schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend. Onmiddellijk doet de familierechtbank uitspraak over deze vraag.
  § 4. De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen waartoe de overname aanleiding kan geven, uitspraak te doen zoals hierna is bepaald.
  Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter, die de vergadering voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven. Het ereloon van de notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve benoemde notaris.
Art. 4.108. Droit de reprise
  § 1er. Sans préjudice des droits reconnus au conjoint survivant par l'article 2.3.13, chacun des héritiers en ligne directe et, le cas échéant, le conjoint survivant non divorcé ni séparé de corps ont la faculté de reprendre, sur estimation, soit l'habitation occupée au moment du décès par le défunt, son conjoint ou l'un de ses descendants, ainsi que les meubles meublants, soit la maison, les meubles, ainsi que les terres que l'occupant de la maison exploitait personnellement et pour son propre compte, le matériel agricole et les animaux attachés à la culture ou les marchandises, les matières premières, matériel professionnel et autres accessoires attachés à l'exploitation commerciale, artisanale ou industrielle.
  Les représentants légaux des mineurs ou des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, alinéa 3, 1°, de l'ancien Code civil ont été expressément déclarées incapables d'aliéner des biens peuvent traiter de la reprise, avec l'autorisation du juge de paix du for de la tutelle ou de l'administration des biens.
  § 2. Lorsque plusieurs intéressés veulent user du droit de reprise, la préférence revient par priorité et dans l'ordre:
  a) au conjoint survivant;
  b) à celui que le défunt a désigné;
  c) à celui qui jusqu'au décès, même sans habiter la maison avec le défunt ou son conjoint collaborait d'une façon régulière et durable à l'entreprise;
  d) à celui qui jusqu'au décès habitait la maison avec le défunt ou son conjoint en lui apportant aide et assistance;
  e) à celui qui au moment du décès habite la maison;
  f) à celui qui est désigné par la majorité des intérêts et à défaut de cette majorité, à celui qui est désigné par voie de tirage au sort.
  Si plusieurs héritiers revendiquent le bénéfice de la reprise sur la base de l'un des cas visés à l'alinéa 1er, b), c), d) ou e), ils peuvent faire la reprise conjointement.
  § 3. Si un intéressé ou son créancier en fait la demande, il est procédé à l'estimation par les soins du tribunal de la famille, qui peut nommer à cet effet un ou plusieurs experts. Le tribunal de la famille statue sur la minute de la requête. Son ordonnance est exécutoire sur minute. Le greffier avertit les intéressés, par pli judiciaire, du jour et de l'heure de la prestation de serment de l'expert et leur communique le nom de ce dernier. Celui-ci fixe aussitôt les jour et heure de ses opérations. La prestation de serment de l'expert ne peut intervenir qu'au plus tôt quinze jours après la date d'expédition du pli judiciaire. Les intéressés qui n'ont pas comparu à la prestation de serment sont avertis par pli judiciaire du greffier. Toute demande en récusation de l'expert doit être présentée, à peine de déchéance, au plus tard lors de la prestation de serment. Le tribunal de la famille statue aussitôt sur cette demande.
  § 4. Le tribunal désigne l'un de ses membres pour statuer comme il est prévu ci-après sur les contestations auxquelles pourraient donner lieu les reprises.
  S'il s'élève des contestations sur la manière de procéder à la reprise, si l'un des intéressés refuse de consentir ou n'est pas présent, le juge désigné à cet effet convoque les intéressés ou leurs représentants légaux, au moins quinze jours d'avance, par pli judiciaire. Au jour fixé, les intéressés se réunissent sous la présidence du magistrat qui a fait la convocation. Il peut être passé outre, même en l'absence d'un ou de plusieurs intéressés. Le cas échéant, le juge présidant la réunion désigne un notaire pour remplacer les absents, recevoir leurs parts et en donner décharge. Les honoraires du notaire sont à la charge des parties qu'il représente. Le juge vide les contestations et renvoie les parties, pour la passation de l'acte, devant le notaire désigné par elles ou devant un notaire nommé d'office, si les parties ne s'accordent pas sur le choix.
Art. 4.109. Tijdelijk vervreemdingsverbod
  Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een tijdvak van vijf jaar met ingang van de datum waarop de akte van overname is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden.
  De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
  De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De rechtbank verleent of weigert haar toestemming na partijen te hebben gehoord.
  Indien de overnemer de goederen zonder machtiging geheel of gedeeltelijk vervreemdt, is hij gehouden aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding te betalen, ten bedrage van twintig procent van hetgeen zij hebben ontvangen als prijs voor de overname.
  Hetzelfde geldt in geval van gezamenlijke overname, wanneer een van de overnemers zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan iemand anders dan een medeovernemer afstaat.
Art. 4.109. Interdiction d'aliénation temporaire
  Sauf pour un motif grave, reconnu valable au préalable par le tribunal de la famille, le reprenant ne pourra, pendant une période de cinq années prenant cours à la date de la passation de l'acte de reprise, aliéner les biens immeubles, objets de la reprise.
  Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au tribunal de la famille de l'arrondissement judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
  Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à l'avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde ou refuse l'autorisation après avoir entendu les parties.
  Si le reprenant aliène, sans autorisation, tout ou partie des biens, il sera tenu de verser à chacun des anciens copropriétaires ou à leurs héritiers une indemnité fixée forfaitairement à vingt pour cent de la somme reçue par eux pour prix de la reprise.
  Il en est de même, en cas de reprise conjointe, si l'un des reprenants aliène sans autorisation préalable ses droits indivis à une personne autre qu'un coreprenant.
Art. 4.110. Verplichte voortzetting van de exploitatie
  De overnemer of ten minste een van hen, wanneer er meerdere zijn, is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen drie maanden en gedurende vijf jaar na de datum waarop de akte van overname is verleden, persoonlijk te betrekken en te exploiteren. Zo niet moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen ten bedrage van twintig procent van hetgeen zij in totaal hebben ontvangen als prijs voor de overname.
  De overnemer kan, om een ernstige reden, van de verplichting om de goederen persoonlijk te betrekken en te exploiteren worden ontslagen, hetzij op het ogenblik van de overname, hetzij later, door de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is.
  In het laatste geval moet dezelfde procedure worden gevolgd als die welke in artikel 4.109 is bepaald.
Art. 4.110. Obligation de poursuivre l'exploitation
  Le reprenant ou au moins l'un d'eux en cas de pluralité de reprenants, est tenu d'occuper et d'exploiter personnellement les biens immeubles, objets de la reprise, dans les trois mois et pendant cinq années à dater de la passation de l'acte de reprise, sous peine de verser à chacun des anciens propriétaires ou à leurs héritiers une indemnité fixée forfaitairement à vingt pour cent de la somme totale reçue par eux pour prix de la reprise.
  Le reprenant peut être relevé pour motif grave, de cette obligation d'occuper et d'exploiter personnellement, soit au moment de la reprise, soit ultérieurement par le tribunal de la famille de l'arrondissement judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
  Dans ce dernier cas, la procédure à suivre est identique à celle prévue à l'article 4.109.
Art. 4.111. Verschuldigde vergoedingen
  De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.109 en 4.110 worden niet gecumuleerd. De betaling van één ervan stelt de overnemer vrij van alle andere verplichtingen.
  De overnemer kan zich van de in de artikelen 4.109 en 4.110 gestelde verbodsbepalingen en verplichtingen bevrijden en de vaste vergoeding van 20 procent vermijden, indien hij de overgenomen uit hun aard onroerende goederen gezamenlijk bij openbare toewijzing verkoopt. In dat geval komt, indien de opbrengst van die verkoop groter is dan de waarde die aan hun overname ten grondslag lag, het verschil als vergoeding echter toe aan alle gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen in verhouding tot hun aandeel bij de overname.
Art. 4.111. Indemnités dues
  Les indemnités prévues aux articles 4.109 et 4.110 ne se cumulent pas. Le paiement de l'une d'elles libère le reprenant de toute autre obligation.
  Le reprenant peut se libérer des interdictions et obligations édictées aux articles 4.109 et 4.110 et ne pas encourir la pénalité forfaitaire de vingt pour cent, s'il procède à la vente par adjudication publique de l'ensemble des immeubles par nature repris mais dans ce cas, si le produit de cette vente dépasse la valeur qui a servi de base à leur reprise, la différence reviendra à titre d'indemnités, à tous les anciens copropriétaires ou à leurs héritiers dans la proportion de la part qu'ils possédaient lors de la reprise.
Art. 4.112. Vordering tot betaling
  De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.109 en 4.110 bepaalde vergoedingen behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank die over de overname heeft beslist.
  Zij moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na de verkoop, de ontruiming van de woning of de staking van het bedrijf die er aanleiding toe geeft.
Art. 4.112. Action en paiement
  L'action en paiement des indemnités prévues aux articles 4.109 et 4.110 est de la compétence de la juridiction qui a statué sur la reprise.
  Elle doit être, à peine de forclusion, introduite dans l'année qui suit la vente, l'évacuation de l'habitation ou la cession de l'exploitation qui y donne lieu.
Art. 4.113. Hoger beroep en verzet
  De beslissingen, gewezen in de gevallen waarvan sprake in deze Ondertitel, zijn niet vatbaar voor hoger beroep indien het kadastraal inkomen van al de onroerende goederen, op de dag van overname, 520 euro niet te boven gaat.
  Binnen dezelfde perken zijn die zaken niet vatbaar voor verzet.
Art. 4.113. Appel et opposition
  Les décisions rendues dans les divers cas dont question dans le présent Sous-titre sont en dernier ressort si le revenu cadastral de l'ensemble des immeubles, au jour de la reprise, ne dépasse pas 520 euros.
  Dans les mêmes limites, ces affaires ne sont pas susceptibles d'opposition.
Ondertitel 10. Erfregeling landbouwbedrijven
Sous-titre 10. Régime successoral des exploitations agricoles
Art. 4.114. Afwijkende regeling
  § 1. Voor de erfregeling van landbouwbedrijven en met het oog op de continuïteit ervan gelden de bepalingen van deze Ondertitel.
  Onder "landbouwbedrijf" moet, voor de toepassing van deze Ondertitel, worden verstaan het geheel van de roerende en onroerende goederen bestemd voor iedere activiteit, grondgebonden of niet, die betrekking heeft op de akkerbouw, de veeteelt, de pluimveeteelt, de groenteteelt, de fruitteelt, de viskwekerij, de bijenkweek, de druiventeelt, de bloementeelt, de sierplantenteelt, de teelt van zaad- en pootgoed, de boomkwekerijen evenals de productie van kerstbomen.
  § 2. Onder voorbehoud van de rechten die artikel 2.3.13 aan de langstlevende echtgenoot toekent is, wanneer de toepassingsvoorwaarden van deze Ondertitel vervuld zijn, Ondertitel 9 betreffende kleine nalatenschappen niet van toepassing.
Art. 4.114. Disposition dérogatoire
  § 1er. Pour le régime successoral des exploitations agricoles et en vue de leur continuité, les règles du présent sous-titre s'appliquent.
  Il faut entendre par "exploitation agricole", pour l'application du présent Sous-titre, l'ensemble des meubles et immeubles affectés à toute activité, liée ou non au sol, qui a trait aux grandes cultures, à l'élevage du bétail, à l'aviculture, aux cultures maraîchères, aux cultures fruitières, à la pisciculture, à l'apiculture, à la viticulture, à la floriculture, à la culture de plantes ornementales, à la culture de semences et de plants, aux pépinières ainsi qu'à la production de sapins de Noël.
  § 2. Sous réserve de l'article 2.3.13 qui règle les droits du conjoint survivant, lorsque les conditions d'application du présent Sous-titre sont remplies, l'application du Sous-titre 9 relatif aux petits héritages est exclue.
Art. 4.115. Behoud van de onverdeeldheid
  Wanneer een van de mede-erfgenamen minderjarig is en minstens zestien jaar oud, kan de familierechtbank, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige, de onverdeeldheid van het landbouwbedrijf in stand houden voor een periode die de meerderjarigheid van deze mede-erfgenaam niet kan overschrijden.
  De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
  Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent recht op het onroerend goed hebben.
Art. 4.115. Maintien de l'indivision
  Lorsqu'un des cohéritiers est mineur et âgé de seize ans au moins, l'indivision de l'exploitation agricole peut, à la demande des représentants légaux du mineur, être maintenue par le tribunal de la famille pour un terme ne se prolongeant pas au-delà de la majorité de ce cohéritier.
  La décision du maintien de l'indivision est transcrite dans un registre au bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale.
  A défaut de transcription, cette décision n'est pas opposable aux tiers de bonne foi qui disposent d'un droit concurrent sur le bien immobilier.
Art. 4.116. Recht op overname
  Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die de rechten van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende wettelijk samenwonende vaststellen, heeft ieder van de erfgenamen in de rechte neerdalende lijn, wanneer een nalatenschap voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, het recht van overname naar schatting van de roerende en onroerende goederen die behoren tot het landbouwbedrijf.
  Een dergelijk recht heeft een erfgenaam in de rechte neerdalende lijn ook, onder hetzelfde voorbehoud, indien de nalatenschap niet voor het geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, maar wel onroerende goederen die behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater en deze erfgenaam thans exploitant is van deze goederen in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf.
  De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige of van de beschermde persoon die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van het oud Burgerlijk Wetboek, uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of bewindsforum.
Art. 4.116. Droit de reprise
  Sous réserve des dispositions qui déterminent les droits du conjoint survivant et du cohabitant légal survivant, chacun des héritiers en ligne directe descendante a la faculté, lorsqu'une succession comprend pour la totalité ou pour une quotité une exploitation agricole, de reprendre, sur estimation, les biens meubles et immeubles qui constituent l'exploitation agricole.
  Un héritier en ligne directe descendante a également cette faculté, sous la même réserve, dans le cas où la succession ne comprend pas pour la totalité ou pour une quotité une exploitation agricole, mais bien des biens immeubles qui faisaient partie de l'exploitation agricole du défunt, et que cet héritier est à ce moment exploitant de ces biens dans le cadre de sa propre exploitation agricole.
  Les représentants légaux du mineur ou de la personne protégée qui ont été expressément déclarés incapables d'aliéner des biens en vertu de l'article 492/1, § 2, alinéa 3, 1°, de l'ancien Code civil, ne peuvent exercer le droit de reprise qu'avec l'autorisation du juge de paix du for de la tutelle ou de l'administration des biens.
Art. 4.117. Voorrangregeling
  Willen verscheidene belanghebbenden het recht van overname uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgorde gegeven aan:
  a) degene of degenen die door de erflater bij testament zijn aangewezen en die op het ogenblik van het overlijden het hele bedrijf van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en voortdurende wijze exploiteren of die op het ogenblik van het overlijden op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de erflater meewerken;
  b) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden het hele bedrijf van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en voortdurende wijze exploiteren of die op het ogenblik van het overlijden op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de erflater meewerken;
  c) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden niet aan het bedrijf van de erflater deelnemen zoals bepaald onder punt a) maar die door de erflater bij testament zijn aangewezen;
  d) degene die onroerende goederen exploiteert die vroeger behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater, maar die hij nu exploiteert in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf.
  Eisen meerdere erfgenamen die tot eenzelfde bevoorrechte categorie behoren op grond van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, a), b), c), of d) het recht van overname op, dan kunnen zij gezamenlijk tot die overname overgaan.
Art. 4.117. Ordre de priorité
  Lorsque plusieurs intéressés veulent user du droit de reprise, la préférence revient par priorité et dans l'ordre:
  a) à celui ou à ceux qui ont été désignés par testament par le défunt et qui, au moment du décès, exploitent la totalité ou une partie de l'exploitation du défunt d'une façon régulière et durable ou qui, au moment du décès, collaborent d'une façon régulière et durable à l'exploitation du défunt;
  b) à celui ou à ceux qui, au moment du décès, exploitent la totalité ou une partie de l'exploitation du défunt d'une façon régulière et durable ou qui, au moment du décès, collaborent d'une façon régulière et durable à l'exploitation du défunt;
  c) à celui ou à ceux qui, au moment du décès, ne participent pas à l'exploitation du défunt au sens du point a), mais qui ont été désignés par testament par le défunt;
  d) à celui qui exploite des biens immeubles qui appartenaient auparavant à l'exploitation agricole du défunt, mais qui les exploite désormais dans le cadre de sa propre exploitation agricole.
  Si plusieurs héritiers, faisant partie d'une même catégorie prioritaire sur la base de l'un des cas visés à l'alinéa 1er a), b), c), ou d), revendiquent le droit de reprise, ils peuvent faire cette reprise conjointement.
Art. 4.118. Schatting
  Wanneer een belanghebbende of zijn schuldeiser dit vraagt, wordt er tot de schatting overgegaan door toedoen van de familierechtbank, die daartoe een of meer schatters mag benoemen. Door de familierechtbank wordt uitspraak gedaan op de minuut van het verzoekschrift. Haar bevelschrift is uitvoerbaar op de minuut. Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door de schatter, alsook van zijn naam; deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De schatter kan de eed niet eerder afleggen dan vijftien dagen na de dag waarop de gerechtsbrieven zijn verstuurd. De belanghebbenden die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd. Elke eis tot wraking van de schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend; onmiddellijk doet de familierechtbank uitspraak over deze vraag.
  De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen waartoe de overname aanleiding mocht geven, uitspraak te doen zoals hierna is bepaald.
  Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter die de vergadering voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven; het ereloon van de notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst de partijen voor het verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve benoemde notaris.
Art. 4.118. Estimation
  Si un intéressé ou son créancier en fait la demande, il est procédé à l'estimation par le soin du tribunal de la famille qui peut nommer à cet effet un ou plusieurs experts. Le tribunal de la famille statue sur la minute de la requête, son ordonnance est exécutoire sur minute. Le greffier avertit les intéressés, par pli judiciaire, du jour et de l'heure de la prestation de serment de l'expert et leur communique le nom de ce dernier; celui-ci fixe aussitôt les jour et heure de ses opérations. La prestation de serment de l'expert ne peut intervenir qu'au plus tôt quinze jours après la date d'expédition du pli judiciaire. Les intéressés qui n'ont pas comparu à la prestation de serment sont avertis par pli judiciaire du greffier. Toute demande en récusation de l'expert doit être présentée sous peine de déchéance, au plus tard lors de la prestation de serment; le tribunal de la famille statue aussitôt sur cette demande.
  Le tribunal désigne l'un de ses membres pour statuer comme il est prévu ci-après sur les contestations auxquelles pourraient donner lieu les reprises.
  S'il s'élève des contestations sur la manière de procéder à la reprise, si l'un des intéressés refuse de consentir ou n'est pas présent, le juge désigné à cet effet convoque les intéressés ou leurs représentants légaux, au moins quinze jours à l'avance, par pli judiciaire. Au jour fixé, les intéressés se réunissent sous la présidence du magistrat qui a fait la convocation. Il peut être passé outre, même en l'absence d'un ou de plusieurs intéressés. Le cas échéant, le juge présidant la réunion désigne un notaire pour remplacer les absents, recevoir leurs parts et en donner décharge; les honoraires du notaire sont à la charge des parties qu'il représente. Le juge vide les contestations et renvoie les parties, pour la passation de l'acte, devant le notaire désigné par elles ou devant un notaire nommé d'office, si les parties ne s'accordent pas sur le choix.
Art. 4.119. Verplichte voortzetting van de exploitatie
  De overnemer is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen zes maanden en gedurende tien jaar na de datum waarop de akte van overname is verleden, zelf of in de persoon van zijn echtgenoot, van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen of van de echtgenoten van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen te exploiteren. De overnemer kan enkel om een ernstige door de familierechtbank als geldig erkende reden van deze verplichting ontheven worden.
  De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.
  De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op die bij de overname betrokken waren. De familierechtbank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben gehoord.
  Indien de overnemer, zonder toestemming van de familierechtbank, de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt, moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen ten bedrage van vijfendertig procent van hun aandeel in de overnameprijs.
  In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans de exploitatie aan een medeovernemer afstaan zonder voorafgaande machtiging.
Art. 4.119. Obligation de poursuivre l'exploitation
  Le reprenant est tenu d'exploiter lui-même ou par son conjoint, par ses descendants ou enfants adoptifs ou par les conjoints de ses descendants ou enfants adoptifs, les biens immeubles, objets de la reprise, dans les six mois et pendant dix années à dater de la passation de l'acte de reprise. Le reprenant ne peut être relevé de cette obligation que pour un motif grave reconnu valable par le tribunal de la famille.
  Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au tribunal de la famille de l'arrondissement judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
  Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à l'avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde ou refuse l'autorisation, après avoir entendu les parties.
  Si, sans l'autorisation du tribunal, le reprenant omet d'exécuter l'obligation prévue par l'alinéa 1er, il sera tenu de verser à chacun des anciens copropriétaires ou à leurs héritiers une indemnité fixée forfaitairement à trente-cinq pour cent de leur part du prix de la reprise.
  En cas de reprise conjointe, chaque reprenant peut toutefois céder l'exploitation à un coreprenant sans autorisation préalable.
Art. 4.120. Tijdelijk vervreemdingsverbod
  Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum waarop de akte van overname is verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden.
  De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoekschrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.
  De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De familierechtbank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben gehoord.
  Indien de overnemer de goederen zonder toestemming geheel of gedeeltelijk vervreemdt, moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen, ten bedrage van vijfendertig procent van hun aandeel in de overnameprijs.
  In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan een medeovernemer afstaan.
Art. 4.120. Interdiction d'aliénation temporaire
  Sauf pour un motif grave, reconnu valable au préalable par le tribunal de la famille, le reprenant ne peut, pendant une période de dix années prenant cours à la date de la passation de l'acte de reprise, aliéner les biens immeubles, objets de la reprise.
  Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au tribunal de la famille de l'arrondissement judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
  Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à l'avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde ou refuse l'autorisation, après avoir entendu les parties.
  Si le reprenant aliène tout ou partie des biens sans autorisation, il sera tenu de verser à chacun des anciens copropriétaires ou à leurs héritiers une indemnité fixée forfaitairement à trente-cinq pour cent de leur part du prix de la reprise.
  En cas de reprise conjointe, chaque reprenant peut toutefois céder sans autorisation préalable ses droits indivis à un coreprenant.
Art. 4.121. Geen cumul van vergoedingen
  De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.119 en 4.120 worden niet gecumuleerd.
Art. 4.121. Pas de cumul d'indemnités
  Les indemnités prévues aux articles 4.119 et 4.120 ne se cumulent pas.
Art. 4.122. Vordering tot betaling
  De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.119 en 4.120 bepaalde vergoedingen, moet op straffe van verval worden ingediend binnen drie jaar na de staking van het bedrijf of de vervreemding die er aanleiding toe geeft.
  Ieder van de gewezen mede-eigenaars of hun erfgenamen kunnen een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is.
Art. 4.122. Action en paiement
  L'action en paiement des indemnités prévues aux articles 4.119 et 4.120 doit être, à peine de forclusion, introduite dans les trois ans qui suivent la cessation de l'exploitation ou l'aliénation qui y donne lieu.
  Chacun des anciens copropriétaires ou leurs héritiers peuvent présenter une requête au tribunal de la famille de l'arrondissement judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
Art. 4.123. Beperkte overname
  De overname kan beperkt worden tot een deel van het landbouwbedrijf. In dit geval duidt de belanghebbende de goederen aan die hij overneemt zonder zijn mede-erfgenamen te kunnen benadelen. In geval van betwisting beslist de bevoegde rechter.
  In de volgorde van de verdere voorkeurscategorieën kan het overnamerecht uitgeoefend worden op de overblijvende goederen. Wanneer er verscheidene overnemers van een zelfde categorie zijn, duiden ze gezamenlijk de goederen aan die ze overnemen.
Art. 4.123. Reprise limitée
  La reprise peut se limiter à une partie de l'exploitation agricole. Dans ce cas, l'intéressé désigne les biens qu'il reprend sans qu'il puisse porter préjudice à ses cohéritiers. En cas de contestation, le juge compétent tranchera.
  Dans l'ordre des priorités subséquentes, le droit de reprise peut s'exercer sur les biens restants. En cas de pluralité de reprenants dans une même catégorie, ceux-ci désignent conjointement les biens qu'ils reprennent.
Art. 4.124. Verzet tegen de overname.
  Ieder van de mede-erfgenamen kan zich verzetten tegen het recht van overname wanneer de betrokken ongebouwde goederen gelegen zijn in woongebieden, zoals deze omschreven zijn krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en de stedenbouw.
  Het verzet geldt alleen voor bouwgronden waarop zich geen gebouwen bevinden die gebruikt worden in een landbouwbedrijf. Het verzet heeft geen gevolg voor de andere goederen die bij de overname betrokken zijn.
Art. 4.124. Opposition à la reprise.
  Chacun des cohéritiers peut s'opposer au droit de reprise pour les biens concernés non bâtis situés dans des zones d'habitat telles qu'elles ont été délimitées en vertu de la législation relative à l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
  L'opposition ne vaut que pour les terrains à bâtir ne comportant pas de bâtiments affectés à l'exploitation agricole. Cette opposition ne porte pas sur les autres biens concernés par la reprise.
Ondertitel 11. Centraal erfrechtregister
Sous-titre 11. Registre central successoral
Art. 4.125. Doeleinden
  Het centraal erfrechtregister is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde:
  1° binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan derden, op elektronische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken;
  a) van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen;
  b) van de identiteit van de personen die een nalatenschap hebben verworpen of aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving;
  c) van de gerechtelijke maatregelen genomen met betrekking tot het beheer van een nalatenschap;
  [1 1° /1 binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, op geautomatiseerde wijze de vaststelling van de hoedanigheid van erfgenaam mogelijk te maken zoals bedoeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende de invoering van de Notariële Aktebank;]1
  2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren.
  
Art. 4.125. Finalités
  Le registre central successoral est une banque de données informatisée ayant comme finalité:
  1° de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, la consultation et la communication aux tiers, par la voie électronique, ou, le cas échéant, par la voie postale;
  a) des informations relatives aux actes déterminant l'identité des personnes appelées à une succession ouverte;
  b) de l'identité des personnes ayant renoncé ou accepté une succession sous bénéfice d'inventaire;
  c) des mesures judiciaires prises relativement à l'administration d'une succession;
  [1 1° /1 de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, de constater la qualité d'héritier de manière automatisée, comme visé à l'article 14, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 18 mars 2020 portant l'introduction de la Banque des actes notariés ;]1
  2° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le registre central à des fins d'intérêt général, et en particulier à des fins statistiques et scientifiques, ou afin d'améliorer la qualité du registre.
  
Art. 4.126. Op te nemen akten
  § 1. In het centraal erfrechtregister worden opgenomen:
  1° de akten en attesten van erfopvolging die [2 ...]2 worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.59;
  2° de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van Verordening nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, alsmede de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van dezelfde Verordening;
  3° de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van die Europese erfrechtverklaringen;
  4° de akten houdende de verklaring van verwerping, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.44;
  5° de akten houdende de verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49;
  6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van een beheerder van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing van een curator over een onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. De notaris schrijft de akten en attesten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De inschrijving van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door een notaris, alsmede de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van deze Europese erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de notaris. [2 Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die het heeft opgemaakt, in.]2
  De griffier van het rechtscollege dat de beslissing heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van de voormelde Verordening (EU) nr. 650/2012.
  [1 § 3. De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de in paragraaf 1, 6°, bedoelde vonnissen of arresten.
   De griffier van het rechtscollege dat het in het eerste lid bedoelde vonnis of arrest heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van elk verzet, elk hoger beroep of elke voorziening tegen dit vonnis of arrest.
   De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de rechterlijke beslissingen waarbij een in het eerste lid bedoeld vonnis of arrest wordt vernietigd of hervormd.]1

  
Art. 4.126. Actes à inscrire
  § 1er. Sont inscrits dans le registre central successoral:
  1° les actes et certificats d'hérédité qui sont établis [2 ...]2 conformément à l'article 4.59;
  2° les certificats successoraux européens, qui sont établis conformément à l'article 68 du règlement n° 650/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compétence, la loi applicable, la reconnaissance et l'exécution des décisions, et l'acceptation et l'exécution des actes authentiques en matière de successions et à la création d'un certificat successoral européen, ainsi que les certificats successoraux européens qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du même règlement;
  3° les rectifications, modifications et retraits desdits certificats successoraux européens;
  4° les actes portant la déclaration de renonciation, qui sont établis conformément à l'article 4.44;
  5° les actes portant la déclaration d'un héritier qu'il entend ne prendre cette qualité que sous bénéfice d'inventaire, qui sont établis conformément à l'article 4.49;
  6° les jugements et arrêts portant désignation d'un administrateur pour une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire conformément à l'article 4.54, ou d'un curateur à succession vacante conformément à l'article 4.58 et à l'article 1231 du Code judiciaire.
  § 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés au paragraphe 1er, 1°, 4° et 5°. L'inscription des certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un notaire, ainsi que les rectifications, les modifications, et les retraits desdits certificats successoraux européens, est effectuée également par le notaire. [2 Le bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les certificats d'hérédité visés au paragraphe 1er qu'il a établis.]2
  Le greffier de la juridiction qui a prononcé la décision, communique au registre central successoral les certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du règlement (UE) n° 650/2012 précité.
  [1 § 3. Le greffier de la juridiction qui les a prononcés communique au registre central successoral les jugements ou arrêts visés au paragraphe 1er, 6°.
   Le greffier de la juridiction qui a prononcé le jugement ou l'arrêt visé à l'alinéa 1er communique au registre central successoral les oppositions, appels ou pourvois formés contre ledit jugement ou arrêt.
   Le greffier de la juridiction qui les a prononcés communique au registre central successoral les décisions judiciaires annulant ou réformant un jugement ou arrêt visé à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 4.127. In te schrijven gegevens
  § 1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving:
  1° van de erflater:
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboortedatum en -plaats;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  e) de plaats en de datum van overlijden;
  [1 1° /1 van de erfgenamen:
   a) de naam en voorna(a)m(en);
   b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;]1

  2° van de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49:
  a) de naam en voorna(a)m(en) in geval van een natuurlijke persoon, of, de naam of benaming in geval van een rechtspersoon;
  b) de rechtsvorm in geval van een rechtspersoon;
  c) het [1 identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1 of in voorkomend geval het ondernemingsnummer;
  d) de geboortedatum en -plaats in geval van een natuurlijke persoon;
  e) de woonplaatskeuze in geval van een verklaring overeenkomstig artikel 4.49;
  3° van de aangestelde curator of beheerder van de nalatenschap, in geval van inschrijving van een vonnis of arrest tot aanstelling overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58:
  a) de naam en de voorna(a)m(en);
  b) de functie;
  c) het kantooradres;
  4° de aard en de datum van de akte, het attest of de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door een notaris [1 of door een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]1, met aanduiding van het voorwerp van de verklaring in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49;
  5° de aard en de datum van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door de rechtbank of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder;
  6° de identificatie van de notaris, die de akte heeft verleden of het attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt, [1 van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het attest van erfopvolging heeft opgemaakt,]1 van het rechtscollege dat de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder heeft gewezen;
  7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte of de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de attesten van erfopvolging, de referentie van het kantoor [1 van de notaris of van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimonium-documentatie]1;
  8° in voorkomend geval, de referentie volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier) van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder en bij gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of het arrest.
  § 2. Het centraal erfrechtregister geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.
  
Art. 4.127. Données à inscrire
  § 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au moment de l'inscription:
  1° du défunt:
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) le lieu et la date de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle;
  e) le lieu et la date du décès;
  [1 1° /1 des héritiers :
   a) les nom et prénom(s) ;
   b) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ;]1

  2° du déclarant, en cas d'enregistrement d'une inscription conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49:
  a) les nom et prénom(s) dans le cas d'une personne physique, ou, le nom ou la dénomination, dans le cas d'une personne morale;
  b) la forme juridique dans le cas d'une personne morale;
  c) le [1 numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1 ou, le cas échéant, le numéro d'entreprise;
  d) la date et le lieu de naissance dans le cas d'une personne physique;
  e) l'élection de domicile en cas d'une déclaration conformément à l'article 4.49;
  3° du curateur ou de l'administrateur de la succession désigné, en cas d'inscription d'un jugement ou d'un arrêt de désignation conformément aux articles 4.54 et 4.58:
  a) les nom et prénom(s);
  b) la fonction;
  c) l'adresse professionnelle;
  4° la nature et la date de l'acte, du certificat ou du certificat successoral européen s'il a été établi par un notaire [1 ou par un bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale]1, avec indication de l'objet de la déclaration en cas d'inscription d'une déclaration conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49;
  5° la nature et la date de la décision portant le certificat successoral européen s'il a été établi par le tribunal ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur;
  6° l'identification du notaire qui a passé l'acte ou qui a établi le certificat ou le certificat successoral européen, [1 du bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale qui a établi l'acte ou le certificat hérédité,]1 de la juridiction qui a établi le certificat successoral européen ou de la juridiction qui a rendu l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur;
  7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte ou du certificat successoral européen, telle que visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat; et à défaut le numéro de répertoire, ou, pour les certificats d'hérédité, la référence de l'étude [1 du notaire ou du bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale]1;
  8° le cas échéant, la référence selon le standard ECLI (European Case Law identifier) de la décision portant le certificat successoral européen ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur et à défaut, le numéro de rôle général du jugement ou de l'arrêt.
  § 2. Le registre central successoral tient lieu de source authentique des données qui y sont inscrites.
  
Art. 4.128. Inschrijvingskosten [1 en mededeling in het Belgisch Staatsblad]1
  De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register [1 en de nadere regels en de kosten van de mededeling in het Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving]1.
  
Art. 4.128. Frais d'inscription [1 et mention au Moniteur belge]1
  Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription dans le registre [1 et les modalités et les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations d'acceptation sous bénéfice d'inventaire]1.
  
Art. 4.129. Verwerkingsverantwoordelijke
  § 1. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, hierna "de beheerder" genoemd, is belast met het beheer en de organisatie van het centraal erfrechtregister.
  De beheerder wordt, met betrekking tot het centraal erfrechtregister, beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
  § 2. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met:
  1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
  2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens verwerkt over zijn verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer;
  3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
  4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
  De Koning kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels bepalen volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.
Art. 4.129. Responsable du traitement
  § 1er. La Fédération Royale du Notariat belge, ci-après dénommée "le gestionnaire", est chargée de la gestion et de l'organisation du registre central successoral.
  Le gestionnaire est considéré, pour ce qui concerne le registre central successoral, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
  § 2. Le gestionnaire désigne un délégué à la protection des données. Celui-ci est plus particulièrement chargé:
  1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée, de la sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
  2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
  3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
  4° d'être le point de contact pour l'Autorité de protection des données;
  5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de l'Autorité de protection des données.
  Dans l'exercice de ses missions, le délégué à la protection des données agit en toute indépendance et fait directement rapport au gestionnaire.
  Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, déterminer les règles sur base desquelles le délégué à la protection des données effectue ses missions.
Art. 4.130. Bewaartermijn
  De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens van de inschrijving, met vermelding van de datum van inschrijving, tot dertig jaar na het overlijden van de persoon wiens gegevens bewaard werden.
  De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens met betrekking tot de raadplegingen van het register, met name de identificatiegegevens van de persoon die het register heeft geraadpleegd, de identificatiegegevens van de persoon over wie een raadpleging werd gedaan, het ogenblik van de raadpleging en de reden van de raadpleging. De gegevens worden tot tien jaar na de raadpleging bewaard. In geval van betwisting wordt deze termijn geschorst tot alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput.
Art. 4.130. Délai de conservation
  La Fédération Royale du Notariat belge conserve les données de l'inscription, avec mention de la date de l'inscription, jusqu'à trente ans après le décès de la personne dont les données sont conservées.
  La Fédération Royale du Notariat belge conserve les données relatives aux consultations opérées dans le registre, à savoir les données d'identification de la personne qui a accédé au registre, les données d'identification de la personne sur laquelle une recherche a été effectuée, le moment de la recherche et le motif de la recherche. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après l'accès. En cas de contestation, ce délai est suspendu jusqu'à ce que toutes les voies de recours soient épuisées.
Art. 4.131. Raadpleging
  § 1. [1 Met uitzondering van de gegevens bedoeld onder artikel 4.127, § 1, 1° /1, zijn de gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister toegankelijk voor:]1
  1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de griffiers en magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun ambt;
  2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut indien de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten;
  3° eenieder, voor zover zij een actueel en rechtmatig belang kunnen aantonen. Het belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen getroffen worden door het overlijden van de erflater of door de erfkeuzes van de erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig belang wordt vermeld in het verzoek tot raadpleging.
  [1 De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1° /1, zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken.]1
  § 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal erfrechtregister opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in paragraaf 1.
  Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.
  § 3. De toegang tot de gegevens van het centraal erfrechtregister is kosteloos.
  De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers.
  
Art. 4.131. Consultation
  § 1er. [1 A l'exception des données visées à l'article 4.127, § 1er, 1° /1, les données figurant dans le registre central successoral sont accessibles :]1
  1° aux notaires, aux huissiers de justice, aux avocats, aux greffiers et aux magistrats dans les juridictions, dans le cadre de l'exercice de leur fonction;
  2° aux autorités publiques, aux organismes d'intérêt public, si la prise de connaissance est nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales;
  3° à toute personne, pour autant qu'elle puisse justifier un intérêt actuel et légitime. L'intérêt du demandeur est actuel et légitime lorsque ses droits et obligations actuels sont affectés par le décès du défunt ou par les options héréditaires des successibles. L'intérêt actuel et légitime est mentionné dans la demande de consultation.
  [1 Les données visées à l'article 4.127, § 1er, 1° /1, sont uniquement accessibles au gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l'article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre l'accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit.]1
  § 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données inscrites dans le registre central successoral à d'autres personnes que celles qui y ont accès comme déterminé au paragraphe 1er.
  Sans préjudice des dispositions légales visant à la protection des données à caractère personnel, quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 4.127, ou a connaissance de ces données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
  L'article 458 du Code pénal leur est applicable.
  § 3. L'accès aux données du registre central successoral est gratuit.
  Le gestionnaire du registre peut autoriser la consultation en ligne pour les parties intéressées visées au paragraphe 1er qui en font la demande, dans les limites de leurs droits de consultation. Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais supplémentaires supportés par celui-ci dans l'exercice de cette mission seront facturés aux personnes ayant consulté le registre.
  
Art. 4.131 /1. [1 De Koning kan de nadere regels inzake het beheer alsook de vorm en nadere regels van de inschrijving in, en kennisgeving aan, het centraal erfrechtregister bepalen.]1
  
Art. 4.131 /1. [1 Le Roi peut déterminer les modalités de gestion ainsi que la forme et les modalités de l'inscription et de la communication au registre central successoral.]1
  
Titel 2. Schenkingen, testamenten en erfovereenkomsten
Titre 2. Les donations, testaments et pactes successoraux
Ondertitel 1. Algemene bepalingen
Sous-titre 1er. Dispositions générales
Art. 4.132. Beschikkingen onder levenden en bij testament
  § 1. Men kan op geen andere wijze over zijn goederen om niet beschikken dan bij schenking onder levenden of bij testament, met inachtneming van de hierna bepaalde vormen.
  Men kan een erfovereenkomst slechts sluiten binnen de perken in deze titel bepaald.
  § 2. Een schenking is een contract waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van het geschonken goed ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanvaardt.
  § 3. Een testament is een akte waarbij de testator, voor de tijd dat hij niet meer in leven zal zijn, over het geheel of een deel van zijn goederen beschikt, en die hij kan herroepen.
  § 4. De schenkingen, daarin begrepen de schenkingen van toekomstige goederen, en de beschikkingen bij testament worden in dit boek ook gezamenlijk aangeduid als giften.
  Schenkingen van toekomstige goederen, waarbij een persoon conventioneel als erfgerechtigde benoemd wordt, worden, wanneer ze toegelaten zijn, ook aangeduid als contractuele erfstellingen.
Art. 4.132. Dispositions entre vifs ou testamentaires
  § 1er. On ne peut disposer de ses biens, à titre gratuit, que par donation entre vifs ou par testament, dans les formes ci-après établies.
  On ne peut conclure de pacte successoral que dans les limites déterminées au présent titre.
  § 2. La donation est un contrat par lequel le donateur se dépouille actuellement et irrévocablement du bien donné, en faveur du donataire qui l'accepte.
  § 3. Le testament est un acte par lequel le testateur dispose, pour le temps où il n'existera plus, de tout ou partie de ses biens, et qu'il peut révoquer.
  § 4. Les donations, en ce compris les donations de biens futurs, et les dispositions testamentaires sont, dans le présent livre, également dénommées conjointement libéralités.
  Les donations de biens futurs, par lesquelles une personne est désignée conventionnellement comme successible, sont, lorsqu'elles sont autorisées, dénommées aussi institutions contractuelles.
Art. 4.133. Verbod van gift met bewaarplicht ten voordele van derden
  § 1. Iedere gift waarbij de begiftigde ermee belast wordt het gekregen goed te bewaren zodat het aan een opvolgende begunstigde kan toekomen, is nietig, zelfs ten aanzien van de begiftigde.
  Deze regel is niet van toepassing op de beschikkingen die bij ondertitel 6 voor ouders en voor broers en zussen zijn toegelaten.
  § 2. De beschikking waarbij een derde tot een gift geroepen wordt, ingeval de begiftigde deze niet zou verkrijgen, wordt niet beschouwd als een gift met bewaarplicht ten voordele van derden, en is geldig.
  Hetzelfde geldt voor de giften, waarbij het vruchtgebruik aan de ene en de blote eigendom aan de andere gegeven wordt.
Art. 4.133. Prohibition de la libéralité avec charge de conservation au profit d'autrui
  § 1er. Toute libéralité par laquelle le bénéficiaire est chargé de conserver le bien reçu afin qu'il puisse être transmis à un bénéficiaire subséquent est nulle, même à l'égard du bénéficiaire.
  Cette règle n'est pas applicable aux dispositions permises aux pères et mères et aux frères et soeurs, au sous-titre 6.
  § 2. La disposition par laquelle un tiers est appelé à recueillir une libéralité, dans le cas où le bénéficiaire ne la recueillerait pas, n'est pas regardée comme une libéralité avec charge de conservation au profit d'autrui, et est valable.
  Il en est de même de la libéralité par laquelle l'usufruit est donné à l'un, et la nue-propriété à l'autre.
Art. 4.134. Ongeoorloofde voorwaarden en lasten
  In iedere gift zijn de voorwaarden en lasten die onmogelijk zijn, of die in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling of met de openbare orde, nietig.
Art. 4.134. Conditions et charges illicites
  Dans toute libéralité, les conditions et charges qui sont impossibles, ou qui sont contraires à une disposition impérative ou à l'ordre public, sont nulles.
Ondertitel 2. Bekwaamheid
Sous-titre 2. Capacité
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Chapitre 1er. Dispositions générales
Art. 4.135. Bekwaamheid als regel
  Eenieder kan een gift doen, en eenieder kan een gift ontvangen, behalve de personen die de wet daartoe onbekwaam verklaart.
Art. 4.135. Principe de la capacité
  Toute personne peut faire une libéralité, et toute personne peut recevoir une libéralité, sauf celles que la loi en déclare incapables.
Art. 4.136. Gezondheid van geest
  Om een gift te kunnen doen, moet men gezond van geest zijn.
Art. 4.136. Sanité d'esprit
  Pour faire une libéralité, il faut être sain d'esprit.
Art. 4.137. Ongeboren kind
  Om bij schenking te verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de schenking.
  Om bij testament te verkrijgen, is het voldoende dat men verwekt was op het ogenblik van de dood van de testator.
  Niettemin zal de schenking of het testament slechts gevolg hebben indien het kind levensvatbaar wordt geboren.
Art. 4.137. Enfant à naître
  Pour recevoir une donation, il suffit d'être conçu au moment de la donation.
  Pour recevoir par testament, il suffit d'être conçu à l'époque du décès du testateur.
  Néanmoins, la donation ou le testament n'auront leur effet qu'autant que l'enfant sera né viable.
Hoofdstuk 2. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen
Chapitre 2. Mineurs et majeurs protégés
Art. 4.138. Minderjarigen
  Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar niet bereikt heeft, kan geen gift doen, behoudens hetgeen in ondertitel 9 bepaald is.
  Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft, kan alleen bij testament beschikken, en slechts ten belope van de helft van de goederen waarover de wet de meerderjarige toelaat te beschikken.
Art. 4.138. Mineurs
  Le mineur âgé de moins de seize ans ne peut aucunement disposer, sauf ce qui est réglé au sous-titre 9.
  Le mineur parvenu à l'âge de seize ans ne peut disposer que par testament, et jusqu'à concurrence seulement de la moitié des biens dont la loi permet au majeur de disposer.
Art. 4.139. Beschermde meerderjarigen
  Met behoud van de toepassing van zowel artikel 4.138 als van artikel 499/7, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek, kan de persoon die op grond van artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam is verklaard om te beschikken, hetzij bij schenking hetzij bij testament, toch beschikken na machtiging, op zijn verzoek, door de in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vrederechter.
  De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
  Als de vrederechter met toepassing van het eerste lid de beschermde persoon toestaat bij testament te beschikken, kan deze alleen bij authentieke akte een testament maken, zonder dat hij het ontwerp ervan aan de vrederechter moet voorleggen.
  In afwijking van het derde lid kan de vrederechter toestaan dat een testament in internationale vorm wordt opgesteld wanneer aan de in artikel 4.183 bedoelde vormvereisten voor het notarieel testament niet kan worden voldaan wegens de lichamelijke ongeschiktheid van de beschermde persoon.
  Bovendien mag de vrederechter de machtiging om te schenken weigeren indien de schenking de beschermde persoon of zijn onderhoudsgerechtigden behoeftig dreigt te maken.
Art. 4.139. Majeurs protégés
  Sans préjudice tant de l'article 4.138 que de l'article 499/7, § 4, de l'ancien Code civil, la personne qui, sur la base de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable de disposer, soit par donation, soit par testament, peut néanmoins le faire après y avoir été autorisée, à sa demande, par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire.
  Le juge de paix juge de la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
  Lorsque, en vertu de l'alinéa 1er, le juge de paix donne l'autorisation à la personne protégée de disposer par testament, celle-ci ne peut tester que par acte authentique, sans devoir en soumettre le projet au juge de paix.
  Par dérogation à l'alinéa 3, le juge de paix peut autoriser que le testament soit reçu en la forme internationale lorsque les conditions de forme du testament notarié visées à l'article 4.183 ne peuvent être remplies en raison de l'inaptitude physique de la personne protégée.
  Le juge de paix peut en outre refuser l'autorisation de disposer par donation si la donation menace d'indigence la personne protégée ou ses créanciers d'aliments.
Hoofdstuk 3. Specifieke onbekwaamheden
Chapitre 3. Incapacités spéciales
Art. 4.140. Voogd
  Een minderjarige, al heeft hij de leeftijd van zestien jaar bereikt, kan, zelfs bij testament, geen beschikking maken ten voordele van zijn voogd.
  Een minderjarige kan, wanneer hij meerderjarig geworden is, noch bij schenking, noch bij testament, beschikken ten voordele van zijn gewezen voogd, zolang de slotrekening over de voogdij niet gedaan en aangezuiverd is.
  Het bepaalde in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing op de verwanten in de opgaande lijn van de minderjarige, die zijn voogd zijn of geweest zijn.
Art. 4.140. Tuteur
  Le mineur, quoique parvenu à l'âge de seize ans, ne peut, même par testament, disposer au profit de son tuteur.
  Le mineur, devenu majeur, ne peut disposer, soit par donation, soit par testament, au profit de celui qui aura été son tuteur, si le compte définitif de la tutelle n'a pas été préalablement rendu et apuré.
  Sont exceptés, dans les cas prévus aux alinéas 1er et 2 ci-dessus, les ascendants des mineurs, qui sont ou qui ont été leurs tuteurs.
Art. 4.141. Bewindvoerder
  De in boek 1, titel XI, hoofdstuk II/1, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde bewindvoerder en eenieder die een gerechtelijk mandaat uitoefent, kunnen geen voordeel genieten van giften die de beschermde persoon of de persoon ten aanzien van wie dit mandaat wordt uitgeoefend tijdens de rechterlijke bescherming of dit mandaat in hun voordeel mocht hebben gedaan.
  Deze bepaling is niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 496, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek en in artikel 4.142, derde lid, 2° en 3°.
Art. 4.141. Administrateur
  L'administrateur visé au livre 1er, titre XI, chapitre II/1, de l'ancien Code civil, et toute personne exerçant un mandat judiciaire ne peuvent pas profiter des libéralités que la personne protégée ou la personne à l'égard de laquelle ce mandat est exercé aurait pu faire en leur faveur au cours de la protection judiciaire ou de ce mandat.
  Cette disposition n'est pas applicable aux personnes visées à l'article 496, alinéa 1er, de l'ancien Code civil et à l'article 4.142, alinéa 3, 2° et 3°.
Art. 4.142. Artsen en zorgverstrekkers
  Gezondheidszorgbeoefenaars, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, kunnen geen voordeel genieten van giften die hij, in de loop van die ziekte, in hun voordeel mocht hebben gedaan.
  Beheerders en personeelsleden van instellingen voor residentiële ouderenzorg kunnen geen voordeel genieten van giften die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gedaan.
  Hiervan zijn uitgezonderd:
  1° de giften tot vergoeding van diensten, onder bijzondere titel gemaakt, met inachtneming van het vermogen van de beschikker en van de bewezen diensten;
  2° de giften ten voordele van verwanten tot en met de vierde graad, voor zover de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort;
  3° de giften ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met de wie de beschikker een feitelijk gezin vormt.
  Dezelfde regels worden in acht genomen ten aanzien van de bedienaren van de erediensten en andere geestelijken, alsmede ten aanzien van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.
Art. 4.142. Médecins et prestataires de soin
  Les professionnels des soins de santé, qui auront traité une personne pendant la maladie dont elle meurt, ne peuvent profiter des libéralités qu'elle aurait faites en leur faveur pendant le cours de cette maladie.
  Les gestionnaires et membres du personnel d'institutions de soins résidentiels aux personnes âgées, ne peuvent profiter des libéralités qu'une personne hébergée dans leur institution aurait faites en leur faveur durant son séjour.
  Sont exceptées:
  1° les libéralités rémunératoires faites à titre particulier, eu égard aux facultés du disposant et aux services rendus;
  2° les libéralités au profit de parents jusqu'au quatrième degré inclusivement, pourvu toutefois que le décédé n'ait pas d'héritiers en ligne directe; à moins que celui au profit de qui la disposition a été faite, ne soit lui-même du nombre de ces héritiers;
  3° les libéralités en faveur du conjoint, du cohabitant légal ou de la personne vivant maritalement avec le disposant.
  Les mêmes règles sont observées à l'égard des ministres du culte et autres ecclésiastiques, ainsi qu'à l'égard des délégués du Conseil Central Laïque.
Art. 4.143. Rechtspersonen
  Voor schenkingen of legaten ten voordele van rechtspersonen is machtiging of goedkeuring vereist indien de wet daarin voorziet.
  Indien de rechtspersoon aan wie een schenking aangeboden wordt ze slechts na machtiging of goedkeuring kan aanvaarden, kan hij de schenking voorlopig aanvaarden, zoals nader in artikel 4.161, derde lid, bepaald.
Art. 4.143. Personnes morales
  Les donations ou les legs au profit de personnes morales doivent être [1 autorisés ou approuvés]1 si la loi le prévoit.
  Si la personne morale appelée à recevoir une donation ne peut l'accepter avant d'avoir obtenu l'autorisation ou l'approbation requise, elle peut accepter la donation provisoirement, comme il est prévu à l'article 4.161, alinéa 3.
  
Art. 4.144. Tussenpersonen
  Iedere gift ten voordele van een onbekwame is nietig, ook wanneer men ze vermomt onder de vorm van een contract onder bezwarende titel, en wanneer men ze maakt op naam van tussenpersonen.
  Als tussenpersonen worden beschouwd de ouders, de kinderen en afstammelingen en de echtgenoot van de onbekwame of de persoon met wie deze wettelijk samenwoont.
Art. 4.144. Personnes interposées
  Toute libéralité au profit d'un incapable est nulle, soit qu'on la déguise sous la forme d'un contrat à titre onéreux, soit qu'on la fasse sous le nom de personnes interposées.
  Sont réputés personnes interposées le père et la mère, les enfants et descendants, et l'époux de la personne incapable ou la personne avec laquelle celle-ci cohabite légalement.
Ondertitel 3. Beschikbaar deel en inkorting
Sous-titre 3. Quotité disponible et réduction
Hoofdstuk 1. Beschikbaar deel
Chapitre 1er. Quotité disponible
Art. 4.145. Reserve van de kinderen
  De giften mogen de helft van de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153 niet overschrijden, indien de beschikker bij zijn overlijden één of meer kinderen, of afstammelingen van deze kinderen, die bij plaatsvervulling komen, achterlaat.
Art. 4.145. Réserve des enfants
  Les libéralités ne peuvent excéder la moitié de la masse de calcul visée à l'article 4.153, si le disposant laisse à son décès un ou plusieurs enfants, ou des descendants de ceux-ci venant par substitution.
Art. 4.146. Vruchtgebruik op de reserve van de kinderen
  § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 4.145 aan de kinderen is gereserveerd wordt bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 4.19.
  § 2. In alle andere gevallen wordt de reserve van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard:
  1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 4.154, derde lid. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van de reserve van de kinderen, elk voor een gelijk deel;
  2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 4.147, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 4.154, derde lid. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 4.155, vierde lid. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.150.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 4.147, § 3, hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van de reserve van de kinderen leggen.
Art. 4.146. Usufruit sur la réserve des enfants
  § 1er. La portion de la succession qui est réservée aux enfants conformément à l'article 4.145, est grevée d'usufruit au profit du conjoint survivant lorsque celui-ci a droit à l'usufruit de toute la succession, et dans la mesure déterminée à l'article 4.19.
  § 2. Dans tous les autres cas, la réserve des enfants n'est grevée de cet usufruit que dans les limites ci-après:
  1° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit d'une fraction de la succession, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est prévu à l'article 4.154, alinéa 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant des droits en usufruit qui lui ont été accordés, le solde d'usufruit qui lui revient est mis à charge de la réserve attribuée aux enfants, chacun pour une part égale;
  2° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à la portion déterminée par l'article 4.147, § 1er, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible, après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est prévu à l'article 4.154, alinéa 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant de ses droits en usufruit, il peut exiger la réduction des libéralités imputées sur la quotité disponible, dans l'ordre déterminé par l'article 4.155, alinéa 4. Cette réduction se fait conformément à ce qui est précisé à l'article 4.150.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le conjoint survivant ne peut mettre à charge de la réserve des enfants l'usufruit dont il ne peut obtenir la réduction, soit par application de l'article 4.147, § 3, soit parce qu'il a renoncé à l'action en réduction.
Art. 4.147. Reserve van de langstlevende echtgenoot
  § 1. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de rekenboedel zoals omschreven in artikel 4.153.
  § 2. Giften mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik of het recht op huur verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.
  In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik of dit recht op huur betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik of dit recht op huur voldoet aan de eis van billijkheid.
  Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge paragraaf 1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.
  § 3. In elk geval, kan de langstlevende echtgenoot niet de inkorting vragen van de schenkingen gedaan door de erflater op een tijdstip waarop de echtgenoot deze hoedanigheid niet had, niettegenstaande de opname ervan in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153. Evenmin kan hij voordeel genieten van de inkorting van dergelijke schenkingen gevraagd door de afstammelingen van de erflater.
  § 4. De rechten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater of de langstlevende echtgenoot, bij een gerechtelijke akte, als eiser of als verweerder, ofwel een afzonderlijk verblijf had gevorderd, ofwel een vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek had ingeleid, en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.
  In het geval bedoeld in het eerste lid houdt de aanstelling van een algemene legataris een weerlegbaar vermoeden in van de wil om de langstlevende echtgenoot deze rechten te ontnemen.
  Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht. Deze overeenkomst heeft uitwerking vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot echtscheiding, tenzij de partijen in de overeenkomst hebben bepaald dat deze uitwerking heeft vanaf de ondertekening.
  § 5. Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 2.3.2.
Art. 4.147. Réserve du conjoint survivant
  § 1er. Nonobstant toute disposition contraire, le conjoint survivant a droit à l'usufruit de la moitié de la masse de calcul visée à l'article 4.153.
  § 2. Les libéralités ne peuvent avoir pour effet de priver le conjoint survivant de l'usufruit ou du droit au bail de l'immeuble affecté au jour de l'ouverture de la succession au logement principal de la famille et des meubles meublants qui le garnissent.
  En cas de séparation de fait des époux, cet usufruit ou ce droit au bail porte sur l'immeuble où les époux avaient établi leur dernière résidence conjugale et sur les meubles meublants qui le garnissent, à condition que le conjoint survivant y ait maintenu sa résidence ou ait été contre sa volonté empêché de le faire et que l'attribution de cet usufruit ou de ce droit au bail soit conforme à l'équité.
  Cet usufruit est imputé sur celui que le conjoint survivant obtient en vertu du paragraphe 1er, sans toutefois y être limité.
  § 3. En toute hypothèse, le conjoint survivant ne peut solliciter la réduction des donations consenties par le défunt à une époque où le conjoint n'avait pas cette qualité, nonobstant la comptabilisation de celles-ci dans la masse de calcul visée à l'article 4.153. Il ne peut pas non plus profiter de la réduction de telles donations demandée par les descendants du défunt.
  § 4. Le conjoint survivant peut être privé par testament des droits visés aux paragraphes 1er et 2 lorsqu'au jour du décès, les époux étaient séparés depuis plus de six mois et que, par un acte judiciaire, soit en demandant soit en défendant, le défunt ou le conjoint survivant a soit réclamé une résidence séparée de celle de son conjoint, soit introduit une demande de divorce sur la base de l'article 229 de l'ancien Code civil, et pour autant que depuis cet acte les époux n'aient plus repris la vie commune.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, la désignation d'un légataire universel constitue une présomption réfragable de la volonté de priver le conjoint survivant de ces droits.
  Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables lorsque les époux ont établi la convention prévue à l'article 1287, alinéa 3, du Code judiciaire. Cette convention produit ses effets à partir du dépôt de la requête en divorce, sauf si les parties ont décidé dans la convention qu'elle produit ses effets au jour de la signature.
  § 5. Il peut être dérogé aux dispositions du présent article dans le cas visé à l'article 2.3.2.
Art. 4.148. Geen andere reservataire erfgenamen
  Bij gebreke van een langstlevende echtgenoot en van verwanten in neerdalende lijn mogen de giften de gehele nalatenschap omvatten.
Art. 4.148. Pas d'autres héritiers réservataires
  A défaut de conjoint survivant et de descendants, les libéralités peuvent épuiser la totalité des biens.
Art. 4.149. Gift van het beschikbaar deel
  Het beschikbaar deel kan, hetzij bij schenking, hetzij bij testament, geheel of ten dele gegeven worden aan de kinderen of aan andere erfgerechtigden van de schenker.
  De beschikking zal moeten worden ingebracht of zal van inbreng zijn vrijgesteld zoals bepaald in titel 1, ondertitel 8, hoofdstuk 2, afdeling 1.
Art. 4.149. Libéralité portant sur la quotité disponible
  La quotité disponible peut être donnée en tout ou en partie, soit par donation, soit par testament, aux enfants ou aux autres successibles du donateur.
  La disposition sera rapportable ou sera dispensée de rapport comme il est prévu au titre 1er, sous-titre 8, chapitre 2, section 1re.
Hoofdstuk 2. Inkorting
Chapitre 2. Réduction
Art. 4.150. Inkorting in principe in waarde
  De giften die het beschikbaar deel overschrijden, kunnen na het openvallen van de nalatenschap tot dat beschikbaar deel ingekort worden.
  Niettegenstaande elk andersluidend beding, en behoudens voor de in artikel 4.147, § 2, bedoelde reserve, geschiedt de inkorting enkel in waarde. Zij kan evenwel in natura geschieden op vraag van de begiftigde.
  De giften die enkel voor het vruchtgebruik moeten worden ingekort maar die betrekking hebben op andere goederen dan die welke worden bedoeld in artikel 4.147, § 2, worden eveneens ingekort in waarde. De vergoeding voor de inkorting is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van dit vruchtgebruik op de dag van het overlijden; ze wordt berekend door de bepaling van artikel 4.64 naar analogie toe te passen.
  In afwijking van het tweede lid geschiedt de inkorting in volle of blote eigendom van legaten in natura wanneer de begiftigde geen erfgenaam is.
Art. 4.150. Principe de la réduction en valeur
  Les libéralités qui excèdent la quotité disponible, peuvent être réduites à cette quotité après l'ouverture de la succession.
  Nonobstant toute stipulation contraire, et sauf le cas de la réserve visée à l'article 4.147, § 2, la réduction n'a lieu qu'en valeur. Elle peut toutefois avoir lieu en nature à la demande du gratifié.
  Les libéralités qui doivent être réduites pour l'usufruit seulement, mais portent sur d'autres biens que ceux visés à l'article 4.147, § 2, sont également réduites en valeur. L'indemnité de réduction est égale à la valeur capitalisée, au jour du décès, de cet usufruit; elle se calcule en appliquant par analogie la disposition de l'article 4.64.
  Par dérogation à l'alinéa 2, la réduction en pleine ou en nue-propriété des legs a lieu en nature lorsque le gratifié n'est pas un héritier.
Art. 4.151. Recht om de inkorting te vorderen
  Inkorting van giften kan alleen gevorderd worden door hen aan wie de wet een reserve toekent, door hun erfgenamen of door hun rechtverkrijgenden.
  De begiftigden, de legatarissen en de schuldeisers van de erflater kunnen deze inkorting niet vorderen, noch er voordeel van genieten.
Art. 4.151. Droit de demander la réduction
  La réduction des libéralités ne peut être demandée que par ceux au profit desquels la loi accorde une réserve, par leurs héritiers ou par leurs ayants cause.
  Les donataires, les légataires, ni les créanciers du défunt, ne pourront demander cette réduction, ni en profiter.
Art. 4.152. Afstand van de vordering tot inkorting
  § 1. De inkorting van schenkingen kan niet worden gevraagd door de reservataire erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting van de desbetreffende schenking, door middel van een eenzijdige verklaring, in de schenkingsakte of naderhand. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afstand.
  De erfgenamen die afstand hebben gedaan van de vordering tot inkorting kunnen geen voordeel meer genieten van de inkorting die door anderen zou worden gevraagd.
  § 2. Niettegenstaande de afstand van de vordering tot inkorting bedoeld in paragraaf 1, wordt de waarde van de goederen die het voorwerp uitmaken van de schenking opgenomen in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153.
  De afstand van de vordering tot inkorting kan niet tot gevolg hebben dat de andere giften een grotere inkorting zouden ondergaan dan de inkorting die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke afstand.
  § 3. De afstand van de vordering tot inkorting heeft, in voorkomend geval, geen gevolgen voor de verplichting tot inbreng van de schenking.
Art. 4.152. Renonciation à l'action en réduction
  § 1er. La réduction des donations ne peut pas être demandée par les héritiers réservataires qui ont renoncé à l'action en réduction à l'encontre de la donation concernée par une déclaration unilatérale dans l'acte de donation ou postérieure à celui-ci. Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables, par analogie, à cette renonciation.
  Les héritiers ayant renoncé à l'action en réduction ne peuvent profiter de la réduction qui serait demandée par d'autres.
  § 2. Nonobstant la renonciation à l'action en réduction visée au paragraphe 1er, la valeur des biens ayant fait l'objet de la donation est comprise dans la masse de calcul visée à l'article 4.153.
  La renonciation à l'action en réduction ne peut avoir pour conséquence de faire subir aux autres libéralités une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subie en l'absence d'une telle renonciation.
  § 3. La renonciation à l'action en réduction est, le cas échéant, sans effet sur le caractère rapportable de la donation.
Art. 4.153. Rekenboedel ter berekening van het beschikbaar deel
  Om de inkorting te bepalen, vormt men een rekenboedel uit alle goederen die bij het overlijden van de erflater aanwezig waren. Na aftrek van de schulden, worden de goederen waarover hij bij schenking heeft beschikt, fictief daarbij gevoegd volgens hun staat en hun waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ 2 tot 9. Over al die goederen berekent men het deel waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.
Art. 4.153. Masse de calcul pour déterminer la quotité disponible
  La réduction se détermine en formant une masse de calcul de tous les biens existants au décès du défunt. Après déduction des dettes, on y réunit fictivement ceux dont il a été disposé par donations, d'après leur état et leur valeur telle que définie à l'article 4.90, §§ 2 à 9. On calcule sur tous ces biens quelle est, eu égard à la qualité des héritiers qu'il laisse, la quotité dont il a pu disposer.
Art. 4.154. Aanrekening van de giften
  De giften toegekend door de erflater worden aangerekend, naar gelang het geval, op de globale reserve van de reservataire erfgenamen of op het beschikbaar deel, in de volgorde waarin ze zijn toegekend, te beginnen met de oudste. De legaten worden aangerekend op de dag van het openvallen van de nalatenschap.
  De in te brengen giften die aan een reservataire erfgenaam zijn vermaakt, worden op de globale reserve van de reservataire erfgenamen aangerekend en, bijkomend, op het beschikbaar deel. Het meerdere wordt ingekort, indien daartoe aanleiding bestaat.
  De giften die met vrijstelling van inbreng aan een reservataire erfgenaam, zijn vermaakt, evenals de giften aan een begiftigde die geen reservataire erfgenaam is, worden op het beschikbaar deel aangerekend. Het meerdere wordt ingekort.
Art. 4.154. Imputation des libéralités
  Les libéralités consenties par le donateur ou testateur s'imputent, selon le cas, sur la réserve globale des héritiers réservataires ou sur la quotité disponible, dans l'ordre où elles ont été consenties, en commençant par la plus ancienne. Les legs s'imputent à la date d'ouverture de la succession.
  Les libéralités rapportables faites à un héritier réservataire s'imputent sur la réserve globale des héritiers réservataires et, subsidiairement, sur la quotité disponible. S'il y a lieu, l'excédent est sujet à réduction.
  Les libéralités faites avec dispense de rapport à un héritier réservataire, ainsi que les libéralités à un bénéficiaire qui n'est pas un héritier réservataire, s'imputent sur la quotité disponible. L'excédent est sujet à réduction.
Art. 4.155. Volgorde van inkorting
  Wanneer de waarde van de schenkingen het beschikbaar deel overschrijdt of daarmee gelijk is, vervallen alle beschikkingen bij testament in volle of blote eigendom die overeenkomstig artikel 4.150, vierde lid, in natura moeten worden ingekort.
  Overschrijden de beschikkingen bij testament hetzij het beschikbaar deel, hetzij het deel ervan, dat overblijft na aftrek van de waarde van de schenkingen, dan geschiedt de inkorting naar evenredigheid, zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen de algemene legaten en de bijzondere legaten.
  Indien de erflater evenwel uitdrukkelijk verklaard heeft dat een bepaald legaat moet worden voldaan bij voorkeur boven de andere, wordt deze voorkeur in acht genomen. Dat legaat wordt dan slechts ingekort voor zover de inkorting van de overige legaten niet toereikend is om de reserve op te leveren.
  Schenkingen worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikkingen bij testament begrepen zijn, is uitgeput. Wanneer deze inkorting plaatsheeft, geschiedt zij te beginnen met de laatste schenking, en aldus vervolgende, van de laatste schenking opklimmend tot de vroegere.
Art. 4.155. Ordre des réductions
  Lorsque la valeur des donations excède ou égale la quotité disponible, toutes les dispositions testamentaires en pleine ou nue-propriété qui doivent être réduites en nature conformément à l'article 4.150, alinéa 4, sont caduques.
  Lorsque les dispositions testamentaires excèdent, soit la quotité disponible, soit la portion de cette quotité qui resterait après avoir déduit la valeur des donations, la réduction se fait proportionnellement, sans aucune distinction entre les legs universels et les legs particuliers.
  Néanmoins, si le testateur a expressément déclaré qu'il entend que tel legs soit acquitté de préférence aux autres, cette préférence est respectée. Ce legs n'est alors réduit que si la réduction des autres legs ne suffit pas pour reconstituer la réserve.
  Il n'y a jamais lieu à réduire les donations, qu'après avoir épuisé la valeur de tous les biens compris dans les dispositions testamentaires. Lorsqu'il y a lieu à cette réduction, elle se fait en commençant par la dernière donation, et ainsi de suite en remontant des dernières aux plus anciennes.
Art. 4.156. Vordering tot inkorting
  § 1. Indien de gift, die in waarde wordt ingekort, het beschikbaar deel overschrijdt, vergoedt de begiftigde, al dan niet erfgenaam, de reservataire erfgenamen, ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift, wat ook het bedrag hiervan is.
  De vergoeding die door een erfgenaam verschuldigd is, wordt betaald in mindere ontvangst en, indien hij een reservataire erfgenaam is, bij voorrang door toerekening op zijn reservataire rechten.
  De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het ogenblik van de verdeling, behoudens andersluidend akkoord tussen de mede-erfgenamen.
  § 2. Na voorafgaandelijke uitwinning van de goederen van de schuldenaar van de vergoeding voor de inkorting en ingeval van onvermogen van deze laatste, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vorderen tegen derden die de goederen die van de giften deel uitmaakten onder kosteloze titel hebben verworven van de begiftigde of van de opvolgende begunstigde ten kosteloze titel. De inkorting wordt op dezelfde wijze gevorderd als tegen de begiftigden zelf en volgens de dagtekeningen van de vervreemdingen, te beginnen met de laatste.
  De vordering tot inkorting tegen de derden bedoeld in het eerste lid kan niet worden uitgeoefend door de reservataire erfgenamen die, overeenkomstig de artikelen 4.249 tot 4.252, hetzij in de schenkingsakte, hetzij bij een latere uitdrukkelijke verklaring, hebben toegestemd in de vervreemding van het gegeven goed. De artikelen 4.244 tot 4.248 en 4.253 zijn van toepassing op deze toestemming.
  § 3. De vordering tot inkorting kan door de reservataire erfgenamen niet worden uitgeoefend ten aanzien van legaten waarvan zij de afgifte hebben toegekend met kennis van de aantasting van hun reserve. In dat geval kan voor de andere giften evenwel geen grotere inkorting gelden dan diegene die zou zijn toegepast zonder een dergelijke afgifte.
Art. 4.156. Action en réduction
  § 1er. Lorsque la libéralité réductible en valeur excède la quotité disponible, le gratifié héritier ou non héritier, indemnise les héritiers réservataires à concurrence de la portion excessive de la libéralité, quel que soit le montant de cet excédent.
  Le paiement de l'indemnité par l'héritier se fait en moins prenant et, s'il est héritier réservataire, en priorité par imputation sur ses droits réservataires.
  L'indemnité de réduction est payable au plus tard au moment du partage, sauf accord contraire entre les cohéritiers.
  § 2. Après discussion préalable des biens du débiteur de l'indemnité de réduction et en cas d'insolvabilité de ce dernier, les héritiers réservataires peuvent exercer l'action en réduction contre les tiers ayant acquis à titre gratuit les biens faisant partie des libéralités du gratifié ou du bénéficiaire subséquent à titre gratuit. L'action en réduction est exercée de la même manière que contre les gratifiés eux-mêmes et suivant l'ordre des dates des aliénations, en commençant par la plus récente.
  L'action en réduction ne peut être exercée contre les tiers visés à l'alinéa 1er par les héritiers réservataires qui ont consenti, conformément aux articles 4.249 à 4.252, à l'aliénation du bien donné soit dans l'acte de donation, soit par une déclaration expresse postérieure. Les articles 4.244 à 4.248 et 4.253 sont applicables audit consentement.
  § 3. L'action en réduction ne peut être exercée par les héritiers réservataires à l'égard des legs dont ils ont consenti la délivrance en connaissance de l'atteinte portée à leur réserve. Les autres libéralités ne peuvent toutefois, en pareille hypothèse, subir une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subies en l'absence d'une telle délivrance.
Art. 4.157. Verjaring
  § 1. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een erfgenaam verjaart na dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.
  De reservataire erfgenamen zijn echter vervallen van het recht om de inkorting te vorderen indien zij, terwijl zij weet hebben van de aantasting van hun reserve, de inkorting van de giften bedoeld in het eerste lid, niet hebben gevraagd op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.
  § 2. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een begiftigde die geen erfgenaam is, verjaart na twee jaar te rekenen vanaf de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap voor zover uit deze vereffening de aantasting blijkt van de reserve van de reservataire erfgenamen of, in elk geval, na maximum dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.
  De begiftigde kan evenwel, op elk ogenblik, de reservataire erfgenamen aanmanen om standpunt in te nemen over het principe en, in voorkomend geval, het bedrag van de inkorting van de gift die hem werd toegekend. In dat geval, nemen de reservataire erfgenamen een standpunt in over het principe van de inkorting, op straffe van verval ten laatste binnen het jaar volgend op de ingebrekestelling en beschikken zij, te rekenen vanaf deze principeverklaring, over een termijn van twee jaar om de inkorting te vorderen en om het bedrag ervan vast te stellen.
Art. 4.157. Prescription
  § 1er. L'action en réduction à l'égard d'une libéralité consentie à un héritier se prescrit par trente ans à compter de l'ouverture de la succession.
  Toutefois, les héritiers réservataires sont déchus du droit de solliciter la réduction si, ayant connaissance de l'atteinte portée à leur réserve, ils n'ont pas demandé la réduction des libéralités visées à l'alinéa 1er au jour de la clôture de la liquidation-partage de la succession.
  § 2. L'action en réduction à l'égard d'une libéralité consentie au bénéfice d'un gratifié qui n'est pas un héritier se prescrit par deux ans à compter de la clôture de la liquidation-partage de la succession pour autant que ladite liquidation ait fait apparaître l'atteinte portée à la réserve des héritiers réservataires ou, en toute hypothèse, par trente ans maximum à compter de l'ouverture de la succession.
  Le gratifié peut toutefois, à tout moment, mettre les héritiers réservataires en demeure de se prononcer sur le principe et, le cas échéant, le montant de la réduction de la libéralité qui lui a été consentie. En ce cas, les héritiers réservataires se prononcent, à peine de déchéance, au plus tard dans l'année de la mise en demeure quant au principe de la réduction et disposent, à compter de cette déclaration de principe, d'un délai de deux ans pour formuler la demande de réduction et en déterminer le montant.
Ondertitel 4. Schenkingen
Sous-titre 4. Donations
Hoofdstuk 1. Vorm van de schenkingen
Chapitre 1er. Forme des donations
Art. 4.158. Notariële akte
  Iedere akte van schenking wordt, op straffe van nietigheid, voor een notaris verleden.
Art. 4.158. Acte notarié
  Tout acte de donation est, à peine de nullité, passé devant notaire.
Art. 4.159. Staat van schatting van roerende goederen
  Een akte van schenking van roerende goederen is alleen geldig voor de goederen waarvan een staat van schatting, getekend door de schenker en door de begiftigde of hen die voor deze laatste aanvaarden, in de akte van schenking is opgenomen of aan die akte gehecht is.
Art. 4.159. Etat estimatif des biens meubles
  Tout acte de donation de biens meubles n'est valable que pour les biens dont un état estimatif, signé du donateur et du donataire, ou de ceux qui acceptent pour lui, a été inséré dans l'acte de donation ou joint à celui-ci.
Art. 4.160. Vormgebreken
  De schenker kan de gebreken van een schenking niet verhelpen door een akte van bevestiging. De schenking die nietig is wat de vorm betreft, moet in de wettelijke vorm opnieuw gedaan worden.
  Uit de bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige uitvoering van een schenking door de erfgenamen van de schenker, na zijn overlijden, volgt hun afstand van het recht om zich te beroepen hetzij op gebreken in de vorm, hetzij op enige andere exceptie.
Art. 4.160. Vices de forme.
  Le donateur ne peut réparer par un acte confirmatif les vices d'une donation. La donation qui est nulle en la forme, doit être refaite en la forme légale.
  La confirmation, ou ratification, ou exécution volontaire d'une donation par les héritiers du donateur, après son décès, emporte leur renonciation à opposer soit les vices de forme, soit toute autre exception.
Hoofdstuk 2. Aanvaarding van de schenkingen
Chapitre 2. Acceptation des donations
Art. 4.161. Vereiste van aanvaarding
  De schenking bindt de schenker niet en heeft generlei gevolg, dan van de dag waarop zij in uitdrukkelijke bewoordingen is aanvaard.
  De aanvaarding kan geschieden tijdens het leven van de schenker door een latere, authentieke akte. In dat geval verschijnt de schenker of de persoon die hij heeft aangeduid om hem hiertoe te vertegenwoordigen, in de akte van aanvaarding om er kennis van te nemen. De volmacht waarvan in dit lid sprake moet worden vastgesteld bij notariële akte.
  De voorlopige aanvaarding waarvan sprake in het tweede lid van artikel 4.143 is een aanvaarding onder voorbehoud van machtiging of goedkeuring, die de schenker onder dat voorbehoud bindt zodra hij er kennis van gekregen heeft. Deze voorlopige aanvaarding wordt vastgesteld in de akte van schenking of in een latere authentieke akte. Voor de voorlopige en voor de definitieve aanvaarding na machtiging of goedkeuring, evenals voor de kennisgeving ervan, geldt het bepaalde in het tweede lid.
Art. 4.161. Nécessité d'une acceptation
  La donation n'engage le donateur, et ne produit aucun effet, que du jour où elle a été acceptée en termes exprès.
  L'acceptation peut être faite du vivant du donateur, par un acte postérieur et authentique. Dans ce cas, le donateur ou la personne qu'il a désignée pour le représenter à cet effet, comparaît à l'acte d'acceptation pour en prendre connaissance. La procuration dont il est question au présent alinéa doit être constatée par acte notarié.
  L'acceptation provisoire dont il est question au deuxième alinéa de l'article 4.143 est une acceptation sous réserve d'autorisation ou d'approbation qui lie le donateur, sous cette réserve, dès qu'elle lui est notifiée. Cette acceptation provisoire est constatée dans l'acte de donation ou dans un acte authentique ultérieur. La disposition du deuxième alinéa s'applique à l'acceptation provisoire, à l'acceptation définitive après autorisation ou approbation, ainsi qu'à leur notification.
Art. 4.162. Aanvaarding bij volmacht
  Indien de begiftigde meerderjarig is, moet de aanvaarding gedaan worden door hemzelf of, in zijn naam, door een persoon die houder is van een volmacht waarbij hem de bevoegdheid is verleend om de gedane schenking te aanvaarden of een algemene bevoegdheid om de schenkingen te aanvaarden welke zijn gedaan of nog zullen worden gedaan.
  Deze volmacht moet worden vastgesteld bij notariële akte.
Art. 4.162. Acceptation par procuration
  Si le donataire est majeur, l'acceptation doit être faite par lui, ou, en son nom, par la personne qui détient sa procuration, portant pouvoir d'accepter la donation faite, ou un pouvoir général d'accepter les donations qui auraient été ou qui pourraient être faites.
  Cette procuration devra être constatée par acte notarié.
Art. 4.163. Aanvaarding voor een minderjarige
  Een schenking aan een niet ontvoogde minderjarige gedaan, moet worden aanvaard door zijn voogd, overeenkomstig artikel 410, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek.
  Een ontvoogde minderjarige kan met de bijstand van zijn curator aanvaarden.
  Nochtans kunnen de vader en de moeder van de ontvoogde of niet ontvoogde minderjarige, of, zelfs gedurende het leven van de vader en de moeder, de andere verwanten in de opgaande lijn, ook al zijn zij noch voogd noch curator over de minderjarige, de schenking voor hem aanvaarden.
Art. 4.163. Acceptation pour un mineur
  La donation faite à un mineur non émancipé doit être acceptée par son tuteur, conformément à l'article 410, § 1er, de l'ancien Code civil.
  Le mineur émancipé peut accepter avec l'assistance de son curateur.
  Néanmoins, le père et la mère du mineur émancipé ou non émancipé, ou les autres ascendants, même du vivant des père et mère, quoiqu'ils ne soient ni tuteurs ni curateurs du mineur, peuvent accepter pour lui.
Art. 4.164. Aanvaarding voor een beschermde meerderjarige
  Een schenking aan een beschermde persoon die krachtens artikel 492/2 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam is verklaard om deze te ontvangen, moet door zijn bewindvoerder worden aanvaard overeenkomstig artikel 499/7, § 2, eerste lid, 6°, van het oud Burgerlijk Wetboek.
  Een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek bijstand behoeft om een schenking te aanvaarden, kan met bijstand van zijn bewindvoerder aanvaarden.
Art. 4.164. Acceptation pour un majeur protégé
  Une donation faite à une personne protégée qui, en vertu de l'article 492/2 de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable de la recevoir, doit être acceptée par son administrateur conformément à l'article 499/7, § 2, alinéa 1er, 6°, de l'ancien Code civil.
  La personne protégée qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, a besoin d'assistance pour accepter une donation, peut accepter avec l'assistance de son administrateur.
Art. 4.165. Onroerende publiciteit
  Indien de schenking betrekking heeft op een zakelijk onroerend recht, worden overgeschreven, zoals bepaald in artikel 3.30, § 1, de akte van schenking, en de akte van aanvaarding, indien deze in een latere akte wordt vastgesteld. Worden eveneens overgeschreven, in voorkomend geval, de akte van voorlopige aanvaarding en de akte van definitieve aanvaarding.
Art. 4.165. Publicité foncière
  Lorsque la donation porte sur un droit réel immobilier, sont transcrits conformément à l'article 3.30, § 1er, l'acte de donation et celui constatant son acceptation si elle est faite par un acte postérieur. Sont également transcrits, le cas échéant, l'acte séparé d'acceptation provisoire, ainsi que l'acte d'acceptation définitive.
Art. 4.166. Gevolgen van de aanvaarding
  De behoorlijk aanvaarde schenking is voltrokken door de enkele toestemming van de partijen. De eigendom van de geschonken goederen gaat over op de begiftigde, zonder dat enige andere afgifte vereist is.
Art. 4.166. Effets de l'acceptation
  La donation dûment acceptée est parfaite par le seul consentement des parties. La propriété des objets donnés est transférée au donataire, sans qu'il soit besoin d'autre tradition.
Art. 4.167. Ontbreken van aanvaarding voor een minderjarige of een beschermde meerderjarige
  Minderjarigen en beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oude Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om schenkingen te ontvangen, worden niet in hun recht hersteld tegen het ontbreken van de aanvaarding. Ze hebben slechts verhaal op hun vader of moeder, hun voogd of bewindvoerder, indien daartoe grond bestaat.
Art. 4.167. Défaut d'acceptation pour un mineur ou un majeur protégé [1 ...]1
  Les mineurs et les personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, ont été déclarées incapables de recevoir des donations, ne sont point restitués contre le défaut d'acceptation. Ils n'ont qu'un recours contre leur père ou mère, leur tuteur ou contre leur administrateur, s'il y échet.
  
Hoofdstuk 3. Voorwerp en modaliteiten van de schenkingen
Chapitre 3. Objet et modalités des donations
Art. 4.168. Tegenwoordige goederen
  Een schenking mag alleen de tegenwoordige goederen van de schenker bevatten. Indien zij toekomstige goederen bevat, is zij wat die goederen betreft nietig.
Art. 4.168. Biens présents
  La donation ne peut comprendre que les biens présents du donateur. Si elle comprend des biens futurs, elle est nulle en ce qui concerne ces biens.
Art. 4.169. Voorwaarden van de schenking
  Een schenking die gedaan is onder voorwaarden waarvan de uitvoering van de enkele wil van de schenker afhangt, is nietig.
  Zij is eveneens nietig, indien zij gedaan is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die welke ten tijde van de schenking bestonden, of welke uitgedrukt mochten zijn, hetzij in de akte van schenking, hetzij in de staat die erin moet zijn opgenomen of eraan moet zijn gehecht.
  Ingeval de schenker zich de vrijheid heeft voorbehouden te beschikken over een goed dat in de schenking begrepen is, of over een bepaalde geldsom uit de geschonken goederen, en hij overlijdt zonder daarover te hebben beschikt, behoort dat goed of die geldsom toe aan de erfgenamen van de schenker, niettegenstaande enig andersluidend beding.
Art. 4.169. Conditions de la donation
  Toute donation faite sous des conditions dont l'exécution dépend de la seule volonté du donateur, est nulle.
  Elle est pareillement nulle, si elle a été faite sous la condition d'acquitter d'autres dettes ou charges que celles qui existaient à l'époque de la donation, ou qui seraient exprimées, soit dans l'acte de donation, soit dans l'état qui doit y être inséré ou annexé.
  Si le donateur s'est réservé la liberté de disposer d'un bien compris dans la donation, ou d'une somme fixe sur les biens donnés, et s'il meurt sans en avoir disposé, ledit bien ou ladite somme appartient aux héritiers du donateur, nonobstant toute clause contraire.
Art. 4.170. Uitzondering voor de contractuele erfstellingen
  De artikelen 4.168 en 4.169 zijn niet van toepassing op de schenkingen waarvan sprake in de ondertitels 8 en 9.
Art. 4.170. Exception pour les institutions contractuelles
  Les articles 4.168 et 4.169 ne s'appliquent pas aux donations dont il est question aux sous-titres 8 et 9.
Art. 4.171. Voorbehoud van vruchtgebruik
  Het is de schenker geoorloofd zich het genot of het vruchtgebruik van de geschonken roerende of onroerende goederen voor te behouden, of daarover ten voordele van een ander te beschikken.
  Wanneer roerende goederen met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken zijn, moet de begiftigde, wanneer het vruchtgebruik eindigt, de geschonken goederen die in natura aanwezig zijn, nemen in de staat waarin zij zich bevinden. Hij heeft een vordering tegen de schenker of zijn erfgenamen uit hoofde van de niet aanwezige goederen ten belope van de waarde die daaraan in de staat van schatting is toegekend.
Art. 4.171. Réserve d'usufruit
  Il est permis au donateur de faire la réserve à son profit, ou de disposer au profit d'un autre, de la jouissance ou de l'usufruit des biens meubles ou immeubles donnés.
  Lorsque la donation de biens meubles est faite avec réserve d'usufruit, le donataire est tenu, à l'expiration de l'usufruit, de prendre les biens donnés qui se trouvent en nature, dans l'état où ils sont. Il a action contre le donateur ou ses héritiers, pour raison des objets non existants, jusqu'à concurrence de la valeur qui leur a été donnée dans l'état estimatif.
Art. 4.172. Conventioneel recht van terugkeer
  § 1. De schenker kan ten aanzien van de geschonken goederen het recht van terugkeer bedingen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde alleen, hetzij voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde en zijn afstammelingen.
  Dit recht kan alleen ten voordele van de schenker worden bedongen.
  § 2. Het recht van terugkeer heeft tot gevolg dat alle vervreemdingen van de geschonken goederen worden tenietgedaan en dat deze goederen tot de schenker terugkeren vrij van alle lasten en hypotheken.
Art. 4.172. Droit de retour conventionnel
  § 1er. Le donateur peut stipuler le droit de retour des biens donnés, soit pour le cas du prédécès du donataire seul, soit pour le cas du prédécès du donataire et de ses descendants.
  Ce droit ne peut être stipulé qu'au profit du donateur seul.
  § 2. L'effet du droit de retour est d'anéantir toutes les aliénations des biens donnés, et de faire revenir ces biens au donateur, libres de toutes charges et hypothèques.
Hoofdstuk 4. Ontbinding en herroeping van schenkingen
Chapitre 4. Résolution et révocation des donations
Art. 4.173. Oorzaken van ontbinding of van herroeping
  Een schenking kan worden ontbonden wegens niet uitvoering van de lasten waaronder zij gedaan is.
  Een schenking kan enkel worden herroepen wegens ondankbaarheid. De herroeping heeft nooit van rechtswege plaats.
Art. 4.173. Causes de résolution ou de révocation
  Une donation peut être résolue pour inexécution des charges sous lesquelles elle a été faite.
  Une donation ne peut être révoquée que pour cause d'ingratitude. La révocation n'a jamais lieu de plein droit.
Art. 4.174. Herroeping wegens ondankbaarheid
  § 1. Een schenking kan alleen in de volgende gevallen wegens ondankbaarheid worden herroepen:
  1° indien de begiftigde een aanslag op het leven van de schenker heeft gepleegd;
  2° indien hij zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen;
  3° indien hij weigert hem levensonderhoud te verschaffen.
  § 2. Schenkingen ten voordele van het huwelijk kunnen niet wegens ondankbaarheid worden herroepen.
Art. 4.174. Révocation pour cause d'ingratitude
  § 1er. La donation ne peut être révoquée pour cause d'ingratitude que dans les cas suivants:
  1° si le donataire a attenté à la vie du donateur;
  2° s'il s'est rendu coupable envers lui de sévices, délits ou injures graves;
  3° s'il lui refuse des aliments.
  § 2. Les donations en faveur du mariage ne sont pas révocables pour cause d'ingratitude.
Art. 4.175. Vordering tot herroeping wegens ondankbaarheid
  De eis tot herroeping wegens ondankbaarheid moet ingesteld worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf waarvan de schenker de begiftigde beschuldigt, of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn.
  De schenker kan de herroeping vorderen tegen de begiftigde, en, na zijn overlijden, tegen zijn erfgenamen.
  De erfgenamen van de schenker kunnen de herroeping enkel vorderen indien:
  1° de schenker de eis reeds had ingesteld;
  2° de schenker overleden is binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf of van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de schenker bekend kon zijn;
  3° de schenker overleden is zonder dat het misdrijf hem bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het overlijden, hetzij van de dag waarop het misdrijf hen bekend kon zijn, hetzij van de dag waarop de schenking hen bekend kon zijn.
Art. 4.175. Action en révocation pour cause d'ingratitude
  La demande en révocation pour cause d'ingratitude doit être formée dans l'année, à compter du jour du délit imputé par le donateur au donataire, ou du jour où le délit a pu être connu par le donateur.
  Le donateur peut demander la révocation contre le donataire, et, après le décès de celui-ci, contre ses héritiers.
  Les héritiers du donateur ne peuvent demander la révocation que si:
  1° le donateur avait déjà intenté l'action;
  2° le donateur est décédé dans l'année à compter soit du jour du délit, soit du jour où il a pu connaître le délit; les héritiers doivent alors intenter l'action dans l'année à compter soit du jour du délit, soit du jour où le donateur a pu connaître le délit;
  3° le donateur est décédé sans avoir pu connaître le délit; les héritiers doivent alors intenter l'action dans l'année à compter soit du jour du décès, soit du jour où ils ont pu connaître le délit, soit du jour où ils ont pu connaître la donation.
Art. 4.176. Gevolgen van de ontbinding of van de herroeping
  De ontbinding wegens niet-nakoming van de lasten en de herroeping wegens ondankbaarheid leiden tot het tenietgaan van de door de schenking gevestigde zakelijke rechten, met de gevolgen ten aanzien van derden zoals bepaald in artikel 3.17.
Art. 4.176. Effets de la résolution ou de la révocation
  La résolution pour inexécution des charges et la révocation pour cause d'ingratitude emportent l'anéantissement des droits réels accordés par la donation, avec les effets à l'égard des tiers prévus à l'article 3.17.
Art. 4.177. Kantmelding
  De eis tot ontbinding of tot herroeping van een onroerende schenking moet worden gekantmeld zoals bepaald in artikel 3.33, eerste lid, met de gevolgen zoals bepaald in artikel 3.34.
Art. 4.177. Mention marginale
  La demande tendant à la résolution ou à la révocation d'une donation immobilière doit faire l'objet d'une mention marginale comme il est prévu à l'article 3.33, alinéa 1er, avec les effets prévus à l'article 3.34.
Ondertitel 5. Testamenten
Sous-titre 5. Testaments
Hoofdstuk 1. Vormen van de testamenten
Chapitre 1er. Formes des testaments
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Section 1re. Dispositions générales
Art. 4.178. Geen verplichte woordkeuze
  Eenieder kan bij testament beschikken, hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, hetzij onder elke andere benaming die geschikt is om zijn wil te kennen te geven.
Art. 4.178. Pas de termes sacramentels
  Toute personne peut disposer par testament, soit sous le titre d'institution d'héritier, soit sous le titre de legs, soit sous toute autre dénomination propre à manifester sa volonté.
Art. 4.179. Verbod van conjunctief testament
  Een testament kan niet in een zelfde akte door twee of meer personen worden gemaakt, hetzij ten voordele van een derde, hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking.
Art. 4.179. Interdiction du testament conjonctif
  Un testament ne peut être fait dans le même acte par deux ou plusieurs personnes, soit au profit d'un tiers, soit à titre de disposition réciproque et mutuelle.
Art. 4.180. Toegelaten vormen
  Een testament kan eigenhandig, of bij notariële akte of in de vorm van het internationaal testament, worden gemaakt.
Art. 4.180. Formes autorisées
  Un testament peut être olographe, ou fait par acte notarié ou en la forme internationale.
Afdeling 2. Vormvereisten
Section 2. Exigences formelles
Art. 4.181. Eigenhandig testament
  Het eigenhandig testament is slechts geldig, indien het geheel met de hand van de testator geschreven, gedagtekend en ondertekend is. Het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.
Art. 4.181. Testament olographe
  Le testament olographe n'est valable que s'il est écrit en entier, daté et signé de la main du testateur. Il n'est assujetti à aucune autre forme.
Art. 4.182. Afgifte van het eigenhandig testament
  Een eigenhandig testament kan aan een notaris worden afgegeven, zelfs zonder dat een akte van bewaring wordt opgemaakt.
Art. 4.182. Remise du testament olographe
  Un testament olographe peut être remis à un notaire, même sans qu'un acte de dépôt soit dressé.
Art. 4.183. Notarieel testament
  § 1. Het notarieel testament is het testament dat [1 verleden wordt voor een notaris]1.
  § 2. Het notarieel testament wordt opgemaakt op papier overeenkomstig artikel 13 van de [1 wet van 16 maart 1803 op het notarisambt]1, volgens de door de testator uitgedrukte wil.
  Het testament wordt aan de testator voorgelezen, die bevestigt dat dit zijn laatste wil is. [1 ...]1
  Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.
  § 3. Dit testament moet door de testator worden getekend. Indien hij verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt in de akte uitdrukkelijke melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
  
Art. 4.183. Testament notarié
  § 1er. Le testament notarié est celui qui est reçu par un notaire [1 ...]1.
  § 2. Le testament notarié est établi sur support papier conformément à l'article 13 de la [1 loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat]1, selon les volontés exprimées par le testateur.
  Il en est donné lecture au testateur, qui confirme que telles sont ses dernières volontés. [1 ...]1
  Il est fait mention expresse du tout.
  § 3. Ce testament doit être signé par le testateur. S'il déclare qu'il ne sait ou ne peut signer, il est fait dans l'acte mention expresse de sa déclaration ainsi que de la cause qui l'empêche de signer.
  
Art. 4.184. Testament in internationale vorm
  Een testament in internationale vorm wordt opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 februari 1983 tot invoering van een testament in de internationale vorm en tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het testament.
Art. 4.184. Testament en la forme internationale
  Le testament à forme internationale est établi conformément aux dispositions de la loi du 2 février 1983 instituant un testament à forme internationale et modifiant diverses dispositions relatives au testament.
Art. 4.185. Verklaring betreffende het testament in internationale vorm
  Aan het testament in internationale vorm hecht de notaris een verklaring overeenkomstig de bepalingen van de wet waarvan sprake in artikel 4.184.
Art. 4.185. Attestation relative au testament en la forme internationale
  Le notaire joint au testament en la forme internationale une attestation conformément aux dispositions de la loi visée à l'article 4.184.
Afdeling 3. Bijzonder toegelaten testamentsvormen
Section 3. Formes de testaments exceptionnellement autorisées
Art. 4.186. Testamenten van militairen
  Testamenten van militairen en van personen in dienst bij het leger kunnen, in welk land ook, verleden worden voor een officier bekleed met de graad van majoor of voor iedere andere officier van een hogere graad, in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee officieren belast met de administratie van het personeel van de eenheid waartoe de betrokken militair of persoon behoort, of voor één van die officieren in tegenwoordigheid van twee getuigen.
  Zij kunnen, indien de testator ziek is of gewond, ook verleden worden voor de geneesheer die belast is met de medische steun van de eenheid waartoe de betrokken militair of persoon behoort, bijgestaan door de officier belast met de administratie van het personeel.
  Het eerste en het tweede lid zijn alleen van toepassing op hen die zich te velde, in kwartier, in garnizoen buiten het Belgisch grondgebied of in krijgsgevangenschap bij de vijand bevinden. Zij zijn niet van toepassing op hen die binnenslands in kwartier of in garnizoen zijn, behalve wanneer zij zich in een belegerde plaats bevinden, of in een vesting of een andere plaats waarvan de poorten gesloten zijn en waarmee het verkeer ten gevolge van de oorlog verbroken is.
  Deze testamenten worden nietig, zes maanden nadat de testator is teruggekeerd in een plaats waar het hem mogelijk is de gewone vormen in acht te nemen.
Art. 4.186. Testaments de militaires
  Les testaments des militaires et des personnes employées dans les armées peuvent, en quelque pays que ce soit, être reçus par un officier revêtu du grade de major, ou par tout autre officier d'un grade supérieur, en présence de deux témoins, ou par deux officiers chargés de l'administration du personnel de l'unité à laquelle appartient le militaire ou la personne concernée, ou par un de ces officiers en présence de deux témoins.
  Ils peuvent encore, si le testateur est malade ou blessé, être reçus par le médecin chargé de l'appui médical de l'unité à laquelle appartient le militaire ou la personne concernée, assisté de l'officier chargé de l'administration du personnel.
  Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent qu'en faveur de ceux qui sont en expédition militaire, ou en quartier, ou en garnison hors du territoire belge ou prisonniers chez l'ennemi. Elles ne s'appliquent pas à ceux qui sont en quartier ou en garnison dans l'intérieur, à moins qu'ils ne se trouvent dans une place assiégée ou dans une citadelle et autres lieux dont les portes sont fermées et les communications interrompues à cause de la guerre.
  Ces testaments deviennent nuls six mois après que le testateur est revenu dans un lieu où il a la liberté d'employer les formes ordinaires.
Art. 4.187. Testamenten op plaatsen die door besmetting ontoegankelijk zijn
  Testamenten gemaakt in een plaats waarmee alle verkeer verbroken is ten gevolge van een besmettelijke ziekte, kunnen worden gemaakt voor de vrederechter, of voor een van de ambtenaren van de burgerlijke stand in die gemeente, in tegenwoordigheid van twee getuigen.
  Dit geldt zowel ten opzichte van hen die door die ziekten zijn aangetast, als ten opzichte van hen die zich in de besmette plaats bevinden, ook al zijn zij op dat ogenblik niet aangetast.
  Deze testamenten worden waardeloos, zes maanden nadat het verkeer hersteld is met de plaats waar de testator zich bevindt, of zes maanden nadat hij in een plaats gekomen is, waarmee het verkeer niet verbroken is.
Art. 4.187. Testaments dans un lieu inaccessible pour cause de contagion
  Les testaments faits dans un lieu avec lequel toute communication est interceptée à cause d'une maladie contagieuse, peuvent être faits devant le juge de paix, ou devant l'un des officiers de l'état civil de la commune, en présence de deux témoins.
  Cette disposition est applicable, tant à l'égard de ceux qui sont atteints par ces maladies, que de ceux qui sont dans les lieux qui en sont infectés, même s'ils ne sont pas actuellement malades.
  Ces testaments deviennent nuls six mois après que les communications ont été rétablies dans le lieu où le testateur se trouve, ou six mois après qu'il est passé dans un lieu où elles ne sont pas interrompues.
Art. 4.188. Testamenten op zee
  § 1. Testamenten gemaakt op zee, gedurende de loop van een reis, kunnen worden verleden:
  1° aan boord van een Belgisch oorlogsschip, Belgisch gezagsschip of een Belgisch overheidsschip: door de gezagvoerder of, bij gebreke van deze gezagvoerder, door de officier die hem volgens de dienstregeling vervangt, steeds samen met een andere officier aan boord;
  2° aan boord van een Belgisch zeeschip: door de kapitein of, bij gebreke van deze kapitein, door degene die hem volgens de dienstregeling vervangt, steeds samen met een andere officier aan boord.
  § 2. Het testament van de gezagvoerder aan boord van een Belgisch oorlogschip, Belgisch gezagsschip of een Belgisch overheidschip, of dat van de kapitein aan boord van een Belgisch zeeschip, kan worden verleden door hen die volgens de dienstregeling na hen komen, met inachtneming voor het overige, van de bepalingen van paragraaf 1.
  § 3. In ieder geval moeten die testamenten worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen, en wordt het origineel ervan steeds in tweevoud opgemaakt.
  § 4. Wanneer het schip een vreemde haven aanloopt, waar zich een consul van België bevindt, moeten degenen voor wie het testament verleden is, een van beide originelen, gesloten of verzegeld, bij die consul in bewaring stellen. Deze zal het doen toekomen aan de minister bevoegd voor Maritieme mobiliteit, die het zal doen neerleggen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de testator.
  § 5. Bij de terugkeer van het schip in België moeten beide originelen van het testament, eveneens gesloten en verzegeld, of het origineel dat overblijft, indien het andere, overeenkomstig paragraaf 4, gedurende de reis in bewaring is gegeven, op het kantoor van de scheepvaartcontrole afgegeven worden. Dit kantoor zal de originelen zonder verwijl doen toekomen aan de minister bevoegd voor Maritieme Mobiliteit, die de neerlegging daarvan zal bevelen, zoals in paragraaf 4 bepaald is.
  § 6. Op het scheepsdagboek wordt, naast de naam van de testator, op de kant vermeld dat de originelen van het testament zijn afgegeven hetzij in handen van een consulaire ambtenaar, hetzij op het kantoor van de scheepvaartcontrole.
  § 7. Een testament wordt niet beschouwd als gemaakt op zee, hoewel het in de loop van de reis gemaakt is, indien het schip, ten tijde dat het testament verleden is, een vreemd land heeft aangelopen, waar zich een Belgisch consulaire ambtenaar met notariële bevoegdheid bevond. In dat geval is het slechts geldig voor zover het is opgemaakt overeenkomstig de vormen die in België zijn voorgeschreven of overeenkomstig de vormen die gebruikelijk zijn in het land waar het gemaakt is.
  § 8. Een testament gemaakt op zee, in de vorm zoals in de paragrafen 1 en 3 voorgeschreven, is slechts geldig voor zover de testator sterft hetzij op zee, hetzij binnen drie maanden nadat hij is ontscheept, en in een plaats waar hij het testament in de gewone vorm opnieuw heeft kunnen maken.
  § 9. Een testament gemaakt op zee mag geen beschikking bevatten ten voordele van de officieren van het schip, tenzij ze verwanten van de testator zijn.
  § 10. De paragrafen 1 tot 9 zijn van toepassing zowel op testamenten gemaakt door schepelingen als op testamenten gemaakt door passagiers.
Art. 4.188. Testaments en mer
  § 1er. Les testaments faits sur mer, dans le cours d'un voyage, peuvent être reçus:
  1° à bord d'un navire de guerre belge, d'un navire de souveraineté belge ou d'un navire public belge par le commandant, ou, à son défaut, par l'officier qui le supplée dans l'ordre de service, l'un ou l'autre conjointement avec un autre officier à bord;
  2° à bord d'un navire de mer belge, par le capitaine, ou, à défaut de ce capitaine, par l'officier qui le supplée dans l'ordre de service, l'un ou l'autre conjointement avec un autre officier à bord.
  § 2. Le testament du commandant à bord d'un navire de guerre belge, d'un navire de souveraineté belge ou d'un navire public belge, ou du capitaine à bord d'un navire de mer belge, peut être reçu par ceux qui viennent après eux dans l'ordre du service, en se conformant pour le surplus aux dispositions du paragraphe 1er.
  § 3. Dans tous les cas, ces testaments doivent être reçus en présence de deux témoins, et il en est fait un double original.
  § 4. Si le navire aborde dans un port étranger dans lequel se trouve un consul de Belgique, ceux qui auront reçu le testament sont tenus de déposer l'un des originaux, clos ou cacheté, entre les mains du consul, qui le fait parvenir au ministre qui a la Mobilité maritime dans ses attributions. Celui-ci le dépose au greffe du tribunal de première instance du lieu du domicile du testateur.
  § 5. Au retour du navire en Belgique, les deux originaux du testament, également clos et cachetés, ou l'original qui resterait, si, conformément au paragraphe 4, l'autre a été déposé pendant le cours du voyage, sont remis au bureau du Contrôle de la navigation. Ce bureau les transmet sans délai au ministre qui à la Mobilité maritime dans ses attributions qui en ordonne le dépôt, ainsi qu'il est prévu au même paragraphe 4.
  § 6. Il est fait mention sur le journal de bord, à la marge, du nom du testateur, de la remise qui a été faite des originaux du testament, soit entre les mains d'un agent consulaire, soit au bureau de Contrôle de la navigation.
  § 7. Le testament n'est pas réputé fait en mer, quoiqu'il l'ait été dans le cours du voyage, si, lorsqu'il a été fait, le navire a abordé une terre étrangère où il y a un agent consulaire belge ayant la compétence notariale. Dans ce cas, il n'est valable que pour autant qu'il a été dressé suivant les formes prescrites en Belgique, ou suivant celles usitées dans les pays où il a été fait.
  § 8. Le testament fait en mer, en la forme prescrite par les paragraphes 1er et 3, n'est valable que si le testateur meurt en mer, ou dans les trois mois après qu'il a débarqué et dans un lieu où il a pu le refaire dans les formes ordinaires.
  § 9. Le testament fait en mer ne peut contenir aucune disposition au profit des officiers du navire, sauf s'ils sont parents du testateur.
  § 10. Les paragraphes 1er à 9 s'appliquent tant aux testaments des membres de l'équipage qu'à ceux des passagers.
Art. 4.189. Bepaling gemeen aan alle bijzondere testamentsvormen
  De testamenten in deze afdeling vermeld, worden ondertekend door de testator en door hen voor wie zij worden verleden.
  Indien de testator verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
  In de gevallen waarin de tegenwoordigheid van twee getuigen vereist is, wordt het testament ten minste door een van beiden ondertekend, en wordt melding gemaakt van de reden waarom de andere niet getekend heeft.
Art. 4.189. Disposition commune à tous les testaments particuliers
  Les testaments compris dans la présente section, sont signés par les testateurs et par ceux qui les ont reçus.
  Si le testateur déclare qu'il ne sait ou ne peut signer, il est fait mention de sa déclaration, ainsi que de la cause qui l'empêche de signer.
  Dans les cas où la présence de deux témoins est requise, le testament est signé au moins par l'un d'eux, et il est fait mention de la cause pour laquelle l'autre n'a pas signé.
Afdeling 4. Sanctionering
Section 4. Sanction
Art. 4.190. Sanctie bij niet naleving van de vormvereisten
  De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.
  De nietigheid van het notarieel testament laat zijn eventuele geldigheid wat de vorm betreft, als een internationaal testament, onverkort.
  De nietigheid van het testament als testament in internationale vorm laat zijn eventuele geldigheid wat de vorm betreft, als een testament van een andere soort, onverkort.
Art. 4.190. Sanction en cas de non-respect des formes imposées
  Les formalités auxquelles les divers testaments sont assujettis par les dispositions du présent chapitre, doivent être observées à peine de nullité.
  La nullité du testament notarié n'affecte pas sa validité éventuelle quant à la forme en tant que testament en la forme internationale.
  La nullité du testament en la forme internationale n'affecte pas sa validité éventuelle quant à la forme en tant que testament d'une autre espèce.
Afdeling 5. Formaliteiten na overlijden
Section 5. Formalités après le décès
Art. 4.191. Formaliteiten voor het eigenhandig en het internationaal testament
  Wanneer een nalatenschap is opengevallen waarvoor een eigenhandig testament of een testament in de internationale vorm werd gemaakt, worden de volgende formaliteiten nageleefd:
  1° ieder eigenhandig testament wordt, voordat het wordt ten uitvoer gelegd, aangeboden aan een notaris.
  De notaris opent het testament indien het verzegeld is, en maakt een proces-verbaal op van de opening en van de staat waarin het testament zich bevindt.
  De notaris rangschikt dit testament samen met dit proces-verbaal onder zijn minuten;
  2° in het geval van het testament in internationale vorm maakt de notaris, bij wie het testament in bewaring werd gegeven, een proces-verbaal van de opening en van de staat van het testament op.
  De notaris rangschikt het testament in internationale vorm samen met dit proces-verbaal onder zijn minuten;
  3° deze regels zijn ook toepasselijk ten opzichte van de Belgische consulaire ambtenaren met notariële bevoegdheid, onder de voorwaarden die de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie bepalen.
Art. 4.191. Formalités pour le testament olographe ou international
  Lorsque s'ouvre une succession pour laquelle un testament olographe ou un testament en la forme internationale a été fait, les formalités suivantes doivent être appliquées:
  1° tout testament olographe est, avant d'être mis à exécution, présenté à un notaire.
  Le notaire ouvre le testament, s'il est scellé, et établit un procès-verbal de l'ouverture et de l'état dans lequel se trouve le testament.
  Le notaire range ce testament, de même que le procès-verbal parmi ses minutes;
  2° dans le cas du testament en la forme internationale, le notaire auquel le testament a été remis établit le procès-verbal de l'ouverture et de l'état du testament.
  Le notaire range le testament en la forme internationale, avec ledit procès-verbal, parmi ses minutes;
  3° les dispositions qui précèdent sont également applicables aux agents consulaires belges ayant la compétence notariale dans les conditions déterminées par les ministres des Affaires étrangères et de la Justice.
Hoofdstuk 2. Legaten
Chapitre 2. Legs
Afdeling 1. Algemene bepaling
Section 1re. Disposition générale
Art. 4.192. Uiterste wilsbeschikkingen
  Uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel.
  De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels hierna vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten.
Art. 4.192. Dispositions de dernière volonté
  Les dispositions testamentaires sont ou universelles, ou à titre universel, ou à titre particulier.
  Chacune de ces dispositions, soit qu'elle ait été faite sous la dénomination d'institution d'héritier, soit qu'elle ait été faite sous la dénomination de legs, produit son effet suivant les règles ci-après établies pour les legs universels, pour les legs à titre universel, et pour les legs particuliers.
Afdeling 2. Algemeen legaat
Section 2. Legs universel
Art. 4.193. Definitie van het algemeen legaat
  Een algemeen legaat is de uiterste wilsbeschikking waarbij de testator aan een of meer personen de algemeenheid van de goederen legateert die hij bij zijn overlijden zal nalaten.
Art. 4.193. Définition du legs universel
  Le legs universel est la disposition testamentaire par laquelle le testateur lègue à une ou plusieurs personnes l'universalité des biens qu'il laissera à son décès.
Art. 4.194. Bezit en genot
  § 1. Wanneer reservataire erfgenamen tot de nalatenschap komen treden zij, door het overlijden van de testator, van rechtswege in het bezit van alle goederen van de nalatenschap. De algemene legataris moet hun de afgifte van de in het testament begrepen goederen vragen.
  De algemene legataris heeft in dat geval evenwel het genot van de in het testament begrepen goederen, te rekenen van de dag van het overlijden, indien de vordering tot afgifte is ingesteld binnen het jaar na dit tijdstip. Indien hij dit niet binnen die termijn gedaan heeft, vangt zijn genot eerst aan op de dag waarop de rechtsvordering is ingesteld of waarop de afgifte vrijwillig is toegestaan.
  § 2. Wanneer geen reservataire erfgenamen tot de nalatenschap komen, treedt de algemene legataris, door het overlijden van de testator, van rechtswege in het bezit, zonder de afgifte te moeten vragen, indien hij bij notarieel testament is aangeduid.
  Indien, in dat geval, hij bij eigenhandig testament of testament in internationale vorm is aangeduid, moet de algemene legataris zich in het bezit doen stellen door een beschikking van de familierechtbank van het arrondissement waar de nalatenschap is opengevallen.
  Als bijlage bij het verzoekschrift wordt een uitgifte van het proces-verbaal bedoeld in artikel 4.191 met een gewaarmerkte kopie van het testament neergelegd, alsook, in geval van een testament in internationale vorm, van de verklaring bedoeld in artikel 4.185.
Art. 4.194. Possession et jouissance
  § 1er. Lorsqu'au décès du testateur il y a des héritiers réservataires, ceux-ci sont saisis de plein droit, par son décès, de tous les biens de la succession. Le légataire universel est tenu de leur demander la délivrance des biens compris dans le testament.
  Néanmoins, dans ce cas, le légataire universel a la jouissance des biens compris dans le testament, à compter du jour du décès, si la demande en délivrance a été faite dans l'année depuis cette époque. S'il ne l'a pas faite dans ce délai, sa jouissance ne commencera que du jour de la demande formée en justice, ou du jour où la délivrance aurait été volontairement consentie.
  § 2. Lorsqu'au décès du testateur il n'y a pas d'héritiers réservataires, le légataire universel est saisi de plein droit par le décès du testateur, sans être tenu de demander la délivrance, s'il a été désigné par un testament notarié.
  Si, dans ce cas, le testament est olographe ou en la forme internationale, le légataire universel est tenu de se faire envoyer en possession, par une ordonnance du tribunal de la famille de l'arrondissement dans lequel la succession s'est ouverte.
  Est déposée en annexe à la requête, une expédition du procès-verbal visé à l'article 4.191 avec une copie certifiée conforme du testament ainsi que, dans le cas d'un testament en la forme internationale, de l'attestation visée à l'article 4.185.
Afdeling 3. Legaat onder algemene titel
Section 3. Legs à titre universel
Art. 4.195. Définitie van het legaat onder algemene titel
  Een legaat onder algemene titel is dat waarbij de testator een breukdeel vermaakt van de goederen die hij zal nalaten, zoals de helft, een derde, of al zijn onroerende goederen, of al zijn roerende goederen, of een bepaald breukdeel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.
Art. 4.195. Définition du legs à titre universel
  Le legs à titre universel est celui par lequel le testateur lègue une quote-part des biens qu'il laissera à son décès, telle qu'une moitié, un tiers, ou tous ses biens immeubles, ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles.
Art. 4.196. Afgifte
  De legatarissen onder algemene titel moeten de afgifte vragen aan de reservataire erfgenamen; bij gebreke van reservataire erfgenamen, aan de algemene legatarissen; en bij gebreke van algemene legatarissen, aan de erfgenamen die tot de nalatenschap geroepen zijn, in de volgorde bepaald in titel 1.
Art. 4.196. Délivrance
  Les légataires à titre universel sont tenus de demander la délivrance aux héritiers réservataires; à leur défaut, aux légataires universels; et à défaut de ceux-ci, aux héritiers appelés dans l'ordre établi au titre 1er.
Afdeling 4. Gemeenschappelijke bepalingen voor legaten met een algemene roeping of met een roeping onder algemene titel
Section 4. Dispositions communes aux legs à vocation universelle ou à titre universel
Art. 4.197. Erfkeuze
  Algemene legatarissen en legatarissen onder algemene titel zijn niet gehouden het hun vermaakte legaat te aanvaarden. Ze kunnen het zuiver, of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden, of het verwerpen.
  De bepalingen van ondertitel 6 van titel 1 zijn op hun erfkeuze van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 4.45.
Art. 4.197. Option héréditaire
  Les légataires universels et les légataires à titre universel ne sont pas tenus d'accepter le legs qui leur est fait. Ils peuvent l'accepter, purement et simplement, ou sous bénéfice d'inventaire, ou y renoncer.
  Les dispositions du sous-titre 6 du titre 1er relatives à l'option héréditaire leur sont applicables par analogie, sauf l'article 4.45.
Art. 4.198. Verdeling
  Algemene legatarissen en legatarissen onder algemene titel die hun legaat hebben aanvaard, hetzij zuiver hetzij onder voorrecht van boedelbeschrijving, worden deelgenoten van de nalatenschap.
  De bepalingen van titel 1, ondertitel 8, hoofdstuk 2, afdeling 1, die betrekking hebben op de inbreng van giften, zijn op hen slechts van toepassing in zoverre ze ook de hoedanigheid van een door de wet aangeduide erfgenaam hebben.
Art. 4.198. Partage
  Les légataires universels et les légataires à titre universel qui ont accepté leur legs, purement et simplement ou sous bénéfice d'inventaire, sont copartageants dans la succession.
  Les dispositions du titre 1er, sous-titre 8, chapitre 2, section 1re, relatives au rapport des libéralités, ne leur sont cependant applicables que pour autant qu'ils aient aussi la qualité d'héritier désigné par la loi.
Art. 4.199. Schulden van de nalatenschap
  Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.200, zijn de bepalingen van titel 1, ondertitel 8, hoofdstuk 3, op algemene legatarissen en legatarissen onder algemene titel van toepassing, net zoals op de door de wet aangeduide erfgenamen.
Art. 4.199. Dettes de la succession
  Sous réserve de l'article 4.200, les dispositions du titre 1er, sous-titre 8, chapitre 3, s'appliquent aux légataires universels et aux légataires à titre universel, comme aux héritiers désignés par la loi.
Art. 4.200. Uitkering van legaten
  Ook als hij samen met reservataire erfgenamen tot de nalatenschap komt is de algemene legataris verplicht alle legaten uit te keren, voor zover ze niet ingekort moeten worden.
  De legataris onder algemene titel is slechts gehouden tot het uitkeren van de bijzondere legaten, naar evenredigheid van zijn aandeel in het beschikbaar deel van de nalatenschap.
Art. 4.200. Délivrance des legs
  Même s'il est en concours avec un héritier réservataire, le légataire universel est tenu d'acquitter tous les legs, pour autant qu'ils ne doivent pas être réduits.
  Le légataire à titre universel n'est tenu d'acquitter les legs particuliers qu'en proportion de sa part dans la quotité disponible de la succession.
Afdeling 5. Bijzondere legaten
Section 5. Legs particuliers
Art. 4.201. Definitie van het bijzonder legaat
  Een bijzonder legaat of legaat onder bijzondere titel, is elk legaat dat niet de algemeenheid van de goederen van de testator betreft, en evenmin een breukdeel van de goederen van de testator, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een breukdeel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.
Art. 4.201. Définition du legs particulier
  Le legs particulier ou legs à titre particulier est tout legs qui ne porte pas sur l'universalité des biens du testateur, et n'a pas trait à une quote-part des biens que le testateur laissera à son décès ou tous ses biens immeubles, ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles.
Art. 4.202. Eigendom, bezit en genot
  § 1. Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de testator, een recht op het gelegateerd goed. Dat recht gaat op zijn erfgenamen over.
  § 2. Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van het gelegateerde goed, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 4.196 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.
  § 3. De interesten of vruchten van het gelegateerde goed lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld:
  1° wanneer de testator zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;
  2° wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.
Art. 4.202. Propriété, possession et jouissance
  § 1er. Tout legs pur et simple donne au légataire, du jour du décès du testateur, un droit au bien légué. Ce droit est transmissible à ses héritiers.
  § 2. Néanmoins le légataire particulier ne peut se mettre en possession du bien légué, ni en prétendre les fruits ou intérêts, qu'à compter du jour de sa demande en délivrance, formée suivant l'ordre établi par l'article 4.196, ou du jour auquel cette délivrance lui a été volontairement consentie.
  § 3. Les intérêts ou fruits du bien légué courent au profit du légataire, dès le jour du décès, et sans qu'il ait formé sa demande en justice:
  1° lorsque le testateur a expressément déclaré sa volonté, a cet égard, dans le testament;
  2° lorsqu'une rente viagère ou une pension a été léguée à titre d'aliments.
Art. 4.203. Uitkering van het bijzonder legaat
  De erfgenamen van de testator of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren ervan, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel in de nalatenschap.
  Zij zijn er hypothecair voor het geheel toe gehouden, ten belope van de waarde van de onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.
Art. 4.203. Délivrance du legs particulier
  Les héritiers du testateur, ou autres débiteurs d'un legs, sont personnellement tenus de l'acquitter, chacun au prorata de sa part dans la succession.
  Ils en sont tenus hypothécairement pour le tout, à concurrence de la valeur des immeubles de la succession dont ils sont détenteurs.
Art. 4.204. Modaliteiten van deze uitkering
  § 1. Het gelegateerd goed wordt geleverd met de accessoria ervan, en in de staat waarin het zich op de dag van het overlijden van de testator bevindt.
  § 2. Indien, voor het testament of daarna, op het gelegateerd goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de testator hiermee belast is.
  § 3. Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed gelegateerd heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het later verkregen goed, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.
  Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het gelegateerde erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de testator de omheining vergroot.
  § 4. Wanneer het legaat in een niet gespecificeerd soortgoed bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven. Hij mag echter evenmin de slechtste aanbieden.
Art. 4.204. Modalités de cette délivrance
  § 1er. Le bien légué est délivré avec ses accessoires, et dans l'état où il se trouve au jour du décès du testateur.
  § 2. Si, avant le testament ou depuis, le bien légué a été hypothéqué pour une dette de la succession, ou même pour la dette d'un tiers, ou s'il est grevé d'un usufruit, celui qui doit acquitter le legs n'est pas tenu de le dégager, à moins qu'il n'ait été chargé de le faire par une disposition expresse du testateur.
  § 3. Lorsque celui qui a légué la propriété d'un immeuble, l'a ensuite augmentée par des acquisitions, ces acquisitions, fussent-elles contiguës, ne seront pas censées, sans une nouvelle disposition, faire partie du legs.
  Il en est autrement des embellissements, ou des constructions nouvelles faites sur le fonds légué, ou d'un enclos dont le testateur aurait augmenté l'enceinte.
  § 4. Lorsque le legs est d'une chose de genre non spécifiée, l'héritier n'est pas obligé de la donner de la meilleure qualité. Il ne peut davantage l'offrir de la plus mauvaise.
Art. 4.205. Kosten van afgifte
  De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van de reserve kan volgen.
  De erfbelasting is door de legataris verschuldigd.
  Dit alles voor zover de testator hierover niet anders heeft beschikt.
Art. 4.205. Frais de délivrance
  Les frais de la demande en délivrance sont à la charge de la succession, sans néanmoins qu'il puisse en résulter de réduction de la réserve.
  L'impôt successoral est dû par le légataire.
  Le tout, pour autant que le testateur n'en ait pas disposé autrement dans son testament.
Art. 4.206. Schulden en lasten van de nalatenschap
  De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, maar hij moet, in voorkomend geval, de inkorting van zijn legaat ondergaan, evenals de hypothecaire vordering op het gelegateerde onroerend goed.
  De bijzondere legataris die de schuld heeft gekweten waarmee het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt, tegenover de erfgenamen, de algemene legatarissen en de legatarissen onder algemene titel, in de rechten van de schuldeiser.
Art. 4.206. Dettes et charges de la succession
  Le légataire à titre particulier n'est pas tenu des dettes et charges de la succession, mais il doit, le cas échéant, subir la réduction de son legs ainsi que l'action hypothécaire des créanciers sur le bien immobilier légué.
  Le légataire particulier qui a acquitté la dette dont l'immeuble légué était grevé est subrogé aux droits du créancier contre les héritiers, légataires universels et légataires à titre universel.
Afdeling 6. Bijzondere bepalingen inzake legaten
Section 6. Dispositions particulières concernant les legs
Art. 4.207. Legaat van andermans goed
  Wanneer de testator andermans goed heeft gelegateerd, is het legaat nietig, ongeacht of de testator al dan niet geweten heeft dat het goed hem niet toebehoorde.
Art. 4.207. Legs du bien d'autrui
  Lorsque le testateur a légué le bien d'autrui, le legs est nul, que le testateur ait su ou non qu'il ne lui appartenait pas.
Art. 4.208. Legaat aan een schuldeiser
  Een legaat aan een schuldeiser wordt niet geacht gemaakt te zijn tot voldoening van zijn schuldvordering.
Art. 4.208. Legs au profit d'un créancier
  Le legs fait au créancier n'est pas censé avoir été fait en compensation de sa créance.
Art. 4.209. Legaat onder tijdsbepaling of onder voorwaarde
  De tijdsbepaling die, volgens de bedoeling van de testator, alleen de uitvoering van de beschikking opschort, belet niet dat de legataris een verkregen recht bezit, dat op zijn erfgenamen overgaat.
  Indien het legaat onder een opschortende voorwaarde is gemaakt, en de legataris voor de vervulling van de voorwaarde overlijdt, vervalt de beschikking.
Art. 4.209. Legs à terme ou conditionnel
  Le terme qui, dans l'intention du testateur, ne fait que suspendre l'exécution de la disposition, n'empêche pas le légataire, d'avoir un droit acquis et transmissible à ses héritiers.
  Si le legs est fait sous une condition suspensive et que le légataire décède avant l'accomplissement de la condition, la disposition sera caduque.
Art. 4.210. Aanwas tussen legatarissen
  Aanwas heeft plaats ten voordele van de legatarissen, ingeval een legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is.
  Een legaat wordt geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de testator het aandeel van ieder van de mede-legatarissen in het gelegateerde goed niet heeft bepaald.
  Een legaat wordt eveneens geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer een goed dat niet verdeeld kan worden zonder schade te lijden, bij hetzelfde testament aan verscheidene personen, zelfs afzonderlijk, is gelegateerd.
Art. 4.210. Accroissement entre légataires
  Il y a lieu à accroissement au profit des légataires, dans le cas où le legs est fait à plusieurs personnes conjointement.
  Le legs est réputé fait conjointement, lorsqu'il l'est par une seule et même disposition, et que le testateur n'a pas assigné la part de chacun des colégataires dans le bien légué.
  Il est également réputé fait conjointement, quand un bien qui n'est pas susceptible d'être divisé sans détérioration, a été légué par le même testament à plusieurs personnes, même séparément.
Afdeling 7. Testamentuitvoerder
Section 7. Exécuteur testamentaire
Art. 4.211. Aanstelling van de testamentuitvoerder
  De testator kan een of meer testamentuitvoerders aanstellen.
  Hij die geen verbintenis kan aangaan, mag geen testamentuitvoerder zijn.
  Een minderjarige mag, zelfs met machtiging van zijn voogd of curator, geen testamentuitvoerder zijn.
Art. 4.211. Désignation de l'exécuteur testamentaire
  Le testateur peut nommer un ou plusieurs exécuteurs testamentaires.
  Celui qui ne peut s'obliger, ne peut pas être exécuteur testamentaire.
  Un mineur ne peut pas être exécuteur testamentaire, même avec l'autorisation de son tuteur ou curateur.
Art. 4.212. Bezit
  § 1. De testator kan de testamentuitvoerder het bezit verlenen van al zijn roerende goederen of slechts van een gedeelte daarvan. Dit bezit kan echter niet langer duren dan jaar en dag te rekenen van zijn overlijden.
  Indien hij hem dit bezit niet verleend heeft, kan de testamentuitvoerder het niet eisen.
  § 2. De erfgenaam kan het bezit doen ophouden, voor zover hij aanbiedt aan de testamentuitvoerder een som ter hand te stellen die voldoende is om de roerende legaten uit te keren, of voor zover hij bewijst dat deze legaten reeds zijn uitgekeerd.
Art. 4.212. Saisine
  § 1er. Le testateur peut donner à l'exécuteur testamentaire la saisine de tout, ou seulement d'une partie de son mobilier. Mais cette saisine ne peut durer au-delà d'un an et un jour à compter de son décès.
  S'il ne la lui a pas donnée, l'exécuteur testamentaire ne peut l'exiger.
  § 2. L'héritier peut faire cesser la saisine, en offrant de remettre à l'exécuteur testamentaire une somme suffisante pour le paiement des legs de biens meubles, ou en justifiant de ce paiement.
Art. 4.213. Opdracht en bevoegdheden van de testamentuitvoerder
  § 1. De testamentuitvoerder doet de nalatenschap verzegelen, indien onder de erfgenamen minderjarigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam zijn verklaard om de nalatenschap te aanvaarden, of vermoedelijk afwezige erfgenamen zijn.
  Hij doet, in tegenwoordigheid van de vermoedelijke erfgenaam, of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de goederen van de nalatenschap opmaken.
  Hij doet de roerende goederen verkopen, indien het vereiste geld om de legaten uit te keren niet voorhanden is.
  Hij draagt zorg dat het testament wordt uitgevoerd. Hij kan, in geval van geschil omtrent de uitvoering van het testament, tussenkomen om de geldigheid ervan staande te houden.
  Hij moet, na verloop van een jaar sinds het overlijden van de testator, rekening en verantwoording afleggen van zijn beheer.
  § 2. De bevoegdheden van de testamentuitvoerder gaan niet over op zijn erfgenamen.
  § 3. Indien er verscheidene testamentuitvoerders zijn, kan een van hen, bij gebreke van de anderen, alleen handelen. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de roerende goederen die hun zijn toevertrouwd, tenzij de testator hun werkzaamheden heeft verdeeld en ieder van hen zich tot de hem opgedragen taak heeft beperkt.
Art. 4.213. Mission et pouvoirs de l'exécuteur testamentaire
  § 1er. L'exécuteur testamentaire fait apposer les scellés, s'il y a des héritiers mineurs, des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, ont été déclarées incapables d'accepter la succession, ou des héritiers présumés absents.
  Il fait faire, en présence de l'héritier présomptif, ou celui-ci dûment appelé, l'inventaire des biens de la succession.
  Il provoque la vente du mobilier, à défaut de numéraire suffisant pour acquitter les legs.
  Il veille à ce que le testament soit exécuté. Il peut, en cas de contestation sur son exécution, intervenir pour en soutenir la validité.
  Il doit, à l'expiration de l'année du décès du testateur, rendre compte de sa gestion.
  § 2. Les pouvoirs de l'exécuteur testamentaire ne passent pas à ses héritiers.
  § 3. S'il y a plusieurs exécuteurs testamentaires qui ont accepté, un seul peut agir à défaut des autres. Ils sont solidairement responsables du compte des biens meubles qui leur ont été confiés, à moins que le testateur n'ait divisé leurs fonctions, et que chacun d'eux se soit limité à celle qui lui était attribuée.
Art. 4.214. Kosten
  De kosten door de testamentuitvoerder gemaakt voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, alsook de verdere uitgaven in verband met zijn werkzaamheden, komen ten laste van de nalatenschap.
Art. 4.214. Frais
  Les frais faits par l'exécuteur testamentaire pour l'apposition des scellés, l'inventaire, le compte et les autres frais relatifs à ses fonctions, sont à la charge de la succession.
Afdeling 8. Herroeping en verval van testamenten
Section 8. Révocation et caducité des testaments
Art. 4.215. Vormvereisten voor de herroeping door de testator
  Testamenten kunnen noch in hun geheel noch ten dele herroepen worden dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil wordt te kennen gegeven.
Art. 4.215. Formalités pour la révocation par le testateur
  Les testaments ne peuvent être révoqués, en tout ou en partie, que par un testament postérieur, ou par un acte devant notaire, portant déclaration du changement de volonté.
Art. 4.216. Herroeping door een later testament
  Latere testamenten die de vroegere niet uitdrukkelijk herroepen, vernietigen in deze testamenten alleen de beschikkingen die met de nieuwe onverenigbaar of strijdig zijn.
  De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft dit nieuw testament onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de legataris, of wegens zijn weigering om te aanvaarden.
Art. 4.216. Révocation par un testament postérieur
  Les testaments postérieurs qui ne révoquent pas d'une manière expresse les précédents, n'annulent, dans ceux-ci, que celles des dispositions y contenues qui se trouvent incompatibles avec les nouvelles, ou qui sont contraires.
  La révocation faite dans un testament postérieur a tout son effet, même si ce nouveau testament reste sans exécution en raison de l'incapacité du légataire, ou en raison de son refus de recueillir.
Art. 4.217. Herroeping door vervreemding van het gelegateerde goed
  Wanneer de testator het gelegateerde goed geheel of ten dele vervreemdt, zelfs door verkoop met beding van wederinkoop, of door ruil, heeft zulks altijd herroeping van het legaat ten gevolge, ten aanzien van alles wat vervreemd is, zelfs indien de latere vervreemding nietig is en het goed in handen van de testator is teruggekeerd.
Art. 4.217. Révocation par aliénation du bien légué
  Toute aliénation, même celle par vente avec faculté de rachat ou par échange, que le testateur fait de tout ou de partie du bien légué, emporte la révocation du legs pour tout ce qui a été aliéné, même si l'aliénation postérieure est nulle, et que le bien est rentré aux mains du testateur.
Art. 4.218. Niet-nakoming of ondankbaarheid
  § 1. De gronden waarop, volgens artikel 4.173 et artikel 4.174, § 1, 1° en 2°, de ontbinding of de herroeping van een schenking kan worden gevorderd, gelden ook voor de eis tot ontbinding of herroeping van testamentaire beschikkingen.
  § 2. De erfgenamen kunnen de herroeping wegens ondankbaarheid enkel vorderen indien:
  1° de testator overleden is binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de testator bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de testator bekend kon zijn;
  2° de testator overleden is zonder dat het misdrijf hem bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het overlijden, hetzij van de dag waarop het misdrijf hen bekend kon zijn, hetzij van de dag waarop het legaat hen bekend kon zijn.
  § 3. Indien deze eis steunt op een grove belediging de nagedachtenis van de testator aangedaan, moet hij worden ingesteld binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf of van de dag waarop het misdrijf de erfgenamen bekend kon zijn.
Art. 4.218. Inexécution ou ingratitude
  § 1er. Les mêmes causes qui, suivant l'article 4.173 et l'article 4.174, § 1er, 1° et 2°, autorisent la demande en résolution ou en révocation de la donation, sont admises pour la demande en résolution ou en révocation des dispositions testamentaires.
  § 2. Les héritiers ne peuvent demander la révocation pour cause d'ingratitude que si:
  1° le testateur est décédé dans l'année à compter soit du jour du délit, soit du jour où il a pu connaître le délit; les héritiers doivent alors intenter l'action dans l'année à compter soit du jour du délit, soit du jour où le testateur a pu connaître le délit;
  2° le testateur est décédé sans qu'il ait pu connaître le délit; les héritiers doivent alors intenter l'action dans l'année à compter soit du jour du décès, soit du jour où ils ont pu connaître le délit, soit du jour où ils ont pu connaître le legs.
  § 3. Si cette demande est fondée sur une injure grave faite à la mémoire du testateur, elle doit être intentée dans l'année, à compter du jour du délit ou du jour où les héritiers ont pu connaître le délit.
Art. 4.219. Verval
  § 1. Iedere uiterste wilsbeschikking vervalt, indien degene ten voordele van wie zij gemaakt is, de testator niet overleeft.
  § 2. De uiterste wilsbeschikking vervalt, wanneer de legataris de beschikking verwerpt of onbekwaam is om deze te verkrijgen.
  § 3. Het legaat vervalt, indien het gelegateerde goed tijdens het leven van de testator geheel teniet gaat.
  Het legaat vervalt eveneens, indien het gelegateerde goed teniet gaat na het overlijden van de testator, buiten toedoen van de erfgenaam, ook al was de erfgenaam in gebreke gesteld om het goed af te leveren, indien het ook in handen van de legataris zou zijn teniet gegaan.
Art. 4.219. Caducité
  § 1er. Toute disposition testamentaire est caduque si celui en faveur de qui elle est faite, ne survit pas au testateur.
  § 2. La disposition testamentaire est caduque lorsque le légataire y renonce, ou est incapable de la recevoir.
  § 3. Le legs est caduc si le bien légué a totalement péri pendant la vie du testateur.
  Le legs est également caduc si le bien a péri depuis le décès, sans le fait de l'héritier, même si celui-ci a été mis en demeure de le délivrer, si le bien eût également péri entre les mains du légataire.
Ondertitel 6. Toegelaten gift met bewaarplicht ten voordele van derden
Sous-titre 6. Libéralité avec charge de conservation au profit d'autrui autorisée
Art. 4.220. Bewaarplicht ten voordele van de volgende generatie
  Ouders kunnen de goederen waarover ze kunnen beschikken geheel of ten dele, aan een of meer van hun kinderen geven of legateren, met last om deze goederen te bewaren zodat ze kunnen toekomen aan de van deze begiftigden afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.
  Indien de erflater geen kinderen achterlaat, is de beschikking geldig die de erflater bij schenking of bij testament ten voordele van een of meer van zijn broers of zussen gemaakt heeft voor het geheel of een gedeelte van de goederen van de nalatenschap die door de wet niet zijn gereserveerd, met last om deze goederen te bewaren zodat ze kunnen toekomen aan de van deze begiftigde broers en zussen afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.
  De bij het eerste en het tweede lid geoorloofde beschikkingen zullen slechts gelden voor zover de last van bewaring bedongen is ten voordele van alle kinderen van de bezwaarde, die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, zonder uitzondering en zonder voorrang van leeftijd of geslacht.
  Indien, in de hierboven vermelde gevallen, hij die met de last van bewaring ten voordele van zijn kinderen bezwaard is, overlijdt met achterlating van kinderen in de eerste graad en van afstammelingen van een vooroverleden kind, verkrijgen deze laatsten, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind.
Art. 4.220. Charge de conservation en faveur de la génération suivante
  Les biens dont les pères et mères ont la faculté de disposer, peuvent être par eux donnés ou légués, en tout ou en partie, à un ou plusieurs de leurs enfants, avec la charge de les conserver afin qu'ils puissent être transmis aux enfants nés et à naître, au premier degré seulement, desdits donataires.
  Est valable, en cas de mort sans enfants, la disposition que le défunt a faite par donation ou testament, au profit d'un ou plusieurs de ses frères et soeurs, de tout ou partie des biens qui ne sont pas réservés par la loi dans sa succession, avec la charge de les conserver afin qu'ils puissent être transmis aux enfants nés et à naître, au premier degré seulement, des dits frères ou soeurs bénéficiaires.
  Les alinéas 1er et 2 ne sont valables qu'autant que la charge de conservation est au profit de tous les enfants nés et à naître du grevé, sans exception ni préférence d'âge ou de sexe.
  Si, dans les cas ci-dessus, le grevé de conservation au profit de ses enfants meurt, laissant des enfants au premier degré et des descendants d'un enfant prédécédé, ces derniers recueillent, par substitution, la portion de l'enfant prédécédé.
Art. 4.221. Gift met last na een schenking zonder last
  Indien het kind, de broer of de zus aan wie, bij schenking, goederen zonder de last van bewaring geschonken zijn, een nieuwe, bij schenking of bij testament gedane gift aanvaardt, die gemaakt is onder voorwaarde dat de vroeger geschonken goederen zullen bezwaard zijn met die last, dan is het hun niet meer geoorloofd de twee te hunnen voordele gemaakte beschikkingen van elkaar te scheiden en de tweede te verwerpen om zich aan de eerste te houden, ook al bieden zij aan, de in de tweede beschikking begrepen goederen terug te geven.
Art. 4.221. Libéralité avec charge après une donation sans charge
  Si l'enfant, le frère ou la soeur auxquels des biens ont été donnés par donation sans charge de conservation, acceptent une nouvelle libéralité faite par donation ou testament, sous la condition que les biens précédemment donnés soient grevés de cette charge, il ne leur est plus permis de diviser les deux dispositions faites à leur profit, et de renoncer à la seconde pour s'en tenir à la première, quand même ils offriraient de rendre les biens compris dans la seconde disposition.
Art. 4.222. Rechten van de verwachters
  De rechten van de verwachters nemen aanvang op het tijdstip waarop het genot van het kind, van de broer of van de zus die met de bewaring bezwaard zijn, uit welke oorzaak ook ophoudt. De vervroegde afstand van het genot ten voordele van de verwachters kan geen nadeel toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde, van wie de schuldvorderingen dateren van voor de afstand.
Art. 4.222. Droits des appelés
  Les droits des appelés sont ouverts à l'époque où, par quelque cause que ce soit, la jouissance de l'enfant, du frère ou de la soeur grevés de conservation, cesse. L'abandon anticipé de la jouissance au profit des appelés, ne peut préjudicier aux créanciers du grevé dont les créances sont antérieures à l'abandon.
Art. 4.223. Benoeming van een voogd
  Hij die beschikkingen maakt die volgens de artikelen 4.220 tot 4.222 geoorloofd zijn, mag bij dezelfde akte of bij een latere authentieke akte een voogd benoemen die met de uitvoering van die beschikkingen wordt belast.
  Wanneer geen voogd is benoemd overeenkomstig het eerste lid, of wanneer deze zijn opdracht niet aanvaardt, wordt op verzoek van de bezwaarde of indien deze onbekwaam is, op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, een voogd benoemd binnen een maand te rekenen van de dag van overlijden van de schenker of van de testator of van de dag waarop, na dit overlijden, de akte die de beschikking inhoudt, bekend is geworden. Deze benoeming geschiedt door de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de bezwaarde, overeenkomstig artikel 393 van het oud Burgerlijk Wetboek, en volgens de procedure vastgesteld in boek IV, hoofdstuk IX, van het Gerechtelijk Wetboek.
  De bezwaarde die aan de voorschriften van het tweede lid niet heeft voldaan, verliest het voordeel van de beschikking. In dit geval kan het recht verklaard worden open te staan ten voordele van de verwachters en zulks op verzoek, hetzij van die verwachters, indien zij meerderjarig zijn, hetzij van hun curator of wettelijke vertegenwoordiger, indien zij minderjarig of krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam zijn verklaard om een nalatenschap te aanvaarden, hetzij van iedere verwant van de meerderjarige, minderjarige of krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek beschermde verwachters, of zelfs ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de nalatenschap is opengevallen.
Art. 4.223. Désignation d'un tuteur
  Celui qui fait les dispositions autorisées par les articles 4.220 à 4.222 peut, par le même acte, ou par un acte postérieur, en forme authentique, nommer un tuteur chargé de l'exécution de ces dispositions.
  A défaut de nomination d'un tuteur conformément à l'alinéa 1er ou à défaut d'acceptation par lui de sa mission, il en est nommé un à la diligence du grevé, ou de son représentant légal s'il est incapable, dans le délai d'un mois à compter du jour du décès du donateur ou testateur, ou du jour où, depuis ce décès, l'acte contenant la disposition a été connu. Cette nomination est effectuée par le juge de paix du canton du domicile du grevé, conformément à l'article 393 de l'ancien Code civil et selon la procédure fixée au chapitre IX du livre IV du Code judiciaire.
  Le grevé qui n'a pas satisfait à l'alinéa 2, est déchu du bénéfice de la disposition. Dans ce cas, le droit peut être déclaré ouvert au profit des appelés, à la diligence, soit des appelés s'ils sont majeurs, soit de leur curateur ou représentant légal s'ils sont mineurs ou ont été déclarés incapables d'accepter une succession en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, soit de tout parent des appelés majeurs, mineurs ou protégés en vertu de l'article 492/1 de l'ancien Code civil, ou même d'office, à la diligence du procureur du Roi au tribunal de première instance du lieu où la succession est ouverte.
Art. 4.224. Boedelbeschrijving na overlijden
  Na het overlijden van hem die een beschikking met last van bewaring gemaakt heeft, wordt in de gewone vorm een boedelbeschrijving opgemaakt van alle goederen die de nalatenschap uitmaken, tenzij het slechts een bijzonder legaat betreft. Die boedelbeschrijving bevat een juiste schatting van de waarde van de roerende goederen.
  De boedelbeschrijving wordt opgemaakt op verzoek van de bezwaarde en binnen de in titel 1 gestelde termijn, in tegenwoordigheid van de voor de uitvoering benoemde voogd. De kosten komen ten laste van de in de beschikking begrepen goederen.
  Indien binnen de hierboven vermelde termijn geen boedelbeschrijving is opgemaakt op verzoek van de bezwaarde, wordt zij in de loop van de volgende maand opgemaakt, op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd en in tegenwoordigheid van de bezwaarde of van zijn voogd.
  Indien aan de voorschriften van het tweede en het derde lid niet voldaan is, wordt de boedelbeschrijving opgemaakt op verzoek van de in artikel 4.223, derde lid, genoemde personen; de bezwaarde of zijn voogd, en de voor de uitvoering benoemde voogd worden daartoe opgeroepen.
Art. 4.224. Inventaire après décès
  Après le décès de celui qui a disposé à charge de conservation, il est procédé, dans les formes ordinaires, à l'inventaire de tous les biens qui composent sa succession, excepté néanmoins le cas où il ne s'agirait que d'un legs particulier. Cet inventaire contient la prisée à juste prix des meubles et biens mobiliers.
  Il est fait à la requête du grevé et dans le délai fixé au titre 1er, en présence du tuteur nommé pour l'exécution. Les frais sont pris sur les biens compris dans la disposition.
  Si l'inventaire n'a pas été fait à la requête du grevé dans le délai ci-dessus, il y est procédé dans le mois suivant, à la diligence du tuteur nommé pour l'exécution, en présence du grevé ou de son tuteur.
  S'il n'a point été satisfait aux alinéas 2 et 3, il est procédé à l'inventaire, à la diligence des personnes désignées à l'article 4.223, alinéa 3, en y appelant le grevé ou son tuteur, et le tuteur nommé pour l'exécution.
Art. 4.225. Verkoop van roerende goederen
  De bezwaarde is verplicht alle in de beschikking begrepen roerende goederen te doen verkopen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.55, § 1, met uitzondering nochtans van die welke in het tweede en het derde lid vermeld zijn.
  Het huisraad en de andere roerende goederen die in de beschikking begrepen mochten zijn onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij in natura bewaard blijven, zullen worden teruggegeven in de staat waarin zij zich ten tijde van de uitkering bevinden.
  Het vee en het gereedschap, dienende tot het bebouwen van de landerijen, worden geacht begrepen te zijn in de schenkingen of legaten van die landerijen. De bezwaarde is alleen verplicht die te doen schatten en waarderen om daarvan, ten tijde van de uitkering, voor een gelijke waarde terug te geven.
Art. 4.225. Vente des biens meubles
  Le grevé est tenu de faire procéder à la vente de tous les meubles, comme il est prévu à l'article 4.55, § 1er, à l'exception néanmoins de ceux dont il est mention dans les alinéas 2 et 3.
  Les meubles meublants et autres biens meubles qui auraient été compris dans la disposition à la condition expresse de les conserver en nature, sont rendus dans l'état où ils se trouvent lors de la restitution.
  Les bestiaux et ustensiles servant à faire valoir les terres, sont censés compris dans les donations ou legs desdites terres. Le grevé est seulement tenu de les faire priser et estimer, pour en rendre une égale valeur lors de la restitution.
Art. 4.226. Belegging van gelden
  § 1. Binnen zes maanden te rekenen van de dag waarop de boedelbeschrijving is gesloten, moet de bezwaarde het gereed geld beleggen, alsook het geld komende van de prijs van de roerende goederen die verkocht zijn, en hetgeen op de schuldvorderingen ontvangen is.
  Deze termijn kan worden verlengd, indien daartoe redenen zijn.
  § 2. De bezwaarde is eveneens verplicht het geld te beleggen, dat door inning van schuldvorderingen en door aflossing van renten wordt verkregen, en zulks binnen drie maanden nadat hij het geld ontvangen heeft.
  § 3. De belegging geschiedt overeenkomstig hetgeen door de beschikker bevolen is, indien hij de aard heeft bepaald van de goederen waarin de belegging moet worden gedaan; bij gebreke daarvan, kan slechts belegd worden in onroerende goederen of met voorrecht op onroerende goederen.
  § 4. De bij de paragrafen 1 tot 3 voorgeschreven belegging geschiedt in tegenwoordigheid en op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd.
Art. 4.226. Emploi du numéraire
  § 1er. Il est fait par le grevé, dans le délai de six mois à compter du jour de la clôture de l'inventaire, un emploi du numéraire, de l'argent, provenant du prix des meubles qui ont été vendus, et de ce qui a été reçu des effets actifs.
  Ce délai peut être prolongé, s'il y a lieu.
  § 2. Le grevé est pareillement tenu de faire emploi du numéraire provenant des créances recouvrées et des remboursements de rentes, et ce, dans les trois mois au plus tard après qu'il a reçu ce numéraire.
  § 3. Cet emploi est fait conformément à ce qui a été ordonné par l'auteur de la disposition, s'il a désigné la nature des biens dans lesquels l'emploi doit être fait; sinon, il ne peut l'être qu'en immeubles, ou avec privilège sur des immeubles.
  § 4. L'emploi ordonné par les paragraphes 1er à 3 est fait en présence et à la diligence du tuteur nommé pour l'exécution.
Art. 4.227. Onroerende publiciteit
  De beschikkingen met last van bewaring, gemaakt bij schenking of bij testament, worden openbaar gemaakt op verzoek hetzij van de bezwaarde, hetzij van de voor de uitvoering benoemde voogd; te weten, wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving van de akten in het register van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, en, wat de geldsommen met voorrecht op onroerende goederen betreft, door inschrijving op de voor het voorrecht verbonden goederen.
Art. 4.227. Publicité foncière
  Les dispositions par donations ou testaments, à charge de conservation, sont, à la diligence, soit du grevé, soit du tuteur nommé pour l'exécution, rendues publiques; à savoir, quant aux immeubles, par la transcription des actes dans le registre du bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale; et quant aux sommes colloquées avec privilège sur des immeubles, par l'inscription sur les biens affectés au privilège.
Art. 4.228. Aansprakelijkheid van de voogd
  De voor de uitvoering benoemde voogd is persoonlijk aansprakelijk, indien hij zich niet in ieder opzicht gedragen heeft naar de regels die hierboven bepaald zijn voor het beschrijven van de goederen, de verkoop van de roerende goederen, het beleggen van het geld, de overschrijving en de inschrijving, en, in het algemeen, indien hij niet al het nodige heeft gedaan opdat de last van bewaring goed en getrouw wordt uitgevoerd.
  Indien de bezwaarde minderjarige is, kan hij niet in zijn recht hersteld worden tegen de niet-nakoming van de regels die bij de artikelen van deze ondertitel aan de voogd zijn voorgeschreven, zelfs niet in geval van onvermogen van zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Art. 4.228. Responsabilité du tuteur
  Le tuteur nommé pour l'exécution est personnellement responsable, s'il ne s'est pas, en tout point, conformé aux règles ci-dessus établies pour constater les biens, pour la vente du mobilier, pour l'emploi du numéraire, pour la transcription et l'inscription, et, en général, s'il n'a pas fait toutes les diligences nécessaires pour que la charge de conservation soit bien et fidèlement acquittée.
  Si le grevé est mineur, il ne peut, dans le cas même de l'insolvabilité de son représentant légal, être restitué contre l'inexécution des règles qui sont prescrites au tuteur par les articles du présent sous-titre.
Ondertitel 7. Ouderlijke boedelverdeling
Sous-titre 7. Partage d'ascendants
Art. 4.229. Verkavelen en verdelen
  De vader, de moeder en andere verwanten in de opgaande lijn kunnen hun goederen tussen hun kinderen en afstammelingen verkavelen en verdelen.
  Zodanige verdelingen kunnen worden gemaakt bij schenking of bij testament, met inachtneming van de vormen, voorwaarden en regels die voorgeschreven zijn met betrekking tot de schenkingen en de testamenten.
  Verdelingen bij schenking mogen enkel de tegenwoordige goederen tot voorwerp hebben. In de mate waarin deze verdeling een erfovereenkomst bevat, zijn de artikelen 4.244 tot 4.253 van toepassing.
Art. 4.229. Distribution et partage
  Le père, la mère et autres ascendants peuvent faire, entre leurs enfants et descendants, la distribution et le partage de leurs biens.
  Ces partages peuvent être faits par donations ou par testaments, avec les formalités, conditions et règles prescrites pour les donations et testaments.
  Les partages faits par donations ne peuvent avoir pour objet que les biens présents. Dans la mesure où ce partage contient un pacte successoral, les articles 4.244 à 4.253 s'appliquent.
Art. 4.230. Onvolledige verdeling
  Indien in de verdeling niet alle goederen begrepen zijn die de verwant in de opgaande lijn op de dag van zijn overlijden nalaat, worden de daarin niet begrepen goederen verdeeld overeenkomstig de wet.
  Indien de verdeling niet gemaakt is tussen alle kinderen die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afstammelingen van de vooroverleden kinderen, is de ganse verdeling nietig. Een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm kan worden gevorderd door de kinderen of afstammelingen die daarbij niets gekregen hebben, of zelfs door degenen tussen wie de verdeling gemaakt is.
Art. 4.230. Partage incomplet
  Si tous les biens que l'ascendant laisse au jour de son décès n'ont pas été compris dans le partage, ceux de ces biens qui n'y ont pas été compris, sont partagés conformément à la loi.
  Si le partage n'est pas fait entre tous les enfants qui existent à l'époque du décès et les descendants de ceux prédécédés, le partage est nul pour le tout. Il peut en être provoqué un nouveau dans la forme légale, soit par les enfants ou descendants qui n'y ont reçu aucune part, soit même par ceux entre qui le partage a été fait.
Art. 4.231. Benadeling
  De verdeling, door de verwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde, met behoud van de mogelijkheid om de inkorting te vorderen overeenkomstig de artikelen 4.150 tot 4.157.
  Het kind dat, op een van de gronden vermeld in het eerste lid, de door de verwant in de opgaande lijn gemaakte verdeling betwist, moet de kosten van de schatting voorschieten. Deze blijven te zijnen laste, evenals de kosten van het geschil, indien de vordering ongegrond is.
Art. 4.231. Lésion
  Le partage fait par l'ascendant peut être attaqué pour cause de lésion de plus du quart, sans préjudice de la possibilité de demander la réduction, conformément aux articles 4.150 à 4.157.
  L'enfant qui, pour une des causes exprimées à l'alinéa 1er, attaque le partage fait par l'ascendant, doit faire l'avance des frais de l'estimation. Il les supporte en définitive, ainsi que les dépens de la contestation, si la réclamation n'est pas fondée.
Ondertitel 8. Schenkingen ten voordele van het huwelijk
Sous-titre 8. Donations en faveur du mariage
Art. 4.232. Schenking van tegenwoordige goederen
  Iedere schenking van tegenwoordige goederen, aan de echtgenoten of aan een van hen, is, zelfs als ze in hun huwelijksovereenkomst is vervat, onderworpen aan alle regels en vormen die met betrekking tot zodanige schenkingen zijn voorgeschreven.
  Zij kan niet gedaan worden ten voordele van de kinderen, behalve in de gevallen vermeld in ondertitel 6.
Art. 4.232. Donation de biens présents
  Toute donation de biens présents aux époux, ou à l'un d'eux, quoique contenue dans la convention matrimoniale de ces époux, est soumise aux règles et formes prescrites pour de telles donations.
  Elle ne peut avoir lieu au profit des enfants, si ce n'est dans les cas énoncés au sous-titre 6.
Art. 4.233. Schenking van toekomstige goederen of contractuele erfstelling
  § 1. Eenieder kan, in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten, ten voordele van deze echtgenoten of van een van hen, beschikken over het geheel of een gedeelte van de goederen die hij op de dag van zijn overlijden zal nalaten.
  Hij kan op dezelfde wijze bedingen dat deze schenking ook ten voordele zal zijn van de gemeenschappelijke kinderen van deze echtgenoten, voor het geval dat de schenker de begiftigde echtgenoot overleeft.
  Zelfs als de schenking enkel ten voordele van de echtgenoten of van een van beiden is gedaan, wordt ze steeds in het hierboven genoemde geval van overleving van de schenker, vermoed gedaan te zijn ten voordele van de gemeenschappelijke kinderen en afstammelingen van deze echtgenoten.
  § 2. De schenking die gedaan wordt in de bij paragraaf 1 bepaalde vorm, is onherroepelijk, doch slechts in die zin dat de schenker niet meer om niet mag beschikken over de in de schenking begrepen goederen, behalve over geringe bedragen, tot beloning of anderszins.
Art. 4.233. Donation de biens futurs ou institution contractuelle
  § 1er. Toute personne peut, dans la convention matrimoniale des époux, disposer au profit desdits époux ou de l'un d'eux, de tout ou partie des biens qu'elle laissera au jour de son décès.
  Elle peut, de la même manière, stipuler que cette donation profitera aux enfants communs de ces époux, dans le cas où le donateur survivrait à l'époux donataire.
  Même si la donation a été faite au profit seulement des époux ou de l'un d'eux, elle est toujours, dans ledit cas de survie du donateur, présumée faite au profit des enfants et descendants communs de ces époux.
  § 2. La donation, dans la forme portée au paragraphe 1er, est irrévocable, en ce sens seulement que le donateur ne pourra plus disposer, à titre gratuit, des objets compris dans la donation, si ce n'est pour sommes modiques, à titre de récompense ou autrement.
Art. 4.234. Schenking van tegenwoordige en toekomstige goederen
  De schenking ten voordele van de echtgenoten of van een van hen, in hun huwelijksovereenkomst gedaan, mag de tegenwoordige en toekomstige goederen samen, geheel of ten dele, omvatten, voor zover aan de akte een staat gehecht wordt van de schulden en lasten van de schenker, zoals die op de dag van de schenking bestaan; in dit geval staat het de begiftigde vrij, bij het overlijden van de schenker, zich tot de tegenwoordige goederen te beperken, en van de overige goederen van de schenker af te zien.
  Indien de in het eerste lid bedoelde staat niet gehecht is aan de akte die de schenking van de tegenwoordige en toekomstige goederen bevat, is de begiftigde verplicht deze schenking in haar geheel aan te nemen of te verwerpen. In geval van aanvaarding kan hij slechts de goederen opeisen die op de dag van het overlijden van de schenker nog aanwezig zijn, en is hij gehouden alle schulden en lasten van de nalatenschap te voldoen.
Art. 4.234. Donation de biens présents et de biens futurs
  La donation faite au profit des époux ou de l'un d'eux dans leur convention matrimoniale peut être faite cumulativement des biens présents et futurs, en tout ou en partie, pour autant que soit annexé à l'acte un état des dettes et charges du donateur existantes au jour de la donation; auquel cas il est libre au donataire, lors du décès du donateur, de s'en tenir aux biens présents, en renonçant au surplus des biens du donateur.
  Si l'état dont il est fait mention à l'alinéa 1er n'a pas été annexé à l'acte contenant donation des biens présents et futurs, le donataire est obligé d'accepter ou de répudier cette donation pour le tout. En cas d'acceptation, il ne peut réclamer que les biens qui se trouvent existants au jour du décès du donateur, et il est soumis au paiement de toutes les dettes et charges de la succession.
Art. 4.235. Schenkingen onder last
  De schenking in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten gedaan ten voordele van deze echtgenoten en van hun gemeenschappelijke kinderen kan ook worden gedaan onder de last om alle schulden en lasten van de nalatenschap van de schenker, zonder onderscheid, te voldoen, of nog onder andere voorwaarden waarvan de uitvoering afhangt van de wil van de schenker.
  De begiftigde is gehouden die voorwaarden te vervullen, tenzij hij verkiest van de schenking af te zien.
  Ingeval de schenker zich, in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten, de vrijheid heeft voorbehouden te beschikken over een goed dat in de schenking van zijn tegenwoordige goederen begrepen is, of over een uit die goederen te nemen bepaalde geldsom, dan wordt dit goed of die geldsom, indien hij overlijdt zonder daarover beschikt te hebben, geacht in de schenking te zijn begrepen en behoort zij toe aan de begiftigde of aan diens erfgenamen.
Art. 4.235. Donations avec charges
  La donation faite dans la convention matrimoniale des époux, en faveur de ceux-ci et de leurs enfants communs, peut être faite moyennant la charge de payer indistinctement toutes les dettes et charges de la succession du donateur, ou sous d'autres conditions dont l'exécution dépendrait de sa volonté.
  Le donataire est tenu d'accomplir ces conditions, sauf s'il préfère renoncer à la donation.
  Lorsque le donateur s'est, dans la convention matrimoniale des époux, réservé la liberté de disposer d'un bien compris dans la donation de ses biens présents, ou d'une somme fixe à prendre sur ces mêmes biens, ce bien ou cette somme, s'il meurt sans en avoir disposé, sont censés compris dans la donation, et appartiennent au donataire ou à ses héritiers.
Art. 4.236. Bijzondere regels
  Schenkingen gedaan in de huwelijksovereenkomst van de echtgenoten, kunnen niet betwist of nietig verklaard worden, onder voorwendsel dat aanvaarding ontbreekt.
  Iedere schenking ten voordele van het huwelijk gedaan, vervalt indien het huwelijk daarop niet volgt.
  Schenkingen, aan een van de echtgenoten gedaan overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.233, 4.234 en 4.235, vervallen, indien de schenker de begiftigde echtgenoot en diens nakomelingen overleeft.
Art. 4.236. Règles particulières
  Les donations faites dans la convention matrimoniale des époux, ne peuvent être attaquées, ni déclarées nulles, sous prétexte de défaut d'acceptation.
  Toute donation faite en faveur du mariage est caduque, si le mariage ne s'ensuit pas.
  Les donations faites à l'un des époux, dans les termes des articles 4.233, 4.234 et 4.235, deviennent caduques si le donateur survit à l'époux donataire et à sa postérité.
Ondertitel 9. Schenkingen tussen echtgenoten
Sous-titre 9. Donations entre époux
Art. 4.237. Schenkingen bij huwelijksovereenkomst
  § 1. Echtgenoten mogen in hun huwelijksovereenkomst, aan elkaar, of een van beiden aan de andere, elke schenking doen, met inachtneming van de hieronder gestelde beperkingen.
  § 2. De schenking van tegenwoordige goederen, tussen echtgenoten gedaan overeenkomstig paragraaf 1, is slechts gedaan onder voorwaarde dat de begiftigde overleeft, voor zover deze voorwaarde uitdrukkelijk bedongen is.
  Zij is onderworpen aan alle regels en vormen die met betrekking tot zodanige schenkingen zijn voorgeschreven.
  § 3. De schenking van toekomstige goederen of van tegenwoordige en toekomstige goederen, tussen echtgenoten gedaan overeenkomstig paragraaf 1, hetzij door een van beiden, hetzij wederkerig, is onderworpen aan de regels bepaald in de artikelen 4.234 tot 4.236. Ze gaat echter niet over op de gemeenschappelijke kinderen van deze echtgenoten, ingeval de begiftigde echtgenoot overlijdt voor de echtgenoot schenker.
  Een dergelijke schenking kan wegens ondankbaarheid worden herroepen, zoals bepaald in artikel 4.174, § 1, en ook, wat de schenking van toekomstige goederen betreft, zoals bepaald in artikel 4.218, § 3.
  § 4. De begunstiging door schenking van toekomstige goederen, die een contractuele erfstelling inhoudt, wordt behouden in geval van ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.
Art. 4.237. Donations par convention matrimoniale
  § 1er. Les époux peuvent, dans leur convention matrimoniale, se faire réciproquement, ou l'un des deux à l'autre, toute donation, moyennant les restrictions ci-après exprimées.
  § 2. Toute donation de biens présents, faite entre époux conformément au paragraphe 1er, n'est soumise à la condition de survie du donataire, que si cette condition est formellement exprimée.
  Elle est soumise à toutes les règles et formes prescrites pour de telles donations.
  § 3. La donation de biens futurs, ou de biens présents et futurs, faite entre époux conformément au paragraphe 1er, soit simple, soit réciproque, est soumise aux règles établies aux articles 4.234 à 4.236. Elle n'est cependant pas transmissible aux enfants communs de ces époux, en cas de décès de l'époux donataire avant l'époux donateur.
  Une telle donation peut être révoquée pour cause d'ingratitude, comme prévu à l'article 4.174, § 1er, et également, en ce qui concerne la donation de biens futurs, à l'article 4.218, § 3.
  § 4. Le bénéfice d'une donation de biens futurs, qui emporte institution contractuelle, est maintenu en cas de dissolution du régime matrimonial opérée par la séparation de biens judiciaire ou par l'adoption conventionnelle d'un autre régime matrimonial, sauf si les époux en conviennent autrement.
Art. 4.238. Schenking bij huwelijksovereenkomst door een minderjarige
  Een minderjarige mag aan de andere echtgenoot, in hun huwelijksovereenkomst, hetzij bij eenzijdige, hetzij bij wederkerige schenking niet geven dan met de bijstand van zijn ouders, van een van hen of, bij ontstentenis daarvan, met de toestemming van de familierechtbank.
  Met die bijstand of die toestemming mag hij alles schenken wat de wet de meerderjarige echtgenoot toestaat aan de andere echtgenoot te schenken
Art. 4.238. Donation par convention matrimoniale par un mineur
  Le mineur ne peut, par convention matrimoniale, donner à l'autre époux, soit par donation simple, soit par donation réciproque, qu'avec l'assistance de ses père et mère, de l'un d'eux ou, à défaut, avec l'autorisation du tribunal de la famille.
  Avec cette assistance ou cette autorisation, il pourra donner tout ce que la loi permet à l'époux majeur de donner à l'autre conjoint.
Art. 4.239. Schenking van het beschikbaar deel
  Indien de langstlevende echtgenoot samen met afstammelingen opkomt en bij schenking of bij testament de volle eigendom van het beschikbaar deel heeft verkregen, heeft deze gift niet tot gevolg dat hij het recht van vruchtgebruik op het overige deel van de nalatenschap verliest, tenzij de schenker of testator anders heeft bepaald.
  Ingeval de langstlevende echtgenoot samen met andere erfgenamen of met legatarissen opkomt en giften in volle eigendom heeft ontvangen, behoudt hij op hetgeen van de nalatenschap overblijft, de rechten die hem zijn toegekend in titel 1, tenzij de schenker of testator anders heeft bepaald.
  Indien de schenker of testator uitdrukkelijk de wil te kennen heeft gegeven om de rechten van de langstlevende echtgenoot te beperken tot de geschonken of de gelegateerde goederen, kan de langstlevende in alle gevallen opeisen hetgeen noodzakelijk is om zijn reserve aan te vullen, in voorkomend geval volgens de waarde van dit erfdeel in kapitaal.
Art. 4.239. Donation de la quotité disponible
  Si le conjoint survivant, en concours avec des descendants, a reçu par donation ou testament la quotité disponible en pleine propriété, cette libéralité n'a pas pour effet, sauf disposition contraire du donateur ou testateur, de le priver de son droit d'usufruit sur le surplus de la succession.
  En cas de concours avec d'autres héritiers ou des légataires, le conjoint survivant qui a reçu des libéralités en pleine propriété conserve sur ce qui reste de la succession les droits qui lui sont reconnus au titre 1er, sauf disposition contraire du donateur ou testateur.
  Si le donateur ou testateur a manifesté expressément la volonté de limiter les droits du conjoint survivant aux biens donnés ou légués, celui-ci peut en toute hypothèse exiger le complément nécessaire pour parfaire sa réserve, le cas échéant d'après la valeur de celle-ci en capital.
Art. 4.240. Herroepelijkheid van schenkingen tussen echtgenoten
  Alle schenkingen, tussen echtgenoten tijdens het huwelijk anders dan in hun huwelijksovereenkomst, gedaan, zijn steeds herroepelijk, hoewel zij schenkingen worden genoemd.
  Deze herroeping leidt tot het tenietgaan van de door de schenking gevestigde zakelijke rechten, met de gevolgen ten aanzien van derden zoals bepaald in artikel 3.17.
Art. 4.240. Révocabilité des donations entre époux
  Toutes donations faites entre époux pendant le mariage autrement que dans leur convention matrimoniale, quoique qualifiées donations, sont toujours révocables.
  Cette révocation entraîne l'anéantissement des droits réels accordés par la donation, avec les effets à l'égard des tiers prévus à l'article 3.17.
Art. 4.241. Geen wederkerige schenking in één akte
  Echtgenoten mogen elkaar tijdens het huwelijk geen onderlinge en wederkerige schenking doen bij een en dezelfde akte, tenzij in hun huwelijksovereenkomst.
Art. 4.241. Pas de donation mutuelle en un seul acte
  Les époux ne peuvent, pendant le mariage, se faire aucune donation mutuelle et réciproque par un seul et même acte, sauf dans leur convention matrimoniale.
Ondertitel 10. Erfovereenkomsten
Sous-titre 10. Les pactes successoraux
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Chapitre 1er. Dispositions générales
Art.4. 242. Principieel verbod van erfovereenkomst
  § 1. Men kan geen erfkeuze maken omtrent een nalatenschap die nog niet is opengevallen, noch enige verbintenis aangaan of enige overeenkomst sluiten omtrent de attributen van de hoedanigheid van erfgenaam of legataris, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald. Evenmin kan men enig beding maken of enige overeenkomst sluiten betreffende de toekomstige nalatenschap van een derde, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  Aldus is elke overeenkomst met betrekking tot de erfkeuze, tot het principe of de nadere regels van de inbreng, alsook tot het principe of de nadere regels van de inkorting betreffende een nalatenschap die nog niet is opengevallen, verboden, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  § 2. Overeenkomsten of bedingen onder kosteloze titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij kunnen niet worden gesloten of opgemaakt, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  § 3. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij die de algemeenheid van de goederen betreffen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, of een breukdeel van de goederen die de partij zal nalaten, of al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een breukdeel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden, zijn niet toegelaten, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
Art. 4.267.[1 De Koning kan de nadere regels inzake het beheer alsook de vorm en modaliteiten van de inschrijving in, en kennisgeving aan, het centraal register van testamenten bepalen.]1
  
Art.4. 242. Prohibition de principe des pactes successoraux
  § 1er. On ne peut exercer aucune option héréditaire relative à une succession non ouverte, ni contracter aucune obligation ou conclure aucune convention relative aux attributs de la qualité d'héritier ou de légataire, sauf dans les cas prévus par la loi. On ne peut davantage faire aucune stipulation ou conclure aucune convention relative à la succession future d'un tiers, sauf dans les cas prévus par la loi.
  Ainsi, toute convention relative à l'option héréditaire, au principe ou aux modalités du rapport ainsi qu'au principe ou aux modalités de la réduction concernant une succession non ouverte est prohibée, sauf dans les cas prévus par la loi.
  § 2. Les conventions ou stipulations à titre gratuit relatives à la propre succession future d'une partie ne peuvent être conclues ou établies, sauf dans les cas prévus par la loi.
  § 3. Les conventions ou stipulations à titre onéreux relatives à la propre succession future d'une partie qui concernent l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ou une quote-part des biens que la partie laissera, ou tous ses biens immeubles, tous ses biens meubles ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles à son décès ne sont pas autorisées, sauf dans les cas prévus par la loi.
Art. 4.267.[1 Le Roi peut déterminer les modalités de gestion ainsi que la forme et les modalités de l'inscription et de la communication au registre central des testaments.]1
  
Art. 4.243. Toegelaten erfovereenkomsten
  Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken. Een overeenkomst of beding is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst of het beding niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een breukdeel van de goederen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een breukdeel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
  De artikelen 4.249 tot 4.253 zijn niet van toepassing op de in dit artikel bedoelde erfovereenkomsten.
Art. 4.243. Pactes successoraux autorisés
  Les conventions ou stipulations à titre onéreux sont toujours autorisées si elles sont conclues ou faites à titre particulier, même si elles concernent la succession future d'une partie et même si cette partie se réserve le droit de disposer de l'objet de cette convention ou de cette stipulation de son vivant. Une convention ou une stipulation est à titre particulier lorsque la convention ou la stipulation ne concerne pas l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ni une quote-part des biens que la partie laissera à son décès, ni tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles à son décès.
  Les articles 4.249 à 4.253 ne s'appliquent pas aux pactes successoraux visés dans le présent article.
Art. 4.244. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen
  § 1. Een minderjarige kan enkel partij zijn bij een erfovereenkomst in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam, waarbij de erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de minderjarige, de afstand van rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben. Artikel 410, § 1, 10°, van het oud Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
  § 2. De persoon die, krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam werd verklaard om een erfovereenkomst aan te gaan, kan deze toch aangaan, met alle eraan verbonden gevolgen, na machtiging, op zijn verzoek, door de vrederechter bedoeld in artikel 628, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon.
  Bij gebrek aan de in het eerste lid bedoelde machtiging kan de beschermde persoon enkel partij zijn bij een erfovereenkomst in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam, waarbij de erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de beschermde persoon, de afstand van rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben. Artikel 499/7, § 2, 15°, van het oud Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
Art. 4.244. Mineurs et majeurs protégés
  § 1er. Un mineur ne peut être partie à un pacte successoral qu'en qualité d'héritier présomptif, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef du mineur, renonciation à des droits dans une succession non ouverte. L'article 410, § 1er, 10°, de l'ancien Code civil est d'application.
  § 2. La personne qui, sur la base de l'article 492/1, § 2, de l'ancien Code civil, a été déclarée incapable de conclure un pacte successoral, peut néanmoins conclure le pacte, avec tous les effets qui s'y attachent, après y avoir été autorisée, à sa demande, par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire. Le juge de paix juge de la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté.
  A défaut de l'autorisation visée à l'alinéa 1er, la personne protégée ne peut être partie à un pacte successoral qu'en qualité d'héritier présomptif, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef de la personne protégée, renonciation à des droits dans une succession non ouverte. L'article 499/7, § 2, 15°, de l'ancien Code civil est d'application.
Hoofdstuk 2. Sanctionering van niet toegelaten erfovereenkomsten
Chapitre 2. Sanction des pactes successoraux non autorisés
Art. 4.245. Nietigheid
  Elke erfovereenkomst die niet door de wet is toegelaten, is absoluut nietig.
  Hetzelfde geldt voor de overeenkomsten opgesteld met miskenning van artikelen 4.249 tot 4.252 en, in het geval het een overeenkomst bedoeld in de artikelen 4.254 tot 4.259 betreft, met miskenning van deze bepalingen.
  Wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij, verandert de nietigheid bedoeld in het eerste en het tweede lid evenwel in een relatieve nietigheid op de dag van het overlijden van die partij. De miskenning van de vereiste opgelegd door artikel 4.249 blijft evenwel behept met een absolute nietigheid.
Art. 4.245. Nullité
  Tout pacte successoral non autorisé en vertu de la loi est frappé de nullité absolue.
  Il en va de même des pactes établis en méconnaissance des articles 4.249 à 4.252 et, lorsqu'il s'agit d'un pacte visé aux articles 4.254 à 4.259, en méconnaissance desdites dispositions.
  Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un pacte relatif à la propre succession future d'une partie, la nullité visée aux alinéas 1er et 2 se mue en une nullité relative au jour du décès de cette partie. La méconnaissance de la forme imposée par l'article 4.249 demeure néanmoins frappée de nullité absolue.
Hoofdstuk 3. Gevolgen van de erfovereenkomsten
Chapitre 3. Effets des pactes successoraux
Art. 4.246. Bindende kracht
  De erfovereenkomst heeft, in hoofde van de ondertekenaar, niet de vervroegde aanvaarding van de nalatenschap waarop zij betrekking heeft tot gevolg.
  Elke erfovereenkomst toegelaten door de wet bindt degene die tot de nalatenschap komt bij plaatsvervulling van de ondertekenaar.
Art. 4.246. Effet obligatoire
  Le pacte successoral n'emporte pas, dans le chef du signataire, acceptation anticipée de la succession qu'il concerne.
  Tout pacte successoral autorisé en vertu de la loi s'impose à celui qui vient à la succession par substitution du signataire.
Art. 4.247. Herroeping van de afstand
  Ingeval de erfovereenkomst in hoofde van de ondertekenaars een afstand van rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg heeft, kan hij die afstand deed deze afstand herroepen in de volgende gevallen:
  1° indien de begunstigde van de afstand een aanslag op zijn leven heeft gepleegd;
  2° indien de begunstigde zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen.
  Behoudens andersluidend beding in de overeenkomst, heeft de herroeping enkel gevolgen ten aanzien van de afstand verricht door hem die afstand deed ten voordele van de begunstigde.
  De herroeping heeft nooit van rechtswege plaats. De eis tot herroeping moet ingesteld worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het feit waarvan hij die afstand deed de begunstigde van de afstand beschuldigt of van de dag waarop het feit hem die afstand deed bekend kon zijn en uiterlijk op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.
Art. 4.247. Révocation de la renonciation
  Lorsque le pacte successoral emporte, dans le chef des signataires, une renonciation à des droits dans une succession non ouverte, ladite renonciation peut être révoquée par le renonçant dans les cas suivants:
  1° si le bénéficiaire de la renonciation a attenté à la vie du renonçant;
  2° si le bénéficiaire s'est rendu coupable envers lui de sévices, délits ou injures graves.
  Sauf disposition contraire contenue dans le pacte, la révocation n'a d'effet qu'à l'égard de la renonciation effectuée par le renonçant au profit du bénéficiaire.
  La révocation n'a jamais lieu de plein droit. La demande de révocation est formée dans l'année, à compter du jour du fait imputé par le renonçant au bénéficiaire de la renonciation ou du jour où le fait a pu être connu par le renonçant et, au plus tard, au jour de la clôture de la liquidation-partage de la succession.
Art. 4.248. Afstand is geen gift
  Elke afstand van rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst wordt, ongeacht de nadere voorwaarden ervan, geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.
Art. 4.248. La renonciation ne vaut pas libéralité
  Toute renonciation à des droits dans une succession non ouverte qui résulte d'un pacte successoral autorisé par la loi est présumée, quelles que soient ses modalités, ne pas constituer une libéralité. Cette présomption est irréfragable.
Hoofdstuk 4. Vorm van de erfovereenkomsten
Chapitre 4. Formalités des pactes successoraux
Art. 4.249. Notariële akte
  Elke erfovereenkomst wordt in een notariële akte opgenomen.
Art. 4.249. Acte notarié
  Tout pacte successoral est contenu dans un acte notarié.
Art. 4.250. Informatievergadering
  § 1. Het ontwerp van overeenkomst wordt door de instrumenterende notaris aan elke partij meegedeeld.
  § 2. De instrumenterende notaris legt tegelijk een vergadering vast waarop de inhoud van de overeenkomst en de gevolgen ervan aan alle partijen worden toegelicht.
  Bij die gelegenheid informeert hij elke partij over de mogelijkheid een aparte raadsman te kiezen of een individueel onderhoud met hem te hebben. Op de gezamenlijke, door hem te beleggen vergadering wijst hij nogmaals op die mogelijkheid.
  § 3. Deze vergadering kan pas worden gehouden na verloop van een termijn van vijftien dagen die ingaat op de dag waarop het ontwerp van overeenkomst wordt meegedeeld.
  § 4. De informatievergadering kan op afstand plaatsvinden door middel van een elektronisch communicatiemiddel dat alle partijen bij de overeenkomst, en hen die hen bijstaan of adviseren, toelaat om tegelijkertijd en gedurende de hele duur ervan aan de informatievergadering deel te nemen.
Art. 4.250. Réunion d'information
  § 1er. Le projet de pacte est communiqué à chacune des parties par le notaire instrumentant.
  § 2. Le notaire instrumentant fixe, dans le même temps, une réunion à l'occasion de laquelle le contenu du pacte et les conséquences de celui-ci seront explicitées à l'ensemble des parties.
  Il informe à cette occasion chacune d'elles de la possibilité de faire choix d'un conseil distinct ou de bénéficier d'un entretien individuel avec lui. Il rappelle cette possibilité au cours de la réunion commune qu'il doit tenir.
  § 3. Cette réunion ne peut être tenue avant l'écoulement d'un délai de quinze jours prenant cours au jour de la communication du projet de pacte.
  § 4. La réunion d'information peut se tenir à distance grâce à un moyen de communication électronique permettant à toutes les parties au pacte, ainsi qu'à ceux qui les assistent ou les conseillent, de participer simultanément et pendant toute sa durée à la réunion d'information.
Art. 4.251. Ondertekening van de overeenkomst
  De overeenkomst kan niet worden ondertekend vóór het verstrijken van een termijn van één maand die ingaat vanaf de dag waarop de vergadering bedoeld in artikel 4.250 heeft plaatsgevonden.
  Elke partij kan een beroep doen op een andere notaris, die haar zal bijstaan bij het verlijden van de akte.
  De partijen bij de overeenkomst die meerderjarig en bekwaam zijn kunnen vertegenwoordigd worden door een lasthebber die houder is van een bijzondere authentieke volmacht. Deze volmacht kan slechts worden verleend na verloop van de termijn vermeld in het eerste lid.
  De datum van verzending van het ontwerp van de overeenkomst en de datum waarop de in artikel 4.250 bedoelde vergadering heeft plaatsgevonden, worden in de overeenkomst vermeld.
  Er kan niet worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde termijn, noch van de in artikel 4.250, § 3, bedoelde termijn, zelfs niet met instemming van de partijen.
Art. 4.251. Signature du pacte
  La signature du pacte ne peut intervenir avant l'écoulement d'un délai d'un mois prenant cours à dater du jour où s'est tenue la réunion visée à l'article 4.250.
  Chacune des parties peut demander l'intervention d'un autre notaire qui l'assistera lors de la réception de l'acte.
  Les parties au pacte qui sont majeures et capables peuvent y être représentées par un mandataire muni d'une procuration authentique spéciale. Cette procuration ne peut être accordée qu'après l'écoulement du délai mentionné à l'alinéa 1er.
  La date d'envoi du projet de pacte ainsi que la date à laquelle s'est tenue la réunion visée à l'article 4.250 sont mentionnées dans le pacte.
  Il ne peut être dérogé au délai visé à l'alinéa 1er, ni à celui visé à l'article 4.250, § 3, même de l'accord des parties.
Art. 4.252. Uitzonderingen
  De artikelen 4.249 tot 4.251 zijn niet van toepassing op de overeenkomst opgelegd door artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
  De artikelen 4.250 en 4.251 zijn niet van toepassing op contractuele erfstellingen bedoeld in ondertitels 8 en 9.
Art. 4.252. Exceptions
  Les articles 4.249 à 4.251 ne sont pas applicables au pacte imposé par l'article 1287, alinéa 3, du Code judiciaire.
  Les articles 4.250 et 4.251 ne sont pas applicables aux institutions contractuelles visées aux sous-titres 8 et 9.
Hoofdstuk 5. Publiciteit van de erfovereenkomsten
Chapitre 5. Publicité des pactes successoraux
Art. 4.253. Inschrijving in het centraal register van testamenten
  Elke erfovereenkomst wordt ingeschreven in het centraal register van testamenten bedoeld in ondertitel 11.
Art. 4.253. Inscription au registre central des testaments
  Tout pacte successoral est inscrit dans le registre central des testaments visé au sous-titre 11.
Hoofdstuk 6. De globale erfovereenkomst
Chapitre 6. Le pacte successoral global
Art. 4.254. Vaststelling van een evenwicht
  § 1. Op ieder ogenblik kan een ouder, samen met al zijn of haar vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, een globale erfovereenkomst opstellen. Deze overeenkomst stelt het bestaan vast van een evenwicht tussen deze vermoedelijke erfgenamen, rekening houdende met onder meer de schenkingen die de ouder hen respectievelijk heeft toegestaan vóór de overeenkomst, met of zonder vrijstelling van inbreng, met de schenkingen toegekend in de overeenkomst zelf en, in voorkomend geval, met de situatie van elk van de vermoedelijke erfgenamen.
  Teneinde dit evenwicht vast te stellen, kunnen de partijen overeenkomen dat andere voordelen die voordien of in de overeenkomst zelf aan de vermoedelijke erfgenamen zijn toegekend, met schenkingen worden gelijkgesteld.
  De overeenkomst kan eveneens één of meerdere vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn toebedelen door middel van een schuldvordering ten laste van de uitdrukkelijk in de overeenkomst aangeduide partijen.
  De overeenkomst vermeldt het geheel van de huidige en vroegere schenkingen en voordelen waarmee rekening wordt gehouden en vermeldt hoe de partijen dit evenwicht hebben opgevat en aanvaard.
  § 2. Eveneens kunnen de ouders gezamenlijk, op ieder ogenblik, samen met al hun respectievelijke vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, de erfovereenkomst bedoeld in paragraaf 1 opstellen.
  In dit geval, kan het evenwicht tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn bedoeld in paragraaf 1 worden bereikt rekening houdende met onder meer het geheel van schenkingen en voordelen respectievelijk toegekend door ieder van de beschikkers.
Art. 4.254. Constat d'un équilibre
  § 1er. A tout moment, le père ou la mère peut établir, avec l'ensemble de ses héritiers présomptifs en ligne directe descendante, un pacte successoral global. Ce pacte constate l'existence d'un équilibre entre ces héritiers présomptifs eu égard notamment aux donations que le père ou la mère leur a respectivement consenties antérieurement au pacte, avec ou sans dispense de rapport, aux donations consenties aux termes du pacte lui-même et, le cas échéant, à la situation de chacun des héritiers présomptifs.
  A l'effet de constater cet équilibre, les parties peuvent convenir d'assimiler à des donations d'autres avantages consentis aux héritiers présomptifs antérieurement ou aux termes du pacte lui-même.
  Le pacte peut également allotir un ou plusieurs héritiers présomptifs en ligne directe descendante au moyen d'une créance à charge des parties expressément désignées par le pacte.
  Le pacte mentionne l'ensemble des donations et avantages actuels ou antérieurs pris en compte et décrit l'équilibre tel qu'il est conçu et accepté par les parties.
  § 2. De même, le père et la mère peuvent, à tout moment, établir conjointement le pacte visé au paragraphe 1er avec l'ensemble de leurs héritiers présomptifs en ligne directe descendante respectifs.
  Dans ce cas, l'équilibre entre héritiers présomptifs en ligne directe descendante visé au paragraphe 1er peut être atteint notamment en tenant compte globalement des donations et avantages respectivement consentis par chacun des disposants.
Art. 4.255. Schenkingen in de globale erfovereenkomst
  § 1. De schenkingen toegekend in de overeenkomst bedoeld in dit hoofdstuk door een ouder of door de ouders gezamenlijk worden beheerst door het gemeen recht inzake schenkingen, met name wat de bekwaamheid tot schenken en ontvangen betreft.
  § 2. Elke vermoedelijke erfgenaam in rechte neerdalende lijn van de beschikker kan erin toestemmen dat zijn eigen kinderen in zijn plaats worden toebedeeld. In die hypothese omvat de overeenkomst alle kinderen van de vermoedelijke erfgenaam in rechte neerdalende lijn die verzaakt om persoonlijk te worden toebedeeld.
  In de nalatenschap van de vermoedelijke erfgenaam in rechte neerdalende lijn die heeft toegestemd dat zijn eigen kinderen in zijn plaats worden toebedeeld, worden de door hen van de beschikker verkregen goederen behandeld alsof ze deze rechtstreeks van hun ouder hebben verkregen.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan het evenwicht bedoeld in artikel 4.254, § 1, tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn die de overeenkomst ondertekenen, mag de beschikker eveneens, in de overeenkomst, een of meerdere kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner toebedelen.
Art. 4.255. Donations dans le pacte successoral global
  § 1er. Les donations consenties aux termes du pacte visé au présent chapitre par le père ou la mère ou par le père et la mère sont soumises au droit commun des donations, s'agissant notamment de la capacité de donner et de recevoir.
  § 2. Chacun des héritiers présomptifs en ligne directe descendante du disposant peut consentir à ce que ses propres enfants soient allotis en ses lieu et place. En cette hypothèse, le pacte comprend l'ensemble des enfants issus de l'héritier présomptif en ligne directe descendante qui renonce à être personnellement alloti.
  Dans la succession de l'héritier présomptif en ligne directe descendante qui a consenti à ce que ses propres enfants soient allotis en ses lieu et place, les biens qu'ils ont reçus du disposant sont traités comme s'ils les tenaient de leur auteur direct.
  § 3. Sans préjudice de l'équilibre entre les héritiers présomptifs en ligne directe descendante signataires du pacte visé à l'article 4.254, § 1er, le disposant peut également, aux termes du pacte, allotir un ou plusieurs enfants de son conjoint ou cohabitant légal.
Art. 4.256. Gevolgen van de toestemming
  De toestemming van de partijen in de overeenkomst brengt de afstand mee, in hoofde van elk van hen, aan de vordering tot inkorting en aan het verzoek tot inbreng met betrekking tot de giften waarop de overeenkomst betrekking heeft. Dit wordt vermeld in de overeenkomst.
  Evenwel brengt de toestemming van de minderjarige niet de gevolgen bepaald in het eerste lid met zich mee, ten aanzien van schenkingen bedoeld in de overeenkomst toegekend aan zijn vermoedelijke mede-erfgenamen, hoewel de toestemming van de vermoedelijke mede-erfgenamen deze gevolgen met zich meebrengt, met betrekking tot de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, toegekend aan de minderjarige.
  Niettegenstaande de afstand van de vordering tot inkorting bedoeld in het eerste lid, wordt de waarde van de overeenkomstig artikel 4.254, § 1, in de overeenkomst vermelde schenkingen opgenomen in de rekenboedel bedoeld in artikel 4.153.
  De afstand van de vordering tot inkorting kan niet tot gevolg hebben dat de giften gedaan aan derden onderworpen zijn aan een grotere inkorting dan deze die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke afstand.
  De waardering van de voordelen en de schenkingen begrepen in de overeenkomst is definitief. De aldus goedgekeurde verdeling kan bovendien niet worden betwist wegens benadeling.
Art. 4.256. Effets du consentement
  Le consentement des parties au pacte emporte renonciation, dans le chef de chacune d'elles, à l'action en réduction et à la demande de rapport portant sur les libéralités visées par le pacte. Il en est fait mention dans le pacte.
  Toutefois, le consentement du mineur n'emporte pas les effets décrits à l'alinéa 1er, à l'égard des donations consenties à ses cohéritiers présomptifs visées par le pacte, bien que le consentement desdits cohéritiers emporte ces effets, s'agissant des donations consenties au mineur visées par le pacte.
  Nonobstant la renonciation à l'action en réduction visée à l'alinéa 1er, la valeur des donations mentionnées dans le pacte conformément à l'article 4.254, § 1er, est comprise dans la masse de calcul visée à l'article 4.153.
  La renonciation à l'action en réduction ne peut avoir pour conséquence de faire subir aux libéralités consenties à des tiers une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subie en l'absence d'une telle renonciation.
  L'évaluation des avantages et donations compris dans le pacte est définitive. Le partage ainsi consenti ne peut, en outre, être attaqué pour cause de lésion.
Art. 4.257. Rechten van de echtgenoot van de beschikker
  § 1. De echtgenoot van de beschikker kan tussenkomen in de in artikel 4.254 bedoelde overeenkomst teneinde hierin toe te stemmen.
  Behoudens andersluidende bepaling in de overeenkomst, heeft de toestemming van deze, in zijn hoofde, de afstand van de vordering tot inkorting ten aanzien van de giften bedoeld in de overeenkomst tot gevolg. Hiervan wordt melding gemaakt in de overeenkomst.
  § 2. De overeenkomst blijft zonder uitwerking ten opzichte van de langstlevende echtgenoot die, terwijl hij de hoedanigheid van echtgenoot had op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst, hierin niet is tussengekomen teneinde hierin toe te stemmen.
  Ten opzichte van de langstlevende echtgenoot bedoeld in het eerste lid, worden de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen bij de overeenkomst.
  § 3. De langstlevende echtgenoot die deze hoedanigheid na de ondertekening van de overeenkomst heeft verkregen, kan de inkorting niet vragen van de erin begrepen schenkingen.
Art. 4.257. Droits du conjoint du disposant
  § 1er. Le conjoint du disposant peut intervenir au pacte visé à l'article 4.254 pour y consentir.
  Sauf disposition contraire contenue dans le pacte, le consentement de celui-ci emporte renonciation, dans son chef, à l'action en réduction à l'égard des libéralités visées par le pacte. Il en est fait mention dans le pacte.
  § 2. Le pacte demeure sans effet à l'égard du conjoint survivant qui, ayant la qualité de conjoint au moment de la signature du pacte, n'y est pas intervenu pour y consentir.
  A l'égard du conjoint survivant visé à l'alinéa 1er, les donations visées dans le pacte sont, pour les besoins de la réduction et du rapport, présumées consenties conjointement à l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne directe descendante parties au pacte.
  § 3. Le conjoint survivant ayant acquis cette qualité postérieurement à la signature du pacte ne peut demander la réduction des donations comprises dans celui-ci.
Art. 4.258. Later opdagende erfgenamen
  Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen invloed op de geldigheid van de overeenkomst, maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen opzichte.
  Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in [1 het eerste lid]1, worden de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen bij de overeenkomst.
  
Art. 4.258. Survenance de nouveaux héritiers
  La survenance, postérieurement au pacte, de nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe descendante qui seraient appelés à la succession de leur propre chef est sans incidence sur la validité du pacte, mais celui-ci demeure sans effet à leur égard.
  A l'égard des héritiers visés [1 à l'alinéa]1 1er, les donations visées dans le pacte sont, pour les besoins de la réduction et du rapport, présumées consenties conjointement à l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne directe descendante parties au pacte.
  
Art. 4.259. Vormvereisten
  De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op de overeenkomst bedoeld in dit hoofdstuk.
Art. 4.259. Exigences de forme
  Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables au pacte visé au présent chapitre.
Ondertitel 11. Centraal register van testamenten
Sous-titre 11. Registre central des testaments
Art. 4.260. Doeleinden
  Het centraal register van testamenten is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde:
  1° na het overlijden van de erflater de ontdekking van zijn testament te vergemakkelijken en het risico te verkleinen dat het bestaan van het testament onbekend blijft of te laat bekend wordt;
  2° ertoe bij te dragen dat de nalatenschappen worden vereffend overeenkomstig de wil van de erflater en derhalve, na het openvallen van de nalatenschap, binnen de perken bepaald in deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan de erfgenamen, op elektronische wijze en, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken van informatie met betrekking tot diens uiterste wilsbeschikkingen, eenzijdig of conventioneel;
  3° de raadpleging en de mededeling aan alle betrokken partijen van een erfovereenkomst, zelfs bij leven van de toekomstige erflater, mogelijk te maken;
  4° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren.
Art. 4.260. Finalités
  Le registre central des testaments est une banque de données informatisée ayant comme finalité:
  1° de faciliter, après le décès du testateur, la découverte de son testament et de réduire les risques que le testament soit ignoré ou connu tardivement;
  2° de contribuer à ce que les successions soient liquidées conformément à la volonté du défunt, et dès lors permettre, après l'ouverture de la succession, dans les limités précisées dans le présent sous-titre, la consultation et la communication aux héritiers par la voie électronique et, le cas échéant, par la voie postale, des informations relatives à ses dernières volontés, unilatérales ou conventionnelles;
  3° de permettre la consultation et la communication d'un pacte successoral à toutes les parties concernées, même du vivant du futur défunt;
  4° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le registre central à des fins d'intérêt général, et en particulier à des fins statistiques et scientifiques, ou afin d'améliorer la qualité du registre.
Art. 4.261. Op te nemen akten
  § 1. In het centraal register van testamenten worden opgenomen:
  1° de testamenten zoals omschreven in artikel 4, 1, van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, hierna "de Overeenkomst" genoemd;
  2° de terugneming, de herroeping en alle andere wijzigingen van ingevolge dit artikel geregistreerde testamenten, zoals omschreven in artikel 4, 2, van de Overeenkomst.
  De bepalingen van artikel 4 van de Overeenkomst zijn niet toepasselijk op de testamenten die bij militaire overheden worden neergelegd.
  § 2. Het door de Overeenkomst vastgestelde stelsel van registratie van testamenten wordt uitgebreid:
  1° tot de contractuele erfstellingen tussen echtgenoten, ongeacht of ze in een huwelijksovereenkomst zijn opgenomen;
  2° tot de erfovereenkomsten, ongeacht of ze in een huwelijksovereenkomst zijn opgenomen;
  3° tot de verklaringen van behoud als bedoeld in artikel 66, § 2, derde lid, 2°, en vierde lid, 2°, van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake.
  § 3. De notaris schrijft de akten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in.
Art. 4.261. Actes à inscrire
  § 1er. Sont inscrits dans le registre central des testaments:
  1° les testaments tels que précisés à l'article 4, 1, de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972, ci-après dénommée "la Convention";
  2° le retrait, la révocation et toutes les autres modifications des testaments inscrits conformément au présent article, comme il est précisé à l'article 4, 2, de la Convention.
  Les dispositions de l'article 4 de la Convention ne sont pas applicables aux testaments déposés auprès des autorités militaires.
  § 2. Le système d'inscription des testaments établi par la Convention est étendu:
  1° aux institutions contractuelles entre époux qu'elles soient ou non insérées dans une convention matrimoniale;
  2° aux pactes successoraux, qu'ils soient ou non insérés dans une convention matrimoniale;
  3° aux déclarations de maintien visées à l'article 66, § 2, alinéas 3, 2°, et 4, 2°, de la loi du 31 juillet 2017 modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière.
  § 3. Le notaire inscrit les actes visés aux paragraphes 1er et 2.
Art. 4.262. In te schrijven gegevens
  § 1. Het centraal register van testamenten bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving:
  1° van de beschikker in de gevallen bedoeld in artikel 4.261, §§ 1 en 2, 1° en 2° :
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboorteplaats en -datum;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats.
  2° van de schenker die een verklaring van behoud heeft opgemaakt, bedoeld in artikel 4.261, § 2, 3° :
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboorteplaats en -datum;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats.
  3° van de toekomstige erflater wiens nalatenschap het voorwerp is van de erfovereenkomst, bedoeld in artikel 4.261, § 2, 2° :
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboorteplaats en -datum;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  4° van de andere partij(en) dan de toekomstige erflater bij de erfovereenkomst, bedoeld in artikel 4.261, § 2, 2° :
  a) de naam en voorna(a)m(en);
  b) het [1 identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid]1;
  c) de geboorteplaats en -datum;
  d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  5° de aard en de datum van de akte, bedoeld in artikel 4.261;
  6° de identificatie van de notaris, of de met openbaar gezag beklede autoriteit of persoon die de akte heeft verleden of in bewaring heeft genomen;
  7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, en bij gebrek, het repertoriumnummer;
  8° in voorkomend geval, de plaats en datum van overlijden.
  § 2. Het centraal register van testamenten geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen.
  
Art. 4.262. Données à inscrire
  § 1er Le registre central des testaments contient les données suivantes, valables au moment de l'inscription:
  1° pour le disposant dans les cas visés à l'article 4.261, §§ 1er et 2, 1° et 2° :
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) la date et le lieu de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle.
  2° pour le donateur qui a établi une déclaration de maintien, visée à l'article 4.261, § 2, 3° :
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) la date et le lieu de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle.
  3° pour le futur défunt dont la succession est l'objet d'un pacte successoral, visé à l'article 4.261, § 2, 2° :
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) la date et le lieu de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle;
  4° pour la partie ou les parties, autre(s) que le futur défunt, au pacte successoral, visé à l'article 4.261, § 2, 2° :
  a) les nom et prénom(s);
  b) le [1 numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale]1;
  c) la date et le lieu de naissance;
  d) le domicile ou la résidence habituelle;
  5° la nature et la date de l'acte, visé à l'article 4.261;
  6° l'identification du notaire, ou de l'autorité publique ou de la personne qui a dressé l'acte ou qui a reçu l'acte en vue de son dépôt;
  7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte, telle que visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, et à défaut le numéro de répertoire;
  8° le cas échéant, le lieu et la date de décès.
  § 2. Le registre central des testaments tient lieu de source authentique des données qui y sont inscrites.
  
Art. 4.263. Inschrijvingskosten
  De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register.
Art. 4.263. Frais d'inscription
  Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription dans le registre.
Art. 4.264. Verwerkingsverantwoordelijke
  § 1. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, hierna "de beheerder" genoemd, is belast met het beheer en de organisatie van het centraal register van testamenten.
  De beheerder wordt, met betrekking tot het centraal register van testamenten, beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
  De beheerder is dus het orgaan dat belast is met de in de artikelen 2 en 3 van de Overeenkomst voorgeschreven registratie en met het beantwoorden van verzoeken om inlichtingen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 ervan.
  Hij is eveneens belast met het overzenden van de inlichtingen die door de nationale organen van de andere Overeenkomstsluitende Staten worden gevraagd.
  § 2. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met:
  1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
  2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens verwerkt over zijn verplichtingen binnen het kader van deze wet en binnen het algemeen kader van de gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer;
  3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
  4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermingsautoriteit;
  5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
  De Koning kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels bepalen volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.
Art. 4.264. Responsable du traitement
  § 1er. La Fédération Royale du Notariat belge, ci-après dénommée "le gestionnaire", est chargée de la gestion et de l'organisation du registre central des testaments.
  Le gestionnaire est considéré, pour ce qui concerne le registre central des testaments comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
  Le gestionnaire est dès lors l'organisme chargé de procéder aux inscriptions prévues par les articles 2 et 3 de la Convention et de répondre aux demandes de renseignements conformément à son article 8.
  Il est également chargé de la transmission des renseignements demandés par les organismes nationaux des autres Etats contractants.
  § 2. Le gestionnaire désigne un délégué à la protection des données. Celui-ci est plus particulièrement chargé:
  1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée, de la sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
  2° d'informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
  3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
  4° d'être le point de contact pour l'Autorité de protection des données;
  5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de l'Autorité de protection des données.
  Dans l'exercice de ses missions, le délégué à la protection des données agit en toute indépendance et fait directement rapport au gestionnaire.
  Le Roi peut, après avis de l'Autorité de protection des données, déterminer les règles sur base desquelles le délégué à la protection des données effectue ses missions.
Art. 4.265. Bewaartermijn
  De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens van de inschrijving, met vermelding van de datum van inschrijving, tot dertig jaar na het overlijden van de persoon wiens gegevens bewaard werden, of, indien de datum van overlijden niet gekend is, tot op het ogenblik dat hij de leeftijd van 145 jaar zou hebben bereikt.
  De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de gegevens met betrekking tot de raadplegingen van het register, met name de identificatiegegevens van de persoon die het register heeft geraadpleegd, de identificatiegegevens van de persoon over wie een raadpleging werd gedaan, het ogenblik van de raadpleging en de reden van de raadpleging. De gegevens worden tot tien jaar na de raadpleging bewaard. In geval van betwisting wordt deze termijn geschorst tot alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput.
Art. 4.265. Délai de conservation
  La Fédération Royale du Notariat belge conserve les données de l'inscription, avec mention de la date de l'inscription, jusqu'à trente ans après le décès de la personne dont les données sont conservées, ou, si la date du décès n'est pas connue, jusqu'au moment où elle aurait atteint l'âge de 145 ans.
  La Fédération Royale du Notariat belge conserve les données relatives aux consultations opérées dans le registre, à savoir les données d'identification de la personne qui a accédé au registre, les données d'identification de la personne sur laquelle une recherche a été effectuée, le moment de la recherche et le motif de la recherche. Les données sont conservées jusqu'à dix ans après l'accès. En cas de contestation, ce délai est suspendu jusqu'à ce que toutes les voies de recours soient épuisées.
Art. 4.266. Raadpleging
  § 1. De registratie dient zoals omschreven in artikel 8 van de Overeenkomst gedurende het leven van de erflater geheim te blijven.
  Na het overlijden van de beschikker kan eenieder, onder overlegging van een uittreksel uit de akte van overlijden of van enig ander document waaruit het overlijden blijkt, uitsluitend de volgende inlichtingen verkrijgen:
  1° de naam en voorna(a)m(en) van de beschikker of schenker;
  2° zijn geboortedatum en -plaats;
  3° zijn woonplaats of de gewone verblijfplaats;
  4° de benaming en de datum van de in het register ingeschreven akte;
  5° de naam en het adres van de notaris, de met openbaar gezag beklede autoriteit of persoon die de akte heeft verleden of in bewaring heeft genomen.
  § 2. De gegevens opgenomen in het centraal register van testamenten zijn bijgevolg tijdens het leven van de beschikker enkel toegankelijk voor:
  1° de persoon wiens gegevens werden opgenomen in het register overeenkomstig artikel 4.262, § 1, 1° tot 3°, voor wat betreft de gegevens die op hem betrekking hebben en de gegevens van de akte;
  2° de notarissen, alsook voor de Belgische diplomatieke zendingen en consulaire posten in het buitenland, voor de gegevens van de akten die door hen in het register werden ingeschreven.
  § 3. Het centraal register van testamenten kan, voor wat de erfovereenkomsten betreft, evenwel eveneens worden geraadpleegd tijdens het leven van de partijen bij de erfovereenkomst, door de partijen zelf, door de toekomstige erflater, door de notaris die de erfovereenkomst heeft verleden, en door de notaris die gelast wordt met de opmaak hetzij van een schenking, hetzij van een erfovereenkomst, hetzij van een uiterste wilsbeschikking voor dezelfde toekomstige erflater.
  Kunnen eveneens het centraal register van testamenten tijdens het leven van de partijen bij die erfovereenkomst raadplegen, de vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn van een partij bij de erfovereenkomst, doch enkel voor wat betreft de gegevens die op deze partij bij de erfovereenkomst betrekking hebben, in geval van overlijden van deze partij bij de erfovereenkomst vóór de toekomstige erflater op wiens nalatenschap de erfovereenkomst betrekking heeft.
  § 4. Het is de beheerder verboden de in het centraal register van testamenten opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in de paragrafen 1, 2 en 3.
  Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in de voorgaande paragrafen bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.
  § 5. De toegang tot de gegevens van het centraal register van testamenten is kosteloos.
  De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragrafen 1 en 2 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers.
Art. 4.266. Consultation
  § 1er. L'inscription doit rester secrète du vivant du testateur, comme il est prévu à l'article 8 de la Convention.
  Après le décès du disposant, toute personne pourra, sur présentation d'un extrait de l'acte de décès ou de tout autre document justifiant du décès, obtenir uniquement les renseignements suivants:
  1° les nom et prénom(s) du disposant ou du donateur;
  2° la date et le lieu de sa naissance;
  3° son domicile ou la résidence habituelle;
  4° la dénomination et la date de l'acte inscrit au registre;
  5° le nom et l'adresse du notaire, de l'autorité publique ou de la personne qui a reçu l'acte ou le détient en dépôt.
  § 2. Les données inscrites dans le registre central des testaments ne sont dès lors accessibles, du vivant du disposant, que pour:
  1° la personne dont les données sont reprises dans le registre conformément à l'article 4.262, § 1, 1° à 3°, en ce qui concerne les données la concernant et les données de l'acte;
  2° les notaires, ainsi qu'aux missions diplomatiques et aux postes consulaires belges à l'étranger, pour les données des actes qui ont été inscrites dans le registre par leur intermédiaire.
  § 3. En ce qui concerne les pactes successoraux, le registre central des testaments peut cependant aussi être consulté du vivant des parties au pacte successoral, par les parties mêmes, par le futur défunt, par le notaire qui a reçu le pacte successoral, et par le notaire qui est chargé de l'établissement soit d'une donation, soit d'un pacte successoral, soit d'une disposition de dernière volonté, pour le même futur défunt.
  Peuvent également consulter le registre central des testaments du vivant des parties à ce pacte, les héritiers présomptifs en ligne directe descendante d'une partie au pacte successoral, mais uniquement pour les données qui concernent cette partie au pacte successoral, en cas de décès de cette partie au pacte successoral avant le futur défunt dont la succession est visée par le pacte successoral.
  § 4. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données inscrites dans le registre central des testaments à d'autres personnes que celles qui y ont accès comme déterminé aux paragraphes 1er, 2 et 3.
  Sans préjudice des dispositions légales visant à la protection des données à caractère personnel, quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées aux paragraphes précédents, ou a connaissance de ces données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
  L'article 458 du Code pénal leur est applicable.
  § 5. L'accès aux données du registre central des testaments est gratuit.
  Le gestionnaire du registre peut autoriser la consultation en ligne pour les parties intéressées visées aux paragraphes 1er et 2 qui en font la demande, dans les limites de leurs droits de consultation. Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais supplémentaires supportés par celui-ci dans l'exercice de cette mission seront facturés aux personnes ayant consulté le registre.