Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 DECEMBER 2023. - Programmawet(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2023 en tekstbijwerking tot 26-05-2025)
Titre
22 DECEMBRE 2023. - Loi-programme(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2023 et mise à jour au 26-05-2025)
Dokumentinformationen
Numac: 2023048600
Datum: 2023-12-22
Info du document
Numac: 2023048600
Date: 2023-12-22
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek dive...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Wetboek der re...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen betreffende de inkom...
Afdeling 1. - Flexi-jobs
Afdeling 2. - Aanpassingen artikelen 54 en 344,...
Afdeling 3. - Gespecialiseerde vastgoedbeleggin...
Afdeling 4. - Vrijstelling van doorstorting van...
Afdeling 5. - Fiscale werkbonus
Afdeling 6. - CFC
Afdeling 7. - Wijzigingen van het aanslagstelse...
Afdeling 8. - Aftrekbeperking van de jaarlijkse...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen betreffende de accij...
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet van...
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 3 apri...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen betreffende de belas...
Afdeling 1. - Verlaagd btw-tarief met betrekkin...
Afdeling 2. - Verlaagd btw-tarief met betrekkin...
TITEL 3. - Defensie
ENIG HOOFDSTUK. - Buitenlandse beursstagiairs
TITEL 4. - Ontwikkelingssamenwerking
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de programmawet...
TITEL 5. - Zelfstandigen
HOOFDSTUK 1. - Register en werkende vennoten en...
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk be...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van e...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding en overgangsbepa...
HOOFDSTUK 2. - Mentaal welzijn op het werk voor...
Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besl...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 april...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
TITEL 6. - Economie
ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van het Wetboek v...
Afdeling 1. - Wijziging van boek I van het Wetb...
Afdeling 2. - Wijzigingen van boek XVII van het...
TITEL 7. - Werk
HOOFDSTUK 1. - Het gebruik van het geregistreer...
HOOFDSTUK 2. - Doelgroepvermindering collectiev...
HOOFDSTUK 3. - Activeringsbijdrage
HOOFDSTUK 4. - Renteloze lening vanwege het Fon...
HOOFDSTUK 5. - Toeslag bij tijdelijke werkloosheid
TITEL 8. - Gezondheid
HOOFDSTUK 1. - Geneesmiddelen
Afdeling 1. - Hervorming van de besparingsmaatr...
Afdeling 2. - Tarifering per eenheid
Afdeling 3. - Heffingen op de omzet
Afdeling 4. - Bijdrage op marketing
Afdeling 5. - RIZIV farmaceutische taksmodulatie
HOOFDSTUK 2. - Gezondheidszorg
Afdeling 1. - Maximumtarieven
Afdeling 2. - Opmaken van de begroting voor gen...
Afdeling 3. - Betrekkingen met de tandheelkundigen
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 9 decem...
HOOFDSTUK 4. - Subsidies Afereseplasma
HOOFDSTUK 5. - Financiering van het Federaal Ag...
Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 20 jul...
Afdeling 2. - Financiering van het Bioplatform
Afdeling 3. - Opheffingsbepalingen
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
TITEL 9. - Pensioenen
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 16 n...
TITEL 10. - Sociale zaken
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 18 apri...
Afdeling 1. - Alternatieve financiering van het...
Afdeling 2. - Alternatieve financiering van het...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Uitkeringsverzekering
Afdeling 1. - Verhoging van het bedrag van de w...
Afdeling 2. - Afschaffing van de opleidingsprem...
Afdeling 3. - Provisionele inhouding op de admi...
HOOFDSTUK 3. - Werkbonus
HOOFDSTUK 4. - Flexi-jobs
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 29 juni ...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 16 novem...
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 20 septe...
Afdeling 4. - Wijziging aan de wet van 27 juni ...
Afdeling 5. - Wijziging van het Sociaal Strafwe...
Afdeling 6. - Evaluatie
Afdeling 7. - Overgangsbepaling
Afdeling 8. - Inwerkingtreding
TITEL 11. - Justitie
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 3 ap...
Inhoud
TITRE 1. er. - Disposition générale
TITRE 2. - Finances
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code des droit...
CHAPITRE 2. - Modification du Code des droits d...
CHAPITRE 3. - Modifications relatives aux impôt...
Section 1re. - Flexi-jobs
Section 2. - Adaptations des articles 54 et 344...
Section 3. - Fonds d'investissement immobiliers...
Section 4. - Dispense de versement du précompte...
Section 5. - Bonus fiscal à l'emploi
Section 6. - CFC
Section 7. - Modifications du régime de taxatio...
Section 8. - Limitation de la déduction de la t...
CHAPITRE 4. - Modifications relatives aux accises
Section 1re. - Modification de la loi-programme...
Section 2. - Modifications de la loi du 3 avril...
Section 3. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 5. - Modifications relatives à la taxe...
Section 1re. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui ...
Section 2. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui co...
TITRE 3. - Défense
CHAPITRE UNIQUE. - Stagiaires boursiers étrangers
TITRE 4. - Coopération au développement
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi-progr...
TITRE 5. - Indépendants
CHAPITRE 1er. - Registre des associés actifs et...
Section 1re. - Modifications de l'arrêté royal ...
Section 2. - Modifications du Code de droit éco...
Section 3. - Entrée en vigueur et dispositions ...
CHAPITRE 2. - Bien-être mental au travail pour ...
Section 1re. - Modification de l'arrêté royal n...
Section 2. - Modification de la loi du 18 avril...
Section 3. - Entrée en vigueur
TITRE 6. - Economie
CHAPITRE UNIQUE. - Modifications du Code de dro...
Section 1re. - Modification du livre I du Code ...
Section 2. - Modifications du livre XVII du Cod...
TITRE 7. - Travail
CHAPITRE 1er. - L'utilisation du système de cai...
CHAPITRE 2. - Réduction groupe-cible réduction ...
CHAPITRE 3. - Cotisation d'activation
CHAPITRE 4. - Prêt sans intérêt du Fonds d'inde...
CHAPITRE 5. - Supplément en cas de chômage temp...
TITRE 8. - Santé
CHAPITRE 1er. - Médicaments
Section 1re. - Réforme des mesures d'économies ...
Section 2. - Tarification par unité
Section 3. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Section 4. - Contribution sur le marketing
Section 5. - Modulation des taxes pharmaceutiqu...
CHAPITRE 2. - Soins de santé
Section 1re. - Tarifs maximums
Section 2. - De l'établissement du budget des s...
Section 3. - Des rapports avec les praticiens d...
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 9 décem...
CHAPITRE 4. - Subventions pour le plasma d'aphé...
CHAPITRE 5. - Financement de l'Agence fédérale ...
Section 1re.- Modifications à la loi du 20 juil...
Section 2. - Financement de la Bioplateforme
Section 3. - Dispositions abrogatoires
Section 4. - Entrée en vigueur
TITRE 9. - Pensions
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 16...
TITRE 10. - Affaires sociales
CHAPITRE 1er.- Modification de la loi du 18 avr...
Section 1re. - Financement alternatif du régime...
Section 2. - Financement alternatif du régime d...
Section 3. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 2. - Assurance indemnités
Section 1re. - Augmentation du montant de la pr...
Section 2. - Suppression de la prime de formati...
Section 3. - Retenue provisoire sur les frais d...
CHAPITRE 3. - Bonus à l'emploi
CHAPITRE 4. - Flexi-jobs
Section 1re. - Modification de la loi du 29 jui...
Section 2. - Modification de la loi du 16 novem...
Section 3. - Modification de la loi du 20 septe...
Section 4. - Modification de la loi du 27 juin ...
Section 5. - Modification du Code pénal social
Section 6. - Evaluation
Section 7. - Disposition transitoire
Section 8. - Entrée en vigueur
TITRE 11. - Justice
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 3 ...
Tekst (279)
Texte (279)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1. er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Financiën
TITRE 2. - Finances
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen met betrekking tot de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen
CHAPITRE 1er. - Modifications du Code des droits et taxes divers relatives à la taxe annuelle sur les établissements de crédit
Art.2. Artikel 20112 van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012, vervangen bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, wordt aangevuld met de woorden "voor de eerste 50 miljard euro van de belastbare grondslag en op 0,17581 pct. voor het deel van de belastbare grondslag dat 50 miljard euro overschrijdt.".
Art.2. L'article 20112 du Code des droits et taxes divers, inséré par la loi du 22 juin 2012, remplacé par la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 3 août 2016, est complété par les mots "sur les 50 premiers milliards d'euros de base imposable et à 0,17581 p.c. sur la partie de la base imposable qui excède 50 milliards d'euros.".
Art.3. Artikel 20119 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 22 juni 2012, wordt vervangen als volgt:
"Art. 20119.De kredietinstellingen en hun bijkantoren mogen noch de taks noch de in het tweede lid bedoelde boete verhalen op de cliënten bedoeld in artikel 20111.
Elke overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een boete volgens een door de Koning vastgelegde schaal die gaat van 10 pct. tot 200 pct. in functie van de herhaling van de overtreding. De boete wordt berekend op de verschuldigde taks voor het aanslagjaar waarop de verhaalde taks of de boete betrekking heeft.".
"Art. 20119.De kredietinstellingen en hun bijkantoren mogen noch de taks noch de in het tweede lid bedoelde boete verhalen op de cliënten bedoeld in artikel 20111.
Elke overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een boete volgens een door de Koning vastgelegde schaal die gaat van 10 pct. tot 200 pct. in functie van de herhaling van de overtreding. De boete wordt berekend op de verschuldigde taks voor het aanslagjaar waarop de verhaalde taks of de boete betrekking heeft.".
Art.3. L'article 20119 du même Code, inséré par la loi-programme du 22 juin 2012, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 20119.Les établissements de crédit et leurs succursales ne peuvent répercuter ni la taxe ni l'amende visée à l'alinéa 2 sur la clientèle visée à l'article 20111.
Toute contravention à cette disposition est punie d'une amende établie selon une échelle déterminée par le Roi, allant de 10 p.c. à 200 p.c. en fonction de la répétition de la contravention. L'amende est liquidée sur la taxe due pour l'exercice d'imposition auquel se rapporte la taxe ou l'amende répercutée.".
"Art. 20119.Les établissements de crédit et leurs succursales ne peuvent répercuter ni la taxe ni l'amende visée à l'alinéa 2 sur la clientèle visée à l'article 20111.
Toute contravention à cette disposition est punie d'une amende établie selon une échelle déterminée par le Roi, allant de 10 p.c. à 200 p.c. en fonction de la répétition de la contravention. L'amende est liquidée sur la taxe due pour l'exercice d'imposition auquel se rapporte la taxe ou l'amende répercutée.".
Art.4. De artikelen 2 en 3 treden in werking op 30 december 2023.
Art.4. Les articles 2 et 3 entrent en vigueur le 30 décembre 2023.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten met betrekking tot de vestigingen en overdrachten van erfpacht- en opstalrechten
CHAPITRE 2. - Modification du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe relative aux constitutions et cessions de droits d'emphytéose et de superficie
Art.5. In artikel 83, eerste lid, 3°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de programmawet van 28 juni 2013, worden de woorden "2 pct." vervangen door de woorden "5 pct.".
Art.5. Dans l'article 83, alinéa 1er, 3°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, inséré par la loi-programme du 28 juin 2013, les mots "2 p.c." sont remplacés par les mots "5 p.c.".
Art.6. Artikel 5 treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.6. L'article 5 entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen betreffende de inkomstenbelastingen
CHAPITRE 3. - Modifications relatives aux impôts sur les revenus
Afdeling 1. - Flexi-jobs
Section 1re. - Flexi-jobs
Art.7. In artikel 38 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 29°, worden de woorden "voor prestaties door in artikel 2, § 1, eerste tot vijfde lid, van de voormelde wet bedoelde werknemers" ingevoegd tussen de woorden "de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken" en de woorden ", op voorwaarde dat ";
2° in paragraaf 1, eerste lid, 29°, worden de woorden "25 pct." vervangen door de woorden "28 pct.";
3° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 29° aangevuld met de zin:
"Wanneer de werknemer geen gepensioneerde is als bedoeld in artikel 3, 7°, van de voormelde wet van 16 november 2015, geldt deze vrijstelling evenwel slechts ten belope van 12.000 euro per belastbaar tijdperk;";
4° er wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidende:
" § 5/1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in paragraaf 1, eerste lid, 29°, bedoelde vrijstelling van toepassing maken op de bezoldigingen voor prestaties door werknemers die bij toepassing van artikel 2, § 1, zesde tot achtste lid, en § 2, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken onder het toepassingsgebied van de in hoofdstuk 2 van diezelfde wet bedoelde flexi-jobregeling worden gebracht.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het eerste lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, 29°, worden de woorden "voor prestaties door in artikel 2, § 1, eerste tot vijfde lid, van de voormelde wet bedoelde werknemers" ingevoegd tussen de woorden "de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken" en de woorden ", op voorwaarde dat ";
2° in paragraaf 1, eerste lid, 29°, worden de woorden "25 pct." vervangen door de woorden "28 pct.";
3° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 29° aangevuld met de zin:
"Wanneer de werknemer geen gepensioneerde is als bedoeld in artikel 3, 7°, van de voormelde wet van 16 november 2015, geldt deze vrijstelling evenwel slechts ten belope van 12.000 euro per belastbaar tijdperk;";
4° er wordt een paragraaf 5/1 ingevoegd, luidende:
" § 5/1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in paragraaf 1, eerste lid, 29°, bedoelde vrijstelling van toepassing maken op de bezoldigingen voor prestaties door werknemers die bij toepassing van artikel 2, § 1, zesde tot achtste lid, en § 2, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken onder het toepassingsgebied van de in hoofdstuk 2 van diezelfde wet bedoelde flexi-jobregeling worden gebracht.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het eerste lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.".
Art.7. A l'article 38 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, les mots "pour des prestations par des travailleurs visés à l'article 2, § 1er, alinéas 1er à 5, de la loi précitée" sont insérés entres les mots "de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale" et les mots ", à condition que ";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, les mots "25 p.c." sont remplacés par les mots "28 p.c.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 29° est complété par la phrase:
"Toutefois, lorsque le travailleur n'est pas un pensionné tel que visé à l'article 3, 7°, de la loi du 16 novembre 2015 précitée, la présente exonération ne s'applique qu'à concurrence de 12.000 euros par période imposable;";
4° un paragraphe 5/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 5/1. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, rendre l'exonération visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, applicable aux rémunérations des prestations fournies par les travailleurs qui sont placés, par application de l'article 2, § 1er, alinéas 6 à 8, et § 2, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, dans le champ d'application du régime flexi-job visé au chapitre 2 de la même loi.
Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution de l'alinéa 1er. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de la date de leur publication au Moniteur belge.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, les mots "pour des prestations par des travailleurs visés à l'article 2, § 1er, alinéas 1er à 5, de la loi précitée" sont insérés entres les mots "de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale" et les mots ", à condition que ";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, les mots "25 p.c." sont remplacés par les mots "28 p.c.";
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 29° est complété par la phrase:
"Toutefois, lorsque le travailleur n'est pas un pensionné tel que visé à l'article 3, 7°, de la loi du 16 novembre 2015 précitée, la présente exonération ne s'applique qu'à concurrence de 12.000 euros par période imposable;";
4° un paragraphe 5/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 5/1. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, rendre l'exonération visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 29°, applicable aux rémunérations des prestations fournies par les travailleurs qui sont placés, par application de l'article 2, § 1er, alinéas 6 à 8, et § 2, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, dans le champ d'application du régime flexi-job visé au chapitre 2 de la même loi.
Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution de l'alinéa 1er. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de la date de leur publication au Moniteur belge.".
Art.8. In artikel 129/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, worden de woorden "38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, en 17°, " vervangen door de woorden "38, § 1, eerste lid, 9°, c, 14°, a, 17° en 29°, ".
Art.8. A l'article 129/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié en dernier lieu par la loi programme du 26 décembre 2022, les mots "38, § 1er, alinéa 1er, 9°, c, 14°, a, et 17°, " sont remplacés par les mots "38, § 1er, alinéa 1er, 9°, c, 14°, a, 17° et 29°, ".
Art.9. Artikel 171/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2015 en opgeheven bij de wet van 25 december 2016, wordt hersteld als volgt:
"Art. 171/1. Artikel 171 is niet van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-jobarbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken maar die niet worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, omwille van het overschrijden van het in diezelfde bepaling vermelde maximumbedrag.".
"Art. 171/1. Artikel 171 is niet van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-jobarbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken maar die niet worden vrijgesteld bij toepassing van artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, omwille van het overschrijden van het in diezelfde bepaling vermelde maximumbedrag.".
Art.9. L'article 171/1 du même Code, inséré par la loi du 26 décembre 2015 et abrogé par la loi du 25 décembre 2016, est rétabli comme suit:
"Art. 171/1. L'article 171 n'est pas applicable aux rémunérations payées ou attribuées en exécution d'un contrat de travail flexi-job tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale mais qui ne sont pas exonérés en application de l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, en raison du dépassement du montant maximum prévu dans cette même disposition.".
"Art. 171/1. L'article 171 n'est pas applicable aux rémunérations payées ou attribuées en exécution d'un contrat de travail flexi-job tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale mais qui ne sont pas exonérés en application de l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, en raison du dépassement du montant maximum prévu dans cette même disposition.".
Art.10. In artikel 178, § 5, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2009, worden de woorden "in artikel 38/1" vervangen door de woorden "in de artikelen 38, § 1, eerste lid, 29°, en 38/1".
Art.10. A l'article 178, § 5, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 2009, les mots "à l'article 38/1" sont remplacés par les mots "aux articles 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, et 38/1".
Art.11. Artikel 7, 1° en 2°, is van toepassing op de bezoldigingen die worden toegekend vanaf 1 januari 2024.
De artikelen 7, 3°, 8, 9 en 10 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2025.
De artikelen 7, 3°, 8, 9 en 10 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2025.
Art.11. L'article 7, 1° et 2°, est applicable aux rémunérations attribuées à partir du 1erjanvier 2024.
Les articles 7, 3°, 8, 9 et 10 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2025.
Les articles 7, 3°, 8, 9 et 10 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2025.
Afdeling 2. - Aanpassingen artikelen 54 en 344, § 2, WIB 92 ingevolge het SIAT-arrest
Section 2. - Adaptations des articles 54 et 344, § 2, CIR 92 suite à l'arrêt SIAT
Art.12. Artikel 54 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, wordt als volgt vervangen:
"Art. 54. § 1. Interesten, in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde vergoedingen, die worden betaald als compensatie voor deze intresten, retributies voor de concessie van het gebruik van uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés en andere dergelijke rechten, of bezoldigingen voor prestaties of diensten, worden niet als beroepskosten aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling dat aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de betaling deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.".
"Art. 54. § 1. Interesten, in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde vergoedingen, die worden betaald als compensatie voor deze intresten, retributies voor de concessie van het gebruik van uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés en andere dergelijke rechten, of bezoldigingen voor prestaties of diensten, worden niet als beroepskosten aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waarin zij zijn gevestigd daar niet onderworpen zijn aan een inkomstenbelasting of voor die inkomsten in kwestie onderworpen zijn aan een belastingregeling dat aanzienlijk voordeliger is dan de regeling waaraan die inkomsten onderworpen zijn in België.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
§ 3. Paragraaf 1 is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de betaling deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.".
Art.12. L'article 54 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, est remplacé comme suit:
"Art. 54. § 1er. Les intérêts, indemnités visées à l'article 90, alinéa 1er, 11°, qui sont payées en compensation de ces intérêts, redevances pour la concession de l'usage de brevets d'invention, procédés de fabrication et autres droits analogues ou les rémunérations de prestations ou de services, ne sont pas considérés comme des frais professionnels lorsqu'ils sont payés ou attribués directement ou indirectement à un contribuable visé à l'article 227, ou à un établissement étranger, avec qui le contribuable établi en Belgique se trouve directement ou indirectement dans des liens quelconques d'interdépendance et qui, en vertu des dispositions de la législation du pays où ils sont établis, n'y sont pas soumis à un impôt sur les revenus ou y sont soumis, pour les revenus de l'espèce, à un régime de taxation notablement plus avantageux que celui auquel ces revenus sont soumis en Belgique.
§ 2. Le paragraphe 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable justifie que l'opération est réalisée avec une entreprise soumise à un impôt sur les revenus effectif qui est au moins égal à la moitié de l'impôt sur les revenus qui serait dû si cette entreprise était établie en Belgique.
§ 3. Le paragraphe 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable démontre par tous moyens de preuve, à l'exception du serment, que le paiement s'inscrit dans le cadre d'une opération authentique en ce sens qu'elle a été mise en place pour des motifs commerciaux valables qui reflètent la réalité économique.".
"Art. 54. § 1er. Les intérêts, indemnités visées à l'article 90, alinéa 1er, 11°, qui sont payées en compensation de ces intérêts, redevances pour la concession de l'usage de brevets d'invention, procédés de fabrication et autres droits analogues ou les rémunérations de prestations ou de services, ne sont pas considérés comme des frais professionnels lorsqu'ils sont payés ou attribués directement ou indirectement à un contribuable visé à l'article 227, ou à un établissement étranger, avec qui le contribuable établi en Belgique se trouve directement ou indirectement dans des liens quelconques d'interdépendance et qui, en vertu des dispositions de la législation du pays où ils sont établis, n'y sont pas soumis à un impôt sur les revenus ou y sont soumis, pour les revenus de l'espèce, à un régime de taxation notablement plus avantageux que celui auquel ces revenus sont soumis en Belgique.
§ 2. Le paragraphe 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable justifie que l'opération est réalisée avec une entreprise soumise à un impôt sur les revenus effectif qui est au moins égal à la moitié de l'impôt sur les revenus qui serait dû si cette entreprise était établie en Belgique.
§ 3. Le paragraphe 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable démontre par tous moyens de preuve, à l'exception du serment, que le paiement s'inscrit dans le cadre d'une opération authentique en ce sens qu'elle a été mise en place pour des motifs commerciaux valables qui reflètent la réalité économique.".
Art.13. Artikel 344, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, wordt als volgt vervangen:
" § 2. Aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen kan evenmin worden tegengeworpen, de verkoop, de cessie of de inbreng van aandelen, obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen, auteursrechten en naburige rechten, uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken of andere soortgelijke rechten of sommen geld, rechtstreeks of onrechtstreeks, aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij zijn gevestigd, niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling is onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.".
" § 2. Aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen kan evenmin worden tegengeworpen, de verkoop, de cessie of de inbreng van aandelen, obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen, auteursrechten en naburige rechten, uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken of andere soortgelijke rechten of sommen geld, rechtstreeks of onrechtstreeks, aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij zijn gevestigd, niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling is onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.".
Art.13. L'article 344, § 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, est remplacé comme suit:
" § 2. N'est pas non plus opposable à l'administration en charge de l'établissement des impôts sur les revenus, la vente, la cession ou l'apport d'actions, d'obligations, de créances ou d'autres titres constitutifs d'emprunts, de droits d'auteur et de droits voisins, de brevets d'invention, de procédés de fabrication, de marques de fabrique ou de commerce, ou de tous autres droits analogues ou de sommes d'argent, directement ou indirectement, à un contribuable visé à l'article 227 ou à un établissement étranger, avec qui le contribuable établi en Belgique se trouve directement ou indirectement dans des liens quelconques d'interdépendance et qui, en vertu des dispositions de la législation du pays où ils sont établis n'y est pas soumis à un impôt sur les revenus ou y est soumis, du chef des revenus produits par les biens et droits aliénés, à un régime de taxation notablement plus avantageux que celui auquel les revenus de l'espèce sont soumis en Belgique.
L'alinéa 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable justifie que l'opération est réalisée avec une entreprise soumise à un impôt sur les revenus effectif qui est au moins égal à la moitié de l'impôt sur les revenus qui serait dû si cette entreprise était établie en Belgique.
L'alinéa 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable démontre par tous moyens de preuve, à l'exception du serment, que l'opération s'inscrit dans le cadre d'une opération authentique en ce sens qu'elle a été mise en place pour des motifs commerciaux valables qui reflètent la réalité économique.".
" § 2. N'est pas non plus opposable à l'administration en charge de l'établissement des impôts sur les revenus, la vente, la cession ou l'apport d'actions, d'obligations, de créances ou d'autres titres constitutifs d'emprunts, de droits d'auteur et de droits voisins, de brevets d'invention, de procédés de fabrication, de marques de fabrique ou de commerce, ou de tous autres droits analogues ou de sommes d'argent, directement ou indirectement, à un contribuable visé à l'article 227 ou à un établissement étranger, avec qui le contribuable établi en Belgique se trouve directement ou indirectement dans des liens quelconques d'interdépendance et qui, en vertu des dispositions de la législation du pays où ils sont établis n'y est pas soumis à un impôt sur les revenus ou y est soumis, du chef des revenus produits par les biens et droits aliénés, à un régime de taxation notablement plus avantageux que celui auquel les revenus de l'espèce sont soumis en Belgique.
L'alinéa 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable justifie que l'opération est réalisée avec une entreprise soumise à un impôt sur les revenus effectif qui est au moins égal à la moitié de l'impôt sur les revenus qui serait dû si cette entreprise était établie en Belgique.
L'alinéa 1ern'est pas d'application lorsque le contribuable démontre par tous moyens de preuve, à l'exception du serment, que l'opération s'inscrit dans le cadre d'une opération authentique en ce sens qu'elle a été mise en place pour des motifs commerciaux valables qui reflètent la réalité économique.".
Art.14. Artikel 12 treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op de bedragen die vanaf 1 januari 2024 worden betaald of toegekend.
Artikel 13 treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 1 januari 2024 worden gedaan.
Artikel 13 treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 1 januari 2024 worden gedaan.
Art.14. L'article 12 entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable aux sommes qui sont payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2024.
L'article 13 entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable aux opérations qui sont effectuées à partir du 1er janvier 2024.
L'article 13 entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable aux opérations qui sont effectuées à partir du 1er janvier 2024.
Afdeling 3. - Gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen
Section 3. - Fonds d'investissement immobiliers spécialisés
Art.15. Artikel 219quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en ingetrokken bij de wet van 13 april 2019, wordt hersteld als volgt:
"Art. 219quinquies. § 1. Een afzonderlijke aanslag van 10 pct. wordt gevestigd wat betreft:
- de belastbare bedragen bij een in de artikelen 210, § 1, 6°, en 211, § 1, zesde lid, vermelde verrichting;
- de belastbare bedragen bij een in artikel 46, § 1, tweede lid, vermelde verrichting of een meerwaarde verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanslag wordt enkel gevestigd voor zover het in artikel 217, eerste lid, 1°, bedoelde tarief werd toegepast en wanneer:
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste streepje, het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds dat aan de in die bepaling bedoelde verrichtingen heeft deelgenomen, niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van zijn inschrijving bij de FOD Financiën op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ononderbroken ingeschreven is gebleven; of
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, tweede streepje, de inbrenger de aandelen verkregen in ruil voor de inbreng in het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van verkrijging van die aandelen ononderbroken heeft aangehouden.
§ 3. Paragraaf 1 is van toepassing in het belastbare tijdperk waarin aan de in paragraaf 2 bedoelde ononderbroken periode niet langer voldaan is.".
"Art. 219quinquies. § 1. Een afzonderlijke aanslag van 10 pct. wordt gevestigd wat betreft:
- de belastbare bedragen bij een in de artikelen 210, § 1, 6°, en 211, § 1, zesde lid, vermelde verrichting;
- de belastbare bedragen bij een in artikel 46, § 1, tweede lid, vermelde verrichting of een meerwaarde verwezenlijkt naar aanleiding van een exclusief met nieuwe aandelen vergoede inbreng van een onroerend goed in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde aanslag wordt enkel gevestigd voor zover het in artikel 217, eerste lid, 1°, bedoelde tarief werd toegepast en wanneer:
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste streepje, het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds dat aan de in die bepaling bedoelde verrichtingen heeft deelgenomen, niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van zijn inschrijving bij de FOD Financiën op de lijst van gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ononderbroken ingeschreven is gebleven; of
- in de gevallen bedoeld in paragraaf 1, tweede streepje, de inbrenger de aandelen verkregen in ruil voor de inbreng in het gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfonds niet gedurende een periode van ten minste vijf jaar vanaf de datum van verkrijging van die aandelen ononderbroken heeft aangehouden.
§ 3. Paragraaf 1 is van toepassing in het belastbare tijdperk waarin aan de in paragraaf 2 bedoelde ononderbroken periode niet langer voldaan is.".
Art.15. L'article 219quinquies du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et retiré par la loi du 13 avril 2019, est rétabli comme suit:
"Art. 219quinquies. § 1er. Une cotisation spéciale de 10 p.c. est établie en ce qui concerne:
- les sommes imposables à l'occasion d'une opération visée aux articles 210, § 1er, 6°, et 211, § 1er, alinéa 6;
- les sommes imposables à l'occasion d'une opération visée à l'article 46, § 1er, alinéa 2, ou une plus-value réalisée à l'occasion de l'apport rémunéré exclusivement par des actions ou parts nouvelles d'un bien immobilier dans une société qui est inscrite auprès du SPF Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés.
§ 2. La cotisation visée au paragraphe 1er n'est établie que dans la mesure où le taux visé à l'article 217, premier alinéa, 1°, a été appliqué et lorsque:
- dans les cas visés au paragraphe 1er, premier tiret, le fonds d'investissement immobilier spécialisé qui a participé aux opérations visées par cette disposition n'est pas resté inscrit de manière ininterrompue pendant une période d'au moins cinq ans à compter du jour de son inscription auprès du SPF Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés; ou
- dans les cas visés au paragraphe 1er, deuxième tiret, l'apporteur n'a pas détenu les actions ou parts du fonds d'investissement immobilier spécialisé obtenues en échange de l'apport pendant une période ininterrompue d'au moins cinq ans à compter de la date d'acquisition de ces actions ou parts.
§ 3. Le paragraphe 1er est applicable pour la période imposable au cours de laquelle la période ininterrompue visée au paragraphe 2 n'est plus satisfaite.".
"Art. 219quinquies. § 1er. Une cotisation spéciale de 10 p.c. est établie en ce qui concerne:
- les sommes imposables à l'occasion d'une opération visée aux articles 210, § 1er, 6°, et 211, § 1er, alinéa 6;
- les sommes imposables à l'occasion d'une opération visée à l'article 46, § 1er, alinéa 2, ou une plus-value réalisée à l'occasion de l'apport rémunéré exclusivement par des actions ou parts nouvelles d'un bien immobilier dans une société qui est inscrite auprès du SPF Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés.
§ 2. La cotisation visée au paragraphe 1er n'est établie que dans la mesure où le taux visé à l'article 217, premier alinéa, 1°, a été appliqué et lorsque:
- dans les cas visés au paragraphe 1er, premier tiret, le fonds d'investissement immobilier spécialisé qui a participé aux opérations visées par cette disposition n'est pas resté inscrit de manière ininterrompue pendant une période d'au moins cinq ans à compter du jour de son inscription auprès du SPF Finances sur la liste des fonds d'investissement immobiliers spécialisés; ou
- dans les cas visés au paragraphe 1er, deuxième tiret, l'apporteur n'a pas détenu les actions ou parts du fonds d'investissement immobilier spécialisé obtenues en échange de l'apport pendant une période ininterrompue d'au moins cinq ans à compter de la date d'acquisition de ces actions ou parts.
§ 3. Le paragraphe 1er est applicable pour la période imposable au cours de laquelle la période ininterrompue visée au paragraphe 2 n'est plus satisfaite.".
Art.16. Artikel 15 treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing in de gevallen waarbij vanaf 1 januari 2024 niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde van een ononderbroken periode van ten minste vijf jaar als bedoeld in artikel 15.
Art.16. L'article 15 entre en vigueur le 1er janvier 2024 et est applicable dans les cas où la condition de période ininterrompue d'au moins cinq ans visée à l'article 15 n'est pas remplie à partir du 1er janvier 2024.
Afdeling 4. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ter compensatie van de verhoging van het minimumloon voor de gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt
Section 4. - Dispense de versement du précompte professionnel en compensation de l'augmentation du salaire minimum pour les travailleurs occasionnels dans le secteur de la fruiticulture et la culture maraîchère
Art.17. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 27513 ingevoegd, luidende:
"Art. 27513. § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° fruitteelt: de teelt van hard fruit, zacht fruit en steenvruchten met inbegrip van de druiventeelt;
2° groenteteelt: de teelt van groenten in open lucht of onder glas, met uitzondering van de teelt van paddenstoelen en truffels;
3° gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt: gelegenheidsarbeider als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die is tewerkgesteld door een in artikel 4 bedoelde werkgever;
4° uur gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt: een uur dat effectief wordt gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt evenals een uur dat met een effectief gepresteerd uur als gelegenheidsarbeider wordt gelijkgesteld en waarvoor het normale loon verschuldigd is door de werkgever.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen voor vanaf 1 januari 2024 geleverde prestaties als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn op de bezoldigingen van de betrokken gelegenheidsarbeiders in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de bedrijfsvoorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
De niet te storten bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 1,23 euro per uur vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt en waarvoor voor het eerst bezoldigingen worden betaald of toegekend.
§ 4. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt toegepast op de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de bezoldigingen van alle gelegenheidsarbeiders in de fruit- of groenteteelt die door de betrokken werkgever worden tewerkgesteld, na toepassing van de in de artikelen 2751, 2755, 2758 tot 27510 en 27512 bedoelde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die aanvullend bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal verschuldigd is, wordt ingehouden.
§ 5. Het in paragraaf 3, tweede lid, vermelde bedrag is gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, voor de maand september 2023. Op 1 januari van elk jaar wordt dat bedrag aangepast door het te vermenigvuldigen met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijnen gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2023. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
§ 6. De Koning bepaalt de nadere regels voor de aanvraag van de toepassing van dit artikel en de manier waarop het bewijs wordt geleverd dat aan de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel is voldaan.".
"Art. 27513. § 1. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf en zich in hoofdzaak bezighouden met fruitteelt of groenteteelt.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° fruitteelt: de teelt van hard fruit, zacht fruit en steenvruchten met inbegrip van de druiventeelt;
2° groenteteelt: de teelt van groenten in open lucht of onder glas, met uitzondering van de teelt van paddenstoelen en truffels;
3° gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt: gelegenheidsarbeider als bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die is tewerkgesteld door een in artikel 4 bedoelde werkgever;
4° uur gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt: een uur dat effectief wordt gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt evenals een uur dat met een effectief gepresteerd uur als gelegenheidsarbeider wordt gelijkgesteld en waarvoor het normale loon verschuldigd is door de werkgever.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen voor vanaf 1 januari 2024 geleverde prestaties als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn op de bezoldigingen van de betrokken gelegenheidsarbeiders in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de bedrijfsvoorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.
De niet te storten bedrijfsvoorheffing is gelijk aan 1,23 euro per uur vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt en waarvoor voor het eerst bezoldigingen worden betaald of toegekend.
§ 4. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt toegepast op de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de bezoldigingen van alle gelegenheidsarbeiders in de fruit- of groenteteelt die door de betrokken werkgever worden tewerkgesteld, na toepassing van de in de artikelen 2751, 2755, 2758 tot 27510 en 27512 bedoelde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die aanvullend bovenop de bedrijfsvoorheffing die reglementair minimaal verschuldigd is, wordt ingehouden.
§ 5. Het in paragraaf 3, tweede lid, vermelde bedrag is gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex als bedoeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, voor de maand september 2023. Op 1 januari van elk jaar wordt dat bedrag aangepast door het te vermenigvuldigen met het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijnen gedeeld door het cijfer van de afgevlakte gezondheidsindex voor de maand september 2023. Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere eurocent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.
§ 6. De Koning bepaalt de nadere regels voor de aanvraag van de toepassing van dit artikel en de manier waarop het bewijs wordt geleverd dat aan de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel is voldaan.".
Art.17. Dans le titre VI, Chapitre Ier, section IV, sous-section 3, du même Code, il est inséré un article 27513, rédigé comme suit:
"Art. 27513. § 1er. Les dispositions du présent article sont applicables aux employeurs relevant de la commission paritaire pour les entreprises horticoles et dont l'activité principale est la fruiticulture ou la culture maraîchère.
§ 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par:
1° fruiticulture: la culture de fruits durs, de fruits mous et de fruits à noyaux, y compris la viticulture;
2° culture maraîchère: la culture de légumes en plein air ou sous serre, à l'exclusion de la culture des champignons et des truffes;
3° travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère: travailleur occasionnel tel que visé à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, qui est occupé par un employeur visé à l'article 4;
4° heure prestée en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère: une heure effectivement prestée en tant que travailleur occasionnel dans fruiticulture ou la culture maraîchère, ainsi qu'une heure assimilée à une heure effectivement prestée en tant que travailleur occasionnel pour laquelle le salaire normal est dû par l'employeur.
§ 3. Les employeurs visés au paragraphe 1er qui paient ou attribuent des rémunérations pour des prestations à partir du 1er janvier 2024 en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel dont ils sont redevables sur les rémunérations des travailleurs occasionnels concernés, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité du précompte professionnel.
Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal à 1,23 euro par heure multiplié par le nombre total d'heures prestées en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère et pour lesquelles des rémunérations sont payées ou attribuées pour la première fois.
§ 4. La dispense de versement du précompte professionnel visée au paragraphe 3 est applicable au précompte professionnel dû sur les rémunérations de tous les travailleurs occasionnels dans la fruiticulture ou la culture maraîchère occupés par l'employeur concerné, après application des dispenses de versement du précompte professionnel visées aux articles 2751, 2755, 2758 à 27510 et 27512.
La dispense de versement du précompte professionnel visée au paragraphe 3 ne peut pas être appliquée au précompte professionnel qui est retenu complémentairement en sus du minimum réglementaire du précompte professionnel dû.
§ 5. Le montant mentionné au paragraphe 3, alinéa 2, est lié à l'indice santé lissé visé à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, pour le mois de septembre 2023. Ce montant est adapté chaque année, au 1er janvier en le multipliant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre de l'année précédant celle au cours de laquelle le nouveau montant sera applicable et en le divisant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre 2023. Le montant obtenu est arrondi au centime supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes atteint ou non 5.
§ 6. Le Roi fixe les modalités pour la demande de l'application du présent article et la manière d'apporter la preuve que les conditions d'application du présent article sont remplies.".
"Art. 27513. § 1er. Les dispositions du présent article sont applicables aux employeurs relevant de la commission paritaire pour les entreprises horticoles et dont l'activité principale est la fruiticulture ou la culture maraîchère.
§ 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par:
1° fruiticulture: la culture de fruits durs, de fruits mous et de fruits à noyaux, y compris la viticulture;
2° culture maraîchère: la culture de légumes en plein air ou sous serre, à l'exclusion de la culture des champignons et des truffes;
3° travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère: travailleur occasionnel tel que visé à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, qui est occupé par un employeur visé à l'article 4;
4° heure prestée en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère: une heure effectivement prestée en tant que travailleur occasionnel dans fruiticulture ou la culture maraîchère, ainsi qu'une heure assimilée à une heure effectivement prestée en tant que travailleur occasionnel pour laquelle le salaire normal est dû par l'employeur.
§ 3. Les employeurs visés au paragraphe 1er qui paient ou attribuent des rémunérations pour des prestations à partir du 1er janvier 2024 en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel dont ils sont redevables sur les rémunérations des travailleurs occasionnels concernés, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité du précompte professionnel.
Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal à 1,23 euro par heure multiplié par le nombre total d'heures prestées en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère et pour lesquelles des rémunérations sont payées ou attribuées pour la première fois.
§ 4. La dispense de versement du précompte professionnel visée au paragraphe 3 est applicable au précompte professionnel dû sur les rémunérations de tous les travailleurs occasionnels dans la fruiticulture ou la culture maraîchère occupés par l'employeur concerné, après application des dispenses de versement du précompte professionnel visées aux articles 2751, 2755, 2758 à 27510 et 27512.
La dispense de versement du précompte professionnel visée au paragraphe 3 ne peut pas être appliquée au précompte professionnel qui est retenu complémentairement en sus du minimum réglementaire du précompte professionnel dû.
§ 5. Le montant mentionné au paragraphe 3, alinéa 2, est lié à l'indice santé lissé visé à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, pour le mois de septembre 2023. Ce montant est adapté chaque année, au 1er janvier en le multipliant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre de l'année précédant celle au cours de laquelle le nouveau montant sera applicable et en le divisant par le chiffre de l'indice santé lissé pour le mois de septembre 2023. Le montant obtenu est arrondi au centime supérieur ou inférieur selon que le chiffre des millièmes atteint ou non 5.
§ 6. Le Roi fixe les modalités pour la demande de l'application du présent article et la manière d'apporter la preuve que les conditions d'application du présent article sont remplies.".
Art.18. Artikel 17 is van toepassing op de uren die vanaf 1 januari 2024 als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt worden gepresteerd.
Art.18. L'article 17 s'applique aux heures prestées en tant que travailleur occasionnel dans la fruiticulture ou la culture maraîchère à partir du 1er janvier 2024.
Afdeling 5. - Fiscale werkbonus
Section 5. - Bonus fiscal à l'emploi
Art.19. In artikel 289ter/1 van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt als volgt vervangen:
"Het belastingkrediet is gelijk aan:
- 33,14 pct. van het bedrag van het luik A van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/1, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid; en
- 52,54 pct. van het bedrag van het luik B van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/2 van de voormelde wet van 20 december 1999.";
2° in het derde lid wordt het bedrag "570 euro" vervangen door het bedrag "710 euro";
3° in het derde lid wordt het bedrag "710 euro" vervangen door het bedrag "765 euro".
1° het tweede lid wordt als volgt vervangen:
"Het belastingkrediet is gelijk aan:
- 33,14 pct. van het bedrag van het luik A van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/1, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid; en
- 52,54 pct. van het bedrag van het luik B van de vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid op de tijdens het belastbaar tijdperk verkregen bezoldigingen die daadwerkelijk is verleend met toepassing van artikel 2, § 1/2 van de voormelde wet van 20 december 1999.";
2° in het derde lid wordt het bedrag "570 euro" vervangen door het bedrag "710 euro";
3° in het derde lid wordt het bedrag "710 euro" vervangen door het bedrag "765 euro".
Art.19. A l'article 289ter/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 19 juin 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 31 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Le crédit d'impôt est égal à:
- 33,14 p.c. du montant du volet A de la réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale réellement accordée sur les rémunérations obtenues pendant la période imposable, en application de l'article 2, § 1/1, de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale; et
- 52,54 p.c. du montant du volet B de la réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale réellement accordée sur les rémunérations obtenues pendant la période imposable, en application de l'article 2, § 1/2 de la loi du 20 décembre 1999 précitée.";
2° à l'alinéa 3, le montant "570 euros" est remplacé par le montant "710 euros";
3° à l'alinéa 3, le montant "710 euros" est remplacé par le montant "765 euros".
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Le crédit d'impôt est égal à:
- 33,14 p.c. du montant du volet A de la réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale réellement accordée sur les rémunérations obtenues pendant la période imposable, en application de l'article 2, § 1/1, de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale; et
- 52,54 p.c. du montant du volet B de la réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale réellement accordée sur les rémunérations obtenues pendant la période imposable, en application de l'article 2, § 1/2 de la loi du 20 décembre 1999 précitée.";
2° à l'alinéa 3, le montant "570 euros" est remplacé par le montant "710 euros";
3° à l'alinéa 3, le montant "710 euros" est remplacé par le montant "765 euros".
Art.20. Artikel 19, 1°, is van toepassing op de verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid die vanaf 1 april 2024 worden verleend.
Artikel 19, 2°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2025.
Artikel 19, 3°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Artikel 19, 2°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2025.
Artikel 19, 3°, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2026.
Art.20. L'article 19, 1°, est applicable aux réductions de cotisations personnelles de sécurité sociale accordées à partir du 1eravril 2024.
L'article 19, 2°, est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2025.
L'article 19, 3°, est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
L'article 19, 2°, est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2025.
L'article 19, 3°, est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2026.
Afdeling 6. - CFC
Section 6. - CFC
Art.21. Deze afdeling heeft de omzetting tot doel van de artikelen 7 en 8 van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt.
Art.21. La présente section a pour objet de transposer les articles 7 et 8 de la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du 12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre les pratiques d'évasion fiscale qui ont une incidence directe sur le fonctionnement du marché intérieur.
Art.22. Artikel 185/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, wordt vervangen als volgt:
"Art. 185/2. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 2, a), omvat winst eveneens de in paragraaf 2 omschreven niet-uitgekeerde winst, van de buitenlandse vennootschap, van de buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap of van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als gecontroleerde buitenlandse vennootschap of CFC wordt aangemerkt en niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld voor zover die niet-uitgekeerde winst door de CFC werd behaald in de loop van een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten in de loop van het belastbare tijdperk van de belastingplichtige.
§ 2. De winst van een buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap wordt vastgesteld alsof deze vennootschap of inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen. De winst die wordt toegerekend aan een Belgische inrichting of in een derde land gelegen inrichting die krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd wordt buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van de winst van de buitenlandse vennootschap.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt deze winst vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat omvat en de noemer het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden omvat. Voor de vaststelling van deze breuk worden reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden die aangerekend worden aan een in een derde land gelegen inrichting waarvan de winst krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd, buiten beschouwing gelaten. Wanneer bij de vaststelling van de teller de som van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat negatief is, wordt deze breuk geacht gelijk te zijn aan nul.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, met uitzondering van de inkomsten die bij verdrag of krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de volgende inkomsten bevat, voor zover deze niet bij verdrag of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld:
- interesten of andere inkomsten die gelijkwaardig zijn aan interesten;
- royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
- dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen, obligaties, opties en soortgelijke effecten;
- inkomsten uit verhuur, of uit operationele of financiële leasing;
- inkomsten uit vermogensbeheer, beleggings-, verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
- inkomsten uit de aan- en verkoop van goederen en diensten, waaraan door de buitenlandse vennootschap of inrichting weinig of geen economische waarde wordt toegevoegd.
Tot slot wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden, beperkt in verhouding tot het hoogste van de volgende drie percentages:
- het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in de stemrechten van de buitenlandse vennootschap die als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt;
- het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in het kapitaal van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt;
- het percentage van de winst van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, waarop de belastingplichtige in geval van uitkering rechtstreeks recht heeft.
De winst van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige wordt vastgesteld alsof deze inrichting in België zou zijn gelegen.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van het vorige lid vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de in het vierde lid, eerste tot zesde streepje bedoelde inkomsten bevat, voor zover deze niet of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld.
§ 3. De buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die vennootschap, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien:
- de belastingplichtige al dan niet samen met zijn geassocieerde entiteiten de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze buitenlandse vennootschap bezit, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten een deelneming bezit van ten minste 50 pct. van het kapitaal van deze buitenlandse vennootschap, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten recht heeft op ten minste 50 pct. van de winst van deze vennootschap; en indien
- de buitenlandse vennootschap of de buitenlandse inrichting krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar zij is gevestigd, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen.
De buitenlandse inrichting van de belastingplichtige, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien deze inrichting gelegen is in een land waarmee België een verdrag ter vermijding van dubbele belasting heeft gesloten en aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, tweede streepje, is voldaan.
De in het eerste lid, tweede streepje, bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel door de belastingplichtige, indien de in het eerste lid bedoelde buitenlandse vennootschap of indien de in het eerste of tweede lid bedoelde inrichting is gevestigd of gelegen in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk is opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of in een Staat die is opgenomen op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2.
Bij de toepassing van het eerste lid, tweede streepje, wordt voor de berekening van de vennootschapsbelasting van een buitenlandse vennootschap, die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap in België was gevestigd, geen rekening gehouden met het deel van de winst van deze buitenlandse vennootschap dat werd behaald door middel van één of meerdere buitenlandse inrichtingen van deze buitenlandse vennootschap waarvan de winst wordt vrijgesteld in toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten tussen het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse vennootschap is gevestigd en het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse inrichting is gelegen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als een geassocieerde entiteit van de belastingplichtige aangemerkt indien ofwel:
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze entiteit bezit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van deze entiteit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van deze entiteit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van de belastingplichtige bezit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van de belastingplichtige;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van de belastingplichtige.
§ 4. De niet-uitgekeerde winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, wordt van de toepassing van dit artikel vrijgesteld indien de belastingplichtige aantoont dat aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- er wordt aangetoond dat de CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit de relevante feiten en omstandigheden;
- er wordt aangetoond dat de in paragraaf 2, vierde lid, bedoelde breuk lager is dan 1/3;
- er wordt aangetoond dat de CFC onder het toepassingsgebied valt van één van de in artikel 198/1, § 6, 1° tot 12°, bedoelde definities en deze haar inkomsten die in de teller van de breuk bedoeld in paragraaf 2, vierde lid, zijn opgenomen, voor één derde of minder voortkomen uit transacties met de belastingplichtige of met de belastingplichtige geassocieerde entiteiten.
Voor de toepassing van het eerste lid, eerste streepje, moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen.".
"Art. 185/2. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 185, § 2, a), omvat winst eveneens de in paragraaf 2 omschreven niet-uitgekeerde winst, van de buitenlandse vennootschap, van de buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap of van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als gecontroleerde buitenlandse vennootschap of CFC wordt aangemerkt en niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld voor zover die niet-uitgekeerde winst door de CFC werd behaald in de loop van een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten in de loop van het belastbare tijdperk van de belastingplichtige.
§ 2. De winst van een buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die buitenlandse vennootschap wordt vastgesteld alsof deze vennootschap of inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen. De winst die wordt toegerekend aan een Belgische inrichting of in een derde land gelegen inrichting die krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd wordt buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van de winst van de buitenlandse vennootschap.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt deze winst vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat omvat en de noemer het bedrag van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden omvat. Voor de vaststelling van deze breuk worden reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat en dividenden die aangerekend worden aan een in een derde land gelegen inrichting waarvan de winst krachtens een verdrag wordt vrijgesteld in het land waar de buitenlandse vennootschap is gevestigd, buiten beschouwing gelaten. Wanneer bij de vaststelling van de teller de som van de in artikel 206/1 bedoelde reserves, verworpen uitgaven en overige bestanddelen van het resultaat negatief is, wordt deze breuk geacht gelijk te zijn aan nul.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, met uitzondering van de inkomsten die bij verdrag of krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de volgende inkomsten bevat, voor zover deze niet bij verdrag of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld:
- interesten of andere inkomsten die gelijkwaardig zijn aan interesten;
- royalty's of andere inkomsten die worden gegenereerd door intellectuele eigendom;
- dividenden en inkomsten uit de vervreemding van aandelen, obligaties, opties en soortgelijke effecten;
- inkomsten uit verhuur, of uit operationele of financiële leasing;
- inkomsten uit vermogensbeheer, beleggings-, verzekerings-, bank- en andere financiële activiteiten;
- inkomsten uit de aan- en verkoop van goederen en diensten, waaraan door de buitenlandse vennootschap of inrichting weinig of geen economische waarde wordt toegevoegd.
Tot slot wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van de vorige leden, beperkt in verhouding tot het hoogste van de volgende drie percentages:
- het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in de stemrechten van de buitenlandse vennootschap die als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt;
- het percentage van de deelneming dat de belastingplichtige rechtstreeks bezit in het kapitaal van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt;
- het percentage van de winst van de buitenlandse vennootschap die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt of waarvan de buitenlandse inrichting in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, waarop de belastingplichtige in geval van uitkering rechtstreeks recht heeft.
De winst van een buitenlandse inrichting van de belastingplichtige die in toepassing van paragraaf 3 als CFC wordt aangemerkt, die niet overeenkomstig paragraaf 4 van de toepassing van dit artikel is vrijgesteld, en die in hoofde van de belastingplichtige wordt belast, wordt op de hierna volgende wijze bepaald.
De winst van de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige wordt vastgesteld alsof deze inrichting in België zou zijn gelegen.
Indien de belastingplichtige hiervan het bewijs levert, wordt het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van het vorige lid vervolgens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het bedrag omvat van de in de jaarrekening vermelde inkomsten van de buitenlandse inrichting die in de loop van het belastbare tijdperk werden behaald, krachtens dit Wetboek van belasting zijn vrijgesteld, en waarvan de teller de som van de in het vierde lid, eerste tot zesde streepje bedoelde inkomsten bevat, voor zover deze niet of krachtens dit Wetboek zijn vrijgesteld.
§ 3. De buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van die vennootschap, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien:
- de belastingplichtige al dan niet samen met zijn geassocieerde entiteiten de meerderheid van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze buitenlandse vennootschap bezit, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten een deelneming bezit van ten minste 50 pct. van het kapitaal van deze buitenlandse vennootschap, ofwel samen met zijn geassocieerde entiteiten recht heeft op ten minste 50 pct. van de winst van deze vennootschap; en indien
- de buitenlandse vennootschap of de buitenlandse inrichting krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar zij is gevestigd, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen ofwel onderworpen is aan een inkomstenbelasting die minder dan de helft bedraagt van de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting in België zou zijn gevestigd of zou zijn gelegen.
De buitenlandse inrichting van de belastingplichtige, wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een CFC indien deze inrichting gelegen is in een land waarmee België een verdrag ter vermijding van dubbele belasting heeft gesloten en aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, tweede streepje, is voldaan.
De in het eerste lid, tweede streepje, bedoelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, behoudens bewijs van het tegendeel door de belastingplichtige, indien de in het eerste lid bedoelde buitenlandse vennootschap of indien de in het eerste of tweede lid bedoelde inrichting is gevestigd of gelegen in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk is opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of in een Staat die is opgenomen op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2.
Bij de toepassing van het eerste lid, tweede streepje, wordt voor de berekening van de vennootschapsbelasting van een buitenlandse vennootschap, die verschuldigd zou zijn geweest indien deze buitenlandse vennootschap in België was gevestigd, geen rekening gehouden met het deel van de winst van deze buitenlandse vennootschap dat werd behaald door middel van één of meerdere buitenlandse inrichtingen van deze buitenlandse vennootschap waarvan de winst wordt vrijgesteld in toepassing van een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting gesloten tussen het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse vennootschap is gevestigd en het land of rechtsgebied waar deze buitenlandse inrichting is gelegen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als een geassocieerde entiteit van de belastingplichtige aangemerkt indien ofwel:
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van deze entiteit bezit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van deze entiteit;
- de belastingplichtige of de gevallen bedoeld in het vierde, vijfde of zesde streepje rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van deze entiteit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks 25 pct. of meer van de stemrechten verbonden aan het totaal van de aandelen van de belastingplichtige bezit;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming bezit van 25 pct. of meer van het kapitaal van de belastingplichtige;
- deze persoon of entiteit rechtstreeks of onrechtstreeks recht heeft op ten minste 25 pct. van de winst van de belastingplichtige.
§ 4. De niet-uitgekeerde winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, wordt van de toepassing van dit artikel vrijgesteld indien de belastingplichtige aantoont dat aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- er wordt aangetoond dat de CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit de relevante feiten en omstandigheden;
- er wordt aangetoond dat de in paragraaf 2, vierde lid, bedoelde breuk lager is dan 1/3;
- er wordt aangetoond dat de CFC onder het toepassingsgebied valt van één van de in artikel 198/1, § 6, 1° tot 12°, bedoelde definities en deze haar inkomsten die in de teller van de breuk bedoeld in paragraaf 2, vierde lid, zijn opgenomen, voor één derde of minder voortkomen uit transacties met de belastingplichtige of met de belastingplichtige geassocieerde entiteiten.
Voor de toepassing van het eerste lid, eerste streepje, moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen.".
Art.22. L'article 185/2 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié par la loi du 20 décembre 2020, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 185/2. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 185, § 2, a), les bénéfices comprennent également les bénéfices non distribués définis au paragraphe 2, de la société étrangère, de l'établissement étranger de cette société étrangère, ou de l'établissement étranger du contribuable, qui est qualifiée de société étrangère contrôlée ou CFC en application du paragraphe 3 et qui ne sont pas dispensés de l'application du présent article conformément au paragraphe 4, pour autant que ces bénéfices non distribués par la CFC aient été réalisés au cours d'une période imposable ayant été clôturée au cours de la période imposable du contribuable.
§ 2. Les bénéfices d'une société étrangère, ou d'un établissement étranger de cette société étrangère, qui est qualifiée de CFC en application du paragraphe 3, qui ne sont pas exonérés du présent article conformément au paragraphe 4 et qui sont imposés dans le chef du contribuable, sont déterminés de la manière suivante.
Les bénéfices de la société étrangère, ou de l'établissement étranger de cette société étrangère, sont déterminés comme si cette société ou cet établissement était établi, ou était situé, en Belgique. Les bénéfices attribués à un établissement belge ou un établissement situé dans un pays tiers qui sont exonérés en vertu d'une convention dans le pays où la société étrangère est établie n'entrent pas en considération pour la détermination des bénéfices de la société étrangère.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, ces bénéfices sont ensuite multipliés par une fraction dont le numérateur comprend le montant des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et autres éléments du résultat, et le dénominateur comprend le montant des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et autres éléments du résultat, et des dividendes. Pour la détermination de cette fraction, les réserves, les dépenses non admises et autres éléments du résultat, et les dividendes imputables à un établissement situé dans un pays tiers dont les bénéfices sont exonérés en vertu d'une convention dans le pays où la société étrangère est établie, ne sont pas pris en considération. Dans le cas où, pour la détermination du numérateur, la somme des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et des autres éléments du résultat est négative, cette fraction est censée être égale à zéro.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, le montant obtenu après application des l'alinéas précédents est ensuite multiplié par une fraction dont le numérateur comprend le montant des revenus mentionnés dans les comptes annuels de la société étrangère ou de l'établissement étranger qui ont été réalisés au cours de la période imposable, à l'exception des revenus qui sont exonérés par convention ou en vertu du présent Code, et dont le dénominateur comprend la somme des revenus suivants, pour autant que ceux-ci ne soient pas exonérés par convention ou en vertu du présent Code:
- les intérêts et autres revenus similaires à des intérêts;
- les redevances et autres revenus générés par la propriété intellectuelle;
- les dividendes et autres revenus issus de l'aliénation d'actions ou parts, d'obligations, d'options et de titres analogues;
- les revenus issus de la location, ou issus du leasing opérationnel ou financier;
- les revenus issus de la gestion d'actifs, d'activités d'investissements, d'activités d'assurances, d'activités bancaires et d'autres activités financières;
- les revenus issus de l'achat et de la vente de biens et services, auxquels peu ou pas de valeur économique n'est ajoutée par la société étrangère ou l'établissement étranger.
Enfin, le montant ainsi obtenu après l'application de l'alinéa précédent, est limité au prorata du plus élevé des trois pourcentages suivants:
- le pourcentage de participation que le contribuable détient directement dans les droits de vote de la société étrangère qualifiée de CFC ou dont l'établissement étranger est qualifié de CFC en application du paragraphe 3;
- le pourcentage de la participation que le contribuable détient directement dans le capital de la société étrangère qualifiée de CFC en application du paragraphe 3 ou dont l'établissement étranger est qualifié de CFC en application du paragraphe 3;
- le pourcentage des bénéfices de la société étrangère qualifiée de CFC en application du paragraphe 3, ou de l'établissement étranger qualifié de CFC en application du paragraphe 3, que le contribuable est en droit de recevoir directement en cas de distribution;
Les bénéfices d'un établissement étranger du contribuable, qui est qualifié de CFC en application du paragraphe 3, qui ne sont pas exonérés du présent article conformément au paragraphe 4 et qui sont imposés dans le chef du contribuable, sont déterminés de la manière suivante.
Les bénéfices de l'établissement étranger du contribuable sont déterminés comme si cet établissement était situé en Belgique.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, le montant obtenu après application de l'alinéa précédent est ensuite multiplié par une fraction dont le dénominateur comprend le montant des revenus mentionnés dans les comptes annuels de l'établissement étranger qui ont été réalisés au cours de la période imposable, à l'exception des revenus qui sont exonérés en vertu du présent Code, et dont le numérateur comprend la somme des revenus visés à l'alinéa 4, premier à sixième tirets, pour autant que ceux-ci ne soient pas exonérés en vertu du présent Code.
§ 3. La société étrangère, ou l'établissement étranger de cette société, est qualifiée de CFC pour l'application du présent article si:
- le contribuable soit détient, avec ou sans ses entités associées, la majorité des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts de cette société étrangère, soit détient, avec ses entités associées, une participation à hauteur d'au moins 50 p.c. du capital de cette société étrangère, soit possède les droits, avec ses entités associées, d'au moins 50 p.c. des bénéfices de cette société étrangère; et si
- la société étrangère, ou l'établissement étranger, en vertu des dispositions de la législation de l'Etat ou de la juridiction où elle est établie, soit n'y est pas soumise à un impôt sur les revenus, soit est assujettie à un impôt sur les revenus qui s'élève à moins de la moitié de l'impôt des sociétés qui serait dû si cette société étrangère, ou cet établissement étranger était établie, ou était situé, en Belgique.
L'établissement étranger du contribuable est qualifié de CFC pour l'application du présent article si cet établissement est situé dans un pays avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition et que la condition visée à l'alinéa 1er, deuxième tiret, est remplie.
La condition visée à l'alinéa 1er, deuxième tiret, est considérée être remplie, sauf preuve du contraire par le contribuable, lorsque la société étrangère visée à l'alinéa 1er ou l'établissement étranger visé à l'alinéa 1er ou 2, est établie ou situé dans une juridiction qui à la fin de la période imposable est reprise sur la liste de l'UE des juridictions non coopératives ou dans un Etat qui est repris sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l'article 307, § 1/2.
En application de l'alinéa 1er, deuxième tiret, pour le calcul de l'impôt des sociétés d'une société étrangère qui aurait été dû si cette société étrangère était établie en Belgique, il n'est pas tenu compte de la partie des bénéfices de cette société étrangère réalisée par le biais d'un ou plusieurs établissements étrangers de cette société étrangère dont les bénéfices sont exonérés en application d'une convention préventive de la double imposition conclue entre le pays, ou la juridiction, où cette société étrangère est établie et le pays, ou la juridiction, où cet établissement étranger est situé.
Pour l'application du présent article, une personne physique, une personne morale ou une entité sans personnalité juridique est qualifiée d'entité associée lorsque, soit:
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, détient directement ou indirectement 25 p.c. ou plus des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts de cette entité;
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, détient directement ou indirectement une participation de 25 p.c. ou plus du capital de cette entité;
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, est en droit de recevoir, directement ou indirectement, au moins 25 p.c. des bénéfices de cette entité;
- cette personne ou cette entité détient, directement ou indirectement, 25 p.c. ou plus des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts du contribuable;
- cette personne ou cette entité détient, directement ou indirectement, une participation de 25 p.c. ou plus au capital du contribuable;
- cette personne ou cette entité est en droit de recevoir, directement ou indirectement, au moins 25 p.c. des bénéfices du contribuable.
§ 4. Les bénéfices non distribués de la société étrangère, ou de l'établissement stable, qui est qualifié de CFC sont dispensés de l'application du présent article lorsque le contribuable démontre qu'une des conditions suivantes est remplie:
- il est démontré que la CFC exerce une activité économique substantielle, au moyen de personnel, d'équipements, de biens et de locaux, corroborée par des faits et des circonstances pertinents;
- il est démontré que la fraction visée au paragraphe 2, alinéa 4, est inférieure à 1/3;
- il est démontré que la CFC entre dans le champ d'application d'une des définitions visées à l'article 198/1, § 6, 1° à 12°, et que les revenus de celles-ci, qui sont repris au numérateur de la fraction visée au paragraphe 2, alinéa 4, proviennent d'un tiers ou moins des transactions avec le contribuable ou avec les entités associées du contribuable.
Pour l'application de l'alinéa 1er, premier tiret, on entend par l'exercice d'une activité économique l'offre de biens ou services sur un marché déterminé.".
"Art. 185/2. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 185, § 2, a), les bénéfices comprennent également les bénéfices non distribués définis au paragraphe 2, de la société étrangère, de l'établissement étranger de cette société étrangère, ou de l'établissement étranger du contribuable, qui est qualifiée de société étrangère contrôlée ou CFC en application du paragraphe 3 et qui ne sont pas dispensés de l'application du présent article conformément au paragraphe 4, pour autant que ces bénéfices non distribués par la CFC aient été réalisés au cours d'une période imposable ayant été clôturée au cours de la période imposable du contribuable.
§ 2. Les bénéfices d'une société étrangère, ou d'un établissement étranger de cette société étrangère, qui est qualifiée de CFC en application du paragraphe 3, qui ne sont pas exonérés du présent article conformément au paragraphe 4 et qui sont imposés dans le chef du contribuable, sont déterminés de la manière suivante.
Les bénéfices de la société étrangère, ou de l'établissement étranger de cette société étrangère, sont déterminés comme si cette société ou cet établissement était établi, ou était situé, en Belgique. Les bénéfices attribués à un établissement belge ou un établissement situé dans un pays tiers qui sont exonérés en vertu d'une convention dans le pays où la société étrangère est établie n'entrent pas en considération pour la détermination des bénéfices de la société étrangère.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, ces bénéfices sont ensuite multipliés par une fraction dont le numérateur comprend le montant des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et autres éléments du résultat, et le dénominateur comprend le montant des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et autres éléments du résultat, et des dividendes. Pour la détermination de cette fraction, les réserves, les dépenses non admises et autres éléments du résultat, et les dividendes imputables à un établissement situé dans un pays tiers dont les bénéfices sont exonérés en vertu d'une convention dans le pays où la société étrangère est établie, ne sont pas pris en considération. Dans le cas où, pour la détermination du numérateur, la somme des réserves visées à l'article 206/1, des dépenses non admises et des autres éléments du résultat est négative, cette fraction est censée être égale à zéro.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, le montant obtenu après application des l'alinéas précédents est ensuite multiplié par une fraction dont le numérateur comprend le montant des revenus mentionnés dans les comptes annuels de la société étrangère ou de l'établissement étranger qui ont été réalisés au cours de la période imposable, à l'exception des revenus qui sont exonérés par convention ou en vertu du présent Code, et dont le dénominateur comprend la somme des revenus suivants, pour autant que ceux-ci ne soient pas exonérés par convention ou en vertu du présent Code:
- les intérêts et autres revenus similaires à des intérêts;
- les redevances et autres revenus générés par la propriété intellectuelle;
- les dividendes et autres revenus issus de l'aliénation d'actions ou parts, d'obligations, d'options et de titres analogues;
- les revenus issus de la location, ou issus du leasing opérationnel ou financier;
- les revenus issus de la gestion d'actifs, d'activités d'investissements, d'activités d'assurances, d'activités bancaires et d'autres activités financières;
- les revenus issus de l'achat et de la vente de biens et services, auxquels peu ou pas de valeur économique n'est ajoutée par la société étrangère ou l'établissement étranger.
Enfin, le montant ainsi obtenu après l'application de l'alinéa précédent, est limité au prorata du plus élevé des trois pourcentages suivants:
- le pourcentage de participation que le contribuable détient directement dans les droits de vote de la société étrangère qualifiée de CFC ou dont l'établissement étranger est qualifié de CFC en application du paragraphe 3;
- le pourcentage de la participation que le contribuable détient directement dans le capital de la société étrangère qualifiée de CFC en application du paragraphe 3 ou dont l'établissement étranger est qualifié de CFC en application du paragraphe 3;
- le pourcentage des bénéfices de la société étrangère qualifiée de CFC en application du paragraphe 3, ou de l'établissement étranger qualifié de CFC en application du paragraphe 3, que le contribuable est en droit de recevoir directement en cas de distribution;
Les bénéfices d'un établissement étranger du contribuable, qui est qualifié de CFC en application du paragraphe 3, qui ne sont pas exonérés du présent article conformément au paragraphe 4 et qui sont imposés dans le chef du contribuable, sont déterminés de la manière suivante.
Les bénéfices de l'établissement étranger du contribuable sont déterminés comme si cet établissement était situé en Belgique.
Lorsque le contribuable en fournit la preuve, le montant obtenu après application de l'alinéa précédent est ensuite multiplié par une fraction dont le dénominateur comprend le montant des revenus mentionnés dans les comptes annuels de l'établissement étranger qui ont été réalisés au cours de la période imposable, à l'exception des revenus qui sont exonérés en vertu du présent Code, et dont le numérateur comprend la somme des revenus visés à l'alinéa 4, premier à sixième tirets, pour autant que ceux-ci ne soient pas exonérés en vertu du présent Code.
§ 3. La société étrangère, ou l'établissement étranger de cette société, est qualifiée de CFC pour l'application du présent article si:
- le contribuable soit détient, avec ou sans ses entités associées, la majorité des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts de cette société étrangère, soit détient, avec ses entités associées, une participation à hauteur d'au moins 50 p.c. du capital de cette société étrangère, soit possède les droits, avec ses entités associées, d'au moins 50 p.c. des bénéfices de cette société étrangère; et si
- la société étrangère, ou l'établissement étranger, en vertu des dispositions de la législation de l'Etat ou de la juridiction où elle est établie, soit n'y est pas soumise à un impôt sur les revenus, soit est assujettie à un impôt sur les revenus qui s'élève à moins de la moitié de l'impôt des sociétés qui serait dû si cette société étrangère, ou cet établissement étranger était établie, ou était situé, en Belgique.
L'établissement étranger du contribuable est qualifié de CFC pour l'application du présent article si cet établissement est situé dans un pays avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition et que la condition visée à l'alinéa 1er, deuxième tiret, est remplie.
La condition visée à l'alinéa 1er, deuxième tiret, est considérée être remplie, sauf preuve du contraire par le contribuable, lorsque la société étrangère visée à l'alinéa 1er ou l'établissement étranger visé à l'alinéa 1er ou 2, est établie ou situé dans une juridiction qui à la fin de la période imposable est reprise sur la liste de l'UE des juridictions non coopératives ou dans un Etat qui est repris sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l'article 307, § 1/2.
En application de l'alinéa 1er, deuxième tiret, pour le calcul de l'impôt des sociétés d'une société étrangère qui aurait été dû si cette société étrangère était établie en Belgique, il n'est pas tenu compte de la partie des bénéfices de cette société étrangère réalisée par le biais d'un ou plusieurs établissements étrangers de cette société étrangère dont les bénéfices sont exonérés en application d'une convention préventive de la double imposition conclue entre le pays, ou la juridiction, où cette société étrangère est établie et le pays, ou la juridiction, où cet établissement étranger est situé.
Pour l'application du présent article, une personne physique, une personne morale ou une entité sans personnalité juridique est qualifiée d'entité associée lorsque, soit:
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, détient directement ou indirectement 25 p.c. ou plus des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts de cette entité;
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, détient directement ou indirectement une participation de 25 p.c. ou plus du capital de cette entité;
- le contribuable, ou les cas visés au quatrième, cinquième ou sixième tiret, est en droit de recevoir, directement ou indirectement, au moins 25 p.c. des bénéfices de cette entité;
- cette personne ou cette entité détient, directement ou indirectement, 25 p.c. ou plus des droits de vote se rattachant au total des actions ou parts du contribuable;
- cette personne ou cette entité détient, directement ou indirectement, une participation de 25 p.c. ou plus au capital du contribuable;
- cette personne ou cette entité est en droit de recevoir, directement ou indirectement, au moins 25 p.c. des bénéfices du contribuable.
§ 4. Les bénéfices non distribués de la société étrangère, ou de l'établissement stable, qui est qualifié de CFC sont dispensés de l'application du présent article lorsque le contribuable démontre qu'une des conditions suivantes est remplie:
- il est démontré que la CFC exerce une activité économique substantielle, au moyen de personnel, d'équipements, de biens et de locaux, corroborée par des faits et des circonstances pertinents;
- il est démontré que la fraction visée au paragraphe 2, alinéa 4, est inférieure à 1/3;
- il est démontré que la CFC entre dans le champ d'application d'une des définitions visées à l'article 198/1, § 6, 1° à 12°, et que les revenus de celles-ci, qui sont repris au numérateur de la fraction visée au paragraphe 2, alinéa 4, proviennent d'un tiers ou moins des transactions avec le contribuable ou avec les entités associées du contribuable.
Pour l'application de l'alinéa 1er, premier tiret, on entend par l'exercice d'une activité économique l'offre de biens ou services sur un marché déterminé.".
Art.23. In artikel 192 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken" vervangen door de woorden "om krachtens de artikelen 202, §§ 1 en 2, en 203, van de winst te worden afgetrokken";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. De meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een buitenlandse vennootschap waarvan de winst van die vennootschap of van een in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap, in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de belastingplichtige werd belast, kan in het geval deze meerwaarden op aandelen niet krachtens paragrafen 1 en 2 volledig werden vrijgesteld, alsnog worden vrijgesteld voor het bedrag van de winst van deze buitenlandse vennootschap dat in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, en voor zover:
- deze winst nog niet eerder was uitgekeerd;
- nog bestond op een rekening van het passief op het tijdstip van de vervreemding van deze aandelen.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.
De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast.
In geval van verwerving of van wijziging tijdens het huidige of in een voorgaand belastbaar tijdperk van de controle van de belastingplichtige die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, kunnen de meerwaarden niet krachtens deze paragraaf worden vrijgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt onder voorgaand belastbaar tijdperk elk belastbare tijdperk bedoeld sinds het belastbare tijdperk waarin de in deze paragraaf bedoelde winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken" vervangen door de woorden "om krachtens de artikelen 202, §§ 1 en 2, en 203, van de winst te worden afgetrokken";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. De meerwaarden op aandelen verwezenlijkt, of vastgesteld bij de verdeling van het vermogen van een buitenlandse vennootschap waarvan de winst van die vennootschap of van een in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap, in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de belastingplichtige werd belast, kan in het geval deze meerwaarden op aandelen niet krachtens paragrafen 1 en 2 volledig werden vrijgesteld, alsnog worden vrijgesteld voor het bedrag van de winst van deze buitenlandse vennootschap dat in toepassing van artikel 185/2 in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, en voor zover:
- deze winst nog niet eerder was uitgekeerd;
- nog bestond op een rekening van het passief op het tijdstip van de vervreemding van deze aandelen.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.
De vrijstelling is slechts van toepassing in zover het belastbare bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de overgedragen aandelen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 3°, werden belast.
In geval van verwerving of van wijziging tijdens het huidige of in een voorgaand belastbaar tijdperk van de controle van de belastingplichtige die niet beantwoordt aan rechtmatige financiële of economische behoeften, kunnen de meerwaarden niet krachtens deze paragraaf worden vrijgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt onder voorgaand belastbaar tijdperk elk belastbare tijdperk bedoeld sinds het belastbare tijdperk waarin de in deze paragraaf bedoelde winst van de buitenlandse vennootschap of van de in een derde land gelegen inrichting van die vennootschap overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast.".
Art.23. A l'article 192 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "susceptibles d'être déduits des bénéfices en vertu des articles 202 et 203," sont remplacés par les mots "susceptibles d'être déduits des bénéfices en vertu des articles 202, §§ 1er et 2, et 203,";
2° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit:
" § 4. Les plus-values sur des actions ou parts réalisées, ou constatées à l'occasion du partage de l'avoir social d'une société étrangère dont le bénéfice de cette société ou ceux d'un établissement de cette société situé dans un pays tiers, imposés dans le chef du contribuable comme bénéfices distribués en application de l'article 185/2 dans une période imposable antérieure, peuvent, au cas où ces plus-values sur actions ou parts n'étaient pas, en vertu des paragraphes 1er et 2, entièrement exonérées, être néanmoins exonérées à hauteur du montant des bénéfices de cette société étrangère qui avait, en application de l'article 185/2, été imposés dans une période imposable antérieure comme bénéfices non distribués dans le chef de la société résidente, pour autant que:
- ces bénéfices n'aient pas encore été distribués antérieurement;
- existaient encore sur un compte du passif au moment de l'aliénation de ces actions ou parts.
Pour l'application du présent paragraphe, les bénéfices de la société étrangère, ou de son établissement situé dans un pays tiers, qui ont été imposés dans le chef de la société résidente conformément à l'article 185/2 sont censés être distribués en premier.
L'exonération n'est applicable que dans la mesure où le montant imposable des plus-values dépasse le total des réductions de valeur antérieurement admises sur les actions ou parts réalisées, diminué du total des plus-values qui ont été imposées en vertu de l'article 24, alinéa 1er, 3°.
En cas de prise ou de changement, au cours de la période imposable ou d'une période imposable précédente, du contrôle du contribuable, qui ne répond pas à des besoins légitimes de caractère financier ou économique, les plus-values ne peuvent pas être exonérées en vertu du présent paragraphe. Pour l'application du présent alinéa, l'on entend par période imposable précédente toute période imposable visée depuis la période imposable pendant laquelle les bénéfices de la société étrangère, ou de l'établissement de cette société dans un pays tiers, visés au présent paragraphe, ont été imposés dans le chef de la société résidente conformément à l'article 185/2.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "susceptibles d'être déduits des bénéfices en vertu des articles 202 et 203," sont remplacés par les mots "susceptibles d'être déduits des bénéfices en vertu des articles 202, §§ 1er et 2, et 203,";
2° l'article est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit:
" § 4. Les plus-values sur des actions ou parts réalisées, ou constatées à l'occasion du partage de l'avoir social d'une société étrangère dont le bénéfice de cette société ou ceux d'un établissement de cette société situé dans un pays tiers, imposés dans le chef du contribuable comme bénéfices distribués en application de l'article 185/2 dans une période imposable antérieure, peuvent, au cas où ces plus-values sur actions ou parts n'étaient pas, en vertu des paragraphes 1er et 2, entièrement exonérées, être néanmoins exonérées à hauteur du montant des bénéfices de cette société étrangère qui avait, en application de l'article 185/2, été imposés dans une période imposable antérieure comme bénéfices non distribués dans le chef de la société résidente, pour autant que:
- ces bénéfices n'aient pas encore été distribués antérieurement;
- existaient encore sur un compte du passif au moment de l'aliénation de ces actions ou parts.
Pour l'application du présent paragraphe, les bénéfices de la société étrangère, ou de son établissement situé dans un pays tiers, qui ont été imposés dans le chef de la société résidente conformément à l'article 185/2 sont censés être distribués en premier.
L'exonération n'est applicable que dans la mesure où le montant imposable des plus-values dépasse le total des réductions de valeur antérieurement admises sur les actions ou parts réalisées, diminué du total des plus-values qui ont été imposées en vertu de l'article 24, alinéa 1er, 3°.
En cas de prise ou de changement, au cours de la période imposable ou d'une période imposable précédente, du contrôle du contribuable, qui ne répond pas à des besoins légitimes de caractère financier ou économique, les plus-values ne peuvent pas être exonérées en vertu du présent paragraphe. Pour l'application du présent alinéa, l'on entend par période imposable précédente toute période imposable visée depuis la période imposable pendant laquelle les bénéfices de la société étrangère, ou de l'établissement de cette société dans un pays tiers, visés au présent paragraphe, ont été imposés dans le chef de la société résidente conformément à l'article 185/2.".
Art.24. In artikel 202 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de bepalingen onder 4° en 5° opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
" § 3. Van de winst van het belastbare tijdperk wordt eveneens de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap afgetrokken, in zover zij erin voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze winst reeds in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 in zijn hoofde werd belast en nog niet eerder werd vrijgesteld.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of de winst van een in een derde land gelegen inrichting van deze vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de bepalingen onder 4° en 5° opgeheven;
2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
" § 3. Van de winst van het belastbare tijdperk wordt eveneens de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap afgetrokken, in zover zij erin voorkomen en voor zover en in de mate dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze winst reeds in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 in zijn hoofde werd belast en nog niet eerder werd vrijgesteld.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt de winst van de buitenlandse vennootschap of de winst van een in een derde land gelegen inrichting van deze vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2 in hoofde van de binnenlandse vennootschap werd belast, geacht eerst te zijn uitgekeerd.".
Art.24. A l'article 202 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 4° et 5° sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est abrogé;
3° l'article est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit:
" § 3. Des bénéfices de la période imposable sont également déduits les bénéfices distribués par une société étrangère visée à l'article 185/2, § 2, pour autant qu'ils en proviennent et pour autant et dans la mesure où le contribuable ait démontré que ces bénéfices avaient déjà été imposés dans son chef dans une période imposable antérieure comme bénéfices non distribués en application de l'article 185/2 et qu'ils n'ont pas encore été exonérés.
Pour l'application du présent paragraphe, les bénéfices de la société étrangère, ou les bénéfices d'un établissement stable de cette société étrangère situé dans un pays tiers qui ont été imposés dans le chef de la société étrangère conformément à l'article 185/2, sont censés être distribués en premier.".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le 4° et 5° sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est abrogé;
3° l'article est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit:
" § 3. Des bénéfices de la période imposable sont également déduits les bénéfices distribués par une société étrangère visée à l'article 185/2, § 2, pour autant qu'ils en proviennent et pour autant et dans la mesure où le contribuable ait démontré que ces bénéfices avaient déjà été imposés dans son chef dans une période imposable antérieure comme bénéfices non distribués en application de l'article 185/2 et qu'ils n'ont pas encore été exonérés.
Pour l'application du présent paragraphe, les bénéfices de la société étrangère, ou les bénéfices d'un établissement stable de cette société étrangère situé dans un pays tiers qui ont été imposés dans le chef de la société étrangère conformément à l'article 185/2, sont censés être distribués en premier.".
Art.25. Artikel 206/4, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 januari 2022, wordt vervangen als volgt:
"Indien de winst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet is vrijgesteld op basis van de internationale verdragen, of indien de winst van deze buitenlandse vaste inrichting op grond van artikel 185/2 moet worden belast, wordt deze winst opgenomen in de categorie "niet bij verdrag vrijgestelde winst.".
"Indien de winst van een buitenlandse vaste inrichting in België niet is vrijgesteld op basis van de internationale verdragen, of indien de winst van deze buitenlandse vaste inrichting op grond van artikel 185/2 moet worden belast, wordt deze winst opgenomen in de categorie "niet bij verdrag vrijgestelde winst.".
Art.25. L'article 206/4, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 21 janvier 2022, est remplacé par ce qui suit:
"Si les bénéfices d'un établissement stable étranger ne sont pas exonérés en Belgique sur la base des conventions internationales, ou si les bénéfices de cet établissement stable étranger doivent être imposés sur la base de l'article 185/2, ces bénéfices sont inclus dans la catégorie "bénéfices non exonérés par convention.".
"Si les bénéfices d'un établissement stable étranger ne sont pas exonérés en Belgique sur la base des conventions internationales, ou si les bénéfices de cet établissement stable étranger doivent être imposés sur la base de l'article 185/2, ces bénéfices sont inclus dans la catégorie "bénéfices non exonérés par convention.".
Art.26. In artikel 207, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt tussen het eerste streepje en het tweede streepje een nieuw streepje ingevoegd, luidende:
"- in afwijking van artikel 202, § 3, de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap die in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 werd belast;".
"- in afwijking van artikel 202, § 3, de winst die wordt uitgekeerd door een in artikel 185/2, § 2, bedoelde buitenlandse vennootschap die in een vorig belastbaar tijdperk als niet uitgekeerde winst in toepassing van artikel 185/2 werd belast;".
Art.26. Dans l'article 207, alinéa 8, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, un nouveau tiret est inséré entre le premier et le deuxième tiret, rédigé comme suit:
"- par dérogation à l'article 202, § 3, les bénéfices qui sont distribués par une société étrangère visée à l'article 185/2, § 2, qui dans une période imposable antérieure ont été imposés comme bénéfices non distribués en application de l'article 185/2;".
"- par dérogation à l'article 202, § 3, les bénéfices qui sont distribués par une société étrangère visée à l'article 185/2, § 2, qui dans une période imposable antérieure ont été imposés comme bénéfices non distribués en application de l'article 185/2;".
Art.27. In titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt tussen afdeling IV en afdeling IVbis een afdeling IV/1 ingevoegd, luidende:
"Afdeling IV/1.- Vaststelling van buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst".
"Afdeling IV/1.- Vaststelling van buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst".
Art.27. Dans le titre VI, chapitre II, du même Code, une section IV/1 est insérée entre les sections IV et IVbis, rédigée comme suit:
"Section IV/1.- Détermination de l'impôt étranger sur les bénéfices visés à l'article 185/2".
"Section IV/1.- Détermination de l'impôt étranger sur les bénéfices visés à l'article 185/2".
Art.28. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling IV/1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 289/1ingevoegd, luidende:
"Art. 289/1. In het geval overeenkomstig artikel 185/2 de niet uitgekeerde winst van een in datzelfde artikel bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, in het voorgaande belastbare tijdperk werd belast in hoofde van de belastingplichtige, dan mag de belasting die de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting daadwerkelijk heeft betaald aan de Staat waar deze buitenlandse vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is ter voldoening van de buitenlandse inkomstenbelasting die voor dat belastbare tijdperk verschuldigd is, worden verrekend met de vennootschapsbelasting die voor het belastbare tijdperk verschuldigd is, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse vennootschap of de inrichting van de buitenlandse vennootschap verschuldigd is aan de Staat waar deze vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, vijfde lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, tweede lid, werd vastgesteld.
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige verschuldigd is aan de Staat waar deze buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, achtste lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, zevende lid, werd vastgesteld.
Voor het bepalen van het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting van het belastbare tijdperk worden ook de voorafbetalingen voor deze inkomstenbelastingen meegeteld die in de loop van het tijdperk dat voorafgaat aan het belastbare tijdperk werden gedaan, maar worden in voorkomend geval de belastingverhogingen, boeten of andere vormen van administratieve sancties uitgesloten.".
"Art. 289/1. In het geval overeenkomstig artikel 185/2 de niet uitgekeerde winst van een in datzelfde artikel bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die als CFC wordt aangemerkt, in het voorgaande belastbare tijdperk werd belast in hoofde van de belastingplichtige, dan mag de belasting die de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting daadwerkelijk heeft betaald aan de Staat waar deze buitenlandse vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is ter voldoening van de buitenlandse inkomstenbelasting die voor dat belastbare tijdperk verschuldigd is, worden verrekend met de vennootschapsbelasting die voor het belastbare tijdperk verschuldigd is, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse vennootschap of de inrichting van de buitenlandse vennootschap verschuldigd is aan de Staat waar deze vennootschap gevestigd is of waar de buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, vijfde lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, tweede lid, werd vastgesteld.
Het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor dat belastbare tijdperk die de buitenlandse inrichting van de belastingplichtige verschuldigd is aan de Staat waar deze buitenlandse inrichting gelegen is, wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen na toepassing van artikel 185/2, § 2, achtste lid, dat in toepassing van dat artikel 185/2 daadwerkelijk als winst van de belastingplichtige werd aangemerkt, en waarvan de noemer gelijk is aan de winst van de buitenlandse inrichting die overeenkomstig artikel 185/2, § 2, zevende lid, werd vastgesteld.
Voor het bepalen van het daadwerkelijk betaalde bedrag aan inkomstenbelasting van het belastbare tijdperk worden ook de voorafbetalingen voor deze inkomstenbelastingen meegeteld die in de loop van het tijdperk dat voorafgaat aan het belastbare tijdperk werden gedaan, maar worden in voorkomend geval de belastingverhogingen, boeten of andere vormen van administratieve sancties uitgesloten.".
Art.28. Dans le titre VI, chapitre II, section IV/1, du même Code, il est inséré un article 289/1, rédigé comme suit:
"Art. 289/1. Dans le cas où, conformément à l'article 185/2, les bénéfices non distribués d'une société étrangère, ou d'un établissement stable qualifié de CFC, visé au même article, avaient été imposés dans le chef du contribuable dans la période imposable antérieure, alors l'impôt que la société étrangère, ou l'établissement étranger, a effectivement payé à l'Etat dans lequel cette société étrangère est établie, ou dans lequel l'établissement étranger est situé, est imputé sur l'impôt des sociétés qui est dû pour la période imposable, en paiement de l'impôt sur les revenus étranger qui est dû pour cette période imposable, conformément aux dispositions du présent article.
Le montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus pour cette période imposable dont la société étrangère ou l'établissement étranger de la société étrangère est redevable envers l'Etat dans lequel cette société étrangère est établie, ou dans lequel l'établissement étranger est situé, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au montant obtenu après l'application de l'article 185/2, § 2, alinéa 5, qui a effectivement été considéré comme bénéfices du contribuable en application de cet article 185/2, et dont le dénominateur est égal aux bénéfices de la société étrangère ou de l'établissement étranger qui ont été constatés conformément à l'article 185/2, § 2, alinéa 2.
Le montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus, pour cette période imposable pour laquelle l'établissement étranger du contribuable est redevable envers l'Etat dans lequel cet établissement étranger est situé, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au montant obtenu après application de l'article 185/2, § 2, alinéa 8, qui est effectivement entré en ligne de compte comme bénéfices en application de cet article 185/2, et dont le dénominateur est égal aux bénéfices de l'établissement étranger qui ont été déterminés conformément à l'article 185/2, § 2, alinéa 7.
Pour la détermination du montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus de la période imposable sont également pris en compte les versements anticipés pour ces impôts sur les revenus qui ont été effectués au cours de la période qui précède la période imposable, à l'exclusion cependant, le cas échéant, de majorations d'impôts, d'amendes ou d'autres formes de sanctions administratives.".
"Art. 289/1. Dans le cas où, conformément à l'article 185/2, les bénéfices non distribués d'une société étrangère, ou d'un établissement stable qualifié de CFC, visé au même article, avaient été imposés dans le chef du contribuable dans la période imposable antérieure, alors l'impôt que la société étrangère, ou l'établissement étranger, a effectivement payé à l'Etat dans lequel cette société étrangère est établie, ou dans lequel l'établissement étranger est situé, est imputé sur l'impôt des sociétés qui est dû pour la période imposable, en paiement de l'impôt sur les revenus étranger qui est dû pour cette période imposable, conformément aux dispositions du présent article.
Le montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus pour cette période imposable dont la société étrangère ou l'établissement étranger de la société étrangère est redevable envers l'Etat dans lequel cette société étrangère est établie, ou dans lequel l'établissement étranger est situé, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au montant obtenu après l'application de l'article 185/2, § 2, alinéa 5, qui a effectivement été considéré comme bénéfices du contribuable en application de cet article 185/2, et dont le dénominateur est égal aux bénéfices de la société étrangère ou de l'établissement étranger qui ont été constatés conformément à l'article 185/2, § 2, alinéa 2.
Le montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus, pour cette période imposable pour laquelle l'établissement étranger du contribuable est redevable envers l'Etat dans lequel cet établissement étranger est situé, est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal au montant obtenu après application de l'article 185/2, § 2, alinéa 8, qui est effectivement entré en ligne de compte comme bénéfices en application de cet article 185/2, et dont le dénominateur est égal aux bénéfices de l'établissement étranger qui ont été déterminés conformément à l'article 185/2, § 2, alinéa 7.
Pour la détermination du montant effectivement payé à l'impôt sur les revenus de la période imposable sont également pris en compte les versements anticipés pour ces impôts sur les revenus qui ont été effectués au cours de la période qui précède la période imposable, à l'exclusion cependant, le cas échéant, de majorations d'impôts, d'amendes ou d'autres formes de sanctions administratives.".
Art.29. In titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van afdeling V vervangen als volgt:
"Afdeling V.- Mate van verrekening van de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, de buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst en de belastingkredieten".
"Afdeling V.- Mate van verrekening van de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting, de buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst en de belastingkredieten".
Art.29. Dans le titre VI, chapitre II, du même Code, l'intitulé de la section V est remplacé par ce qui suit:
"Section V.- Limites d'imputation du précompte mobilier, de la quotité forfaitaire d'impôt étranger, de l'impôt étranger sur les bénéfices visés à l'article 185/2 et des crédits d'impôt".
"Section V.- Limites d'imputation du précompte mobilier, de la quotité forfaitaire d'impôt étranger, de l'impôt étranger sur les bénéfices visés à l'article 185/2 et des crédits d'impôt".
Art.30. In titel VI, hoofdstuk II, afdeling V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 292/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 292/1. De in artikel 289/1 bedoelde buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst wordt volledig met de vennootschapsbelasting verrekend.
Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om de in het eerste lid bedoelde buitenlandse belasting te kunnen verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende buitenlandse belasting niet terugbetaald, maar overgedragen naar een volgend aanslagjaar.".
"Art. 292/1. De in artikel 289/1 bedoelde buitenlandse belasting op de in artikel 185/2 bedoelde winst wordt volledig met de vennootschapsbelasting verrekend.
Indien een aanslagjaar geen of onvoldoende belasting oplevert om de in het eerste lid bedoelde buitenlandse belasting te kunnen verrekenen, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende buitenlandse belasting niet terugbetaald, maar overgedragen naar een volgend aanslagjaar.".
Art.30. Dans le titre VI, chapitre II, section V, du même Code, il est inséré un article 292/1, rédigé comme suit:
"Art. 292/1. L'impôt étranger visé à l'article 289/1 sur les bénéfices visés à l'article 185/2 est entièrement imputé sur l'impôt des sociétés.
En cas d'absence ou d'insuffisance d'impôt pour un exercice d'imposition pour lequel l'impôt étranger visé à l'alinéa 1er peut être imputé, l'impôt étranger non imputé pour cet exercice d'imposition n'est pas remboursé, mais reporté à l'exercice d'imposition suivant.".
"Art. 292/1. L'impôt étranger visé à l'article 289/1 sur les bénéfices visés à l'article 185/2 est entièrement imputé sur l'impôt des sociétés.
En cas d'absence ou d'insuffisance d'impôt pour un exercice d'imposition pour lequel l'impôt étranger visé à l'alinéa 1er peut être imputé, l'impôt étranger non imputé pour cet exercice d'imposition n'est pas remboursé, mais reporté à l'exercice d'imposition suivant.".
Art.31. In artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
"De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting zijn eveneens gehouden in de aangifte het bestaan te melden van elke buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting, die in toepassing van artikel 185/2 § 3, als CFC wordt aangemerkt.";
2° het zesde lid wordt vervangen als volgt:
"In het geval in de aangifte het bestaan wordt gemeld van een in artikel 185/2, § 3, bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2, § 3, als CFC wordt aangemerkt, wordt eveneens vermeld:
- de naam van de vennootschap;
- het adres van de zetel van bestuur of beheer van de vennootschap;
- in voorkomend geval het identificatienummer van deze vennootschap;
- in voorkomend geval het land waar de buitenlandse inrichting gelegen is;
- het in artikel 185/2, § 2, vijfde lid, bedoelde percentage;
- of de vrijstelling bedoeld in respectievelijk artikel 185/2, § 4, eerste streepje, tweede streepje of derde streepje wordt ingeroepen.";
3° het zevende lid wordt opgeheven.
1° het vijfde lid wordt vervangen als volgt:
"De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting zijn eveneens gehouden in de aangifte het bestaan te melden van elke buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting, die in toepassing van artikel 185/2 § 3, als CFC wordt aangemerkt.";
2° het zesde lid wordt vervangen als volgt:
"In het geval in de aangifte het bestaan wordt gemeld van een in artikel 185/2, § 3, bedoelde buitenlandse vennootschap of buitenlandse inrichting van een buitenlandse vennootschap die overeenkomstig artikel 185/2, § 3, als CFC wordt aangemerkt, wordt eveneens vermeld:
- de naam van de vennootschap;
- het adres van de zetel van bestuur of beheer van de vennootschap;
- in voorkomend geval het identificatienummer van deze vennootschap;
- in voorkomend geval het land waar de buitenlandse inrichting gelegen is;
- het in artikel 185/2, § 2, vijfde lid, bedoelde percentage;
- of de vrijstelling bedoeld in respectievelijk artikel 185/2, § 4, eerste streepje, tweede streepje of derde streepje wordt ingeroepen.";
3° het zevende lid wordt opgeheven.
Art.31. A l'article 307, § 1/2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 décembre 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
"Les contribuables assujettis à l'impôt des sociétés sont également tenus de mentionner dans la déclaration l'existence de chaque société étrangère, ou établissement étranger, qui est qualifié de CFC, en application de l'article 185/2, § 3.";
2° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit:
"Dans le cas où la déclaration mentionne l'existence d'une société étrangère, ou d'un établissement étranger d'une société étrangère, visé à l'article 185/2, § 3, qualifié de CFC conformément à l'article 185/2, § 3, sont également mentionnés:
- la dénomination de la société;
- l'adresse du siège de direction ou d'administration de la société;
- le cas échéant, le numéro d'identification de cette société;
- le cas échéant, le pays dans lequel l'établissement étranger est situé;
- le pourcentage visé à l'article 185/2, § 2, alinéa 5;
- si l'exonération visée, respectivement, à l'article 185/2, § 4, premier tiret, deuxième tiret ou troisième tiret est invoquée.";
3° l'alinéa 7 est abrogé.
1° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit:
"Les contribuables assujettis à l'impôt des sociétés sont également tenus de mentionner dans la déclaration l'existence de chaque société étrangère, ou établissement étranger, qui est qualifié de CFC, en application de l'article 185/2, § 3.";
2° l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit:
"Dans le cas où la déclaration mentionne l'existence d'une société étrangère, ou d'un établissement étranger d'une société étrangère, visé à l'article 185/2, § 3, qualifié de CFC conformément à l'article 185/2, § 3, sont également mentionnés:
- la dénomination de la société;
- l'adresse du siège de direction ou d'administration de la société;
- le cas échéant, le numéro d'identification de cette société;
- le cas échéant, le pays dans lequel l'établissement étranger est situé;
- le pourcentage visé à l'article 185/2, § 2, alinéa 5;
- si l'exonération visée, respectivement, à l'article 185/2, § 4, premier tiret, deuxième tiret ou troisième tiret est invoquée.";
3° l'alinéa 7 est abrogé.
Art.32. Deze afdeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024.
Art.32. La présente section est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024.
Afdeling 7. - Wijzigingen van het aanslagstelsel dat van toepassing is op de juridische constructies
Section 7. - Modifications du régime de taxation applicable aux constructions juridiques
Art.33. In artikel 2, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 13°, b), wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De in het eerste lid bedoelde vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit is geen juridische constructie indien deze gevestigd is in een Staat of rechtsgebied dat behoort tot de Europese Economische Ruimte, behalve indien het:
1° een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval betreft;
2° een niet in artikel 29, § 2, bedoelde vennootschap betreft waarvan de inkomsten door de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd in hoofde van de vennoten of aandeelhouders worden belast, tenzij deze inkomsten worden onderworpen aan een inkomstenbelasting, die in hoofde van de vennoot of aandeelhouder wordt gevestigd krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd, en indien deze inkomstenbelasting minstens 1 pct. bedraagt van het aan deze aandeelhouder of vennoot toebehorend deel van het belastbaar inkomen van deze vennootschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten;
3° een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit betreft, andere dan deze bedoeld in de bepaling onder 1° of 2° of artikel 29, § 2, die rechtspersoonlijkheid bezit, en die, krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting wordt onderworpen ofwel onderworpen wordt aan een inkomstenbelasting die minder dan 1 pct. bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.";
2° in de bepaling onder 13°, b), wordt het derde lid opgeheven;
3° in de bepaling onder 13°, b), wordt het vierde lid, dat het derde lid wordt, vervangen als volgt:
"Behalve in het geval de belastingplichtige het bewijs levert dat de vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit geen juridische constructie is, worden de volgende gevallen vermoed een juridische constructie te zijn:
- een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit, die rechtspersoonlijkheid bezit en die gevestigd is in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk werd opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2;
- een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval;
- een in het tweede lid, 2°, bedoeld geval.";
4° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de inleidende zin vervangen als volgt:
"13° /1 in afwijking van de bepaling onder 13° en 13° /2 worden niet geacht een juridische constructie of een tussenconstructie te zijn:";
5° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"a) een instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht die voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) of een instelling voor belegging in schuldvorderingen bedoeld in deel 3bis van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/CE en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd;";
6° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
"b) een alternatieve instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht waarvan de beheerder overeenkomstig de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, overeenkomstig het interne recht van een lidstaat van de Europese Unie of overeenkomstig het interne recht van een derde land voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd;";
7° in de bepaling onder 13° /1, tweede lid, worden de woorden "met betrekking tot de in dit lid beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen" vervangen door de woorden "met betrekking tot de in dit lid, in de bepaling onder a) tot c), beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten voor meer dan 50 pct. door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen";
8° de bepaling onder 13° /1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Behoudens tegenbewijs wordt de in het tweede lid bedoelde uitzondering vermoed van toepassing te zijn in het geval:
- de vermogensbeheerder van de in dat lid bedoelde instelling, entiteit of vennootschap, of van een compartiment daarvan, specifieke instructies ontvangt van de personen die de rechten aanhouden van dit compartiment, om bepaalde financiële instrumenten te kopen of te verkopen, of;
- er geen onafhankelijke vermogensbeheerder werd aangesteld.";
9° in de bepaling onder 13° /2 worden de woorden "een andere juridische constructie" vervangen door de woorden "een tussenconstructie";
10° de bepaling onder 13° /3 wordt vervangen als volgt:
"13° /3 Tussenconstructie
Onder een tussenconstructie wordt een juridische constructie of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit verstaan, die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht dat haar beheerst, die de aandelen of economische rechten geheel of gedeeltelijk aanhoudt van een dochterconstructie of een andere tussenconstructie;";
11° de bepaling onder 13° /4 wordt opgeheven;
12° in de bepaling onder 14°, vierde streepje, worden de woorden "en die houder zijn van de juridische rechten van de aandelen" vervangen door de woorden "en die rechtstreeks of onrechtstreeks via een keten van tussenconstructies houder zijn van de juridische of economische rechten van de aandelen";
13° de bepaling onder 14° wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Behoudens tegenbewijs en rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, kan een natuurlijke persoon die in een centraal register van uiteindelijke begunstigden als een uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt van een in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten bedoelde vennootschap, fiducie, trust, stichting, vereniging zonder winstoogmerk, of een constructie die vergelijkbaar is met een fiducie of trust, die ook een in de bepaling onder 13° bedoelde juridische constructie is, worden vermoed de oprichter van deze juridische constructie te zijn.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een centraal register van uiteindelijke begunstigden het register bedoeld in boek IV, titel 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, verstaan, evenals een soortgelijk register dat wordt beheerd door een lidstaat van de Europese Unie of een derde land.".
1° in de bepaling onder 13°, b), wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De in het eerste lid bedoelde vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit is geen juridische constructie indien deze gevestigd is in een Staat of rechtsgebied dat behoort tot de Europese Economische Ruimte, behalve indien het:
1° een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval betreft;
2° een niet in artikel 29, § 2, bedoelde vennootschap betreft waarvan de inkomsten door de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd in hoofde van de vennoten of aandeelhouders worden belast, tenzij deze inkomsten worden onderworpen aan een inkomstenbelasting, die in hoofde van de vennoot of aandeelhouder wordt gevestigd krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar deze vennootschap is gevestigd, en indien deze inkomstenbelasting minstens 1 pct. bedraagt van het aan deze aandeelhouder of vennoot toebehorend deel van het belastbaar inkomen van deze vennootschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten;
3° een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit betreft, andere dan deze bedoeld in de bepaling onder 1° of 2° of artikel 29, § 2, die rechtspersoonlijkheid bezit, en die, krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Staat of het rechtsgebied waar hij gevestigd is, aldaar ofwel niet aan een inkomstenbelasting wordt onderworpen ofwel onderworpen wordt aan een inkomstenbelasting die minder dan 1 pct. bedraagt van het belastbaar inkomen van deze juridische constructie dat wordt vastgesteld overeenkomstig de regels die van toepassing zijn voor het vestigen van de Belgische belasting op daarmee overeenstemmende inkomsten.";
2° in de bepaling onder 13°, b), wordt het derde lid opgeheven;
3° in de bepaling onder 13°, b), wordt het vierde lid, dat het derde lid wordt, vervangen als volgt:
"Behalve in het geval de belastingplichtige het bewijs levert dat de vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit geen juridische constructie is, worden de volgende gevallen vermoed een juridische constructie te zijn:
- een vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit, die rechtspersoonlijkheid bezit en die gevestigd is in een rechtsgebied dat op het einde van het belastbare tijdperk werd opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve rechtsgebieden of op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting als bedoeld in artikel 307, § 1/2;
- een in de bepaling onder 13° /1, tweede tot vierde lid, bedoeld geval;
- een in het tweede lid, 2°, bedoeld geval.";
4° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de inleidende zin vervangen als volgt:
"13° /1 in afwijking van de bepaling onder 13° en 13° /2 worden niet geacht een juridische constructie of een tussenconstructie te zijn:";
5° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"a) een instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht die voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) of een instelling voor belegging in schuldvorderingen bedoeld in deel 3bis van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/CE en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd;";
6° in de bepaling onder 13° /1, eerste lid, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
"b) een alternatieve instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of naar buitenlands recht waarvan de beheerder overeenkomstig de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, overeenkomstig het interne recht van een lidstaat van de Europese Unie of overeenkomstig het interne recht van een derde land voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd;";
7° in de bepaling onder 13° /1, tweede lid, worden de woorden "met betrekking tot de in dit lid beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen" vervangen door de woorden "met betrekking tot de in dit lid, in de bepaling onder a) tot c), beoogde instellingen, entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten voor meer dan 50 pct. door één persoon, of meerdere met elkaar verbonden personen";
8° de bepaling onder 13° /1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Behoudens tegenbewijs wordt de in het tweede lid bedoelde uitzondering vermoed van toepassing te zijn in het geval:
- de vermogensbeheerder van de in dat lid bedoelde instelling, entiteit of vennootschap, of van een compartiment daarvan, specifieke instructies ontvangt van de personen die de rechten aanhouden van dit compartiment, om bepaalde financiële instrumenten te kopen of te verkopen, of;
- er geen onafhankelijke vermogensbeheerder werd aangesteld.";
9° in de bepaling onder 13° /2 worden de woorden "een andere juridische constructie" vervangen door de woorden "een tussenconstructie";
10° de bepaling onder 13° /3 wordt vervangen als volgt:
"13° /3 Tussenconstructie
Onder een tussenconstructie wordt een juridische constructie of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting, instelling of entiteit verstaan, die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht dat haar beheerst, die de aandelen of economische rechten geheel of gedeeltelijk aanhoudt van een dochterconstructie of een andere tussenconstructie;";
11° de bepaling onder 13° /4 wordt opgeheven;
12° in de bepaling onder 14°, vierde streepje, worden de woorden "en die houder zijn van de juridische rechten van de aandelen" vervangen door de woorden "en die rechtstreeks of onrechtstreeks via een keten van tussenconstructies houder zijn van de juridische of economische rechten van de aandelen";
13° de bepaling onder 14° wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Behoudens tegenbewijs en rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, kan een natuurlijke persoon die in een centraal register van uiteindelijke begunstigden als een uiteindelijke begunstigde wordt aangemerkt van een in de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten bedoelde vennootschap, fiducie, trust, stichting, vereniging zonder winstoogmerk, of een constructie die vergelijkbaar is met een fiducie of trust, die ook een in de bepaling onder 13° bedoelde juridische constructie is, worden vermoed de oprichter van deze juridische constructie te zijn.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder een centraal register van uiteindelijke begunstigden het register bedoeld in boek IV, titel 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, verstaan, evenals een soortgelijk register dat wordt beheerd door een lidstaat van de Europese Unie of een derde land.".
Art.33. A l'article 2, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le 13°, b), l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Les sociétés, associations, établissements, organismes ou entités visés à l'alinéa 1er ne constituent pas des constructions juridiques s'ils sont établis dans un Etat ou une juridiction qui fait partie de l'Espace économique européen, sauf lorsqu'elle concerne:
1° un cas visé au 13° /1, alinéas 2 à 4;
2° une société qui n'est pas visée à l'article 29, § 2, et dont les revenus sont imposés dans le chef des associés ou actionnaires par l'Etat ou la juridiction dans laquelle cette société est établie, sauf si ces revenus sont soumis, dans le chef de l'actionnaire ou associé à un impôt sur les revenus, en vertu des dispositions de la législation de cet Etat ou de la juridiction dans laquelle est établie cette société, et que cet impôt sur les revenus s'élève à au moins 1 p.c. de la part incombant à cet actionnaire ou à cet associé sur le revenu imposable de cette société déterminé conformément aux règles applicables pour établir l'impôt belge sur les revenus correspondants;
3° une société, association, établissement, organisme ou entité quelconque, qui possède la personnalité juridique, qui n'est pas visée au 1° ou 2° ou à l'article 29, § 2, et qui, en vertu des dispositions de la législation de l'Etat ou de la juridiction dans laquelle elle est établie, soit, n'y est pas soumise à un impôt sur les revenus, soit, y est soumise à un impôt sur les revenus qui s'élève à moins de 1 p.c. du revenu imposable de cette construction juridique déterminé conformément aux règles applicables pour établir l'impôt belge sur les revenus correspondants.";
2° dans le 13°, b), l'alinéa 3 est abrogé;
3° dans le 13°, b), l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit:
"Sauf dans le cas où le contribuable apporte la preuve que la société, l'association, l'établissement, l'organisme ou l'entité n'est pas une construction juridique, les cas suivants sont présumés être une construction juridique:
- une société, association, établissement, organisme ou entité quelconque, qui possède la personnalité juridique et qui est établi dans une juridiction qui, à la fin de la période imposable, est reprise sur la liste de l'UE des juridictions non coopératives, ou la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l'article 307, § 1/2;
- un cas visé au 13° /1, alinéas 2 à 4;
- un cas visé à l'alinéa 2, 2°. ";
4° dans le 13° /1, alinéa 1er, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit:
"13° /1 par dérogation aux 13° et 13° /2, ne sont pas censées être une construction juridique ou une construction intermédiaire:";
5° dans le 13° /1, alinéa 1er, le a) est remplacé par ce qui suit:
"a) un organisme de placement collectif de droit belge ou de droit étranger qui répond aux conditions de la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM) ou un organisme de placement collectif en créances visé à la partie 3bis de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, le cas échéant considéré distinctement par compartiment;";
6° dans le 13° /1, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui suit:
"b) un organisme de placement collectif alternatif de droit belge ou de droit étranger dont le gestionnaire, conformément à la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, conformément au droit interne d'un Etat membre de l'Union européenne ou conformément au droit interne d'un Etat tiers, remplit les conditions prévues par la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, le cas échéant considéré distinctement par compartiment;";
7° dans le 13° /1, alinéa 2, les mots "concerne les institutions, entités et sociétés visées dans cet alinéa, dont les droits sont détenus par une personne, ou plusieurs personnes liées entre elles" sont remplacés par les mots "concerne les institutions, entités et sociétés visées dans cet alinéa, a) à c), dont les droits sont détenus à plus de 50 p.c. par une personne, ou plusieurs personnes liées entre elles";
8° le 13/1° est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Sauf preuve contraire, l'exception visée à l' alinéa 2 est présumée s'appliquer lorsque:
- le gestionnaire d'actifs de l'établissement, de l'entité ou de la société visé à cet alinéa ou d'un compartiment de celui-ci reçoit des instructions spécifiques des personnes détenant les droits de ce compartiment, pour acheter ou vendre certains instruments financiers, ou;
- aucun gestionnaire d'actifs indépendant n'a été désigné.";
9° dans le 13° /2, les mots "une autre construction juridique" sont remplacés par les mots "une construction intermédiaire";
10° le 13° /3 est remplacé par ce qui suit:
"13° /3 Construction intermédiaire
Par construction intermédiaire, on entend une construction juridique ou société, association, établissement, organisme ou entité, possédant ou non la personnalité juridique en vertu du droit qui le régit, qui détient entièrement ou partiellement les actions ou parts ou droits économiques d'une construction filiale ou d'une autre construction intermédiaire;";
11° le 13° /4 est abrogé;
12° dans le 14°, quatrième tiret, les mots "et qui détiennent les droits juridiques des actions ou parts" sont remplacés par les mots "et qui détiennent directement ou indirectement via une chaîne de constructions intermédiaires les droits juridiques ou économiques des actions ou parts";
13° le 14° est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Sauf preuve contraire et compte tenu de l'ensemble des faits et circonstances pertinents, une personne physique qui est reconnue dans un registre central de bénéficiaires ultimes comme bénéficiaire ultime d'une société, fiducie, trust, fondation, association sans but lucratif, ou d'une construction semblable à une fiducie ou à un trust visée dans la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, qui est également une construction visée au 13°, peut être présumée être le fondateur de cette construction juridique.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par un registre central de bénéficiaires ultimes le registre visé dans le livre IV, titre 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi qu'un registre similaire est tenu par un Etat membre de l'Union européenne ou par un pays tiers.".
1° dans le 13°, b), l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Les sociétés, associations, établissements, organismes ou entités visés à l'alinéa 1er ne constituent pas des constructions juridiques s'ils sont établis dans un Etat ou une juridiction qui fait partie de l'Espace économique européen, sauf lorsqu'elle concerne:
1° un cas visé au 13° /1, alinéas 2 à 4;
2° une société qui n'est pas visée à l'article 29, § 2, et dont les revenus sont imposés dans le chef des associés ou actionnaires par l'Etat ou la juridiction dans laquelle cette société est établie, sauf si ces revenus sont soumis, dans le chef de l'actionnaire ou associé à un impôt sur les revenus, en vertu des dispositions de la législation de cet Etat ou de la juridiction dans laquelle est établie cette société, et que cet impôt sur les revenus s'élève à au moins 1 p.c. de la part incombant à cet actionnaire ou à cet associé sur le revenu imposable de cette société déterminé conformément aux règles applicables pour établir l'impôt belge sur les revenus correspondants;
3° une société, association, établissement, organisme ou entité quelconque, qui possède la personnalité juridique, qui n'est pas visée au 1° ou 2° ou à l'article 29, § 2, et qui, en vertu des dispositions de la législation de l'Etat ou de la juridiction dans laquelle elle est établie, soit, n'y est pas soumise à un impôt sur les revenus, soit, y est soumise à un impôt sur les revenus qui s'élève à moins de 1 p.c. du revenu imposable de cette construction juridique déterminé conformément aux règles applicables pour établir l'impôt belge sur les revenus correspondants.";
2° dans le 13°, b), l'alinéa 3 est abrogé;
3° dans le 13°, b), l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 3, est remplacé par ce qui suit:
"Sauf dans le cas où le contribuable apporte la preuve que la société, l'association, l'établissement, l'organisme ou l'entité n'est pas une construction juridique, les cas suivants sont présumés être une construction juridique:
- une société, association, établissement, organisme ou entité quelconque, qui possède la personnalité juridique et qui est établi dans une juridiction qui, à la fin de la période imposable, est reprise sur la liste de l'UE des juridictions non coopératives, ou la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l'article 307, § 1/2;
- un cas visé au 13° /1, alinéas 2 à 4;
- un cas visé à l'alinéa 2, 2°. ";
4° dans le 13° /1, alinéa 1er, la phrase liminaire est remplacée par ce qui suit:
"13° /1 par dérogation aux 13° et 13° /2, ne sont pas censées être une construction juridique ou une construction intermédiaire:";
5° dans le 13° /1, alinéa 1er, le a) est remplacé par ce qui suit:
"a) un organisme de placement collectif de droit belge ou de droit étranger qui répond aux conditions de la directive 2009/65/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 portant coordination des dispositions législatives, réglementaires et administratives concernant certains organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM) ou un organisme de placement collectif en créances visé à la partie 3bis de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances, le cas échéant considéré distinctement par compartiment;";
6° dans le 13° /1, alinéa 1er, le b) est remplacé par ce qui suit:
"b) un organisme de placement collectif alternatif de droit belge ou de droit étranger dont le gestionnaire, conformément à la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, conformément au droit interne d'un Etat membre de l'Union européenne ou conformément au droit interne d'un Etat tiers, remplit les conditions prévues par la directive 2011/61/UE du Parlement européen et du Conseil du 8 juin 2011 sur les gestionnaires de fonds d'investissement alternatifs et modifiant les directives 2003/41/CE et 2009/65/CE ainsi que les règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 1095/2010, le cas échéant considéré distinctement par compartiment;";
7° dans le 13° /1, alinéa 2, les mots "concerne les institutions, entités et sociétés visées dans cet alinéa, dont les droits sont détenus par une personne, ou plusieurs personnes liées entre elles" sont remplacés par les mots "concerne les institutions, entités et sociétés visées dans cet alinéa, a) à c), dont les droits sont détenus à plus de 50 p.c. par une personne, ou plusieurs personnes liées entre elles";
8° le 13/1° est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Sauf preuve contraire, l'exception visée à l' alinéa 2 est présumée s'appliquer lorsque:
- le gestionnaire d'actifs de l'établissement, de l'entité ou de la société visé à cet alinéa ou d'un compartiment de celui-ci reçoit des instructions spécifiques des personnes détenant les droits de ce compartiment, pour acheter ou vendre certains instruments financiers, ou;
- aucun gestionnaire d'actifs indépendant n'a été désigné.";
9° dans le 13° /2, les mots "une autre construction juridique" sont remplacés par les mots "une construction intermédiaire";
10° le 13° /3 est remplacé par ce qui suit:
"13° /3 Construction intermédiaire
Par construction intermédiaire, on entend une construction juridique ou société, association, établissement, organisme ou entité, possédant ou non la personnalité juridique en vertu du droit qui le régit, qui détient entièrement ou partiellement les actions ou parts ou droits économiques d'une construction filiale ou d'une autre construction intermédiaire;";
11° le 13° /4 est abrogé;
12° dans le 14°, quatrième tiret, les mots "et qui détiennent les droits juridiques des actions ou parts" sont remplacés par les mots "et qui détiennent directement ou indirectement via une chaîne de constructions intermédiaires les droits juridiques ou économiques des actions ou parts";
13° le 14° est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Sauf preuve contraire et compte tenu de l'ensemble des faits et circonstances pertinents, une personne physique qui est reconnue dans un registre central de bénéficiaires ultimes comme bénéficiaire ultime d'une société, fiducie, trust, fondation, association sans but lucratif, ou d'une construction semblable à une fiducie ou à un trust visée dans la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, qui est également une construction visée au 13°, peut être présumée être le fondateur de cette construction juridique.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par un registre central de bénéficiaires ultimes le registre visé dans le livre IV, titre 2, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ainsi qu'un registre similaire est tenu par un Etat membre de l'Union européenne ou par un pays tiers.".
Art.34. In artikel 5/1 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie.";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De inkomsten die worden uitgekeerd door de dochterconstructie aan een juridische constructie zijn niet belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate en op voorwaarde dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze inkomsten aan de voorwaarden van artikel 21, eerste lid, 12°, en tweede lid, voldoen.";
3° in paragraaf 1 worden het vierde en het vijfde lid opgeheven;
4° in paragraaf 1 wordt het tiende lid, dat het achtste lid wordt, vervangen als volgt:
"De toepassing van deze paragraaf op de door de juridische constructie verkregen inkomsten, belet niet de toepassing van artikel 18, eerste lid, 3°, op de door deze juridische constructie betaalde of toegekende inkomsten.";
5° paragraaf 2 wordt opgeheven;
6° in paragraaf 3 worden in de inleidende zin de woorden "De paragrafen 1 en 2 zijn" vervangen door de woorden "Paragraaf 1 is";
7° in paragraaf 3 wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
"b) in de jaarlijkse aangifte van de inkomstenbelasting verklaart en op eenvoudig verzoek aantoont dat de juridische constructie gevestigd is in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt, en dat:
- er wordt aangetoond dat de juridische constructie een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen en haar inkomsten in hoofdzaak hieruit behaalt, en dat;
- deze wezenlijke activiteit het beheer van het privévermogen van de oprichter of van een van de oprichters van deze juridische constructie niet tot doel heeft;";
8° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepalingen onder c) en d), luidende:
"c) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in toepassing van artikel 185/2 in hoofde van een binnenlandse vennootschap worden belast;
d) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in hoofde van een andere oprichter van deze juridische constructie in toepassing van paragraaf 1 of artikel 220/1 worden of werden belast.";
9° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, b), moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen.".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie.";
2° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De inkomsten die worden uitgekeerd door de dochterconstructie aan een juridische constructie zijn niet belastbaar in hoofde van de rijksinwoner die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate en op voorwaarde dat de belastingplichtige heeft aangetoond dat deze inkomsten aan de voorwaarden van artikel 21, eerste lid, 12°, en tweede lid, voldoen.";
3° in paragraaf 1 worden het vierde en het vijfde lid opgeheven;
4° in paragraaf 1 wordt het tiende lid, dat het achtste lid wordt, vervangen als volgt:
"De toepassing van deze paragraaf op de door de juridische constructie verkregen inkomsten, belet niet de toepassing van artikel 18, eerste lid, 3°, op de door deze juridische constructie betaalde of toegekende inkomsten.";
5° paragraaf 2 wordt opgeheven;
6° in paragraaf 3 worden in de inleidende zin de woorden "De paragrafen 1 en 2 zijn" vervangen door de woorden "Paragraaf 1 is";
7° in paragraaf 3 wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
"b) in de jaarlijkse aangifte van de inkomstenbelasting verklaart en op eenvoudig verzoek aantoont dat de juridische constructie gevestigd is in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoord sluitende Staten mogelijk maakt, en dat:
- er wordt aangetoond dat de juridische constructie een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen en haar inkomsten in hoofdzaak hieruit behaalt, en dat;
- deze wezenlijke activiteit het beheer van het privévermogen van de oprichter of van een van de oprichters van deze juridische constructie niet tot doel heeft;";
8° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepalingen onder c) en d), luidende:
"c) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in toepassing van artikel 185/2 in hoofde van een binnenlandse vennootschap worden belast;
d) aantoont dat de inkomsten van deze juridische constructie in hoofde van een andere oprichter van deze juridische constructie in toepassing van paragraaf 1 of artikel 220/1 worden of werden belast.";
9° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, b), moet onder de uitoefening van een economische activiteit, het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt worden begrepen.".
Art.34. A l'article 5/1 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus ayant été recueillis par une construction filiale ne sont imposables que dans le chef de l'habitant du Royaume qui est le fondateur de la construction filiale, dans la mesure où ce fondateur détient via une construction intermédiaire, ou indirectement via une chaîne de constructions intermédiaires, les droits juridiques ou économiques des actions ou parts de la construction filiale.";
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les revenus qui sont distribués par la construction filiale à une construction juridique ne sont pas imposables dans le chef de l'habitant du Royaume qui est le fondateur de la construction filiale, dans la mesure où et à condition que le contribuable ait démontré que ces revenus remplissent les conditions de l'article 21, alinéa 1er, 12°, et alinéa 2.";
3° dans le paragraphe 1er, les alinéas 4 et 5 sont abrogés;
4° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 10, qui devient l'alinéa 8, est remplacé par ce qui suit:
"L'application du présent paragraphe aux revenus recueillis par la construction juridique n'empêche pas l'application de l'article 18, alinéa 1er, 3°, sur les revenus payés ou attribués par cette construction juridique.";
5° le paragraphe 2 est abrogé;
6° dans le paragraphe 3, phrase liminaire, les mots "Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables" sont remplacés par les mots "Le paragraphe 1er n'est pas applicable";
7° dans le paragraphe 3, le b) est remplacé par ce qui suit:
"b) établit dans la déclaration annuelle des impôts sur les revenus et démontre sur simple demande que la construction juridique est établie dans un Etat avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition, ou a conclu un accord en vue de l'échange de renseignements en matière fiscale ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre instrument juridique bilatéral ou multilatéral, pourvu que cette convention, cet accord ou cet instrument juridique permette l'échange d'informations entre les Etats contractants en matière fiscale, et que:
- il soit démontré que la construction juridique exerce une activité économique substantielle, au moyen de personnel, d'équipements, de biens et de locaux, et que ses revenus sont principalement réalisés par celle-ci, et que;
- cette activité substantielle n'a pas pour but la gestion du patrimoine privé du fondateur ou d'un des fondateurs de cette construction juridique;";
8° le paragraphe 3 est complété par un c) et un d), rédigés comme suit:
"c) démontre que les revenus de cette construction juridique sont imposés dans le chef d'une société résidente en application de l'article 185/2;
d) démontre que les revenus de cette construction juridique sont imposés en application du paragraphe 1er ou de l'article 220/1 dans le chef d'un autre fondateur de cette construction juridique.";
9° le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, b), on entend par "l'exercice d'une activité économique" l'offre de biens ou services à un marché déterminé.".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus ayant été recueillis par une construction filiale ne sont imposables que dans le chef de l'habitant du Royaume qui est le fondateur de la construction filiale, dans la mesure où ce fondateur détient via une construction intermédiaire, ou indirectement via une chaîne de constructions intermédiaires, les droits juridiques ou économiques des actions ou parts de la construction filiale.";
2° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Les revenus qui sont distribués par la construction filiale à une construction juridique ne sont pas imposables dans le chef de l'habitant du Royaume qui est le fondateur de la construction filiale, dans la mesure où et à condition que le contribuable ait démontré que ces revenus remplissent les conditions de l'article 21, alinéa 1er, 12°, et alinéa 2.";
3° dans le paragraphe 1er, les alinéas 4 et 5 sont abrogés;
4° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 10, qui devient l'alinéa 8, est remplacé par ce qui suit:
"L'application du présent paragraphe aux revenus recueillis par la construction juridique n'empêche pas l'application de l'article 18, alinéa 1er, 3°, sur les revenus payés ou attribués par cette construction juridique.";
5° le paragraphe 2 est abrogé;
6° dans le paragraphe 3, phrase liminaire, les mots "Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables" sont remplacés par les mots "Le paragraphe 1er n'est pas applicable";
7° dans le paragraphe 3, le b) est remplacé par ce qui suit:
"b) établit dans la déclaration annuelle des impôts sur les revenus et démontre sur simple demande que la construction juridique est établie dans un Etat avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition, ou a conclu un accord en vue de l'échange de renseignements en matière fiscale ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre instrument juridique bilatéral ou multilatéral, pourvu que cette convention, cet accord ou cet instrument juridique permette l'échange d'informations entre les Etats contractants en matière fiscale, et que:
- il soit démontré que la construction juridique exerce une activité économique substantielle, au moyen de personnel, d'équipements, de biens et de locaux, et que ses revenus sont principalement réalisés par celle-ci, et que;
- cette activité substantielle n'a pas pour but la gestion du patrimoine privé du fondateur ou d'un des fondateurs de cette construction juridique;";
8° le paragraphe 3 est complété par un c) et un d), rédigés comme suit:
"c) démontre que les revenus de cette construction juridique sont imposés dans le chef d'une société résidente en application de l'article 185/2;
d) démontre que les revenus de cette construction juridique sont imposés en application du paragraphe 1er ou de l'article 220/1 dans le chef d'un autre fondateur de cette construction juridique.";
9° le paragraphe 3 est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, b), on entend par "l'exercice d'une activité économique" l'offre de biens ou services à un marché déterminé.".
Art.35. In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 3°, worden de woorden "door een juridische constructie" vervangen door de woorden "door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken werd aangemerkt als een juridische constructie", worden de woorden "de overige paragrafen van artikel 5/1" vervangen door de woorden "artikel 5/1, § 1," en worden de woorden "met inbegrip van de inkomsten die worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld overeenkomstig artikel 5/1, § 2," opgeheven;
2° in het eerste lid wordt een bepaling onder 3° /1 ingevoegd, luidende:
"3° /1 de niet uitgekeerde winst van een in artikel 2, § 1, 13°, a) en b), bedoelde juridische constructie die wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter van een juridische constructie, op het ogenblik:
- dat de economische rechten, de aandelen of de activa van de juridische constructie worden ingebracht in een andere juridische constructie of rechtspersoon of worden overgedragen naar een andere Staat of rechtsgebied dan België, of;
- dat de natuurlijke persoon die de oprichter is van deze juridische constructie zijn woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland verplaatst, of;
- waarop de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van deze juridische constructie wordt overgebracht naar het buitenland.";
3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 3° /1, wordt de niet uitgekeerde winst van een dochterconstructie, die overeenkomstig die bepaling wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter, beperkt overeenkomstig de mate dat hij via een tussenconstructie of een keten van meerdere tussenconstructies de oprichter is van de dochterconstructie.
Het eerste lid, 3° /1, is niet van toepassing op een juridische constructie die krachtens artikel 5/1, § 3, van de toepassing van artikel 5/1, § 1, of van artikel 220/1 is uitgesloten.".
1° in het eerste lid, 3°, worden de woorden "door een juridische constructie" vervangen door de woorden "door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken werd aangemerkt als een juridische constructie", worden de woorden "de overige paragrafen van artikel 5/1" vervangen door de woorden "artikel 5/1, § 1," en worden de woorden "met inbegrip van de inkomsten die worden geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld overeenkomstig artikel 5/1, § 2," opgeheven;
2° in het eerste lid wordt een bepaling onder 3° /1 ingevoegd, luidende:
"3° /1 de niet uitgekeerde winst van een in artikel 2, § 1, 13°, a) en b), bedoelde juridische constructie die wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter van een juridische constructie, op het ogenblik:
- dat de economische rechten, de aandelen of de activa van de juridische constructie worden ingebracht in een andere juridische constructie of rechtspersoon of worden overgedragen naar een andere Staat of rechtsgebied dan België, of;
- dat de natuurlijke persoon die de oprichter is van deze juridische constructie zijn woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland verplaatst, of;
- waarop de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van deze juridische constructie wordt overgebracht naar het buitenland.";
3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 3° /1, wordt de niet uitgekeerde winst van een dochterconstructie, die overeenkomstig die bepaling wordt geacht te zijn toegekend of betaalbaar gesteld aan de oprichter, beperkt overeenkomstig de mate dat hij via een tussenconstructie of een keten van meerdere tussenconstructies de oprichter is van de dochterconstructie.
Het eerste lid, 3° /1, is niet van toepassing op een juridische constructie die krachtens artikel 5/1, § 3, van de toepassing van artikel 5/1, § 1, of van artikel 220/1 is uitgesloten.".
Art.35. A l'article 18 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, 3°, les mots "par une construction juridique" sont remplacés par les mots "par une entité qui pour au moins une des trois périodes imposables écoulées a été considérée comme une construction juridique", les mots "des autres paragraphes de l'article 5/1" sont remplacés par les mots "de l'article 5/1, § 1er," et les mots "y compris les revenus qui sont censés être attribués ou mis en paiement conformément à l'article 5/1, § 2," sont abrogés;
2° dans l'alinéa 1er, un 3° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"3° /1 les bénéfices non distribués d'une construction juridique visée à l'article 2, § 1er, 13°, a) et b), qui sont censés être attribués ou mis en paiement au fondateur d'une construction juridique, au moment où:
- les droits économiques, les actions ou parts ou les actifs de la construction juridique sont apportés dans une autre construction juridique ou personne morale ou sont transférés vers un autre Etat ou juridiction que la Belgique, ou;
- la personne physique qui est le fondateur de cette construction juridique a transféré sa résidence ou le siège de sa fortune à l'étranger, ou ;
- l'établissement précité ou le siège de gestion ou d'administration de la personne morale visée à l'article 220 qui est le fondateur de cette construction juridique est transféré à l'étranger.";
3° l'article est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 3° /1, les bénéfices non distribués d'une construction filiale qui, conformément à cette disposition, sont censés être attribués ou mis en paiement au fondateur, sont limités dans la mesure où celui-ci est le fondateur d'une construction filiale via une construction intermédiaire ou via une chaîne de constructions intermédiaires.
L'alinéa 1er, 3° /1, n'est pas applicable à une construction juridique qui en vertu de l'article 5/1, § 3, est exclue de l'application de l'article 5/1, § 1er, ou de l'article 220/1.".
1° dans l'alinéa 1er, 3°, les mots "par une construction juridique" sont remplacés par les mots "par une entité qui pour au moins une des trois périodes imposables écoulées a été considérée comme une construction juridique", les mots "des autres paragraphes de l'article 5/1" sont remplacés par les mots "de l'article 5/1, § 1er," et les mots "y compris les revenus qui sont censés être attribués ou mis en paiement conformément à l'article 5/1, § 2," sont abrogés;
2° dans l'alinéa 1er, un 3° /1 est inséré, rédigé comme suit:
"3° /1 les bénéfices non distribués d'une construction juridique visée à l'article 2, § 1er, 13°, a) et b), qui sont censés être attribués ou mis en paiement au fondateur d'une construction juridique, au moment où:
- les droits économiques, les actions ou parts ou les actifs de la construction juridique sont apportés dans une autre construction juridique ou personne morale ou sont transférés vers un autre Etat ou juridiction que la Belgique, ou;
- la personne physique qui est le fondateur de cette construction juridique a transféré sa résidence ou le siège de sa fortune à l'étranger, ou ;
- l'établissement précité ou le siège de gestion ou d'administration de la personne morale visée à l'article 220 qui est le fondateur de cette construction juridique est transféré à l'étranger.";
3° l'article est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 3° /1, les bénéfices non distribués d'une construction filiale qui, conformément à cette disposition, sont censés être attribués ou mis en paiement au fondateur, sont limités dans la mesure où celui-ci est le fondateur d'une construction filiale via une construction intermédiaire ou via une chaîne de constructions intermédiaires.
L'alinéa 1er, 3° /1, n'est pas applicable à une construction juridique qui en vertu de l'article 5/1, § 3, est exclue de l'application de l'article 5/1, § 1er, ou de l'article 220/1.".
Art.36. In artikel 21 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 12°, vervangen als volgt:
"12° inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken aangemerkt werd als een juridische constructie of tussenconstructie, in de mate dat wordt aangetoond dat de door een juridische constructie verkregen inkomsten, die reeds in hoofde van een natuurlijke persoon of een in de artikelen 220 bedoelde rechtspersoon in toepassing van artikel 5/1, 18, eerste lid, 3° /1, of 220/1, in België hun belastingregime hebben ondergaan, in deze eerstgenoemde inkomsten voorkomen;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 12°, en artikel 5/1, § 1, derde lid, worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen of krachtens dit Wetboek of een verdrag worden vrijgesteld.".
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 12°, vervangen als volgt:
"12° inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een entiteit die voor ten minste één van de drie afgelopen belastbare tijdperken aangemerkt werd als een juridische constructie of tussenconstructie, in de mate dat wordt aangetoond dat de door een juridische constructie verkregen inkomsten, die reeds in hoofde van een natuurlijke persoon of een in de artikelen 220 bedoelde rechtspersoon in toepassing van artikel 5/1, 18, eerste lid, 3° /1, of 220/1, in België hun belastingregime hebben ondergaan, in deze eerstgenoemde inkomsten voorkomen;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"Voor de toepassing van het eerste lid, 12°, en artikel 5/1, § 1, derde lid, worden de oudst verkregen inkomsten geacht eerst te zijn uitgekeerd, en worden de inkomsten geacht in België hun belastingregime niet te hebben ondergaan, indien deze buiten het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen of krachtens dit Wetboek of een verdrag worden vrijgesteld.".
Art.36. A l'article 21 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, le 12°, est remplacé par ce qui suit:
"12° les revenus attribués ou mis en paiement par une entité qui pour au moins une des trois périodes imposables écoulées a été considérée comme une construction juridique ou une construction intermédiaire, dans la mesure où il est démontré que les revenus recueillis par une construction juridique ayant déjà subi leur régime d'imposition en Belgique dans le chef d'une personne physique ou d'une personne morale visée à l'article 220, en application des articles 5/1, 18, alinéa 1er, 3° /1, ou 220/1, proviennent de ces revenus cités en premier lieu;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 12°, et de l'article 5/1, § 1er, alinéa 3, les revenus recueillis les plus anciens sont censés être distribués en premier lieu, et les revenus sont censés ne pas avoir subi leurs régimes d'imposition en Belgique lorsque ceux-ci tombent en dehors du champ d'application du présent Code ou sont exonérés en vertu du présent Code ou d'une convention.".
1° dans l'alinéa 1er, le 12°, est remplacé par ce qui suit:
"12° les revenus attribués ou mis en paiement par une entité qui pour au moins une des trois périodes imposables écoulées a été considérée comme une construction juridique ou une construction intermédiaire, dans la mesure où il est démontré que les revenus recueillis par une construction juridique ayant déjà subi leur régime d'imposition en Belgique dans le chef d'une personne physique ou d'une personne morale visée à l'article 220, en application des articles 5/1, 18, alinéa 1er, 3° /1, ou 220/1, proviennent de ces revenus cités en premier lieu;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
"Pour l'application de l'alinéa 1er, 12°, et de l'article 5/1, § 1er, alinéa 3, les revenus recueillis les plus anciens sont censés être distribués en premier lieu, et les revenus sont censés ne pas avoir subi leurs régimes d'imposition en Belgique lorsque ceux-ci tombent en dehors du champ d'application du présent Code ou sont exonérés en vertu du présent Code ou d'une convention.".
Art.37. In artikel 220/1 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende:
"In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "in artikel 5/1, § 1, tweede tot zevende, negende en tiende lid" vervangen door de woorden "in artikel 5/1, § 1, derde tot zesde, achtste en negende lid";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 3, worden de woorden "De paragrafen 1 en 2 zijn" vervangen door de woorden "Paragraaf 1 is".
1° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende:
"In afwijking van het eerste lid zijn de inkomsten die werden verkregen door een dochterconstructie, slechts belastbaar in hoofde van de in artikel 220 bedoelde rechtspersoon die de oprichter is van de dochterconstructie, in de mate dat die oprichter via een tussenconstructie of een keten van tussenconstructies onrechtstreeks houder is van de juridische of economische rechten van de aandelen van de dochterconstructie.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "in artikel 5/1, § 1, tweede tot zevende, negende en tiende lid" vervangen door de woorden "in artikel 5/1, § 1, derde tot zesde, achtste en negende lid";
3° paragraaf 2 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 3, worden de woorden "De paragrafen 1 en 2 zijn" vervangen door de woorden "Paragraaf 1 is".
Art.37. A l'article 220/1 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 27 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus ayant été recueillis par une construction filiale ne sont imposables dans le chef d'une personne morale visée à l'article 220 qui est le fondateur de la construction filiale que dans la mesure où ce fondateur possède indirectement via une construction intermédiaire ou via une chaîne de constructions intermédiaires les droits juridiques ou économiques des actions ou parts de la construction filiale.";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots "à l'article 5/1, § 1er, alinéas 2 à 7, 9 et 10," sont remplacés par les mots "à l'article 5/1, § 1er, alinéas 3 à 6, 8 et 9,";
3° le paragraphe 2 est abrogé;
4° dans le paragraphe 3, les mots "Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables" sont remplacés par les mots "Le paragraphe 1er n'est pas applicable".
1° dans le paragraphe 1er, il est inséré un alinéa entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, les revenus ayant été recueillis par une construction filiale ne sont imposables dans le chef d'une personne morale visée à l'article 220 qui est le fondateur de la construction filiale que dans la mesure où ce fondateur possède indirectement via une construction intermédiaire ou via une chaîne de constructions intermédiaires les droits juridiques ou économiques des actions ou parts de la construction filiale.";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots "à l'article 5/1, § 1er, alinéas 2 à 7, 9 et 10," sont remplacés par les mots "à l'article 5/1, § 1er, alinéas 3 à 6, 8 et 9,";
3° le paragraphe 2 est abrogé;
4° dans le paragraphe 3, les mots "Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables" sont remplacés par les mots "Le paragraphe 1er n'est pas applicable".
Art.38. In artikel 307 van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 1/4, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, vervangen als volgt:
" § 1/4. In het geval in de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting het bestaan wordt vermeld van een juridische constructie, wordt in een bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting waarvan het model door de Koning wordt bepaald:
- de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het identificatienummer van de juridische constructie vermeld;
- de naam en het adres van de beheerder van deze juridische constructie vermeld, indien het een in artikel 2, § 1, 13°, a), bedoelde juridische constructie betreft;
- de in de aangifte opgenomen inkomsten uiteengezet die door elke juridische constructie afzonderlijk worden verkregen evenals het bedrag van het vermogen van de juridische constructie op het einde van het belastbare tijdperk, het deel van het vermogen dat door de oprichter werd ingebracht, de in artikel 18, eerste lid, 3° en 3° /1 bedoelde dividenden, die in de aangifte werden opgenomen, evenals deze die in toepassing van artikel 21, eerste lid, 12°, werden vrijgesteld en deze die niet in de aangifte moeten worden opgenomen omdat er roerende voorheffing op werd ingehouden.".
" § 1/4. In het geval in de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting het bestaan wordt vermeld van een juridische constructie, wordt in een bijlage bij de aangifte in de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting waarvan het model door de Koning wordt bepaald:
- de volledige naam, de rechtsvorm, het adres en in voorkomend geval het identificatienummer van de juridische constructie vermeld;
- de naam en het adres van de beheerder van deze juridische constructie vermeld, indien het een in artikel 2, § 1, 13°, a), bedoelde juridische constructie betreft;
- de in de aangifte opgenomen inkomsten uiteengezet die door elke juridische constructie afzonderlijk worden verkregen evenals het bedrag van het vermogen van de juridische constructie op het einde van het belastbare tijdperk, het deel van het vermogen dat door de oprichter werd ingebracht, de in artikel 18, eerste lid, 3° en 3° /1 bedoelde dividenden, die in de aangifte werden opgenomen, evenals deze die in toepassing van artikel 21, eerste lid, 12°, werden vrijgesteld en deze die niet in de aangifte moeten worden opgenomen omdat er roerende voorheffing op werd ingehouden.".
Art.38. A l'article 307 du même Code, le paragraphe 1/4, inséré par la loi du 25 décembre 2017, est remplacé par ce qui suit:
" § 1/4. Dans le cas où l'existence d'une construction juridique est mentionnée dans la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales, sont mentionnés, dans une annexe de la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales dont le modèle est déterminé par le Roi:
- le nom complet, la forme juridique, l'adresse et le cas échéant le numéro d'identification de la construction juridique;
- le nom et l'adresse de l'administrateur de cette construction juridique lorsqu'il s'agit d'une construction juridique visée à l'article 2, § 1er, 13°, a);
- les revenus repris dans la déclaration qui ont été recueillis par chaque construction juridique séparée, de même que le montant du patrimoine de la construction juridique à la fin de la période imposable, la partie du patrimoine qui a été apportée par le fondateur, les dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 3° et 3° /1, qui étaient repris dans la déclaration, ainsi que ceux qui ont été exonérés en application de l'article 21, alinéa 1er, 12° et ceux qui ne doivent pas être repris dans la déclaration parce qu'ils ont fait l'objet d'une retenue de précompte mobilier.".
" § 1/4. Dans le cas où l'existence d'une construction juridique est mentionnée dans la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales, sont mentionnés, dans une annexe de la déclaration à l'impôt des personnes physiques ou à l'impôt des personnes morales dont le modèle est déterminé par le Roi:
- le nom complet, la forme juridique, l'adresse et le cas échéant le numéro d'identification de la construction juridique;
- le nom et l'adresse de l'administrateur de cette construction juridique lorsqu'il s'agit d'une construction juridique visée à l'article 2, § 1er, 13°, a);
- les revenus repris dans la déclaration qui ont été recueillis par chaque construction juridique séparée, de même que le montant du patrimoine de la construction juridique à la fin de la période imposable, la partie du patrimoine qui a été apportée par le fondateur, les dividendes visés à l'article 18, alinéa 1er, 3° et 3° /1, qui étaient repris dans la déclaration, ainsi que ceux qui ont été exonérés en application de l'article 21, alinéa 1er, 12° et ceux qui ne doivent pas être repris dans la déclaration parce qu'ils ont fait l'objet d'une retenue de précompte mobilier.".
Art.39. In artikel 354, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 20 november 2022, wordt het derde streepje vervangen als volgt:
"- wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/1, of § 1/3, de aangifte het bestaan van een juridische constructie moet vermelden.".
"- wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/1, of § 1/3, de aangifte het bestaan van een juridische constructie moet vermelden.".
Art.39. Dans l'article 354, § 1er, alinéa 5, du même Code, remplacé par la loi du 20 novembre 2022, le troisième tiret est remplacé par ce qui suit:
"- lorsque, conformément à l'article 307, § 1er/1, ou § 1/3, la déclaration doit faire mention de l'existence d'une construction juridique.".
"- lorsque, conformément à l'article 307, § 1er/1, ou § 1/3, la déclaration doit faire mention de l'existence d'une construction juridique.".
Art.40. Artikel 413/1, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
"7° de in artikel 18, eerste lid, 3° /1, bedoelde niet uitgekeerde winst, indien deze afkomstig is van een juridische constructie die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.".
"7° de in artikel 18, eerste lid, 3° /1, bedoelde niet uitgekeerde winst, indien deze afkomstig is van een juridische constructie die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.".
Art.40. L'article 413/1, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 17 mars 2019, est complété par un 7°, rédigé comme suit:
"7° les bénéfices non distribués visés à l'article 18, alinéa 1er, 3° /1, lorsque ceux-ci proviennent d'une construction juridique établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen.".
"7° les bénéfices non distribués visés à l'article 18, alinéa 1er, 3° /1, lorsque ceux-ci proviennent d'une construction juridique établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen.".
Art.41. Het koninklijk besluit van 23 augustus 2015 tot uitvoering van artikel 2, § 1, 13°, b, derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt opgeheven.
Art.41. L'arrêté royal du 23 août 2015 d'exécution de l'article 2, § 1er, 13°, b, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992 est abrogé.
Art.42. Het koninklijk besluit van 18 december 2015 tot uitvoering van artikel 2, § 1, 13°, b), tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt opgeheven.
Art.42. L'arrêté royal du 18 décembre 2015 d'exécution de l'article 2, § 1er, 13°, b), alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 est abrogé.
Art.43. Artikel 38 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2024.
De overige artikelen van deze afdeling zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2024 worden verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een juridische constructie.
De overige artikelen van deze afdeling zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2024 worden verkregen, toegekend of betaalbaar gesteld door een juridische constructie.
Art.43. L'article 38 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 2024.
Les autres articles de la présente section sont applicables aux revenus qui sont recueillis, attribués ou mis en paiement par une construction juridique à partir du 1er janvier 2024.
Les autres articles de la présente section sont applicables aux revenus qui sont recueillis, attribués ou mis en paiement par une construction juridique à partir du 1er janvier 2024.
Afdeling 8. - Aftrekbeperking van de jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, de collectieve beleggings-instellingen en de verzekeringsondernemingen
Section 8. - Limitation de la déduction de la taxe annuelle sur les établissements de crédit, les organismes de placement collectif et les entreprises d'assurance
Art.44. In artikel 198, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden in de bepalingen onder 6° /1, 6° /2 en 6° /3, de woorden "80 pct. van" telkens opgeheven.
Art.44. Dans l'article 198, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, dans les 6° /1, 6° /2 et 6° /3, les mots "80 p.c. de" sont chaque fois abrogés.
Art.45. Artikel 44 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2024 verschuldigde taksen.
Art.45. L'article 44 est applicable aux taxes dues à partir du 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen betreffende de accijnzen
CHAPITRE 4. - Modifications relatives aux accises
Afdeling 1. - Wijziging van de programmawet van 27 december 2004
Section 1re. - Modification de la loi-programme du 27 décembre 2004
Art.46. In artikel 429, § 5, 1), van de programmawet van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 november 2021, worden de eerste twee zinnen vervangen door een zin luidende als volgt:
"1) De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i), kan genieten van een vrijstelling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag dat wordt vastgesteld als volgt:
- vanaf 1 januari 2024: 193,5000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C;
- vanaf 1 januari 2025: 192,4000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C;
- vanaf 1 januari 2026: 191,3000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C.".
"1) De gasolie bedoeld in artikel 419, f), i), kan genieten van een vrijstelling van de bijzondere accijns ten belope van een bedrag dat wordt vastgesteld als volgt:
- vanaf 1 januari 2024: 193,5000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C;
- vanaf 1 januari 2025: 192,4000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C;
- vanaf 1 januari 2026: 191,3000 euro per 1.000 liter bij 15 ° C.".
Art.46. Dans l'article 429, § 5, 1), de la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié en dernier lieu par la loi du 25 novembre 2021, les deux premières phrase sont remplacées par une phrase rédigé comme suit:
"1) Le gasoil visé à l'article 419, f), i), peut bénéficier d'une exonération du droit d'accise spécial d'un montant qui est fixé comme suit:
- à partir du 1er janvier 2024: 193,5000 euros par 1.000 litres à 15 ° C;
- à partir du 1er janvier 2025: 192,4000 euros par 1.000 litres à 15 ° C;
- à partir du 1er janvier 2026: 191,3000 euros par 1.000 litres à 15 ° C.".
"1) Le gasoil visé à l'article 419, f), i), peut bénéficier d'une exonération du droit d'accise spécial d'un montant qui est fixé comme suit:
- à partir du 1er janvier 2024: 193,5000 euros par 1.000 litres à 15 ° C;
- à partir du 1er janvier 2025: 192,4000 euros par 1.000 litres à 15 ° C;
- à partir du 1er janvier 2026: 191,3000 euros par 1.000 litres à 15 ° C.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak
Section 2. - Modifications de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés
Art.47. Artikel 1bis van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 november 2021, wordt vervangen als volgt:
"Art. 1bis. In deze wet en in de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, wordt verstaan onder:
- marktdeelnemer: iedere natuurlijke of rechtspersoon die tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten in verbruik stelt in België in zijn hoedanigheid van erkend entrepothouder;
- fiscaal kenteken: het fiscaal bandje en de fiscale sluitzegel die naargelang het geval worden geleverd door de Belgische of Luxemburgse Staat om te worden aangebracht op tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten.".
"Art. 1bis. In deze wet en in de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, wordt verstaan onder:
- marktdeelnemer: iedere natuurlijke of rechtspersoon die tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten in verbruik stelt in België in zijn hoedanigheid van erkend entrepothouder;
- fiscaal kenteken: het fiscaal bandje en de fiscale sluitzegel die naargelang het geval worden geleverd door de Belgische of Luxemburgse Staat om te worden aangebracht op tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten.".
Art.47. L'article 1erbis de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés, modifié en dernier lieu par la loi du 26 novembre 2021, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 1erbis. Dans la présente loi et dans les dispositions prises en vue de son exécution, on entend par:
- opérateur économique: toute personne physique ou morale qui met à la consommation en Belgique des tabacs manufacturés et des produits assimilés aux tabacs manufacturés en sa qualité d'entrepositaire agréé;
- signe fiscal: la bandelette et le timbre fiscal, fournis par l'Etat belge ou l'Etat luxembourgeois, selon le cas, en vue de son apposition sur des tabacs manufacturés et des produits assimilés aux tabacs manufacturés.".
"Art. 1erbis. Dans la présente loi et dans les dispositions prises en vue de son exécution, on entend par:
- opérateur économique: toute personne physique ou morale qui met à la consommation en Belgique des tabacs manufacturés et des produits assimilés aux tabacs manufacturés en sa qualité d'entrepositaire agréé;
- signe fiscal: la bandelette et le timbre fiscal, fournis par l'Etat belge ou l'Etat luxembourgeois, selon le cas, en vue de son apposition sur des tabacs manufacturés et des produits assimilés aux tabacs manufacturés.".
Art.48. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 december 2010 en het koninklijk besluit van 28 november 2013, bekrachtigd bij de wet van 12 mei 2014, wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, worden als met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten aangemerkt:
a) verhitte tabaksproducten;
b) e-vloeistoffen.".
" § 1/1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, worden als met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten aangemerkt:
a) verhitte tabaksproducten;
b) e-vloeistoffen.".
Art.48. Dans l'article 2 de la même loi, modifié par la loi du 29 décembre 2010 et l'arrêté royal du 28 novembre 2013, confirmé par la loi du 12 mai 2014, il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
" § 1er/1. Pour l'application des dispositions de la présente loi et des mesures prises en vue de son exécution, sont considérés comme des produits assimilés aux tabacs manufacturés:
a) produits du tabac chauffés;
b) e-liquides.".
" § 1er/1. Pour l'application des dispositions de la présente loi et des mesures prises en vue de son exécution, sont considérés comme des produits assimilés aux tabacs manufacturés:
a) produits du tabac chauffés;
b) e-liquides.".
Art.49. In artikel 3 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 1999 en laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° Sigaretten:
a) accijns: 34,04 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1.000 stuks;
- bijzondere accijns: 171,1086 euro per 1.000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 136,0000 euro per kilogram.".
1° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt:
"2° Sigaretten:
a) accijns: 34,04 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Naast de in § 1, 2° en 3°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden sigaretten en rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak die hier te lande tot verbruik werden uitgeslagen, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) voor sigaretten:
- accijns: 6,8914 euro per 1.000 stuks;
- bijzondere accijns: 171,1086 euro per 1.000 stuks;
b) voor rooktabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten en andere soorten rooktabak:
- accijns: 0,0000 euro per kilogram;
- bijzondere accijns: 136,0000 euro per kilogram.".
Art.49. A l'article 3 de la même loi, remplacé par la loi du 4 mai 1999 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° Cigarettes:
a) droit d'accise: 34,04 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er,2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1.000 pièces;
- droit d'accise spécial: 171,1086 euros par 1.000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 136,0000 euros par kilogramme.".
1° dans le paragraphe 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit:
"2° Cigarettes:
a) droit d'accise: 34,04 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au § 1er,2° et 3°, les cigarettes ainsi que le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et autres tabacs à fumer, mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) pour les cigarettes:
- droit d'accise: 6,8914 euros par 1.000 pièces;
- droit d'accise spécial: 171,1086 euros par 1.000 pièces;
b) pour le tabac à fumer fine coupe destiné à rouler les cigarettes et les autres tabacs à fumer:
- droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
- droit d'accise spécial: 136,0000 euros par kilogramme.".
Art.50. In dezelfde wet wordt een artikel 3/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 3/1. § 1. Op de verhitte tabaksproducten die hier te lande in verbruik worden gesteld, worden een ad valorem accijns en een ad valorem bijzondere accijns geheven die als volgt zijn vastgesteld:
1° a) accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 31,50 percent van de klein-- handelsprijs.
2° Naast de in 1°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden verhitte tabaksproducten die hier te lande in verbruik worden gesteld, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) accijns: 0,0000 euro per kilogram;
b) bijzondere accijns: 136,0000 euro per kilogram.".
"Art. 3/1. § 1. Op de verhitte tabaksproducten die hier te lande in verbruik worden gesteld, worden een ad valorem accijns en een ad valorem bijzondere accijns geheven die als volgt zijn vastgesteld:
1° a) accijns: 0,00 percent van de kleinhandelsprijs;
b) bijzondere accijns: 31,50 percent van de klein-- handelsprijs.
2° Naast de in 1°, bepaalde ad valorem accijns en ad valorem bijzondere accijns worden verhitte tabaksproducten die hier te lande in verbruik worden gesteld, onderworpen aan een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns, die als volgt zijn vastgesteld:
a) accijns: 0,0000 euro per kilogram;
b) bijzondere accijns: 136,0000 euro per kilogram.".
Art.50. Dans la même loi, il est inséré un article 3/1 rédigé comme suit:
"Art. 3/1. § 1er. Un droit d'accise ad valorem et un droit d'accise spécial ad valorem, fixés comme suit, sont perçus sur les produits du tabac chauffés mis à la consommation dans le pays:
1° a) droit d'accise: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 31,50 pour cent du prix de vente au détail.
2° Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au 1°, les produits du tabac chauffés mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
b) droit d'accise spécial: 136,0000 euros par kilogramme.".
"Art. 3/1. § 1er. Un droit d'accise ad valorem et un droit d'accise spécial ad valorem, fixés comme suit, sont perçus sur les produits du tabac chauffés mis à la consommation dans le pays:
1° a) droit d'accise: 0,00 pour cent du prix de vente au détail;
b) droit d'accise spécial: 31,50 pour cent du prix de vente au détail.
2° Outre le droit d'accise ad valorem et le droit d'accise spécial ad valorem prévus au 1°, les produits du tabac chauffés mis à la consommation dans le pays sont soumis à un droit d'accise spécifique et à un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit:
a) droit d'accise: 0,0000 euro par kilogramme;
b) droit d'accise spécial: 136,0000 euros par kilogramme.".
Art.51. In dezelfde wet wordt een artikel 3/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 3/2. Op de e-vloeistoffen die hier te lande in verbruik worden gesteld, worden een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns geheven, die als volgt zijn vastgesteld:
a) accijns: 0,0000 euro per milliliter;
b) bijzondere accijns: 0,1500 euro per milliliter.".
"Art. 3/2. Op de e-vloeistoffen die hier te lande in verbruik worden gesteld, worden een specifieke accijns en een specifieke bijzondere accijns geheven, die als volgt zijn vastgesteld:
a) accijns: 0,0000 euro per milliliter;
b) bijzondere accijns: 0,1500 euro per milliliter.".
Art.51. Dans la même loi, il est inséré un article 3/2 rédigé comme suit:
"Art. 3/2. Un droit d'accise spécifique et un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit, sont perçus sur les e-liquides mis à la consommation dans le pays:
a) droit d'accise: 0,0000 euro par millilitre;
b) droit d'accise spécial: 0,1500 euros par millilitre.".
"Art. 3/2. Un droit d'accise spécifique et un droit d'accise spécial spécifique fixés comme suit, sont perçus sur les e-liquides mis à la consommation dans le pays:
a) droit d'accise: 0,0000 euro par millilitre;
b) droit d'accise spécial: 0,1500 euros par millilitre.".
Art.52. In dezelfde wet wordt een artikel 8/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 8/1. Als verhit tabaksproduct wordt aangemerkt:
een nieuwsoortig tabaksproduct dat wordt verhit om een emissie van nicotine en andere chemische stoffen te produceren, die vervolgens door de gebruiker(s) wordt ingeademd.".
"Art. 8/1. Als verhit tabaksproduct wordt aangemerkt:
een nieuwsoortig tabaksproduct dat wordt verhit om een emissie van nicotine en andere chemische stoffen te produceren, die vervolgens door de gebruiker(s) wordt ingeademd.".
Art.52. Dans la même loi, il est inséré un article 8/1 rédigé comme suit:
"Art. 8/1. Est considéré comme produit du tabac chauffé:
un nouveau produit du tabac qui est chauffé pour produire une émission contenant de la nicotine et d'autres produits chimiques, qui est ensuite inhalé par les utilisateurs.".
"Art. 8/1. Est considéré comme produit du tabac chauffé:
un nouveau produit du tabac qui est chauffé pour produire une émission contenant de la nicotine et d'autres produits chimiques, qui est ensuite inhalé par les utilisateurs.".
Art.53. In dezelfde wet wordt een artikel 8/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 8/2. Als e-vloeistof wordt aangemerkt:
nicotine houdende of nicotinevrije vloeibare substantie die bestemd is om te worden gebruikt in een elektronische sigaret of die gebruikt kan worden voor het navullen van een elektronische sigaret.".
"Art. 8/2. Als e-vloeistof wordt aangemerkt:
nicotine houdende of nicotinevrije vloeibare substantie die bestemd is om te worden gebruikt in een elektronische sigaret of die gebruikt kan worden voor het navullen van een elektronische sigaret.".
Art.53. Dans la même loi, il est inséré un article 8/2 rédigé comme suit:
"Art. 8/2. Est considéré comme e-liquide:
une substance liquide contenant ou non de la nicotine qui est destinée à être utilisée dans une cigarette électronique ou qui peut être utilisée pour recharger une cigarette électronique.".
"Art. 8/2. Est considéré comme e-liquide:
une substance liquide contenant ou non de la nicotine qui est destinée à être utilisée dans une cigarette électronique ou qui peut être utilisée pour recharger une cigarette électronique.".
Art.54. In artikel 10, § 1, eerste lid van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 26 november 2021, worden de woorden "en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten" ingevoegd tussen de woorden "tabaksfabricaten" en "bestemd".
Art.54. Dans l'article 10, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 9 juillet 2004 et modifié par la loi du 26 novembre 2021, les mots "et des produits assimilés aux tabacs manufacturés" sont insérés entre les mots "tabacs manufacturés" et "destinés".
Art.55. Artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en vervangen bij de wet van 29 december 2010, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen inzake uitstel van betaling, moet het bedrag aan accijns dat de fiscale kentekens blijkens de op de kentekens aangebrachte gegevens vertegenwoordigen, worden betaald bij de uitslag tot verbruik van de e-vloeistoffen.".
" § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen inzake uitstel van betaling, moet het bedrag aan accijns dat de fiscale kentekens blijkens de op de kentekens aangebrachte gegevens vertegenwoordigen, worden betaald bij de uitslag tot verbruik van de e-vloeistoffen.".
Art.55. L'article 10bis de la même loi, inséré par la loi du 9 juillet 2004 et remplacé par la loi du 29 décembre 2010, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er,est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Sous réserve des dispositions relatives aux délais de paiement, le montant de l'accise que représentent les signes fiscaux d'après les données y mentionnées, doit être acquitté lors de la mise à la consommation des e-liquides.".
" § 2. Sous réserve des dispositions relatives aux délais de paiement, le montant de l'accise que représentent les signes fiscaux d'après les données y mentionnées, doit être acquitté lors de la mise à la consommation des e-liquides.".
Art.56. In artikel 12, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 29 december 2010 en van 26 november 2021, wordt de bepaling onder c) vervangen als volgt:
"c) om de bewaking en de controle te verzekeren van de beplantingen, magazijnen en handelsinrichtingen van tabak en, meer algemeen, van alle plaatsen of lokalen waar ruwe tabak, tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten worden voorhanden gehouden of opgeslagen.".
"c) om de bewaking en de controle te verzekeren van de beplantingen, magazijnen en handelsinrichtingen van tabak en, meer algemeen, van alle plaatsen of lokalen waar ruwe tabak, tabaksfabricaten en met tabaksfabricaten gelijkgestelde producten worden voorhanden gehouden of opgeslagen.".
Art.56. Dans l'article 12, § 1er, de la même loi, modifié par les lois des 29 décembre 2010 et 26 novembre 2021, le c) est remplacé par ce qui suit:
"c) pour assurer la surveillance et le contrôle des plantations, des magasins et des établissements commerciaux de tabacs et plus généralement, de tous lieux ou locaux où des tabacs bruts, des tabacs manufacturés ou des produits assimilés aux tabacs manufacturés sont détenus ou stockés.".
"c) pour assurer la surveillance et le contrôle des plantations, des magasins et des établissements commerciaux de tabacs et plus généralement, de tous lieux ou locaux où des tabacs bruts, des tabacs manufacturés ou des produits assimilés aux tabacs manufacturés sont détenus ou stockés.".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art.57. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.57. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen betreffende de belasting over de toegevoegde waarde
CHAPITRE 5. - Modifications relatives à la taxe sur la valeur ajoutée
Afdeling 1. - Verlaagd btw-tarief met betrekking tot de afbraak en heropbouw van gebouwen op het hele Belgische grondgebied
Section 1re. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui concerne la démolition et reconstruction de bâtiments sur l'ensemble du territoire belge
Art.58. Rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 april 2013, wordt vervangen als volgt:
"XXXVII. Afbraak en heropbouw van woningen
§ 1. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 2. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur in het kader van het sociaal beleid en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting toegekend beheersmandaat;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 3. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer:
1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van een woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 juli 2023;
2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan hen toegekend beheersmandaat;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
§ 4. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in de bepaling onder 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Die minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in de bepaling onder 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b).
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkanten van de opgaande muren.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle vlakke delen van woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project in aanmerking genomen in evenredigheid met het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van vier m2 en een minimumhoogte boven de vloer van twee meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 7. Deze rubriek, in de versie die van toepassing is op 31 december 2023, blijft van toepassing op de in die rubriek bedoelde handelingen die niet bedoeld zijn in deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023, wanneer:
1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van de woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 januari 2024;
2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek.
§ 8. De handelingen bedoeld in deze rubriek, in de versie van toepassing op 31 december 2023, maken het voorwerp uit van de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, bedoelde formaliteiten, wanneer die handelingen vanaf 1 januari 2025 aan het verlaagd btw-tarief van zes pct. worden onderworpen krachtens paragraaf 1 of paragraaf 2 van deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023.
In het in het eerste lid bedoelde geval wordt de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, a), of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, a), bedoelde verklaring uiterlijk op 31 maart 2025 verzonden overeenkomstig de in die bepalingen bedoelde nadere regels.".
"XXXVII. Afbraak en heropbouw van woningen
§ 1. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor bewoning door de bouwheer-natuurlijke persoon en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken:
a) op het ogenblik van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben;
b) een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
2° de bouwheer-natuurlijke persoon:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de bouwheer-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de bouwheer-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij bewoont als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 2. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die tot voorwerp hebben de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning bestemd voor langdurende verhuur in het kader van het sociaal beleid en gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen hebben betrekking op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting toegekend beheersmandaat;
2° de bouwheer:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en);
b) overhandigt aan de dienstverrichter(s) een afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder a);
3° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek, doet zich voor uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning;
4° de door de dienstverrichter uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of de klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op:
1° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werken in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
§ 3. Het verlaagd tarief van zes pct. is van toepassing op de levering van woningen en het bijhorend terrein, alsook op de vestiging, overdracht of wederoverdracht van de zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op een woning en het bijhorend terrein, die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, door de belastingplichtige die de afbraak van een gebouw en de daarmee gepaard gaande heropbouw heeft uitgevoerd van een woning gelegen op hetzelfde kadastraal perceel als dat gebouw, wanneer:
1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van een woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 juli 2023;
2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handeling bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een woning die, na de levering:
a) hetzij op het tijdstip van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben en een totale bewoonbare oppervlakte heeft van niet meer dan 200 m2;
b) hetzij door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door de verkrijger aan hen toegekend beheersmandaat;
2° de leverancier:
a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw, vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te worden verhuurd of te worden verhuurd in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van:
- de omgevingsvergunning;
- het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van het gebouw en de heropbouw van de woning;
- het compromis of de authentieke akte met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde handeling;
b) overhandigt een afschrift van de in de bepaling onder a) bedoelde verklaring aan zijn medecontractant(en);
3° de door de leverancier van de goederen uitgereikte facturen en de dubbels die hij bewaart alsook de overeenkomsten of de authentieke akten met betrekking tot de handelingen bedoeld in het eerste lid, vermelden, op basis van het afschrift van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, b), het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijke niet-naleving van onderhavige bepaling, ontlast de medeondertekening van de verkrijger van de verklaring bedoeld in de bepaling onder 2°, a), de leverancier van de goederen van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Voor de toepassing van het tweede lid, 1°, a), wordt om te bepalen of de woning de enige woning is die de verkrijger-natuurlijke persoon zelf betrekt, geen rekening gehouden met:
- andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is;
- een andere woning die hij betrekt als eigen woning waar hij zijn domicilie heeft gevestigd en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar van ingebruikneming of inbezitneming van de woning bedoeld in het tweede lid, 1°, a), is verkocht.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de prijs van de levering dat betrekking heeft op zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.
§ 4. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op:
1° wat de afbraak van een gebouw en heropbouw van een woning betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de bouwheer-natuurlijke persoon;
2° wat de levering van een woning en het bijhorend terrein en de vestiging, overdracht en wederoverdracht van zakelijke rechten op een woning en het bijhorend terrein die niet zijn vrijgesteld van de belasting overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek, betreft, 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de woning door de verkrijger-natuurlijke persoon.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer-natuurlijke persoon of de verkrijger-natuurlijke persoon, binnen de termijn bedoeld in de bepaling onder 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijfde per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd in geval van overlijden van de bouwheer-natuurlijke persoon of van de verkrijger-natuurlijke persoon of bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat hem definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 1, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, a).
§ 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van de woning. Die minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.
Indien zich tijdens de voormelde periode wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b), niet meer vervuld zijn:
1° maakt de bouwheer of de verkrijger daar melding van in een verklaring die hij toestuurt aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde, binnen de termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de wijzigingen aanvangen;
2° stort de bouwheer of de verkrijger, binnen de termijn bedoeld in de bepaling onder 1°, het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug aan de Staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.
De in het tweede lid, 2°, bedoelde terugstorting wordt niet uitgevoerd bij elk behoorlijk verantwoord geval van overmacht dat de bouwheer of de verkrijger definitief verhindert nog te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in respectievelijk paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf 3, tweede lid, 1°, b).
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een eengezinswoning bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkanten van de opgaande muren.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een appartement bepaald door de oppervlakten van alle vlakke delen van woonvertrekken van het appartement samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van gemeenschappelijke delen of ruimten, met inbegrip van plat dak, centrale hal, trappen en de buitenzijde wordt niet in aanmerking genomen.
Voor de toepassing van dit artikel, wordt de totale bewoonbare oppervlakte van een wooneenheid die deel uitmaakt van een geïntegreerd vastgoedproject van gemeenschappelijk wonen bepaald door de oppervlakten van alle woonvertrekken van die wooneenheid samen te tellen, gemeten vanaf en tot de binnenkant van de gemeenschappelijke muren. De oppervlakte van de woonvertrekken voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van de verschillende wooneenheden van het project, wordt ten aanzien van elke individuele wooneenheid van het project in aanmerking genomen in evenredigheid met het aantal wooneenheden van het project.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden als woonvertrekken beschouwd, de keukens, de woonkamers, de eetkamers, de slaapkamers, de bewoonbare zolder- en kelderruimten, de bureaus en alle andere voor huisvesting bedoelde ruimtes. Worden gelijkgesteld met woonvertrekken, alle voor de uitoefening van een economische activiteit gebruikte ruimtes.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de oppervlakte van de woonvertrekken bedoeld in het vierde lid maar in aanmerking genomen op voorwaarde dat die vertrekken een minimumoppervlakte hebben van vier m2 en een minimumhoogte boven de vloer van twee meter.
De Koning kan deze paragraaf wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 7. Deze rubriek, in de versie die van toepassing is op 31 december 2023, blijft van toepassing op de in die rubriek bedoelde handelingen die niet bedoeld zijn in deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023, wanneer:
1° de aanvraag voor de omgevingsvergunning met betrekking tot de handelingen inzake de heropbouw van de woning werd ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 januari 2024;
2° de op die handelingen verschuldigde belasting uiterlijk op 31 december 2024 opeisbaar is overeenkomstig artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek.
§ 8. De handelingen bedoeld in deze rubriek, in de versie van toepassing op 31 december 2023, maken het voorwerp uit van de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, bedoelde formaliteiten, wanneer die handelingen vanaf 1 januari 2025 aan het verlaagd btw-tarief van zes pct. worden onderworpen krachtens paragraaf 1 of paragraaf 2 van deze rubriek in de versie van toepassing na 31 december 2023.
In het in het eerste lid bedoelde geval wordt de in paragraaf 1, tweede lid, 2°, a), of in paragraaf 2, tweede lid, 2°, a), bedoelde verklaring uiterlijk op 31 maart 2025 verzonden overeenkomstig de in die bepalingen bedoelde nadere regels.".
Art.58. La rubrique XXXVII du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, insérée par la loi-programme du 27 décembre 2006 et modifiée en dernier lieu par l'arrêté royal du 30 avril 2013, est remplacée par ce qui suit:
"XXXVII. Démolition et reconstruction de bâtiments d'habitation
§ 1er. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 2. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée dans le cadre de la politique sociale et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou qui est donné en location en tant que bâtiment d'habitation dans le cadre d'un mandat de gestion par le maître d'ouvrage, accordé à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, ou par leur intermédiation, pendant une période d'au moins quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 3. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque:
1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er juillet 2023;
2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui, après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation, est utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou est donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé par l'acquéreur;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne que le bâtiment que le fournisseur a fait démolir et reconstruire et qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé, soit comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatif(s) à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant de l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première mise en service ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires.
§ 4. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 5. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première utilisation ou de la première occupation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale ou la société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b).
§ 6. Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs en élévation.
Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de chaque partie plane de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilés à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application du présent paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de quatre m2 et une hauteur minimum de deux mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger le présent paragraphe.
§ 7. La présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, reste applicable aux opérations visées par cette rubrique et qui ne sont pas visées par la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023, lorsque:
1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er janvier 2024;
2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
§ 8. Les opérations visées par la présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, font l'objet des formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, lorsqu'elles sont soumises, dès le 1er janvier 2025, au taux réduit de six p.c. en vertu du paragraphe 1er ou du paragraphe 2 de la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, la déclaration visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, a) ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, a) est envoyée au plus tard le 31 mars 2025 selon les modalités visées par ces dispositions.".
"XXXVII. Démolition et reconstruction de bâtiments d'habitation
§ 1er. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné au logement du maître d'ouvrage-personne physique et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux:
a) est utilisé, au moment de la première occupation ou de la première utilisation, comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai;
b) a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
2° le maître d'ouvrage-personne physique:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par le maître d'ouvrage-personne physique qui y aura son domicile sans délai et aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique du maître d'ouvrage-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première occupation ou de la première utilisation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 2. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux travaux immobiliers et autres opérations énumérées à la rubrique XXXI, § 3, 3° à 6°, du tableau A de l'annexe au présent arrêté, ayant pour objet la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation destiné à une location de longue durée dans le cadre de la politique sociale et situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° les opérations sont relatives à un bâtiment qui, après l'exécution des travaux, est donné en location par le maître d'ouvrage en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou qui est donné en location en tant que bâtiment d'habitation dans le cadre d'un mandat de gestion par le maître d'ouvrage, accordé à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement;
2° le maître d'ouvrage:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration mentionne que le bâtiment qu'il fait démolir et reconstruire est destiné à être donné en location en tant que bâtiment d'habitation à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement, ou par leur intermédiation, pendant une période d'au moins quinze années, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise;
b) produit au(x) prestataire(s) de services une copie de la déclaration visée au a);
3° le moment où la taxe devient exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code survient au plus tard le 31 décembre de l'année de la première occupation ou de la première utilisation du bâtiment d'habitation;
4° les factures émises par le prestataire de services, et les doubles qu'il conserve, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la déclaration du client visée au 2°, a), décharge la responsabilité du prestataire de services pour la détermination du taux.
Le taux réduit n'est pas applicable:
1° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ne sont pas affectés au bâtiment d'habitation proprement dit, tels que les travaux de culture ou de jardinage et les travaux de clôture;
2° aux travaux et autres opérations de nature immobilière, qui ont pour objet tout ou partie des éléments constitutifs de piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires;
3° au nettoyage de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.
§ 3. Le taux réduit de six p.c. s'applique aux livraisons de bâtiments d'habitation et le sol y attenant, ainsi qu'aux constitutions, cessions ou rétrocessions de droits réels au sens de l'article 9, alinéa 2, 2°, du Code, portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant, qui ne sont pas exemptées de la taxe conformément à l'article 44, § 3, 1°, du Code, par l'assujetti qui a procédé à la démolition d'un bâtiment et la reconstruction conjointe d'un bâtiment d'habitation situé sur la même parcelle cadastrale que ce bâtiment, lorsque:
1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er juillet 2023;
2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
Le bénéfice du taux réduit est subordonné aux conditions suivantes:
1° l'opération visée à l'alinéa 1er est relative à un bâtiment d'habitation qui, après la livraison:
a) soit au moment de la première utilisation ou de la première occupation, est utilisé comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, par l'acquéreur-personne physique qui y aura son domicile sans délai et a une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2;
b) soit est donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou est donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé par l'acquéreur;
2° le fournisseur:
a) envoie avant le moment où la taxe devient exigible conformément à l'article 17, § 1er, du Code, ou, en cas d'une vente sur plan, avant le moment où intervient le fait générateur de la taxe conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, du Code, une déclaration à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué. Cette déclaration, contresignée par l'acquéreur du bâtiment, mentionne que le bâtiment que le fournisseur a fait démolir et reconstruire et qui fait l'objet d'une opération visée à l'alinéa 1er, est destiné soit à être utilisé, soit comme habitation unique et à titre principal comme habitation propre au sens de l'article 5/5, § 4, alinéas 2 à 8, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions par l'acquéreur-personne physique, qui y aura son domicile sans délai et que cette habitation aura une superficie totale habitable qui n'excède pas 200 m2, soit à être donné en location par l'acquéreur à une agence immobilière sociale ou à une société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement ou à être donné en location dans le cadre d'un mandat de gestion qui leur est accordé, et est accompagnée d'une copie:
- du permis d'urbanisme;
- du (des) contrat(s) d'entreprise relatif(s) à la démolition du bâtiment et la reconstruction du bâtiment d'habitation;
- du compromis ou de l'acte authentique portant sur l'opération visée à l'alinéa 1er;
b) produit à son (ses) cocontractant(s) une copie de la déclaration visée au a);
3° les factures émises par le fournisseur de biens et les doubles qu'il conserve ainsi que les conventions ou actes authentiques relatifs aux opérations visées à l'alinéa 1er, constatent, sur la base de la copie de la déclaration visée au 2°, b), l'existence des éléments justifiant de l'application du taux réduit; sauf collusion entre les parties ou méconnaissance évidente de la présente disposition, la contresignature de l'acquéreur sur la déclaration visée au 2°, a), décharge la responsabilité du fournisseur de biens pour la détermination du taux.
Pour l'application de l'alinéa 2, 1°, a), il n'est pas tenu compte, pour déterminer si le bâtiment d'habitation est l'habitation unique de l'acquéreur-personne physique:
- des autres habitations dont il est, en vertu d'une succession, copropriétaire, nu-propriétaire ou usufruitier;
- d'une autre habitation qu'il occupe comme habitation propre où il a établi son domicile et qui a été vendue au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle de la première mise en service ou de la première occupation de l'habitation visée à l'alinéa 2, 1°, a).
Le taux réduit n'est pas applicable à la partie du prix relative aux piscines, saunas, mini-golfs, courts de tennis et installations similaires.
§ 4. Les conditions visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt:
1° en ce qui concerne la démolition d'un bâtiment et la reconstruction d'un bâtiment d'habitation, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par le maître d'ouvrage-personne physique;
2° en ce qui concerne la livraison d'un bâtiment d'habitation et le sol y attenant et la constitution, cession, rétrocession de droits réels portant sur un bâtiment d'habitation et le sol y attenant qui ne sont pas exemptées de la taxe par l'article 44, § 3, 1°, du Code, le 31 décembre de la cinquième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation du bâtiment d'habitation par l'acquéreur-personne physique.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées aux paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage-personne physique ou l'acquéreur-personne physique:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un cinquième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré en cas de décès du maître d'ouvrage-personne physique ou de l'acquéreur-personne physique ou pour tout cas de force majeure dûment justifié qui l'empêche définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, a).
§ 5. Les conditions visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), restent réunies pendant une période qui prend fin au plus tôt le 31 décembre de la quinzième année suivant l'année de la première utilisation ou de la première occupation du bâtiment d'habitation. Cette période de location minimale est fixée, selon le cas, dans la convention de location ou la convention relative au mandat de gestion, conclue avec l'agence immobilière sociale ou la société de logement social reconnue par l'autorité compétente en matière de politique sociale du logement.
Si, durant la période susvisée, des modifications interviennent telles que les conditions respectivement visées au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b), ne sont plus remplies, le maître d'ouvrage ou l'acquéreur:
1° en fait mention dans une déclaration qu'il envoie à l'adresse électronique indiquée par le ministre des Finances ou son délégué, dans le délai de trois mois à compter de la date du début des modifications;
2° reverse, dans le délai visé au 1°, à l'Etat le montant de l'avantage fiscal dont il a bénéficié pour l'année au cours de laquelle intervient ce changement et les années restant à courir, à concurrence d'un quinzième par année.
Le versement visé à l'alinéa 2, 2°, n'est pas opéré pour tout cas de force majeure dûment justifié qui empêche le maître d'ouvrage ou l'acquéreur définitivement de remplir les conditions visées respectivement au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, et au paragraphe 3, alinéa 2, 1°, b).
§ 6. Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'une maison unifamiliale est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation, mesurée à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs en élévation.
Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'un appartement est déterminée en additionnant les superficies de chaque partie plane de l'appartement, calculée à partir de et jusqu'au côté intérieur des murs mitoyens. La superficie des parties ou espaces communs, en ce compris le toit plat, le vestibule central, les cages d'escaliers et la façade externe, n'est pas prise en considération.
Pour l'application du présent article, la superficie totale habitable d'une habitation qui fait partie d'un projet immobilier intégré d'habitat groupé est déterminée en additionnant les superficies de toutes les pièces d'habitation de cette habitation, mesurées à partir de et jusqu'aux côtés intérieurs des murs mitoyens. La superficie des pièces d'habitation utilisées en commun par les habitants des différentes habitations du projet, est prise en considération par rapport à chaque habitation individuelle du projet en proportion du nombre d'habitations dans le projet.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérées comme pièces d'habitation, les cuisines, les salles de séjour, les salles à manger, les chambres à coucher, les mansardes et sous-sols habitables, les bureaux et autres espaces destinés à l'habitation. Sont assimilés à des pièces d'habitation tous les espaces utilisés à l'exercice d'une activité économique.
Pour l'application du présent paragraphe, la superficie des pièces d'habitations visées à l'alinéa 4 n'est prise en compte qu'à la condition que ces pièces aient une superficie minimum de quatre m2 et une hauteur minimum de deux mètres au-dessus du plancher.
Le Roi peut modifier, compléter, remplacer ou abroger le présent paragraphe.
§ 7. La présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, reste applicable aux opérations visées par cette rubrique et qui ne sont pas visées par la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023, lorsque:
1° la demande du permis d'urbanisme concernant les opérations relatives à la reconstruction du bâtiment d'habitation a été introduite auprès de l'autorité compétente avant le 1er janvier 2024;
2° la taxe due sur ces opérations est exigible conformément aux articles 22 et 22bis, § 1er, du Code au plus tard le 31 décembre 2024.
§ 8. Les opérations visées par la présente rubrique, dans sa version applicable au 31 décembre 2023, font l'objet des formalités visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, lorsqu'elles sont soumises, dès le 1er janvier 2025, au taux réduit de six p.c. en vertu du paragraphe 1er ou du paragraphe 2 de la présente rubrique, dans sa version applicable après le 31 décembre 2023.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, la déclaration visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, a) ou au paragraphe 2, alinéa 2, 2°, a) est envoyée au plus tard le 31 mars 2025 selon les modalités visées par ces dispositions.".
Art.59. In artikel 1quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 10 februari 2009, vervangen bij de programma-wet van 20 december 2020 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2022, wordt paragraaf 7 opgeheven.
Art.59. Dans l'article 1erquater du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 10 février 2009, remplacé par la loi-programme du 20 décembre 2020 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2022, le paragraphe 7 est abrogé.
Art.60. Artikel 58 treedt in werking op 1 januari 2024.
Artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2023.
Artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2023.
Art.60. L'article 58 entre en vigueur le 1er janvier 2024.
L'article 59 produit ses effets le 1er juillet 2023.
L'article 59 produit ses effets le 1er juillet 2023.
Afdeling 2. - Verlaagd btw-tarief met betrekking tot de installatie van warmtepompen
Section 2. - Taux de T.V.A. réduit en ce qui concerne l'installation de pompes à chaleur
Art.61. Artikel 1quater/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2022 bekrachtigd bij de wet van 16 oktober 2022 en laatstelijk gewijzigd bij dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
"Art. 1quater/1. § 1. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 april 2022 tot 31 december 2024 onderworpen aan het verlaagd tarief van zes pct., het werk in onroerende staat dat tot voorwerp heeft de levering met plaatsing van warmtepompen in, op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen, met uitzondering van warmtepompen die worden gecombineerd met een ander verwarmingstoestel dat:
1° samen met de warmtepomp is aangesloten op hetzelfde gemeenschappelijke hydronische warmte-- distributiesysteem;
2° gebruik maakt van een andere energiebron dan elektriciteit;
3° zowel afzonderlijk als gelijktijdig kan functioneren;
4° al dan niet gelijktijdig werd geïnstalleerd met de warmtepomp.
Wordt eveneens beoogd, in de mate waarin het geen werk in onroerende staat betreft in de zin van het eerste lid, de handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw of de plaatsing in de onmiddellijke nabijheid van een gebouw van de warmtepompen bedoeld in het eerste lid, als bestanddelen of het gedeelte van bestanddelen van een sanitaire installatie of installatie voor centrale verwarming.
§ 2. De toepassing van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker in de zin van rubriek XXXI, §§ 1 en 2, van tabel A van de bijlage van dit besluit;
2° de handelingen hebben betrekking op een woning die, na de uitvoering ervan, daadwerkelijk hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3° de handelingen worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming in de loop van een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot die handelingen;
4° de warmtepompen die het voorwerp uitmaken van de in paragraaf 1 bedoelde handelingen voldoen aan de benchmarks voor emissies als respectievelijk vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken, en waaraan een EU-energielabel is toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, maken melding van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen en bevatten de volgende vermelding:
"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."
Behoudens samenspanning tussen de partijen, is de dienstverrichter ontslagen van de aansprakelijkheid ten aanzien van de in het eerste lid, 5°, bedoeldevoorwaarden betreffende de vaststelling van het tarief, wanneer de afnemer de factuur niet schriftelijk betwist overeenkomstig het eerste lid, 5°.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde handelingen met betrekking tot de warmtepompen die uitsluitend instaan voor de warmtevoorziening van elementen van de woning die niet voor bewoning in de strikte zin worden gebruikt zoals zwembaden, sauna's en dergelijke installaties.".
"Art. 1quater/1. § 1. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 april 2022 tot 31 december 2024 onderworpen aan het verlaagd tarief van zes pct., het werk in onroerende staat dat tot voorwerp heeft de levering met plaatsing van warmtepompen in, op of in de onmiddellijke nabijheid van woningen, met uitzondering van warmtepompen die worden gecombineerd met een ander verwarmingstoestel dat:
1° samen met de warmtepomp is aangesloten op hetzelfde gemeenschappelijke hydronische warmte-- distributiesysteem;
2° gebruik maakt van een andere energiebron dan elektriciteit;
3° zowel afzonderlijk als gelijktijdig kan functioneren;
4° al dan niet gelijktijdig werd geïnstalleerd met de warmtepomp.
Wordt eveneens beoogd, in de mate waarin het geen werk in onroerende staat betreft in de zin van het eerste lid, de handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw of de plaatsing in de onmiddellijke nabijheid van een gebouw van de warmtepompen bedoeld in het eerste lid, als bestanddelen of het gedeelte van bestanddelen van een sanitaire installatie of installatie voor centrale verwarming.
§ 2. De toepassing van het verlaagd tarief is onderworpen aan de volgende voorwaarden:
1° de handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker in de zin van rubriek XXXI, §§ 1 en 2, van tabel A van de bijlage van dit besluit;
2° de handelingen hebben betrekking op een woning die, na de uitvoering ervan, daadwerkelijk hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3° de handelingen worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming in de loop van een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de eerste factuur met betrekking tot die handelingen;
4° de warmtepompen die het voorwerp uitmaken van de in paragraaf 1 bedoelde handelingen voldoen aan de benchmarks voor emissies als respectievelijk vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft en in bijlage V bij Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken, en waaraan een EU-energielabel is toegekend waaruit blijkt dat is voldaan aan het criterium van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, maken melding van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen en bevatten de volgende vermelding:
"Btw-tarief: Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat (1) de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat minder dan tien jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken, (2) de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt en (3) de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer minstens één van die voorwaarden niet is voldaan, zal het normale btw-tarief van 21 pct. van toepassing zijn en is de afnemer ten aanzien van die voorwaarden aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten."
Behoudens samenspanning tussen de partijen, is de dienstverrichter ontslagen van de aansprakelijkheid ten aanzien van de in het eerste lid, 5°, bedoeldevoorwaarden betreffende de vaststelling van het tarief, wanneer de afnemer de factuur niet schriftelijk betwist overeenkomstig het eerste lid, 5°.
Het verlaagd tarief is niet van toepassing op de in paragraaf 1 bedoelde handelingen met betrekking tot de warmtepompen die uitsluitend instaan voor de warmtevoorziening van elementen van de woning die niet voor bewoning in de strikte zin worden gebruikt zoals zwembaden, sauna's en dergelijke installaties.".
Art.61. L'article 1erquater/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 27 mars 2022 confirmé par la loi du 16 octobre 2022 et modifié en dernier lieu par la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 1erquater/1. § 1er. Par dérogation à l'article 1er, à partir du 1er avril 2022 jusqu'au 31 décembre 2024, sont soumis au taux réduit de six p.c., les travaux immobiliers ayant pour objet la livraison avec installation de pompes à chaleur dans, sur ou à proximité immédiate de bâtiments d'habitation, à l'exclusion des pompes à chaleur qui sont combinées avec une autre installation de chauffage qui:
1° est, avec la pompe à chaleur, raccordée au même système hydronique commun de distribution de chaleur;
2° utilise une source d'énergie autre que l'électricité;
3° peut fonctionner à la fois de manière autonome et simultanément;
4° est ou non installée en même temps que la pompe à chaleur.
Est également visée, dans la mesure où elle ne constitue pas un travail immobilier au sens de l'alinéa 1er, l'opération comportant à la fois la fourniture et la fixation à ou l'installation à proximité immédiate d'un bâtiment des pompes à chaleur visées à l'alinéa 1er en tant qu'éléments ou parties d'éléments constitutifs d'une installation sanitaire ou de chauffage central.
§ 2. L'application du taux réduit est soumise aux conditions suivantes:
1° les opérations sont fournies et facturées à un consommateur final au sens de la rubrique XXXI, §§ 1er et 2, du tableau A de l'annexe au présent arrêté;
2° les opérations sont affectées à un bâtiment d'habitation qui, après leur exécution, est effectivement utilisé, soit exclusivement soit à titre principal comme logement privé;
3° les opérations sont effectuées à un bâtiment d'habitation dont la première occupation a eu lieu au cours d'une année civile qui précède de moins de dix ans la première facture relative à ces opérations;
4° les pompes à chaleur faisant l'objet des opérations visées au paragraphe 1er répondent aux critères de référence en matière d'émissions établis respectivement à l'annexe V du règlement (UE) 2015/1189 de la Commission du 28 avril 2015 portant application de la directive 2009/125/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences d'écoconception applicables aux chaudières à combustible solide et à l'annexe V du règlement (UE) 2015/1185 de la Commission du 24 avril 2015 portant application de la directive 2009/125/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences d'écoconception applicables aux dispositifs de chauffage décentralisés à combustible solide, et ayant reçu une étiquette énergétique de l'UE qui atteste que le critère visé à l'article 7, paragraphe 2, du règlement (UE) 2017/1369 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2017 établissant un cadre pour l'étiquetage énergétique et abrogeant la directive 2010/30/UE est rempli;
5° la facture émise par le prestataire de services, et le double qu'il conserve, constatent l'existence des divers éléments justificatifs de l'application du taux réduit et portent la mention suivante:
"Taux de T.V.A.: En l'absence de contestation par écrit, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la facture, le client est présumé reconnaître que (1) les travaux sont effectués à un bâtiment d'habitation dont la première occupation a eu lieu au cours d'une année civile qui précède de moins de dix ans la date de la première facture relative à ces travaux, (2) qu'après l'exécution de ces travaux, l'habitation est utilisée, soit exclusivement soit à titre principal comme logement privé et (3) que ces travaux sont fournis et facturés à un consommateur final. Si au moins une de ces conditions n'est pas remplie, le taux normal de T.V.A. de 21 p.c. sera applicable et le client endossera, par rapport à ces conditions, la responsabilité quant au paiement de la taxe, des intérêts et des amendes dus."
Sauf collusion entre les parties, l'absence de contestation par écrit de la facture par le client conformément à l'alinéa 1er, 5°, décharge la responsabilité du prestataire de services par rapport aux conditions pour la détermination du taux visées à l'alinéa 1er, 5°.
Le taux réduit n'est pas applicable aux opérations visées au paragraphe 1er relatives à des pompes à chaleur qui assurent exclusivement l'approvisionnement en chaleur d'éléments de l'habitation qui ne sont pas utilisés pour le logement au sens strict tels que des piscines, saunas et installations similaires.".
"Art. 1erquater/1. § 1er. Par dérogation à l'article 1er, à partir du 1er avril 2022 jusqu'au 31 décembre 2024, sont soumis au taux réduit de six p.c., les travaux immobiliers ayant pour objet la livraison avec installation de pompes à chaleur dans, sur ou à proximité immédiate de bâtiments d'habitation, à l'exclusion des pompes à chaleur qui sont combinées avec une autre installation de chauffage qui:
1° est, avec la pompe à chaleur, raccordée au même système hydronique commun de distribution de chaleur;
2° utilise une source d'énergie autre que l'électricité;
3° peut fonctionner à la fois de manière autonome et simultanément;
4° est ou non installée en même temps que la pompe à chaleur.
Est également visée, dans la mesure où elle ne constitue pas un travail immobilier au sens de l'alinéa 1er, l'opération comportant à la fois la fourniture et la fixation à ou l'installation à proximité immédiate d'un bâtiment des pompes à chaleur visées à l'alinéa 1er en tant qu'éléments ou parties d'éléments constitutifs d'une installation sanitaire ou de chauffage central.
§ 2. L'application du taux réduit est soumise aux conditions suivantes:
1° les opérations sont fournies et facturées à un consommateur final au sens de la rubrique XXXI, §§ 1er et 2, du tableau A de l'annexe au présent arrêté;
2° les opérations sont affectées à un bâtiment d'habitation qui, après leur exécution, est effectivement utilisé, soit exclusivement soit à titre principal comme logement privé;
3° les opérations sont effectuées à un bâtiment d'habitation dont la première occupation a eu lieu au cours d'une année civile qui précède de moins de dix ans la première facture relative à ces opérations;
4° les pompes à chaleur faisant l'objet des opérations visées au paragraphe 1er répondent aux critères de référence en matière d'émissions établis respectivement à l'annexe V du règlement (UE) 2015/1189 de la Commission du 28 avril 2015 portant application de la directive 2009/125/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences d'écoconception applicables aux chaudières à combustible solide et à l'annexe V du règlement (UE) 2015/1185 de la Commission du 24 avril 2015 portant application de la directive 2009/125/CE du Parlement européen et du Conseil en ce qui concerne les exigences d'écoconception applicables aux dispositifs de chauffage décentralisés à combustible solide, et ayant reçu une étiquette énergétique de l'UE qui atteste que le critère visé à l'article 7, paragraphe 2, du règlement (UE) 2017/1369 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2017 établissant un cadre pour l'étiquetage énergétique et abrogeant la directive 2010/30/UE est rempli;
5° la facture émise par le prestataire de services, et le double qu'il conserve, constatent l'existence des divers éléments justificatifs de l'application du taux réduit et portent la mention suivante:
"Taux de T.V.A.: En l'absence de contestation par écrit, dans un délai d'un mois à compter de la réception de la facture, le client est présumé reconnaître que (1) les travaux sont effectués à un bâtiment d'habitation dont la première occupation a eu lieu au cours d'une année civile qui précède de moins de dix ans la date de la première facture relative à ces travaux, (2) qu'après l'exécution de ces travaux, l'habitation est utilisée, soit exclusivement soit à titre principal comme logement privé et (3) que ces travaux sont fournis et facturés à un consommateur final. Si au moins une de ces conditions n'est pas remplie, le taux normal de T.V.A. de 21 p.c. sera applicable et le client endossera, par rapport à ces conditions, la responsabilité quant au paiement de la taxe, des intérêts et des amendes dus."
Sauf collusion entre les parties, l'absence de contestation par écrit de la facture par le client conformément à l'alinéa 1er, 5°, décharge la responsabilité du prestataire de services par rapport aux conditions pour la détermination du taux visées à l'alinéa 1er, 5°.
Le taux réduit n'est pas applicable aux opérations visées au paragraphe 1er relatives à des pompes à chaleur qui assurent exclusivement l'approvisionnement en chaleur d'éléments de l'habitation qui ne sont pas utilisés pour le logement au sens strict tels que des piscines, saunas et installations similaires.".
Art.62. Artikel 61 treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.62. L'article 61 entre en vigueur le 1er janvier 2024.
TITEL 3. - Defensie
TITRE 3. - Défense
ENIG HOOFDSTUK. - Buitenlandse beursstagiairs
CHAPITRE UNIQUE. - Stagiaires boursiers étrangers
Art.63. In overeenstemming met het buitenlandbeleid van de regering om de internationale veiligheidssituatie te verbeteren en de lokale instellingen verder uit te bouwen, in het kader van de internationale samenwerking, is de minister van Defensie ertoe gemachtigd, voor wat betreft de buitenlandse beursstagiairs, de opleidingskosten, de uitrustingskosten, de verzekerings- en geneeskundige kosten alsook het bedrag van de gedurende de stage of vorming toegekende maandelijkse beurs ten laste te nemen van de begroting. De machtiging geldt voor beursstagiairs afkomstig uit Benin, Democratische Republiek Congo, Niger, Rwanda, Oekraïne, Tunesië, Gabon, Ivoorkust, Zambia, Ghana, Marokko, Algerije, Egypte, Senegal en Kameroen. Het bedrag van de beurs in 2024 bedraagt 500 euro per maand of 16,67 euro per dag.
Art.63. Conformément à la politique étrangère du gouvernement visant à améliorer la situation en matière de sécurité internationale et à développer davantage les institutions locales, dans le cadre de la coopération internationale, la ministre de la Défense est autorisée à imputer sur le budget, en ce qui concerne les stagiaires boursiers étrangers, les frais de formation, les frais d'équipement, les frais d'assurance et frais médicaux ainsi que le montant de la bourse mensuelle accordée pendant le stage ou la formation. L'autorisation vaut pour des stagiaires boursiers venant du Bénin, de la République démocratique du Congo, du Niger, du Rwanda, de l'Ukraine, de la Tunisie, du Gabon, de la Côte d'Ivoire, de la Zambie, du Ghana, du Maroc, de l'Algérie, de l'Egypte, du Sénégal et du Cameroun. Le montant de la bourse en 2024 s'élève à 500 euros par mois ou à 16,67 euros par jour.
TITEL 4. - Ontwikkelingssamenwerking
TITRE 4. - Coopération au développement
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de programmawet van 20 december 2020 - Wijziging van de vereffeningsmodaliteiten voor de Belgische deelname aan de algemene en selectieve kapitaalsverhoging van de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi-programme de 20 décembre 2020 - Modification des modalités de liquidation pour la participation de la Belgique à l'augmentation générale et sélective du capital de la Banque internationale pour la Reconstruction et le Développement
Art.64. Artikel 95 van de programmawet van 20 december 2020 wordt vervangen als volgt:
"Art. 95. Een bedrag van 103.205.655 (honderd en drie miljoen tweehonderdenvijfduizend zeshonderdvijfenvijftig) USD wordt verrekend ten laste van de vastleggingskredieten van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2020, sectie 14 - FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking organisatieafdeling 54, activiteitenprogramma 33, basisallocatie 84.23.06.
Dit bedrag zal in 2020 worden vastgelegd en in 5 schijven uitbetaald gedurende de volgende begrotingsjaren:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.".
"Art. 95. Een bedrag van 103.205.655 (honderd en drie miljoen tweehonderdenvijfduizend zeshonderdvijfenvijftig) USD wordt verrekend ten laste van de vastleggingskredieten van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2020, sectie 14 - FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking organisatieafdeling 54, activiteitenprogramma 33, basisallocatie 84.23.06.
Dit bedrag zal in 2020 worden vastgelegd en in 5 schijven uitbetaald gedurende de volgende begrotingsjaren:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.".
Art.64. Article 95 de la loi-programme de 20 décembre 2020 est remplacé par ce qui suit:
"Art. 95. Un montant de 103.205.655 (cent trois millions deux cent cinq mille six cent cinquante-cinq) USD est imputé à charge des crédits d'engagements sur le budget général des dépenses pour l'année budgétaire 2020, section 14 - SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement division organique 54, programme d'activités 33, allocation de base 84.23.06.
Ce montant sera engagé en 2020 et payé en 5 tranches durant les années budgétaires suivantes:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.".
"Art. 95. Un montant de 103.205.655 (cent trois millions deux cent cinq mille six cent cinquante-cinq) USD est imputé à charge des crédits d'engagements sur le budget général des dépenses pour l'année budgétaire 2020, section 14 - SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement division organique 54, programme d'activités 33, allocation de base 84.23.06.
Ce montant sera engagé en 2020 et payé en 5 tranches durant les années budgétaires suivantes:
2020: 20.641.131 USD
2021: 0
2022: 20.641.131 USD
2023: 20.641.131 USD
2024: 41.282.262 USD.".
TITEL 5. - Zelfstandigen
TITRE 5. - Indépendants
HOOFDSTUK 1. - Register en werkende vennoten en helpers en inhoudingsplicht voor zelfstandigen
CHAPITRE 1er. - Registre des associés actifs et des aidants et obligation de retenue pour les travailleurs indépendants
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
Section 1re. - Modifications de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Art.65. In hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen wordt een artikel 15/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 15/1. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° werken: de werkzaamheden bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° opdrachtgever: eenieder die opdracht geeft om tegen een prijs werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
3° aannemer:
- eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
- iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
4° onderaannemer: eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, tegen een prijs het aan de aannemer toevertrouwde werk of een onderdeel ervan, uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen;
5° sociale schulden:
- de opeisbare sociale bijdragen in hoofdsom en de aanhorigheden en administratieve geldboeten zoals bedoeld in dit besluit of in zijn uitvoeringsbesluit;
- de bedragen verschuldigd in de hoedanigheid van hoofdelijke aansprakelijke zoals bedoeld in artikel 15, § 1, derde lid;
- de jaarlijkse forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, de verhogingen bedoeld in artikel 93 van dezelfde wet, alsook de door de vennootschap verschuldigde aanhorigheden.
Worden niet beschouwd als sociale schulden in de zin van dit artikel:
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de som van deze bedragen niet meer bedraagt dan 558,55 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de betalingstermijn ervan nog niet vervallen is op het moment waarop het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, overeenkomstig paragraaf 2 nagaat of er sociale schulden zijn;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover zij het voorwerp uitmaken van een correct nageleefd afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds of bij de gerechtsdeurwaarder;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover er in hoofde van de schuldenaar reeds een schuld bestaat zoals bedoeld in de artikelen 30bis of 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en zoals bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in 5°, verhogen tot maximaal 5.000 euro.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
§ 2. Met het oog op het bestrijden van sociale fraude en een betere inning van de sociale zekerheidsbijdragen, beheert het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een gegevensbank, waarin de in dit artikel bedoelde sociale schulden worden opgenomen van de eveneens in dit artikel bedoelde aannemers en onderaannemers. Daartoe kan het Rijksinstituut een beroep doen op de gegevensbank betreffende de aangifte van werken bedoeld in artikel 30bis, § 7, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders teneinde de daarin beschikbare gegevens over de aangifte van werken te gebruiken om de aannemers en onderaannemers bedoeld in dit artikel te vatten.
Deze gegevens worden maximaal vijf jaar bewaard in de gegevensbank.
§ 3. Overeenkomstig artikel 20, § 1, vierde lid, c) delen de sociale verzekeringsfondsen de gegevens inzake de openstaande sociale schulden van hun aangeslotenen, hierbij een onderscheid makend tussen de hoofdsom en de aanhorigheden, ten laatste binnen de vijf werkdagen volgend op elke wijziging, mee aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
§ 4. Wanneer het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vaststelt dat een aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft, wordt de aannemer of onderaannemer hiervan in kennis gesteld met een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum en de verzekerde aflevering van de zending waarborgt. De aannemer of onderaannemer die binnen een termijn van vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving de sociale schulden niet vereffend heeft noch een afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds voor de sociale schulden heeft afgesloten, wordt als schuldenaar van sociale schulden opgenomen in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
Van zodra de aannemer of onderaannemer geen sociale schulden meer heeft, wordt deze niet langer als schuldenaar van sociale schulden aangeduid in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
§ 5. Teneinde aan elke opdrachtgever of aannemer de mogelijkheid te geven te voldoen aan de in § 4 bedoelde verplichting, kan de opdrachtgever of aannemer aan de hand van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, op elk moment nagaan of de aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft in de zin van dit artikel.
§ 6. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, volgens de door de Koning bepaalde regels.
De aannemer die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van een voor het publiek toegankelijke gegevensbank, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut, volgens de door de Koning bepaalde regels.
De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag wordt aangerekend op het bedrag van de sociale schulden, alsook de termijn en de nadere regels van terugbetaling van het eventueel saldo in de mate dat de stortingen het bedrag van de sociale schulden overschrijden.
De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen doorgestort worden naar het sociaal verzekeringsfonds of desgevallend verdeeld worden onder verschillende sociale verzekeringsfondsen.
§ 7. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privédoeleinden laat uitvoeren.
§ 8. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 5.110 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering.".
"Art. 15/1. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° werken: de werkzaamheden bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° opdrachtgever: eenieder die opdracht geeft om tegen een prijs werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
3° aannemer:
- eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever werken uit te voeren of te laten uitvoeren;
- iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers;
4° onderaannemer: eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk stadium ook, tegen een prijs het aan de aannemer toevertrouwde werk of een onderdeel ervan, uit te voeren of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen;
5° sociale schulden:
- de opeisbare sociale bijdragen in hoofdsom en de aanhorigheden en administratieve geldboeten zoals bedoeld in dit besluit of in zijn uitvoeringsbesluit;
- de bedragen verschuldigd in de hoedanigheid van hoofdelijke aansprakelijke zoals bedoeld in artikel 15, § 1, derde lid;
- de jaarlijkse forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, de verhogingen bedoeld in artikel 93 van dezelfde wet, alsook de door de vennootschap verschuldigde aanhorigheden.
Worden niet beschouwd als sociale schulden in de zin van dit artikel:
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de som van deze bedragen niet meer bedraagt dan 558,55 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover de betalingstermijn ervan nog niet vervallen is op het moment waarop het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, overeenkomstig paragraaf 2 nagaat of er sociale schulden zijn;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover zij het voorwerp uitmaken van een correct nageleefd afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds of bij de gerechtsdeurwaarder;
- de bedragen bedoeld in het vorige lid, voor zover er in hoofde van de schuldenaar reeds een schuld bestaat zoals bedoeld in de artikelen 30bis of 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en zoals bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in 5°, verhogen tot maximaal 5.000 euro.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
§ 2. Met het oog op het bestrijden van sociale fraude en een betere inning van de sociale zekerheidsbijdragen, beheert het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen een gegevensbank, waarin de in dit artikel bedoelde sociale schulden worden opgenomen van de eveneens in dit artikel bedoelde aannemers en onderaannemers. Daartoe kan het Rijksinstituut een beroep doen op de gegevensbank betreffende de aangifte van werken bedoeld in artikel 30bis, § 7, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders teneinde de daarin beschikbare gegevens over de aangifte van werken te gebruiken om de aannemers en onderaannemers bedoeld in dit artikel te vatten.
Deze gegevens worden maximaal vijf jaar bewaard in de gegevensbank.
§ 3. Overeenkomstig artikel 20, § 1, vierde lid, c) delen de sociale verzekeringsfondsen de gegevens inzake de openstaande sociale schulden van hun aangeslotenen, hierbij een onderscheid makend tussen de hoofdsom en de aanhorigheden, ten laatste binnen de vijf werkdagen volgend op elke wijziging, mee aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen.
§ 4. Wanneer het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen vaststelt dat een aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft, wordt de aannemer of onderaannemer hiervan in kennis gesteld met een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum en de verzekerde aflevering van de zending waarborgt. De aannemer of onderaannemer die binnen een termijn van vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving de sociale schulden niet vereffend heeft noch een afbetalingsplan bij het sociaal verzekeringsfonds voor de sociale schulden heeft afgesloten, wordt als schuldenaar van sociale schulden opgenomen in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
Van zodra de aannemer of onderaannemer geen sociale schulden meer heeft, wordt deze niet langer als schuldenaar van sociale schulden aangeduid in de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2.
§ 5. Teneinde aan elke opdrachtgever of aannemer de mogelijkheid te geven te voldoen aan de in § 4 bedoelde verplichting, kan de opdrachtgever of aannemer aan de hand van de gegevens bedoeld in paragraaf 2, op elk moment nagaan of de aannemer of onderaannemer sociale schulden heeft in de zin van dit artikel.
§ 6. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van de voor het publiek toegankelijke gegevensbank bedoeld in paragraaf 2, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, volgens de door de Koning bepaalde regels.
De aannemer die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een onderaannemer van wie, op het ogenblik van de betaling, werd vastgesteld, op basis van een voor het publiek toegankelijke gegevensbank, dat hij sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan het Rijksinstituut, volgens de door de Koning bepaalde regels.
De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag wordt aangerekend op het bedrag van de sociale schulden, alsook de termijn en de nadere regels van terugbetaling van het eventueel saldo in de mate dat de stortingen het bedrag van de sociale schulden overschrijden.
De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen doorgestort worden naar het sociaal verzekeringsfonds of desgevallend verdeeld worden onder verschillende sociale verzekeringsfondsen.
§ 7. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privédoeleinden laat uitvoeren.
§ 8. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 5.110 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering.".
Art.65. Dans le chapitre II de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, il est inséré un article 15/1, rédigé comme suit:
"Art. 15/1. § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par:
1° travaux: les activités visées à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° donneur d'ordre: quiconque donne ordre d'exécuter ou de faire exécuter des travaux pour un prix;
3° entrepreneur:
- quiconque s'engage, pour un prix, à exécuter ou à faire exécuter des travaux pour un donneur d'ordre;
- chaque sous-traitant par rapport aux sous-traitants suivants;
4° sous-traitant: quiconque s'engage, soit directement, soit indirectement, à quelque stade que ce soit, à exécuter ou à faire exécuter pour un prix, le travail ou une partie du travail confié à l'entrepreneur ou à mettre des travailleurs à disposition à cet effet;
5° dettes sociales:
- les cotisations sociales exigibles en principal et accessoires et les amendes administratives visées par le présent arrêté ou son arrêté d'exécution;
- les montants dus en qualité de responsable solidaire en vertu de l'article 15, § 1er, alinéa 3;
- la cotisation annuelle forfaitaire visée à l'article 91 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, les majorations visées à l'article 93 de la même loi ainsi que les accessoires dont la société est redevable.
Ne sont pas considérées comme dettes sociales au sens du présent article :
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où la somme de ces montants ne dépasse pas le montant de 558,55 euros. Ce montant est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où le délai de paiement n'est pas encore venu à échéance au moment où l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants vérifie, conformément au paragraphe 2, s'il y a des dettes sociales;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où ces montants font l'objet d'un plan d'apurement dûment respecté auprès de la caisse d'assurances sociales ou auprès de l'huissier de justice;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où il existe déjà une dette dans le chef du débiteur, telle que visée aux articles 30bis ou 30ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et telle que visée à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, porter le montant visé au 5° à maximum 5.000 euros.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
§ 2. En vue de lutter contre la fraude sociale et d'améliorer le recouvrement des cotisations sociales, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants gère une banque de données dans laquelle sont enregistrées les dettes sociales visées au présent article des entrepreneurs et sous-traitants également visés au présent article. Pour ce faire, l'Institut national peut avoir recours à la banque de données relative à la déclaration des travaux visée à l'article 30bis, § 7, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs afin d'utiliser les informations disponibles relatives à la déclaration des travaux pour identifier les entrepreneurs et sous-traitants visés au présent article.
Ces données seront conservées dans la banque de données pour une durée maximale de cinq ans.
§ 3. Conformément à l'article 20, § 1er, alinéa 4, c), les caisses d'assurances sociales communiquent les données relatives au dettes sociales impayées de leurs affiliés en distinguant le principal de l'accessoire à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants au plus tard, dans les cinq jours ouvrables suivant chaque modification.
§ 4. Dès que l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constate qu'un entrepreneur ou sous-traitant a des dettes sociales, l'entrepreneur ou le sous-traitant en est informé par envoi recommandé ou tout autre moyen garantissant la date et l'assurance de la délivrance de cet envoi. L'entrepreneur ou le sous-traitant qui n'a pas réglé les dettes sociales ou qui n'a pas conclu de plan d'apurement relatif à ces dettes sociales avec la caisse d'assurances sociales dans un délai de quinze jours civils suivant la notification, est repris dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2 en tant que débiteur de dettes sociales.
Dès que l'entrepreneur ou le sous-traitant n'a plus de dettes sociales, il n'est plus indiqué comme débiteur de dettes sociales dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2.
§ 5. Afin de permettre à tout donneur d'ordre ou entrepreneur de respecter l'obligation visée au § 4, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur peut vérifier à tout moment, sur base des données visées au paragraphe 2, si l'entrepreneur ou le sous-traitant a des dettes sociales au sens du présent article.
§ 6. Le donneur d'ordre qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un entrepreneur pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, selon les modalités déterminées par le Roi.
L'entrepreneur qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un sous-traitant pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national, selon les modalités déterminées par le Roi.
Le Roi détermine le délai dans lequel ce montant est imputé sur le montant des dettes sociales, ainsi que le délai et les modalités de remboursement du solde éventuel dans la mesure où les versements dépasseraient le montant des dettes sociales.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles les montants versés en application des alinéas 1er et 2 sont versés à la caisse d'assurances sociales ou répartis, le cas échéant, entre diverses caisses d'assurances sociales.
§ 7. Le présent article n'est pas applicable au donneur d'ordre-personne physique qui fait exécuter des travaux visés au § 1er, à des fins strictement privées.
§ 8. Le présent article reste applicable en cas de faillite ou de tout autre concours de créanciers de même qu'en cas de cession, saisie-arrêt, nantissement, dation en paiement ou d'action directe visée à l'article 5.110 du Code Civil.".
"Art. 15/1. § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par:
1° travaux: les activités visées à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° donneur d'ordre: quiconque donne ordre d'exécuter ou de faire exécuter des travaux pour un prix;
3° entrepreneur:
- quiconque s'engage, pour un prix, à exécuter ou à faire exécuter des travaux pour un donneur d'ordre;
- chaque sous-traitant par rapport aux sous-traitants suivants;
4° sous-traitant: quiconque s'engage, soit directement, soit indirectement, à quelque stade que ce soit, à exécuter ou à faire exécuter pour un prix, le travail ou une partie du travail confié à l'entrepreneur ou à mettre des travailleurs à disposition à cet effet;
5° dettes sociales:
- les cotisations sociales exigibles en principal et accessoires et les amendes administratives visées par le présent arrêté ou son arrêté d'exécution;
- les montants dus en qualité de responsable solidaire en vertu de l'article 15, § 1er, alinéa 3;
- la cotisation annuelle forfaitaire visée à l'article 91 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, les majorations visées à l'article 93 de la même loi ainsi que les accessoires dont la société est redevable.
Ne sont pas considérées comme dettes sociales au sens du présent article :
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où la somme de ces montants ne dépasse pas le montant de 558,55 euros. Ce montant est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où le délai de paiement n'est pas encore venu à échéance au moment où l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants vérifie, conformément au paragraphe 2, s'il y a des dettes sociales;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où ces montants font l'objet d'un plan d'apurement dûment respecté auprès de la caisse d'assurances sociales ou auprès de l'huissier de justice;
- les montants visés à l'alinéa précédent, dans la mesure où il existe déjà une dette dans le chef du débiteur, telle que visée aux articles 30bis ou 30ter de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et telle que visée à l'article 55 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, porter le montant visé au 5° à maximum 5.000 euros.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
§ 2. En vue de lutter contre la fraude sociale et d'améliorer le recouvrement des cotisations sociales, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants gère une banque de données dans laquelle sont enregistrées les dettes sociales visées au présent article des entrepreneurs et sous-traitants également visés au présent article. Pour ce faire, l'Institut national peut avoir recours à la banque de données relative à la déclaration des travaux visée à l'article 30bis, § 7, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs afin d'utiliser les informations disponibles relatives à la déclaration des travaux pour identifier les entrepreneurs et sous-traitants visés au présent article.
Ces données seront conservées dans la banque de données pour une durée maximale de cinq ans.
§ 3. Conformément à l'article 20, § 1er, alinéa 4, c), les caisses d'assurances sociales communiquent les données relatives au dettes sociales impayées de leurs affiliés en distinguant le principal de l'accessoire à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants au plus tard, dans les cinq jours ouvrables suivant chaque modification.
§ 4. Dès que l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constate qu'un entrepreneur ou sous-traitant a des dettes sociales, l'entrepreneur ou le sous-traitant en est informé par envoi recommandé ou tout autre moyen garantissant la date et l'assurance de la délivrance de cet envoi. L'entrepreneur ou le sous-traitant qui n'a pas réglé les dettes sociales ou qui n'a pas conclu de plan d'apurement relatif à ces dettes sociales avec la caisse d'assurances sociales dans un délai de quinze jours civils suivant la notification, est repris dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2 en tant que débiteur de dettes sociales.
Dès que l'entrepreneur ou le sous-traitant n'a plus de dettes sociales, il n'est plus indiqué comme débiteur de dettes sociales dans la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2.
§ 5. Afin de permettre à tout donneur d'ordre ou entrepreneur de respecter l'obligation visée au § 4, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur peut vérifier à tout moment, sur base des données visées au paragraphe 2, si l'entrepreneur ou le sous-traitant a des dettes sociales au sens du présent article.
§ 6. Le donneur d'ordre qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un entrepreneur pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public visée au paragraphe 2, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, selon les modalités déterminées par le Roi.
L'entrepreneur qui effectue le paiement de tout ou partie du prix des travaux visés au § 1er, à un sous-traitant pour lequel, au moment du paiement, sur base de la banque de données accessible au public, des dettes sociales ont été établies, est tenu, lors du paiement, de retenir et de verser 15 p.c. du montant dont il est redevable, non compris la taxe sur la valeur ajoutée, à l'Institut national, selon les modalités déterminées par le Roi.
Le Roi détermine le délai dans lequel ce montant est imputé sur le montant des dettes sociales, ainsi que le délai et les modalités de remboursement du solde éventuel dans la mesure où les versements dépasseraient le montant des dettes sociales.
Le Roi détermine les modalités selon lesquelles les montants versés en application des alinéas 1er et 2 sont versés à la caisse d'assurances sociales ou répartis, le cas échéant, entre diverses caisses d'assurances sociales.
§ 7. Le présent article n'est pas applicable au donneur d'ordre-personne physique qui fait exécuter des travaux visés au § 1er, à des fins strictement privées.
§ 8. Le présent article reste applicable en cas de faillite ou de tout autre concours de créanciers de même qu'en cas de cession, saisie-arrêt, nantissement, dation en paiement ou d'action directe visée à l'article 5.110 du Code Civil.".
Art.66. In artikel 17bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatst gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° een paragraaf 1ter wordt ingevoegd, luidende:
" § 1ter. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot voorzien in artikel 23bis/1 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.
Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete, elke bestuurder of zaakvoerder van de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot, waarvan sprake in het eerste lid, niet of niet correct heeft uitgevoerd";
2° een paragraaf 1quater wordt ingevoegd, luidende:
" § 1quater. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de zelfstandige die de formaliteiten betreffende de helper voorzien in artikel 23bis/2 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.";
3° een paragraaf 1quinquies wordt ingevoegd, luidende:
" § 1quinquies. Loopt een administratieve geldboete ten bedrage van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, op per vastgestelde inbreuk, doch evenwel begrensd tot een bedrag van 2.232,14 euro, de opdrachtgever of aannemer die de in artikel 15/1, § 6, bedoelde storting niet verricht heeft en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. Het bedrag van 2.232,14 euro is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast.";
4° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De ambtenaar bedoeld bij artikel 17ter kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder het in § 1, § 1ter en § 1quater vermelde minimumbedrag of onder het in § 1quinquies vermelde bedrag opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van dat bedrag.";
5° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 2/1. Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1, kan een administratieve geldboete van 1.000 tot 4.000 euro worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1bis, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in § 1bis worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in de §§ 1ter en 1quater, kan een administratieve geldboete van 1000 tot 8000 euro worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1quinquies, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, worden opgelegd.".
1° een paragraaf 1ter wordt ingevoegd, luidende:
" § 1ter. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot voorzien in artikel 23bis/1 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.
Zijn hoofdelijk gehouden tot de betaling van die administratieve geldboete, elke bestuurder of zaakvoerder van de vennootschap die de formaliteiten betreffende de werkend vennoot, waarvan sprake in het eerste lid, niet of niet correct heeft uitgevoerd";
2° een paragraaf 1quater wordt ingevoegd, luidende:
" § 1quater. Loopt een administratieve geldboete van 500 tot 4.000 euro op per vastgestelde inbreuk, de zelfstandige die de formaliteiten betreffende de helper voorzien in artikel 23bis/2 niet of niet correct heeft vervuld binnen de in hetzelfde artikel bepaalde termijnen en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of door een persoon bedoeld in artikel 23bis.";
3° een paragraaf 1quinquies wordt ingevoegd, luidende:
" § 1quinquies. Loopt een administratieve geldboete ten bedrage van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, op per vastgestelde inbreuk, doch evenwel begrensd tot een bedrag van 2.232,14 euro, de opdrachtgever of aannemer die de in artikel 15/1, § 6, bedoelde storting niet verricht heeft en wanneer deze inbreuk vastgesteld is door een bevoegde ambtenaar van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. Het bedrag van 2.232,14 euro is gekoppeld aan het indexcijfer bedoeld in artikel 14, § 1, en wordt op 1 januari van ieder jaar aangepast.";
4° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De ambtenaar bedoeld bij artikel 17ter kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder het in § 1, § 1ter en § 1quater vermelde minimumbedrag of onder het in § 1quinquies vermelde bedrag opleggen zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40 pct. van dat bedrag.";
5° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 2/1. Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1, kan een administratieve geldboete van 1.000 tot 4.000 euro worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1bis, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in § 1bis worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in de §§ 1ter en 1quater, kan een administratieve geldboete van 1000 tot 8000 euro worden opgelegd.
Bij herhaling binnen het jaar dat volgt op de datum van kennisgeving van de beslissing tot oplegging van de administratieve geldboete bedoeld in § 1quinquies, kan een administratieve geldboete van het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 15/1, § 6, worden opgelegd.".
Art.66. A l'article 17bis du même arrêté, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° il est inséré un paragraphe 1erter, rédigé comme suit:
" § 1erter. Encourt une amende administrative de 500 à 4.000 euros par infraction constatée, la société qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'associé actif prévues à l'article 23bis/1 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.
Sont tenus solidairement au paiement de cette amende administrative, tout administrateur ou gérant de la société qui n'a pas ou pas correctement accompli les formalités concernant l'associé actif dont question à l'alinéa 1er";
2° il est inséré un paragraphe 1erquater, rédigé comme suit:
"1erquater. Encourt une amende administrative de 500 euros à 4.000 euros par infraction constatée, le travailleur indépendant qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'aidant prévues à l'article 23bis/2 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.";
3° il est inséré un paragraphe 1erquinquies, rédigé comme suit:
" § 1erquinquies. Encourt une amende administrative égale au montant visé à l'article 15/1, § 6, par infraction constatée, tout en étant limitée à un montant de 2.232,14 euros, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur n'ayant pas effectué le versement visé à l'article 15/1, § 6, et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants. Le montant de 2.232,14 euros est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année.";
4° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Le fonctionnaire visé à l'article 17ter peut, s'il existe des circonstances atténuantes, infliger une amende administrative inférieure au montant minimum visé au § 1er et au § 1erter et 1erquater ou inférieure au montant visé au § 1erquinquies, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. de ce montant.";
5° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit:
" § 2/1. En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1er, une amende administrative de 1.000 euros à 4.000 euros peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erbis, une amende administrative équivalente au double du montant visé au § 1erbis, peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée aux §§ 1erter et 1erquater, une amende administrative de 1000 euros à 8000 euros peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erquinquies, une amende administrative équivalente au double du montant visé à l'article 15/1, § 6, peut être infligée.".
1° il est inséré un paragraphe 1erter, rédigé comme suit:
" § 1erter. Encourt une amende administrative de 500 à 4.000 euros par infraction constatée, la société qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'associé actif prévues à l'article 23bis/1 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.
Sont tenus solidairement au paiement de cette amende administrative, tout administrateur ou gérant de la société qui n'a pas ou pas correctement accompli les formalités concernant l'associé actif dont question à l'alinéa 1er";
2° il est inséré un paragraphe 1erquater, rédigé comme suit:
"1erquater. Encourt une amende administrative de 500 euros à 4.000 euros par infraction constatée, le travailleur indépendant qui n'a pas ou pas correctement procédé aux formalités concernant l'aidant prévues à l'article 23bis/2 dans les délais fixés dans ce même article et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou par une personne visée à l'article 23bis.";
3° il est inséré un paragraphe 1erquinquies, rédigé comme suit:
" § 1erquinquies. Encourt une amende administrative égale au montant visé à l'article 15/1, § 6, par infraction constatée, tout en étant limitée à un montant de 2.232,14 euros, le donneur d'ordre ou l'entrepreneur n'ayant pas effectué le versement visé à l'article 15/1, § 6, et lorsque cette infraction est constatée par un fonctionnaire compétent de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants. Le montant de 2.232,14 euros est lié à l'indice visé à l'article 14, § 1er, et est adapté au 1er janvier de chaque année.";
4° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
"Le fonctionnaire visé à l'article 17ter peut, s'il existe des circonstances atténuantes, infliger une amende administrative inférieure au montant minimum visé au § 1er et au § 1erter et 1erquater ou inférieure au montant visé au § 1erquinquies, sans que l'amende puisse être inférieure à 40 p.c. de ce montant.";
5° il est inséré un paragraphe 2/1, rédigé comme suit:
" § 2/1. En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1er, une amende administrative de 1.000 euros à 4.000 euros peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erbis, une amende administrative équivalente au double du montant visé au § 1erbis, peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée aux §§ 1erter et 1erquater, une amende administrative de 1000 euros à 8000 euros peut être infligée.
En cas de récidive dans l'année à dater de la date de la notification de la décision infligeant l'amende administrative visée au § 1erquinquies, une amende administrative équivalente au double du montant visé à l'article 15/1, § 6, peut être infligée.".
Art.67. In artikel 17ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatst gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid wordt de tweede zin aangevuld met de woorden "of, in geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter of 1quinquies, desgevallend aan de betrokken vennootschap";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"De kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete dient te gebeuren uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden na:
- de effectieve aansluiting bij een sociale verzekeringsfonds voor zelfstandigen in de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1° ;
- de kennisname van het feit door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 2° en 3° en § 1bis;
- de vaststelling van de inbreuk, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter, 1quater of 1quinquies.";
3° tussen het vijfde en het zesde lid worden de volgende leden ingevoegd, luidende:
"In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1°, 2° en 3°, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is of was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1bis, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de betrokkene fictief aangesloten was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1ter, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de vennootschap, in toepassing van artikel 89, § 1, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen aangesloten is, op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt of het laatst aangesloten was, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quater, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quinquies, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de opdrachtgever of aannemer aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.".
1° in het derde lid wordt de tweede zin aangevuld met de woorden "of, in geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter of 1quinquies, desgevallend aan de betrokken vennootschap";
2° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"De kennisgeving van de mogelijkheid tot het opleggen van de administratieve geldboete dient te gebeuren uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden na:
- de effectieve aansluiting bij een sociale verzekeringsfonds voor zelfstandigen in de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1° ;
- de kennisname van het feit door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, § 1, 2° en 3° en § 1bis;
- de vaststelling van de inbreuk, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter, 1quater of 1quinquies.";
3° tussen het vijfde en het zesde lid worden de volgende leden ingevoegd, luidende:
"In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1, 1°, 2° en 3°, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is of was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1bis, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de betrokkene fictief aangesloten was voor de periode van de inbreuk, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1ter, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de vennootschap, in toepassing van artikel 89, § 1, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen aangesloten is, op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt of het laatst aangesloten was, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quater, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de zelfstandige aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.
In geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, § 1quinquies, is het sociaal verzekeringsfonds waarbij de opdrachtgever of aannemer aangesloten is op het ogenblik waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete betekend wordt, of het laatst aangesloten was, bevoegd.".
Art.67. A l'article 17ter du même arrêté, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 3, les mots "ou, en cas de sanction visée à l'article 17bis, §§ 1erter ou 1erquinquies, le cas échéant, à la société concernée" sont insérés entre les mots "au travailleur indépendant intéressé" et les mots "sous pli recommandé";
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"La notification de la possibilité d'infliger l'amende administrative doit avoir lieu au plus tard dans un délai de douze mois qui suivent:
- l'affiliation effective auprès d'une caisse d'assurances sociales des indépendants dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 1° ;
- la prise en considération du fait par l'Institut national pour les assurances sociales des travailleurs indépendants, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 2° et 3°, et § 1erbis;
- la constatation de l'infraction, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, §§ 1erter, 1erquater et 1erquinquies.";
3° les alinéas suivants, rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 5 et 6:
"En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1, 1°, 2° et 3°, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié ou l'était pour la période de l'infraction.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erbis, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où l'intéressé était affilié fictivement pour la période de l'infraction.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erter, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où la société est affiliée ou l'était en dernier lieu, en application de l'article 89, § 1er, de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquater, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquinquies, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le donneur d'ordre ou l'entrepreneur est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.".
1° dans l'alinéa 3, les mots "ou, en cas de sanction visée à l'article 17bis, §§ 1erter ou 1erquinquies, le cas échéant, à la société concernée" sont insérés entre les mots "au travailleur indépendant intéressé" et les mots "sous pli recommandé";
2° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"La notification de la possibilité d'infliger l'amende administrative doit avoir lieu au plus tard dans un délai de douze mois qui suivent:
- l'affiliation effective auprès d'une caisse d'assurances sociales des indépendants dans les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 1° ;
- la prise en considération du fait par l'Institut national pour les assurances sociales des travailleurs indépendants, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, § 1er, 2° et 3°, et § 1erbis;
- la constatation de l'infraction, pour ce qui concerne les cas visés à l'article 17bis, §§ 1erter, 1erquater et 1erquinquies.";
3° les alinéas suivants, rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 5 et 6:
"En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1, 1°, 2° et 3°, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié ou l'était pour la période de l'infraction.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erbis, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où l'intéressé était affilié fictivement pour la période de l'infraction.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erter, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où la société est affiliée ou l'était en dernier lieu, en application de l'article 89, § 1er, de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquater, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le travailleur indépendant est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.
En cas de sanction visée à l'article 17bis, § 1erquinquies, la caisse d'assurances sociales compétente est celle où le donneur d'ordre ou l'entrepreneur est affilié, ou l'était en dernier lieu, au moment où la décision d'infliger l'amende est notifiée.".
Art.68. In artikel 17quater, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009, worden de woorden "of, in geval van een sanctie bedoeld in artikel 17bis, §§ 1ter of 1quinquies, desgevallend de betrokken vennootschap" ingevoegd tussen de woorden "de zelfstandige" en de woorden "die de beslissing".
Art.68. Dans l'article 17quater, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par la loi du 23 décembre 2009, les mots "ou, en cas de sanction visée à l'article 17bis, §§ 1erter ou 1erquinquies, le cas échéant, la société concernée" sont insérés entre les mots "Le travailleur indépendant" et les mots "qui conteste".
Art.69. In hetzelfde besluit wordt een artikel 23bis/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 23bis/1. De vennootschappen die onderworpen zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting of de Belgische belasting der niet-inwoners die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun werkende vennoten in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de werkend vennoot, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de werkend vennoot, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als werkend vennoot in de vennootschap.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Vóór het ogenblik waarop de werkend vennoot zijn activiteiten in de vennootschap begint als werkend vennoot en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de vennootschappen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als werkend vennoot, iedere houder van minstens één aandeel in een vennootschap bedoeld in het eerste lid, die in België persoonlijk een reële activiteit uitoefent binnen die vennootschap zonder dat hij, voor deze activiteit, aangegeven wordt in het stelsel van de loontrekkenden op het ogenblik waarop deze activiteit wordt uitgeoefend.".
"Art. 23bis/1. De vennootschappen die onderworpen zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting of de Belgische belasting der niet-inwoners die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun werkende vennoten in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de werkend vennoot, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de werkend vennoot, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als werkend vennoot in de vennootschap.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Vóór het ogenblik waarop de werkend vennoot zijn activiteiten in de vennootschap begint als werkend vennoot en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de vennootschappen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.
Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als werkend vennoot, iedere houder van minstens één aandeel in een vennootschap bedoeld in het eerste lid, die in België persoonlijk een reële activiteit uitoefent binnen die vennootschap zonder dat hij, voor deze activiteit, aangegeven wordt in het stelsel van de loontrekkenden op het ogenblik waarop deze activiteit wordt uitgeoefend.".
Art.69. Dans le même arrêté, il est inséré un article 23bis/1 rédigé comme suit:
"Art. 23bis/1. Les sociétés assujetties à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs associés actifs. Ces informations sont les données d'identification de l'associé actif à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'associé actif, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'associé actif dans la société.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
Les sociétés communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'associé actif commence à prester ses activités en tant qu'associé actif dans la société et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par associé actif tout détenteur d'au moins une part dans une société visée à l'alinéa 1er, qui exerce en Belgique à titre personnel une activité réelle au sein de cette société sans qu'il soit, pour cette activité, déclaré dans le régime des travailleurs salariés au moment où cette activité est exercée.".
"Art. 23bis/1. Les sociétés assujetties à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs associés actifs. Ces informations sont les données d'identification de l'associé actif à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'associé actif, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'associé actif dans la société.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
Les sociétés communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'associé actif commence à prester ses activités en tant qu'associé actif dans la société et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par associé actif tout détenteur d'au moins une part dans une société visée à l'alinéa 1er, qui exerce en Belgique à titre personnel une activité réelle au sein de cette société sans qu'il soit, pour cette activité, déclaré dans le régime des travailleurs salariés au moment où cette activité est exercée.".
Art.70. In hetzelfde besluit wordt een artikel 23bis/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 23bis/2. De zelfstandigen die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun helpers in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de helper, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de helper, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als helper.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als helper, de personen bedoeld in artikel 6, met uitzondering van de personen bedoeld in de artikelen 7 en 7bis.
Vóór het ogenblik waarop de helper zijn activiteiten begint als helper en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de zelfstandigen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.".
"Art. 23bis/2. De zelfstandigen die werken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 30bis, § 1, 1°, a), van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn gehouden de exacte inlichtingen betreffende hun helpers in te schrijven en bij te werken in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Deze inlichtingen zijn de identificatiegegevens van de helper, namelijk de naam, de voornaam, het rijksregisternummer of bis-nummer van de helper, alsook de begin- en einddatum van zijn activiteit als helper.
Het toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot zelfstandigen die activiteiten uitoefenen in andere sectoren, na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O., die zijn advies uitbrengt na raadpleging van de betrokken sectoren en beroepen en als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld. Het advies wordt gegeven binnen vier maanden nadat het verzoek werd gedaan door de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Voor de toepassing van dit artikel dient beschouwd te worden als helper, de personen bedoeld in artikel 6, met uitzondering van de personen bedoeld in de artikelen 7 en 7bis.
Vóór het ogenblik waarop de helper zijn activiteiten begint als helper en, in geval van het einde van deze activiteit, ten laatste binnen vijftien dagen volgend op de datum van dit einde, delen de zelfstandigen via elektronische weg de in het eerste lid bedoelde inlichtingen mee aan de Kruispuntbank van Ondernemingen.".
Art.70. Dans le même arrêté, il est inséré un article 23bis/2 rédigé comme suit:
"Art. 23bis/2. Les travailleurs indépendants qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1er, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs aidants. Ces informations sont les données d'identification de l'aidant à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'aidant, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'aidant.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par aidant, les personnes visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées aux articles 7 et 7bis.
Les travailleurs indépendants communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'aidant commence à prester ses activités en tant qu'aidant et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.".
"Art. 23bis/2. Les travailleurs indépendants qui effectuent des travaux tels que visés à l'article 30bis, § 1er, 1°, a), de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont tenues d'inscrire et de mettre à jour, au sein de la Banque-Carrefour des Entreprises, les informations exactes relatives à leurs aidants. Ces informations sont les données d'identification de l'aidant à savoir le nom, le prénom, le numéro de registre national ou le numéro bis de l'aidant, ainsi que la date de début et de fin de son activité en tant qu'aidant.
Le champ d'application peut être élargi aux travailleurs indépendants qui exercent des activités dans d'autres secteurs, après avis du Conseil supérieur des Indépendants et des PME, qui ne rend son avis qu'après avoir consulté les secteurs et professions concernés, et s'il existe, l'ordre ou l'institut professionnel établi par la loi pour la profession concernée. L'avis est rendu dans un délai de quatre mois après la demande faite par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions.
Pour l'application du présent article, il faut entendre par aidant, les personnes visées à l'article 6 à l'exclusion de celles visées aux articles 7 et 7bis.
Les travailleurs indépendants communiquent par voie électronique à la Banque-Carrefour des Entreprises les informations visées à l'alinéa 1er avant le moment où l'aidant commence à prester ses activités en tant qu'aidant et, en cas de fin de cette activité, au plus tard dans les quinze jours qui suivent la date de cette fin.".
Art.71. In hetzelfde besluit wordt een artikel 23bis/3 ingevoegd, luidende:
"Artikel 23bis/3. Met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de wetgeving die tot haar respectieve bevoegdheid behoort, heeft het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 23bis/1 en 23bis/2 van dit besluit en artikel III.29 van het Wetboek van economisch recht en kan het deze gegevens en informatie kruisen met andere gegevens.
De Koning bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel.".
"Artikel 23bis/3. Met het oog op de preventie, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de inbreuken op de wetgeving die tot haar respectieve bevoegdheid behoort, heeft het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 23bis/1 en 23bis/2 van dit besluit en artikel III.29 van het Wetboek van economisch recht en kan het deze gegevens en informatie kruisen met andere gegevens.
De Koning bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel.".
Art.71. Dans le même arrêté, il est inséré un article 23bis/3, rédigé comme suit:
"Article 23bis/3. En vue d'assurer la prévention, la constatation, la poursuite et la répression des infractions aux lois et règlements qui relèvent de sa compétence, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants a accès aux informations visées aux articles 23bis/1 et 23bis/2 du présent arrêté et à l'article III.29 du Code de droit économique et peut croiser ces données avec d'autres données.
Le Roi détermine les conditions et les modalités d'application du présent article.".
"Article 23bis/3. En vue d'assurer la prévention, la constatation, la poursuite et la répression des infractions aux lois et règlements qui relèvent de sa compétence, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants a accès aux informations visées aux articles 23bis/1 et 23bis/2 du présent arrêté et à l'article III.29 du Code de droit économique et peut croiser ces données avec d'autres données.
Le Roi détermine les conditions et les modalités d'application du présent article.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Section 2. - Modifications du Code de droit économique
Art.72. Artikel I.4 van het Wetboek van economisch recht wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende:
"6° werkend vennoot: de persoon zoals gedefinieerd in artikel 23bis/1 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen";
"7° helper: de persoon zoals gedefinieerd in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de personen bedoeld in de artikelen 7 en 7bis van voornoemd besluit.".
"6° werkend vennoot: de persoon zoals gedefinieerd in artikel 23bis/1 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen";
"7° helper: de persoon zoals gedefinieerd in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, met uitzondering van de personen bedoeld in de artikelen 7 en 7bis van voornoemd besluit.".
Art.72. L'article I.4 du Code de droit économique est complété par les 6° et 7°, rédigés comme suit:
"6° associé actif: la personne telle que définie dans l'article 23bis/1 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants";
"7° aidant: la personne telle que définie dans l'article 6 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants à l'exclusion des personnes visées aux articles 7 et 7bis du même arrêté.".
"6° associé actif: la personne telle que définie dans l'article 23bis/1 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants";
"7° aidant: la personne telle que définie dans l'article 6 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants à l'exclusion des personnes visées aux articles 7 et 7bis du même arrêté.".
Art.73. In artikel III.15, derde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "en hun gemandateerden" vervangen door de woorden ", hun gemandateerden, hun werkende vennoten en hun helpers".
Art.73. Dans l'article III.15, alinéa 3, du même Code, les mots "et de leurs mandataires" sont remplacés par les mots ", de leurs mandataires, de leurs associés actifs et de leurs aidants".
Art.74. Artikel III.18, § 1, 6°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en lasthebbers van de geregistreerde entiteit" vervangen door de woorden ", lasthebbers, werkende vennoten en helpers van de geregistreerde entiteit.".
Art.74. Dans l'article III.18, § 1er, 6°, du même Code, les mots "et fondés de pouvoir" sont remplacés par les mots ", fondés de pouvoir, associés actifs et aidants.".
Art.75. In artikel III.21 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "of dienen te" ingevoegd tussen het woord "mogen" en de woorden "worden meegedeeld".
Art.75. Dans l'article III.21 du même Code, les mots "ou doivent" sont insérés entre les mots "peuvent" et "directement".
Art.76. In artikel III.29, § 1, van hetzelfde wetboek worden de bepalingen 8° /1 en 8° /2 ingevoegd, luidende:
"8° /1 de naam en voornaam van de werkende vennoten;
8° /2 de naam en voornaam van de helpers;".
"8° /1 de naam en voornaam van de werkende vennoten;
8° /2 de naam en voornaam van de helpers;".
Art.76. Dans l'article III.29, § 1er, du même Code, sont insérés les 8° /1 et 8° /2, rédigés comme suit:
"8° /1 les nom et prénom des associés actifs;
8° /2 les nom et prénom des aidants;".
"8° /1 les nom et prénom des associés actifs;
8° /2 les nom et prénom des aidants;".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
Section 3. - Entrée en vigueur et dispositions transitoires
Art.77. Dit hoofdstuk treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en uiterlijk op 1 juli 2024.
Art.77. Le présent chapitre entre en vigueur à une date à fixer par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et au plus tard le 1er juillet 2024.
Art.78. § 1. De vennootschap waarin een persoon een activiteit aanvat als werkend vennoot tijdens het semester van inwerkingtreding van artikel 23bis/1, is gehouden om de inlichtingen bedoeld in voornoemd artikel betreffende deze persoon, door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
Voor de werkende vennoten die hun activiteit reeds uitoefenden in een vennootschap op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23bis/1, is deze vennootschap gehouden om de inlichtingen met betrekking tot de werkende vennoten door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
§ 2. De zelfstandige die bijgestaan wordt door een helper die een activiteit als helper aanvat tijdens het semester van inwerkingtreding van artikel 23bis/2, is ertoe gehouden om de inlichtingen bedoeld in voornoemd artikel betreffende deze persoon, door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
Voor de helpers die hun activiteit reeds uitoefenden op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23bis/2, is de zelfstandige ertoe gehouden om de inlichtingen met betrekking tot de helpers door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
Voor de werkende vennoten die hun activiteit reeds uitoefenden in een vennootschap op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23bis/1, is deze vennootschap gehouden om de inlichtingen met betrekking tot de werkende vennoten door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
§ 2. De zelfstandige die bijgestaan wordt door een helper die een activiteit als helper aanvat tijdens het semester van inwerkingtreding van artikel 23bis/2, is ertoe gehouden om de inlichtingen bedoeld in voornoemd artikel betreffende deze persoon, door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
Voor de helpers die hun activiteit reeds uitoefenden op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 23bis/2, is de zelfstandige ertoe gehouden om de inlichtingen met betrekking tot de helpers door te sturen vóór het einde van het semester van de inwerkingtreding van voornoemd artikel.
Art.78. § 1er. La société au sein de laquelle une personne entame une activité en tant qu'associé actif au cours du semestre de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/1, est tenue de transmettre les informations visées audit article concernant cette personne avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
Pour les associés actifs qui exerçaient déjà leur activité au sein d'une société au moment de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/1, ladite société est tenue de transmettre les informations relatives aux associés actifs avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
§ 2. Le travailleur indépendant qui est aidé par un aidant qui entame une activité en tant qu'aidant au cours du semestre de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/2, est tenu de transmettre les informations visées audit article concernant cette personne avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
Pour les aidants qui exerçaient déjà leur activité au moment de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/2, le travailleur indépendant est tenu de transmettre les informations relatives aux aidants avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
Pour les associés actifs qui exerçaient déjà leur activité au sein d'une société au moment de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/1, ladite société est tenue de transmettre les informations relatives aux associés actifs avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
§ 2. Le travailleur indépendant qui est aidé par un aidant qui entame une activité en tant qu'aidant au cours du semestre de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/2, est tenu de transmettre les informations visées audit article concernant cette personne avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
Pour les aidants qui exerçaient déjà leur activité au moment de l'entrée en vigueur de l'article 23bis/2, le travailleur indépendant est tenu de transmettre les informations relatives aux aidants avant la fin du semestre de l'entrée en vigueur dudit article.
HOOFDSTUK 2. - Mentaal welzijn op het werk voor zelfstandigen
CHAPITRE 2. - Bien-être mental au travail pour les travailleurs indépendants
Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
Section 1re. - Modification de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Art.79. In artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, vierde lid wordt aangevuld met d), luidende:
"d) hun aangeslotenen te sensibiliseren en te ondersteunen om hun mentaal welzijn op het werk te bevorderen.";
2° een paragraaf 2bis/1wordt ingevoegd, luidende:
" § 2bis/1. Teneinde het mentaal welzijn van hun aangeslotenen bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit te bevorderen, dienen een aantal diensten te worden ingevuld door de in § 1 bedoelde kassen en de in § 3 bedoelde Nationale Hulpkas.
Deze diensten omvatten:
1° sensibilisering en promotie;
2° vroege detectie en screening;
3° secundaire preventie;
4° begeleiding naar aangepaste hulp of ondersteuning;
5° opleiding van de medewerkers van hun eerstelijns-- dienstverlening.
De diensten bedoeld in het tweede lid, 1°, 4° en 5° zijn verplicht.
De Koning kan het aantal verplichte diensten uitbreiden met de diensten vermeld in het tweede lid, 2° en/of 3°.
De in het tweede lid bedoelde diensten beantwoorden aan de volgende criteria:
1° ze zijn vraaggestuurd en gedifferentieerd op basis van de noden op het terrein, rekening houdend met de verschillende beroepscategorieën en fases binnen de loopbaan van de zelfstandige;
2° ze zijn gericht op de ondersteuning van de individuele zelfstandige of ze stimuleren de interactie en uitwisseling tussen zelfstandigen op lokaal, regionaal en/of nationaal niveau;
3° ze houden rekening met de werk- en/of privé-- omgeving;
4° ze kaderen binnen een gebundelde aanpak waarbij er samenwerking is met andere actoren;
5° ze zijn kwaliteitsvol met aandacht voor toegankelijkheid, lage financiële drempels, wetenschappelijk onderbouwd karakter en efficiënt inzetten van middelen en de klanttevredenheid.
De uitvoering door de kassen van de in het tweede lid vermelde diensten wordt begeleid, opgevolgd en geëvalueerd door de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9, onder toezicht van het Toezichtcomité Externe Audit, bedoeld in artikel 21, § 10, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20, § 2. De evaluatie gebeurt op basis van de in het vijfde lid vernoemde criteria.
De Koning kan de indicatoren bepalen waaruit deze criteria bestaan.
Met het oog op de jaarlijkse evaluatie van de tijdens het vorige kalenderjaar uitgevoerde diensten bezorgt de kas een activiteitenverslag met betrekking tot de uitvoering van de verschillende diensten aan het Rijksinstituut. De Koning bepaalt de nadere regels van de begeleiding, de opvolging en evaluatie.
Het Rijksinstituut maakt deze jaarlijkse evaluatie over aan het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en, na advies van dit comité, aan de minister voor Zelfstandigen.
Ter financiering van de uitvoering van de diensten bedoeld in deze paragraaf, wordt de specifieke toelage bedoeld in artikel 22/1 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid jaarlijks in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar gestort aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
De verdeling gebeurt als volgt:
1° een vast bedrag voor elk sociaal verzekeringsfonds;
2° een variabel bedrag per sociaal verzekeringsfonds dat afhangt van het aantal aangesloten zelfstandigen bedoeld in artikel 12, § 1, § 1bis of § 1ter van voormeld koninklijk besluit nr. 38. De situatie op 31 december van het voorgaande jaar wordt hiertoe in aanmerking genomen. Vanaf 2026 hangt het variabel bedrag tevens af van het resultaat van de in het zesde lid bedoelde evaluatie van de diensten uitgevoerd in het voorgaande jaar.
De verdeelsleutel wordt bepaald door de Koning bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° paragraaf 1, vierde lid wordt aangevuld met d), luidende:
"d) hun aangeslotenen te sensibiliseren en te ondersteunen om hun mentaal welzijn op het werk te bevorderen.";
2° een paragraaf 2bis/1wordt ingevoegd, luidende:
" § 2bis/1. Teneinde het mentaal welzijn van hun aangeslotenen bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit te bevorderen, dienen een aantal diensten te worden ingevuld door de in § 1 bedoelde kassen en de in § 3 bedoelde Nationale Hulpkas.
Deze diensten omvatten:
1° sensibilisering en promotie;
2° vroege detectie en screening;
3° secundaire preventie;
4° begeleiding naar aangepaste hulp of ondersteuning;
5° opleiding van de medewerkers van hun eerstelijns-- dienstverlening.
De diensten bedoeld in het tweede lid, 1°, 4° en 5° zijn verplicht.
De Koning kan het aantal verplichte diensten uitbreiden met de diensten vermeld in het tweede lid, 2° en/of 3°.
De in het tweede lid bedoelde diensten beantwoorden aan de volgende criteria:
1° ze zijn vraaggestuurd en gedifferentieerd op basis van de noden op het terrein, rekening houdend met de verschillende beroepscategorieën en fases binnen de loopbaan van de zelfstandige;
2° ze zijn gericht op de ondersteuning van de individuele zelfstandige of ze stimuleren de interactie en uitwisseling tussen zelfstandigen op lokaal, regionaal en/of nationaal niveau;
3° ze houden rekening met de werk- en/of privé-- omgeving;
4° ze kaderen binnen een gebundelde aanpak waarbij er samenwerking is met andere actoren;
5° ze zijn kwaliteitsvol met aandacht voor toegankelijkheid, lage financiële drempels, wetenschappelijk onderbouwd karakter en efficiënt inzetten van middelen en de klanttevredenheid.
De uitvoering door de kassen van de in het tweede lid vermelde diensten wordt begeleid, opgevolgd en geëvalueerd door de dienst Externe Audit bedoeld in artikel 21, § 9, onder toezicht van het Toezichtcomité Externe Audit, bedoeld in artikel 21, § 10, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20, § 2. De evaluatie gebeurt op basis van de in het vijfde lid vernoemde criteria.
De Koning kan de indicatoren bepalen waaruit deze criteria bestaan.
Met het oog op de jaarlijkse evaluatie van de tijdens het vorige kalenderjaar uitgevoerde diensten bezorgt de kas een activiteitenverslag met betrekking tot de uitvoering van de verschillende diensten aan het Rijksinstituut. De Koning bepaalt de nadere regels van de begeleiding, de opvolging en evaluatie.
Het Rijksinstituut maakt deze jaarlijkse evaluatie over aan het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en, na advies van dit comité, aan de minister voor Zelfstandigen.
Ter financiering van de uitvoering van de diensten bedoeld in deze paragraaf, wordt de specifieke toelage bedoeld in artikel 22/1 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid jaarlijks in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar gestort aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen zoals bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
De verdeling gebeurt als volgt:
1° een vast bedrag voor elk sociaal verzekeringsfonds;
2° een variabel bedrag per sociaal verzekeringsfonds dat afhangt van het aantal aangesloten zelfstandigen bedoeld in artikel 12, § 1, § 1bis of § 1ter van voormeld koninklijk besluit nr. 38. De situatie op 31 december van het voorgaande jaar wordt hiertoe in aanmerking genomen. Vanaf 2026 hangt het variabel bedrag tevens af van het resultaat van de in het zesde lid bedoelde evaluatie van de diensten uitgevoerd in het voorgaande jaar.
De verdeelsleutel wordt bepaald door de Koning bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art.79. A l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 7 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 4 est complété par d), rédigé comme suit:
"d) de sensibiliser et soutenir leurs affiliés afin de promouvoir leur bien-être mental au travail.";
2° un paragraphe 2bis/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 2bis/1. Afin de promouvoir le bien-être mental de leurs affiliés dans l'exercice de leur activité professionnelle, un certain nombre de services doivent être garantis par les caisses visées au § 1er et la Caisse nationale auxiliaire visée au § 3.
Ces services comprennent:
1° la sensibilisation et la promotion;
2° la détection précoce et le dépistage;
3° la prévention secondaire;
4° l'orientation vers une aide ou un soutien adapté;
5° la formation des collaborateurs de leur service de première ligne.
Les services visés à l'alinéa 2, 1°, 4° et 5° sont obligatoires.
Le Roi peut étendre le nombre de services obligatoires aux services mentionnés au deuxième alinéa, 2° et/ou 3°.
Les services visés à l'alinéa 2 répondent aux critères suivants:
1° ils sont axés sur la demande et différenciés en fonction des besoins sur le terrain, en tenant compte des différentes catégories professionnelles et phases de la carrière du travailleur indépendant;
2° ils visent à soutenir le travailleur indépendant à titre individuel ou à stimuler l'interaction et l'échange entre les travailleurs indépendants au niveau local, régional et/ou national;
3° ils tiennent compte de l'environnement professionnel et/ou privé;
4° ils s'inscrivent dans une approche groupée impliquant une coopération avec d'autres acteurs;
5° ils sont de haute qualité avec une attention particulière à l'accessibilité, à de faibles obstacles financiers, à un caractère scientifiquement étayé, à l'utilisation efficace des ressources et à la satisfaction du client.
La mise en oeuvre par les caisses des services visés à l'alinéa 2 est accompagnée, suivie et contrôlée par le service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9, sous la supervision du Comité de supervision visé à l'article 21, § 10. L'évaluation se fait sur base des critères visés à l'alinéa 5.
Le Roi peut déterminer les indicateurs qui composent ces critères.
En vue de l'évaluation annuelle des services effectués au cours de l'année civile précédente, la caisse fournit à l'Institut national un rapport d'activités relatif à la prestation des différents services. Le Roi détermine les modalités de l'accompagnement, du suivi et de l'évaluation.
L'Institut national transmet cette évaluation annuelle au Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants et, après avis de ce comité, au ministre des Indépendants.
Afin de financer les services visés dans ce paragraphe, la subvention spécifique visée à l'article 22/1 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale est versée annuellement au cours du premier trimestre de l'année civile aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
La répartition se fait comme suit:
1° un montant fixe pour chaque caisse d'assurances sociales;
2° un montant variable par caisse d'assurances sociales qui dépend du nombre de travailleurs indépendants affiliés visés à l'article 12, § 1, § 1bis ou § 1ter de l'arrêté royal n° 38 précité. Il est tenu compte à cet effet de la situation au 31 décembre de l'année précédente. A partir de 2026 le montant variable dépend également de l'évaluation visée à l'alinéa 6 relative aux services prestés dans l'année précédente.
La clé de répartition est déterminée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.".
1° le paragraphe 1er, alinéa 4 est complété par d), rédigé comme suit:
"d) de sensibiliser et soutenir leurs affiliés afin de promouvoir leur bien-être mental au travail.";
2° un paragraphe 2bis/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 2bis/1. Afin de promouvoir le bien-être mental de leurs affiliés dans l'exercice de leur activité professionnelle, un certain nombre de services doivent être garantis par les caisses visées au § 1er et la Caisse nationale auxiliaire visée au § 3.
Ces services comprennent:
1° la sensibilisation et la promotion;
2° la détection précoce et le dépistage;
3° la prévention secondaire;
4° l'orientation vers une aide ou un soutien adapté;
5° la formation des collaborateurs de leur service de première ligne.
Les services visés à l'alinéa 2, 1°, 4° et 5° sont obligatoires.
Le Roi peut étendre le nombre de services obligatoires aux services mentionnés au deuxième alinéa, 2° et/ou 3°.
Les services visés à l'alinéa 2 répondent aux critères suivants:
1° ils sont axés sur la demande et différenciés en fonction des besoins sur le terrain, en tenant compte des différentes catégories professionnelles et phases de la carrière du travailleur indépendant;
2° ils visent à soutenir le travailleur indépendant à titre individuel ou à stimuler l'interaction et l'échange entre les travailleurs indépendants au niveau local, régional et/ou national;
3° ils tiennent compte de l'environnement professionnel et/ou privé;
4° ils s'inscrivent dans une approche groupée impliquant une coopération avec d'autres acteurs;
5° ils sont de haute qualité avec une attention particulière à l'accessibilité, à de faibles obstacles financiers, à un caractère scientifiquement étayé, à l'utilisation efficace des ressources et à la satisfaction du client.
La mise en oeuvre par les caisses des services visés à l'alinéa 2 est accompagnée, suivie et contrôlée par le service d'Audit externe visé à l'article 21, § 9, sous la supervision du Comité de supervision visé à l'article 21, § 10. L'évaluation se fait sur base des critères visés à l'alinéa 5.
Le Roi peut déterminer les indicateurs qui composent ces critères.
En vue de l'évaluation annuelle des services effectués au cours de l'année civile précédente, la caisse fournit à l'Institut national un rapport d'activités relatif à la prestation des différents services. Le Roi détermine les modalités de l'accompagnement, du suivi et de l'évaluation.
L'Institut national transmet cette évaluation annuelle au Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants et, après avis de ce comité, au ministre des Indépendants.
Afin de financer les services visés dans ce paragraphe, la subvention spécifique visée à l'article 22/1 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale est versée annuellement au cours du premier trimestre de l'année civile aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
La répartition se fait comme suit:
1° un montant fixe pour chaque caisse d'assurances sociales;
2° un montant variable par caisse d'assurances sociales qui dépend du nombre de travailleurs indépendants affiliés visés à l'article 12, § 1, § 1bis ou § 1ter de l'arrêté royal n° 38 précité. Il est tenu compte à cet effet de la situation au 31 décembre de l'année précédente. A partir de 2026 le montant variable dépend également de l'évaluation visée à l'alinéa 6 relative aux services prestés dans l'année précédente.
La clé de répartition est déterminée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid
Section 2. - Modification de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale
Art.80. In de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, laatst gewijzigd door de wet van 20 november 2022, wordt een artikel 22/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 22/1. § 1. Vanaf 2024 wordt het bedrag verkregen na toepassing van artikel 22, §§ 2 en 3, verhoogd met een bedrag van 4.000.000 euro. Dit laatste bedrag wordt toegekend in het kader van de bewustmaking en de bevordering van het mentaal welzijn op het werk van de zelfstandigen.
§ 2. Vanaf 2025 wordt het in paragraaf 1 vermelde bedrag van 4.000.000 euro jaarlijks geïndexeerd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan 128,82 (hetzij de gezondheidsindex van augustus 2023 in de basis 2013 = 100) en de teller gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand augustus van het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de toelage verschuldigd is (basis 2013 = 100).".
"Art. 22/1. § 1. Vanaf 2024 wordt het bedrag verkregen na toepassing van artikel 22, §§ 2 en 3, verhoogd met een bedrag van 4.000.000 euro. Dit laatste bedrag wordt toegekend in het kader van de bewustmaking en de bevordering van het mentaal welzijn op het werk van de zelfstandigen.
§ 2. Vanaf 2025 wordt het in paragraaf 1 vermelde bedrag van 4.000.000 euro jaarlijks geïndexeerd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan 128,82 (hetzij de gezondheidsindex van augustus 2023 in de basis 2013 = 100) en de teller gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand augustus van het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de toelage verschuldigd is (basis 2013 = 100).".
Art.80. Dans la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, modifiée en dernier lieu par la loi du 20 novembre 2022, il est inséré un article 22/1 rédigé comme suit:
"Art. 22/1. § 1er. A partir de 2024, le montant obtenu après application de l'article 22, §§ 2 et 3, est majoré d'un montant de 4.000.000 d'euros. Ce dernier est accordé dans le cadre de la sensibilisation et de la promotion du bien-être mental au travail pour les travailleurs indépendants.
§ 2. A partir de 2025, le montant de 4.000.000 d'euros mentionné au paragraphe 1er est indexé annuellement par une fraction dont le dénominateur est 128,82 (soit l'indice santé pour août 2023 dans la base 2013 = 100) et le numérateur est l'indice santé du mois d'août de l'année qui précède celle pour laquelle la subvention est due (base 2013 = 100).".
"Art. 22/1. § 1er. A partir de 2024, le montant obtenu après application de l'article 22, §§ 2 et 3, est majoré d'un montant de 4.000.000 d'euros. Ce dernier est accordé dans le cadre de la sensibilisation et de la promotion du bien-être mental au travail pour les travailleurs indépendants.
§ 2. A partir de 2025, le montant de 4.000.000 d'euros mentionné au paragraphe 1er est indexé annuellement par une fraction dont le dénominateur est 128,82 (soit l'indice santé pour août 2023 dans la base 2013 = 100) et le numérateur est l'indice santé du mois d'août de l'année qui précède celle pour laquelle la subvention est due (base 2013 = 100).".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art.81. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.81. Le présent chapitre entre en vigueur au 1er janvier 2024.
TITEL 6. - Economie
TITRE 6. - Economie
ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
CHAPITRE UNIQUE. - Modifications du Code de droit économique
Afdeling 1. - Wijziging van boek I van het Wetboek van economisch recht
Section 1re. - Modification du livre I du Code de droit économique
Art.82. In boek I, titel 2, hoofdstuk 13, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014, wordt een artikel I.21/1 ingevoegd, luidende:
"Art. I.21/1. Voor de toepassing van boek XVII, titel 1/1, gelden de volgende definities:
1° exploitatie van een onwettig onlinekansspel: het exploiteren in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, van een kansspel zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van dezelfde wet, of van weddenschap zoals bedoeld in artikel 2, 5°, van dezelfde wet door middel van informatiemaatschappij-instrumenten zoals bedoeld in artikel 2, 10°, van dezelfde wet, zonder te beschikken over een aanvullende vergunning bedoeld in artikel 25 van dezelfde wet.".
"Art. I.21/1. Voor de toepassing van boek XVII, titel 1/1, gelden de volgende definities:
1° exploitatie van een onwettig onlinekansspel: het exploiteren in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, van een kansspel zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van dezelfde wet, of van weddenschap zoals bedoeld in artikel 2, 5°, van dezelfde wet door middel van informatiemaatschappij-instrumenten zoals bedoeld in artikel 2, 10°, van dezelfde wet, zonder te beschikken over een aanvullende vergunning bedoeld in artikel 25 van dezelfde wet.".
Art.82. Dans le livre I, titre 2, chapitre 13, du Code de droit économique, inséré par la loi du 28 mars 2014, un article I.21/1 est inséré rédigé comme suit:
"Art. I.21/1. Les définitions suivantes sont applicables au livre XVII, titre 1/1:
1° exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne: le fait d'exploiter, au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, un jeu de hasard au sens de l'article 2, 1°, de la même loi, ou de pari, au sens de l'article 2, 5°, de la même loi au moyen d'instruments de la société de l'information au sens de l'article 2, 10°, de la même loi, sans disposer d'une licence supplémentaire visée à l'article 25 de la même loi.".
"Art. I.21/1. Les définitions suivantes sont applicables au livre XVII, titre 1/1:
1° exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne: le fait d'exploiter, au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, un jeu de hasard au sens de l'article 2, 1°, de la même loi, ou de pari, au sens de l'article 2, 5°, de la même loi au moyen d'instruments de la société de l'information au sens de l'article 2, 10°, de la même loi, sans disposer d'une licence supplémentaire visée à l'article 25 de la même loi.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van boek XVII van het Wetboek van economisch recht
Section 2. - Modifications du livre XVII du Code de droit économique
Art.83. In boek XVII van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van titel 1/1, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2022, vervangen als volgt:
"Titel 1/1. Voorlopige maatregelen in geval van inbreuken op het auteursrecht, op een naburig recht, op het recht van een producent van databanken gepleegd op het internet of in geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel".
"Titel 1/1. Voorlopige maatregelen in geval van inbreuken op het auteursrecht, op een naburig recht, op het recht van een producent van databanken gepleegd op het internet of in geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel".
Art.83. Dans le livre XVII du même Code, l'intitulé du titre 1/1, inséré par la loi du 19 juin 2022, est remplacé par ce qui suit:
"Titre 1/1. Mesures provisoires en cas d'atteinte au droit d'auteur, à un droit voisin, au droit d'un producteur de bases de données commise en ligne ou en cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne".
"Titre 1/1. Mesures provisoires en cas d'atteinte au droit d'auteur, à un droit voisin, au droit d'un producteur de bases de données commise en ligne ou en cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne".
Art.84. In artikel XVII.34/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", of in het geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel" ingevoegd tussen de woorden "gepleegd op het internet" en de woorden ", kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel, wordt de vordering ingesteld op initiatief van elke belanghebbende.";
3° er wordt een paragraaf 6/1 ingevoegd, luidende:
" § 6/1. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank willigt de vordering in als hij het bestaan van een exploitatie van een onwettig onlinekansspel vaststelt.
Voor de vorderingen die op eenzijdig verzoekschrift ingesteld worden, geldt een vermoeden van spoedeisendheid zoals bedoeld in artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek of van volstrekte noodzakelijkheid zoals bedoeld in artikel 584, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", of in het geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel" ingevoegd tussen de woorden "gepleegd op het internet" en de woorden ", kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In geval van de exploitatie van een onwettig onlinekansspel, wordt de vordering ingesteld op initiatief van elke belanghebbende.";
3° er wordt een paragraaf 6/1 ingevoegd, luidende:
" § 6/1. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank willigt de vordering in als hij het bestaan van een exploitatie van een onwettig onlinekansspel vaststelt.
Voor de vorderingen die op eenzijdig verzoekschrift ingesteld worden, geldt een vermoeden van spoedeisendheid zoals bedoeld in artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek of van volstrekte noodzakelijkheid zoals bedoeld in artikel 584, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art.84. A l'article XVII.34/1 du même Code, inséré par la loi du 19 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", ou en cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne" sont insérés entre les mots "commise en ligne" et les mots ", le président du tribunal de l'entreprise de Bruxelles";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"En cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne, la demande est introduite à l'initiative de tout intéressé.";
3° il est inséré un paragraphe 6/1 rédigé comme suit:
" § 6/1. Le président du tribunal de l'entreprise fait droit à la demande s'il constate l'existence d'une exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne.
L'urgence visée à l'article 584, alinéa 1er, du Code judiciaire, ou l'absolue nécessité, visée à l'article 584, alinéa 4, du Code judiciaire, lorsque la demande est introduite par requête unilatérale, est présumée.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots ", ou en cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne" sont insérés entre les mots "commise en ligne" et les mots ", le président du tribunal de l'entreprise de Bruxelles";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"En cas d'exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne, la demande est introduite à l'initiative de tout intéressé.";
3° il est inséré un paragraphe 6/1 rédigé comme suit:
" § 6/1. Le président du tribunal de l'entreprise fait droit à la demande s'il constate l'existence d'une exploitation illégale d'un jeu de hasard en ligne.
L'urgence visée à l'article 584, alinéa 1er, du Code judiciaire, ou l'absolue nécessité, visée à l'article 584, alinéa 4, du Code judiciaire, lorsque la demande est introduite par requête unilatérale, est présumée.".
Art.85. In artikel XVII.34/3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en tegen de exploitatie van onwettige onlinekansspelen" ingevoegd tussen de woorden "de naburige rechten op het internet" en de woorden "op te richten.";
2° paragraaf 6, lid 1, wordt aangevuld met de woorden ", die gebaseerd zijn op een inbreuk op het auteursrecht, op een naburig recht of op het recht van een producent van databanken, gepleegd op het internet";
3° in paragraaf 8 worden de woorden "of de exploitatie van een onwettig onlinekansspel" ingevoegd tussen de woorden "op een auteursrecht of op een naburig recht gepleegd wordt" en de woorden ", vastgesteld door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank";
4° paragraaf 8 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in paragraaf 1 bedoelde dienst kan, voor wat betreft de exploitatie van een onwettig onlinekansspel, advies vragen aan de kansspelcommissie opgericht bij artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, die een antwoord verschaft binnen 15 dagen na ontvangst van de aanvraag.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en tegen de exploitatie van onwettige onlinekansspelen" ingevoegd tussen de woorden "de naburige rechten op het internet" en de woorden "op te richten.";
2° paragraaf 6, lid 1, wordt aangevuld met de woorden ", die gebaseerd zijn op een inbreuk op het auteursrecht, op een naburig recht of op het recht van een producent van databanken, gepleegd op het internet";
3° in paragraaf 8 worden de woorden "of de exploitatie van een onwettig onlinekansspel" ingevoegd tussen de woorden "op een auteursrecht of op een naburig recht gepleegd wordt" en de woorden ", vastgesteld door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank";
4° paragraaf 8 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in paragraaf 1 bedoelde dienst kan, voor wat betreft de exploitatie van een onwettig onlinekansspel, advies vragen aan de kansspelcommissie opgericht bij artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, die een antwoord verschaft binnen 15 dagen na ontvangst van de aanvraag.".
Art.85. A l'article XVII.34/3 du même Code, inséré par la loi du 19 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et contre l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne" sont introduits entre les mots "aux droits voisins commises en ligne" et les mots ". Il en détermine le fonctionnement";
2° le paragraphe 6, alinéa 1er, est complété par les mots "fondées sur une atteinte au droit d'auteur, à un droit voisin ou au droit d'un producteur de bases de données, commise en ligne.";
3° dans le paragraphe 8, les mots "ou l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne" sont introduits entre les mots "atteinte à un droit d'auteur ou à un droit voisin commise en ligne" et les mots ", constatée par le président du tribunal de l'entreprise";
4° le paragraphe 8 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Service visé au paragraphe 1er peut, en ce qui concerne l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne, demander l'avis de la commission des jeux de hasard instituée par l'article 9 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, qui répond dans les 15 jours qui suivent la réception de la demande.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et contre l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne" sont introduits entre les mots "aux droits voisins commises en ligne" et les mots ". Il en détermine le fonctionnement";
2° le paragraphe 6, alinéa 1er, est complété par les mots "fondées sur une atteinte au droit d'auteur, à un droit voisin ou au droit d'un producteur de bases de données, commise en ligne.";
3° dans le paragraphe 8, les mots "ou l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne" sont introduits entre les mots "atteinte à un droit d'auteur ou à un droit voisin commise en ligne" et les mots ", constatée par le président du tribunal de l'entreprise";
4° le paragraphe 8 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Service visé au paragraphe 1er peut, en ce qui concerne l'exploitation illégale de jeux de hasard en ligne, demander l'avis de la commission des jeux de hasard instituée par l'article 9 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, qui répond dans les 15 jours qui suivent la réception de la demande.".
Art.86. In artikel XVII.34/4, lid 1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2022, worden de woorden "in geval van inbreuk op het auteursrecht, op een naburig recht of op het recht van een producent van databanken" ingevoegd tussen de woorden "bevolen voorlopige maatregelen" en de woorden "worden herroepen".
Art.86. Dans l'article XVII.34/4, alinéa 1er du même Code, inséré par la loi du 19 juin 2022, les mots "en cas d'atteinte au droit d'auteur, à un droit voisin ou au droit d'un producteur de bases de données" sont insérés entre les mots "en exécution de l'article XVII.34/1" et les mots "sont révoquées,".
Art.87. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op de door de Koning bepaalde datum.
Art.87. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur à la date fixée par le Roi.
TITEL 7. - Werk
TITRE 7. - Travail
HOOFDSTUK 1. - Het gebruik van het geregistreerde kassasysteem
CHAPITRE 1er. - L'utilisation du système de caisse enregistreuse
Art.88. De inbreuken bestraft door artikel 137/5, van het Sociaal Strafwetboek ingevoegd door de programmawet van 22 december 2023 worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht.
Art.88. Les infractions punies par l'article 137/5 du Code pénal social, inséré par la loi-programme du 22 décembre 2023, sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 49 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs visés aux articles 23 à 49 du Code pénal social lorsqu'ils agissent d'initiative ou sur demande dans le cadre de leur mission d'information, de conseil et de surveillance.
Art.89. In boek 2, hoofdstuk 1, afdeling 5, van het Sociaal Strafwetboek, wordt een artikel 137/5 ingevoegd, luidende:
"Art. 137/5. Het gebruik van het geregistreerde kassasysteem
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die het geregistreerde kassasysteem zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, niet of niet correct heeft gebruikt, terwijl de fiscale bepalingen dit vereisen.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, wordt ze met een sanctie van niveau 5 bestraft.".
"Art. 137/5. Het gebruik van het geregistreerde kassasysteem
Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die het geregistreerde kassasysteem zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, niet of niet correct heeft gebruikt, terwijl de fiscale bepalingen dit vereisen.
Wanneer de inbreuk wetens en willens is gepleegd, wordt ze met een sanctie van niveau 5 bestraft.".
Art.89. Dans le livre 2, chapitre 1er, section 5, du Code pénal social, il est inséré un article 137/5 rédigé comme suit:
"Art. 137/5. L'utilisation du système de caisse enregistreuse
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas utilisé ou n'a pas utilisé correctement le système de caisse enregistreuse visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca alors que les dispositions fiscales l'exigent.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 5 lorsqu'elle a été commise sciemment et volontairement.".
"Art. 137/5. L'utilisation du système de caisse enregistreuse
Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui n'a pas utilisé ou n'a pas utilisé correctement le système de caisse enregistreuse visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur Horeca alors que les dispositions fiscales l'exigent.
L'infraction est punie d'une sanction de niveau 5 lorsqu'elle a été commise sciemment et volontairement.".
HOOFDSTUK 2. - Doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering
CHAPITRE 2. - Réduction groupe-cible réduction collective du temps de travail
Art.90. Artikel 350, derde lid, van de programmawet(I) van 24 december 2002 wordt aangevuld met de woorden "en voor zover hun normale, gemiddelde wekelijkse arbeidsduur minimaal 28 uur bedraagt.".
Art.90. L'article 350, alinéa 3, de la loi-programme(I) du 24 décembre 2002 est complété par les mots "et pour autant que leur durée hebdomadaire moyenne normale du travail soit d'au moins 28 heures.".
Art.91. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024 en geldt voor de arbeidsduurverminderingen ingevoerd vanaf 1 november 2023.
Art.91. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024 et s'applique aux réductions du temps de travail introduites à partir du 1er novembre 2023.
HOOFDSTUK 3. - Activeringsbijdrage
CHAPITRE 3. - Cotisation d'activation
Art.92. In artikel 38, § 3septdecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, en laatst gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid worden de woorden "geen enkele prestatie leveren tijdens een volledig kwartaal bij dezelfde werkgever" vervangen door de woorden "bij dezelfde werkgever tijdens een volledig kwartaal geen enkele prestatie leveren of prestaties leveren die overeenkomen met minder dan een derde van de wekelijkse arbeidstijd van de voltijdse werknemers van dezelfde categorie in het bedrijf";
b) in het vierde lid worden de woorden "van elke prestatie" vervangen door de woorden "voor meer dan 2/3 van zijn prestaties", worden de woorden "20 pct." telkens vervangen door de woorden "50 pct.", worden de woorden "15 pct." vervangen door de woorden "45 pct." en worden de woorden "10 pct." vervangen door de woorden "40 pct.";
c) in het vijfde lid worden de woorden "de verplichting had om een opleiding te volgen die georganiseerd wordt door zijn werkgever voor tenminste 15 dagen gedurende een periode van vier opeenvolgende kwartalen" vervangen door de woorden "de verplichting had om gedurende de vier eerste kwartalen een outplacementbegeleiding te volgen van 60 uur overeenkomend met de waarde van een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging voor het kalenderjaar voorafgaand aan de vrijstelling van prestaties en met een minimumwaarde van 1.800 euro en een maximumwaarde van 5.500 euro, en die beantwoordt aan de kwaliteitscriteria, bepaald in artikel 11/4 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers";
d) in het achtste lid worden de woorden "de voornoemde opleiding" vervangen door de woorden "de outplacementbegeleiding of de opleiding bedoeld in de vorige leden";
e) het negende, tiende en elfde lid worden opgeheven.
a) in het eerste lid worden de woorden "geen enkele prestatie leveren tijdens een volledig kwartaal bij dezelfde werkgever" vervangen door de woorden "bij dezelfde werkgever tijdens een volledig kwartaal geen enkele prestatie leveren of prestaties leveren die overeenkomen met minder dan een derde van de wekelijkse arbeidstijd van de voltijdse werknemers van dezelfde categorie in het bedrijf";
b) in het vierde lid worden de woorden "van elke prestatie" vervangen door de woorden "voor meer dan 2/3 van zijn prestaties", worden de woorden "20 pct." telkens vervangen door de woorden "50 pct.", worden de woorden "15 pct." vervangen door de woorden "45 pct." en worden de woorden "10 pct." vervangen door de woorden "40 pct.";
c) in het vijfde lid worden de woorden "de verplichting had om een opleiding te volgen die georganiseerd wordt door zijn werkgever voor tenminste 15 dagen gedurende een periode van vier opeenvolgende kwartalen" vervangen door de woorden "de verplichting had om gedurende de vier eerste kwartalen een outplacementbegeleiding te volgen van 60 uur overeenkomend met de waarde van een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging voor het kalenderjaar voorafgaand aan de vrijstelling van prestaties en met een minimumwaarde van 1.800 euro en een maximumwaarde van 5.500 euro, en die beantwoordt aan de kwaliteitscriteria, bepaald in artikel 11/4 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers";
d) in het achtste lid worden de woorden "de voornoemde opleiding" vervangen door de woorden "de outplacementbegeleiding of de opleiding bedoeld in de vorige leden";
e) het negende, tiende en elfde lid worden opgeheven.
Art.92. A l'article 38, § 3septdecies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 25 décembre 2017, et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
a) à l'alinéa 1er, les mots "qui ne fournissent aucune prestation durant un trimestre complet auprès du même employeur" sont remplacés par les mots "qui, auprès du même employeur, durant un trimestre complet, ne fournissent aucune prestation ou qui fournissent moins que des prestations équivalentes à un tiers de la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein de la même catégorie dans l'entreprise";
b) à l'alinéa 4, les mots "de toute prestation" sont remplacés par les mots "pour plus de 2/3 de ses prestations", les mots "20 p.c." sont remplacés par les mots "50 p.c.", les mots "15 p.c." sont remplacés par les mots "45 p.c." et les mots "10 p.c." sont remplacés par les mots "40 p.c.";
c) à l'alinéa 5, les mots "a eu l'obligation de suivre une formation organisée par son employeur d'au moins 15 jours sur une période de quatre trimestres consécutifs" sont remplacés par les mots "a eu l'obligation de suivre, pendant les quatre premiers trimestres, un reclassement professionnel de 60 heures correspondant à la valeur d'un douzième de la rémunération annuelle de l'année civile qui précède la dispense de prestations, avec une valeur minimale de 1.800 euros et une valeur maximale de 5.500 euros, et qui répond aux critères de qualité visés à l'article 11/4 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs";
d) à l'alinéa 8, les mots "la formation précitée" sont remplacés par les mots "le reclassement professionnel ou la formation visés aux alinéas précédents";
e) les alinéas 9, 10 et 11 sont abrogés.
a) à l'alinéa 1er, les mots "qui ne fournissent aucune prestation durant un trimestre complet auprès du même employeur" sont remplacés par les mots "qui, auprès du même employeur, durant un trimestre complet, ne fournissent aucune prestation ou qui fournissent moins que des prestations équivalentes à un tiers de la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein de la même catégorie dans l'entreprise";
b) à l'alinéa 4, les mots "de toute prestation" sont remplacés par les mots "pour plus de 2/3 de ses prestations", les mots "20 p.c." sont remplacés par les mots "50 p.c.", les mots "15 p.c." sont remplacés par les mots "45 p.c." et les mots "10 p.c." sont remplacés par les mots "40 p.c.";
c) à l'alinéa 5, les mots "a eu l'obligation de suivre une formation organisée par son employeur d'au moins 15 jours sur une période de quatre trimestres consécutifs" sont remplacés par les mots "a eu l'obligation de suivre, pendant les quatre premiers trimestres, un reclassement professionnel de 60 heures correspondant à la valeur d'un douzième de la rémunération annuelle de l'année civile qui précède la dispense de prestations, avec une valeur minimale de 1.800 euros et une valeur maximale de 5.500 euros, et qui répond aux critères de qualité visés à l'article 11/4 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs";
d) à l'alinéa 8, les mots "la formation précitée" sont remplacés par les mots "le reclassement professionnel ou la formation visés aux alinéas précédents";
e) les alinéas 9, 10 et 11 sont abrogés.
Art.93. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.93. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 4. - Renteloze lening vanwege het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers
CHAPITRE 4. - Prêt sans intérêt du Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises
Art.94. De hierna volgende bepalingen hebben als doel om te garanderen dat de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie zijn opdrachten kan blijven vervullen.
Art.94. Les dispositions suivantes ont pour objectif de garantir que l'Office national des vacances annuelles peut continuer à remplir ses missions.
Art.95. Om de doelstelling bepaald in artikel 94 te bereiken, stelt het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bij artikel 27 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, een renteloze lening ter beschikking van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie voor de vervulling van zijn opdrachten.
Art.95. Afin de réaliser l'objectif visé à l'article 94, le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises, institué auprès de l'Office national de l'emploi par l'article 27 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises, accorde un prêt sans intérêt à l'Office national des vacances annuelles en vue de l'accomplissement de ses missions.
Art.96. Het bedrag van deze renteloze lening wordt vastgelegd op een bedrag van 200 miljoen euro.
Art.96. Le montant de ce prêt sans intérêt est fixé à 200 millions d'euros.
Art.97. § 1. De renteloze lening, bedoeld in artikel 96, moet door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie volledig terugbetaald worden aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers binnen een periode van 15 jaar na de toekenning ervan en volgens de regels opgenomen in § 2.
§ 2. De renteloze lening, bedoeld in artikel 96, wordt over een periode van 15 jaar terugbetaald overeenkomstig volgend afbetalingsplan: de eerste 5 jaren zijn niet onderworpen aan terugbetalingen en de volgende 10 jaren wordt elk jaar 20 miljoen euro terugbetaald.
§ 2. De renteloze lening, bedoeld in artikel 96, wordt over een periode van 15 jaar terugbetaald overeenkomstig volgend afbetalingsplan: de eerste 5 jaren zijn niet onderworpen aan terugbetalingen en de volgende 10 jaren wordt elk jaar 20 miljoen euro terugbetaald.
Art.97. § 1. Le prêt sans intérêt visé à l'article 96 doit être intégralement remboursé par l'Office national des vacances annuelles au Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprise sur une période de 15 ans, à compter de son octroi et selon les règles prévues au § 2.
§ 2. Le prêt sans intérêt visé à l'article 96 est remboursé sur une période de 15 ans, conformément au plan de remboursement suivant: les cinq premières années ne font pas l'objet d'un remboursement et, pendant les 10 années suivantes, 20 millions d'euros sont remboursés chaque année.
§ 2. Le prêt sans intérêt visé à l'article 96 est remboursé sur une période de 15 ans, conformément au plan de remboursement suivant: les cinq premières années ne font pas l'objet d'un remboursement et, pendant les 10 années suivantes, 20 millions d'euros sont remboursés chaque année.
Art.98. De Koning kan de nadere uitvoeringsregels van artikel 97 bepalen.
Art.98. Le Roi peut préciser les modalités d'exécution de l'article 97.
Art.99. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.99. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 5. - Toeslag bij tijdelijke werkloosheid
CHAPITRE 5. - Supplément en cas de chômage temporaire
Art.100. In artikel 29, eerste lid, tweede zin, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hersteld bij de wet van 5 november 2023, worden de woorden "en dit voor alle dagen vanaf de 27e dag" vervangen door de woorden "en dit voor elke dag gedekt door een tijdelijke werkloosheidsuitkering vanaf de 27e dag".
Art.100. Dans l'article 29, alinéa 1er, seconde phrase, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, rétabli par la loi du 5 novembre 2023, les mots "et ce tous les jours à partir du 27e jour" sont remplacés par les mots "et ce pour chaque jour couvert par une allocation de chômage temporaire à partir du 27e jour ".
Art.101. In artikel 29 van dezelfde wet wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"De werkgever is er niet toe gehouden deze toeslag te betalen indien de werknemer de toepassing geniet van een collectieve arbeidsovereenkomst die hem, in geval van tijdelijke werkloosheid, de betaling van een percentage van zijn loon waarborgt en alleen voor zover dit percentage de werknemer een bedrag waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan datgene waarop hij krachtens het eerste lid recht zou hebben.".
"De werkgever is er niet toe gehouden deze toeslag te betalen indien de werknemer de toepassing geniet van een collectieve arbeidsovereenkomst die hem, in geval van tijdelijke werkloosheid, de betaling van een percentage van zijn loon waarborgt en alleen voor zover dit percentage de werknemer een bedrag waarborgt dat ten minste gelijkwaardig is aan datgene waarop hij krachtens het eerste lid recht zou hebben.".
Art.101. Dans l'article 29 de la même loi, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"L'employeur n'est pas tenu de payer ce supplément si le travailleur bénéficie de l'application d'une convention collective de travail qui lui garantit, en cas de chômage temporaire, le maintien d'un pourcentage de sa rémunération et uniquement pour autant que ce pourcentage assure au travailleur un montant au moins équivalent à ce à quoi il aurait droit en vertu de l'alinéa 1er.".
"L'employeur n'est pas tenu de payer ce supplément si le travailleur bénéficie de l'application d'une convention collective de travail qui lui garantit, en cas de chômage temporaire, le maintien d'un pourcentage de sa rémunération et uniquement pour autant que ce pourcentage assure au travailleur un montant au moins équivalent à ce à quoi il aurait droit en vertu de l'alinéa 1er.".
Art.102. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.102. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
TITEL 8. - Gezondheid
TITRE 8. - Santé
HOOFDSTUK 1. - Geneesmiddelen
CHAPITRE 1er. - Médicaments
Afdeling 1. - Hervorming van de besparingsmaatregelen toegepast op vergoedbare farmaceutische specialiteiten
Section 1re. - Réforme des mesures d'économies appliquées aux spécialités pharmaceutiques remboursables
Art.103. In artikel 35bis, § 2bis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wetten van 17 februari 2012, 25 december 2017, 7 april 2019, 4 mei 2020 en 6 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden "artikel 35quater/1" telkens vervangen door de woorden "artikel 73, § 2, lid 3, 1°, ";
2° in het vierde lid, wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "of artikel 35ter/1, § 6 of § 7".
1° in het derde lid worden de woorden "artikel 35quater/1" telkens vervangen door de woorden "artikel 73, § 2, lid 3, 1°, ";
2° in het vierde lid, wordt de bepaling onder 4° aangevuld met de woorden "of artikel 35ter/1, § 6 of § 7".
Art.103. Dans l'article 35bis, § 2bis, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par les lois des 17 février 2012, 25 décembre 2017, 7 avril 2019, 4 mai 2020 et 6 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 3, les mots "l'article 35quater/1" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 73, § 2, alinéa 3, 1°, ";
2° dans l'alinéa 4, le point 4° est complété par les mots "ou de l'article 35ter/1, § 6 ou § 7".
1° dans l'alinéa 3, les mots "l'article 35quater/1" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 73, § 2, alinéa 3, 1°, ";
2° dans l'alinéa 4, le point 4° est complété par les mots "ou de l'article 35ter/1, § 6 ou § 7".
Art.104. In artikel 35ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd" vervangen door de woorden "op basis van een theoretische vergoedingsbasis buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende vergoedingsbasis buiten bedrijf wordt verlaagd";
2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "44,75 pour les autres spécialités et majoré" in de Franse tekst vervangen door de woorden "44,75 p.c. pour les autres spécialités et majorée";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
4° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt:
" § 1bis. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan één werkzaam bestanddeel, waarvan alle werkzame bestanddelen onafhankelijk van elkaar behoren tot een als in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde farmaceutische specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1, eerste of tweede lid, toegepast worden of werden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van artikel 35bis, § 2bis, en volgens de door de Koning vastgestelde regels.
De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
5° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2. De in § 1 bedoelde verminderingen worden op 27,82 pct. teruggebracht voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en op 23,37 pct. voor de andere specialiteiten, wat betreft de farmaceutische specialiteiten die hetzelfde werkzame bestanddeel bevatten en waarvan de toedieningsvorm niet identiek is aan die van ten minste een van de in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2) bedoelde farmaceutische specialiteiten, die de toepassing van de bepalingen van § 1 toelaat.";
6° in paragraaf 2 worden tussen het eerste lid en het tweede lid vier leden ingevoegd, luidende:
"De Koning kan de verschillende mogelijke toedieningsvormen vermeld in lid 1 vaststellen.
Indien een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2) bedoelde specialiteit met hetzelfde werkzaam bestanddeel en dezelfde toedieningsvorm als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en die niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 32,83 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 27,90 pct. voor de andere specialiteiten.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op specialiteiten die specifiek bestemd zijn voor pediatrisch gebruik, tenzij een specialiteit als bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen bevat en die eveneens specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
Indien een specialiteit, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik en die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 32,83 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 27,90 pct. voor de andere specialiteiten.";
7° in paragraaf 2 wordt het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, vervangen als volgt:
"De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
8° in paragraaf 2bis, tweede lid, worden de woorden "niet-biologisch werkzaam bestanddeel" vervangen door de woorden "werkzaam bestanddeel, niet biologisch noch een coördinatieverbinding,";
9° in paragraaf 2bis, vijfde lid, worden de woorden "voor de bedoelde verminderingen in paragraaf 1" vervangen door de woorden "volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid";
10° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "paragrafen 1, 1bis of 2bis" vervangen door de woorden "paragrafen 1, 1bis, 2 of 2bis";
11° in paragraaf 3 worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, luidende:
"Indien de aanvrager kiest voor de optie onder 2° van het eerste lid, kan hij vragen dat de schrapping van de lijst effectief wordt binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van toepassing van de bepalingen van paragrafen 1, 1bis of 2bis. De prijs en de vergoedingsbasis van de betrokken specialiteiten blijven ongewijzigd vóór hun schrapping van de lijst.
De bepalingen van lid 3 kunnen enkel worden toegepast indien door de aanvrager aangetoond en door de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten bevestigd wordt dat de schrapping van de betrokken specialiteiten op de datum van toepassing van de bepalingen uit paragrafen 1, 1bis, 2 of 2bis de continuïteit van de zorg voor de patiënten in gevaar zou kunnen brengen.";
12° paragraaf 3bis wordt ingevoegd, luidende:
" § 3bis. Op initiatief van de aanvrager kunnen de dalingspercentages vermeld in paragrafen 1 en 2bis toegepast worden alvorens er aan de voorwaarden uit voornoemde paragrafen wordt voldaan. In dit geval wordt de optie onder 1° van paragraaf 3, eerste lid, toegepast op het geheel van betrokken specialiteiten met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid is enkel ontvankelijk indien het geheel van specialiteiten, bedoeld onder artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen, onder de verantwoordelijkheid van één aanvrager valt.
Indien de bepalingen van paragraaf 1bis worden toegepast als gevolg van de aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt de optie onder 1° van paragraaf 3, eerste lid, toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten.
De bepalingen van deze paragraaf en van paragrafen 1, 1bis en 2bis kunnen niet op dezelfde specialiteit worden toegepast.";
13° paragrafen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 worden opgeheven.
1° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "op basis van een theoretische prijs buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende prijs buiten bedrijf wordt verlaagd" vervangen door de woorden "op basis van een theoretische vergoedingsbasis buiten bedrijf, die als volgt wordt berekend: de geldende vergoedingsbasis buiten bedrijf wordt verlaagd";
2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "44,75 pour les autres spécialités et majoré" in de Franse tekst vervangen door de woorden "44,75 p.c. pour les autres spécialités et majorée";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
4° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt:
" § 1bis. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan één werkzaam bestanddeel, waarvan alle werkzame bestanddelen onafhankelijk van elkaar behoren tot een als in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde farmaceutische specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1, eerste of tweede lid, toegepast worden of werden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van artikel 35bis, § 2bis, en volgens de door de Koning vastgestelde regels.
De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
5° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
" § 2. De in § 1 bedoelde verminderingen worden op 27,82 pct. teruggebracht voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en op 23,37 pct. voor de andere specialiteiten, wat betreft de farmaceutische specialiteiten die hetzelfde werkzame bestanddeel bevatten en waarvan de toedieningsvorm niet identiek is aan die van ten minste een van de in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2) bedoelde farmaceutische specialiteiten, die de toepassing van de bepalingen van § 1 toelaat.";
6° in paragraaf 2 worden tussen het eerste lid en het tweede lid vier leden ingevoegd, luidende:
"De Koning kan de verschillende mogelijke toedieningsvormen vermeld in lid 1 vaststellen.
Indien een in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2) bedoelde specialiteit met hetzelfde werkzaam bestanddeel en dezelfde toedieningsvorm als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en die niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 32,83 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 27,90 pct. voor de andere specialiteiten.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op specialiteiten die specifiek bestemd zijn voor pediatrisch gebruik, tenzij een specialiteit als bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die hetzelfde werkzaam bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen bevat en die eveneens specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
Indien een specialiteit, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), die specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik en die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 32,83 pct. voor de specialiteiten waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 100 pct. van de vergoedingsbasis bedraagt en met 27,90 pct. voor de andere specialiteiten.";
7° in paragraaf 2 wordt het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, vervangen als volgt:
"De Koning kan de nadere regels bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.";
8° in paragraaf 2bis, tweede lid, worden de woorden "niet-biologisch werkzaam bestanddeel" vervangen door de woorden "werkzaam bestanddeel, niet biologisch noch een coördinatieverbinding,";
9° in paragraaf 2bis, vijfde lid, worden de woorden "voor de bedoelde verminderingen in paragraaf 1" vervangen door de woorden "volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid";
10° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "paragrafen 1, 1bis of 2bis" vervangen door de woorden "paragrafen 1, 1bis, 2 of 2bis";
11° in paragraaf 3 worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, luidende:
"Indien de aanvrager kiest voor de optie onder 2° van het eerste lid, kan hij vragen dat de schrapping van de lijst effectief wordt binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van toepassing van de bepalingen van paragrafen 1, 1bis of 2bis. De prijs en de vergoedingsbasis van de betrokken specialiteiten blijven ongewijzigd vóór hun schrapping van de lijst.
De bepalingen van lid 3 kunnen enkel worden toegepast indien door de aanvrager aangetoond en door de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten bevestigd wordt dat de schrapping van de betrokken specialiteiten op de datum van toepassing van de bepalingen uit paragrafen 1, 1bis, 2 of 2bis de continuïteit van de zorg voor de patiënten in gevaar zou kunnen brengen.";
12° paragraaf 3bis wordt ingevoegd, luidende:
" § 3bis. Op initiatief van de aanvrager kunnen de dalingspercentages vermeld in paragrafen 1 en 2bis toegepast worden alvorens er aan de voorwaarden uit voornoemde paragrafen wordt voldaan. In dit geval wordt de optie onder 1° van paragraaf 3, eerste lid, toegepast op het geheel van betrokken specialiteiten met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid is enkel ontvankelijk indien het geheel van specialiteiten, bedoeld onder artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen, onder de verantwoordelijkheid van één aanvrager valt.
Indien de bepalingen van paragraaf 1bis worden toegepast als gevolg van de aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt de optie onder 1° van paragraaf 3, eerste lid, toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten.
De bepalingen van deze paragraaf en van paragrafen 1, 1bis en 2bis kunnen niet op dezelfde specialiteit worden toegepast.";
13° paragrafen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 worden opgeheven.
Art.104. Dans l'article 35ter de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 novembre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit" sont remplacés par les mots "sur la base d'une base de remboursement théorique ex-usine, calculée comme suit: la base de remboursement ex-usine actuelle est réduite";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "44,75 pour les autres spécialités et majoré" sont remplacés par les mots "44,75 p.c. pour les autres spécialités et majorée" dans le texte en français;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
4° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit:
" § 1erbis. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois, pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont l'ensemble des principes actifs appartiennent indépendamment à une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er, alinéas 1er ou 2, sont ou ont été appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions de l'article 35bis, § 2bis, et selon les règles fixées par le Roi.
Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
5° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Les réductions visées au § 1er sont ramenées à 27,82 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement, et à 23,37 p.c. pour les autres spécialités, concernant les spécialités contenant le même principe actif et dont la forme d'administration n'est pas identique à celle d'au moins une des spécialités, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2) permettant l'application des dispositions du § 1er.";
6° dans le paragraphe 2, quatre alinéas rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 1er et 2:
"Le Roi peut fixer les différentes formes d'administrations possibles visées à l'alinéa 1er.
Si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif et ayant la même forme d'administration qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 32,83 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 27,90 p.c. pour les autres spécialités.
Les dispositions de l'alinéa 1er s'appliquent également aux spécialités destinées spécifiquement à un usage pédiatrique sauf si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif ou combinaison de principes actifs, et également destiné spécifiquement à un usage pédiatrique est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
Si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), destinée spécifiquement à un usage pédiatrique, contenant le même principe actif qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 32,83 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 27,90 p.c. pour les autres spécialités.";
7° dans le paragraphe 2, l'ancien alinéa 4, devenant l'alinéa 8, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
8° dans le paragraphe 2bis, alinéa 2, les mots "d'un principe actif non-biologique" sont remplacés par les mots "d'un principe actif, ni biologique, ni complexe de coordination,";
9° dans le paragraphe 2bis, alinéa 5, les mots "lesquelles les réductions visées au paragraphe 1er sont indiquées" sont remplacés par les mots "lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées";
10° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "des paragraphes 1er, 1erbis ou 2bis" sont remplacés par les mots "des paragraphes 1er, 1erbis, 2 ou 2bis";
11° dans le paragraphe 3, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3:
"Si le demandeur choisit l'option sous 2° de l'alinéa 1er, il peut demander que la suppression de la liste soit effective dans un délai ne dépassant pas trois mois après la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, 1erbis ou 2bis. Le prix et la base de remboursement des spécialités concernées restent inchangées avant leur suppression de la liste.
Les dispositions de l'alinéa 3 ne peuvent être appliquées que s'il est démontré par le demandeur, et confirmé par l'administrateur général de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé, que la suppression des spécialités concernées dès la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, 1erbis, 2 ou 2bis, risquerait de compromettre la continuité des soins pour les patients.";
12° il est inséré un paragraphe 3bis rédigé comme suit:
" § 3bis. Sur initiative du demandeur, les pourcentages de baisse mentionnés aux § 1er et 2bis peuvent être appliquées avant que les conditions requises aux paragraphes précités ne soient remplies. Dans ce cas l'option sous 1° du § 3, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs.
La demande visée à l'alinéa 1er n'est recevable que si l'ensemble des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, sont sous la responsabilité d'un demandeur unique.
Si les dispositions du § 1erbis sont appliquées suite à la demande visée à l'alinéa 1er, l'option sous 1° du § 3, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées.
Les dispositions du présent paragraphe et des § 1er, § 1erbis et § 2bis ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité." ;
13° les paragraphes 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 et 16 sont abrogés.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "sur la base d'un prix théorique ex-usine, calculé comme suit: le prix actuel ex-usine est réduit" sont remplacés par les mots "sur la base d'une base de remboursement théorique ex-usine, calculée comme suit: la base de remboursement ex-usine actuelle est réduite";
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 4, les mots "44,75 pour les autres spécialités et majoré" sont remplacés par les mots "44,75 p.c. pour les autres spécialités et majorée" dans le texte en français;
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
4° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit:
" § 1erbis. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois, pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont l'ensemble des principes actifs appartiennent indépendamment à une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er, alinéas 1er ou 2, sont ou ont été appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions de l'article 35bis, § 2bis, et selon les règles fixées par le Roi.
Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
5° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Les réductions visées au § 1er sont ramenées à 27,82 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement, et à 23,37 p.c. pour les autres spécialités, concernant les spécialités contenant le même principe actif et dont la forme d'administration n'est pas identique à celle d'au moins une des spécialités, visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2) permettant l'application des dispositions du § 1er.";
6° dans le paragraphe 2, quatre alinéas rédigés comme suit, sont insérés entre les alinéas 1er et 2:
"Le Roi peut fixer les différentes formes d'administrations possibles visées à l'alinéa 1er.
Si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif et ayant la même forme d'administration qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 32,83 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 27,90 p.c. pour les autres spécialités.
Les dispositions de l'alinéa 1er s'appliquent également aux spécialités destinées spécifiquement à un usage pédiatrique sauf si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif ou combinaison de principes actifs, et également destiné spécifiquement à un usage pédiatrique est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
Si une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), destinée spécifiquement à un usage pédiatrique, contenant le même principe actif qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 32,83 p.c. pour les spécialités pour lesquelles l'intervention de l'assurance représente 100 p.c. de la base de remboursement et de 27,90 p.c. pour les autres spécialités.";
7° dans le paragraphe 2, l'ancien alinéa 4, devenant l'alinéa 8, est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.";
8° dans le paragraphe 2bis, alinéa 2, les mots "d'un principe actif non-biologique" sont remplacés par les mots "d'un principe actif, ni biologique, ni complexe de coordination,";
9° dans le paragraphe 2bis, alinéa 5, les mots "lesquelles les réductions visées au paragraphe 1er sont indiquées" sont remplacés par les mots "lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées";
10° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "des paragraphes 1er, 1erbis ou 2bis" sont remplacés par les mots "des paragraphes 1er, 1erbis, 2 ou 2bis";
11° dans le paragraphe 3, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 2 et 3:
"Si le demandeur choisit l'option sous 2° de l'alinéa 1er, il peut demander que la suppression de la liste soit effective dans un délai ne dépassant pas trois mois après la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, 1erbis ou 2bis. Le prix et la base de remboursement des spécialités concernées restent inchangées avant leur suppression de la liste.
Les dispositions de l'alinéa 3 ne peuvent être appliquées que s'il est démontré par le demandeur, et confirmé par l'administrateur général de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé, que la suppression des spécialités concernées dès la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, 1erbis, 2 ou 2bis, risquerait de compromettre la continuité des soins pour les patients.";
12° il est inséré un paragraphe 3bis rédigé comme suit:
" § 3bis. Sur initiative du demandeur, les pourcentages de baisse mentionnés aux § 1er et 2bis peuvent être appliquées avant que les conditions requises aux paragraphes précités ne soient remplies. Dans ce cas l'option sous 1° du § 3, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs.
La demande visée à l'alinéa 1er n'est recevable que si l'ensemble des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, sont sous la responsabilité d'un demandeur unique.
Si les dispositions du § 1erbis sont appliquées suite à la demande visée à l'alinéa 1er, l'option sous 1° du § 3, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées.
Les dispositions du présent paragraphe et des § 1er, § 1erbis et § 2bis ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité." ;
13° les paragraphes 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 et 16 sont abrogés.
Art.105. In dezelfde wet wordt een artikel 35ter/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 35ter/1. § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege vastgesteld op de eerste dag van elke maand voor biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd in de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), indien op de eerste dag van de voorgaande maand een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische vergoedingsbasis buiten bedrijf verlaagd met 26,60 pct. en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, met het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.
Bij toepassing van de bepalingen uit het eerste en tweede lid, voor biologische farmaceutische specialiteiten waarvoor de bepalingen van artikel 30 § 1 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen werden toegepast vóór 1 januari 2024, wordt de vermindering teruggebracht tot 8,25 pct.
§ 2. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan alle werkzame bestanddelen onafhankelijk van elkaar behoren tot een als in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1 toegepast worden of werden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van § 1, tweede lid. De Koning kan bijkomende regels bepalen.
De nadere regels om aan te geven dat de in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen toegepast werden, kunnen door de Koning worden vastgesteld.
De bepalingen van paragrafen 1 en 2 kunnen niet op dezelfde specialiteit worden toegepast.
§ 3. De in § 1, eerste en tweede lid bedoelde vermindering wordt op 13,30 pct. teruggebracht voor de farmaceutische specialiteiten die hetzelfde werkzame bestanddeel bevatten en waarvan de toedieningsvorm niet identiek is aan die van ten minste een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die de toepassing van de bepalingen van § 1 toelaat.
De Koning stelt de verschillende mogelijke toedieningsvormen vermeld in het eerste lid vast.
Indien een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel en dezelfde toedieningsvorm als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en die niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 15,34 pct.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op farmaceutische specialiteiten die specifiek bestemd zijn voor pediatrisch gebruik, tenzij een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat en die eveneens specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
Indien een specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik en die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 15,34 pct.
De lijst kan van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de erkende of ingetrokken uitzonderingen.
De nadere regels die gevolgd dienen te worden om aan te geven dat de vermindering op 13,30 pct. wordt teruggebracht kunnen worden vastgesteld door de Koning.
De Koning kan de modaliteiten bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.
§ 4. Voor de farmaceutische specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragrafen 1, 2 of 3, moeten de aanvragers tussen de twee volgende opties kiezen:
1° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot het niveau van de nieuwe maximale vergoedingsbasis;
2° ofwel wordt de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, geschrapt uit de lijst.
De Koning kan de nadere regels en voorwaarden vaststellen.
Indien de aanvrager niet kiest voor één van de twee bovenvermelde opties, wordt van rechtswege de optie onder 1° toegepast.
Indien de aanvrager kiest voor de optie onder 2° van het eerste lid, kan hij vragen dat de schrapping van de lijst effectief wordt binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van toepassing van de bepalingen van paragrafen 1, 2 of 3. De prijs en de vergoedingsbasis van de betrokken geneesmiddelen blijven ongewijzigd vóór hun schrapping van de lijst.
De bepalingen van bovenstaand lid kunnen enkel worden toegepast indien door de aanvrager aangetoond en door de administrateur-generaal van het Federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten bevestigd kan worden dat de schrapping van de betrokken farmaceutische specialiteiten op de datum van toepassing van de bepalingen van de paragrafen 1, 2 of 3 de continuïteit van de zorg voor de patiënten in gevaar zou kunnen brengen.
De lijst kan van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de prijsverlagingen, bedoeld in het eerste lid, 1°, of met de schrappingen, bedoeld in het eerste lid, 2°.
§ 5. Op initiatief van de aanvrager kunnen de dalingspercentages vermeld in paragraaf 1 toegepast worden alvorens er aan de voorwaarden uit voornoemde paragrafen wordt voldaan. In dit geval wordt de optie onder 1° van paragraaf 4 eerste lid toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen.
De aanvraag bedoeld in bovenstaand lid is enkel ontvankelijk indien het geheel van specialiteiten, bedoeld onder artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen, onder de verantwoordelijkheid van één aanvrager valt.
Indien de bepalingen van paragraaf 2 worden toegepast als gevolg van de aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt de optie onder 1° van paragraaf 4, eerste lid toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten.
§ 6. Als na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, genieten de aanvragers van specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragraaf 1, van de volgende maatregel:
1° wanneer paragraaf 4, 1°, is toegepast, ofwel wordt de vergoedingsbasis behouden op het niveau dat hij had naar aanleiding van de toepassing van paragraaf 1. Wanneer een farmaceutische specialiteit later opnieuw aanleiding kan geven tot de toepassing van paragraaf 1, worden deze specialiteiten vrijgesteld van de vermindering;
2° ofwel, wanneer binnen een periode van 24 maanden na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, als een gevolg van een onbeschikbaarheid, zoals bedoeld in artikel 72bis, § 1bis, zesde lid, worden de vergoedingsbasis en, desgevallend, de verkoopprijs aan publiek, van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke vergoedingsbasis en, desgevallend, verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de bepalingen van dit artikel. Dit geldt vanaf de eerstvolgende maandelijkse toepassing van paragraaf 1, waarvoor dit minstens 20 dagen voorafgaand aangevraagd werd, totdat een uitvoerbare rechterlijke beslissing wordt genomen over de bovenvermelde betwisting die het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van paragraaf 1.
§ 7. Als binnen een periode van 24 maanden na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, als een gevolg van een onbeschikbaarheid zoals bedoeld in artikel 72bis, § 1bis, zesde lid, en dat dit meegedeeld wordt minstens 20 dagen vóór de maandelijkse toepassing van de paragraaf 1, wordt de specialiteit die van rechtswege geschrapt werd volgens de bepalingen van paragraaf 4 van rechtswege, zonder rekening te houden met de procedures bepaald bij artikel 35bis, opnieuw ingeschreven op de lijst, rekening houdend met de vergoedingsvoorwaarden die van toepassing zouden zijn geweest indien de specialiteit op de lijst ingeschreven gebleven was. De vergoedingsbasis en de verkoopprijs aan publiek worden van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de paragraaf 4 tot op het moment dat een andere specialiteit opnieuw aanleiding geeft tot de toepassing van paragraaf 1. De Koning kan de nadere regels vaststellen.
§ 8. Indien de specialiteit vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van paragraaf 1, onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, op het moment van haar inschrijving op de lijst, of indien ze het nadien wordt en dat dit meegedeeld wordt minstens 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, wordt de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis bedoeld in paragraaf 1 uitgesteld ofwel tot de eerste aanpassing van de lijst die volgt op het aflopen van de onbeschikbaarheid van de betrokken specialiteit, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
Indien de specialiteit vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van de eerste paragraaf, onbeschikbaar wordt in de zin van artikel 72bis, § 1bis, na haar inschrijving op de lijst, en dat dit meegedeeld wordt minder dan 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, zijn de bepalingen van paragraaf 6 van toepassing, ofwel tot de eerste aanpassing van de lijst die volgt op het aflopen van de onbeschikbaarheid van de betrokken specialiteit, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
Indien het recht tot commercialiseren van de specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van de eerste paragraaf, betwist wordt naar aanleiding van het aanvoeren van een inbreuk op het octrooi of een inbreuk op de periode van gegevensbescherming bedoeld in artikel 14, lid 11, van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau of in artikel 6bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik, en indien het bewijs van deze betwisting voorgelegd wordt aan het Instituut minstens 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, door middel van een afschrift van de gedinginleidende akte die de vorm aanneemt ofwel van een kortgeding, ofwel van een stakingsvordering, dan wordt de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis uitgesteld ofwel totdat een uitvoerbare rechterlijke beslissing wordt genomen over de bovenvermelde betwisting die het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
De meerkosten voor de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging die voortvloeien uit de toepassing van het derde lid, vallen ten laste van de aanvrager, indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit de nadere regels.
§ 9. Op 1 januari 2024 worden de prijs en de vergoedingsbasis van farmaceutische specialiteiten met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen vóór 1 januari 2024 zijn toegepast, van rechtswege verminderd met een bijkomende 8,25 pct.
Voor de specialiteiten bedoeld in de bepalingen van het eerste lid kunnen de aanvragers kiezen om op 1 januari 2024 de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.
Op 1 januari 2024 worden de prijs en de vergoedingsbasis van farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen vóór 1 januari 2024 niet zijn toegepast, van rechtswege verminderd met een bijkomende 26,60 pct, alsook de bepalingen van artikel 35ter/2.
De prijs en de vergoedingsbasis van de farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen voor 1 januari 2024 zijn toegepast, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, worden van rechtswege bijkomend verminderd met 8,25 pct. op het moment van hun inschrijving op voormelde lijst.
De prijs en de vergoedingsbasis van de farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen niet voor 1 januari 2024 zijn toegepast, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, worden van rechtswege bijkomend verminderd met 26,60 pct. op het moment van hun inschrijving op voormelde lijst.".
"Art. 35ter/1. § 1. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt van rechtswege vastgesteld op de eerste dag van elke maand voor biologische geneesmiddelen, zoals gedefinieerd in de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), indien op de eerste dag van de voorgaande maand een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend op basis van een theoretische vergoedingsbasis buiten bedrijf verlaagd met 26,60 pct. en vervolgens verhoogd met de marges voor de verdeling in het groot zoals toegekend door de minister bevoegd voor Economische Zaken en de marges voor de terhandstelling zoals toegekend door de ministers bevoegd voor Sociale Zaken en Economische Zaken en van toepassing op de farmaceutische specialiteiten afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek, enerzijds, of afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, anderzijds, met het honorarium, bedoeld in artikel 35octies, § 2, tweede lid, alsook met de geldende btw-voet.
Bij toepassing van de bepalingen uit het eerste en tweede lid, voor biologische farmaceutische specialiteiten waarvoor de bepalingen van artikel 30 § 1 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen werden toegepast vóór 1 januari 2024, wordt de vermindering teruggebracht tot 8,25 pct.
§ 2. Een nieuwe vergoedingsbasis wordt eveneens van rechtswege op de eerste dag van elke maand vastgesteld voor de in artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), bedoelde specialiteiten met meer dan een werkzaam bestanddeel, waarvan alle werkzame bestanddelen onafhankelijk van elkaar behoren tot een als in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), bedoelde specialiteit waarvoor de bepalingen van paragraaf 1 toegepast worden of werden.
De in het eerste lid bedoelde nieuwe vergoedingsbasis wordt berekend conform de bepalingen van § 1, tweede lid. De Koning kan bijkomende regels bepalen.
De nadere regels om aan te geven dat de in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen toegepast werden, kunnen door de Koning worden vastgesteld.
De bepalingen van paragrafen 1 en 2 kunnen niet op dezelfde specialiteit worden toegepast.
§ 3. De in § 1, eerste en tweede lid bedoelde vermindering wordt op 13,30 pct. teruggebracht voor de farmaceutische specialiteiten die hetzelfde werkzame bestanddeel bevatten en waarvan de toedieningsvorm niet identiek is aan die van ten minste een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die de toepassing van de bepalingen van § 1 toelaat.
De Koning stelt de verschillende mogelijke toedieningsvormen vermeld in het eerste lid vast.
Indien een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel en dezelfde toedieningsvorm als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en die niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 15,34 pct.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op farmaceutische specialiteiten die specifiek bestemd zijn voor pediatrisch gebruik, tenzij een farmaceutische specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat en die eveneens specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik, is ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis.
Indien een specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die specifiek bestemd is voor pediatrisch gebruik en die hetzelfde werkzaam bestanddeel bevat als een specialiteit waarop de bepalingen van het eerste lid van toepassing zijn, vervolgens wordt ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 35bis en niet onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, wordt de vergoedingsbasis buiten bedrijf van deze specialiteit verlaagd met 15,34 pct.
De lijst kan van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de erkende of ingetrokken uitzonderingen.
De nadere regels die gevolgd dienen te worden om aan te geven dat de vermindering op 13,30 pct. wordt teruggebracht kunnen worden vastgesteld door de Koning.
De Koning kan de modaliteiten bepalen volgens welke de in deze paragraaf bedoelde verminderingen worden aangeduid.
§ 4. Voor de farmaceutische specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragrafen 1, 2 of 3, moeten de aanvragers tussen de twee volgende opties kiezen:
1° ofwel wordt de verkoopprijs aan publiek, of bij ontstentenis hiervan de verkoopprijs buiten bedrijf, verlaagd tot het niveau van de nieuwe maximale vergoedingsbasis;
2° ofwel wordt de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, geschrapt uit de lijst.
De Koning kan de nadere regels en voorwaarden vaststellen.
Indien de aanvrager niet kiest voor één van de twee bovenvermelde opties, wordt van rechtswege de optie onder 1° toegepast.
Indien de aanvrager kiest voor de optie onder 2° van het eerste lid, kan hij vragen dat de schrapping van de lijst effectief wordt binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van toepassing van de bepalingen van paragrafen 1, 2 of 3. De prijs en de vergoedingsbasis van de betrokken geneesmiddelen blijven ongewijzigd vóór hun schrapping van de lijst.
De bepalingen van bovenstaand lid kunnen enkel worden toegepast indien door de aanvrager aangetoond en door de administrateur-generaal van het Federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten bevestigd kan worden dat de schrapping van de betrokken farmaceutische specialiteiten op de datum van toepassing van de bepalingen van de paragrafen 1, 2 of 3 de continuïteit van de zorg voor de patiënten in gevaar zou kunnen brengen.
De lijst kan van rechtswege worden aangepast opdat rekening wordt gehouden met de prijsverlagingen, bedoeld in het eerste lid, 1°, of met de schrappingen, bedoeld in het eerste lid, 2°.
§ 5. Op initiatief van de aanvrager kunnen de dalingspercentages vermeld in paragraaf 1 toegepast worden alvorens er aan de voorwaarden uit voornoemde paragrafen wordt voldaan. In dit geval wordt de optie onder 1° van paragraaf 4 eerste lid toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen.
De aanvraag bedoeld in bovenstaand lid is enkel ontvankelijk indien het geheel van specialiteiten, bedoeld onder artikel 34, eerste lid, 5°, b) of c), 1), met hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde combinatie van werkzame bestanddelen, onder de verantwoordelijkheid van één aanvrager valt.
Indien de bepalingen van paragraaf 2 worden toegepast als gevolg van de aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt de optie onder 1° van paragraaf 4, eerste lid toegepast op het geheel van de betreffende specialiteiten.
§ 6. Als na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, genieten de aanvragers van specialiteiten waarvan de vergoedingsbasis is verlaagd op basis van paragraaf 1, van de volgende maatregel:
1° wanneer paragraaf 4, 1°, is toegepast, ofwel wordt de vergoedingsbasis behouden op het niveau dat hij had naar aanleiding van de toepassing van paragraaf 1. Wanneer een farmaceutische specialiteit later opnieuw aanleiding kan geven tot de toepassing van paragraaf 1, worden deze specialiteiten vrijgesteld van de vermindering;
2° ofwel, wanneer binnen een periode van 24 maanden na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, als een gevolg van een onbeschikbaarheid, zoals bedoeld in artikel 72bis, § 1bis, zesde lid, worden de vergoedingsbasis en, desgevallend, de verkoopprijs aan publiek, van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke vergoedingsbasis en, desgevallend, verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de bepalingen van dit artikel. Dit geldt vanaf de eerstvolgende maandelijkse toepassing van paragraaf 1, waarvoor dit minstens 20 dagen voorafgaand aangevraagd werd, totdat een uitvoerbare rechterlijke beslissing wordt genomen over de bovenvermelde betwisting die het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van paragraaf 1.
§ 7. Als binnen een periode van 24 maanden na de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis op grond van paragraaf 1 blijkt dat er op de lijst geen enkele vergoedbare specialiteit meer voorkomt die aan de criteria voor de toepassing van paragraaf 1 voldoet, als een gevolg van een onbeschikbaarheid zoals bedoeld in artikel 72bis, § 1bis, zesde lid, en dat dit meegedeeld wordt minstens 20 dagen vóór de maandelijkse toepassing van de paragraaf 1, wordt de specialiteit die van rechtswege geschrapt werd volgens de bepalingen van paragraaf 4 van rechtswege, zonder rekening te houden met de procedures bepaald bij artikel 35bis, opnieuw ingeschreven op de lijst, rekening houdend met de vergoedingsvoorwaarden die van toepassing zouden zijn geweest indien de specialiteit op de lijst ingeschreven gebleven was. De vergoedingsbasis en de verkoopprijs aan publiek worden van rechtswege teruggebracht tot een bedrag dat gelijk is aan de oorspronkelijke verkoopprijs aan publiek, zoals van toepassing vóór de toepassing van de paragraaf 4 tot op het moment dat een andere specialiteit opnieuw aanleiding geeft tot de toepassing van paragraaf 1. De Koning kan de nadere regels vaststellen.
§ 8. Indien de specialiteit vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van paragraaf 1, onbeschikbaar is in de zin van artikel 72bis, § 1bis, op het moment van haar inschrijving op de lijst, of indien ze het nadien wordt en dat dit meegedeeld wordt minstens 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, wordt de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis bedoeld in paragraaf 1 uitgesteld ofwel tot de eerste aanpassing van de lijst die volgt op het aflopen van de onbeschikbaarheid van de betrokken specialiteit, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
Indien de specialiteit vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van de eerste paragraaf, onbeschikbaar wordt in de zin van artikel 72bis, § 1bis, na haar inschrijving op de lijst, en dat dit meegedeeld wordt minder dan 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, zijn de bepalingen van paragraaf 6 van toepassing, ofwel tot de eerste aanpassing van de lijst die volgt op het aflopen van de onbeschikbaarheid van de betrokken specialiteit, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
Indien het recht tot commercialiseren van de specialiteit, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die aanleiding zou moeten geven tot de toepassing van de eerste paragraaf, betwist wordt naar aanleiding van het aanvoeren van een inbreuk op het octrooi of een inbreuk op de periode van gegevensbescherming bedoeld in artikel 14, lid 11, van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau of in artikel 6bis, § 1, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen voor menselijk gebruik, en indien het bewijs van deze betwisting voorgelegd wordt aan het Instituut minstens 20 dagen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe vergoedingsbasis vastgelegd in toepassing van de eerste paragraaf, door middel van een afschrift van de gedinginleidende akte die de vorm aanneemt ofwel van een kortgeding, ofwel van een stakingsvordering, dan wordt de vaststelling van de nieuwe vergoedingsbasis uitgesteld ofwel totdat een uitvoerbare rechterlijke beslissing wordt genomen over de bovenvermelde betwisting die het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat, ofwel tot op het moment dat een andere specialiteit aanleiding geeft tot de toepassing van de eerste paragraaf.
De meerkosten voor de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging die voortvloeien uit de toepassing van het derde lid, vallen ten laste van de aanvrager, indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing het commercialiseren van de betrokken specialiteit toestaat. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit de nadere regels.
§ 9. Op 1 januari 2024 worden de prijs en de vergoedingsbasis van farmaceutische specialiteiten met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen vóór 1 januari 2024 zijn toegepast, van rechtswege verminderd met een bijkomende 8,25 pct.
Voor de specialiteiten bedoeld in de bepalingen van het eerste lid kunnen de aanvragers kiezen om op 1 januari 2024 de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.
Op 1 januari 2024 worden de prijs en de vergoedingsbasis van farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen vóór 1 januari 2024 niet zijn toegepast, van rechtswege verminderd met een bijkomende 26,60 pct, alsook de bepalingen van artikel 35ter/2.
De prijs en de vergoedingsbasis van de farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen voor 1 januari 2024 zijn toegepast, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, worden van rechtswege bijkomend verminderd met 8,25 pct. op het moment van hun inschrijving op voormelde lijst.
De prijs en de vergoedingsbasis van de farmaceutische specialiteiten vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen met een werkzaam bestanddeel waarvoor de bepalingen van artikel 30 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen niet voor 1 januari 2024 zijn toegepast, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, worden van rechtswege bijkomend verminderd met 26,60 pct. op het moment van hun inschrijving op voormelde lijst.".
Art.105. Dans la même loi, il est inséré un article 35ter/1 rédigé comme suit:
"Art. 35ter/1. § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois pour les médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au premier jour du mois qui précède, une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée sur la base d'une base de remboursement théorique ex-usine réduite de 26,60 p.c. et majorée ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.
Lors de l'application des dispositions des alinéas 1er et 2, pour les spécialités pharmaceutiques biologiques pour lesquelles les dispositions de l'article 30 § 1er de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, la réduction est ramenée à 8,25 p.c.
§ 2. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois, pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont l'ensemble des principes actifs appartiennent indépendamment à une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er sont ou ont été appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions du § 1er, alinéa 2. Le Roi peut fixer des règles supplémentaires.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les diminutions visées aux alinéas 1er et 2 ont été appliquées, peuvent être fixées par le Roi.
Les dispositions du § 1er et du § 2 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
§ 3. La réduction visée au § 1er alinéas 1er et 2, est ramenée à 13,30 p.c. pour les spécialités pharmaceutiques contenant le même principe actif et dont la forme d'administration n'est pas identique à celle d'au moins une des spécialités pharmaceutiques, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, permettant l'application des dispositions du § 1er.
Le Roi fixe les différentes formes d'administrations possibles visées à l'alinéa 1er.
Si une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif et ayant la même forme d'administration qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 15,34 p.c.
Les dispositions de l'alinéa 1er s'appliquent également aux spécialités pharmaceutiques destinées spécifiquement à un usage pédiatrique sauf si une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif et également destinée spécifiquement à un usage pédiatrique est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
Si une spécialité autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, destinée spécifiquement à un usage pédiatrique, contenant le même principe actif qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 15,34 p.c.
La liste peut être adaptée de plein droit pour tenir compte des exceptions reconnues ou retirées.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les réductions sont ramenées à 13,30 p.c. peuvent être fixées par le Roi.
Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.
§ 4. Pour les spécialités pharmaceutiques dont la base de remboursement a été réduite sur la base du § 1er, § 2 ou § 3, les demandeurs doivent opter entre les deux options suivantes:
1° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit au niveau de la nouvelle base de remboursement maximale;
2° soit la spécialité pharmaceutique est supprimée de la liste de plein droit et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
Le Roi peut définir les règles et conditions supplémentaires.
Si le demandeur ne choisit pas une des deux options susmentionnées, l'option sous 1° est appliquée de plein droit.
Si le demandeur choisit l'option sous 2° de l'alinéa 1er, il peut demander que la suppression de la liste soit effective dans un délai ne dépassant pas trois mois après la date d'application des dispositions des paragraphes § 1er, § 2 ou § 3. Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques concernées restent inchangées avant leur suppression de la liste.
Les dispositions de l'alinéa précédent ne peuvent être appliquées que s'il est démontré par le demandeur, et confirmé par l'administrateur général de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, que la suppression des spécialités pharmaceutiques concernées, dès la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, § 2 ou § 3, risquerait de compromettre la continuité des soins pour les patients.
La liste peut être adaptée de plein droit pour tenir compte des réductions de prix visées à l'alinéa 1er, 1°, ou des suppressions visées à l'alinéa 1er, 2°.
§ 5. Sur initiative du demandeur, les dispositions du § 1er peuvent être appliquées avant que les conditions requises aux paragraphes précités ne soient remplies. Dans ce cas l'option sous 1° du § 4 alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités pharmaceutiques concernées avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs.
La demande visée à l'alinéa précédent n'est recevable que si l'ensemble des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, sont sous la responsabilité d'un demandeur unique.
Si les dispositions du § 2 sont appliquées suite à la demande visée à l'alinéa 1er, l'option sous 1° du § 4, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées.
§ 6. Si, postérieurement à la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il apparaît qu'il n'y a plus dans la liste aucune spécialité remboursable répondant aux critères pouvant donner lieu à l'application du paragraphe 1er, alors les demandeurs des spécialités dont la base de remboursement a été réduite sur la base du paragraphe 1er bénéficient de la mesure suivante:
1° lorsque le § 4, 1°, a été appliqué, soit la base de remboursement est maintenue au niveau qu'elle avait suite à l'application du paragraphe 1er. Lorsqu'une spécialité pharmaceutique peut ultérieurement à nouveau donner lieu à l'application du paragraphe 1er, ces spécialités sont exemptées de la réduction;
2° soit, dans une période de 24 mois après la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du § 1er ou du § 2bis, lorsqu'il apparaît qu'il n'y a plus aucune spécialité remboursable dans la liste répondant aux critères pour l'application du paragraphe 1er, par suite d'une indisponibilité, telle que visée à l'article 72bis, § 1erbis, alinéa 6, la base de remboursement et, le cas échéant, le prix de vente au public, sont ramenés de plein droit à un montant égal à la base de remboursement initiale et, le cas échéant, au prix de vente au public, tels qu'applicables avant l'application des dispositions de l'article actuel. Ceci s'applique à partir de la prochaine première application mensuelle du paragraphe 1er, pour laquelle cela a été demandé au moins 20 jours avant, jusqu'à ce qu'une décision judiciaire exécutoire soit prise sur la contestation susmentionnée qui autorise la commercialisation de la spécialité concernée, ou jusqu'au moment où une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
§ 7. Si, dans une période de 24 mois à compter de la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il apparaît que la liste ne contient plus aucune spécialité remboursable répondant aux critères pour l'application du paragraphe 1er, suite à une indisponibilité telle que prévue à l'article 72bis, § 1erbis, alinéa 6, et que ceci est communiqué au moins 20 jours avant l'application mensuelle du paragraphe 1er, la spécialité qui a été supprimée de plein droit conformément au paragraphe 4 est réinscrite de plein droit sur la liste, sans tenir compte des procédures prévues dans l'article 35bis, en tenant compte des conditions de remboursement qui auraient été d'application si la spécialité était restée inscrite sur la liste. La base de remboursement et le prix public sont ramenés de plein droit à un montant égal au prix public initial, tel qu'il était d'application avant l'application du paragraphe 4 jusqu'au moment où une autre spécialité donne à nouveau lieu à l'application du paragraphe 1er. Le Roi peut fixer les règles spécifiques.
§ 8. Si la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu à l'application du paragraphe 1er, est indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, au moment de son inscription sur la liste, ou si elle le devient par la suite et que la communication de cette indisponibilité a lieu au moins 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, la fixation de la nouvelle base de remboursement visée au paragraphe 1er est reportée, soit jusqu'à la première adaptation de la liste qui suit la fin de l'indisponibilité de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Si la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu à l'application du paragraphe 1er, devient indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, après son inscription sur la liste et que la communication de cette indisponibilité a lieu moins de 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, les dispositions du paragraphe 6 sont d'application, soit jusqu'à la première adaptation de la liste qui suit la fin de l'indisponibilité de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Si le droit de commercialisation de la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu a l'application du paragraphe 1er, fait l'objet d'une contestation sur la base d'une allégation de violation du brevet ou d'une violation de la période de protection des données visées à l'article 14, alinéa 11, du règlement (CE) n° 726/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 établissant des procédures communautaires pour l'autorisation et la surveillance en ce qui concerne les médicaments à usage humain et à usage vétérinaire, et instituant une Agence européenne des médicaments ou à l'article 6bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain, et que la preuve de cette contestation est apportée à l'Institut au moins 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, par l'envoi d'une copie de l'acte introduisant à cette fin soit une action en référé, soit une action en cessation, la fixation de la nouvelle base de remboursement est reportée, soit jusqu'à ce qu'une décision de justice exécutoire se prononce sur la contestation visée ci-dessus et autorise la commercialisation de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Les surcoûts pour l'assurance obligatoire soins de santé résultant de l'application de l'alinéa 3 sont à charge du demandeur si une décision judiciaire coulée en force de chose jugée permet la commercialisation de la spécialité concernée. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles spécifiques.
§ 9. Au 1er janvier 2024, le prix et la base de remboursement des spécialités, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, sont diminués de plein droit de 8,25 p.c. complémentaires.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions de l'alinéa 1er, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er janvier 2024 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
Au 1er janvier 2024, le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif, pour lequel les dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, n'ont pas été appliquées avant le 1er janvier 2024, sont diminués de plein droit de 26,60 p.c. complémentaires, ainsi que les dispositions de l'article 35ter/2.
Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30 de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, sont diminués de plein droit de 8,25 p.c. complémentaires au moment de leur inscription sur ladite liste.
Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30 de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, n'ont pas été appliquées avant le 1er janvier 2024, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, sont diminués de plein droit de 26,60 p.c. complémentaires au moment de leur inscription sur ladite liste.".
"Art. 35ter/1. § 1er. Une nouvelle base de remboursement est fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois pour les médicaments biologiques, tels qu'ils sont définis par la directive 2001/83/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 novembre 2001 instituant un code communautaire relatif aux médicaments à usage humain, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), lorsqu'au premier jour du mois qui précède, une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif, est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée sur la base d'une base de remboursement théorique ex-usine réduite de 26,60 p.c. et majorée ensuite des marges pour la distribution en gros telles qu'elles sont accordées par le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions et des marges pour la délivrance telles qu'elles sont accordées par les ministres qui ont les Affaires sociales et les Affaires économiques dans leurs attributions et qui sont d'application aux spécialités pharmaceutiques délivrées dans des officines ouvertes au public, d'une part, et pour celles délivrées dans une pharmacie hospitalière, d'autre part, de l'honoraire visé à l'article 35octies, § 2, alinéa 2, ainsi que du taux actuel de la T.V.A.
Lors de l'application des dispositions des alinéas 1er et 2, pour les spécialités pharmaceutiques biologiques pour lesquelles les dispositions de l'article 30 § 1er de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, la réduction est ramenée à 8,25 p.c.
§ 2. Une nouvelle base de remboursement est également fixée de plein droit au 1er jour de chaque mois, pour les spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), ayant plus qu'un principe actif, dont l'ensemble des principes actifs appartiennent indépendamment à une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), pour laquelle les dispositions du paragraphe 1er sont ou ont été appliquées.
La nouvelle base de remboursement visée à l'alinéa 1er est calculée conformément aux dispositions du § 1er, alinéa 2. Le Roi peut fixer des règles supplémentaires.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les diminutions visées aux alinéas 1er et 2 ont été appliquées, peuvent être fixées par le Roi.
Les dispositions du § 1er et du § 2 ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.
§ 3. La réduction visée au § 1er alinéas 1er et 2, est ramenée à 13,30 p.c. pour les spécialités pharmaceutiques contenant le même principe actif et dont la forme d'administration n'est pas identique à celle d'au moins une des spécialités pharmaceutiques, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, permettant l'application des dispositions du § 1er.
Le Roi fixe les différentes formes d'administrations possibles visées à l'alinéa 1er.
Si une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif et ayant la même forme d'administration qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 15,34 p.c.
Les dispositions de l'alinéa 1er s'appliquent également aux spécialités pharmaceutiques destinées spécifiquement à un usage pédiatrique sauf si une spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif et également destinée spécifiquement à un usage pédiatrique est inscrite sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis.
Si une spécialité autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, destinée spécifiquement à un usage pédiatrique, contenant le même principe actif qu'une spécialité concernée par les dispositions de l'alinéa 1er, est inscrite ultérieurement sur la liste visée à l'article 35bis et n'est pas indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, la base de remboursement ex-usine de cette spécialité est réduite de 15,34 p.c.
La liste peut être adaptée de plein droit pour tenir compte des exceptions reconnues ou retirées.
Les modalités suivant lesquelles il est indiqué que les réductions sont ramenées à 13,30 p.c. peuvent être fixées par le Roi.
Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles les réductions visées au présent paragraphe sont indiquées.
§ 4. Pour les spécialités pharmaceutiques dont la base de remboursement a été réduite sur la base du § 1er, § 2 ou § 3, les demandeurs doivent opter entre les deux options suivantes:
1° soit le prix public, ou à défaut le prix de vente ex-usine, est réduit au niveau de la nouvelle base de remboursement maximale;
2° soit la spécialité pharmaceutique est supprimée de la liste de plein droit et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
Le Roi peut définir les règles et conditions supplémentaires.
Si le demandeur ne choisit pas une des deux options susmentionnées, l'option sous 1° est appliquée de plein droit.
Si le demandeur choisit l'option sous 2° de l'alinéa 1er, il peut demander que la suppression de la liste soit effective dans un délai ne dépassant pas trois mois après la date d'application des dispositions des paragraphes § 1er, § 2 ou § 3. Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques concernées restent inchangées avant leur suppression de la liste.
Les dispositions de l'alinéa précédent ne peuvent être appliquées que s'il est démontré par le demandeur, et confirmé par l'administrateur général de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, que la suppression des spécialités pharmaceutiques concernées, dès la date d'application des dispositions des paragraphes 1er, § 2 ou § 3, risquerait de compromettre la continuité des soins pour les patients.
La liste peut être adaptée de plein droit pour tenir compte des réductions de prix visées à l'alinéa 1er, 1°, ou des suppressions visées à l'alinéa 1er, 2°.
§ 5. Sur initiative du demandeur, les dispositions du § 1er peuvent être appliquées avant que les conditions requises aux paragraphes précités ne soient remplies. Dans ce cas l'option sous 1° du § 4 alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités pharmaceutiques concernées avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs.
La demande visée à l'alinéa précédent n'est recevable que si l'ensemble des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) ou c), 1), avec le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, sont sous la responsabilité d'un demandeur unique.
Si les dispositions du § 2 sont appliquées suite à la demande visée à l'alinéa 1er, l'option sous 1° du § 4, alinéa 1er, est appliquée à l'ensemble des spécialités concernées.
§ 6. Si, postérieurement à la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il apparaît qu'il n'y a plus dans la liste aucune spécialité remboursable répondant aux critères pouvant donner lieu à l'application du paragraphe 1er, alors les demandeurs des spécialités dont la base de remboursement a été réduite sur la base du paragraphe 1er bénéficient de la mesure suivante:
1° lorsque le § 4, 1°, a été appliqué, soit la base de remboursement est maintenue au niveau qu'elle avait suite à l'application du paragraphe 1er. Lorsqu'une spécialité pharmaceutique peut ultérieurement à nouveau donner lieu à l'application du paragraphe 1er, ces spécialités sont exemptées de la réduction;
2° soit, dans une période de 24 mois après la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du § 1er ou du § 2bis, lorsqu'il apparaît qu'il n'y a plus aucune spécialité remboursable dans la liste répondant aux critères pour l'application du paragraphe 1er, par suite d'une indisponibilité, telle que visée à l'article 72bis, § 1erbis, alinéa 6, la base de remboursement et, le cas échéant, le prix de vente au public, sont ramenés de plein droit à un montant égal à la base de remboursement initiale et, le cas échéant, au prix de vente au public, tels qu'applicables avant l'application des dispositions de l'article actuel. Ceci s'applique à partir de la prochaine première application mensuelle du paragraphe 1er, pour laquelle cela a été demandé au moins 20 jours avant, jusqu'à ce qu'une décision judiciaire exécutoire soit prise sur la contestation susmentionnée qui autorise la commercialisation de la spécialité concernée, ou jusqu'au moment où une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
§ 7. Si, dans une période de 24 mois à compter de la fixation de la nouvelle base de remboursement sur la base du paragraphe 1er, il apparaît que la liste ne contient plus aucune spécialité remboursable répondant aux critères pour l'application du paragraphe 1er, suite à une indisponibilité telle que prévue à l'article 72bis, § 1erbis, alinéa 6, et que ceci est communiqué au moins 20 jours avant l'application mensuelle du paragraphe 1er, la spécialité qui a été supprimée de plein droit conformément au paragraphe 4 est réinscrite de plein droit sur la liste, sans tenir compte des procédures prévues dans l'article 35bis, en tenant compte des conditions de remboursement qui auraient été d'application si la spécialité était restée inscrite sur la liste. La base de remboursement et le prix public sont ramenés de plein droit à un montant égal au prix public initial, tel qu'il était d'application avant l'application du paragraphe 4 jusqu'au moment où une autre spécialité donne à nouveau lieu à l'application du paragraphe 1er. Le Roi peut fixer les règles spécifiques.
§ 8. Si la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu à l'application du paragraphe 1er, est indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, au moment de son inscription sur la liste, ou si elle le devient par la suite et que la communication de cette indisponibilité a lieu au moins 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, la fixation de la nouvelle base de remboursement visée au paragraphe 1er est reportée, soit jusqu'à la première adaptation de la liste qui suit la fin de l'indisponibilité de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Si la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu à l'application du paragraphe 1er, devient indisponible au sens de l'article 72bis, § 1erbis, après son inscription sur la liste et que la communication de cette indisponibilité a lieu moins de 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, les dispositions du paragraphe 6 sont d'application, soit jusqu'à la première adaptation de la liste qui suit la fin de l'indisponibilité de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Si le droit de commercialisation de la spécialité pharmaceutique, autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui devrait donner lieu a l'application du paragraphe 1er, fait l'objet d'une contestation sur la base d'une allégation de violation du brevet ou d'une violation de la période de protection des données visées à l'article 14, alinéa 11, du règlement (CE) n° 726/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 établissant des procédures communautaires pour l'autorisation et la surveillance en ce qui concerne les médicaments à usage humain et à usage vétérinaire, et instituant une Agence européenne des médicaments ou à l'article 6bis, § 1er, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments à usage humain, et que la preuve de cette contestation est apportée à l'Institut au moins 20 jours avant l'entrée en vigueur de la nouvelle base de remboursement fixée en application du paragraphe 1er, par l'envoi d'une copie de l'acte introduisant à cette fin soit une action en référé, soit une action en cessation, la fixation de la nouvelle base de remboursement est reportée, soit jusqu'à ce qu'une décision de justice exécutoire se prononce sur la contestation visée ci-dessus et autorise la commercialisation de la spécialité concernée, soit jusqu'à ce qu'une autre spécialité donne lieu à l'application du paragraphe 1er.
Les surcoûts pour l'assurance obligatoire soins de santé résultant de l'application de l'alinéa 3 sont à charge du demandeur si une décision judiciaire coulée en force de chose jugée permet la commercialisation de la spécialité concernée. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles spécifiques.
§ 9. Au 1er janvier 2024, le prix et la base de remboursement des spécialités, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, sont diminués de plein droit de 8,25 p.c. complémentaires.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions de l'alinéa 1er, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er janvier 2024 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
Au 1er janvier 2024, le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif, pour lequel les dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, n'ont pas été appliquées avant le 1er janvier 2024, sont diminués de plein droit de 26,60 p.c. complémentaires, ainsi que les dispositions de l'article 35ter/2.
Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30 de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, sont diminués de plein droit de 8,25 p.c. complémentaires au moment de leur inscription sur ladite liste.
Le prix et la base de remboursement des spécialités pharmaceutiques, autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant un principe actif pour lequel les dispositions de l'article 30 de la loi du 30 juillet 2013, portant des dispositions diverses, n'ont pas été appliquées avant le 1er janvier 2024, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, sont diminués de plein droit de 26,60 p.c. complémentaires au moment de leur inscription sur ladite liste.".
Art.106. In dezelfde wet wordt een artikel 35ter/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 35ter/2. § 1. Op de eerste dag van elke maand gaande van 1 januari tot 30 juni van jaar "t", worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvan elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 20 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 3 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 25 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 3 miljoen euro en lager dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 30 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 35 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op de eerste dag van elke maand gaande van 1 juli tot 31 december van jaar "t", worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvan elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 20 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 3 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 25 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 3 miljoen euro en lager dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 30 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 35 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaande leden, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies.
Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, reeds werd toegepast vóór 1 januari 2024.
§ 2. Op de eerste dag van elke maand worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter, 35ter/1 of 35quater, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld worden, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9 en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis of § 2, eerste en vierde lid of artikel 35ter/1, § 2 of § 3, eerste en vierde lid, van toepassing is, verminderd volgens de bepalingen van paragraaf 1 voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
§ 3. De Koning kan een uitzondering bepalen voor het toepassingsgebied van dit artikel voor de farmaceutische specialiteiten waarvan de aanvrager heeft beduid dat het of de werkzame bestanddelen, zoals opgenomen in de Anatomical Therapeutical Chemical Classification vastgesteld onder de verantwoordelijkheid van het World Health Organisations Collaborating Center for Drug Statistics Methodology, beschermd zijn door een octrooi of een certificaat ter aanvulling van de bescherming van het octrooi, tenzij één of meerdere van de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van één of meerdere voornaamste werkzame bestanddelen van een specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) of 2).
In het geval de bepalingen van het eerste lid toegepast worden op een specialiteit, wordt aan de verpakkingen die parallel geïmporteerd of gedistribueerd worden eveneens een uitzondering toegekend voor het toepassingsgebied van dit artikel.
§ 4. De Koning kan specialiteiten geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de bij de eerste paragraaf bepaalde vermindering op basis van de prijs voor dezelfde farmaceutische specialiteit, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen op basis van de meegedeelde prijzen, zoals bepaald in artikel 72bis, § 1, 8°.
Op de eerste dag van elke maand, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter, 35ter/1 of 35quater, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld worden, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9 en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis of § 2, eerste en vierde lid, voor zover de bepalingen van deze paragraaf zijn toegepast op deze specialiteiten, verminderd volgens de bepalingen van paragraaf 1 voor wat betreft de prijs en vergoedingsbasis die van toepassing waren vóór de toepassing van de bepaling van het eerste lid.
§ 5. Een uitzondering op de toepassing van paragrafen 1 en 2 wordt eveneens verleend aan de specialiteiten waarvoor de bepalingen van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid werden toegepast vóór 1 januari 2024.
§ 6. Een uitzondering op de toepassing van de eerste paragraaf wordt verleend aan de in artikel 34, eerste lid, 5°, e), bedoelde medische zuurstof.
§ 7. Op 1 januari 2024 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, en bedoeld in artikel 34, lid 1, 5°, c), waarvan de prijs en de vergoedingsbasis werden verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, voor 1 januari 2024, verminderd met:
- 0,31 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 2,41 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 0,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 40 miljoen euro en lager dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 3,65 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro en lager dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 1,56 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022.
Het jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in het eerste lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op de specialiteiten bedoeld in artikel 34, lid 1, 5°, c), 2) met hetzelfde werkzame bestanddeel, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, op het ogenblik van hun inschrijving in de voormelde lijst, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep I.10.1, I.10.2, VII.9, VII.10 en XXII;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, reeds werd toegepast vóór 1 januari 2024.
Voor de specialiteiten bedoeld in de huidige paragraaf kunnen de aanvragers kiezen om, op 1 januari 2024, de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.
§ 8. De verminderingen bedoeld in paragraaf 7 zijn niet van toepassing op de specialiteiten waarvoor de aanvrager heeft aangetoond via mededeling volgens de bepalingen van artikel 72bis, § 1, 8°, dat de prijs en de vergoedingsbasis (niveau buiten bedrijf) berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen die van toepassing zijn op 1 december 2023, reeds lager of gelijk zijn aan de laagste prijs buiten bedrijf voor dezelfde farmaceutische specialiteit, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen die van toepassing zijn op 1 juli 2023, binnen het geheel van de Europese landen vermeld in artikel 72bis, § 1, 8°.
Indien ten gevolge van een vermindering in uitvoering van paragraaf 7 de prijs buiten bedrijf berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), lager wordt dan de laagste buiten bedrijf prijs van het geheel van de prijzen vermeld in het eerste lid, wordt de daling begrensd tot deze laagste prijs.".
"Art. 35ter/2. § 1. Op de eerste dag van elke maand gaande van 1 januari tot 30 juni van jaar "t", worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvan elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 20 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 3 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 25 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 3 miljoen euro en lager dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 30 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
- 35 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-2",
voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op de eerste dag van elke maand gaande van 1 juli tot 31 december van jaar "t", worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvan elk werkzaam bestanddeel voorkomt in een specialiteit die meer dan twaalf jaar geleden voor het eerst vergoedbaar was, verminderd met:
- 20 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 3 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 25 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 3 miljoen euro en lager dan 30 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 30 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
- 35 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro gegenereerd heeft in het jaar "t-1",
voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Het jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in voorgaande leden, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies.
Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, reeds werd toegepast vóór 1 januari 2024.
§ 2. Op de eerste dag van elke maand worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter, 35ter/1 of 35quater, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld worden, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9 en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis of § 2, eerste en vierde lid of artikel 35ter/1, § 2 of § 3, eerste en vierde lid, van toepassing is, verminderd volgens de bepalingen van paragraaf 1 voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
§ 3. De Koning kan een uitzondering bepalen voor het toepassingsgebied van dit artikel voor de farmaceutische specialiteiten waarvan de aanvrager heeft beduid dat het of de werkzame bestanddelen, zoals opgenomen in de Anatomical Therapeutical Chemical Classification vastgesteld onder de verantwoordelijkheid van het World Health Organisations Collaborating Center for Drug Statistics Methodology, beschermd zijn door een octrooi of een certificaat ter aanvulling van de bescherming van het octrooi, tenzij één of meerdere van de voornaamste werkzame bestanddelen verschillende zouten, esters, ethers, isomeren, mengsels van isomeren, complexen of derivaten zijn van één of meerdere voornaamste werkzame bestanddelen van een specialiteit bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1) of 2).
In het geval de bepalingen van het eerste lid toegepast worden op een specialiteit, wordt aan de verpakkingen die parallel geïmporteerd of gedistribueerd worden eveneens een uitzondering toegekend voor het toepassingsgebied van dit artikel.
§ 4. De Koning kan specialiteiten geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de bij de eerste paragraaf bepaalde vermindering op basis van de prijs voor dezelfde farmaceutische specialiteit, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen op basis van de meegedeelde prijzen, zoals bepaald in artikel 72bis, § 1, 8°.
Op de eerste dag van elke maand, worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 35ter, 35ter/1 of 35quater, een nieuwe prijs en vergoedingsbasis vastgesteld worden, met uitzondering van de specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep VII.9 en met uitzondering van de specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis of § 2, eerste en vierde lid, voor zover de bepalingen van deze paragraaf zijn toegepast op deze specialiteiten, verminderd volgens de bepalingen van paragraaf 1 voor wat betreft de prijs en vergoedingsbasis die van toepassing waren vóór de toepassing van de bepaling van het eerste lid.
§ 5. Een uitzondering op de toepassing van paragrafen 1 en 2 wordt eveneens verleend aan de specialiteiten waarvoor de bepalingen van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid werden toegepast vóór 1 januari 2024.
§ 6. Een uitzondering op de toepassing van de eerste paragraaf wordt verleend aan de in artikel 34, eerste lid, 5°, e), bedoelde medische zuurstof.
§ 7. Op 1 januari 2024 worden de prijzen en vergoedingsbasissen van de specialiteiten, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV, en VIII van de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, en bedoeld in artikel 34, lid 1, 5°, c), waarvan de prijs en de vergoedingsbasis werden verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 69 van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, voor 1 januari 2024, verminderd met:
- 0,31 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer lager dan 1,5 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 2,41 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 30 miljoen euro en lager dan 40 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 0,44 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 40 miljoen euro en lager dan 50 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 3,65 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 60 miljoen euro en lager dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022,
- 1,56 % indien het betrokken werkzaam bestanddeel of de combinatie van werkzame bestanddelen een jaarlijks omzetcijfer gelijk aan of hoger dan 70 miljoen euro gegenereerd heeft in 2022.
Het jaarlijks omzetcijfer zoals vermeld in het eerste lid, is het omzetcijfer zoals gedefinieerd in artikel 191, eerste lid, 15° novies.
De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op de specialiteiten bedoeld in artikel 34, lid 1, 5°, c), 2) met hetzelfde werkzame bestanddeel, ingeschreven in de hoofdstukken I, II, IV en VIII van de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 35bis, § 1, na 31 december 2023, op het ogenblik van hun inschrijving in de voormelde lijst, voor zover de bepalingen van dit artikel nog niet zijn toegepast op deze specialiteiten.
Op de toepassing van deze paragraaf wordt een uitzondering toegestaan:
- aan specialiteiten die opgenomen zijn in de vergoedingsgroep I.10.1, I.10.2, VII.9, VII.10 en XXII;
- aan specialiteiten waarvoor artikel 35ter, § 1bis, reeds werd toegepast vóór 1 januari 2024.
Voor de specialiteiten bedoeld in de huidige paragraaf kunnen de aanvragers kiezen om, op 1 januari 2024, de specialiteit van rechtswege en zonder rekening te houden met de procedures bepaald in artikel 35bis, te schrappen uit de lijst van vergoedbare specialiteiten.
§ 8. De verminderingen bedoeld in paragraaf 7 zijn niet van toepassing op de specialiteiten waarvoor de aanvrager heeft aangetoond via mededeling volgens de bepalingen van artikel 72bis, § 1, 8°, dat de prijs en de vergoedingsbasis (niveau buiten bedrijf) berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen die van toepassing zijn op 1 december 2023, reeds lager of gelijk zijn aan de laagste prijs buiten bedrijf voor dezelfde farmaceutische specialiteit, berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzame bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen die van toepassing zijn op 1 juli 2023, binnen het geheel van de Europese landen vermeld in artikel 72bis, § 1, 8°.
Indien ten gevolge van een vermindering in uitvoering van paragraaf 7 de prijs buiten bedrijf berekend per eenheid, per vorm en per sterkte van het werkzaam bestanddeel (of combinatie van werkzame bestanddelen), lager wordt dan de laagste buiten bedrijf prijs van het geheel van de prijzen vermeld in het eerste lid, wordt de daling begrensd tot deze laagste prijs.".
Art.106. Dans la même loi, il est inséré un article 35ter/2 rédigé comme suit:
"Art. 35ter/2. § 1er. Au 1er jour de chaque mois allant du 1er janvier au 30 juin de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, dont chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 20 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 3 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 25 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 3 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 30 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 35 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er jour de chaque mois allant du 1er juillet au 31 décembre de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, dont chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 20 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 3 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 25 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 3 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 30 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 35 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel mentionné aux alinéas précédents, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies.
Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, a déjà été appliqué avant 1er janvier 2024.
§ 2. Au 1er jour de chaque mois, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter, 35ter/1 ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9 et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis ou § 2, alinéas 1er et 4 ou l'article 35ter/1, § 2 ou § 3, alinéas 1er et 4, est d'application, sont diminués conformément aux dispositions du paragraphe 1er pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
§ 3. Le Roi peut exclure du champ d'application du présent article les spécialités pharmaceutiques pour lesquelles le demandeur a démontré que le ou les principe(s) actif(s), tels que repris dans l'Anatomical Therapeutical Chemical Classification établie sous la responsabilité du World Health Organisations Collaborating Center for Drug Statistics Methodology, sont protégés par un brevet ou un certificat complémentaire de protection du brevet, sauf si la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives d'une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) ou 2).
Si les dispositions de l'alinéa 1er sont applicables à une spécialité, les conditionnements importés ou distribués de façon parallèle de cette spécialité sont également exclus du champ d'application du présent article.
§ 4. Le Roi peut exonérer complètement ou partiellement les spécialités de la diminution prévue au paragraphe 1er sur la base du prix de la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif ou combinaison de principes actifs sur la base des prix communiqués selon les dispositions de l'article 72bis, § 1er, 8°.
Au 1er jour de chaque mois, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter, 35ter/1 ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9 et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis ou § 2 alinéas 1 et 4, et pour lesquelles les dispositions du précédent alinéa ont précédemment été appliquées, sont diminués conformément aux dispositions du paragraphe 1er par rapport au prix et à la base de remboursement en vigueur avant l'application des dispositions de l'alinéa 1er.
§ 5. Une exception à l'application des paragraphes 1er et 2 est accordée aux spécialités pour lesquelles les dispositions de l'article 69 de la loi du 27 avril 2005, relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024.
§ 6. Une exception à l'application du § 1er est accordée à l'oxygène médical visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e).
§ 7. Au 1er janvier 2024, les prix et les bases de remboursement des spécialités, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, et visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), dont le prix et la base de remboursement ont été diminués conformément aux dispositions de l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, avant le 1er janvier 2024, sont diminués de:
- 0,31 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 1,5 millions d'euros en 2022,
- 2,41 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2022,
- 0,44 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2022,
- 3,65 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2022,
- 1,56 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 70 millions d'euros en 2022.
Le chiffre d'affaires annuel dont mention à l'alinéa 1er, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies.
Les dispositions du 1er alinéa sont également appliquées aux spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, au moment de leur inscription sur ladite liste, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement I.10.1, I.10.2, VII.9, VII.10 et XXII;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, a déjà été appliqué avant 1er janvier 2024.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions du présent paragraphe, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er janvier 2024 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
§ 8. Les réductions visées au § 7, ne s'appliquent pas aux spécialités pour lesquelles le demandeur a démontré par communication selon les dispositions de l'article 72bis, § 1er, 8°, que le prix et la base de remboursement (niveau ex usine) calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif ou combinaison de principes actifs qui sont d'application au 1er décembre 2023, sont déjà inférieurs ou égaux au prix ex usine le plus bas pour la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), qui est d'application au 1er juillet 2023, dans l'ensemble des pays européens mentionnés à l'article 72bis, § 1er, 8°.
Si suite à une diminution en exécution du § 7, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), devient inférieur au prix ex usine le plus bas de l'ensemble des prix mentionnés à l'alinéa 1er, la diminution est limitée à ce prix plancher.".
"Art. 35ter/2. § 1er. Au 1er jour de chaque mois allant du 1er janvier au 30 juin de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, dont chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 20 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 3 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 25 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 3 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 30 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
- 35 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros pendant l'année "t-2",
pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Au 1er jour de chaque mois allant du 1er juillet au 31 décembre de l'année "t", les prix et les bases de remboursement des spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, dont chaque principe actif apparaît dans une spécialité qui a été remboursable pour la première fois il y a plus de douze ans, sont diminués de:
- 20 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 3 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 25 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 3 millions d'euros et inférieur à 30 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 30 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
- 35 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros pendant l'année "t-1",
pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Le chiffre d'affaires annuel mentionné aux alinéas précédents, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies.
Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, a déjà été appliqué avant 1er janvier 2024.
§ 2. Au 1er jour de chaque mois, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter, 35ter/1 ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9 et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis ou § 2, alinéas 1er et 4 ou l'article 35ter/1, § 2 ou § 3, alinéas 1er et 4, est d'application, sont diminués conformément aux dispositions du paragraphe 1er pour autant que les dispositions du présent article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
§ 3. Le Roi peut exclure du champ d'application du présent article les spécialités pharmaceutiques pour lesquelles le demandeur a démontré que le ou les principe(s) actif(s), tels que repris dans l'Anatomical Therapeutical Chemical Classification établie sous la responsabilité du World Health Organisations Collaborating Center for Drug Statistics Methodology, sont protégés par un brevet ou un certificat complémentaire de protection du brevet, sauf si la ou les principales substances actives sont différents sels, esters, éthers, isomères, mélanges d'isomères, complexes ou dérivés de la ou des principales substances actives d'une spécialité visée à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1) ou 2).
Si les dispositions de l'alinéa 1er sont applicables à une spécialité, les conditionnements importés ou distribués de façon parallèle de cette spécialité sont également exclus du champ d'application du présent article.
§ 4. Le Roi peut exonérer complètement ou partiellement les spécialités de la diminution prévue au paragraphe 1er sur la base du prix de la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif ou combinaison de principes actifs sur la base des prix communiqués selon les dispositions de l'article 72bis, § 1er, 8°.
Au 1er jour de chaque mois, les prix et bases de remboursement des spécialités, visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, pour lesquelles un nouveau prix et une nouvelle base de remboursement sont fixés, conformément aux dispositions de l'article 35ter, 35ter/1 ou 35quater, à l'exception des spécialités reprises dans le groupe de remboursement VII.9 et à l'exception des spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis ou § 2 alinéas 1 et 4, et pour lesquelles les dispositions du précédent alinéa ont précédemment été appliquées, sont diminués conformément aux dispositions du paragraphe 1er par rapport au prix et à la base de remboursement en vigueur avant l'application des dispositions de l'alinéa 1er.
§ 5. Une exception à l'application des paragraphes 1er et 2 est accordée aux spécialités pour lesquelles les dispositions de l'article 69 de la loi du 27 avril 2005, relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, ont été appliquées avant le 1er janvier 2024.
§ 6. Une exception à l'application du § 1er est accordée à l'oxygène médical visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e).
§ 7. Au 1er janvier 2024, les prix et les bases de remboursement des spécialités, inscrites aux chapitres Ier, II, IV, et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables visée à l'article 35bis, § 1er, et visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), dont le prix et la base de remboursement ont été diminués conformément aux dispositions de l'article 69 de la loi du 27 avril 2005 relative à la maîtrise du budget des soins de santé et portant diverses dispositions en matière de santé, avant le 1er janvier 2024, sont diminués de:
- 0,31 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel inférieur à 1,5 millions d'euros en 2022,
- 2,41 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 30 millions d'euros et inférieur à 40 millions d'euros en 2022,
- 0,44 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 40 millions d'euros et inférieur à 50 millions d'euros en 2022,
- 3,65 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 60 millions d'euros et inférieur à 70 millions d'euros en 2022,
- 1,56 % si ledit principe actif ou la combinaison de principes actifs a généré un chiffre d'affaires annuel supérieur ou égal à 70 millions d'euros en 2022.
Le chiffre d'affaires annuel dont mention à l'alinéa 1er, est le chiffre d'affaires tel que défini à l'article 191, alinéa 1er, 15° novies.
Les dispositions du 1er alinéa sont également appliquées aux spécialités visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), contenant le même principe actif, inscrites aux chapitres Ier, II, IV et VIII de la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables, visée à l'article 35bis, § 1er, après le 31 décembre 2023, au moment de leur inscription sur ladite liste, pour autant que les dispositions dudit article n'ont pas encore été appliquées à ces spécialités.
Une exception à l'application du présent paragraphe est accordée:
- aux spécialités reprises dans le groupe de remboursement I.10.1, I.10.2, VII.9, VII.10 et XXII;
- aux spécialités pour lesquelles l'article 35ter, § 1erbis, a déjà été appliqué avant 1er janvier 2024.
Pour les spécialités concernées par l'application des dispositions du présent paragraphe, les demandeurs peuvent opter pour supprimer de plein droit la spécialité de la liste des spécialités remboursables au 1er janvier 2024 et sans tenir compte des procédures fixées dans l'article 35bis.
§ 8. Les réductions visées au § 7, ne s'appliquent pas aux spécialités pour lesquelles le demandeur a démontré par communication selon les dispositions de l'article 72bis, § 1er, 8°, que le prix et la base de remboursement (niveau ex usine) calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif ou combinaison de principes actifs qui sont d'application au 1er décembre 2023, sont déjà inférieurs ou égaux au prix ex usine le plus bas pour la même spécialité pharmaceutique, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), qui est d'application au 1er juillet 2023, dans l'ensemble des pays européens mentionnés à l'article 72bis, § 1er, 8°.
Si suite à une diminution en exécution du § 7, calculé par unité, par forme et par dosage du principe actif (ou combinaison de principes actifs), devient inférieur au prix ex usine le plus bas de l'ensemble des prix mentionnés à l'alinéa 1er, la diminution est limitée à ce prix plancher.".
Art.107. In artikel 35quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 april 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2005, 13 december 2006 en 23 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "artikel 35ter" telkens vervangen door de woorden "artikelen 35ter en 35ter/1";
2° in lid 2 worden in de Franse tekst de woorden "de l'article 35ter et 35quater" vervangen door de woorden "de l'article 35ter et de l'article 35quater";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De bepalingen van artikel 35ter/1 en van artikel 35quater kunnen niet op eenzelfde specialiteit worden toegepast.".
1° in het eerste lid worden de woorden "artikel 35ter" telkens vervangen door de woorden "artikelen 35ter en 35ter/1";
2° in lid 2 worden in de Franse tekst de woorden "de l'article 35ter et 35quater" vervangen door de woorden "de l'article 35ter et de l'article 35quater";
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De bepalingen van artikel 35ter/1 en van artikel 35quater kunnen niet op eenzelfde specialiteit worden toegepast.".
Art.107. Dans l'article 35quater de la même loi, inséré par la loi du 27 avril 2005 et modifié par les lois des 27 décembre 2005, 13 décembre 2006 et 23 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l`alinéa 1er, les mots "à l'article 35ter" sont chaque fois remplacés par les mots "aux articles 35ter et 35ter/1";
2° dans l`alinéa 2, les mots "de l'article 35ter et 35quater" sont remplacés par les mots "de l'article 35ter et de l'article 35quater" dans le texte en français;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les dispositions de l'article 35ter/1 et de l'article 35quater ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.".
1° dans l`alinéa 1er, les mots "à l'article 35ter" sont chaque fois remplacés par les mots "aux articles 35ter et 35ter/1";
2° dans l`alinéa 2, les mots "de l'article 35ter et 35quater" sont remplacés par les mots "de l'article 35ter et de l'article 35quater" dans le texte en français;
3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les dispositions de l'article 35ter/1 et de l'article 35quater ne peuvent pas être appliquées à une même spécialité.".
Art.108. Artikel 35quater/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, wordt opgeheven.
Art.108. L'article 35quater/1 de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2017 et modifié par la loi du 4 mai 2020, est abrogé.
Art.109. Artikel 35quater/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 april 2019 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2020, wordt opgeheven.
Art.109. L'article 35quater/2 de la même loi, inséré par la loi du 1er avril 2019 et modifié par la loi du 4 mai 2020, est abrogé.
Art.110. In artikel 37, § 3/2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 7 april 2019, wordt het vierde lid vervangen als volgt:
"De toepassing van dit artikel kan geen afbreuk doen aan de toepassing van de dalingen van de prijs en/of de basis van tegemoetkoming zoals vermeld in artikel 35ter, 35ter/1, 35ter/2 of 35quater.".
"De toepassing van dit artikel kan geen afbreuk doen aan de toepassing van de dalingen van de prijs en/of de basis van tegemoetkoming zoals vermeld in artikel 35ter, 35ter/1, 35ter/2 of 35quater.".
Art.110. Dans l'article 37, § 3/2, de la même loi, remplacé par la loi du 7 avril 2019, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit:
"L'application de cet article ne peut porter préjudice à l'application des baisses de prix et/ou de la base de remboursement telles que visées aux articles 35ter, 35ter/1, 35ter/2 ou 35quater.".
"L'application de cet article ne peut porter préjudice à l'application des baisses de prix et/ou de la base de remboursement telles que visées aux articles 35ter, 35ter/1, 35ter/2 ou 35quater.".
Art.111. In artikel 71ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd bij de wetten van 25 december 2016, 25 december 2017, 1 april 2019 en 21 juni 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 worden tussen het derde en het vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:
"Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter/1, § 1, eerste lid, van toepassing is, eventueel met de toepassing van artikel 35quater, en voor de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevatten, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.
Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter/1, § 2 van toepassing is, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.";
2° in paragraaf 3 wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter, § 1bis van toepassing is, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.".
1° in paragraaf 2 worden tussen het derde en het vierde lid twee leden ingevoegd, luidende:
"Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter/1, § 1, eerste lid, van toepassing is, eventueel met de toepassing van artikel 35quater, en voor de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, die hetzelfde werkzaam bestanddeel of dezelfde werkzame bestanddelen bevatten, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.
Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter/1, § 2 van toepassing is, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.";
2° in paragraaf 3 wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Vanaf 1 januari 2024 wordt de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor vergoedbare farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter, § 1bis van toepassing is, afgeleverd door een ziekenhuisapotheek, verminderd met 15 %.".
Art.111. Dans l'article 71ter de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifié par les lois du 25 décembre 2016, 25 décembre 2017, 1er avril 2019 et 21 juin 2021, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 3 et 4:
"A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter/1, § 1er, alinéa 1er, est applicable, ou le cas échéant par application de l'article 35quater, et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui contiennent le même principe actif ou les mêmes principes actifs, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.
A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter/1, § 2, est applicable, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.";
2° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 4 et 5:
"A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter, § 1erbis, est applicable, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.".
1° dans le paragraphe 2, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 3 et 4:
"A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter/1, § 1er, alinéa 1er, est applicable, ou le cas échéant par application de l'article 35quater, et les spécialités pharmaceutiques autorisées conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, qui contiennent le même principe actif ou les mêmes principes actifs, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.
A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter/1, § 2, est applicable, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.";
2° dans le paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 4 et 5:
"A partir du 1er janvier 2024, l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les spécialités pharmaceutiques remboursables visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter, § 1erbis, est applicable, délivrées par une officine hospitalière, est diminuée de 15 %.".
Art.112. In artikel 72bis, § 1bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2008 en gewijzigd bij de wetten van 10 april 2014, 22 juni 2016 en 20 december 2019, worden het eerste, tweede en derde lid vervangen als volgt:
" § 1bis. Indien de aanvrager niet in staat is om de in § 1, eerste lid, 1°, bedoelde verplichting na te komen en indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op de inwerkingtreding van de terugbetaling.
De aanvrager die niet in staat is om de verplichting bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, na te komen, informeert overeenkomstig § 1, eerste lid, 7°, het FAGG dat hij die plicht niet zal kunnen naleven, met opgave van de begindatum, de vermoedelijke einddatum en de reden voor de onbeschikbaarheid. Indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op het begin van de onbeschikbaarheid.
Indien de dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut geïnformeerd wordt over de onbeschikbaarheid van een farmaceutische specialiteit anders dan door de aanvrager of desgevallend het FAGG, brengt de dienst hiervan onmiddellijk het FAGG op de hoogte en vraagt de dienst bevestiging aan de aanvrager dat de farmaceutische specialiteit daadwerkelijk onbeschikbaar is. De aanvrager beschikt over een termijn van 14 dagen vanaf de ontvangst van deze vraag om de onbeschikbaarheid te bevestigen of te ontkrachten. Indien de aanvrager de onbeschikbaarheid ontkracht, brengt hij de dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut per aangetekende zending tegen ontvangstbewijs op de hoogte en voegt hij bewijsstukken bij zijn zending die aantonen dat de farmaceutische specialiteit beschikbaar is. Indien de aanvrager de onbeschikbaarheid bevestigt, deelt hij dit mee aan het FAGG overeenkomstig § 1, eerste lid, 7°, en geeft hij de begindatum, de vermoedelijke einddatum en de reden voor de onbeschikbaarheid op. Indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op het begin van de onbeschikbaarheid. Indien de aanvrager niet binnen de vastgestelde termijn antwoordt, of indien de geleverde elementen niet toelaten om de beschikbaarheid met zekerheid vast te stellen, wordt de specialiteit echter zo snel mogelijk geschrapt uit de lijst, van rechtswege en zonder rekening te houden met de bij artikel 35bis bepaalde procedures.".
" § 1bis. Indien de aanvrager niet in staat is om de in § 1, eerste lid, 1°, bedoelde verplichting na te komen en indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op de inwerkingtreding van de terugbetaling.
De aanvrager die niet in staat is om de verplichting bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, na te komen, informeert overeenkomstig § 1, eerste lid, 7°, het FAGG dat hij die plicht niet zal kunnen naleven, met opgave van de begindatum, de vermoedelijke einddatum en de reden voor de onbeschikbaarheid. Indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op het begin van de onbeschikbaarheid.
Indien de dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut geïnformeerd wordt over de onbeschikbaarheid van een farmaceutische specialiteit anders dan door de aanvrager of desgevallend het FAGG, brengt de dienst hiervan onmiddellijk het FAGG op de hoogte en vraagt de dienst bevestiging aan de aanvrager dat de farmaceutische specialiteit daadwerkelijk onbeschikbaar is. De aanvrager beschikt over een termijn van 14 dagen vanaf de ontvangst van deze vraag om de onbeschikbaarheid te bevestigen of te ontkrachten. Indien de aanvrager de onbeschikbaarheid ontkracht, brengt hij de dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut per aangetekende zending tegen ontvangstbewijs op de hoogte en voegt hij bewijsstukken bij zijn zending die aantonen dat de farmaceutische specialiteit beschikbaar is. Indien de aanvrager de onbeschikbaarheid bevestigt, deelt hij dit mee aan het FAGG overeenkomstig § 1, eerste lid, 7°, en geeft hij de begindatum, de vermoedelijke einddatum en de reden voor de onbeschikbaarheid op. Indien de onbeschikbaarheid blijft duren, wordt de betrokken specialiteit van rechtswege geschrapt van de lijst op de eerste dag van de zesendertigste maand volgend op het begin van de onbeschikbaarheid. Indien de aanvrager niet binnen de vastgestelde termijn antwoordt, of indien de geleverde elementen niet toelaten om de beschikbaarheid met zekerheid vast te stellen, wordt de specialiteit echter zo snel mogelijk geschrapt uit de lijst, van rechtswege en zonder rekening te houden met de bij artikel 35bis bepaalde procedures.".
Art.112. Dans l'article 72bis, § 1erbis, de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2008 et modifié par les lois des 10 avril 2014, 22 juin 2016 et 20 décembre 2019, les alinéas 1er, 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit:
" § 1erbis. Si le demandeur n'est pas en mesure de satisfaire à l'obligation visée au § 1er, alinéa 1er, 1°, et si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date d'entrée en vigueur du remboursement.
Le demandeur qui n'est pas en mesure de satisfaire à l'obligation visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, en informe l'AFMPS, conformément au § 1er, alinéa 1er, 7°, en précisant la date de début, la date présumée de fin et la raison de l'indisponibilité. Si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date du début de l'indisponibilité.
Si le service des soins de santé de l'Institut est informé de l'indisponibilité d'une spécialité pharmaceutique autrement que par le demandeur ou le cas échéant l'AFMPS, le service en informe immédiatement l'AFMPS et il demande confirmation au demandeur que la spécialité pharmaceutique est effectivement indisponible. Le demandeur dispose d'un délai de 14 jours à partir de la réception de cette demande pour confirmer ou infirmer l'indisponibilité. Si le demandeur infirme l'indisponibilité, il en informe le service des soins de santé de l'Institut par envoi recommandé avec accusé de réception et il joint à son envoi les éléments probants qui attestent que la spécialité pharmaceutique est disponible. Si le demandeur confirme l'indisponibilité, il en informe l'AFMPS conformément au § 1er, alinéa 1er, 7°, et il précise la date de début, la date présumée de fin et la raison de l'indisponibilité. Si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date du début de l'indisponibilité. Par contre, si le demandeur ne répond pas dans le délai imparti, ou si les éléments qu'il fournit ne permettent pas d'établir avec certitude la disponibilité de la spécialité pharmaceutique, la spécialité est supprimée le plus rapidement possible de la liste, de plein droit et sans tenir compte des procédures prévues à l'article 35bis.".
" § 1erbis. Si le demandeur n'est pas en mesure de satisfaire à l'obligation visée au § 1er, alinéa 1er, 1°, et si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date d'entrée en vigueur du remboursement.
Le demandeur qui n'est pas en mesure de satisfaire à l'obligation visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, en informe l'AFMPS, conformément au § 1er, alinéa 1er, 7°, en précisant la date de début, la date présumée de fin et la raison de l'indisponibilité. Si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date du début de l'indisponibilité.
Si le service des soins de santé de l'Institut est informé de l'indisponibilité d'une spécialité pharmaceutique autrement que par le demandeur ou le cas échéant l'AFMPS, le service en informe immédiatement l'AFMPS et il demande confirmation au demandeur que la spécialité pharmaceutique est effectivement indisponible. Le demandeur dispose d'un délai de 14 jours à partir de la réception de cette demande pour confirmer ou infirmer l'indisponibilité. Si le demandeur infirme l'indisponibilité, il en informe le service des soins de santé de l'Institut par envoi recommandé avec accusé de réception et il joint à son envoi les éléments probants qui attestent que la spécialité pharmaceutique est disponible. Si le demandeur confirme l'indisponibilité, il en informe l'AFMPS conformément au § 1er, alinéa 1er, 7°, et il précise la date de début, la date présumée de fin et la raison de l'indisponibilité. Si l'indisponibilité se maintient, la spécialité concernée est supprimée de plein droit de la liste le premier jour du trente-sixième mois qui suit la date du début de l'indisponibilité. Par contre, si le demandeur ne répond pas dans le délai imparti, ou si les éléments qu'il fournit ne permettent pas d'établir avec certitude la disponibilité de la spécialité pharmaceutique, la spécialité est supprimée le plus rapidement possible de la liste, de plein droit et sans tenir compte des procédures prévues à l'article 35bis.".
Art.113. In artikel 73, § 2, derde lid, 2°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 juni 2021, worden de woorden "artikel 30, § 3, van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen" vervangen door de woorden "artikel 35ter/1".
Art.113. Dans l'article 73, § 2, alinéa 3, 2°, de la même loi, remplacé par la loi du 21 juin 2021, les mots "l'article 30, § 3, de la loi du 30 juillet 2013 portant des dispositions diverses" sont remplacés par les mots "l'article 35ter/1".
Art.114. In artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2020, wordt het zevende lid vervangen als volgt:
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen, of en desgevallend in welke mate, de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter, § 1 en § 3, eerste lid, 1°, of artikel 35ter/1, § 1 en § 4, eerste lid, 1°, eventueel met de toepassing van artikel 35quater, van toepassing is alsook de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), en de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen, voor zover deze farmaceutische specialiteiten behoren tot de groep van de goedkoopste specialiteiten bepaald bij artikel 73, § 2, derde lid, 1°, uitgezonderd worden van de in het eerste lid bedoelde compenserende heffing.".
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen, of en desgevallend in welke mate, de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 1), voor dewelke artikel 35ter, § 1 en § 3, eerste lid, 1°, of artikel 35ter/1, § 1 en § 4, eerste lid, 1°, eventueel met de toepassing van artikel 35quater, van toepassing is alsook de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), 2), en de farmaceutische specialiteiten, vergund overeenkomstig artikel 6bis, § 1, achtste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met hetzelfde werkzaam bestanddeel of combinatie van werkzame bestanddelen, voor zover deze farmaceutische specialiteiten behoren tot de groep van de goedkoopste specialiteiten bepaald bij artikel 73, § 2, derde lid, 1°, uitgezonderd worden van de in het eerste lid bedoelde compenserende heffing.".
Art.114. Dans l'article 191, alinéa 1er, 15° quaterdecies, inséré par la loi du 4 mai 2020, l'alinéa 7 est remplacé par ce qui suit:
"Le Roi peut décider, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, s'il y a lieu et, le cas échéant, dans quelle mesure, d'exonérer les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter, § 1er et § 3, alinéa 1er, 1°, ou l'article 35ter/1 § 1er, et § 4, alinéa 1er, 1°, le cas échéant par application de l'article 35quater, est applicable, ainsi que les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), et les spécialités pharmaceutiques autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, pour autant que ces spécialités pharmaceutiques appartiennent au groupe des spécialités les moins chères tel que défini par l'article 73, § 2, alinéa 3, 1°. ".
"Le Roi peut décider, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, s'il y a lieu et, le cas échéant, dans quelle mesure, d'exonérer les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 1), auxquelles l'article 35ter, § 1er et § 3, alinéa 1er, 1°, ou l'article 35ter/1 § 1er, et § 4, alinéa 1er, 1°, le cas échéant par application de l'article 35quater, est applicable, ainsi que les spécialités pharmaceutiques visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, c), 2), et les spécialités pharmaceutiques autorisée conformément à l'article 6bis, § 1er, alinéa 8, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, contenant le même principe actif ou la même combinaison de principes actifs, pour autant que ces spécialités pharmaceutiques appartiennent au groupe des spécialités les moins chères tel que défini par l'article 73, § 2, alinéa 3, 1°. ".
Art.115. Artikel 30 van de wet van 30 juli 2013, vervangen bij de wet van 21 juni 2021, wordt opgeheven.
Art.115. L'article 30 de la loi du 30 juillet 2013, remplacé par la loi du 21 juin 2021, est abrogé.
Art.116. Artikel 69 van de wet van 27 april 2005, vervangen bij de wet van 21 juni 2021 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, wordt opgeheven.
Art.116. L'article 69 de la loi du 27 avril 2005, remplacé par la loi du 21 juin 2021 et modifié par la loi du 26 décembre 2022, est abrogé.
Art.117. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.117. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2024.
Afdeling 2. - Tarifering per eenheid
Section 2. - Tarification par unité
Art.118. In artikel 37 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 2023, wordt een paragraaf 3/4 ingevoegd, luidende:
" § 3/4. Voor de geneesmiddelen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, a), b), en c), die onderworpen zijn aan een verplichte fractionering en aflevering van het exact aantal voorgeschreven eenheden, overeenkomstig de artikelen 3, § 2 en 12bis, § 1, derde lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, en de uitvoeringsbesluiten daarvan, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, in bijzondere regels voorzien met betrekking tot de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging en het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden.
Voor de kosten van de voornoemde geneesmiddelen mogen geen andere bedragen ten laste van de rechthebbenden worden aangerekend dan het persoonlijk aandeel zoals het door de Koning is vastgesteld.".
" § 3/4. Voor de geneesmiddelen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, a), b), en c), die onderworpen zijn aan een verplichte fractionering en aflevering van het exact aantal voorgeschreven eenheden, overeenkomstig de artikelen 3, § 2 en 12bis, § 1, derde lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, en de uitvoeringsbesluiten daarvan, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, in bijzondere regels voorzien met betrekking tot de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging en het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden.
Voor de kosten van de voornoemde geneesmiddelen mogen geen andere bedragen ten laste van de rechthebbenden worden aangerekend dan het persoonlijk aandeel zoals het door de Koning is vastgesteld.".
Art.118. Dans l'article 37 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 6 novembre 2023, il est inséré un paragraphe 3/4, rédigé comme suit:
" § 3/4. Pour les médicaments visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, a), b) et c), qui font l'objet d'un fractionnement et une délivrance obligatoires du nombre exact d'unités prescrites, conformément aux articles 3, § 2 et 12bis, § 1er, alinéa 3, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et ses arrêtés d'exécution, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prévoir des règles particulières pour l'intervention de l'assurance soins de santé et l'intervention personnelle des bénéficiaires.
Pour le coût des médicaments susvisés, aucun montant autre que l'intervention personnelle fixée par le Roi ne peut être porté en compte aux bénéficiaires.".
" § 3/4. Pour les médicaments visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, a), b) et c), qui font l'objet d'un fractionnement et une délivrance obligatoires du nombre exact d'unités prescrites, conformément aux articles 3, § 2 et 12bis, § 1er, alinéa 3, de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments et ses arrêtés d'exécution, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prévoir des règles particulières pour l'intervention de l'assurance soins de santé et l'intervention personnelle des bénéficiaires.
Pour le coût des médicaments susvisés, aucun montant autre que l'intervention personnelle fixée par le Roi ne peut être porté en compte aux bénéficiaires.".
Afdeling 3. - Heffingen op de omzet
Section 3. - Cotisations sur le chiffre d'affaires
Art.119. In artikel 191, eerste lid, 15° novies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2024 is verwezenlijkt.";
2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden "en vóór 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt" vervangen door de woorden ", vóór 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt en voor 1 mei 2025 voor de omzet die in 2024 is verwezenlijkt";
3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden "en de heffing op de omzet 2023" vervangen door de woorden ", de heffing op de omzet 2023 en de heffing op de omzet 2024";
4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2024 en 1 juni 2025 op de rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2024" en "saldo heffing omzet 2024".";
5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2023 is verwezenlijkt.";
6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2024 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2024.".
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2024 is verwezenlijkt.";
2° in het vijfde lid, laatste zin, worden de woorden "en vóór 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt" vervangen door de woorden ", vóór 1 mei 2024 voor de omzet die in 2023 is verwezenlijkt en voor 1 mei 2025 voor de omzet die in 2024 is verwezenlijkt";
3° in het zevende lid, eerste zin, worden de woorden "en de heffing op de omzet 2023" vervangen door de woorden ", de heffing op de omzet 2023 en de heffing op de omzet 2024";
4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden voor 1 juni 2024 en 1 juni 2025 op de rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding van respectievelijk "voorschot heffing omzet 2024" en "saldo heffing omzet 2024".";
5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2023 is verwezenlijkt.";
6° het zeventiende lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de omzet 2024 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2024.".
Art.119. A l'article 191, alinéa 1er, 15° novies, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024.";
2° dans l'alinéa 5, dernière phrase, les mots "et avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023" sont remplacés par les mots ", avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023 et avant le 1er mai 2025 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024";
3° dans l'alinéa 7, dans la première phrase, les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023" sont remplacés par les mots ", la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023 et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2024";
4° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2024 et le 1er juin 2025 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2024" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2024".";
5° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2023.";
6° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2024 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2024.".
1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, le montant de cette cotisation est fixé à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024.";
2° dans l'alinéa 5, dernière phrase, les mots "et avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023" sont remplacés par les mots ", avant le 1er mai 2024 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2023 et avant le 1er mai 2025 pour le chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024";
3° dans l'alinéa 7, dans la première phrase, les mots "et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023" sont remplacés par les mots ", la cotisation sur le chiffre d'affaires 2023 et la cotisation sur le chiffre d'affaires 2024";
4° l'alinéa 8 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, l'avance et le solde visés au précédent alinéa doivent être versés respectivement avant le 1er juin 2024 et le 1er juin 2025 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en indiquant respectivement la mention "avance cotisation chiffre d'affaires 2024" et "solde cotisation chiffre d'affaires 2024".";
5° l'alinéa 10 est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024 l'avance précitée est fixée à 6,73 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé dans l'année 2023.";
6° l'alinéa 17 est complété par la phrase suivante:
"Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chiffre d'affaires 2024 seront inscrites dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé de l'exercice 2024.".
Art.120. Artikel 191, eerste lid, 15° duodecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2024 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.".
"Voor 2024 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2024 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2023 is verwezenlijkt.".
Art.120. L'article 191, alinéa 1er, 15° duodecies, alinéa 5, de la même loi, inséré par la loi du 23 décembre 2009 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2023.".
"Pour 2024, le montant de cette cotisation est fixé à 1 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 2024 et l'avance concernée est fixée à 1 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2023.".
Art.121. Artikel 191, eerste lid, 15° terdecies, vijfde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, wordt aangevuld met de volgende zinnen:
"Voor het jaar 2024 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van meer dan 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2024 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2024.".
"Voor het jaar 2024 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van meer dan 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2024 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2024.".
Art.121. L'article 191, alinéa 1er, 15° terdecies, alinéa 5, de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 2013 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, est complété par les phrases suivantes:
"Pour l'année 2024, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions d'euros, 3 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de plus de 1,5 à 3 millions d'euros et à 5 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions d'euros. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2024, sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2024.".
"Pour l'année 2024, les pourcentages de cette cotisation orpheline s'élèvent à 0 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de 0 à 1,5 millions d'euros, 3 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires allant de plus de 1,5 à 3 millions d'euros et à 5 p.c. pour la tranche du chiffre d'affaires qui est supérieure à 3 millions d'euros. Les pourcentages, appliqués aux différents paliers pour constituer l'avance 2024, sont identiques à ceux fixés pour la cotisation orpheline 2024.".
Afdeling 4. - Bijdrage op marketing
Section 4. - Contribution sur le marketing
Art.122. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023, en verwezenlijkt in 2024, voor het jaar 2024";
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het voorschot 2024, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2023 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2024 gestort op de rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2024" en het saldo wordt vóór 1 juni 2025 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2024".";
4° in het vijfde lid worden de woorden "en in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023"; vervangen door de woorden "in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023, en in het boekjaar 2024, voor de bijdrage 2024".
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Voor 2024 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
2° in het tweede lid worden de woorden "en verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023" vervangen door de woorden "verwezenlijkt in 2023, voor het jaar 2023, en verwezenlijkt in 2024, voor het jaar 2024";
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het voorschot 2024, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2023 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2024 gestort op de rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2024" en het saldo wordt vóór 1 juni 2025 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2024".";
4° in het vijfde lid worden de woorden "en in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023"; vervangen door de woorden "in het boekjaar 2023, voor de bijdrage 2023, en in het boekjaar 2024, voor de bijdrage 2024".
Art.122. A l'article 191, alinéa 1er, 31°, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et réalisé en 2023, pour l'année 2023" sont remplacés par les mots "réalisé en 2023, pour l'année 2023, et réalisé en 2024, pour l'année 2024 ";
3° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"L'acompte 2024, fixé à 0,13 % du chiffre d'affaires réalisé en 2023, est versé avant le 1er juin 2024 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2024" et le solde est versé avant le 1er juin 2025 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2024". ";
4° dans l'alinéa 5, les mots "et pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023" sont remplacés par les mots "pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023, et pour l'année comptable 2024, pour ce qui concerne la contribution 2024".
1° l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
"Pour 2024, la contribution compensatoire est maintenue.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "et réalisé en 2023, pour l'année 2023" sont remplacés par les mots "réalisé en 2023, pour l'année 2023, et réalisé en 2024, pour l'année 2024 ";
3° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante:
"L'acompte 2024, fixé à 0,13 % du chiffre d'affaires réalisé en 2023, est versé avant le 1er juin 2024 sur le compte de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention "Acompte contribution compensatoire 2024" et le solde est versé avant le 1er juin 2025 sur ce même compte avec la mention "Solde contribution compensatoire 2024". ";
4° dans l'alinéa 5, les mots "et pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023" sont remplacés par les mots "pour l'année comptable 2023, pour ce qui concerne la contribution 2023, et pour l'année comptable 2024, pour ce qui concerne la contribution 2024".
Afdeling 5. - RIZIV farmaceutische taksmodulatie
Section 5. - Modulation des taxes pharmaceutiques INAMI
Art.123. In artikel 191quinquies, zevende lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 oktober 2018 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2022, worden de woorden "tot en met het geboekte jaar 2023" vervangen door de woorden "tot en met het geboekte jaar 2026".
Art.123. Dans l'article 191quinquies, alinéa 7, de la même loi, inséré par la loi du 30 octobre 2018 et modifié par la loi du 26 décembre 2022, les mots "jusqu'à l'année comptable 2023" sont remplacés par les mots "jusqu'à l'année comptable 2026".
HOOFDSTUK 2. - Gezondheidszorg
CHAPITRE 2. - Soins de santé
Afdeling 1. - Maximumtarieven
Section 1re. - Tarifs maximums
Art.124. Artikel 37, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 2023, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Voor uitneembare prothesen die worden verleend aan de in paragraaf 19 bedoelde rechthebbenden van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming wordt de verzekeringstegemoetkoming voor het bedrag van de maximale overschrijdingen van de honoraria, vastgesteld in het in artikel 50 bedoelde akkoord tussen de tandheelkundigen en de verzekeringsinstellingen, vastgesteld op 100 procent.".
"Voor uitneembare prothesen die worden verleend aan de in paragraaf 19 bedoelde rechthebbenden van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming wordt de verzekeringstegemoetkoming voor het bedrag van de maximale overschrijdingen van de honoraria, vastgesteld in het in artikel 50 bedoelde akkoord tussen de tandheelkundigen en de verzekeringsinstellingen, vastgesteld op 100 procent.".
Art.124. L'article 37, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 6 novembre 2023, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Pour les prothèses amovibles fournies aux bénéficiaires de l'intervention majorée de l'assurance visée au § 19, l'intervention de l'assurance est fixée à 100 % du montant des dépassements d'honoraires maximums, fixé dans l'accord entre les praticiens de l'art dentaire et les organismes assureurs visé à l'article 50.".
"Pour les prothèses amovibles fournies aux bénéficiaires de l'intervention majorée de l'assurance visée au § 19, l'intervention de l'assurance est fixée à 100 % du montant des dépassements d'honoraires maximums, fixé dans l'accord entre les praticiens de l'art dentaire et les organismes assureurs visé à l'article 50.".
Art.125. In artikel 37sexies van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 november 2021, wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Wordt eveneens beschouwd als een persoonlijk aandeel, het bedrag van de maximale overschrijdingen van de honoraria, vastgesteld in het in artikel 50 bedoelde akkoord tussen de tandheelkundigen en de verzekeringsinstellingen, voor uitneembare prothesen.".
"Wordt eveneens beschouwd als een persoonlijk aandeel, het bedrag van de maximale overschrijdingen van de honoraria, vastgesteld in het in artikel 50 bedoelde akkoord tussen de tandheelkundigen en de verzekeringsinstellingen, voor uitneembare prothesen.".
Art.125. Dans l'article 37sexies de la même loi, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 21 novembre 2021, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 5 et 6:
"Est également considéré comme une intervention personnelle, le montant des dépassements d'honoraires maximums, fixé dans l'accord entre les praticiens de l'art dentaire et les organismes assureurs visé à l'article 50, pour les prothèses amovibles.".
"Est également considéré comme une intervention personnelle, le montant des dépassements d'honoraires maximums, fixé dans l'accord entre les praticiens de l'art dentaire et les organismes assureurs visé à l'article 50, pour les prothèses amovibles.".
Art.126. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.126. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2024.
Afdeling 2. - Opmaken van de begroting voor geneeskundige verzorging
Section 2. - De l'établissement du budget des soins de santé
Art.127. In artikel 40, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, wordt het woord "juni" vervangen door het woord "augustus".
Art.127. Dans l'article 40, § 4, de la même loi, introduit par l'arrêté royal du 25 avril 1997, les mots "de juin" sont remplacés par les mots "d'août".
Afdeling 3. - Betrekkingen met de tandheelkundigen
Section 3. - Des rapports avec les praticiens de l'art dentaire
Art.128. In artikel 50, § 6, tweede lid, laatste zin, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 mei 2022, wordt het getal "2025" vervangen door het getal "2028".
Art.128. A l'article 50, § 6, alinéa 2, dernière phrase, de la même loi, inséré par la loi du 18 mai 2022, le nombre "2025" est remplacé par le nombre "2028".
Art.129. In artikel 63 van de wet van 18 mei 2022 houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het getal "80" wordt vervangen door het getal "62";
2° het getal "2025" wordt vervangen door het getal "2028".
1° het getal "80" wordt vervangen door het getal "62";
2° het getal "2025" wordt vervangen door het getal "2028".
Art.129. A l'article 63 de la loi du 18 mai 2022 portant des dispositions diverses urgentes en matière de santé, les modifications suivantes sont apportées:
1° le nombre "80" est remplacé par le nombre "62";
2° le nombre "2025" est remplacé par le nombre "2028".
1° le nombre "80" est remplacé par le nombre "62";
2° le nombre "2025" est remplacé par le nombre "2028".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 9 december 2019 tot oprichting van een Zorgpersoneelfonds
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 9 décembre 2019 portant création d'un Fonds Blouses blanches
Art.130. In de wet van 9 december 2019 tot oprichting van een Zorgpersoneelfonds, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 mei 2021, wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende:
"Art. 4bis. § 1. Het deel van de middelen dat ingevolge deze wet is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen wordt, conform artikel 85, § 1, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, elk jaar geïndexeerd.
§ 2. Voor het jaar 2024, worden de middelen, behalve het deel van de middelen dat is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, met 6,05 % geïndexeerd.
Vanaf 2025 bepaalt de Koning ieder jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indexering van de in deze paragraaf bepaalde middelen.
§ 3. De middelen die voor deze aanpassing nodig zijn, zijn elk voor hun deel ten laste van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging dan wel ten laste van de begroting van de verzekering voor geneeskundige verzorging, zoals bedoeld in artikel 40, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.".
"Art. 4bis. § 1. Het deel van de middelen dat ingevolge deze wet is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen wordt, conform artikel 85, § 1, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, elk jaar geïndexeerd.
§ 2. Voor het jaar 2024, worden de middelen, behalve het deel van de middelen dat is toegewezen aan het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, met 6,05 % geïndexeerd.
Vanaf 2025 bepaalt de Koning ieder jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indexering van de in deze paragraaf bepaalde middelen.
§ 3. De middelen die voor deze aanpassing nodig zijn, zijn elk voor hun deel ten laste van de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging dan wel ten laste van de begroting van de verzekering voor geneeskundige verzorging, zoals bedoeld in artikel 40, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.".
Art.130. Dans la loi du 9 décembre 2019 portant création d'un Fonds Blouses blanches, modifiée en dernier lieu par la loi du 9 mai 2021, un article 4bis est ajouté, rédigé comme suit:
"Art. 4bis. § 1. La partie des moyens qui est affectée par cette loi au budget des moyens financiers des hôpitaux est indexée chaque année conformément à l'article 85, § 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux.
§ 2. Pour 2024, les moyens, excepté la partie des moyens qui est affectée au budget des moyens financiers des hôpitaux, sont indexés de 6,05 %.
A partir de l'année 2025, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'indexation des moyens visés dans ce paragraphe.
§ 3. Les moyens nécessaires à cette adaptation sont chacun pour leur part à charge de l'objectif budgétaire annuel global de l'assurance soins de santé ou du budget de l'assurance soins de santé, visés à l'article 40, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.".
"Art. 4bis. § 1. La partie des moyens qui est affectée par cette loi au budget des moyens financiers des hôpitaux est indexée chaque année conformément à l'article 85, § 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 2002 relatif à la fixation et à la liquidation du budget des moyens financiers des hôpitaux.
§ 2. Pour 2024, les moyens, excepté la partie des moyens qui est affectée au budget des moyens financiers des hôpitaux, sont indexés de 6,05 %.
A partir de l'année 2025, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'indexation des moyens visés dans ce paragraphe.
§ 3. Les moyens nécessaires à cette adaptation sont chacun pour leur part à charge de l'objectif budgétaire annuel global de l'assurance soins de santé ou du budget de l'assurance soins de santé, visés à l'article 40, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.".
HOOFDSTUK 4. - Subsidies Afereseplasma
CHAPITRE 4. - Subventions pour le plasma d'aphérèse
Art.131. § 1. De Staat kent een jaarlijkse subsidie toe aan de erkende bloedinstellingen voor de financiering van de uitgaven voor het bekomen van plasma door plasmaferese, hierna "afereplasma" genoemd, dat bij toepassing van artikel 20/1 van de wet van 5 juli 1994 wordt overgemaakt aan de opdrachtnemer zoals bedoeld in hetzelfde artikel van dezelfde wet. De subsidie wordt aangerekend op de begroting van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en is beperkt tot het bedrag van de jaarlijks in de begroting ingeschreven kredieten.
§ 2. De subsidie wordt per jaar en per liter afereseplasma berekend op basis van de in de begroting ingeschreven kredieten en het totale aantal liters afereseplasma dat door alle bloedinstellingen is aangemaakt en overgemaakt aan de opdrachtnemer.
§ 3. Elk jaar wordt tegen een door de Koning te bepalen datum aan elke bloedinstelling een voorschot toegekend, dat wordt berekend op basis van de in § 2, bedoelde subsidie per liter afereseplasma, dat onder de bloedinstellingen verdeeld wordt op basis van het aantal liters dat elke instelling in het voorgaande jaar heeft aangemaakt en overgemaakt aan de opdrachtnemer.
De Koning kan bepalen dat het in het vorige lid bedoelde voorschot een percentage van het in het eerste lid bepaalde bedrag bedraagt.
§ 4. Na het betrokken jaar, wordt het definitieve bedrag per bloedinstelling berekend op basis van het aantal liters afereseplasma dat effectief is aangemaakt en is overgemaakt aan de opdrachtnemer zoals bedoeld in § 2.
Voor de toepassing van §§ 2, 3, en het eerste lid van deze paragraaf, wordt het effectieve aantal liters afereseplasma, door een bedrijfsrevisor of een accountant voor echt verklaard, door elke bloedinstelling tijdens het eerste kwartaal van het daarop volgende jaar meegedeeld aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
In het geval één of meerdere bloedinstellingen de in het vorige lid bedoelde mededeling van het geattesteerde effectieve aantal liters afereseplasma niet binnen het eerste kwartaal aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu hebben medegedeeld, worden deze bloedinstellingen niet in aanmerking genomen voor de toepassing van §§ 2, 3, en 4, eerste lid.
§ 5. Tegen een door de Koning te bepalen datum, wordt voor elke instelling het verschil tussen het definitieve bedrag en het toegekende voorschot geregulariseerd, hetzij door een bijkomende betaling, hetzij door een terugvordering. Indien het totaal bedrag van de bijkomende betalingen hoger ligt dan het ingeschreven krediet voor dat jaar, verminderd met het voorschot voor dat jaar, wordt de bijkomende betaling voor elke instelling verminderd op basis van het aandeel van deze bijkomende betaling in het totaal van de bijkomende betalingen.
§ 6. De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van het voorschot en het definitieve bedrag dat aan elke bloedinstelling worden uitbetaald.
De Koning kan nadere regelen en modaliteiten vaststellen voor de toepassing van dit artikel.
§ 2. De subsidie wordt per jaar en per liter afereseplasma berekend op basis van de in de begroting ingeschreven kredieten en het totale aantal liters afereseplasma dat door alle bloedinstellingen is aangemaakt en overgemaakt aan de opdrachtnemer.
§ 3. Elk jaar wordt tegen een door de Koning te bepalen datum aan elke bloedinstelling een voorschot toegekend, dat wordt berekend op basis van de in § 2, bedoelde subsidie per liter afereseplasma, dat onder de bloedinstellingen verdeeld wordt op basis van het aantal liters dat elke instelling in het voorgaande jaar heeft aangemaakt en overgemaakt aan de opdrachtnemer.
De Koning kan bepalen dat het in het vorige lid bedoelde voorschot een percentage van het in het eerste lid bepaalde bedrag bedraagt.
§ 4. Na het betrokken jaar, wordt het definitieve bedrag per bloedinstelling berekend op basis van het aantal liters afereseplasma dat effectief is aangemaakt en is overgemaakt aan de opdrachtnemer zoals bedoeld in § 2.
Voor de toepassing van §§ 2, 3, en het eerste lid van deze paragraaf, wordt het effectieve aantal liters afereseplasma, door een bedrijfsrevisor of een accountant voor echt verklaard, door elke bloedinstelling tijdens het eerste kwartaal van het daarop volgende jaar meegedeeld aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
In het geval één of meerdere bloedinstellingen de in het vorige lid bedoelde mededeling van het geattesteerde effectieve aantal liters afereseplasma niet binnen het eerste kwartaal aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu hebben medegedeeld, worden deze bloedinstellingen niet in aanmerking genomen voor de toepassing van §§ 2, 3, en 4, eerste lid.
§ 5. Tegen een door de Koning te bepalen datum, wordt voor elke instelling het verschil tussen het definitieve bedrag en het toegekende voorschot geregulariseerd, hetzij door een bijkomende betaling, hetzij door een terugvordering. Indien het totaal bedrag van de bijkomende betalingen hoger ligt dan het ingeschreven krediet voor dat jaar, verminderd met het voorschot voor dat jaar, wordt de bijkomende betaling voor elke instelling verminderd op basis van het aandeel van deze bijkomende betaling in het totaal van de bijkomende betalingen.
§ 6. De minister bepaalt jaarlijks het bedrag van het voorschot en het definitieve bedrag dat aan elke bloedinstelling worden uitbetaald.
De Koning kan nadere regelen en modaliteiten vaststellen voor de toepassing van dit artikel.
Art.131. § 1er. L'Etat octroie une subvention annuelle aux établissements de transfusion sanguine agréés pour le financement des dépenses pour obtenir le plasma par plasmaphérèse, dénommé ci-après "plasma d'aphérèse", qui est transféré à l'adjudicataire du marché public tel que visé au même article de la même loi, en application de l'article 20/1 de la loi du 5 juillet 1994. La subvention est imputée au budget du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et est limitée au montant des crédits inscrits annuellement au budget.
§ 2. La subvention est calculée par an et par litre de plasma d'aphérèse sur la base des crédits inscrits au budget et du nombre total de litres de plasma d'aphérèse qui est produit par l'ensemble des établissements de transfusion sanguine et transféré à l'adjudicataire.
§ 3. Chaque année, une avance est accordée à chaque établissement de transfusion sanguine avant une date à fixer par le Roi. L'avance est calculée sur la base de la subvention par litre de plasma d'aphérèse visée au § 2, qui est répartie entre les établissements de transfusion sanguine en fonction du nombre de litres que chaque établissement a produits et transférés à l'adjudicataire l'année précédente.
Le Roi peut déterminer que l'avance visée à l'alinéa précédent s'élève à un pourcentage du montant défini au premier alinéa.
§ 4. Après l'année concernée, le montant final par établissement de transfusion sanguine est calculé sur la base du nombre de litres de plasma d'aphérèse qui a effectivement été produit et transféré à l'adjudicataire visé au § 2.
Pour l'application des §§ 2 et 3 et du premier alinéa du présent paragraphe, le nombre effectif de litres de plasma d'aphérèse, certifié par un réviseur d'entreprise ou un expert-comptable, est communiqué par chaque établissement de transfusion sanguine au SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement au cours du premier trimestre de l'année suivante.
Dans le cas où un ou plusieurs établissements de transfusion sanguine n'ont pas communiqué au cours du premier trimestre au SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement le nombre effectif et certifié de litres de plasma d'aphérèse visé à l'alinéa précédent, ces établissements de transfusion sanguine ne sont pas pris en compte pour l'application des §§ 2, 3 et 4, alinéa 1er.
§ 5. Avant une date à déterminer par le Roi, la différence entre le montant définitif et l'avance accordée est régularisée pour chaque établissement, soit par un versement complémentaire, soit par un recouvrement. Si le montant total des paiements complémentaires est supérieur au crédit inscrit pour cette année-là, diminué de l'avance pour cette année-là, le versement complémentaire pour chaque établissement est réduit en fonction de la part de ce versement complémentaire dans le total des versements complémentaires.
§ 6. Le ministre détermine annuellement le montant de l'avance et le montant définitif qui sont versés à chaque établissement de transfusion sanguine.
Le Roi peut fixer des règles et modalités plus précises pour l'application du présent article.
§ 2. La subvention est calculée par an et par litre de plasma d'aphérèse sur la base des crédits inscrits au budget et du nombre total de litres de plasma d'aphérèse qui est produit par l'ensemble des établissements de transfusion sanguine et transféré à l'adjudicataire.
§ 3. Chaque année, une avance est accordée à chaque établissement de transfusion sanguine avant une date à fixer par le Roi. L'avance est calculée sur la base de la subvention par litre de plasma d'aphérèse visée au § 2, qui est répartie entre les établissements de transfusion sanguine en fonction du nombre de litres que chaque établissement a produits et transférés à l'adjudicataire l'année précédente.
Le Roi peut déterminer que l'avance visée à l'alinéa précédent s'élève à un pourcentage du montant défini au premier alinéa.
§ 4. Après l'année concernée, le montant final par établissement de transfusion sanguine est calculé sur la base du nombre de litres de plasma d'aphérèse qui a effectivement été produit et transféré à l'adjudicataire visé au § 2.
Pour l'application des §§ 2 et 3 et du premier alinéa du présent paragraphe, le nombre effectif de litres de plasma d'aphérèse, certifié par un réviseur d'entreprise ou un expert-comptable, est communiqué par chaque établissement de transfusion sanguine au SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement au cours du premier trimestre de l'année suivante.
Dans le cas où un ou plusieurs établissements de transfusion sanguine n'ont pas communiqué au cours du premier trimestre au SPF Santé publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement le nombre effectif et certifié de litres de plasma d'aphérèse visé à l'alinéa précédent, ces établissements de transfusion sanguine ne sont pas pris en compte pour l'application des §§ 2, 3 et 4, alinéa 1er.
§ 5. Avant une date à déterminer par le Roi, la différence entre le montant définitif et l'avance accordée est régularisée pour chaque établissement, soit par un versement complémentaire, soit par un recouvrement. Si le montant total des paiements complémentaires est supérieur au crédit inscrit pour cette année-là, diminué de l'avance pour cette année-là, le versement complémentaire pour chaque établissement est réduit en fonction de la part de ce versement complémentaire dans le total des versements complémentaires.
§ 6. Le ministre détermine annuellement le montant de l'avance et le montant définitif qui sont versés à chaque établissement de transfusion sanguine.
Le Roi peut fixer des règles et modalités plus précises pour l'application du présent article.
HOOFDSTUK 5. - Financiering van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG)
CHAPITRE 5. - Financement de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé (AFMPS)
Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten
Section 1re.- Modifications à la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé
Art.132. In artikel 2, § 1, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 23°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hogeschool, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;";
2° in de bepaling onder 25°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hoge school, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;";
3° in de bepaling onder 27°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hoge school, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;".
1° in de bepaling onder 23°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hogeschool, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;";
2° in de bepaling onder 25°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hoge school, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;";
3° in de bepaling onder 27°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
"de opdrachtgever, hetzij een universiteit is, hetzij een hoge school, hetzij een ziekenhuis bedoeld in artikel 4 van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, ofwel een ziekenhuis bedoeld in artikel 7, 2°, g), 2° van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, waarin zowel heelkundige als medische verstrekkingen worden uitgevoerd, uitsluitend voor kinderen of met betrekking tot tumoren, hetzij het "Fonds National de la Recherche Scientifique", hetzij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of een onderzoeksfonds dat van een van beide Fondsen afhangt, hetzij een dienst van een ziekenhuis die daartoe erkend is volgens de door de Koning bepaalde nadere regels als die dienst in zijn activiteitsdomein een expertisecentrum is, hetzij een instelling zonder winstoogmerk wier maatschappelijk doel hoofdzakelijk gericht is op onderzoek, hetzij het equivalent van één van deze entiteiten in een andere lidstaat;".
Art.132. A l'article 2, § 1er, de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans la disposition sous 23°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;" ;
2° dans la disposition sous 25°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;" ;
3° dans la disposition sous 27°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;".
1° dans la disposition sous 23°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;" ;
2° dans la disposition sous 25°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;" ;
3° dans la disposition sous 27°, le a) est remplacé par ce qui suit:
"le promoteur est soit une université ou une haute école, soit un hôpital visé à l'article 4 de la loi du 10 juillet 2008 relative aux hôpitaux et autres établissements de soins, soit un hôpital visé à l'article 7, 2°, g), 2° de l'arrêté royal du 25 avril 2002 portant fixation et règlement du budget des moyens financiers des hôpitaux, dans lesquels sont dispensés des services à la fois chirurgicaux et médicaux, exclusivement pour les enfants ou en rapport avec des tumeurs, soit le Fonds National de la Recherche Scientifique, soit le Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek ou un fonds de recherche dépendant de l'un ou l'autre de ces Fonds, soit un service d'un hôpital reconnu à cet effet selon les modalités fixées par le Roi si ce service est, dans son domaine d'activité, un centre d'expertise, soit une institution sans but lucratif dont l'objet social est principalement axé sur la recherche, soit l'équivalent de l'une de ces entités dans un autre Etat membre;".
Art.133. Artikel 14/3 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Elke onderneming die activiteiten uitvoert waarvan de omzet onderworpen is aan een heffing, is verplicht een aangifte te doen, zelfs indien de omzet de in Bijlage I openomen drempelwaarde niet heeft bereikt.".
"Elke onderneming die activiteiten uitvoert waarvan de omzet onderworpen is aan een heffing, is verplicht een aangifte te doen, zelfs indien de omzet de in Bijlage I openomen drempelwaarde niet heeft bereikt.".
Art.133. L'article 14/3 de la même loi, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Toute entreprise exerçant des activités dont le chiffre d'affaires est soumis à une redevance est tenue de présenter une déclaration même si le chiffre d'affaires n'a pas atteint le seuil minimal indiqué à l'annexe Ier.".
"Toute entreprise exerçant des activités dont le chiffre d'affaires est soumis à une redevance est tenue de présenter une déclaration même si le chiffre d'affaires n'a pas atteint le seuil minimal indiqué à l'annexe Ier.".
Art.134. Artikel 14/4 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Een aangifte zoals bedoeld in dit artikel wordt verricht indien bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1 worden verricht. In de aangifte moeten de volgende gegevens worden vermeld:
1° de omzet die in België in het vorige jaar werd verwezenlijkt door het uitoefenen van bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1, waarbij de afnemer van de diensten of producten een detailhandelaar of eindgebruiker is;
2° de totale omzet die in België in het vorige jaar werd verwezenlijkt door het uitoefenen van bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1.
Indien een van de in het vorige lid bedoelde omzetbedragen lager is dan de in Bijlage I vastgestelde drempelwaarde, dan mag dit feit als dusdanig worden vermeld en hoeft het bedrag zelf niet te worden opgenomen in de aangifte.".
"Een aangifte zoals bedoeld in dit artikel wordt verricht indien bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1 worden verricht. In de aangifte moeten de volgende gegevens worden vermeld:
1° de omzet die in België in het vorige jaar werd verwezenlijkt door het uitoefenen van bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1, waarbij de afnemer van de diensten of producten een detailhandelaar of eindgebruiker is;
2° de totale omzet die in België in het vorige jaar werd verwezenlijkt door het uitoefenen van bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in artikel 14/9, § 1/1.
Indien een van de in het vorige lid bedoelde omzetbedragen lager is dan de in Bijlage I vastgestelde drempelwaarde, dan mag dit feit als dusdanig worden vermeld en hoeft het bedrag zelf niet te worden opgenomen in de aangifte.".
Art.134. L'article 14/4 de la même loi est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
"Une déclaration visée par le présent article est effectuée quand des activités soumises à contribution, visées à l'article 14/9, § 1/1 sont effectuées. Dans la déclaration, les données suivantes doivent être mentionnées:
1° le chiffre d'affaires réalisé en Belgique au cours de l'année précédente par des activités soumises à contribution, visées à l'article 14/9, § 1/1, lorsque le destinataire des services ou produits est un détaillant ou un utilisateur final;
2° le chiffre d'affaires total réalisé en Belgique au cours de l'année précédente par des activités visés dans l'article 14/9, § 1/1.
Si l'un des montants de chiffre d'affaires visé à l'alinéa précédent, est inférieur au seuil minimal fixé à l'Annexe I, ce fait peut être mentionné comme tel et le montant lui-même ne doit pas figurer dans la déclaration.".
"Une déclaration visée par le présent article est effectuée quand des activités soumises à contribution, visées à l'article 14/9, § 1/1 sont effectuées. Dans la déclaration, les données suivantes doivent être mentionnées:
1° le chiffre d'affaires réalisé en Belgique au cours de l'année précédente par des activités soumises à contribution, visées à l'article 14/9, § 1/1, lorsque le destinataire des services ou produits est un détaillant ou un utilisateur final;
2° le chiffre d'affaires total réalisé en Belgique au cours de l'année précédente par des activités visés dans l'article 14/9, § 1/1.
Si l'un des montants de chiffre d'affaires visé à l'alinéa précédent, est inférieur au seuil minimal fixé à l'Annexe I, ce fait peut être mentionné comme tel et le montant lui-même ne doit pas figurer dans la déclaration.".
Art.135. Artikel 14/9, § 1/1 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De vaststelling van de bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in dit artikel, die door een bijdrageplichtige worden uitgeoefend, gebeurt op 1 april van het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd.".
"De vaststelling van de bijdrageplichtige activiteiten bedoeld in dit artikel, die door een bijdrageplichtige worden uitgeoefend, gebeurt op 1 april van het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd.".
Art.135. L'article 14/9, § 1/1 de la même loi est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"La détermination des activités soumises à contribution visées par le présent article, exercées par un redevable, est effectuée le 1er avril de l'année au cours de laquelle la contribution est due.".
"La détermination des activités soumises à contribution visées par le présent article, exercées par un redevable, est effectuée le 1er avril de l'année au cours de laquelle la contribution est due.".
Art.136. Artikel 14/15 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"De retributies zijn betaalbaar vanaf de ontvangst door de retributieplichtige van een betalingsbericht, verzonden door het Agentschap. De bijdrageplichtige beschikt over een betalingstermijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het betalingsbericht.".
"De retributies zijn betaalbaar vanaf de ontvangst door de retributieplichtige van een betalingsbericht, verzonden door het Agentschap. De bijdrageplichtige beschikt over een betalingstermijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het betalingsbericht.".
Art.136. L'article 14/15 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Les rétributions sont payables à compter de la réception par le redevable d'un avis de paiement, émis par l'Agence. Le redevable dispose d'un délai de paiement de 15 jours à compter de la réception de l'avis de paiement.".
"Les rétributions sont payables à compter de la réception par le redevable d'un avis de paiement, émis par l'Agence. Le redevable dispose d'un délai de paiement de 15 jours à compter de la réception de l'avis de paiement.".
Art.137. In artikel 14/19 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en de retributies bedoeld in artikel 14/14" vervangen door de woorden "de retributies bedoeld in artikel 14/14, het jaarlijks voorschot en de forfaitaire kosten bedoeld in de artikelen 14/26 en 14/28";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, worden het jaarlijks voorschot en de forfaitaire kosten bedoeld in artikel 14/26 en 14/28, van rechtswege geïndexeerd op 1 januari van het jaar waarop ze betrekking hebben. Deze bedragen worden niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar enkel op de website van het FAGG."
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "alsook het jaarlijks voorschot of de forfaitaire kost" ingevoegd tussen de woorden "of retributie" en de woorden "werd ingevoerd".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "en de retributies bedoeld in artikel 14/14" vervangen door de woorden "de retributies bedoeld in artikel 14/14, het jaarlijks voorschot en de forfaitaire kosten bedoeld in de artikelen 14/26 en 14/28";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het eerste lid, worden het jaarlijks voorschot en de forfaitaire kosten bedoeld in artikel 14/26 en 14/28, van rechtswege geïndexeerd op 1 januari van het jaar waarop ze betrekking hebben. Deze bedragen worden niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar enkel op de website van het FAGG."
3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "alsook het jaarlijks voorschot of de forfaitaire kost" ingevoegd tussen de woorden "of retributie" en de woorden "werd ingevoerd".
Art.137. Dans l'article 14/19 de la même loi les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et les rétributions visées à l'article 14/14" sont remplacés par les mots "les rétributions visées à l'article 14/14, l'avance annuelle et les frais forfaitaires visés aux articles 14/26 et 14/28";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avance annuelle et les frais forfaitaires visés à l'article 14/26 et 14/28 sont indexés de plein droit au 1er janvier de l'année à laquelle ils se rapportent. Ces montants ne sont pas publiés au Moniteur belge, mais uniquement sur le site internet de l'AFMPS."
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "ainsi que l'avance annuelle, ou les frais forfaitaires" insérés entre les mots "ou la rétribution" et les mots "a été introduite".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "et les rétributions visées à l'article 14/14" sont remplacés par les mots "les rétributions visées à l'article 14/14, l'avance annuelle et les frais forfaitaires visés aux articles 14/26 et 14/28";
2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avance annuelle et les frais forfaitaires visés à l'article 14/26 et 14/28 sont indexés de plein droit au 1er janvier de l'année à laquelle ils se rapportent. Ces montants ne sont pas publiés au Moniteur belge, mais uniquement sur le site internet de l'AFMPS."
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "ainsi que l'avance annuelle, ou les frais forfaitaires" insérés entre les mots "ou la rétribution" et les mots "a été introduite".
Art.138. In artikel 14/20, § 3, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "overeenkomstig paragraaf 2" worden opgeheven;
2° de woorden "en retributies, ongeacht of deze worden vermeld in paragraaf 1," worden ingevoegd tussen de woorden "definitief geworden belastingen" en de woorden "gebeurt op verzoek".
1° de woorden "overeenkomstig paragraaf 2" worden opgeheven;
2° de woorden "en retributies, ongeacht of deze worden vermeld in paragraaf 1," worden ingevoegd tussen de woorden "definitief geworden belastingen" en de woorden "gebeurt op verzoek".
Art.138. Dans l'article 14/20, § 3, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "devenus définitifs conformément au paragraphe 2" sont remplacés par les mots "et redevances devenus définitifs";
2° les mots "qu'ils soient ou non visés au paragraphe 1er," sont insérés entre les mots "devenus définitifs" et les mots "s'opèrent à la demande".
1° les mots "devenus définitifs conformément au paragraphe 2" sont remplacés par les mots "et redevances devenus définitifs";
2° les mots "qu'ils soient ou non visés au paragraphe 1er," sont insérés entre les mots "devenus définitifs" et les mots "s'opèrent à la demande".
Art.139. Artikel 14/22, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 maart 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende als volgt:
" § 8. Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 7, kan, voor zover relevant, de minister of zijn afgevaardigde dan wel het FAGG, de verdere dienstverlening geheel of gedeeltelijk opschorten in geval de belastingen, heffingen of retributies bedoeld in deze wet niet betaald worden, tot op het moment dat de openstaande verschuldigde bedragen volstort worden.
In het geval bedoeld in het eerste lid, kunnen de minister of zijn afgevaardigde of, al naargelang het geval, het FAGG, weigeren om vergunningen, certificaten, toelatingen, adviezen of verklaringen af te leveren of de registraties te verrichten, zoals bedoeld in de wetgeving opgelijst onder artikel 4, § 1, derde lid, 6°, a).
" § 8. Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 7, kan, voor zover relevant, de minister of zijn afgevaardigde dan wel het FAGG, de verdere dienstverlening geheel of gedeeltelijk opschorten in geval de belastingen, heffingen of retributies bedoeld in deze wet niet betaald worden, tot op het moment dat de openstaande verschuldigde bedragen volstort worden.
In het geval bedoeld in het eerste lid, kunnen de minister of zijn afgevaardigde of, al naargelang het geval, het FAGG, weigeren om vergunningen, certificaten, toelatingen, adviezen of verklaringen af te leveren of de registraties te verrichten, zoals bedoeld in de wetgeving opgelijst onder artikel 4, § 1, derde lid, 6°, a).
Art.139. L'article 14/22 de la même loi, inséré par la loi du 11 mars 2018, est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit:
" § 8. Par dérogation aux dispositions des paragraphes 1er à 7, le ministre ou son délégué ou l'AFMPS peut, le cas échéant, suspendre, en tout ou en partie, la prestation de services en cas de non-paiement des impôts, contributions ou rétributions visés par la présente loi, jusqu'au paiement intégral des montants dus.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, l'AFMPS, peut refuser de délivrer les certificats, autorisations, avis ou déclarations ou d'effectuer les enregistrements visés dans les législations énumérées à l'article 4, § 1er, alinéa 3, 6°, a). ".
" § 8. Par dérogation aux dispositions des paragraphes 1er à 7, le ministre ou son délégué ou l'AFMPS peut, le cas échéant, suspendre, en tout ou en partie, la prestation de services en cas de non-paiement des impôts, contributions ou rétributions visés par la présente loi, jusqu'au paiement intégral des montants dus.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, l'AFMPS, peut refuser de délivrer les certificats, autorisations, avis ou déclarations ou d'effectuer les enregistrements visés dans les législations énumérées à l'article 4, § 1er, alinéa 3, 6°, a). ".
Art.140. Artikel 14/24, van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het eerste lid bedoelde termijnen worden, al naargelang het geval, gestuit of geschorst:
1° op de wijzen en de voorwaarden daartoe voorzien door de artikelen 2244, § 1, 2247 tot en met 2251, en 2257 van het Oud Burgerlijk Wetboek;
2° door het verzenden van een aanmaning tot betaling per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, vergezeld van een overzicht van de verschuldigde bedragen en de feiten en rechtsgronden die aan deze schulden ten grondslag liggen.".
"De in het eerste lid bedoelde termijnen worden, al naargelang het geval, gestuit of geschorst:
1° op de wijzen en de voorwaarden daartoe voorzien door de artikelen 2244, § 1, 2247 tot en met 2251, en 2257 van het Oud Burgerlijk Wetboek;
2° door het verzenden van een aanmaning tot betaling per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, vergezeld van een overzicht van de verschuldigde bedragen en de feiten en rechtsgronden die aan deze schulden ten grondslag liggen.".
Art.140. L'article 14/24 de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Le délais visés à l'alinéa 1er sont, selon les cas, interrompus ou suspendus:
1° dans les formes et conditions prévues par les articles 2244, § 1er, 2247 jusqu'à 2251 inclus, et 2257 de l'Ancien Code civil;
2° par l'envoi d'une demande de paiement par lettre recommandée avec accusé de réception, accompagnée d'un relevé des montants dus et des faits et fondements juridiques à l'origine de ces dettes.".
"Le délais visés à l'alinéa 1er sont, selon les cas, interrompus ou suspendus:
1° dans les formes et conditions prévues par les articles 2244, § 1er, 2247 jusqu'à 2251 inclus, et 2257 de l'Ancien Code civil;
2° par l'envoi d'une demande de paiement par lettre recommandée avec accusé de réception, accompagnée d'un relevé des montants dus et des faits et fondements juridiques à l'origine de ces dettes.".
Art.141. In Hoofdstuk V van dezelfde wet wordt een Afdeling 13 ingevoegd, luidende: "Financiering van de activiteiten met betrekking tot klinische studies".
Art.141. Dans le chapitre V de la même loi, une Section 13 est insérée, rédigée comme suit: "Financement des activités relatives aux essais cliniques".
Art.142. In Hoofdstuk V, Afdeling 13, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 138, wordt een artikel 14/26 ingevoegd, luidende:
"Art. 14/26. Onverminderd de bepalingen van deze wet, geschiedt de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten op grond van artikel 34/1 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en op grond van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik ten laste van de Staat.
Voor de financiering van de activiteiten bedoeld in het eerste lid, ontvangt het FAGG per jaar een voorschot ten laste van de kredieten bedoeld in artikel 13, 1°. Het bedrag van het voorschot wordt vastgelegd in Bijlage X.
Voor de toepassing van het eerste lid worden forfaitaire kosten per type dossier vastgelegd ten laste van de kredieten bedoeld in artikel 13, 1° in Bijlage X.".
"Art. 14/26. Onverminderd de bepalingen van deze wet, geschiedt de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten op grond van artikel 34/1 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en op grond van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik ten laste van de Staat.
Voor de financiering van de activiteiten bedoeld in het eerste lid, ontvangt het FAGG per jaar een voorschot ten laste van de kredieten bedoeld in artikel 13, 1°. Het bedrag van het voorschot wordt vastgelegd in Bijlage X.
Voor de toepassing van het eerste lid worden forfaitaire kosten per type dossier vastgelegd ten laste van de kredieten bedoeld in artikel 13, 1° in Bijlage X.".
Art.142. Dans le chapitre V, Section 13, de la même loi, inséré par l'article 138, un article 14/26 est inséré, rédigé comme suit:
"Art. 14/26. Sans préjudice des dispositions de la présente loi, le financement des activités exercées par l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé en vertu de l'article 34/1 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine et en vertu de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain est pris en charge par l'Etat.
Pour le financement des activités visées par l'alinéa 1er, l'AFMPS reçoit chaque année une avance sur les crédits visés à l'article 13, 1°. Le montant de l'avance est fixé à l'Annexe X.
Pour l'application de l'alinéa 1er, des frais forfaitaires par type de dossier sont fixés sur les crédits visés à l'article 13, 1° dans l'Annexe X.".
"Art. 14/26. Sans préjudice des dispositions de la présente loi, le financement des activités exercées par l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé en vertu de l'article 34/1 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine et en vertu de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain est pris en charge par l'Etat.
Pour le financement des activités visées par l'alinéa 1er, l'AFMPS reçoit chaque année une avance sur les crédits visés à l'article 13, 1°. Le montant de l'avance est fixé à l'Annexe X.
Pour l'application de l'alinéa 1er, des frais forfaitaires par type de dossier sont fixés sur les crédits visés à l'article 13, 1° dans l'Annexe X.".
Art.143. In Hoofdstuk V, Afdeling 13 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 138, wordt een artikel 14/27 ingevoegd, luidende:
"Art. 14/27. Indien bij afsluiting van het betrokken begrotingsjaar de overeenkomstig artikel 14/26 gestorte middelen te hoog bleken te zijn, vloeit het verschil terug naar de Schatkist. Het bedrag van het verschil, dat aan de Schatkist teruggestort wordt, is gelijk aan de in artikel 14/26 bedoelde voorschot, verminderd met het totaalbedrag van de forfaitaire kosten van de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het FAGG krachtens artikelen 34/1 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en krachtens de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik zoals vastgesteld op basis van artikel 14/26, tweede lid.
Indien de som van de bedragen van de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het FAGG krachtens dezelfde artikelen het bedrag van het in artikel 14/26 bedoelde voorschot overschrijdt, dan wordt het bedrag van deze overschrijding toegekend, via de kredieten bedoeld in artikel 13, 1° van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.".
"Art. 14/27. Indien bij afsluiting van het betrokken begrotingsjaar de overeenkomstig artikel 14/26 gestorte middelen te hoog bleken te zijn, vloeit het verschil terug naar de Schatkist. Het bedrag van het verschil, dat aan de Schatkist teruggestort wordt, is gelijk aan de in artikel 14/26 bedoelde voorschot, verminderd met het totaalbedrag van de forfaitaire kosten van de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het FAGG krachtens artikelen 34/1 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en krachtens de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik zoals vastgesteld op basis van artikel 14/26, tweede lid.
Indien de som van de bedragen van de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het FAGG krachtens dezelfde artikelen het bedrag van het in artikel 14/26 bedoelde voorschot overschrijdt, dan wordt het bedrag van deze overschrijding toegekend, via de kredieten bedoeld in artikel 13, 1° van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.".
Art.143. Dans l'article V, Section 13 de la même loi, inséré par l'article 138, un article 14/27 est inséré, rédigé comme suit:
"Art. 14/27. Si, à la clôture de l'exercice budgétaire concerné, les moyens versés conformément à l'article 14/26, s'avèrent trop élevés, la différence est reversée au Trésor. Le montant de la différence, qui est reversé au Trésor, est égal à l'avance visée à l'article 14/26 diminué du montant total des frais forfaitaires de financement des activités exercées par l'AFMPS en vertu des articles 34/1 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine et en vertu de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain tels que déterminés sur la base de l'article 14/26, alinéa 2.
Si la somme des montants du financement des activités exercées par l'AFMPS en vertu des mêmes articles dépasse le montant de l'avance visée à l'article 14/26, le montant de ce dépassement est octroyé, via les crédits visés à l'article 13, 1° de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé.".
"Art. 14/27. Si, à la clôture de l'exercice budgétaire concerné, les moyens versés conformément à l'article 14/26, s'avèrent trop élevés, la différence est reversée au Trésor. Le montant de la différence, qui est reversé au Trésor, est égal à l'avance visée à l'article 14/26 diminué du montant total des frais forfaitaires de financement des activités exercées par l'AFMPS en vertu des articles 34/1 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine et en vertu de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain tels que déterminés sur la base de l'article 14/26, alinéa 2.
Si la somme des montants du financement des activités exercées par l'AFMPS en vertu des mêmes articles dépasse le montant de l'avance visée à l'article 14/26, le montant de ce dépassement est octroyé, via les crédits visés à l'article 13, 1° de la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé.".
Art.144. In de bijlage I van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder I.1, in de tweede kolom, worden de woorden "met uitzondering van de detailhandelaar" opgeheven;
2° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0,2762 %" vervangen door de woorden "0,2868 %".
3° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0,2868 %" vervangen door de woorden "0,3073 %".
1° onder I.1, in de tweede kolom, worden de woorden "met uitzondering van de detailhandelaar" opgeheven;
2° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0,2762 %" vervangen door de woorden "0,2868 %".
3° onder I.1, in de vierde kolom, worden de woorden "0,2868 %" vervangen door de woorden "0,3073 %".
Art.144. Dans l'annexe Ier de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° sous I.1, dans la deuxième colonne, les mots "à l'exception du détaillant," sont abrogés;
2° sous I.1, dans la quatrième colonne, les mots "0,2762 %" sont remplacés par les mots "0,2868 %".
3° sous I.1, dans la quatrième colonne, les mots "0,2868 %" sont remplacés par les mots "0,3073 %".
1° sous I.1, dans la deuxième colonne, les mots "à l'exception du détaillant," sont abrogés;
2° sous I.1, dans la quatrième colonne, les mots "0,2762 %" sont remplacés par les mots "0,2868 %".
3° sous I.1, dans la quatrième colonne, les mots "0,2868 %" sont remplacés par les mots "0,3073 %".
Art.145. In de bijlage II van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01073 EUR" vervangen door de woorden "0,01008 EUR";
2° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01008 EUR" vervangen door de woorden "0,01111 EUR";
3° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,09800 EUR" vervangen door de woorden "0,16825 EUR";
4° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,16825 EUR" vervangen door de woorden "0,17265 EUR";
5° onder II.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00168 EUR" vervangen door de woorden "0,00174 EUR";
6° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,03820 EUR" vervangen door de woorden "0,04099 EUR";
7° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,04099 EUR" vervangen door de woorden "0,04809 EUR";
8° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01650 EUR" vervangen door de woorden "0,01781 EUR";
9° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01781 EUR" vervangen door de woorden "0,02110 EUR".
1° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01073 EUR" vervangen door de woorden "0,01008 EUR";
2° onder II.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01008 EUR" vervangen door de woorden "0,01111 EUR";
3° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,09800 EUR" vervangen door de woorden "0,16825 EUR";
4° onder II.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,16825 EUR" vervangen door de woorden "0,17265 EUR";
5° onder II.5, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,00168 EUR" vervangen door de woorden "0,00174 EUR";
6° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,03820 EUR" vervangen door de woorden "0,04099 EUR";
7° onder II.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,04099 EUR" vervangen door de woorden "0,04809 EUR";
8° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01650 EUR" vervangen door de woorden "0,01781 EUR";
9° onder II.7, in de vijfde kolom, worden de woorden "0,01781 EUR" vervangen door de woorden "0,02110 EUR".
Art.145. Dans l'annexe II de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° sous II.1, dans la cinquième colonne, les mots "0,01073 EUR" sont remplacés par les mots "0,01008 EUR";
2° sous II.1, dans la cinquième colonne, les mots "0,01008 EUR" sont remplacés par les mots "0,01111 EUR";
3° sous II.3, dans la cinquième colonne, les mots "0,09800 EUR" sont remplacés par les mots "0,16825 EUR";
4° sous II.3, dans la cinquième colonne, les mots "0,16825 EUR" sont remplacés par les mots "0,17265 EUR";
5° sous II.5, dans la cinquième colonne, les mots "0,00168 EUR" sont remplacés par les mots "0,00174 EUR";
6° sous II.6, dans la cinquième colonne, les mots "0,03820 EUR" sont remplacés par les mots "0,04099 EUR";
7° sous II.6, dans la cinquième colonne, les mots "0,04099 EUR" sont remplacés par les mots "0,04809 EUR";
8° sous II.7, dans la cinquième colonne, les mots "0,01650 EUR" sont remplacés par les mots "0,01781 EUR";
9° sous II.7, dans la cinquième colonne, les mots "0,01781 EUR" sont remplacés par les mots "0,02110 EUR".
1° sous II.1, dans la cinquième colonne, les mots "0,01073 EUR" sont remplacés par les mots "0,01008 EUR";
2° sous II.1, dans la cinquième colonne, les mots "0,01008 EUR" sont remplacés par les mots "0,01111 EUR";
3° sous II.3, dans la cinquième colonne, les mots "0,09800 EUR" sont remplacés par les mots "0,16825 EUR";
4° sous II.3, dans la cinquième colonne, les mots "0,16825 EUR" sont remplacés par les mots "0,17265 EUR";
5° sous II.5, dans la cinquième colonne, les mots "0,00168 EUR" sont remplacés par les mots "0,00174 EUR";
6° sous II.6, dans la cinquième colonne, les mots "0,03820 EUR" sont remplacés par les mots "0,04099 EUR";
7° sous II.6, dans la cinquième colonne, les mots "0,04099 EUR" sont remplacés par les mots "0,04809 EUR";
8° sous II.7, dans la cinquième colonne, les mots "0,01650 EUR" sont remplacés par les mots "0,01781 EUR";
9° sous II.7, dans la cinquième colonne, les mots "0,01781 EUR" sont remplacés par les mots "0,02110 EUR".
Art.146. In de bijlage III van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "609,07 EUR" vervangen door de woorden "672,62 EUR";
2° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,62 EUR" vervangen door de woorden "822,95 EUR";
3° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "391,00 EUR" vervangen door de woorden "426,80 EUR";
4° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "426,80 EUR" vervangen door de woorden "513,66 EUR";
5° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,80 EUR" vervangen door de woorden "677,57 EUR";
6° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "677,57 EUR" vervangen door de woorden "717,11 EUR";
7° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "609,07 EUR" vervangen door de woorden "672,62 EUR";
8° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,62 EUR" vervangen door de woorden "822,95 EUR";
9° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "391,00 EUR" vervangen door de woorden "426,80 EUR";
10° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "426,80 EUR" vervangen door de woorden "513,66 EUR";
11° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "138,23 EUR" vervangen door de woorden "145,38 EUR";
12° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "145,38 EUR" vervangen door de woorden "165,43 EUR";
13° onder III.8, in de vijfde kolom, worden de woorden "2.365,63 EUR" vervangen door de woorden "2.479,81 EUR";
14° onder III.9, in de vijfde kolom, worden de woorden "5.085,82 EUR" vervangen door de woorden "3.923,33 EUR".
1° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "609,07 EUR" vervangen door de woorden "672,62 EUR";
2° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,62 EUR" vervangen door de woorden "822,95 EUR";
3° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "391,00 EUR" vervangen door de woorden "426,80 EUR";
4° onder III.1, in de vijfde kolom, worden de woorden "426,80 EUR" vervangen door de woorden "513,66 EUR";
5° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,80 EUR" vervangen door de woorden "677,57 EUR";
6° onder III.2, in de vijfde kolom, worden de woorden "677,57 EUR" vervangen door de woorden "717,11 EUR";
7° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "609,07 EUR" vervangen door de woorden "672,62 EUR";
8° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "672,62 EUR" vervangen door de woorden "822,95 EUR";
9° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "391,00 EUR" vervangen door de woorden "426,80 EUR";
10° onder III.3, in de vijfde kolom, worden de woorden "426,80 EUR" vervangen door de woorden "513,66 EUR";
11° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "138,23 EUR" vervangen door de woorden "145,38 EUR";
12° onder III.6, in de vijfde kolom, worden de woorden "145,38 EUR" vervangen door de woorden "165,43 EUR";
13° onder III.8, in de vijfde kolom, worden de woorden "2.365,63 EUR" vervangen door de woorden "2.479,81 EUR";
14° onder III.9, in de vijfde kolom, worden de woorden "5.085,82 EUR" vervangen door de woorden "3.923,33 EUR".
Art.146. Dans l'annexe III de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "609,07 EUR" sont remplacés par les mots "672,62 EUR";
2° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "672,62 EUR" sont remplacés par les mots "822,95 EUR";
3° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "391,00 EUR" sont remplacés par les mots "426,80 EUR";
4° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "426,80 EUR" sont remplacés par les mots "513,66 EUR";
5° sous III.2, dans la cinquième colonne, les mots "672,80 EUR" sont remplacés par les mots "677,57 EUR";
6° sous III.2, dans la cinquième colonne, les mots "677,57 EUR" sont remplacés par les mots "717,11 EUR";
7° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "609,07 EUR" sont remplacés par les mots "672,62 EUR";
8° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "672,62 EUR" sont remplacés par les mots "822,95 EUR";
9° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "391,00 EUR" sont remplacés par les mots "426,80 EUR";
10° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "426,80 EUR" sont remplacés par les mots "513,66 EUR";
11° sous III.6, dans la cinquième colonne, les mots "138,23 EUR" sont remplacés par les mots "145,38 EUR";
12° sous III.6, dans la cinquième colonne, les mots "145,38 EUR" sont remplacés par les mots "165,43 EUR";
13° sous III.8, dans la cinquième colonne, les mots "2.365,63 EUR" sont remplacés par les mots "2.479,81 EUR";
14° sous III.9, dans la cinquième colonne, les mots "5.085,82 EUR" sont remplacés par les mots "3.923,33 EUR".
1° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "609,07 EUR" sont remplacés par les mots "672,62 EUR";
2° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "672,62 EUR" sont remplacés par les mots "822,95 EUR";
3° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "391,00 EUR" sont remplacés par les mots "426,80 EUR";
4° sous III.1, dans la cinquième colonne, les mots "426,80 EUR" sont remplacés par les mots "513,66 EUR";
5° sous III.2, dans la cinquième colonne, les mots "672,80 EUR" sont remplacés par les mots "677,57 EUR";
6° sous III.2, dans la cinquième colonne, les mots "677,57 EUR" sont remplacés par les mots "717,11 EUR";
7° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "609,07 EUR" sont remplacés par les mots "672,62 EUR";
8° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "672,62 EUR" sont remplacés par les mots "822,95 EUR";
9° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "391,00 EUR" sont remplacés par les mots "426,80 EUR";
10° sous III.3, dans la cinquième colonne, les mots "426,80 EUR" sont remplacés par les mots "513,66 EUR";
11° sous III.6, dans la cinquième colonne, les mots "138,23 EUR" sont remplacés par les mots "145,38 EUR";
12° sous III.6, dans la cinquième colonne, les mots "145,38 EUR" sont remplacés par les mots "165,43 EUR";
13° sous III.8, dans la cinquième colonne, les mots "2.365,63 EUR" sont remplacés par les mots "2.479,81 EUR";
14° sous III.9, dans la cinquième colonne, les mots "5.085,82 EUR" sont remplacés par les mots "3.923,33 EUR".
Art.147. In de bijlage IV van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.1", in de derde kolom, worden de woorden "13,30 %" vervangen door de woorden "19,81 %";
2° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.2", in de derde kolom, worden de woorden "1,80 %" vervangen door de woorden "2,53 %";
3° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage II.5", in de derde kolom, worden de woorden "4,78 %" vervangen door de woorden "5,32 %";
4° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.1 samen met bijlage III.3", in de derde kolom, worden de woorden "36,19 %" vervangen door de woorden "36,90 %";
5° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.2", in de derde kolom, worden de woorden "3,93 %" vervangen door de woorden "6,88 %";
6° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.6.", in de derde kolom, worden de woorden "20 %" vervangen door de woorden "8,57 %".
1° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.1", in de derde kolom, worden de woorden "13,30 %" vervangen door de woorden "19,81 %";
2° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage I.2", in de derde kolom, worden de woorden "1,80 %" vervangen door de woorden "2,53 %";
3° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage II.5", in de derde kolom, worden de woorden "4,78 %" vervangen door de woorden "5,32 %";
4° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.1 samen met bijlage III.3", in de derde kolom, worden de woorden "36,19 %" vervangen door de woorden "36,90 %";
5° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.2", in de derde kolom, worden de woorden "3,93 %" vervangen door de woorden "6,88 %";
6° in de lijn beginnend met de woorden "bijlage III.6.", in de derde kolom, worden de woorden "20 %" vervangen door de woorden "8,57 %".
Art.147. A l'annexe IV de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° à la ligne commençant par les mots "annexe I.1", troisième colonne, les mots "13,30 %" sont remplacés par les mots "19,81 %";
2° à la ligne commençant par les mots "annexe I.2", troisième colonne, les mots "1,80 %" sont remplacés par les mots "2,53 %";
3° à la ligne commençant par les mots "annexe II.5", troisième colonne, les mots "4,78 % sont remplacés par les mots "5,32 %";
4° à la ligne commençant par les mots "annexe III.1 avec l'annexe III.3", troisième colonne, les mots "36,19 %" sont remplacés par les mots "36,90 %";
5° à la ligne commençant par les mots "annexe III.2", troisième colonne, les mots "3,93 %" sont remplacés par les mots "6,88 %";
6° à la ligne commençant par les mots "annexe III.6", troisième colonne, les mots "20 %" sont remplacés par les mots "8,57 %".
1° à la ligne commençant par les mots "annexe I.1", troisième colonne, les mots "13,30 %" sont remplacés par les mots "19,81 %";
2° à la ligne commençant par les mots "annexe I.2", troisième colonne, les mots "1,80 %" sont remplacés par les mots "2,53 %";
3° à la ligne commençant par les mots "annexe II.5", troisième colonne, les mots "4,78 % sont remplacés par les mots "5,32 %";
4° à la ligne commençant par les mots "annexe III.1 avec l'annexe III.3", troisième colonne, les mots "36,19 %" sont remplacés par les mots "36,90 %";
5° à la ligne commençant par les mots "annexe III.2", troisième colonne, les mots "3,93 %" sont remplacés par les mots "6,88 %";
6° à la ligne commençant par les mots "annexe III.6", troisième colonne, les mots "20 %" sont remplacés par les mots "8,57 %".
Art.148. In de bijlage VII bij dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de tabel onder Titel 1, Hoofdstuk 9, wordt aangevuld met de lijn opgenomen in de bijlage I gevoegd bij deze wet;
2° de bepaling onder VII.1.15.3. wordt opgeheven;
3° de tabel onder Titel 2, Hoofdstuk 2, wordt aangevuld met de lijn opgenomen in de bijlage II gevoegd bij deze wet;
4° de bepaling onder VII.12.5.3 wordt opgeheven;
5° de bepaling onder VII.12.5.4 wordt opgeheven.
1° de tabel onder Titel 1, Hoofdstuk 9, wordt aangevuld met de lijn opgenomen in de bijlage I gevoegd bij deze wet;
2° de bepaling onder VII.1.15.3. wordt opgeheven;
3° de tabel onder Titel 2, Hoofdstuk 2, wordt aangevuld met de lijn opgenomen in de bijlage II gevoegd bij deze wet;
4° de bepaling onder VII.12.5.3 wordt opgeheven;
5° de bepaling onder VII.12.5.4 wordt opgeheven.
Art.148. Dans l'annexe VII de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° le tableau sous titre 1er, chapitre 9, est complété par la ligne figurant dans l'annexe I jointe à la présente loi;
2° le VII.1.15.3. est abrogé;
3° le tableau sous titre 2, chapitre 2, est complété par la ligne figurant dans l'annexe II jointe à la présente loi;
4° le VII.12.5.3. est abrogé;
5° le VII.12.5.4. est abrogé.
1° le tableau sous titre 1er, chapitre 9, est complété par la ligne figurant dans l'annexe I jointe à la présente loi;
2° le VII.1.15.3. est abrogé;
3° le tableau sous titre 2, chapitre 2, est complété par la ligne figurant dans l'annexe II jointe à la présente loi;
4° le VII.12.5.3. est abrogé;
5° le VII.12.5.4. est abrogé.
Art.149. In de bijlage IX van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder IX.2.19, in de tweede kolom, wordt aangevuld met de woorden "en/of dat een herbruikbaar chirurgisch instrument is";
2° de tabel onder hoofdstuk 3 wordt vervangen door de tabel opgenomen in de bijlage III gevoegd bij deze wet;
3° in de tabel onder hoofdstuk 3, worden de woorden "311,06" vervangen door de woorden "330,67".
1° de bepaling onder IX.2.19, in de tweede kolom, wordt aangevuld met de woorden "en/of dat een herbruikbaar chirurgisch instrument is";
2° de tabel onder hoofdstuk 3 wordt vervangen door de tabel opgenomen in de bijlage III gevoegd bij deze wet;
3° in de tabel onder hoofdstuk 3, worden de woorden "311,06" vervangen door de woorden "330,67".
Art.149. Dans l'annexe IX de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° la disposition sous IX.2.19, dans la deuxième colonne, est complétée par les mots "et/ou qui est un instrument chirurgical réutilisable";
2° le tableau sous chapitre 3 est remplacé par le tableau figurant dans l'annexe III jointe à la présente loi;
3° dans le tableau sous chapitre 3, les mots "311,06" sont remplacés par les mots "330,67".
1° la disposition sous IX.2.19, dans la deuxième colonne, est complétée par les mots "et/ou qui est un instrument chirurgical réutilisable";
2° le tableau sous chapitre 3 est remplacé par le tableau figurant dans l'annexe III jointe à la présente loi;
3° dans le tableau sous chapitre 3, les mots "311,06" sont remplacés par les mots "330,67".
Art.150. Aan dezelfde wet wordt een bijlage X, opgenomen in de bijlage IV gevoegd bij deze wet, toegevoegd.
Art.150. A la même loi, une annexe X, figurant dans l'annexe IV jointe à la présente loi, est ajoutée.
Art.151. Artikel 47, § 3 van de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en artikel 34/2, § 3 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon worden opgeheven.
Art.151. L'article 47, § 3 de la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques avec des médicaments à usage humain et l'article 34/2, § 3 de la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine sont abrogés.
Afdeling 2. - Financiering van het Bioplatform
Section 2. - Financement de la Bioplateforme
Art.152. § 1. Er wordt een bijzondere bijdrage opgelegd:
1° voor het jaar 2024: aan de opdrachtgever van een lopende klinische proef, waarvoor een aanvraag of aanvraag voor een toegelaten substantiële wijziging is gedaan tijdens een referentieperiode bestaande uit de jaren 2021, 2022 en 2023;
2° voor het jaar 2025: aan de opdrachtgever van een lopende klinische proef, waarvoor een aanvraag of aanvraag voor een toegelaten substantiële wijziging is gedaan tijdens een referentieperiode bestaande uit de jaren 2022, 2023 en 2024.
Op het einde van het jaar waarvoor de bijdrage wordt geheven wordt een berekening gemaakt van de kosten die het FAGG tijdens dat jaar heeft gemaakt om het Bioplatform op te richten.
Indien de totale opbrengst van de bijdragen die door alle bijdrageplichtigen gezamenlijk werden betaald in dat jaar het totaal van deze kosten overschrijdt, wordt het deel van de opbrengst van de bijdragen die de gemaakte kosten overschrijdt, teruggestort aan de bijdrageplichtigen, elk overeenkomstig hun aandeel in de opbrengst van de bijdragen.
§ 2. De tarieven van de bijzondere bijdragen bedoeld in paragraaf 1 bedragen 184,77 euro per initiële aanvraag en 36,96 euro per substantiële wijziging die plaatsvond tijdens de referentieperiode bedoeld in paragraaf 1.
§ 3. De tarieven bedoeld in paragraaf 2 worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk, in functie van het indexcijfer van de maand september. Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand september 2017. De geïndexeerde bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn opeisbaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat gedurende hetwelk de aanpassing is uitgevoerd.
1° voor het jaar 2024: aan de opdrachtgever van een lopende klinische proef, waarvoor een aanvraag of aanvraag voor een toegelaten substantiële wijziging is gedaan tijdens een referentieperiode bestaande uit de jaren 2021, 2022 en 2023;
2° voor het jaar 2025: aan de opdrachtgever van een lopende klinische proef, waarvoor een aanvraag of aanvraag voor een toegelaten substantiële wijziging is gedaan tijdens een referentieperiode bestaande uit de jaren 2022, 2023 en 2024.
Op het einde van het jaar waarvoor de bijdrage wordt geheven wordt een berekening gemaakt van de kosten die het FAGG tijdens dat jaar heeft gemaakt om het Bioplatform op te richten.
Indien de totale opbrengst van de bijdragen die door alle bijdrageplichtigen gezamenlijk werden betaald in dat jaar het totaal van deze kosten overschrijdt, wordt het deel van de opbrengst van de bijdragen die de gemaakte kosten overschrijdt, teruggestort aan de bijdrageplichtigen, elk overeenkomstig hun aandeel in de opbrengst van de bijdragen.
§ 2. De tarieven van de bijzondere bijdragen bedoeld in paragraaf 1 bedragen 184,77 euro per initiële aanvraag en 36,96 euro per substantiële wijziging die plaatsvond tijdens de referentieperiode bedoeld in paragraaf 1.
§ 3. De tarieven bedoeld in paragraaf 2 worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk, in functie van het indexcijfer van de maand september. Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand september 2017. De geïndexeerde bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn opeisbaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat gedurende hetwelk de aanpassing is uitgevoerd.
Art.152. § 1. Une contribution spéciale est imposée:
1° pour l'année 2024: au promoteur d'un essai clinique en cours pour lequel une demande ou une demande de modification substantielle autorisée a été introduite au cours d'une période de référence comprenant les années 2021, 2022 et 2023;
2° pour l'année 2025: au promoteur d'un essai clinique en cours, pour lequel une demande ou une demande de modification substantielle autorisée a été introduite au cours d'une période de référence comprenant les années 2022, 2023 et 2024.
A la fin de l'année pour laquelle la contribution est perçue, un calcul est effectué sur les coûts encourus par l'AFMPS au cours de cette année pour la mise en place de la Bioplateforme.
Si le produit total des contributions versées par l'ensemble des contributeurs au cours de l'année dépasse le total de ces coûts, la partie du produit des contributions dépassant les coûts encourus est restituée aux contributeurs, chacun selon sa part du produit des contributions.
§ 2. Les taux des contributions spéciales visées au paragraphe 1er sont de 184,77 euros par demande initiale et de 36,96 euros par modification substantielle intervenue au cours de la période de référence visée au paragraphe 1er.
§ 3. Les taux visés au paragraphe 2 sont adaptés chaque année à l'évolution de l'indice national des prix à la consommation, en fonction de l'indice du mois de septembre. L'indice initial est celui du mois de septembre 2017. Les montants indexés sont publiés au Moniteur belge et sont exigibles à partir du 1er janvier de l'année qui suit celle durant laquelle l'adaptation a été effectuée.
1° pour l'année 2024: au promoteur d'un essai clinique en cours pour lequel une demande ou une demande de modification substantielle autorisée a été introduite au cours d'une période de référence comprenant les années 2021, 2022 et 2023;
2° pour l'année 2025: au promoteur d'un essai clinique en cours, pour lequel une demande ou une demande de modification substantielle autorisée a été introduite au cours d'une période de référence comprenant les années 2022, 2023 et 2024.
A la fin de l'année pour laquelle la contribution est perçue, un calcul est effectué sur les coûts encourus par l'AFMPS au cours de cette année pour la mise en place de la Bioplateforme.
Si le produit total des contributions versées par l'ensemble des contributeurs au cours de l'année dépasse le total de ces coûts, la partie du produit des contributions dépassant les coûts encourus est restituée aux contributeurs, chacun selon sa part du produit des contributions.
§ 2. Les taux des contributions spéciales visées au paragraphe 1er sont de 184,77 euros par demande initiale et de 36,96 euros par modification substantielle intervenue au cours de la période de référence visée au paragraphe 1er.
§ 3. Les taux visés au paragraphe 2 sont adaptés chaque année à l'évolution de l'indice national des prix à la consommation, en fonction de l'indice du mois de septembre. L'indice initial est celui du mois de septembre 2017. Les montants indexés sont publiés au Moniteur belge et sont exigibles à partir du 1er janvier de l'année qui suit celle durant laquelle l'adaptation a été effectuée.
Afdeling 3. - Opheffingsbepalingen
Section 3. - Dispositions abrogatoires
Art.153. In de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2023, wordt het artikel 34/2 opgeheven.
Art.153. Dans la loi du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine, modifiée en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2023, l'article 34/2 est abrogé.
Art.154. In de wet van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 juli 2023, wordt artikel 47 opgeheven.
Art.154. Dans la loi du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain, modifiée en dernier lieu par la loi du 11 juillet 2023, l'article 47 est abrogé.
Art.155. Het koninklijk besluit van 16 december 2021 betreffende de financiering van de activiteiten uitgevoerd door het FAGG krachtens de wetten van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon en van 7 mei 2017 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik, wordt opgeheven.
Art.155. L'arrêté royal du 16 décembre 2021 relatif au financement des activités effectuées par l'AFMPS en vertu des lois du 7 mai 2004 relative aux expérimentations sur la personne humaine et du 7 mai 2017 relative aux essais cliniques de médicaments à usage humain est abrogé.
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art.156. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 139, 144, 1° en 2°, 149, 1° en 2°, in werking op 6 februari 2024.
In afwijking van het eerste lid, treden artikel 144, 3°, artikel 145, 2°, 4°, 5°, 7° en 9°, artikel 146, 2°, 4°, 6°, 8°, 10° en 12°, en artikel 149, 3° in werking op 1 januari 2025.
In afwijking van het eerste lid, treden de artikelen 139, 144, 1° en 2°, 149, 1° en 2°, in werking op 6 februari 2024.
In afwijking van het eerste lid, treden artikel 144, 3°, artikel 145, 2°, 4°, 5°, 7° en 9°, artikel 146, 2°, 4°, 6°, 8°, 10° en 12°, en artikel 149, 3° in werking op 1 januari 2025.
Art.156. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 139, 144, 1° et 2°, 149, 1° et 2°, entrent en vigueur le 6 février 2024.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 144, 3°, l'article 145, 2°, 4°, 5°, 7° et 9°, l'article 146, 2°, 4°, 6°, 8°, 10° et 12°, et l'article 149, 3° entrent en vigueur le 1er janvier 2025.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 139, 144, 1° et 2°, 149, 1° et 2°, entrent en vigueur le 6 février 2024.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 144, 3°, l'article 145, 2°, 4°, 5°, 7° et 9°, l'article 146, 2°, 4°, 6°, 8°, 10° et 12°, et l'article 149, 3° entrent en vigueur le 1er janvier 2025.
TITEL 9. - Pensioenen
TITRE 9. - Pensions
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale
Art.157. In artikel 3, 7°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen in sociale zaken, ingevoegd bij de programmawet van 25 december 2017, worden de woorden "en b)" opgeheven.
Art.157. Dans l'article 3, 7°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, inséré par la loi-programme du 25 décembre 2017, les mots "et b)" sont supprimés.
Art.158. Artikel 157 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2023.
Art.158. L'article 157 produit ses effets le 1er janvier 2023.
TITEL 10. - Sociale zaken
TITRE 10. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid
CHAPITRE 1er.- Modification de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale
Afdeling 1. - Alternatieve financiering van het stelsel van de werknemers vanaf 2024
Section 1re. - Financement alternatif du régime des travailleurs salariés à partir de 2024
Art.159. In artikel 2 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 21,70 % van de opbrengst van de belasting over de toegevoegde waarde, hierna te noemen "btw", voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze belasting en toegewezen aan het RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit percentage van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 8.577.896 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 21,70 % van de opbrengst van de belasting over de toegevoegde waarde, hierna te noemen "btw", voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze belasting en toegewezen aan het RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit percentage van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 8.577.896 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art.159. A l'article 2 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 21,70 % du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, dénommée ci-après "T.V.A.", sont prélevés sur le montant net encaissé de cette taxe et affectés à l'ONSS-Gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce pourcentage de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit;
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 8.577.896 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce montant minimum de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 21,70 % du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, dénommée ci-après "T.V.A.", sont prélevés sur le montant net encaissé de cette taxe et affectés à l'ONSS-Gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce pourcentage de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit;
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 8.577.896 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce montant minimum de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
Art.160. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 78,08 % van de opbrengst van de roerende voorheffing voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze voorheffing en toegewezen aan het RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit percentage van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 4.233.705 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 78,08 % van de opbrengst van de roerende voorheffing voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze voorheffing en toegewezen aan het RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit percentage van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 4.233.705 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of andere tewerkstellingsmaatregelen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art.160. A l'article 3 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 78,08 % du produit du précompte mobilier sont prélevés sur le montant net encaissé de ce précompte et affectés à l'ONSS-Gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce pourcentage de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 4.233.705 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce montant minimum de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 78,08 % du produit du précompte mobilier sont prélevés sur le montant net encaissé de ce précompte et affectés à l'ONSS-Gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce pourcentage de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 4.233.705 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou d'autres mesures en faveur de l'emploi sont décidées, ce montant minimum de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
Art.161. In hoofdstuk 2, afdeling 1, van dezelfde wet wordt onderafdeling 2, dat artikel 5 bevat, opgeheven.
Art.161. Dans le chapitre 2, section 1re, de la même loi, la sous-section 2, comportant l'article 5, est abrogée.
Art.162. In hoofdstuk 2, afdeling 1, van dezelfde wet wordt onderafdeling 3, dat artikel 6 bevat, laatstelijk gewijzigd bij wet van 16 oktober 2023, opgeheven.
Art.162. Dans le chapitre 2, section 1re, de la même loi, la sous-section 3, comportant l'article 6, modifié en dernier lieu par la loi du 16 octobre 2023, est abrogée.
Art.163. In artikel 7 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden "om de betaling van de bedragen te garanderen die krachtens artikelen 2, 5 en 6 verschuldigd zijn" vervangen door de woorden "en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing om de betaling van het bedrag te garanderen dat krachtens artikel 2 verschuldigd is";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Evenzo mag een bijkomend bedrag voorafgenomen worden van het netto geïnde bedrag van de accijnzen op tabak en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing, wanneer vastgesteld wordt dat het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing niet volstaat om het bedrag zoals vastgesteld in artikel 3 te financieren zonder dat deze voorafname evenwel groter kan zijn dan het vastgestelde tekort van het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing.".
1° in paragraaf 1, worden de woorden "om de betaling van de bedragen te garanderen die krachtens artikelen 2, 5 en 6 verschuldigd zijn" vervangen door de woorden "en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing om de betaling van het bedrag te garanderen dat krachtens artikel 2 verschuldigd is";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Evenzo mag een bijkomend bedrag voorafgenomen worden van het netto geïnde bedrag van de accijnzen op tabak en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing, wanneer vastgesteld wordt dat het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing niet volstaat om het bedrag zoals vastgesteld in artikel 3 te financieren zonder dat deze voorafname evenwel groter kan zijn dan het vastgestelde tekort van het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing.".
Art.163. A l'article 7 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots "pour garantir le paiement des montants dus en application des articles 2, 5 et 6," sont remplacés par les mots "et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel pour garantir le paiement du montant dû en application de l'article 2,";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. De même un montant supplémentaire peut être prélevé sur le montant net encaissé des accises sur le tabac et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel, quand il est constaté que le montant net encaissé du précompte mobilier ne suffit pas pour financer le montant tel que fixé à l'article 3, sans que néanmoins ce prélèvement puisse être supérieur au montant de l'insuffisance constatée du montant net encaissé du précompte mobilier.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "pour garantir le paiement des montants dus en application des articles 2, 5 et 6," sont remplacés par les mots "et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel pour garantir le paiement du montant dû en application de l'article 2,";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. De même un montant supplémentaire peut être prélevé sur le montant net encaissé des accises sur le tabac et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel, quand il est constaté que le montant net encaissé du précompte mobilier ne suffit pas pour financer le montant tel que fixé à l'article 3, sans que néanmoins ce prélèvement puisse être supérieur au montant de l'insuffisance constatée du montant net encaissé du précompte mobilier.".
Art.164. In artikel 20, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing" ingevoegd tussen de woorden "accijnzen op tabak" en de woorden "om de betaling".
Art.164. Dans l'article 20, § 1er, de la même loi, les mots "et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel" sont insérés entre les mots "accises sur le tabac" et les mots "pour garantir le paiement".
Afdeling 2. - Alternatieve financiering van het stelsel van de zelfstandigen vanaf 2024
Section 2. - Financement alternatif du régime des travailleurs indépendants à partir de 2024
Art.165. In artikel 9 van de wet van 18 april 2017 houdende hervorming van de financiering van de sociale zekerheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 4,54 % van de opbrengst van de btw voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze belasting en toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit percentage van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 1.794.638 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 4,54 % van de opbrengst van de btw voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze belasting en toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit percentage van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 1.794.638 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de btw worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art.165. A l'article 9 de la loi du 18 avril 2017 portant réforme du financement de la sécurité sociale, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 4,54 % du produit de la T.V.A. sont prélevés sur le montant net encaissé de cette taxe et affectés au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants, visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce pourcentage de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 1.794.638 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce montant minimum de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 4,54 % du produit de la T.V.A. sont prélevés sur le montant net encaissé de cette taxe et affectés au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants, visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce pourcentage de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 1.794.638 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce montant minimum de T.V.A. peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
Art.166. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 15,52 % van de opbrengst van de roerende voorheffing voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze voorheffing en toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit percentage van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 841.536 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Vanaf 1 januari 2024 wordt 15,52 % van de opbrengst van de roerende voorheffing voorafgenomen van het netto geïnde bedrag van deze voorheffing en toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit percentage van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag mag niet lager zijn dan 841.536 duizend euro. Dit laatste bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar. Het definitieve minimumbedrag voor het jaar T wordt vastgesteld in de maand januari van het jaar T+1 op basis van de werkelijke gemiddelde gezondheidsindex van het jaar T (uitgedrukt in 2 decimalen na de komma).
Als er nieuwe bijdrageverminderingen of bijkomende bijdrageverminderingen of sociale verbeteringen binnen het stelsel van de zelfstandigen worden beslist, kan dit minimumbedrag van de roerende voorheffing worden aangepast door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".
Art.166. A l'article 10 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 15,52 % du produit du précompte mobilier sont prélevés sur le montant net encaissé de ce précompte et affectés au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce pourcentage de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 841.536 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce montant minimum de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. A partir du 1er janvier 2024, 15,52 % du produit du précompte mobilier sont prélevés sur le montant net encaissé de ce précompte et affectés au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce pourcentage de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le montant fixé conformément au § 1er ne peut être inférieur au montant de 841.536 milliers d'euros. Ce dernier montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année. Le montant minimum définitif pour l'année T sera déterminé au mois de janvier de l'année T+1 sur la base de l'indice santé moyen réel de l'année T (exprimé avec deux décimales).
Si de nouvelles réductions de cotisations ou des réductions de cotisations sociales supplémentaires ou des améliorations sociales dans le régime des travailleurs indépendants sont décidées, ce montant minimum de précompte mobilier peut être adapté par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.".
Art.167. In hoofdstuk 2, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt onderafdeling 2, dat artikel 12 bevat, opgeheven.
Art.167. Dans le chapitre 2, section 2, de la même loi, la sous-section 2, comportant l'article 12, est abrogée.
Art.168. In hoofdstuk 2, afdeling 2, van dezelfde wet, wordt onderafdeling 3, dat artikel 13 bevat, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 oktober 2023, opgeheven.
Art.168. Dans le chapitre 2, section 2, de la même loi, la sous-section 3, comportant l'article 13, modifiée en dernier lieu par la loi du 16 octobre 2023, est abrogée.
Art.169. In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "om de betaling van de bedragen te garanderen die krachtens artikelen 9, 12 en 13 verschuldigd zijn" vervangen door de woorden "en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing om de betaling van het bedrag te garanderen dat krachtens artikel 9 verschuldigd is";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Evenzo mag een bijkomend bedrag voorafgenomen worden van het netto geïnde bedrag van de accijnzen op tabak en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing, wanneer vastgesteld wordt dat het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing niet volstaat om het bedrag zoals vastgesteld in artikel 10 te financieren zonder dat deze voorafname evenwel groter kan zijn dan het vastgestelde tekort van het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "om de betaling van de bedragen te garanderen die krachtens artikelen 9, 12 en 13 verschuldigd zijn" vervangen door de woorden "en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing om de betaling van het bedrag te garanderen dat krachtens artikel 9 verschuldigd is";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Evenzo mag een bijkomend bedrag voorafgenomen worden van het netto geïnde bedrag van de accijnzen op tabak en indien dit onvoldoende is, op het netto geïnde bedrag van de bedrijfsvoorheffing, wanneer vastgesteld wordt dat het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing niet volstaat om het bedrag zoals vastgesteld in artikel 10 te financieren zonder dat deze voorafname evenwel groter kan zijn dan het vastgestelde tekort van het netto geïnde bedrag van de roerende voorheffing.".
Art.169. A l'article 14 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots "pour garantir le paiement des montants dus en application des articles 9, 12 et 13," sont remplacés par les mots "et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel pour garantir le paiement du montant dû en application de l'article 9,";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. De même un montant supplémentaire peut être prélevé sur le montant net encaissé des accises sur le tabac et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel, quand il est constaté que le montant net encaissé du précompte mobilier ne suffit pas pour financer le montant tel que fixé à l'article 10, sans que néanmoins ce prélèvement puisse être supérieur au montant de l'insuffisance constatée du montant net encaissé du précompte mobilier.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "pour garantir le paiement des montants dus en application des articles 9, 12 et 13," sont remplacés par les mots "et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel pour garantir le paiement du montant dû en application de l'article 9,";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. De même un montant supplémentaire peut être prélevé sur le montant net encaissé des accises sur le tabac et, si ce dernier est insuffisant, sur le montant net encaissé du précompte professionnel, quand il est constaté que le montant net encaissé du précompte mobilier ne suffit pas pour financer le montant tel que fixé à l'article 10, sans que néanmoins ce prélèvement puisse être supérieur au montant de l'insuffisance constatée du montant net encaissé du précompte mobilier.".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art.170. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.170. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 2. - Uitkeringsverzekering
CHAPITRE 2. - Assurance indemnités
Afdeling 1. - Verhoging van het bedrag van de werkhervattingspremie
Section 1re. - Augmentation du montant de la prime de reprise du travail
Art.171. In artikel 110/1, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de programmawet van 26 december 2022, wordt het getal "1.000" vervangen door het getal "1.725".
Art.171. Dans l'article 110/1, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi-programme du 26 décembre 2022, le nombre "1.000" est remplacé par le nombre "1.725".
Art.172. Artikel 171 treedt in werking op 1 januari 2024 en is slechts van toepassing op voorwaarde dat zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts, naargelang het geval, bedoeld in artikel 100, § 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en in de artikelen 23 en 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten als de werkhervatting door de invalide erkende gerechtigde bij de werkgever op grond van deze toelating ten vroegste aanvatten op 1 januari 2024.
Art.172. L'article 171 entre en vigueur le 1erjanvier 2024 et ne s'applique qu'à la condition que la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil, selon le cas, visée à l'article 100, § 2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, et aux articles 23 et 23bis de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et la reprise du travail auprès de l'employeur par le titulaire reconnu en invalidité, sur la base de cette autorisation, ne débutent que le 1er janvier 2024 au plus tôt.
Afdeling 2. - Afschaffing van de opleidingspremie en van de slaagpremie
Section 2. - Suppression de la prime de formation et de l'allocation de réussite
Art.173. Artikel 215sexies van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 maart 2009 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt opgeheven.
Art.173. L'article 215sexies de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par l'arrêté royal du 30 mars 2009 et modifié par la loi du 29 mars 2012, est abrogé.
Art.174. Artikel 173 treedt in werking op 1 januari 2024 en is van toepassing op de aanvragen tot tenlasteneming van een nieuw programma van beroepsherscholing die vanaf 1 januari 2024 bij de Geneeskundige raad voor invaliditeit worden ingediend.
Art.174. L'article 173 entre en vigueur le 1er janvier 2024 et s'applique aux demandes de prise en charge d'un nouveau programme de réadaptation professionnelle introduites auprès du Conseil médical de l'invalidité à partir du 1er janvier 2024.
Afdeling 3. - Provisionele inhouding op de administratiekosten toegekend aan de landsbonden van ziekenfondsen
Section 3. - Retenue provisoire sur les frais d'administration octroyés aux unions nationales de mutualités
Art.175. Voor de toepassing van artikel 176 moet worden verstaan onder:
1° "gecoördineerde wet van 14 juli 1994": de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° "uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996": het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten en het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° "Dienst voor uitkeringen": de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 78 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
4° "landsbond": een landsbond zoals bepaald in artikel 6 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
5° "arbeidsongeschikt erkende gerechtigden": de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 of artikel 19 van koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
6° "periode van primaire ongeschiktheid": de periode van primaire ongeschiktheid, naargelang het geval, bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 of artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
7° "fysiek contact": een medisch onderzoek op grond waarvan de adviserend arts de restcapaciteiten heeft ingeschat overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°, of artikel 110, § 4, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en, in voorkomend geval, de staat van arbeidsongeschiktheid heeft geëvalueerd of een fysiek contactmoment op grond waarvan de medewerker van het multidisciplinaire team de restcapaciteiten heeft geëvalueerd overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°, of artikel 110, § 4, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en, in voorkomend geval, de adviserend arts heeft ondersteund bij zijn evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid;
8° "vragenlijst": de vragenlijst die de adviserend arts tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt naar de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde met toepassing van de desbetreffende bepalingen in de uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 om de gegevens te bezorgen die noodzakelijk zijn voor de inschatting van zijn restcapaciteiten in het kader van de verificatie of een "Terug Naar Werk-traject" kan aanvatten overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1° of artikel 110, § 4, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
9° "indicator": een meetbaar gegeven dat een signalerende functie heeft over de mate van kwaliteit over de werking van de landsbond en de ziekenfondsen die bij hem zijn aangesloten.
1° "gecoördineerde wet van 14 juli 1994": de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° "uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996": het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten en het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° "Dienst voor uitkeringen": de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoeld in artikel 78 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
4° "landsbond": een landsbond zoals bepaald in artikel 6 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
5° "arbeidsongeschikt erkende gerechtigden": de gerechtigden die arbeidsongeschikt zijn erkend overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 of artikel 19 van koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
6° "periode van primaire ongeschiktheid": de periode van primaire ongeschiktheid, naargelang het geval, bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 of artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
7° "fysiek contact": een medisch onderzoek op grond waarvan de adviserend arts de restcapaciteiten heeft ingeschat overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°, of artikel 110, § 4, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en, in voorkomend geval, de staat van arbeidsongeschiktheid heeft geëvalueerd of een fysiek contactmoment op grond waarvan de medewerker van het multidisciplinaire team de restcapaciteiten heeft geëvalueerd overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°, of artikel 110, § 4, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en, in voorkomend geval, de adviserend arts heeft ondersteund bij zijn evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid;
8° "vragenlijst": de vragenlijst die de adviserend arts tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt naar de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde met toepassing van de desbetreffende bepalingen in de uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 om de gegevens te bezorgen die noodzakelijk zijn voor de inschatting van zijn restcapaciteiten in het kader van de verificatie of een "Terug Naar Werk-traject" kan aanvatten overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1° of artikel 110, § 4, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
9° "indicator": een meetbaar gegeven dat een signalerende functie heeft over de mate van kwaliteit over de werking van de landsbond en de ziekenfondsen die bij hem zijn aangesloten.
Art.175. Pour l'application de l'article 176, on entend par:
1° "loi coordonnée du 14 juillet 1994": la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° "arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996": l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
3° "Service des indemnités": le Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 78 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994;
4° "union nationale": une union nationale, telle que définie à l'article 6 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
5° "titulaires reconnus en incapacité de travail": les titulaires reconnus en incapacité de travail conformément à l'article 100 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ou à l'article 19 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
6° "période d'incapacité primaire": la période d'incapacité primaire, selon le cas, visée à l'article 87 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ou à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
7° "contact physique": un examen médical sur base duquel le médecin-conseil, a évalué les capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et, le cas échéant, l'état d'incapacité de travail ou un moment de contact physique sur base duquel le membre de l'équipe multidisciplinaire a évalué les capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et, le cas échéant, a soutenu le médecin-conseil dans son évaluation de l'état d'incapacité de travail;
8° "questionnaire": le questionnaire que le médecin-conseil envoie au titulaire reconnu en incapacité de travail dix semaines après le début de l'incapacité de travail en application des dispositions concernées des arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996 pour transmettre les données qui sont nécessaires pour l'estimation de ses capacités restantes dans le cadre de la vérification de la possibilité d'entamer un "Trajet Retour Au Travail" conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994;
9° "indicateur": une donnée mesurable qui a une fonction signalante sur la mesure de la qualité du travail de l'union nationale et des mutualités qui lui sont affiliés.
1° "loi coordonnée du 14 juillet 1994": la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° "arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996": l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
3° "Service des indemnités": le Service des indemnités de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité visé à l'article 78 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994;
4° "union nationale": une union nationale, telle que définie à l'article 6 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
5° "titulaires reconnus en incapacité de travail": les titulaires reconnus en incapacité de travail conformément à l'article 100 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ou à l'article 19 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
6° "période d'incapacité primaire": la période d'incapacité primaire, selon le cas, visée à l'article 87 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 ou à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
7° "contact physique": un examen médical sur base duquel le médecin-conseil, a évalué les capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et, le cas échéant, l'état d'incapacité de travail ou un moment de contact physique sur base duquel le membre de l'équipe multidisciplinaire a évalué les capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et, le cas échéant, a soutenu le médecin-conseil dans son évaluation de l'état d'incapacité de travail;
8° "questionnaire": le questionnaire que le médecin-conseil envoie au titulaire reconnu en incapacité de travail dix semaines après le début de l'incapacité de travail en application des dispositions concernées des arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996 pour transmettre les données qui sont nécessaires pour l'estimation de ses capacités restantes dans le cadre de la vérification de la possibilité d'entamer un "Trajet Retour Au Travail" conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°, ou à l'article 110, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994;
9° "indicateur": une donnée mesurable qui a une fonction signalante sur la mesure de la qualité du travail de l'union nationale et des mutualités qui lui sont affiliés.
Art.176. § 1. Voor het dienstjaar 2024 wordt een provisionele inhouding van 0,5 % verricht op het totaalbedrag aan administratiekosten dat wordt toegekend aan de vijf landsbonden en dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 195, § 1, 2°, derde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Het precieze bedrag van de voormelde voorlopige inhouding wordt voor elke landsbond vastgesteld volgens de verdeelsleutel bepaald in uitvoering van artikel 195, § 1, 2°, negende lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
De toekenning van het ingehouden bedrag bedoeld in het eerste lid hangt af van de wijze waarop de betrokken landsbond en de bij hem aangesloten ziekenfondsen de krachtens de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 toevertrouwde voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de arbeidsongeschikte erkende gerechtigden hebben vervuld en geregistreerd volgens de indicator bepaald in paragraaf 2.
§ 2. Opdat de landsbond in maart 2025 het overeenkomstig paragraaf 1 provisioneel ingehouden bedrag na de evaluatieperiode kan ontvangen, is een indicator van toepassing die bestaat uit een breuk waarvan de teller overeenstemt met het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarvoor de voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten correct zijn uitgevoerd en waarvan de noemer overeenstemt met het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarnaar een vragenlijst in het kader van de eerste inschatting van de restcapaciteiten moet worden verstuurd. Het resultaat van deze indicator moet minstens gelijk zijn aan 0,95.
Voor de toepassing van de breuk omschreven in het eerste lid worden de teller en de noemer als volgt bepaald:
1° in de teller, "het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarvoor de voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten correct zijn uitgevoerd": het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden dat gelijk is aan de som van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden die deel uitmaken van één van de twee hiernavolgende categorieën met toepassing van de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996:
a) de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 een vragenlijst is verzonden en die vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid deze vragenlijst, in voorkomend geval na de nodige ondersteuning te hebben ontvangen van de "Terug Naar Werk-coördinator", behoorlijk ingevuld hebben bezorgd aan de adviserend arts;
b) de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 een vragenlijst is verzonden en die, zelfs na het aanbod tot ondersteuning door de "Terug Naar Werk-coördinator" te hebben ontvangen, deze vragenlijst niet vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid behoorlijk ingevuld hebben bezorgd aan de adviserend arts, maar die vóór het verstrijken van de vijfde maand van de periode van primaire ongeschiktheid zich bevinden in één van de volgende situaties:
- de gerechtigde was aanwezig op het fysieke contact;
- de gerechtigde was zonder een geldige rechtvaardiging afwezig op het fysieke contact en, naargelang het geval, de vermindering of de schorsing van de uitkering is toegepast;
- de gerechtigde was met een geldige rechtvaardiging afwezig op het fysieke contact en een nieuw fysiek contact is ingepland.
2° in de noemer, "het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarnaar een vragenlijst in het kader van de eerste inschatting van de restcapaciteiten moet worden verstuurd": het aantal arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar op grond van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024:
a) een vragenlijst is verzonden;
b) zonder geldige reden geen vragenlijst is verzonden.
De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde wordt echter niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de noemer bedoeld in het tweede lid, 2°, als de behoorlijk ingevulde vragenlijst nog niet is bezorgd aan de adviserend arts alvorens één van de volgende gebeurtenissen met betrekking tot deze gerechtigde zich vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid heeft voorgedaan:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde is beëindigd of de gerechtigde is overleden;
2° de gerechtigde heeft zijn mutatie bij een nieuwe verzekeringsinstelling verkregen;
3° de gerechtigde heeft een activiteit met de toelating van de adviserend arts hervat.
De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde wordt echter eveneens niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de noemer bedoeld in het tweede lid, 2°, als het fysieke contact niet is georganiseerd omdat uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is of als het fysieke contact niet heeft plaatsgevonden alvorens één van de volgende gebeurtenissen met betrekking tot deze gerechtigde zich vóór het verstrijken van de vijfde maand van de periode van primaire ongeschiktheid heeft voorgedaan:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde is beëindigd of de gerechtigde is overleden;
2° de gerechtigde heeft zijn mutatie bij een nieuwe verzekeringsinstelling verkregen;
3° de gerechtigde heeft een activiteit met de toelating van de adviserend arts hervat.
§ 3. De Dienst voor uitkeringen verwerkt de voor de toepassing van de voorgaande paragrafen door de landsbonden en de bij hen aangesloten ziekenfondsen geregistreerde noodzakelijke gegevens die het uiterlijk tijdens het vierde kwartaal van 2024 ontvangt van deze landsbonden in het kader van de toepassing van artikel 100, § 1/3 en artikel 110, § 3 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Het gaat, naargelang het geval, om de volgende geregistreerde gegevens:
1° de verzending van de vragenlijst naar de gerechtigde, evenals de geldige reden waarom er geen vragenlijst is verstuurd;
2° de ontvangst van de behoorlijk ingevulde vragenlijst zonder dat de "Terug Naar Werk-coördinator" steun heeft moeten aanbieden;
3° het contact door de "Terug Naar Werk-coördinator" om de nodige ondersteuning aan te bieden aan de gerechtigde die niet deze vragenlijst behoorlijk ingevuld heeft bezorgd aan de adviserend arts;
4° de ontvangst van de behoorlijk ingevulde vragenlijst nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" de nodige ondersteuning heeft aangeboden;
5° het fysieke contact georganiseerd door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team;
6° de volgende gegevens verbonden met de uitgavenbescheiden: het einde van de tiende week van de periode van primaire ongeschiktheid, het verkrijgen van de mutatie van de gerechtigde naar een nieuwe verzekeringsinstelling, de vermindering of de schorsing van de uitkering, naargelang het geval, toegepast in geval van een niet geldig gerechtvaardigde afwezigheid op het fysieke contact en het einde van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde of het overlijden van de gerechtigde;
7° de gegevens over de toelating van de adviserend arts om de uitoefening van een aan de gezondheidstoestand aangepaste activiteit te hervatten tijdens de loop van de arbeidsongeschiktheid.
In januari 2025 deelt de Dienst voor uitkeringen aan de landsbonden het resultaat van de indicator bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, en de bijhorende vaststellingen mee die zijn verricht op grond van de gegevens die ontvangen zijn met toepassing van het voorgaande lid. De landsbonden hebben de mogelijkheid om hieromtrent binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de voormelde vaststellingen door de Dienst voor uitkeringen hun opmerkingen mee te delen.
Binnen een termijn van een maand na het verstrijken van de termijn bedoeld in het vorige lid, brengt de Dienst voor uitkeringen aan de landsbond ter kennis of het provisioneel ingehouden bedrag aan administratiekosten bedoeld in paragraaf 1 in maart 2025 kan worden toegekend op basis van de verrichte vaststellingen.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.
De personeelsleden van de Diest voor uitkeringen belast met de verificatie van de indicator bedoeld in paragraaf 2 en de mededeling van het resultaat van deze indicator aan elke landsbond hebben toegang tot de in dit kader verwerkte gegevens.
De toekenning van het ingehouden bedrag bedoeld in het eerste lid hangt af van de wijze waarop de betrokken landsbond en de bij hem aangesloten ziekenfondsen de krachtens de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 toevertrouwde voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de arbeidsongeschikte erkende gerechtigden hebben vervuld en geregistreerd volgens de indicator bepaald in paragraaf 2.
§ 2. Opdat de landsbond in maart 2025 het overeenkomstig paragraaf 1 provisioneel ingehouden bedrag na de evaluatieperiode kan ontvangen, is een indicator van toepassing die bestaat uit een breuk waarvan de teller overeenstemt met het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarvoor de voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten correct zijn uitgevoerd en waarvan de noemer overeenstemt met het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarnaar een vragenlijst in het kader van de eerste inschatting van de restcapaciteiten moet worden verstuurd. Het resultaat van deze indicator moet minstens gelijk zijn aan 0,95.
Voor de toepassing van de breuk omschreven in het eerste lid worden de teller en de noemer als volgt bepaald:
1° in de teller, "het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarvoor de voorbereidende opdrachten inzake de eerste inschatting van de restcapaciteiten correct zijn uitgevoerd": het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden dat gelijk is aan de som van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden die deel uitmaken van één van de twee hiernavolgende categorieën met toepassing van de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996:
a) de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 een vragenlijst is verzonden en die vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid deze vragenlijst, in voorkomend geval na de nodige ondersteuning te hebben ontvangen van de "Terug Naar Werk-coördinator", behoorlijk ingevuld hebben bezorgd aan de adviserend arts;
b) de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 een vragenlijst is verzonden en die, zelfs na het aanbod tot ondersteuning door de "Terug Naar Werk-coördinator" te hebben ontvangen, deze vragenlijst niet vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid behoorlijk ingevuld hebben bezorgd aan de adviserend arts, maar die vóór het verstrijken van de vijfde maand van de periode van primaire ongeschiktheid zich bevinden in één van de volgende situaties:
- de gerechtigde was aanwezig op het fysieke contact;
- de gerechtigde was zonder een geldige rechtvaardiging afwezig op het fysieke contact en, naargelang het geval, de vermindering of de schorsing van de uitkering is toegepast;
- de gerechtigde was met een geldige rechtvaardiging afwezig op het fysieke contact en een nieuw fysiek contact is ingepland.
2° in de noemer, "het aantal arbeidsongeschikte erkende gerechtigden waarnaar een vragenlijst in het kader van de eerste inschatting van de restcapaciteiten moet worden verstuurd": het aantal arbeidsongeschikt erkende gerechtigden waarnaar op grond van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten van 20 juli 1971 en 3 juli 1996 gedurende de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024:
a) een vragenlijst is verzonden;
b) zonder geldige reden geen vragenlijst is verzonden.
De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde wordt echter niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de noemer bedoeld in het tweede lid, 2°, als de behoorlijk ingevulde vragenlijst nog niet is bezorgd aan de adviserend arts alvorens één van de volgende gebeurtenissen met betrekking tot deze gerechtigde zich vóór het verstrijken van de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid heeft voorgedaan:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde is beëindigd of de gerechtigde is overleden;
2° de gerechtigde heeft zijn mutatie bij een nieuwe verzekeringsinstelling verkregen;
3° de gerechtigde heeft een activiteit met de toelating van de adviserend arts hervat.
De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde wordt echter eveneens niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de noemer bedoeld in het tweede lid, 2°, als het fysieke contact niet is georganiseerd omdat uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is of als het fysieke contact niet heeft plaatsgevonden alvorens één van de volgende gebeurtenissen met betrekking tot deze gerechtigde zich vóór het verstrijken van de vijfde maand van de periode van primaire ongeschiktheid heeft voorgedaan:
1° de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde is beëindigd of de gerechtigde is overleden;
2° de gerechtigde heeft zijn mutatie bij een nieuwe verzekeringsinstelling verkregen;
3° de gerechtigde heeft een activiteit met de toelating van de adviserend arts hervat.
§ 3. De Dienst voor uitkeringen verwerkt de voor de toepassing van de voorgaande paragrafen door de landsbonden en de bij hen aangesloten ziekenfondsen geregistreerde noodzakelijke gegevens die het uiterlijk tijdens het vierde kwartaal van 2024 ontvangt van deze landsbonden in het kader van de toepassing van artikel 100, § 1/3 en artikel 110, § 3 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994. Het gaat, naargelang het geval, om de volgende geregistreerde gegevens:
1° de verzending van de vragenlijst naar de gerechtigde, evenals de geldige reden waarom er geen vragenlijst is verstuurd;
2° de ontvangst van de behoorlijk ingevulde vragenlijst zonder dat de "Terug Naar Werk-coördinator" steun heeft moeten aanbieden;
3° het contact door de "Terug Naar Werk-coördinator" om de nodige ondersteuning aan te bieden aan de gerechtigde die niet deze vragenlijst behoorlijk ingevuld heeft bezorgd aan de adviserend arts;
4° de ontvangst van de behoorlijk ingevulde vragenlijst nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" de nodige ondersteuning heeft aangeboden;
5° het fysieke contact georganiseerd door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team;
6° de volgende gegevens verbonden met de uitgavenbescheiden: het einde van de tiende week van de periode van primaire ongeschiktheid, het verkrijgen van de mutatie van de gerechtigde naar een nieuwe verzekeringsinstelling, de vermindering of de schorsing van de uitkering, naargelang het geval, toegepast in geval van een niet geldig gerechtvaardigde afwezigheid op het fysieke contact en het einde van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde of het overlijden van de gerechtigde;
7° de gegevens over de toelating van de adviserend arts om de uitoefening van een aan de gezondheidstoestand aangepaste activiteit te hervatten tijdens de loop van de arbeidsongeschiktheid.
In januari 2025 deelt de Dienst voor uitkeringen aan de landsbonden het resultaat van de indicator bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, en de bijhorende vaststellingen mee die zijn verricht op grond van de gegevens die ontvangen zijn met toepassing van het voorgaande lid. De landsbonden hebben de mogelijkheid om hieromtrent binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de voormelde vaststellingen door de Dienst voor uitkeringen hun opmerkingen mee te delen.
Binnen een termijn van een maand na het verstrijken van de termijn bedoeld in het vorige lid, brengt de Dienst voor uitkeringen aan de landsbond ter kennis of het provisioneel ingehouden bedrag aan administratiekosten bedoeld in paragraaf 1 in maart 2025 kan worden toegekend op basis van de verrichte vaststellingen.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.
De personeelsleden van de Diest voor uitkeringen belast met de verificatie van de indicator bedoeld in paragraaf 2 en de mededeling van het resultaat van deze indicator aan elke landsbond hebben toegang tot de in dit kader verwerkte gegevens.
Art.176. § 1er. Pour l'année de service 2024, une retenue provisoire de 0,5 % est effectuée sur le montant total des frais d'administration octroyé aux cinq unions nationales et fixé conformément à l'article 195, § 1er, 2°, alinéa 3, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994. Le montant exact de la retenue provisoire précitée est déterminé, pour chaque union nationale, selon la clé de répartition prévue en exécution de l'article 195, § 1er, 2°, alinéa 9, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994.
L'octroi du montant retenu visé à l'alinéa 1er dépend de la manière dont l'union nationale concernée et les mutualités qui lui sont affiliées ont rempli et enregistré les missions préparatoires confiées en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996 en ce qui concerne la première évaluation des capacités restantes des titulaires reconnus en incapacité de travail, selon l'indicateur prévu au paragraphe 2.
§ 2. Pour que l'union nationale reçoive, en mars 2025, le montant provisoirement retenu conformément au paragraphe 1er après la période d'évaluation, un indicateur consistant en une fraction est d'application, dont le numérateur correspond au nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail pour lesquels les missions préparatoires relatives à la première estimation des capacités restantes ont été correctement effectuées et dont le dénominateur correspond au nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire relatif à la première estimation des capacités restantes doit être envoyé. Le résultat de cet indicateur doit être au moins égal à 0,95.
Pour l'application de la fraction définie à l'alinéa 1er le numérateur et le dénominateur sont déterminés comme suit:
1° au numérateur, "le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail pour lesquels les missions préparatoires relatives à la première estimation des capacités restantes ont été correctement effectuées": le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail égal à la somme des titulaires reconnus en incapacité de travail appartenant à l'une des deux catégories énumérées ci-dessous en application des dispositions de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996:
a) les titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire a été envoyé au cours de la période du 1er janvier 2024 au 30 juin 2024 et qui, avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, ont remis au médecin-conseil ce questionnaire dûment complété, le cas échéant après avoir reçu le soutien nécessaire du "Coordinateur Retour Au Travail";
b) les titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire a été envoyé au cours de la période du 1er janvier 2024 au 30 juin 2024 et qui, même après avoir reçu l'offre de soutien du "Coordinateur Retour Au Travail", n'ont pas remis ce questionnaire dûment complété au médecin-conseil avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, mais qui se trouvent dans l'une des situations suivantes avant l'expiration du cinquième mois de la période d'incapacité primaire:
- le titulaire était présent lors du contact physique;
- le titulaire était absent lors du contact physique sans justification valable et, selon le cas, la réduction ou la suspension des indemnités a été appliquée;
- le titulaire était absent lors du contact physique avec justification valable et un nouveau contact physique a été planifié.
2° au dénominateur, "le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire relatif à la première estimation des capacités restantes doit être envoyé": le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels, en application de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996, au cours de la période du 1erjanvier 2024 au 30 juin 2024:
a) un questionnaire a été envoyé;
b) aucun questionnaire n'a été envoyé sans raison valable.
Toutefois, le titulaire reconnu en incapacité de travail n'est pas pris en compte pour la détermination du dénominateur visé à l'alinéa 2, 2°, si le questionnaire dûment rempli n'a pas encore été remis au médecin-conseil avant que l'un des événements suivants, concernant ledit titulaire, se soit produit avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire:
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire a pris fin ou le titulaire est décédé;
2° le titulaire a obtenu sa mutation auprès d'un nouvel organisme assureur;
3° le titulaire a repris une activité avec l'autorisation du médecin-conseil.
Toutefois, le titulaire reconnu en incapacité de travail n'est également pas pris en compte pour la détermination du dénominateur visé à l'alinéa 2, 2°, si le contact physique n'a pas été organisé parce qu'il ressort de l'information médicale mise à disposition qu'il n'est pas possible de remplir le questionnaire et qu'un contact physique n'est pas approprié à ce moment-là ou si le contact physique n'a pas eu lieu avant que l'un des événements suivants, concernant ledit titulaire, se soit produit avant l'expiration du cinquième mois de la période d'incapacité primaire:
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire a pris fin ou le titulaire est décédé;
2° le titulaire a obtenu sa mutation auprès d'un nouvel organisme assureur;
3° le titulaire a repris une activité avec l'autorisation du médecin-conseil.
§ 3. Le Service des indemnités traite les données nécessaires, enregistrées par les unions nationales et les mutualités qui leur sont affiliées pour l'application des paragraphes précédents et qu'il reçoit de ces unions nationales au plus tard au quatrième trimestre de 2024 dans le cadre de l'application de l'article 100, § 1er/3 et de l'article 110, § 3 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994. Il s'agit, selon le cas, des données enregistrées suivantes:
1° l'envoi du questionnaire au titulaire, ainsi que la raison valable pour laquelle aucun questionnaire n'a été envoyé;
2° la réception du questionnaire dûment complété sans que le "Coordinateur Retour Au Travail" n'ait eu à offrir de soutien;
3° le contact par le "Coordinateur Retour Au Travail" pour offrir le soutien nécessaire au titulaire qui n'a pas remis ce questionnaire dûment complété au médecin-conseil;
4° la réception du questionnaire dûment complété après que le "Coordinateur Retour Au Travail" ait offert le soutien nécessaire;
5° le contact physique organisé par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
6° les données suivantes liées aux documents de dépenses: l'échéance de la dixième semaine de la période d'incapacité primaire, l'obtention de la mutation du titulaire vers un nouvel organisme assureur, la réduction ou la suspension de l'indemnité, selon le cas, appliquée en cas d'absence non valablement justifiée au contact physique et la fin de l'état d'incapacité de travail du titulaire ou le décès du titulaire;
7° les données relatives à l'autorisation du médecin-conseil de reprendre l'exercice d'une activité adaptée à l'état de santé en cours d'incapacité de travail.
En janvier 2025, le Service des indemnités communique aux unions nationales le résultat de l'indicateur visé au paragraphe 2, alinéa 1er, et les constatations y afférentes faites sur base des données reçues en application de l'alinéa précédent. Les unions nationales ont la possibilité de communiquer leurs observations à ce sujet dans un délai d'un mois, à compter de la date de la réception des constatations susmentionnées par le Service des indemnités.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Service des indemnités notifie à l'union nationale si le montant provisoirement retenu des frais d'administration visé au paragraphe 1er peut être octroyé en mars 2025 sur la base des constatations effectuées.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.
Les membres du personnel du Service des indemnités chargés de la vérification de l'indicateur visé au paragraphe 2 et de la communication du résultat dudit indicateur à chaque union nationale ont accès aux données traitées dans ce cadre.
L'octroi du montant retenu visé à l'alinéa 1er dépend de la manière dont l'union nationale concernée et les mutualités qui lui sont affiliées ont rempli et enregistré les missions préparatoires confiées en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996 en ce qui concerne la première évaluation des capacités restantes des titulaires reconnus en incapacité de travail, selon l'indicateur prévu au paragraphe 2.
§ 2. Pour que l'union nationale reçoive, en mars 2025, le montant provisoirement retenu conformément au paragraphe 1er après la période d'évaluation, un indicateur consistant en une fraction est d'application, dont le numérateur correspond au nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail pour lesquels les missions préparatoires relatives à la première estimation des capacités restantes ont été correctement effectuées et dont le dénominateur correspond au nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire relatif à la première estimation des capacités restantes doit être envoyé. Le résultat de cet indicateur doit être au moins égal à 0,95.
Pour l'application de la fraction définie à l'alinéa 1er le numérateur et le dénominateur sont déterminés comme suit:
1° au numérateur, "le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail pour lesquels les missions préparatoires relatives à la première estimation des capacités restantes ont été correctement effectuées": le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail égal à la somme des titulaires reconnus en incapacité de travail appartenant à l'une des deux catégories énumérées ci-dessous en application des dispositions de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996:
a) les titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire a été envoyé au cours de la période du 1er janvier 2024 au 30 juin 2024 et qui, avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, ont remis au médecin-conseil ce questionnaire dûment complété, le cas échéant après avoir reçu le soutien nécessaire du "Coordinateur Retour Au Travail";
b) les titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire a été envoyé au cours de la période du 1er janvier 2024 au 30 juin 2024 et qui, même après avoir reçu l'offre de soutien du "Coordinateur Retour Au Travail", n'ont pas remis ce questionnaire dûment complété au médecin-conseil avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, mais qui se trouvent dans l'une des situations suivantes avant l'expiration du cinquième mois de la période d'incapacité primaire:
- le titulaire était présent lors du contact physique;
- le titulaire était absent lors du contact physique sans justification valable et, selon le cas, la réduction ou la suspension des indemnités a été appliquée;
- le titulaire était absent lors du contact physique avec justification valable et un nouveau contact physique a été planifié.
2° au dénominateur, "le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels un questionnaire relatif à la première estimation des capacités restantes doit être envoyé": le nombre de titulaires reconnus en incapacité de travail auxquels, en application de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 et de ses arrêtés d'exécution du 20 juillet 1971 et du 3 juillet 1996, au cours de la période du 1erjanvier 2024 au 30 juin 2024:
a) un questionnaire a été envoyé;
b) aucun questionnaire n'a été envoyé sans raison valable.
Toutefois, le titulaire reconnu en incapacité de travail n'est pas pris en compte pour la détermination du dénominateur visé à l'alinéa 2, 2°, si le questionnaire dûment rempli n'a pas encore été remis au médecin-conseil avant que l'un des événements suivants, concernant ledit titulaire, se soit produit avant l'expiration du quatrième mois de la période d'incapacité primaire:
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire a pris fin ou le titulaire est décédé;
2° le titulaire a obtenu sa mutation auprès d'un nouvel organisme assureur;
3° le titulaire a repris une activité avec l'autorisation du médecin-conseil.
Toutefois, le titulaire reconnu en incapacité de travail n'est également pas pris en compte pour la détermination du dénominateur visé à l'alinéa 2, 2°, si le contact physique n'a pas été organisé parce qu'il ressort de l'information médicale mise à disposition qu'il n'est pas possible de remplir le questionnaire et qu'un contact physique n'est pas approprié à ce moment-là ou si le contact physique n'a pas eu lieu avant que l'un des événements suivants, concernant ledit titulaire, se soit produit avant l'expiration du cinquième mois de la période d'incapacité primaire:
1° l'état d'incapacité de travail du titulaire a pris fin ou le titulaire est décédé;
2° le titulaire a obtenu sa mutation auprès d'un nouvel organisme assureur;
3° le titulaire a repris une activité avec l'autorisation du médecin-conseil.
§ 3. Le Service des indemnités traite les données nécessaires, enregistrées par les unions nationales et les mutualités qui leur sont affiliées pour l'application des paragraphes précédents et qu'il reçoit de ces unions nationales au plus tard au quatrième trimestre de 2024 dans le cadre de l'application de l'article 100, § 1er/3 et de l'article 110, § 3 de la loi coordonnée du 14 juillet 1994. Il s'agit, selon le cas, des données enregistrées suivantes:
1° l'envoi du questionnaire au titulaire, ainsi que la raison valable pour laquelle aucun questionnaire n'a été envoyé;
2° la réception du questionnaire dûment complété sans que le "Coordinateur Retour Au Travail" n'ait eu à offrir de soutien;
3° le contact par le "Coordinateur Retour Au Travail" pour offrir le soutien nécessaire au titulaire qui n'a pas remis ce questionnaire dûment complété au médecin-conseil;
4° la réception du questionnaire dûment complété après que le "Coordinateur Retour Au Travail" ait offert le soutien nécessaire;
5° le contact physique organisé par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
6° les données suivantes liées aux documents de dépenses: l'échéance de la dixième semaine de la période d'incapacité primaire, l'obtention de la mutation du titulaire vers un nouvel organisme assureur, la réduction ou la suspension de l'indemnité, selon le cas, appliquée en cas d'absence non valablement justifiée au contact physique et la fin de l'état d'incapacité de travail du titulaire ou le décès du titulaire;
7° les données relatives à l'autorisation du médecin-conseil de reprendre l'exercice d'une activité adaptée à l'état de santé en cours d'incapacité de travail.
En janvier 2025, le Service des indemnités communique aux unions nationales le résultat de l'indicateur visé au paragraphe 2, alinéa 1er, et les constatations y afférentes faites sur base des données reçues en application de l'alinéa précédent. Les unions nationales ont la possibilité de communiquer leurs observations à ce sujet dans un délai d'un mois, à compter de la date de la réception des constatations susmentionnées par le Service des indemnités.
Dans un délai d'un mois à compter de l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le Service des indemnités notifie à l'union nationale si le montant provisoirement retenu des frais d'administration visé au paragraphe 1er peut être octroyé en mars 2025 sur la base des constatations effectuées.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.
Les membres du personnel du Service des indemnités chargés de la vérification de l'indicateur visé au paragraphe 2 et de la communication du résultat dudit indicateur à chaque union nationale ont accès aux données traitées dans ce cadre.
Art.177. Artikel 134, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 september 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel IV bedoelde uitkeringen stopgezet als de rechthebbende zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 100, § 1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de rechthebbende niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.".
"In afwijking van het voorgaande lid, wordt de toekenning van de in titel IV bedoelde uitkeringen stopgezet als de rechthebbende zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, voor zover dit wordt georganiseerd op hetzelfde ogenblik, tijdens de vierde maand van de periode van primaire ongeschiktheid, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team met het oog op enerzijds de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 100, § 1, en anderzijds de evaluatie van zijn restcapaciteiten overeenkomstig artikel 100, § 1/4, eerste lid, 1°. Deze stopzetting van de toekenning van de uitkeringen wordt behouden zolang de rechthebbende niet beantwoordt aan de voormelde evaluatieverplichtingen.".
Art.177. L'article 134, § 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 25 septembre 2022, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, l'octroi des indemnités visées au titre IV est supprimé si le bénéficiaire est absent sans justification valable au contact physique pour autant qu'il soit organisé au même moment lors du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire en vue, d'une part, de l'évaluation de l'état d'incapacité de travail conformément à l'article 100 § 1er, et, d'autre part, de l'évaluation de ses capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°. Cette suppression de l'octroi des indemnités est maintenue aussi longtemps que le bénéficiaire ne répond pas aux obligations d'évaluation précitées.".
"Par dérogation à l'alinéa précédent, l'octroi des indemnités visées au titre IV est supprimé si le bénéficiaire est absent sans justification valable au contact physique pour autant qu'il soit organisé au même moment lors du quatrième mois de la période d'incapacité primaire, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire en vue, d'une part, de l'évaluation de l'état d'incapacité de travail conformément à l'article 100 § 1er, et, d'autre part, de l'évaluation de ses capacités restantes conformément à l'article 100, § 1er/4, alinéa 1er, 1°. Cette suppression de l'octroi des indemnités est maintenue aussi longtemps que le bénéficiaire ne répond pas aux obligations d'évaluation précitées.".
Art.178. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.178. La présente section entre en vigueur le 1er janvier 2024.
HOOFDSTUK 3. - Werkbonus
CHAPITRE 3. - Bonus à l'emploi
Art.179. In artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid, laatst gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "opgedeeld in een luik A en een luik B" ingevoegd tussen de woorden "een werkbonus" en de woorden "onder de vorm van een vermindering";
2° het tekstgedeelte van paragraaf 1, dat aanvangt met de woorden "Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:" en eindigt met de woorden "bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen." wordt opgeheven;
3° er wordt een nieuwe paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/1. Het luik A wordt als volgt berekend voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:
a) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S2: 0 euro.
S2 is gelijk aan het gemiddeld minimum maandinkomen geldend op 1 april 2022, vermenigvuldigd met 157,6814 procent en vanaf die datum aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 2, § 2, derde lid, van deze wet.
b) voor de werknemers met een maandelijks loon kleiner dan of gelijk aan S1bis: een maximaal door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen bedrag, (maal 1,08 voor de handarbeiders), met afronding tot twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
S1bis is gelijk aan het gemiddeld minimum maandinkomen, vermenigvuldigd met 131,5328 procent.
c) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1bis en kleiner dan of gelijk aan S2, een bedrag dat proportioneel, volgens de bij koninklijk besluit vastgelegde nadere bepalingen, afneemt gaande van het maximaal door de Koning bij besluit overlegd in Ministerraad te bepalen bedrag, zoals bedoeld in artikel 2, § 1/1, b), tot 0,00 euro.
d) voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, voor deeltijdse werknemers, voor werknemers aan wie het loon betaald wordt volgens een andere periodiciteit dan een maandelijkse en voor werknemers met opeenvolgende overeenkomsten binnen de tijdspanne van een maand wordt voornoemde verminderingsstructuur proportioneel toegepast volgens de bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen.";
4° er wordt een nieuwe paragraaf 1/2 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/2. Het luik B wordt als volgt berekend voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:
a) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1bis: 0 euro.
S1bis is gelijk aan het bedrag bepaald in § 1/1, b), lid 2.
b) voor de werknemers met een maandelijks loon kleiner dan of gelijk aan S1: een maximaal door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen bedrag, (maal 1,08 voor de handarbeiders), met afronding tot twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
S1 is gelijk aan het gemiddeld minimummaandinkomen, vermenigvuldigd met 103 procent.
c) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1 en kleiner dan of gelijk aan dan S1bis, een bedrag dat proportioneel, volgens de bij koninklijk besluit vastgelegde nadere bepalingen, afneemt gaande van het maximaal door de Koning bij besluit overlegd in Ministerraad te bepalen bedrag, zoals bedoeld in artikel 2, § 1/2, b), tot 0,00 euro.
d) voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, voor deeltijdse werknemers, voor werknemers aan wie het loon betaald wordt volgens een andere periodiciteit dan een maandelijkse en voor werknemers met opeenvolgende overeenkomsten binnen de tijdspanne van een maand wordt voornoemde verminderingsstructuur proportioneel toegepast volgens de bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen.";
5° er wordt een paragraaf 1/3 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/3. Voor de toepassing van deze wet wordt onder gemiddeld minimum maandinkomen verstaan het gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.";
6° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b)" vervangen door de woorden "zoals bedoeld in artikel 2, §§ 1/1, b) en 1/2, b)";
7° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat men verstaat onder loon, onder maandloon, onder voltijdse werknemers met volledige prestaties, onder voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, onder deeltijdsen en onder een bedrag dat proportioneel afneemt. Hij kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, naar maximaal bedrag verwijzen met door Hem te bepalen modaliteiten en voorzien dat het individuele loon van de werknemer een nieuwe bepalende factor is. Hij bepaalt ook de modaliteiten voor het aftoppen van de verminderingen bedoeld in § 1, § 1/1 en § 1/2 van dit artikel, artikel 3bis, artikel 3bis/1 en artikel 3bis/2, tot het bedrag aan persoonlijke werknemersbijdrage op de door Hem bepaalde loonelementen. Hij kan bij een in Ministerraad overlegd besluit (voor alle of voor sommige groepen van werknemers) de bedragen van de loongrenzen en de bijdragevermindering, bedoeld in § 1, § 1/1 en § 1/2 wijzigen.";
8° in paragraaf 2 worden het huidige vierde en vijfde lid opgeheven.
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "opgedeeld in een luik A en een luik B" ingevoegd tussen de woorden "een werkbonus" en de woorden "onder de vorm van een vermindering";
2° het tekstgedeelte van paragraaf 1, dat aanvangt met de woorden "Voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:" en eindigt met de woorden "bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen." wordt opgeheven;
3° er wordt een nieuwe paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/1. Het luik A wordt als volgt berekend voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:
a) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S2: 0 euro.
S2 is gelijk aan het gemiddeld minimum maandinkomen geldend op 1 april 2022, vermenigvuldigd met 157,6814 procent en vanaf die datum aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 2, § 2, derde lid, van deze wet.
b) voor de werknemers met een maandelijks loon kleiner dan of gelijk aan S1bis: een maximaal door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen bedrag, (maal 1,08 voor de handarbeiders), met afronding tot twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
S1bis is gelijk aan het gemiddeld minimum maandinkomen, vermenigvuldigd met 131,5328 procent.
c) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1bis en kleiner dan of gelijk aan S2, een bedrag dat proportioneel, volgens de bij koninklijk besluit vastgelegde nadere bepalingen, afneemt gaande van het maximaal door de Koning bij besluit overlegd in Ministerraad te bepalen bedrag, zoals bedoeld in artikel 2, § 1/1, b), tot 0,00 euro.
d) voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, voor deeltijdse werknemers, voor werknemers aan wie het loon betaald wordt volgens een andere periodiciteit dan een maandelijkse en voor werknemers met opeenvolgende overeenkomsten binnen de tijdspanne van een maand wordt voornoemde verminderingsstructuur proportioneel toegepast volgens de bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen.";
4° er wordt een nieuwe paragraaf 1/2 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/2. Het luik B wordt als volgt berekend voor de voltijdse werknemers met volledige prestaties:
a) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1bis: 0 euro.
S1bis is gelijk aan het bedrag bepaald in § 1/1, b), lid 2.
b) voor de werknemers met een maandelijks loon kleiner dan of gelijk aan S1: een maximaal door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit te bepalen bedrag, (maal 1,08 voor de handarbeiders), met afronding tot twee cijfers na de komma, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
S1 is gelijk aan het gemiddeld minimummaandinkomen, vermenigvuldigd met 103 procent.
c) voor de werknemers met een maandelijks loon groter dan S1 en kleiner dan of gelijk aan dan S1bis, een bedrag dat proportioneel, volgens de bij koninklijk besluit vastgelegde nadere bepalingen, afneemt gaande van het maximaal door de Koning bij besluit overlegd in Ministerraad te bepalen bedrag, zoals bedoeld in artikel 2, § 1/2, b), tot 0,00 euro.
d) voor voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, voor deeltijdse werknemers, voor werknemers aan wie het loon betaald wordt volgens een andere periodiciteit dan een maandelijkse en voor werknemers met opeenvolgende overeenkomsten binnen de tijdspanne van een maand wordt voornoemde verminderingsstructuur proportioneel toegepast volgens de bij koninklijk besluit vastgestelde nadere bepalingen.";
5° er wordt een paragraaf 1/3 ingevoegd, luidende als volgt:
" § 1/3. Voor de toepassing van deze wet wordt onder gemiddeld minimum maandinkomen verstaan het gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.";
6° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b)" vervangen door de woorden "zoals bedoeld in artikel 2, §§ 1/1, b) en 1/2, b)";
7° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
"De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit wat men verstaat onder loon, onder maandloon, onder voltijdse werknemers met volledige prestaties, onder voltijdse werknemers met onvolledige prestaties, onder deeltijdsen en onder een bedrag dat proportioneel afneemt. Hij kan ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, naar maximaal bedrag verwijzen met door Hem te bepalen modaliteiten en voorzien dat het individuele loon van de werknemer een nieuwe bepalende factor is. Hij bepaalt ook de modaliteiten voor het aftoppen van de verminderingen bedoeld in § 1, § 1/1 en § 1/2 van dit artikel, artikel 3bis, artikel 3bis/1 en artikel 3bis/2, tot het bedrag aan persoonlijke werknemersbijdrage op de door Hem bepaalde loonelementen. Hij kan bij een in Ministerraad overlegd besluit (voor alle of voor sommige groepen van werknemers) de bedragen van de loongrenzen en de bijdragevermindering, bedoeld in § 1, § 1/1 en § 1/2 wijzigen.";
8° in paragraaf 2 worden het huidige vierde en vijfde lid opgeheven.
Art.179. Dans l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale, modifié en dernier lieu par la loi du 10 août 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "divisé entre un volet A et un volet B" sont insérés entre les mots "bonus à l'emploi" et les mots "sous la forme d'une réduction des cotisations";
2° la partie textuelle du paragraphe 1er, commençant par les mots "pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:" et finissant par les mots "sur base des modalités fixées par arrêté royal" est abrogée;
3° un nouveau paragraphe 1/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/1. Le volet A est calculé comme suit pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:
a) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S2: 0 euros.
S2 est égal au revenu minimum mensuel moyen applicable au 1er avril 2022, multiplié par 157,6814 pourcents et à partir de cette date ajusté à l'évolution de l'indice conformément à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la présente loi.
b) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est inférieure ou égale à S1bis: un montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, (fois 1,08 pour les travailleurs manuels), avec arrondissement à la deuxième décimale après la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
S1bis est égal au revenu minimum mensuel moyen, multiplié par 131,5328 pourcents.
c) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1bis et inférieure ou égale à S2, un montant dégressif proportionnel, sur la base des modalités fixées par arrêté royal, entre le montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, comme prévu à l'article 2, § 1/1, b), et 0,00 euros.
d) pour les travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, pour les travailleurs à temps partiel, pour les travailleurs à qui le salaire est payé suivant une périodicité autre que mensuelle et pour les travailleurs salariés engagés sous des conventions successives en l'espace d'un mois, la structure de la réduction décrite ci-dessus est appliquée de manière proportionnelle sur base des modalités fixées par arrêté royal.";
4° un nouveau paragraphe 1/2 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/2. Le volet B est calculé comme suit pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:
a) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1bis: 0 euros.
S1bis est égal au montant défini au § 1/1, b), alinéa 2.
b) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est inférieure ou égale à S1: un montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, (fois 1,08 pour les travailleurs manuels), avec arrondissement à la deuxième décimale après la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
S1 est égal au revenu minimum mensuel moyen, multiplié par 103 pourcents.
c) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1 et inférieure ou égal à S1bis, un montant dégressif proportionnel, sur la base des modalités fixées par arrêté royal, entre le montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, comme prévu à l'article 2, § 1/2, b), et 0,00 euros.
d) pour les travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, pour les travailleurs à temps partiel, pour les travailleurs à qui le salaire est payé suivant une périodicité autre que mensuelle et pour les travailleurs salariés engagés sous des conventions successives en l'espace d'un mois, la structure de la réduction décrite ci-dessus est appliquée de manière proportionnelle sur base des modalités fixées par arrêté royal.";
5° un paragraphe 1/3 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/3. Pour l'application de cette loi, on entend par revenu minimum mensuel moyen, le revenu minimum mensuel moyen visé par l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.";
6° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "comme prévu à l'article 2, § 1er, b)" sont remplacés par les mots "comme prévu à l'article 2, §§ 1/1, b) en 1/2, b)";
7° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres ce qu'il faut entendre par rémunération, rémunération mensuelle, travailleurs à temps plein ayant des prestations complètes, travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, travailleurs à temps partiel et par un montant dégressif proportionnel. Il peut également, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, faire référence à un montant maximal selon des modalités à déterminer par Lui et prévoir que le salaire individuel du travailleur constitue un nouveau facteur déterminant. Il détermine également les modalités de plafonnement des réductions visées au § 1er, § 1/1 et § 1/2 du présent article, à l'article 3bis, à l'article 3bis/1 et à l'article 3bis/2, jusqu'au montant de la cotisation personnelle sur les éléments de salaire qu'Il détermine. Il peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier (pour tous les travailleurs ou pour certains groupes de travailleurs) les montants des plafonds salariaux et de la réduction de cotisation visée au § 1er, § 1/1 et § 1/2.";
8° au paragraphe 2, les actuels alinéas 4 et 5 sont abrogés.
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots "divisé entre un volet A et un volet B" sont insérés entre les mots "bonus à l'emploi" et les mots "sous la forme d'une réduction des cotisations";
2° la partie textuelle du paragraphe 1er, commençant par les mots "pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:" et finissant par les mots "sur base des modalités fixées par arrêté royal" est abrogée;
3° un nouveau paragraphe 1/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/1. Le volet A est calculé comme suit pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:
a) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S2: 0 euros.
S2 est égal au revenu minimum mensuel moyen applicable au 1er avril 2022, multiplié par 157,6814 pourcents et à partir de cette date ajusté à l'évolution de l'indice conformément à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la présente loi.
b) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est inférieure ou égale à S1bis: un montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, (fois 1,08 pour les travailleurs manuels), avec arrondissement à la deuxième décimale après la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
S1bis est égal au revenu minimum mensuel moyen, multiplié par 131,5328 pourcents.
c) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1bis et inférieure ou égale à S2, un montant dégressif proportionnel, sur la base des modalités fixées par arrêté royal, entre le montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, comme prévu à l'article 2, § 1/1, b), et 0,00 euros.
d) pour les travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, pour les travailleurs à temps partiel, pour les travailleurs à qui le salaire est payé suivant une périodicité autre que mensuelle et pour les travailleurs salariés engagés sous des conventions successives en l'espace d'un mois, la structure de la réduction décrite ci-dessus est appliquée de manière proportionnelle sur base des modalités fixées par arrêté royal.";
4° un nouveau paragraphe 1/2 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/2. Le volet B est calculé comme suit pour les travailleurs à temps plein avec prestations complètes:
a) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1bis: 0 euros.
S1bis est égal au montant défini au § 1/1, b), alinéa 2.
b) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est inférieure ou égale à S1: un montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, (fois 1,08 pour les travailleurs manuels), avec arrondissement à la deuxième décimale après la virgule, 0,005 étant arrondi vers le haut.
S1 est égal au revenu minimum mensuel moyen, multiplié par 103 pourcents.
c) pour les travailleurs dont la rémunération mensuelle est supérieure à S1 et inférieure ou égal à S1bis, un montant dégressif proportionnel, sur la base des modalités fixées par arrêté royal, entre le montant maximal à définir par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, comme prévu à l'article 2, § 1/2, b), et 0,00 euros.
d) pour les travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, pour les travailleurs à temps partiel, pour les travailleurs à qui le salaire est payé suivant une périodicité autre que mensuelle et pour les travailleurs salariés engagés sous des conventions successives en l'espace d'un mois, la structure de la réduction décrite ci-dessus est appliquée de manière proportionnelle sur base des modalités fixées par arrêté royal.";
5° un paragraphe 1/3 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1/3. Pour l'application de cette loi, on entend par revenu minimum mensuel moyen, le revenu minimum mensuel moyen visé par l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.";
6° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "comme prévu à l'article 2, § 1er, b)" sont remplacés par les mots "comme prévu à l'article 2, §§ 1/1, b) en 1/2, b)";
7° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
"Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres ce qu'il faut entendre par rémunération, rémunération mensuelle, travailleurs à temps plein ayant des prestations complètes, travailleurs à temps plein ayant des prestations incomplètes, travailleurs à temps partiel et par un montant dégressif proportionnel. Il peut également, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, faire référence à un montant maximal selon des modalités à déterminer par Lui et prévoir que le salaire individuel du travailleur constitue un nouveau facteur déterminant. Il détermine également les modalités de plafonnement des réductions visées au § 1er, § 1/1 et § 1/2 du présent article, à l'article 3bis, à l'article 3bis/1 et à l'article 3bis/2, jusqu'au montant de la cotisation personnelle sur les éléments de salaire qu'Il détermine. Il peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier (pour tous les travailleurs ou pour certains groupes de travailleurs) les montants des plafonds salariaux et de la réduction de cotisation visée au § 1er, § 1/1 et § 1/2.";
8° au paragraphe 2, les actuels alinéas 4 et 5 sont abrogés.
Art.180. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2024.
Art.180. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er avril 2024.
HOOFDSTUK 4. - Flexi-jobs
CHAPITRE 4. - Flexi-jobs
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers
Section 1re. - Modification de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés
Art.181. In artikel 38, § 3sexdecies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid worden de woorden "25 %" vervangen door de woorden "28 %";
b) in het derde lid worden de woorden "de aangiften met verantwoording van de bijdragen," opgeheven;
c) een lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd, luidende:
"Wat betreft de aangifte met verantwoording van de bijdragen gelden de termijnen bepaald in artikel 21/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".
a) in het eerste lid worden de woorden "25 %" vervangen door de woorden "28 %";
b) in het derde lid worden de woorden "de aangiften met verantwoording van de bijdragen," opgeheven;
c) een lid wordt tussen het derde en het vierde lid ingevoegd, luidende:
"Wat betreft de aangifte met verantwoording van de bijdragen gelden de termijnen bepaald in artikel 21/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.".
Art.181. A l'article 38, § 3sexdecies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 16 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportées:
a) dans l'alinéa 1er, les mots "25 %" sont remplacés par les mots "28 %";
b) dans l'alinéa 3, les mots "les déclarations avec justification des cotisations," sont abrogés;
c) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"En ce qui concerne la déclaration avec justification des cotisations, les délais prévus à l'article 21/1 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs sont d'application.".
a) dans l'alinéa 1er, les mots "25 %" sont remplacés par les mots "28 %";
b) dans l'alinéa 3, les mots "les déclarations avec justification des cotisations," sont abrogés;
c) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"En ce qui concerne la déclaration avec justification des cotisations, les délais prévus à l'article 21/1 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs sont d'application.".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken
Section 2. - Modification de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale
Art.182. In artikel 2 van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, laatstelijk gewijzigd door de wet van 16 oktober 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het lid wordt voorafgegaan door de woorden " § 1" en de bestaande tekst van artikel 2 zal paragraaf 1 vormen;
b) in het eerste lid, 12°, worden de woorden ", met uitsluiting van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers" opgeheven;
c) in het eerste lid, 13°, worden de woorden "met uitsluiting van functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen" opgeheven;
d) in het eerste lid wordt een bepaling onder 14/1° toegevoegd, luidende als volgt:
"14/1° onder het paritair comité voor de voedingsnijverheid (PC 118), behorend tot één van de volgende paritaire subsectoren:
a) 118.03 industriële- en ambachtelijke bakkerijen, ambachtelijke banketbakkerijen, ambachtelijke roomijsfabrikanten en de konsumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij;
b) 118.07 brouwerijen en mouterijen;
c) 118.08 drankennijverheid;
d) 118.09 groentenijverheid;
e) 118.10 vruchtennijverheid;
f) 118.11 vleesnijverheid;
g) 118.12 zuivelproducten;
h) 118.14 chocoladefabrieken - suikerbakkerij;
i) 118.21 aardappelverwerkende nijverheid;
j) 118.22 aardappelschilbedrijven.";
e) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 24°, luidende:
"15° onder het paritair comité voor het garagebedrijf (PC 112);
16° onder het paritair comité voor de begrafenisondernemingen (PC 320);
17° onder het paritair comité voor de ondernemingen van technische land- en tuinbouwwerken (PC 132);
18° onder het paritair comité voor de landbouw (PC 144);
19° onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf (PC 145);
20° onder het aanvullend paritair comité voor bedienden (PC 200) met als hoofdactiviteit autorijscholen zoals omschreven in NACE-code 85.531;
21° onder het paritair comité voor het beheer van gebouwen, vastgoedmakelaars en dienstboden (PC 323);
22° onder het paritair subcomité voor de verhuizing (PSC 140.05);
23° onder het paritair subcomité voor de autobussen en de autocars (PSC 140.01);
24° onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en wiens hoofdactiviteit in de evenementensector bestaat uit één van de volgende activiteiten:
a) de beoefening van uitvoerende kunsten, waaronder wordt verstaan de beoefening van uitvoerende kunsten door zelfstandig werkende artiesten (NACE 90.011) alsook de beoefening van uitvoerende kunsten door artistieke ensembles (NACE 90.012);
b) het ontwerp en bouw van podia (NACE 90.022);
c) de gespecialiseerde beeld-, verlichtings- en geluidstechnieken (NACE 90.023);
d) ondersteunende activiteiten voor de uitvoerende kunsten (NACE 90.029);
e) de beoefening van scheppende kunsten (NACE 90.031);
f) ondersteunende activiteiten voor scheppende kunsten (NACE 90.032);
g) de exploitatie van schouwburgen, theaters, concertzalen, music-halls, cabarets en andere accomodaties voor podiumkunst (NACE 90.041);
h) de exploitatie van geluidsopnamestudio's voor rekening van derden (NACE 90.041);
i) het beheer en exploitatie van culturele centra en multifunctionele zalen ten behoeve van culturele evenementen (NACE 90.042);
j) de organisatie van congressen en beurzen (NACE 82.300);
k) de organisatie van sportevenementen (NACE 93.199);
l) verhuur en lease van televisietoestellen en andere audio- en videoapparatuur (NACE 77.292);
m) verhuur en lease van vaat- en glaswerk, keuken- en tafelgerei, elektrische huishoudapparaten en andere huishoudelijke benodigdheden (NACE 77.293);
n) verhuur en lease van tenten (NACE 77.392);
o) verhuur en lease van andere machines en werktuigen en andere materiële goederen (NACE 77.399).
Enkel de functies die verbonden zijn aan een NACE-code zoals bedoeld in het vorige lid en die rechtsreeks verband houden met de organisatie van een evenement zelf komen in aanmerking voor flexi-jobs.";
f) in het huidige laatste lid worden de woorden "het vorig lid aanvullen met" vervangen door de woorden "de bepaling onder 24° vervangen door een verwijzing naar";
g) paragraaf 1, zoals ingevoegd bij de bepaling onder a), wordt aangevuld met vijf leden, luidende:
"Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op private of publieke werkgevers en de werknemers die zij tewerkstellen in functie van redder in publiek toegankelijke zwembaden en zwemvijvers of op het strand, en alleen voor werknemers die een diploma van redder hebben.
Voor wat betreft de bedrijfstakken onder de bepalingen onder 14/1° tot en met 24° kunnen de sociale partners overeenkomen om in zijn geheel of gedeeltelijk flexi-job tewerkstelling uit te sluiten en ze, na deze beslissing, opnieuw in zijn geheel of gedeeltelijk toe te laten.
Voor wat betreft de bedrijfstakken die ressorteren onder de wet van 5 december 1968, met uitzondering van deze onder de bepalingen onder 1° tot en met 14° of paragraaf 2, kunnen de sociale partners overeenkomen om flexi-job tewerkstelling geheel of gedeeltelijk toe te laten of opnieuw uit te sluiten of gedeeltelijk uit te sluiten.
De gehele of gedeeltelijke uitsluiting of toelating gebeurt bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op unanieme vraag van het bevoegde paritair comité of subcomité en op voorwaarde dat de sociale partners hierover een collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten op het niveau van het paritair comité of subcomité.
De vraag tot een toelating of uitsluiting moet uiterlijk op 30 september aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid tegen ontvangstbevestiging overgemaakt worden om te kunnen worden opgenomen in het eerstvolgende koninklijk besluit dat op 1 januari van het daaropvolgende jaar in werking treedt.";
h) het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 2, 3 en 4, luidende:
" § 2. De toepassing van dit hoofdstuk kan tevens worden toegelaten of uitgesloten voor:
1° werknemers en werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector (PC 331) met als hoofdactiviteit kinderopvang (NACE 88.91), of voor wat de werkgevers betreft die niet onder dezelfde wet van 5 december 1968 ressorteren, als hoofdactiviteit kinderopvang hebben (NACE 88.91);
2° het officieel onderwijs en het gesubsidieerd personeel van het door de gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs;
3° de werknemers en de werkgevers uit de sport- en cultuursector, voor zover de werkgevers niet onder dezelfde wet van 5 december 1968 ressorteren en hun hoofdactiviteit beantwoordt aan de omschrijving van één van de NACE-codes onder categorie 93.1 of 90.
De gehele of gedeeltelijke toelating of uitsluiting naar de in het vorig lid genoemde bedrijfstakken gebeurt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op vraag van de gefedereerde entiteit. De vraag wordt enkel in overweging genomen door de federale overheid op voorwaarde dat:
1° de vraag voorafgaandelijk werd overlegd in het Overlegcomité;
2° de vraag enkel betrekking heeft op dit deel van de bedrijfstak waarover de gefedereerde entiteit aantoont dat het gaat om diensten die door of namens de overheid worden uitgevoerd in het kader van haar publieke taak (diensten algemeen belang) of wat kinderopvang betreft, de inrichtingen en diensten die door de Vlaamse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden erkend en/of gesubsidieerd.
§ 3. In alle gevallen worden de volgende functies uitgesloten:
1° de artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
2° functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
§ 4. Het geheel of gedeeltelijk toelaten of uitsluiten van bedrijfstakken voldoet steeds aan de volgende voorwaarden:
1° de afbakening van de bedrijfstakken gebeurt op basis van door de Rijksdienst voor sociale zekerheid controleerbare gegevens, zoals:
a) het paritair comité of subcomité;
b) de hoofdactiviteiten die beantwoorden aan de omschrijving van NACE codes;
c) de ondernemingen van een bedrijfstak waarvoor een Fonds voor Bestaanszekerheid bevoegd is en waarvoor de Rijksdienst voor sociale zekerheid een bijdrage int op basis van artikel 7 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid;
d) andere criteria die in onderling akkoord afgesproken worden met de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
2° een koninklijk besluit bepaalt de datum van inwerkingtreding van de toelating of uitsluiting telkens op 1 januari van het volgende kalenderjaar;
3° het koninklijk besluit groepeert alle toelatingen en uitsluitingen die het volgende kalenderjaar in werking treden.".
a) het lid wordt voorafgegaan door de woorden " § 1" en de bestaande tekst van artikel 2 zal paragraaf 1 vormen;
b) in het eerste lid, 12°, worden de woorden ", met uitsluiting van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers" opgeheven;
c) in het eerste lid, 13°, worden de woorden "met uitsluiting van functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen" opgeheven;
d) in het eerste lid wordt een bepaling onder 14/1° toegevoegd, luidende als volgt:
"14/1° onder het paritair comité voor de voedingsnijverheid (PC 118), behorend tot één van de volgende paritaire subsectoren:
a) 118.03 industriële- en ambachtelijke bakkerijen, ambachtelijke banketbakkerijen, ambachtelijke roomijsfabrikanten en de konsumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij;
b) 118.07 brouwerijen en mouterijen;
c) 118.08 drankennijverheid;
d) 118.09 groentenijverheid;
e) 118.10 vruchtennijverheid;
f) 118.11 vleesnijverheid;
g) 118.12 zuivelproducten;
h) 118.14 chocoladefabrieken - suikerbakkerij;
i) 118.21 aardappelverwerkende nijverheid;
j) 118.22 aardappelschilbedrijven.";
e) het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° tot 24°, luidende:
"15° onder het paritair comité voor het garagebedrijf (PC 112);
16° onder het paritair comité voor de begrafenisondernemingen (PC 320);
17° onder het paritair comité voor de ondernemingen van technische land- en tuinbouwwerken (PC 132);
18° onder het paritair comité voor de landbouw (PC 144);
19° onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf (PC 145);
20° onder het aanvullend paritair comité voor bedienden (PC 200) met als hoofdactiviteit autorijscholen zoals omschreven in NACE-code 85.531;
21° onder het paritair comité voor het beheer van gebouwen, vastgoedmakelaars en dienstboden (PC 323);
22° onder het paritair subcomité voor de verhuizing (PSC 140.05);
23° onder het paritair subcomité voor de autobussen en de autocars (PSC 140.01);
24° onder de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en wiens hoofdactiviteit in de evenementensector bestaat uit één van de volgende activiteiten:
a) de beoefening van uitvoerende kunsten, waaronder wordt verstaan de beoefening van uitvoerende kunsten door zelfstandig werkende artiesten (NACE 90.011) alsook de beoefening van uitvoerende kunsten door artistieke ensembles (NACE 90.012);
b) het ontwerp en bouw van podia (NACE 90.022);
c) de gespecialiseerde beeld-, verlichtings- en geluidstechnieken (NACE 90.023);
d) ondersteunende activiteiten voor de uitvoerende kunsten (NACE 90.029);
e) de beoefening van scheppende kunsten (NACE 90.031);
f) ondersteunende activiteiten voor scheppende kunsten (NACE 90.032);
g) de exploitatie van schouwburgen, theaters, concertzalen, music-halls, cabarets en andere accomodaties voor podiumkunst (NACE 90.041);
h) de exploitatie van geluidsopnamestudio's voor rekening van derden (NACE 90.041);
i) het beheer en exploitatie van culturele centra en multifunctionele zalen ten behoeve van culturele evenementen (NACE 90.042);
j) de organisatie van congressen en beurzen (NACE 82.300);
k) de organisatie van sportevenementen (NACE 93.199);
l) verhuur en lease van televisietoestellen en andere audio- en videoapparatuur (NACE 77.292);
m) verhuur en lease van vaat- en glaswerk, keuken- en tafelgerei, elektrische huishoudapparaten en andere huishoudelijke benodigdheden (NACE 77.293);
n) verhuur en lease van tenten (NACE 77.392);
o) verhuur en lease van andere machines en werktuigen en andere materiële goederen (NACE 77.399).
Enkel de functies die verbonden zijn aan een NACE-code zoals bedoeld in het vorige lid en die rechtsreeks verband houden met de organisatie van een evenement zelf komen in aanmerking voor flexi-jobs.";
f) in het huidige laatste lid worden de woorden "het vorig lid aanvullen met" vervangen door de woorden "de bepaling onder 24° vervangen door een verwijzing naar";
g) paragraaf 1, zoals ingevoegd bij de bepaling onder a), wordt aangevuld met vijf leden, luidende:
"Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op private of publieke werkgevers en de werknemers die zij tewerkstellen in functie van redder in publiek toegankelijke zwembaden en zwemvijvers of op het strand, en alleen voor werknemers die een diploma van redder hebben.
Voor wat betreft de bedrijfstakken onder de bepalingen onder 14/1° tot en met 24° kunnen de sociale partners overeenkomen om in zijn geheel of gedeeltelijk flexi-job tewerkstelling uit te sluiten en ze, na deze beslissing, opnieuw in zijn geheel of gedeeltelijk toe te laten.
Voor wat betreft de bedrijfstakken die ressorteren onder de wet van 5 december 1968, met uitzondering van deze onder de bepalingen onder 1° tot en met 14° of paragraaf 2, kunnen de sociale partners overeenkomen om flexi-job tewerkstelling geheel of gedeeltelijk toe te laten of opnieuw uit te sluiten of gedeeltelijk uit te sluiten.
De gehele of gedeeltelijke uitsluiting of toelating gebeurt bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op unanieme vraag van het bevoegde paritair comité of subcomité en op voorwaarde dat de sociale partners hierover een collectieve arbeidsovereenkomst hebben afgesloten op het niveau van het paritair comité of subcomité.
De vraag tot een toelating of uitsluiting moet uiterlijk op 30 september aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid tegen ontvangstbevestiging overgemaakt worden om te kunnen worden opgenomen in het eerstvolgende koninklijk besluit dat op 1 januari van het daaropvolgende jaar in werking treedt.";
h) het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 2, 3 en 4, luidende:
" § 2. De toepassing van dit hoofdstuk kan tevens worden toegelaten of uitgesloten voor:
1° werknemers en werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector (PC 331) met als hoofdactiviteit kinderopvang (NACE 88.91), of voor wat de werkgevers betreft die niet onder dezelfde wet van 5 december 1968 ressorteren, als hoofdactiviteit kinderopvang hebben (NACE 88.91);
2° het officieel onderwijs en het gesubsidieerd personeel van het door de gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs;
3° de werknemers en de werkgevers uit de sport- en cultuursector, voor zover de werkgevers niet onder dezelfde wet van 5 december 1968 ressorteren en hun hoofdactiviteit beantwoordt aan de omschrijving van één van de NACE-codes onder categorie 93.1 of 90.
De gehele of gedeeltelijke toelating of uitsluiting naar de in het vorig lid genoemde bedrijfstakken gebeurt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op vraag van de gefedereerde entiteit. De vraag wordt enkel in overweging genomen door de federale overheid op voorwaarde dat:
1° de vraag voorafgaandelijk werd overlegd in het Overlegcomité;
2° de vraag enkel betrekking heeft op dit deel van de bedrijfstak waarover de gefedereerde entiteit aantoont dat het gaat om diensten die door of namens de overheid worden uitgevoerd in het kader van haar publieke taak (diensten algemeen belang) of wat kinderopvang betreft, de inrichtingen en diensten die door de Vlaamse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden erkend en/of gesubsidieerd.
§ 3. In alle gevallen worden de volgende functies uitgesloten:
1° de artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende functies die activiteiten omvatten zoals bepaald door de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
2° functies die taken omvatten behorend tot het materiële toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
§ 4. Het geheel of gedeeltelijk toelaten of uitsluiten van bedrijfstakken voldoet steeds aan de volgende voorwaarden:
1° de afbakening van de bedrijfstakken gebeurt op basis van door de Rijksdienst voor sociale zekerheid controleerbare gegevens, zoals:
a) het paritair comité of subcomité;
b) de hoofdactiviteiten die beantwoorden aan de omschrijving van NACE codes;
c) de ondernemingen van een bedrijfstak waarvoor een Fonds voor Bestaanszekerheid bevoegd is en waarvoor de Rijksdienst voor sociale zekerheid een bijdrage int op basis van artikel 7 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid;
d) andere criteria die in onderling akkoord afgesproken worden met de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
2° een koninklijk besluit bepaalt de datum van inwerkingtreding van de toelating of uitsluiting telkens op 1 januari van het volgende kalenderjaar;
3° het koninklijk besluit groepeert alle toelatingen en uitsluitingen die het volgende kalenderjaar in werking treden.".
Art.182. A l'article 2 de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, modifié en dernier lieu par la loi du 16 octobre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
a) l'alinéa est précédé des mots " § 1er" et le texte actuel de l'article 2 formera le paragraphe 1er;
b) à l'alinéa 1er, 12°, les mots ", à l'exclusion des fonctions artistiques, artistique-techniques et artistiques de soutien qui incluent des activités visées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts" sont abrogés;
c) à l'alinéa 1er, 13°, les mots ", à l'exclusion des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;" sont abrogés;
d) dans l'alinéa 1er, un 14/1° est inséré, rédigé comme suit:
"14/1° de la commission paritaire des industries alimentaires (CP 118), appartenant à un des sous-secteurs paritaires suivants:
a) 118.03 boulangeries industrielles et artisanales, pâtisseries artisanales, glaciers artisanaux et salons de consommation d'une pâtisserie artisanale;
b) 118.07 brasseries et malteries;
c) 118.08 industrie des boissons;
d) 118.09 industrie maraîchère;
e) 118.10 industrie fruitière;
f) 118.11 industrie de la viande;
g) 118.12 produits laitiers;
h) 118.14 chocolateries - confiserie;
i) 118.21 industrie de transformation des pommes de terre;
j) 118.22 entreprises d'épluchage de pommes de terre.";
e) l'alinéa 1er, est complété par les 15° à 24° rédigés comme suit:
"15° de la commission paritaire des entreprises de garage (CP 112);
16° de la commission paritaire des pompes funèbres (CP 320);
17° de la commission paritaire des entreprises de travaux techniques agricoles et horticoles (CP 132);
18° de la commission paritaire de l'agriculture (CP 144);
19° de la commission paritaire pour les entreprises horticoles (CP 145);
20° de la commission paritaire supplémentaire des employés (CP 200), avec comme activité principale l'enseignement de la conduite de véhicules à moteurs comme décrit par code NACE 85.531;
21° de la commission paritaire pour la gestion des immeubles, les agents immobiliers et les travailleurs domestiques (CP 323);
22° de la sous-commission paritaire pour le déménagement (SCP 140.05);
23° de la sous-commission paritaire des autobus et autocars (SCP 140.01) ;
24° de la loi de 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires et qui ont une activité principale dans le secteur évènementiel qui consiste en l'une des activités suivantes:
a) la réalisation de spectacles vivants, y compris la réalisation de spectacles par des artistes indépendants (NACE 90.011) ainsi que la réalisation de spectacles par des ensembles artistiques (NACE 90.012);
b) les conception et réalisation de décors (NACE 90.022);
c) les services spécialisés du son, de l'image et de l'éclairage (NACE 90.023);
d) les activités de soutien au spectacle vivant (NACE 90.029);
e) la réalisation de créations artistiques (NACE 90.031);
f) les activités de soutien à la création artistique (NACE 90.032);
g) l'exploitation de salles de concert, de théâtre, music-halls, cabarets et autres salles de spectacles (NACE 90.041);
h) l'exploitation de studios d'enregistrement sonores pour compte de tiers (NACE 90.041);
i) la gestion et exploitation de centres culturels et de salles multifonctionnelles à vocation culturelle (NACE 90.042);
j) l'organisation de salons professionnels et de congrès (NACE 82.300);
k) l'organisation d'évènements sportifs (NACE 93.199);
l) location et location-bail de téléviseurs et d'autres appareils audiovisuels (NACE 77.292);
m) location et location-bail de vaisselle, couverts, verrerie, articles pour la cuisine, appareils électriques et électroménagers (NACE 77.293);
n) location et location-bail de tentes (NACE 77.392);
o) location et location-bail d'autres machines, équipements et biens matériels (NACE 77.399).
Seules les activités liées au code NACE visés à l'alinéa précédent et dont les fonctions sont directement liées à l'organisation d'un évènement sont éligibles aux flexi-jobs.";
f) dans l'actuel dernier alinéa, les mots "compléter l'alinéa précédent par" sont remplacés par les mots "remplacer le 24° par une référence à";
g) le paragraphe 1er, tel qu'inséré par le a), est complété par cinq alinéas rédigés comme suit:
"Le présent chapitre s'applique également aux employeurs publics ou privés et aux travailleurs qu'ils emploient en tant que maîtres-nageurs dans des piscines et des étangs de natation accessibles au public ou sur la plage, et uniquement aux salariés titulaires d'un certificat de maître-nageur sauveteur.
En ce qui concerne les branches d'activité visées aux 14/1° à 24° inclus, les partenaires sociaux peuvent convenir d'exclure en tout ou en partie l'emploi via flexi-jobs, et, après cette décision, de les autoriser à nouveau en tout ou en partie.
En ce qui concerne les branches d'activité couvertes par la loi du 5 décembre 1968, à l'exception de celles visées aux 1° à 14° ou au paragraphe 2, les partenaires sociaux peuvent convenir en tout ou en partie d'autoriser, d'exclure ou exclure en partie l'emploi via flexi-job.
L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle se fait par arrêté royal, délibéré en Conseil de ministres, à la demande unanime de la commission ou sous-commission paritaire compétente et à condition que les partenaires sociaux aient conclu une convention collective de travail à ce sujet au niveau de la commission ou sous-commission paritaire.
La demande d'autorisation ou d'exclusion doit être déposée à l'Office national de sécurité sociale au plus tard le 30 septembre contre accusé de réception pour ensuite être reprise dans le prochain arrêté royal qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année suivante.";
h) l'article est complété par les paragraphes 2, 3 et 4, rédigés comme suit:
" § 2. L'application de ce chapitre peut également être autorisée ou exclue pour:
1° travailleurs et aux employeurs qui ressortissent de la commission paritaire pour le secteur flamand de l'aide sociale et des soins de santé (CP 331) dont l'activité principale est la garde d'enfant (NACE 88.91) ou, en ce qui concerne les employeurs ne relevant pas de la même loi du 5 décembre 1968, dont l'activité principale est la garde d'enfant (NACE 88.91);
2° l'enseignement officiel et les membres du personnel subventionné occupés par les établissements d'enseignement libre subventionnés par la communauté;
3° les travailleurs et les employeurs du secteur du sport et de la culture, pour autant que les employeurs ne relèvent pas de la même loi du 5 décembre 1968 et leur activité principale corresponde à la description d'un des codes NACE sous la catégorie 93.1 ou 90.
L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle des branches d'activités se fait par arrêté royal, délibéré en Conseil de ministres, à la demande de l'entité fédérée. La demande n'est prise en considération par le gouvernement fédéral qu'à la condition que:
1° la demande a été concertée au préalable au sein du Comité de concertation;
2° la demande ne concerne que la partie du secteur sur laquelle l'entité fédérée démontre qu'il s'agit de services exécutés par ou au nom du gouvernement dans le cadre de sa mission publique (services d'intérêt général), ou en ce qui concerne la garde d'enfants, les établissements et les services agréés et/ou subventionnés par la Communauté flamande ou la Commission communautaire flamande.
§ 3. Sont exclues dans tous les cas les fonctions suivantes:
1° des fonctions artistiques, artistiques-techniques et de soutien artistique qui comprennent des activités telles que déterminées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
2° des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
§ 4. L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle de branches d'activité doit répondre aux conditions suivantes:
1° la délimitation des branches d'activités s'appuie sur des données vérifiables par l'Office national de sécurité sociale, telles que:
a) la commission paritaire ou la sous-commission paritaire;
b) l'activité principale qui correspond à la description des codes NACE;
c) les entreprises d'une branche d'activité pour lesquelles un Fonds de sécurité d'existence est compétent et pour lesquelles l'Office national de sécurité sociale perçoit une cotisation sur base de l'article 7 de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence;
d) d'autres critères convenus d'un commun accord avec l'Office national de sécurité sociale;
2° un arrêté royal fixe la date d'entrée en vigueur de l'exclusion ou de l'autorisation. Les modifications correspondantes seront incluses dans l'arrêté royal et entreront en vigueur le 1er janvier de l'année civile suivante;
3° un arrêté royal regroupe plusieurs autorisations et exclusions qui entrent en vigueur l'année civile suivante.".
a) l'alinéa est précédé des mots " § 1er" et le texte actuel de l'article 2 formera le paragraphe 1er;
b) à l'alinéa 1er, 12°, les mots ", à l'exclusion des fonctions artistiques, artistique-techniques et artistiques de soutien qui incluent des activités visées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts" sont abrogés;
c) à l'alinéa 1er, 13°, les mots ", à l'exclusion des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé;" sont abrogés;
d) dans l'alinéa 1er, un 14/1° est inséré, rédigé comme suit:
"14/1° de la commission paritaire des industries alimentaires (CP 118), appartenant à un des sous-secteurs paritaires suivants:
a) 118.03 boulangeries industrielles et artisanales, pâtisseries artisanales, glaciers artisanaux et salons de consommation d'une pâtisserie artisanale;
b) 118.07 brasseries et malteries;
c) 118.08 industrie des boissons;
d) 118.09 industrie maraîchère;
e) 118.10 industrie fruitière;
f) 118.11 industrie de la viande;
g) 118.12 produits laitiers;
h) 118.14 chocolateries - confiserie;
i) 118.21 industrie de transformation des pommes de terre;
j) 118.22 entreprises d'épluchage de pommes de terre.";
e) l'alinéa 1er, est complété par les 15° à 24° rédigés comme suit:
"15° de la commission paritaire des entreprises de garage (CP 112);
16° de la commission paritaire des pompes funèbres (CP 320);
17° de la commission paritaire des entreprises de travaux techniques agricoles et horticoles (CP 132);
18° de la commission paritaire de l'agriculture (CP 144);
19° de la commission paritaire pour les entreprises horticoles (CP 145);
20° de la commission paritaire supplémentaire des employés (CP 200), avec comme activité principale l'enseignement de la conduite de véhicules à moteurs comme décrit par code NACE 85.531;
21° de la commission paritaire pour la gestion des immeubles, les agents immobiliers et les travailleurs domestiques (CP 323);
22° de la sous-commission paritaire pour le déménagement (SCP 140.05);
23° de la sous-commission paritaire des autobus et autocars (SCP 140.01) ;
24° de la loi de 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires et qui ont une activité principale dans le secteur évènementiel qui consiste en l'une des activités suivantes:
a) la réalisation de spectacles vivants, y compris la réalisation de spectacles par des artistes indépendants (NACE 90.011) ainsi que la réalisation de spectacles par des ensembles artistiques (NACE 90.012);
b) les conception et réalisation de décors (NACE 90.022);
c) les services spécialisés du son, de l'image et de l'éclairage (NACE 90.023);
d) les activités de soutien au spectacle vivant (NACE 90.029);
e) la réalisation de créations artistiques (NACE 90.031);
f) les activités de soutien à la création artistique (NACE 90.032);
g) l'exploitation de salles de concert, de théâtre, music-halls, cabarets et autres salles de spectacles (NACE 90.041);
h) l'exploitation de studios d'enregistrement sonores pour compte de tiers (NACE 90.041);
i) la gestion et exploitation de centres culturels et de salles multifonctionnelles à vocation culturelle (NACE 90.042);
j) l'organisation de salons professionnels et de congrès (NACE 82.300);
k) l'organisation d'évènements sportifs (NACE 93.199);
l) location et location-bail de téléviseurs et d'autres appareils audiovisuels (NACE 77.292);
m) location et location-bail de vaisselle, couverts, verrerie, articles pour la cuisine, appareils électriques et électroménagers (NACE 77.293);
n) location et location-bail de tentes (NACE 77.392);
o) location et location-bail d'autres machines, équipements et biens matériels (NACE 77.399).
Seules les activités liées au code NACE visés à l'alinéa précédent et dont les fonctions sont directement liées à l'organisation d'un évènement sont éligibles aux flexi-jobs.";
f) dans l'actuel dernier alinéa, les mots "compléter l'alinéa précédent par" sont remplacés par les mots "remplacer le 24° par une référence à";
g) le paragraphe 1er, tel qu'inséré par le a), est complété par cinq alinéas rédigés comme suit:
"Le présent chapitre s'applique également aux employeurs publics ou privés et aux travailleurs qu'ils emploient en tant que maîtres-nageurs dans des piscines et des étangs de natation accessibles au public ou sur la plage, et uniquement aux salariés titulaires d'un certificat de maître-nageur sauveteur.
En ce qui concerne les branches d'activité visées aux 14/1° à 24° inclus, les partenaires sociaux peuvent convenir d'exclure en tout ou en partie l'emploi via flexi-jobs, et, après cette décision, de les autoriser à nouveau en tout ou en partie.
En ce qui concerne les branches d'activité couvertes par la loi du 5 décembre 1968, à l'exception de celles visées aux 1° à 14° ou au paragraphe 2, les partenaires sociaux peuvent convenir en tout ou en partie d'autoriser, d'exclure ou exclure en partie l'emploi via flexi-job.
L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle se fait par arrêté royal, délibéré en Conseil de ministres, à la demande unanime de la commission ou sous-commission paritaire compétente et à condition que les partenaires sociaux aient conclu une convention collective de travail à ce sujet au niveau de la commission ou sous-commission paritaire.
La demande d'autorisation ou d'exclusion doit être déposée à l'Office national de sécurité sociale au plus tard le 30 septembre contre accusé de réception pour ensuite être reprise dans le prochain arrêté royal qui entre en vigueur le 1er janvier de l'année suivante.";
h) l'article est complété par les paragraphes 2, 3 et 4, rédigés comme suit:
" § 2. L'application de ce chapitre peut également être autorisée ou exclue pour:
1° travailleurs et aux employeurs qui ressortissent de la commission paritaire pour le secteur flamand de l'aide sociale et des soins de santé (CP 331) dont l'activité principale est la garde d'enfant (NACE 88.91) ou, en ce qui concerne les employeurs ne relevant pas de la même loi du 5 décembre 1968, dont l'activité principale est la garde d'enfant (NACE 88.91);
2° l'enseignement officiel et les membres du personnel subventionné occupés par les établissements d'enseignement libre subventionnés par la communauté;
3° les travailleurs et les employeurs du secteur du sport et de la culture, pour autant que les employeurs ne relèvent pas de la même loi du 5 décembre 1968 et leur activité principale corresponde à la description d'un des codes NACE sous la catégorie 93.1 ou 90.
L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle des branches d'activités se fait par arrêté royal, délibéré en Conseil de ministres, à la demande de l'entité fédérée. La demande n'est prise en considération par le gouvernement fédéral qu'à la condition que:
1° la demande a été concertée au préalable au sein du Comité de concertation;
2° la demande ne concerne que la partie du secteur sur laquelle l'entité fédérée démontre qu'il s'agit de services exécutés par ou au nom du gouvernement dans le cadre de sa mission publique (services d'intérêt général), ou en ce qui concerne la garde d'enfants, les établissements et les services agréés et/ou subventionnés par la Communauté flamande ou la Commission communautaire flamande.
§ 3. Sont exclues dans tous les cas les fonctions suivantes:
1° des fonctions artistiques, artistiques-techniques et de soutien artistique qui comprennent des activités telles que déterminées par la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
2° des fonctions qui comprennent des tâches entrant dans le champ d'application matériel de la loi coordonnée du 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé.
§ 4. L'autorisation ou l'exclusion totale ou partielle de branches d'activité doit répondre aux conditions suivantes:
1° la délimitation des branches d'activités s'appuie sur des données vérifiables par l'Office national de sécurité sociale, telles que:
a) la commission paritaire ou la sous-commission paritaire;
b) l'activité principale qui correspond à la description des codes NACE;
c) les entreprises d'une branche d'activité pour lesquelles un Fonds de sécurité d'existence est compétent et pour lesquelles l'Office national de sécurité sociale perçoit une cotisation sur base de l'article 7 de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence;
d) d'autres critères convenus d'un commun accord avec l'Office national de sécurité sociale;
2° un arrêté royal fixe la date d'entrée en vigueur de l'exclusion ou de l'autorisation. Les modifications correspondantes seront incluses dans l'arrêté royal et entreront en vigueur le 1er janvier de l'année civile suivante;
3° un arrêté royal regroupe plusieurs autorisations et exclusions qui entrent en vigueur l'année civile suivante.".
Art.183. In artikel 4, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door de wet van 1 april 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt:
"a) niet voorafgaandelijk, noch bijkomend is tewerkgesteld onder een andere arbeidsovereenkomst of statutaire aanstelling bij de werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent;";
2° er wordt aangevuld met de bepaling onder e), luidende:
"e) niet is tewerkgesteld bij een onderneming die verbonden is, zoals gedefinieerd in artikel 1.20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, aan de onderneming waarbij men een arbeidsovereenkomst heeft voor een tewerkstelling van minimaal 4/5e van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector.";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met één lid, luidende:
"Personen die in T-3 4/5de van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin de 4/5de tewerkstelling wordt gepresteerd werkten en in T-4 voltijds werkten, kunnen geen flexi-job uitoefenen in T en T+1.".
1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt:
"a) niet voorafgaandelijk, noch bijkomend is tewerkgesteld onder een andere arbeidsovereenkomst of statutaire aanstelling bij de werkgever bij wie hij de flexi-job uitoefent;";
2° er wordt aangevuld met de bepaling onder e), luidende:
"e) niet is tewerkgesteld bij een onderneming die verbonden is, zoals gedefinieerd in artikel 1.20 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, aan de onderneming waarbij men een arbeidsovereenkomst heeft voor een tewerkstelling van minimaal 4/5e van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector.";
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met één lid, luidende:
"Personen die in T-3 4/5de van een voltijdse job van een referentiepersoon van de sector waarin de 4/5de tewerkstelling wordt gepresteerd werkten en in T-4 voltijds werkten, kunnen geen flexi-job uitoefenen in T en T+1.".
Art.183. A l'article 4, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 1er avril 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le a) est remplacé par ce qui suit:
"a) n'est pas employé auparavant ou en plus dans le cadre d'un autre contrat de travail ou une affectation statutaire avec l'employeur pour lequel il exerce le flexi-job;";
2° il est complété par le e), rédigé comme suit:
"e) n'est pas employé par une entreprise affiliée, au sens de l'article 1.20 du Code des sociétés et des associations, à l'entreprise avec laquelle il a un contrat de travail pour un emploi d'au moins 4/5e d'un temps plein d'une personne de référence du secteur.";
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les personnes qui ont occupé les 4/5es d'un emploi à temps plein en T-3 d'une personne de référence du secteur dans lequel sont effectués les 4/5es de l'emploi et ont travaillé à temps plein en T-4 ne peuvent pas exercer un flexi-job en T et T+1.".
1° le a) est remplacé par ce qui suit:
"a) n'est pas employé auparavant ou en plus dans le cadre d'un autre contrat de travail ou une affectation statutaire avec l'employeur pour lequel il exerce le flexi-job;";
2° il est complété par le e), rédigé comme suit:
"e) n'est pas employé par une entreprise affiliée, au sens de l'article 1.20 du Code des sociétés et des associations, à l'entreprise avec laquelle il a un contrat de travail pour un emploi d'au moins 4/5e d'un temps plein d'une personne de référence du secteur.";
3° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les personnes qui ont occupé les 4/5es d'un emploi à temps plein en T-3 d'une personne de référence du secteur dans lequel sont effectués les 4/5es de l'emploi et ont travaillé à temps plein en T-4 ne peuvent pas exercer un flexi-job en T et T+1.".
Art.184. In artikel 5 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 oktober 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het mag niet meer bedragen dan 150 procent van het minimale basisloon zoals bepaald in paragraaf 2, tenzij een ander maximum is vastgesteld bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, is minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het baremieke loon dat geldt voor de door de flexi-jobwerknemer uitgeoefende functie en dat is bepaald door een collectieve arbeidsovereenkomst.
Voor de flexi-jobwerknemers die niet onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités is het basisloon minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het baremieke loon dat geldt voor de door de werknemer uitgeoefende functie overeenkomstig de rechtspositieregeling die op hem van toepassing is.
Voor de flexi-jobwerknemers waarvoor geen baremiek loon is vastgesteld, is het basisloon minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.
In afwijking van het eerste lid bedraagt het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, minimaal 10,97 euro per uur voor activiteiten uitgevoerd binnen het paritair comité voor het hotelbedrijf (PC 302). Dit minimaal bedrag wordt aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmede rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het mag niet meer bedragen dan 150 procent van het minimale basisloon zoals bepaald in paragraaf 2, tenzij een ander maximum is vastgesteld bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
" § 2. Het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, is minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het baremieke loon dat geldt voor de door de flexi-jobwerknemer uitgeoefende functie en dat is bepaald door een collectieve arbeidsovereenkomst.
Voor de flexi-jobwerknemers die niet onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités is het basisloon minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het baremieke loon dat geldt voor de door de werknemer uitgeoefende functie overeenkomstig de rechtspositieregeling die op hem van toepassing is.
Voor de flexi-jobwerknemers waarvoor geen baremiek loon is vastgesteld, is het basisloon minimaal gelijk aan het uurloon bepaald op basis van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.
In afwijking van het eerste lid bedraagt het basisloon als bedoeld in artikel 3, 2°, minimaal 10,97 euro per uur voor activiteiten uitgevoerd binnen het paritair comité voor het hotelbedrijf (PC 302). Dit minimaal bedrag wordt aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmede rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
Art.184. A l'article 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 16 octobre 2023, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante:
"Il ne peut excéder 150 pourcents du salaire minimum de base visé au paragraphe 2, sauf si un plafond différent est fixé par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le salaire de base visé à l'article 3, 2°, est au moins égal au salaire horaire déterminé sur base du salaire barémique applicable à la fonction exercée par le travailleur exerçant un flexi-job et fixé par une convention collective de travail.
Pour les travailleurs exerçant un flexi-job qui ne sont pas soumis à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, le salaire de base est au moins égal au salaire horaire déterminé sur base du salaire barémique applicable à la fonction exercée par le travailleur, conformément aux règles du statut légal qui lui sont applicables.
Pour les travailleurs exerçant un flexi-job pour lesquels aucun salaire barémique n'a été établi, le salaire de base est au moins égal au salaire horaire déterminé sur la base du revenu minimum mensuel moyen garanti tel que prévu par la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le salaire de base visé à l'article 3, 2°, s'élève au minimum à 10,97 euros par heure pour les activités exercées au sein de la commission paritaire de l'industrie hôtelière (CP 302). Ce montant minimum est adapté à l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.".
1° le paragraphe 1er est complété par la phrase suivante:
"Il ne peut excéder 150 pourcents du salaire minimum de base visé au paragraphe 2, sauf si un plafond différent est fixé par une convention collective de travail rendue obligatoire par le Roi.";
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
" § 2. Le salaire de base visé à l'article 3, 2°, est au moins égal au salaire horaire déterminé sur base du salaire barémique applicable à la fonction exercée par le travailleur exerçant un flexi-job et fixé par une convention collective de travail.
Pour les travailleurs exerçant un flexi-job qui ne sont pas soumis à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, le salaire de base est au moins égal au salaire horaire déterminé sur base du salaire barémique applicable à la fonction exercée par le travailleur, conformément aux règles du statut légal qui lui sont applicables.
Pour les travailleurs exerçant un flexi-job pour lesquels aucun salaire barémique n'a été établi, le salaire de base est au moins égal au salaire horaire déterminé sur la base du revenu minimum mensuel moyen garanti tel que prévu par la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le salaire de base visé à l'article 3, 2°, s'élève au minimum à 10,97 euros par heure pour les activités exercées au sein de la commission paritaire de l'industrie hôtelière (CP 302). Ce montant minimum est adapté à l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.".
Art.185. In hoofdstuk 2 van dezelfde wet wordt een afdeling 3/1 ingevoegd, luidende "Overleg over de toepassing van de flexi-jobs".
Art.185. Dans le chapitre 2 de la même loi, il est inséré une section 3/1 intitulée "Concertation sur l'application des flexi-jobs".
Art.186. In afdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 185, wordt een artikel 12/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 12/1. Werkgevers die niet ressorteren onder dezelfde wet van 5 december 1968 overleggen jaarlijks en voor elk kalenderjaar waarin zij flexi-jobwerknemers tewerkstellen over de toepassing van de flexi-jobs met de vertegenwoordigers van de werknemers in de bevoegde overlegorganen.".
"Art. 12/1. Werkgevers die niet ressorteren onder dezelfde wet van 5 december 1968 overleggen jaarlijks en voor elk kalenderjaar waarin zij flexi-jobwerknemers tewerkstellen over de toepassing van de flexi-jobs met de vertegenwoordigers van de werknemers in de bevoegde overlegorganen.".
Art.186. Dans la section 3/1, insérée par l'article 185, il est inséré un article 12/1 rédigé comme suit:
"Art. 12/1. Les employeurs qui ne tombent pas sous le champ d'application de la même loi du 5 décembre 1968 organisent chaque année et pour chaque année civile au cours de laquelle ils occupent des travailleurs exerçant un flexi-job une concertation avec les représentants des travailleurs dans les organes de concertation compétents.".
"Art. 12/1. Les employeurs qui ne tombent pas sous le champ d'application de la même loi du 5 décembre 1968 organisent chaque année et pour chaque année civile au cours de laquelle ils occupent des travailleurs exerçant un flexi-job une concertation avec les représentants des travailleurs dans les organes de concertation compétents.".
Art.187. In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord "ofwel" ingevoegd tussen de woorden "zoals vervat in" en de woorden "Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie";
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden ", ofwel Verordening (EU) 1408/2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, gewijzigd door Verordening (EU) 2019/316 van de Europese Commissie van 21 februari 2019 en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening.";
3° in het tweede lid wordt het woord "ofwel" ingevoegd tussen de woorden "het plafond vermeld in" en de woorden "de Verordening (EU) 1407/2013";
4° in het tweede lid worden de woorden "ofwel de Verordening (EU) 1408/2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, gewijzigd door Verordening (EU) 2019/316 van de Commissie van 21 februari 2019 en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening," ingevoegd tussen de woorden "het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun," en de woorden "niet zal overschrijden.".
1° in het eerste lid wordt het woord "ofwel" ingevoegd tussen de woorden "zoals vervat in" en de woorden "Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie";
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden ", ofwel Verordening (EU) 1408/2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, gewijzigd door Verordening (EU) 2019/316 van de Europese Commissie van 21 februari 2019 en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening.";
3° in het tweede lid wordt het woord "ofwel" ingevoegd tussen de woorden "het plafond vermeld in" en de woorden "de Verordening (EU) 1407/2013";
4° in het tweede lid worden de woorden "ofwel de Verordening (EU) 1408/2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, gewijzigd door Verordening (EU) 2019/316 van de Commissie van 21 februari 2019 en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening," ingevoegd tussen de woorden "het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun," en de woorden "niet zal overschrijden.".
Art.187. A l'article 38 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er le mot "soit" est inséré entre les mots "telles que reprises" et les mots "dans le règlement (UE) n° 1407/2013 de la Commission";
2° l'alinéa 1er est complété par les mots ", soit au règlement (UE) n° 1408/2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, modifié par le règlement (UE) n° 2019/316 de la Commission du 21 février 2019 et les éventuelles modifications ultérieures de ce règlement.";
3° dans l'alinéa 2 le mot "soit" est inséré entre les mots "le plafond visé" et les mots "au règlement (UE) n° 1407/2013";
4° l'alinéa 2 est complété par les mots ", soit au règlement (UE) n° 1408/2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, modifié par le règlement (UE) n° 2019/316 de la Commission du 21 février 2019 et les éventuelles modifications ultérieures de ce règlement.".
1° dans l'alinéa 1er le mot "soit" est inséré entre les mots "telles que reprises" et les mots "dans le règlement (UE) n° 1407/2013 de la Commission";
2° l'alinéa 1er est complété par les mots ", soit au règlement (UE) n° 1408/2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, modifié par le règlement (UE) n° 2019/316 de la Commission du 21 février 2019 et les éventuelles modifications ultérieures de ce règlement.";
3° dans l'alinéa 2 le mot "soit" est inséré entre les mots "le plafond visé" et les mots "au règlement (UE) n° 1407/2013";
4° l'alinéa 2 est complété par les mots ", soit au règlement (UE) n° 1408/2013 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis dans le secteur de l'agriculture, modifié par le règlement (UE) n° 2019/316 de la Commission du 21 février 2019 et les éventuelles modifications ultérieures de ce règlement.".
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven
Section 3. - Modification de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie
Art.188. Artikel 15 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 juni 2023, wordt aangevuld met een bepaling onder p), luidende:
"p) om voor elk kalenderjaar waarin flexi-jobwerknemers worden tewerkgesteld een jaarlijks overleg te organiseren tussen de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers over de toepassing van de flexi-jobs in de onderneming.".
"p) om voor elk kalenderjaar waarin flexi-jobwerknemers worden tewerkgesteld een jaarlijks overleg te organiseren tussen de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers over de toepassing van de flexi-jobs in de onderneming.".
Art.188. L'article 15 de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, modifié en dernier lieu par la loi du 5 juin 2023, est complété par un p) rédigé comme suit:
"p) d'organiser chaque année une concertation entre l'employeur et les représentants des travailleurs sur l'application des flexi-jobs dans l'entreprise chaque année civile au cours de laquelle des travailleurs exerçant un flexi-job sont occupés.".
"p) d'organiser chaque année une concertation entre l'employeur et les représentants des travailleurs sur l'application des flexi-jobs dans l'entreprise chaque année civile au cours de laquelle des travailleurs exerçant un flexi-job sont occupés.".
Afdeling 4. - Wijziging aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Section 4. - Modification de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Art.189. In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 21/1. Werkgevers die flexijobwerknemers, zoals bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen in sociale zaken tewerkstellen, moeten flexiloon en -prestatiegegevens, bedoeld in artikel 3, 2°, van dezelfde wet, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, door middel van een door deze Rijksdienst goedgekeurde elektronische techniek, binnen een door de Koning bepaalde termijn.
De gegevens bedoeld in het eerste lid betreffen dezelfde gegevens die reeds in het kader van artikel 21 van deze wet worden aangegeven voor de flexi-jobwerknemers bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 16 november 2015.
De gegevens zullen uiterlijk de 5e dag die volgt op de loonberekeningen en de opmaak van de weddefiches moeten worden doorgestuurd door de werkgever, om de Rijksdienst voor sociale zekerheid toe te staan de werknemers tijdig op de hoogte te brengen van de eventuele overschrijding van het fiscale plafond bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De gegevens worden verwerkt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en zijn toegankelijk voor dezelfde personen als de gegevens bedoeld in artikel 21 van deze wet.
De gegevens worden bewaard voor dezelfde termijn als de gegevens bedoeld in artikel 21 van deze wet.".
"Art. 21/1. Werkgevers die flexijobwerknemers, zoals bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen in sociale zaken tewerkstellen, moeten flexiloon en -prestatiegegevens, bedoeld in artikel 3, 2°, van dezelfde wet, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, door middel van een door deze Rijksdienst goedgekeurde elektronische techniek, binnen een door de Koning bepaalde termijn.
De gegevens bedoeld in het eerste lid betreffen dezelfde gegevens die reeds in het kader van artikel 21 van deze wet worden aangegeven voor de flexi-jobwerknemers bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 16 november 2015.
De gegevens zullen uiterlijk de 5e dag die volgt op de loonberekeningen en de opmaak van de weddefiches moeten worden doorgestuurd door de werkgever, om de Rijksdienst voor sociale zekerheid toe te staan de werknemers tijdig op de hoogte te brengen van de eventuele overschrijding van het fiscale plafond bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 29°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De gegevens worden verwerkt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en zijn toegankelijk voor dezelfde personen als de gegevens bedoeld in artikel 21 van deze wet.
De gegevens worden bewaard voor dezelfde termijn als de gegevens bedoeld in artikel 21 van deze wet.".
Art.189. Dans la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, il est inséré un article 21/1 rédigé comme suit:
"Art. 21/1. Les employeurs qui occupent des travailleurs flexi-jobs, visés à l'article 3,3° de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale doivent déclarer auprès de l'Office national de sécurité sociale, le flexisalaire et les données concernant les prestations, visés à l'article 3, 2°, de la même loi, au moyen d'un procédé électronique approuvé par l'Office, dans un délai déterminé par le Roi.
Les données visées au paragraphe 1er sont les mêmes données que celles communiquées en vertu de l'article 21 de la présente loi pour les travailleurs flexi-job visés à l'article 3,3° de la loi du 16 novembre 2015.
Les données devront être transmises par l'employeur au plus tard le 5e jour qui suit le calcul des salaires et l'établissement des fiches de salaire afin de permettre à l'Office national de sécurité sociale d'informer les travailleurs en temps utile du dépassement éventuel du plafond fiscal visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Les données sont traitées par l'Office national de sécurité sociale et sont accessibles aux mêmes personnes que les données visées à l'article 21 de la présente loi.
Les données sont conservées durant la même période que les données visées à l'article 21 de la présente loi.".
"Art. 21/1. Les employeurs qui occupent des travailleurs flexi-jobs, visés à l'article 3,3° de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale doivent déclarer auprès de l'Office national de sécurité sociale, le flexisalaire et les données concernant les prestations, visés à l'article 3, 2°, de la même loi, au moyen d'un procédé électronique approuvé par l'Office, dans un délai déterminé par le Roi.
Les données visées au paragraphe 1er sont les mêmes données que celles communiquées en vertu de l'article 21 de la présente loi pour les travailleurs flexi-job visés à l'article 3,3° de la loi du 16 novembre 2015.
Les données devront être transmises par l'employeur au plus tard le 5e jour qui suit le calcul des salaires et l'établissement des fiches de salaire afin de permettre à l'Office national de sécurité sociale d'informer les travailleurs en temps utile du dépassement éventuel du plafond fiscal visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 29°, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Les données sont traitées par l'Office national de sécurité sociale et sont accessibles aux mêmes personnes que les données visées à l'article 21 de la présente loi.
Les données sont conservées durant la même période que les données visées à l'article 21 de la présente loi.".
Afdeling 5. - Wijziging van het Sociaal Strafwetboek
Section 5. - Modification du Code pénal social
Art.190. In artikel 152/2 van het Sociaal Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 7 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bestaande tekst zal paragraaf 1 vormen;
2° het wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken of met de uitvoeringsbesluiten ervan, een werknemer als een flexi-jobwerknemer heeft tewerkgesteld terwijl de door deze werknemer uitgeoefende prestaties niet behoren tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs.
Deze sanctie wordt enkel toegepast voor die sectoren waar de afbakening op basis van NACE-code gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
1° de bestaande tekst zal paragraaf 1 vormen;
2° het wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende:
" § 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken of met de uitvoeringsbesluiten ervan, een werknemer als een flexi-jobwerknemer heeft tewerkgesteld terwijl de door deze werknemer uitgeoefende prestaties niet behoren tot het toepassingsgebied van de flexi-jobs.
Deze sanctie wordt enkel toegepast voor die sectoren waar de afbakening op basis van NACE-code gebeurt.
De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
Art.190. Dans l'article 152/2 du Code pénal social modifié par la loi du 7 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le texte actuel formera le paragraphe 1er;
2° il est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ou ses arrêtés d'exécution, a occupé un travailleur en tant que travailleur exerçant un flexi-job alors que les prestations effectuées par ce travailleur ne rentrent pas dans le champ d'application des flexi-jobs.
Cette sanction est seulement d'application dans le cas où la délimitation est basée sur les codes NACE.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
1° le texte actuel formera le paragraphe 1er;
2° il est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit:
" § 2. Est puni d'une sanction de niveau 3, l'employeur, son préposé ou son mandataire, qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ou ses arrêtés d'exécution, a occupé un travailleur en tant que travailleur exerçant un flexi-job alors que les prestations effectuées par ce travailleur ne rentrent pas dans le champ d'application des flexi-jobs.
Cette sanction est seulement d'application dans le cas où la délimitation est basée sur les codes NACE.
L'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
Art.191. In boek 2, hoofdstuk 2, afdeling 3/1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 152/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 152/3. De raamovereenkomst "flexi-job"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken:
1° niet, vóór de aanvang van de eerste tewerkstelling, een raamovereenkomst afgesloten heeft met de flexi-jobwerknemer, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de voormelde wet;
2° de raamovereenkomst onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen getroffen heeft opdat de raamovereenkomst te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° de raamovereenkomst niet op de plaats van de tewerkstelling van de flexi-jobwerknemer bewaard heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
"Art. 152/3. De raamovereenkomst "flexi-job"
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken:
1° niet, vóór de aanvang van de eerste tewerkstelling, een raamovereenkomst afgesloten heeft met de flexi-jobwerknemer, overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de voormelde wet;
2° de raamovereenkomst onvolledig of onjuist heeft opgemaakt;
3° niet de nodige maatregelen getroffen heeft opdat de raamovereenkomst te allen tijde ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en beambten wordt gehouden;
4° de raamovereenkomst niet op de plaats van de tewerkstelling van de flexi-jobwerknemer bewaard heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.".
Art.191. Dans le livre 2, chapitre 2, section 3/1, du même Code, il est inséré un article 152/3 rédigé comme suit:
"Art. 152/3. Le contrat-cadre "flexi-job"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale:
1° n'a pas conclu préalablement au début de la première occupation, un contrat-cadre avec le travailleur exerçant un flexi-job, conformément aux articles 6 et 7 de la loi précitée;
2° a établi le contrat-cadre de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris pas les mesures nécessaires afin que le contrat-cadre soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat-cadre sur le lieu de travail du travailleur exerçant un flexi-job.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
"Art. 152/3. Le contrat-cadre "flexi-job"
Est puni d'une sanction de niveau 2, l'employeur, son préposé ou son mandataire qui, en contravention à la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale:
1° n'a pas conclu préalablement au début de la première occupation, un contrat-cadre avec le travailleur exerçant un flexi-job, conformément aux articles 6 et 7 de la loi précitée;
2° a établi le contrat-cadre de manière incomplète ou inexacte;
3° n'a pas pris pas les mesures nécessaires afin que le contrat-cadre soit tenu en tout temps à la disposition des fonctionnaires et agents chargés de la surveillance;
4° n'a pas conservé le contrat-cadre sur le lieu de travail du travailleur exerçant un flexi-job.
En ce qui concerne les infractions visées à l'alinéa 1er, l'amende est multipliée par le nombre de travailleurs concernés.".
Afdeling 6. - Evaluatie
Section 6. - Evaluation
Art.192. § 1. Twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet vindt een evaluatie van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken plaats. Deze evaluatie heeft tot doel om na te gaan of het systeem van de flexi-jobs haar doelstellingen bereikt en wat de impact ervan is, met name op de begroting van de sociale zekerheid, de publieke inkomsten en uitgaven, de evolutie en de structuur van de tewerkstelling, alsook de arbeidspieken, de arbeidsmarktkrapte et de gezondheid van de werknemers. De analyses voor deze evaluatie worden uitgevoerd door het Rekenhof en het Federaal Planbureau. De analyse wordt overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad, die een finaal rapport als advies aan de regering opmaakt ten laatste 30 maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
Na deze eerste evaluatie zullen jaarlijkse opvolgevaluaties plaatsvinden.
§ 2. Daarnaast gebeurt twee jaar na de inwerkingtreding van deze uitbreiding een evaluatie om na te gaan of er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van flexi-jobs in de eventsector.
Na deze eerste evaluatie zullen jaarlijkse opvolgevaluaties plaatsvinden.
§ 2. Daarnaast gebeurt twee jaar na de inwerkingtreding van deze uitbreiding een evaluatie om na te gaan of er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van flexi-jobs in de eventsector.
Art.192. § 1er. Deux ans après l'entrée en vigueur de la présente loi, une évaluation de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale est effectuée. Cette évaluation a pour objectif de voir si le dispositif des flexi-jobs atteint ses objectifs et quels sont ses impacts notamment sur le budget de la sécurité sociale, les revenus et les dépenses publiques, l'évolution et la structure de l'emploi, ainsi que sur les pics de travail, les pénuries sur le marché du travail et la santé des travailleurs. Les analyses pour cette évaluation sont réalisées par la Cour des Comptes et le Bureau fédéral du Plan et ensuite transmises au Conseil national du travail qui établit un rapport final comme avis au gouvernement, au plus tard 30 mois après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Après cette première évaluation, des évaluations de suivi annuelles auront lieu.
§ 2. En outre, une évaluation de cette extension a lieu deux ans après son entrée en vigueur afin de vérifier s'il est fait un usage abusif des flexi-jobs dans le secteur événementiel.
Après cette première évaluation, des évaluations de suivi annuelles auront lieu.
§ 2. En outre, une évaluation de cette extension a lieu deux ans après son entrée en vigueur afin de vérifier s'il est fait un usage abusif des flexi-jobs dans le secteur événementiel.
Afdeling 7. - Overgangsbepaling
Section 7. - Disposition transitoire
Art.193. Voor het jaar 2024 is een gehele of gedeeltelijke toelating (of uitsluiting) van sectoren mogelijk op kwartaalbasis.
Art.193. En 2024, une autorisation (ou exclusion) totale ou partielle des secteurs est possible sur base trimestrielle.
Afdeling 8. - Inwerkingtreding
Section 8. - Entrée en vigueur
Art. 194. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2024.
Art.194. Ce chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2024.
(NOTA : bij arrest nr. 8/2025 van 30 januari 2025 (<AGH 2025-01-30/17, art. M; Inwerkingtreding : 22-12-2023> , p. 50496), het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 194 van de programmawet van 22 december 2023, in zoverre het ertoe leidt dat de artikelen 183, 2°, en 184 van die wet van toepassing zijn op flexi-jobarbeidsovereenkomsten gesloten vóór de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad;
- verwerpt het beroep voor het overige.
(NOTA : bij arrest nr. 66/2025 van 24 april 2025 (<AGH 2025-04-24/04, art. 1; Inwerkingtreding : 22-12-2023> , p. 50496), het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 194 van de programmawet van 22 december 2023, in zoverre het ertoe leidt dat artikel 183, 3°, van die wet van toepassing is op flexi-jobarbeidsovereenkomsten gesloten vóór de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad)
- verwerpt het beroep voor het overige.
(NOTA : bij arrest nr. 66/2025 van 24 april 2025 (<AGH 2025-04-24/04, art. 1; Inwerkingtreding : 22-12-2023> , p. 50496), het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 194 van de programmawet van 22 december 2023, in zoverre het ertoe leidt dat artikel 183, 3°, van die wet van toepassing is op flexi-jobarbeidsovereenkomsten gesloten vóór de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad)
(NOTE : par son arrêt n° 8/2025 du 30 janvier 2025 (, p. 32571), la Cour Constitutionnelle annule l'article 194 de la loi-programme du 22 décembre 2023, en ce qu'il a pour effet que les articles 183, 2°, et 184 de la même loi sont applicables aux contrats de travail flexi-job conclus avant la publication de cette loi au Moniteur belge; - rejette le recours pour le surplus.)
(NOTE : par son arrêt n° 66/2025 du 24 avril 2025 (, p. 50499), la Cour Constitutionnelle annule l'article 194 de la loi-programme du 22 décembre 2023, en ce qu'il rend l'article 183, 3°, de cette loi applicable aux contrats de travail flexi-job conclus avant la publication de cette même loi au Moniteur belge)
(NOTE : par son arrêt n° 66/2025 du 24 avril 2025 (
TITEL 11. - Justitie
TITRE 11. - Justice
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
CHAPITRE UNIQUE. - Modification de la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire
Art. 195. In de tabel "III. Rechtbanken van eerste aanleg" gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, vervangen bij de wet van 1 december 2013 en gewijzigd bij de wetten van 6 januari 2014, 25 april 2014 en 1 juli 2016, worden in de kolom met als opschrift "Kader Parket Substituten" de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het cijfer "21" dat voorkomt tegenover "Brussel Nederlandstalig" wordt vervangen door het cijfer "22";
2° het cijfer "98" dat voorkomt tegenover "Brussel Franstalig" wordt vervangen door het cijfer "102".
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2023, p. 124044)
1° het cijfer "21" dat voorkomt tegenover "Brussel Nederlandstalig" wordt vervangen door het cijfer "22";
2° het cijfer "98" dat voorkomt tegenover "Brussel Franstalig" wordt vervangen door het cijfer "102".
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-12-2023, p. 124044)
Art. 195. Dans le tableau "III. Tribunaux de première instance" annexé à la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, remplacé par la loi du 1er décembre 2013 et modifié par les lois des 6 janvier 2014, 25 avril 2014 et 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées à la colonne intitulée "Cadre parquet Substituts":
1° le chiffre "21" en regard de "Bruxelles néerlandophone" est remplacé par le chiffre "22";
2° le chiffre "98" en regard de "Bruxelles francophone" est remplacé par le chiffre "102".
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-12-2023, p. 124044)
1° le chiffre "21" en regard de "Bruxelles néerlandophone" est remplacé par le chiffre "22";
2° le chiffre "98" en regard de "Bruxelles francophone" est remplacé par le chiffre "102".
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-12-2023, p. 124044)