Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 MEI 2024. - Wet tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek en diverse wetten betreffende de scheepvaartregelgeving
Titre
16 MAI 2024. - Loi modifiante le Code belge de la Navigation et des différentes lois relatives à la réglementation de la navigation
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van S...
Afdeling 2. - Wijziging van het Strafwetboek
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 24 febru...
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 15 dec...
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 25 decem...
Afdeling 6. - Wijzigingen van het Belgisch Sche...
Afdeling 7. - Wijziging van de wet van 23 april...
Afdeling 8. - Wijziging van de wet van 11 decem...
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1. - . Disposition générale
CHAPITRE 2. - Dispositions modificatives
Section 1re. - Modifications du Code d'instruct...
Section 2. - Modification du Code pénal
Section 3. - Modification de la loi du 24 févri...
Section 4. - Modifications de la loi du 15 déce...
Section 5. - Modification de la loi du 25 décem...
Section 6. - Modifications du Code belge de la ...
Section 7. - Modification de la loi du 23 avril...
Section 8. - Modification de la loi du 11 décem...
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Tekst (58)
Texte (58)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1. - . Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Section 1re. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art. 2. Artikel 590, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, wordt aangevuld met een bepaling onder 20°, luidende:
"20° de havenverboden zoals bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en in artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek."
"20° de havenverboden zoals bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en in artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek."
Art. 2. L'article 590, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, remplacé par la loi du 8 août 1997 et modifié en dernier lieu par la loi du 18, mars 2018 est complété par un 20° rédigé comme suit:
"20° les interdictions portuaires visées à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48, § 4, du Code belge de la Navigation."
"20° les interdictions portuaires visées à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48, § 4, du Code belge de la Navigation."
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 596bis ingevoegd, luidende:
"Art. 596bis. Wanneer het uittreksel bedoeld in artikel 596, eerste lid, wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° en 17°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, vermeldt het uittreksel:
1° de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in artikel 596, eerste lid;
2° de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1°, 3°, 17° en 20° ;
3° gedurende drie jaar vanaf de dag van de veroordeling de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6° in het geval deze betrekking hebben op inbreuken op:
i. de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
ii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel VI, hoofdstuk I van het Strafwetboek;
iii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk I, afdeling I van het Strafwetboek;
iv. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk III, afdeling VIIIbis van het Strafwetboek;
v. een ongeoorloofde actie in de zin van artikel 4.1.2.48, § 2 of § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie."
"Art. 596bis. Wanneer het uittreksel bedoeld in artikel 596, eerste lid, wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° en 17°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, vermeldt het uittreksel:
1° de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in artikel 596, eerste lid;
2° de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1°, 3°, 17° en 20° ;
3° gedurende drie jaar vanaf de dag van de veroordeling de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6° in het geval deze betrekking hebben op inbreuken op:
i. de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
ii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel VI, hoofdstuk I van het Strafwetboek;
iii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk I, afdeling I van het Strafwetboek;
iv. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk III, afdeling VIIIbis van het Strafwetboek;
v. een ongeoorloofde actie in de zin van artikel 4.1.2.48, § 2 of § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie."
Art. 3. Dans le même Code, il est inséré un article 596bis rédigé comme suit:
"Art. 596bis. Lorsque l'extrait visé à l'article 596, alinéa 1er, est demandé en vue d'accéder à une activité dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, tels que visés à l'article 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° et 17°, l'extrait mentionne:
1° les condamnations et décisions visées à l'article 596, alinéa 1er;
2° les condamnations visées à l'article 590, alinéa 1er, 1°, 3° 17° et 20° ;
3° pendant trois ans à compter du jour de la condamnation les décisions visées à l'article 594, 4° à 6° au cas où celles-ci concernent des infractions sur:
i. la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
ii. une des infractions visées au livre II, titre VI, chapitre Ier du Code pénal;
iii. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre Ier, section Ire du Code pénal;
iv. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre III, section VIIIbis du Code pénal;
v. une action illicite au sens de l'article 4.1.2.48, § 2 ou § 3, du Code belge de la Navigation.
Le Roi détermine les conditions et modalités de délivrance de cet extrait. Pour une personne physique ayant son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par l'administration communale du domicile ou du lieu de résidence. Si l'intéressé n'a pas son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsqu'il s'agit d'une personne morale, cet extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice."
"Art. 596bis. Lorsque l'extrait visé à l'article 596, alinéa 1er, est demandé en vue d'accéder à une activité dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, tels que visés à l'article 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° et 17°, l'extrait mentionne:
1° les condamnations et décisions visées à l'article 596, alinéa 1er;
2° les condamnations visées à l'article 590, alinéa 1er, 1°, 3° 17° et 20° ;
3° pendant trois ans à compter du jour de la condamnation les décisions visées à l'article 594, 4° à 6° au cas où celles-ci concernent des infractions sur:
i. la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
ii. une des infractions visées au livre II, titre VI, chapitre Ier du Code pénal;
iii. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre Ier, section Ire du Code pénal;
iv. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre III, section VIIIbis du Code pénal;
v. une action illicite au sens de l'article 4.1.2.48, § 2 ou § 3, du Code belge de la Navigation.
Le Roi détermine les conditions et modalités de délivrance de cet extrait. Pour une personne physique ayant son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par l'administration communale du domicile ou du lieu de résidence. Si l'intéressé n'a pas son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsqu'il s'agit d'une personne morale, cet extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice."
Afdeling 2. - Wijziging van het Strafwetboek
Section 2. - Modification du Code pénal
Art. 4. Artikel 546/1 van het Strafwetboek, ingevoegd door de wet van 20 mei 2016 en gewijzigd door de wetten van 8 mei 2019 en 13 oktober 2022 wordt aangevuld met de woorden "of een terminal gelegen in het binnenland zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 16° van het Belgisch Scheepvaartwetboek".
Art. 4. L'article 546/1 du Code pénal, inséré par la loi du 20 mai 2016 et modifié par les lois du 8 mai 2019 et du 13 octobre 2022, est complété par les mots "ou dans un terminal intérieur visé à l'article 2.5.2.3, 16° du Code belge de la Navigation".
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen
Section 3. - Modification de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes
Art. 5. In artikel 4, § 3bis, eerste lid, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden de woorden "binnen één of meerdere van de Belgische havens of havenfaciliteiten" vervangen door de woorden "binnen de Belgische havens of havenfaciliteiten".
Art. 5. Dans l'article 4, § 3bis, alinéa 1er, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, remplacés par la loi du 13 octobre 2022, les mots "dans un ou plusieurs des ports belges ou des installations portuaires" sont remplacés par les mots "dans les ports belges ou les installations portuaires".
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Section 4. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 6. In artikel 74/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd door de wet van 8 maart 1995, wordt het woord "passagier" vervangen door het woord "vreemdeling" en wordt het woord "passagiers" telkens vervangen door het woord "vreemdelingen".
Art. 6. Dans l'article 74/2, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et modifié par la loi du 8 mars 1995, le mot "passager" est remplacé par le mot "étranger" et le mot "passagers" est systématiquement remplacé par le mot "étrangers".
Art. 7. In artikel 74/4 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en vervangen door de wet van 22 december 2004, wordt het woord "passagier" telkens vervangen door het woord "vreemdeling".
Art. 7. Dans l'article 74/4 de la même loi, inséré par la loi du 14 juillet 1987 et remplacé par la loi du 22 décembre 2004, le mot "passager" est systématiquement remplacé par le mot "étranger", les mots "le passager" sont systématiquement remplacés par les mots "l'étranger" et les mots "du passager" sont remplacés par les mots "de l'étranger".
Art. 8. In artikel 74/4bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 8 maart 1995 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 19 maart 2014, wordt het woord "passagier" telkens vervangen door het woord "vreemdeling".
Art. 8. Dans l'article 74/4bis, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 8 mars 1995 et modifié en dernier lieu par la loi du 19 mars 2014, le mot "passager" est systématiquement remplacé par le mot "étranger".
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten
Section 5. - Modification de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation
Art. 9. Artikel 14/4 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, ingevoegd door de wet van 12 oktober 2022, wordt vervangen als volgt:
"Art. 14/4. § 1. De bevoegde autoriteit kan voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten en de scheepvaartwetten en hun uitvoeringsbesluiten die bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete, een administratieve minnelijke schikking voorstellen, hetzij onmiddellijk of hetzij binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde termijn volgens de door de bevoegde autoriteit bepaalde nadere regels.
Het bedrag van deze som mag niet hoger zijn dan het maximum van de geldboete die op die inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen. Naast deze som kan er een administratieve toeslag van 10,02 euro geheven worden bij dossiers zonder aangetekende zending. De administratieve toeslag bij dossiers met aangetekende zending bedraagt 28,71 euro.
Deze administratieve toeslagen worden geheven ten voordele van Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op deze administratieve toeslag toegerekend.
Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar.
§ 2. De ambtenaren en overheidspersonen aangewezen door de Koning zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.
§ 3. Wanneer de administratieve minnelijk schikking niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald kan de bevoegde autoriteit de administratieve vervolging instellen."
"Art. 14/4. § 1. De bevoegde autoriteit kan voor inbreuken op het Belgisch Scheepvaartwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten en de scheepvaartwetten en hun uitvoeringsbesluiten die bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete, een administratieve minnelijke schikking voorstellen, hetzij onmiddellijk of hetzij binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde termijn volgens de door de bevoegde autoriteit bepaalde nadere regels.
Het bedrag van deze som mag niet hoger zijn dan het maximum van de geldboete die op die inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen. Naast deze som kan er een administratieve toeslag van 10,02 euro geheven worden bij dossiers zonder aangetekende zending. De administratieve toeslag bij dossiers met aangetekende zending bedraagt 28,71 euro.
Deze administratieve toeslagen worden geheven ten voordele van Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma. De door de overtreder verrichte betalingen worden eerst op deze administratieve toeslag toegerekend.
Het bedrag van deze administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar.
§ 2. De ambtenaren en overheidspersonen aangewezen door de Koning zijn belast met de toepassing van dit artikel en van de ter uitvoering ervan genomen maatregelen.
§ 3. Wanneer de administratieve minnelijk schikking niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald kan de bevoegde autoriteit de administratieve vervolging instellen."
Art. 9. L'article 14/4 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, inséré par la loi du 12 octobre 2022, est remplacé comme suit:
"Art. 14/4. § 1er. L'autorité compétente peut, pour les infractions au Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution et aux lois sur la navigation et leurs arrêtés d'exécution punissables d'une amende administrative, proposer une transaction administrative, soit immédiatement, soit dans un délai déterminé par l'autorité compétente selon les modalités déterminées par l'autorité compétente.
Le montant de cette somme ne peut dépasser le maximum de l'amende prévue pour cette infraction, majoré des décimes additionnels. En plus de cette somme, un supplément administratif de 10,02 euros peut être perçu pour les dossiers non transmis par envoi recommandé. Le supplément administratif pour les dossiers transmis par envoi recommandé s'élève à 28,71 euros.
Ces suppléments administratifs sont perçus au profit du Service public fédéral Justice dans le cadre de la mise en oeuvre du programme Crossborder. Les paiements effectués par le contrevenant sont d'abord imputés à ce supplément administratif.
Le montant de ce supplément administratif est automatiquement adapté le 1er janvier de chaque année en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année précédente.
§ 2. Les agents et personnes ressortissant à une autorité publique désignés par le Roi sont chargés de l'application du présent article et des mesures pour sa mise en oeuvre.
§ 3. Lorsque la transaction administrative n'est pas payée dans le délai déterminé, l'autorité compétente peut engager les poursuites administratives."
"Art. 14/4. § 1er. L'autorité compétente peut, pour les infractions au Code belge de la Navigation et ses arrêtés d'exécution et aux lois sur la navigation et leurs arrêtés d'exécution punissables d'une amende administrative, proposer une transaction administrative, soit immédiatement, soit dans un délai déterminé par l'autorité compétente selon les modalités déterminées par l'autorité compétente.
Le montant de cette somme ne peut dépasser le maximum de l'amende prévue pour cette infraction, majoré des décimes additionnels. En plus de cette somme, un supplément administratif de 10,02 euros peut être perçu pour les dossiers non transmis par envoi recommandé. Le supplément administratif pour les dossiers transmis par envoi recommandé s'élève à 28,71 euros.
Ces suppléments administratifs sont perçus au profit du Service public fédéral Justice dans le cadre de la mise en oeuvre du programme Crossborder. Les paiements effectués par le contrevenant sont d'abord imputés à ce supplément administratif.
Le montant de ce supplément administratif est automatiquement adapté le 1er janvier de chaque année en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année précédente.
§ 2. Les agents et personnes ressortissant à une autorité publique désignés par le Roi sont chargés de l'application du présent article et des mesures pour sa mise en oeuvre.
§ 3. Lorsque la transaction administrative n'est pas payée dans le délai déterminé, l'autorité compétente peut engager les poursuites administratives."
Afdeling 6. - Wijzigingen van het Belgisch Scheepvaartwetboek
Section 6. - Modifications du Code belge de la navigation
Art. 10. Artikel 1.1.1.2 van het Belgisch scheepvaartwetboek, gewijzigd door de wet van 13 oktober 2022, wordt aangevuld met de bepaling onder 13°, luidende:
"13° MIK+: het Maritiem Informatiekruispunt aangevuld met de Dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen, en het Belgisch Mathematisch model voor de Noordzee."
"13° MIK+: het Maritiem Informatiekruispunt aangevuld met de Dienst Marien Milieu van de FOD Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen, en het Belgisch Mathematisch model voor de Noordzee."
Art. 10. L'article 1.1.1.2 du Code belge de la navigation, modifié par la loi du 13 octobre 2022, est complété par un 13° rédigé comme suit:
"13° MIK+: le Carrefour d'information maritime complété par le Service Milieu marin du SPF Santé publique, Environnement et Sécurité de la Chaîne alimentaire et le Modèle mathématique belge de la mer du Nord."
"13° MIK+: le Carrefour d'information maritime complété par le Service Milieu marin du SPF Santé publique, Environnement et Sécurité de la Chaîne alimentaire et le Modèle mathématique belge de la mer du Nord."
Art. 11. In artikel 2.4.4.2 van hetzelfde Wetboek, dat gedeeltelijk vernietigd is bij arrest nr. 75/2022 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "in het bijzonder" ingevoegd tussen de woorden "te ontschepen," en de woorden "indien een verwijdering";
2° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"De Scheepvaartpolitie laat toe om de verstekeling te ontschepen in de volgende gevallen:
1° indien de verstekeling de Belgische nationaliteit heeft of gemachtigd of toegelaten is tot verblijf in België zodra die hoedanigheid, die machtiging of die toelating is aangetoond;
2° indien de verstekeling een verzoek om internationale bescherming doet, gedurende het onderzoek van zijn verzoek;
3° indien de verstekeling beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is overeenkomstig artikel 6 van de programmawet van 24 december 2002 (art. 479) - Titel XIII, Hoofdstuk VI betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen;
4° indien de gezondheidstoestand van de verstekeling, volgens een medische diagnose, een dringende medische behandeling vereist die niet kan worden verstrekt aan boord van het schip.";
3° het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"De Scheepvaartpolitie kan bevelen om de verstekeling die zonder de toelating bedoeld in paragraaf 2, eerste lid het schip heeft verlaten, of indien de voorwaarden voor deze toelating niet langer vervuld zijn, opnieuw in te schepen waarbij de gezagvoerder op de verplichtingen vastgelegd in paragraaf 2 wordt gewezen.";
2° een paragraaf 3/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 3/1. De verstekeling die niet toegelaten wordt te ontschepen en die de binnenkomst geweigerd wordt overeenkomstig artikel 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, maakt het voorwerp uit van een beslissing tot vasthouding overeenkomstig artikel 74/5 van de vermelde wet, waarbij het schip de plaats van vasthouding is.
De beroepsprocedures van artikel 71 tot 74 van de vermelde wet, zijn van toepassing op deze vasthouding.
Artikel 62, § 2 en 3, van de vermelde wet is van toepassing op de kennisgeving van de beslissing tot vasthouding, waarbij de verstekeling in een taal die hij verstaat op de hoogte wordt gebracht van de redenen van zijn vasthouding, dat hij het recht heeft een jurisdictioneel beroep in te stellen en dat de mogelijkheid bestaat om juridische bijstand, in voorkomend geval kosteloos, te verkrijgen om zulk een beroep in te stellen."
1° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "in het bijzonder" ingevoegd tussen de woorden "te ontschepen," en de woorden "indien een verwijdering";
2° in paragraaf 3 wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"De Scheepvaartpolitie laat toe om de verstekeling te ontschepen in de volgende gevallen:
1° indien de verstekeling de Belgische nationaliteit heeft of gemachtigd of toegelaten is tot verblijf in België zodra die hoedanigheid, die machtiging of die toelating is aangetoond;
2° indien de verstekeling een verzoek om internationale bescherming doet, gedurende het onderzoek van zijn verzoek;
3° indien de verstekeling beschouwd kan worden als een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is overeenkomstig artikel 6 van de programmawet van 24 december 2002 (art. 479) - Titel XIII, Hoofdstuk VI betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen;
4° indien de gezondheidstoestand van de verstekeling, volgens een medische diagnose, een dringende medische behandeling vereist die niet kan worden verstrekt aan boord van het schip.";
3° het vroegere vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"De Scheepvaartpolitie kan bevelen om de verstekeling die zonder de toelating bedoeld in paragraaf 2, eerste lid het schip heeft verlaten, of indien de voorwaarden voor deze toelating niet langer vervuld zijn, opnieuw in te schepen waarbij de gezagvoerder op de verplichtingen vastgelegd in paragraaf 2 wordt gewezen.";
2° een paragraaf 3/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 3/1. De verstekeling die niet toegelaten wordt te ontschepen en die de binnenkomst geweigerd wordt overeenkomstig artikel 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, maakt het voorwerp uit van een beslissing tot vasthouding overeenkomstig artikel 74/5 van de vermelde wet, waarbij het schip de plaats van vasthouding is.
De beroepsprocedures van artikel 71 tot 74 van de vermelde wet, zijn van toepassing op deze vasthouding.
Artikel 62, § 2 en 3, van de vermelde wet is van toepassing op de kennisgeving van de beslissing tot vasthouding, waarbij de verstekeling in een taal die hij verstaat op de hoogte wordt gebracht van de redenen van zijn vasthouding, dat hij het recht heeft een jurisdictioneel beroep in te stellen en dat de mogelijkheid bestaat om juridische bijstand, in voorkomend geval kosteloos, te verkrijgen om zulk een beroep in te stellen."
Art. 11. Dans l'article 2.4.4.2 du même Code, partiellement annulé par l'arrêt n° 75/2022 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots "en particulier" sont insérés entre les mots "passager clandestin," et les mots "si un éloignement";
2° au paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"La Police de la navigation autorise le débarquement du passager clandestin dans les cas suivants:
1° si le passager clandestin a la nationalité belge ou est autorisé ou admis au séjour en Belgique, dès que cette qualité, cette autorisation ou cette admission est établie;
2° si le passager clandestin présente une demande de protection internationale, pendant l'examen de sa demande;
3° si le passager clandestin peut être considéré comme un étranger mineur non accompagné conformément à l'article 6 de la loi-programme du 24 décembre 2002 (art. 479) - Titre XIII, Chapitre VI relatif à la tutelle des mineurs étrangers non accompagnés;
4° si l'état de santé du passager clandestin requiert, selon un diagnostic médical, un traitement médical urgent qui ne peut être fourni à bord du navire.";
3° l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 5, est remplacé par ce qui suit:
"La Police de la navigation peut ordonner le rembarquement du passager clandestin qui a quitté le navire sans l'autorisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, ou si les conditions de cette autorisation ne sont plus remplies, en rappelant au commandant les obligations prévues au paragraphe 2.";
4° il est inséré un paragraphe 3/1, rédigé comme suit:
" § 3/1. Le passager clandestin qui n'est pas autorisé à débarquer et qui se voit refuser l'entrée en vertu de l'article 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, fait l'objet d'une décision de détention, avec le navire comme lieu de détention, conformément à l'article 74/5 de la loi mentionnée.
Les procédures de recours prévues aux articles 71 à 74 de la loi mentionnée, s'appliquent à cette détention.
L'article 62, § 2 et 3, de la loi mentionnée s'applique à la notification de la décision de détention, le passager clandestin étant informé, dans une langue qu'il comprend, des motifs de sa détention, qu'il a le droit d'introduire un recours juridictionnel et qu'il est possible d'obtenir une assistance juridique, le cas échéant gratuite, pour introduire un tel recours."
1° au paragraphe 3, alinéa 3, les mots "en particulier" sont insérés entre les mots "passager clandestin," et les mots "si un éloignement";
2° au paragraphe 3, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
"La Police de la navigation autorise le débarquement du passager clandestin dans les cas suivants:
1° si le passager clandestin a la nationalité belge ou est autorisé ou admis au séjour en Belgique, dès que cette qualité, cette autorisation ou cette admission est établie;
2° si le passager clandestin présente une demande de protection internationale, pendant l'examen de sa demande;
3° si le passager clandestin peut être considéré comme un étranger mineur non accompagné conformément à l'article 6 de la loi-programme du 24 décembre 2002 (art. 479) - Titre XIII, Chapitre VI relatif à la tutelle des mineurs étrangers non accompagnés;
4° si l'état de santé du passager clandestin requiert, selon un diagnostic médical, un traitement médical urgent qui ne peut être fourni à bord du navire.";
3° l'alinéa 4 ancien, devenant l'alinéa 5, est remplacé par ce qui suit:
"La Police de la navigation peut ordonner le rembarquement du passager clandestin qui a quitté le navire sans l'autorisation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, ou si les conditions de cette autorisation ne sont plus remplies, en rappelant au commandant les obligations prévues au paragraphe 2.";
4° il est inséré un paragraphe 3/1, rédigé comme suit:
" § 3/1. Le passager clandestin qui n'est pas autorisé à débarquer et qui se voit refuser l'entrée en vertu de l'article 3 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, fait l'objet d'une décision de détention, avec le navire comme lieu de détention, conformément à l'article 74/5 de la loi mentionnée.
Les procédures de recours prévues aux articles 71 à 74 de la loi mentionnée, s'appliquent à cette détention.
L'article 62, § 2 et 3, de la loi mentionnée s'applique à la notification de la décision de détention, le passager clandestin étant informé, dans une langue qu'il comprend, des motifs de sa détention, qu'il a le droit d'introduire un recours juridictionnel et qu'il est possible d'obtenir une assistance juridique, le cas échéant gratuite, pour introduire un tel recours."
Art. 12. In artikel 2.5.2.3 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° worden tussen de woorden "en de havenfaciliteiten" en de woorden "en de Belgische maritieme zones" de woorden ", de terminal gelegen in het binnenland" ingevoegd;
2° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt:
"15° "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland, of het gebruik van zeeschepen of van andere vervoersmiddelen om via havens en havenfaciliteiten of via terminals gelegen in het binnenland verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, deze in België bij transit door te voeren, alsook de verboden voorwerpen of producten te verwijderen of uit te halen uit voornoemde havens, havenfaciliteiten of terminals of alle hiermee verband houdende activiteiten;";
3° het artikel wordt aangevuld door de bepalingen onder 16°, 17° en 18°, luidende:
"16° "terminal gelegen in het binnenland": plaats gelegen buiten een havenfaciliteit waar goederen ingevoerd via zeeschepen of bestemd voor uitvoer via zeeschepen geladen, gelost of tijdelijk opgeslagen worden;
17° "vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging": een lokaal of bedrijfsterrein gelegen buiten een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland van waaruit operaties gestuurd kunnen worden die een impact hebben op de maritieme beveiliging, met uitzondering van de bewoonde lokalen;
18° "BFSO": de beveiligingsbeambte van een terminal gelegen in het binnenland."
1° in de bepaling onder 1° worden tussen de woorden "en de havenfaciliteiten" en de woorden "en de Belgische maritieme zones" de woorden ", de terminal gelegen in het binnenland" ingevoegd;
2° de bepaling onder 15° wordt vervangen als volgt:
"15° "ongeoorloofde actie": elke opzettelijke actie die gezien de aard of context ervan schade kan toebrengen aan de bouw- of kunstwerken, kabels en pijpleidingen in de Belgische maritieme zones, aan zeeschepen in het internationale en binnenlands zeescheepvaartverkeer, aan bemanning, passagiers of lading, of aan de desbetreffende havens of havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland, of het gebruik van zeeschepen of van andere vervoersmiddelen om via havens en havenfaciliteiten of via terminals gelegen in het binnenland verboden voorwerpen of producten in- of uit België te brengen, personen of dieren zonder toelating te laten inschepen of ontschepen, deze in België bij transit door te voeren, alsook de verboden voorwerpen of producten te verwijderen of uit te halen uit voornoemde havens, havenfaciliteiten of terminals of alle hiermee verband houdende activiteiten;";
3° het artikel wordt aangevuld door de bepalingen onder 16°, 17° en 18°, luidende:
"16° "terminal gelegen in het binnenland": plaats gelegen buiten een havenfaciliteit waar goederen ingevoerd via zeeschepen of bestemd voor uitvoer via zeeschepen geladen, gelost of tijdelijk opgeslagen worden;
17° "vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging": een lokaal of bedrijfsterrein gelegen buiten een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland van waaruit operaties gestuurd kunnen worden die een impact hebben op de maritieme beveiliging, met uitzondering van de bewoonde lokalen;
18° "BFSO": de beveiligingsbeambte van een terminal gelegen in het binnenland."
Art. 12. Dans l'article 2.5.2.3 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 1°, les mots ", les terminaux intérieurs" sont insérés entre les mots "et les installations portuaires" et les mots "et les zones maritimes belges";
2° le 15° est remplacé par ce qui suit:
"15° "action illicite": toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires ou terminaux intérieurs concernés, ou à l'utilisation de navires de mer ou d'autres moyens de transport pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits, permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, les faire transiter en Belgique sans autorisation, ainsi que de supprimer ou retirer des objets ou produits interdits des ports, installations portuaires ou terminaux susmentionnés, ou toute activité connexe et ce, via les ports et installations portuaires ou via les terminaux intérieurs;";
3° l'article est complété par les 16°, 17° et 18° rédigés comme suit:
"16° "terminal intérieur": lieu situé en dehors d'une installation portuaire où sont chargées, déchargées ou temporairement entreposées des marchandises importé par de navires de mer ou destinées à exporté par ceux-ci;
17° "unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime": un local ou site industriel situé à l'extérieur d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, à partir duquel des opérations ayant un impact sur la sûreté maritime peuvent être dirigées, à l'exception des locaux habités;
18° "BFSO": l'agent de sûreté d'un terminal intérieur."
1° au 1°, les mots ", les terminaux intérieurs" sont insérés entre les mots "et les installations portuaires" et les mots "et les zones maritimes belges";
2° le 15° est remplacé par ce qui suit:
"15° "action illicite": toute action intentionnelle qui, compte tenu de sa nature ou de son contexte, pourrait causer des dommages aux ouvrages de construction et de génie civil ou aux câbles ou aux pipelines dans les zones maritimes belges, aux navires de mer du trafic maritime international et national, à l'équipage, aux passagers ou à la cargaison, ou aux ports ou installations portuaires ou terminaux intérieurs concernés, ou à l'utilisation de navires de mer ou d'autres moyens de transport pour faire entrer ou sortir de Belgique des articles ou produits interdits, permettre à des personnes ou des animaux d'embarquer ou de débarquer sans autorisation, les faire transiter en Belgique sans autorisation, ainsi que de supprimer ou retirer des objets ou produits interdits des ports, installations portuaires ou terminaux susmentionnés, ou toute activité connexe et ce, via les ports et installations portuaires ou via les terminaux intérieurs;";
3° l'article est complété par les 16°, 17° et 18° rédigés comme suit:
"16° "terminal intérieur": lieu situé en dehors d'une installation portuaire où sont chargées, déchargées ou temporairement entreposées des marchandises importé par de navires de mer ou destinées à exporté par ceux-ci;
17° "unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime": un local ou site industriel situé à l'extérieur d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, à partir duquel des opérations ayant un impact sur la sûreté maritime peuvent être dirigées, à l'exception des locaux habités;
18° "BFSO": l'agent de sûreté d'un terminal intérieur."
Art. 13. Artikel 2.5.2.4 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, wordt aangevuld met de paragrafen 6 en 7, luidende:
" § 6. Dit hoofdstuk is van toepassing op terminals gelegen in het binnenland en op het vervoer van lading tussen havenfaciliteiten en terminals gelegen in het binnenland door middel van het vervoer via andere middelen dan zeeschepen.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke terminal gelegen in het binnenland.
Indien de terminal gelegen in het binnenland in of nabij een haven ligt, wordt dit opgenomen in de havenbeveiligingsbeoordeling en in het havenbeveiligingsplan.
§ 7. Dit hoofdstuk is van toepassing op vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging. De Koning duidt deze vestigingseenheden aan na advies van de NAMB."
" § 6. Dit hoofdstuk is van toepassing op terminals gelegen in het binnenland en op het vervoer van lading tussen havenfaciliteiten en terminals gelegen in het binnenland door middel van het vervoer via andere middelen dan zeeschepen.
De Koning stelt de coördinaten vast van elke terminal gelegen in het binnenland.
Indien de terminal gelegen in het binnenland in of nabij een haven ligt, wordt dit opgenomen in de havenbeveiligingsbeoordeling en in het havenbeveiligingsplan.
§ 7. Dit hoofdstuk is van toepassing op vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging. De Koning duidt deze vestigingseenheden aan na advies van de NAMB."
Art. 13. L'article 2.5.2.4 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, est complété par les paragraphes 6 et 7, rédigés comme suit:
" § 6. Le présent chapitre s'applique aux terminaux intérieurs et au transport de la cargaison des installations portuaires vers les terminaux intérieurs par des moyens de transport autres que des navires de mer.
Le Roi détermine les coordonnées de chaque terminal intérieur.
Si le terminal intérieur se trouve dans un port ou à proximité, il sera inclus dans l'évaluation de la sûreté portuaire et dans le plan de sûreté portuaire.
§ 7. Le présent chapitre s'applique aux unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime. Le Roi désigne ces unités d'établissement après avis de l'ANSM."
" § 6. Le présent chapitre s'applique aux terminaux intérieurs et au transport de la cargaison des installations portuaires vers les terminaux intérieurs par des moyens de transport autres que des navires de mer.
Le Roi détermine les coordonnées de chaque terminal intérieur.
Si le terminal intérieur se trouve dans un port ou à proximité, il sera inclus dans l'évaluation de la sûreté portuaire et dans le plan de sûreté portuaire.
§ 7. Le présent chapitre s'applique aux unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime. Le Roi désigne ces unités d'établissement après avis de l'ANSM."
Art. 14. In artikel 2.5.2.6 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° en 5°, luidende:
"4° in terminals gelegen in het binnenland;
5° in vestigingseenheden met impact op de maritieme beveiliging.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepalingen onder 16°, 17°, 18°, 19° en 20°, luidende:
"16° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van terminals gelegen in het binnenland;
17° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland;
18° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de terminal gelegen in het binnenland;
19° het intrekken van beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland en de Verklaringen van Goedkeuring;
20° het opleggen van corrigerende maatregelen aan terminals gelegen in het binnenland na een evaluatie."
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° en 5°, luidende:
"4° in terminals gelegen in het binnenland;
5° in vestigingseenheden met impact op de maritieme beveiliging.";
2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepalingen onder 16°, 17°, 18°, 19° en 20°, luidende:
"16° de evaluatie en goedkeuring van de beveiligingsbeoordelingen van terminals gelegen in het binnenland;
17° het beoordelen, evalueren en goedkeuren van de beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland;
18° het verlenen van een Verklaring van Goedkeuring als gevolg en bewijs van de goedkeuring van de beveiligingsplannen van de terminal gelegen in het binnenland;
19° het intrekken van beveiligingsplannen van terminals gelegen in het binnenland en de Verklaringen van Goedkeuring;
20° het opleggen van corrigerende maatregelen aan terminals gelegen in het binnenland na een evaluatie."
Art. 14. Dans l'article 2.5.2.6 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 2 est complété par les 4° et 5°, rédigés comme suit:
"4° dans les terminaux intérieurs;
5° dans les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.";
2° le paragraphe 3 est complété par les 16°, 17°, 18°, 19° et 20°, rédigés comme suit:
"16° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des terminaux intérieurs;
17° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des terminaux intérieurs;
18° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté du terminal intérieur;
19° le retrait des plans de sûreté des terminaux intérieurs et des déclarations d'approbation;
20° l'imposition des mesures correctives aux terminaux intérieurs après une évaluation."
1° le paragraphe 2 est complété par les 4° et 5°, rédigés comme suit:
"4° dans les terminaux intérieurs;
5° dans les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.";
2° le paragraphe 3 est complété par les 16°, 17°, 18°, 19° et 20°, rédigés comme suit:
"16° l'évaluation et l'approbation des évaluations de la sûreté des terminaux intérieurs;
17° l'appréciation, l'évaluation et l'approbation des plans de sûreté des terminaux intérieurs;
18° l'octroi d'une Déclaration d'approbation comme résultat et preuve de l'approbation des plans de sûreté du terminal intérieur;
19° le retrait des plans de sûreté des terminaux intérieurs et des déclarations d'approbation;
20° l'imposition des mesures correctives aux terminaux intérieurs après une évaluation."
Art. 15. In artikel 2.5.2.8 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden de woorden "havens en havenfaciliteiten" vervangen door de woorden "havens, havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland".
Art. 15. Dans l'article 2.5.2.8 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les mots "les ports et installations portuaires" sont remplacés par les mots "les ports, installations portuaires ou terminaux intérieurs".
Art. 16. Artikel 2.5.2.9, eerste lid, van hetzelfde Wetboek vervangen door de wet van 13 oktober 2022, wordt aangevuld met de bepaling onder 7°, luidende:
"7° het uitvoeren van de taken bedoeld onder 1° tot 6° voor wat betreft de terminals gelegen in het binnenland."
"7° het uitvoeren van de taken bedoeld onder 1° tot 6° voor wat betreft de terminals gelegen in het binnenland."
Art. 16. L'article 2.5.2.9, alinéa 1er du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, est complété par le 7°, rédigé comme suit:
"7° l'exécution des tâches visées aux 1° à 6° pour ce qui concerne les terminaux intérieurs."
"7° l'exécution des tâches visées aux 1° à 6° pour ce qui concerne les terminaux intérieurs."
Art. 17. In artikel 2.5.2.20, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden tussen de woorden "van een havenfaciliteit" en de woorden "volstaat een jaarlijkse goedkeuring" de woorden "of van een terminal gelegen in het binnenland" ingevoegd.
Art. 17. Dans l'article 2.5.2.20, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les mots "ou d'un terminal intérieur" sont insérés entre les mots "d'une installation portuaire" et les mots ", une approbation annuelle".
Art. 18. In artikel 2.5.2.41, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 13 oktober 2022, wordt de bepaling onder 4° opgeheven.
Art. 18. Dans l'article 2.5.2.41, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, le 4° est abrogé.
Art. 19. Artikel 2.5.2.44 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 13 oktober 2022 wordt aangevuld met de bepalingen onder 15° en 16°, luidende:
"15° procedures voor het uitvoeren van de artikelen 2.5.2.99 en 2.5.2.101;
16° onverminderd de bepalingen van de wet van 23 maart 2020 tot wazigmaking van de beelden van nucleaire installaties en kritieke inrichtingen, en tot inperking van het maken of verspreiden van luchtfoto's van die installaties en inrichtingen, in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen dat beveiligingsinfrastructuur zichtbaar is op publieke websites."
"15° procedures voor het uitvoeren van de artikelen 2.5.2.99 en 2.5.2.101;
16° onverminderd de bepalingen van de wet van 23 maart 2020 tot wazigmaking van de beelden van nucleaire installaties en kritieke inrichtingen, en tot inperking van het maken of verspreiden van luchtfoto's van die installaties en inrichtingen, in het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen dat beveiligingsinfrastructuur zichtbaar is op publieke websites."
Art. 19. L'article 2.5.2.44 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, est complété par les 15° et 16°, rédigés comme suit:
"15° les procédures d'exécution des articles 2.5.2.99 et 2.5.2.101;
16° sans préjudice de la loi du 23 mars 2020 visant à flouter les images d'établissements nucléaires et sensibles et à limiter la prise ou la diffusion de photographies aériennes de ces établissements dans l'intérêt de la sécurité publique, empêcher que l'infrastructure de sûreté soit visible sur les sites web publics."
"15° les procédures d'exécution des articles 2.5.2.99 et 2.5.2.101;
16° sans préjudice de la loi du 23 mars 2020 visant à flouter les images d'établissements nucléaires et sensibles et à limiter la prise ou la diffusion de photographies aériennes de ces établissements dans l'intérêt de la sécurité publique, empêcher que l'infrastructure de sûreté soit visible sur les sites web publics."
Art. 20. In hoofdstuk 2 van titel 5 van boek 2 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden na artikel 2.5.2.46, de afdelingen 4/1 en 4/2 ingevoegd, bestaande uit de artikelen 2.5.2.46/1 tot en met 2.5.2.46/22, luidende:
"Afdeling 4/1. Beveiliging van terminals gelegen in het binnenland
Art. 2.5.2.46/1. Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op terminals gelegen in het binnenland en worden ingesteld overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 2.5.2.25.
Art. 2.5.2.46/2. Toepassingsgebied
§ 1. Deze afdeling is van toepassing op:
1° binnenschepen die de goederen bedoeld in paragraaf 2, vervoeren van of naar een havenfaciliteit;
2° terminals gelegen in het binnenland en langs een bevaarbare waterloop waar de goederen bedoeld in paragraaf 2 zonder verdere overslag worden ontvangen of geladen om naar havenfaciliteiten via binnenschepen te worden vervoerd of tijdelijk worden opgeslagen.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op containers of voedsel verpakt als stukgoed of in bulk.
De koning kan de lijst van goederen bedoeld in het eerste lid uitbreiden na advies van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/3. Samenhang met artikel 2.5.2.28
Een terminal gelegen in het binnenland die voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling, kan zeeschepen ontvangen onder de voorwaarden omschreven in artikel 2.5.2.28. Zodra een terminal gelegen in het binnenland meer dan 10 zeeschepen per jaar of andere goederen dan vermeld in artikel 2.5.2.28 ontvangt, moet de terminal gelegen in het binnenland voldoen aan de voorwaarden opgelegd aan een havenfaciliteit.
Art. 2.5.2.46/4. Uitvoering van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Het LCMB in wiens gebied de terminal gelegen in het binnenland zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling hiervan op, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning op advies van de NAMB.
De mogelijkheid om een beveiligingsbeoordeling meer dan één terminal gelegen in het binnenland te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/5. Goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.
Art. 2.5.2.46/6.Geldigheidsduur van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Elke beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland wordt minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland. Indien het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van terminal gelegen in het binnenland gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10, tweede lid.
Art. 2.5.2.46/7. BFSO
Elke onderneming die een terminal gelegen in het binnenland exploiteert stelt een verantwoordelijk voor de beveiliging aan, hierna BFSO, en tenminste een plaatsvervanger aan, waarop de bepalingen van artikel 2.5.2.33 en 2.5.2.39 van toepassing zijn.
Art. 2.5.2.46/8. Opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert, stelt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland op.
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet opgesteld worden overeenkomstig de door de Koning vastgestelde normen op advies van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/9. Goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De BFSO legt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.46/10. Wijziging van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt, op advies van de NAMB, wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.46/9, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, kan de NAMB, op advies van het LCMB, het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.46/11. Intrekking van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de terminal gelegen in het binnenland niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland;
2° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.46/12 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de terminal gelegen in het binnenland en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.46/12. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de terminal gelegen in het binnenland door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10;
2° het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.47/11;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.46/13. Oefening
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De terminal gelegen in het binnenland bezorgt het verslag uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid.
Art. 2.5.2.46/14. Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke terminal gelegen in het binnenland waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de terminal gelegen in het binnenland;
2° het feit dat de terminal gelegen in het binnenland voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan.
Art. 2.5.2.46/15. Verplichtingen voor de binnenschepen
Binnenschepen die de goederen bedoeld in artikel 2.5.2.46/2, § 2, van of naar een havenfaciliteit vervoeren moeten:
1° ten alle tijden het AIS-systeem waarvan de technische kenmerken door het bevoegde gewest worden vastgesteld, geactiveerd houden;
2° de lijst van opvarenden actueel houden en ter beschikking stellen van de inspectiediensten en de PFSO en de BFSO.
De verplichtingen in het eerste lid gelden ook voor het transport naar of vanuit het buitenland zodra het vaartuig zich op de Belgische waterwegen bevindt.
Art. 2.5.2.46/16. Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de terminals gelegen in het binnenland voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen, waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 4/2. Beveiliging van de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging
Art. 2.5.2.46/17. Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op vestigingseenheden die door hun werkzaamheden of ligging een impact kunnen hebben op de fysieke of digitale beveiliging van een haven, een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland, evenals op Belgische schepen.
Het is niet noodzakelijk dat vanop deze vestigingseenheden maritieme activiteiten worden ontplooid.
Art. 2.5.2.46/18. Aanduiding
§ 1. Op advies van een LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of een vestigingseenheid een impact heeft op de maritieme beveiliging. Indien de NAMB van oordeel is dat er een impact is, wordt de exploitant van de vestigingseenheid hiervan ingelicht waarbij deze beschikt over een termijn van dertig dagen om eventuele opmerkingen over te maken.
Op basis van het evaluatierapport van de NAMB en de opmerkingen van de exploitant kan de koning, na advies van de NAMB, de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging aanduiden.
Deze aanduiding geldt voor een termijn van 5 jaar, waarna deze verlengd kan worden na evaluatie door de NAMB en advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Indien de exploitant van oordeel is dat zijn vestigingseenheid niet langer een impact heeft op de maritieme beveiliging, kan de exploitant de NAMB verzoeken om een evaluatie te maken. Na advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of de vestigingseenheid al dan niet nog een impact heeft op de maritieme beveiliging.
De koning kan de aanduiding van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging intrekken.
Art. 2.5.2.46/19. Doelstellingen
Een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging moet ervoor zorgen dat:
1° onbevoegden geen toegang kunnen hebben tot die delen van de vestigingseenheid die de maritieme beveiliging kunnen bedreigen;
2° de informatica- en netwerksystemen op dermate wijze worden beveiligd dat onbevoegden geen toegang hebben tot de data die de maritieme beveiliging kan bedreigen.
De koning kan bij een Ministerraad overlegd besluit, na advies van de NAMB, bijkomende doelstellingen opleggen aan vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.
Art. 2.5.2.46/20. Beveiligingsplan
Om de doelstellingen in artikel 2.5.2.46/19 te bereiken stelt de exploitant van de vestigingseenheid een beveiligingsplan op dat aan de Cel Maritieme Beveiliging wordt overgemaakt.
De exploitant van de vestigingseenheid kan om de doelstellingen te bereiken gebruik maken van de biometrische gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.84, na het uitvoeren van een effectbeoordeling inzake gegevensbescherming, zoals bedoeld in artikel 35 van de AVG.
Aan de hand van inspecties controleert de CMB of het beveiligingsplan voldoende is om de doelstellingen te bereiken. Indien dit niet het geval is kan de Cel Maritieme Beveiliging aan de NAMB voorstellen om bijkomende maatregelen op te leggen aan de vestigingseenheid.
Art. 2.5.2.46/21. Beroep
Beroep tegen de maatregelen vastgesteld door de NAMB, kan worden ingesteld bij de minister binnen de dertig dagen nadat de maatregelen per aangetekend schrijven ter kennis werden gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de vestigingseenheid en de NAMB gehoord te hebben.
Art. 2.5.2.46/22.Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden."
"Afdeling 4/1. Beveiliging van terminals gelegen in het binnenland
Art. 2.5.2.46/1. Beveiligingsniveau
De beveiligingsniveaus van artikel 2.5.2.24 zijn van overeenkomstige toepassing op terminals gelegen in het binnenland en worden ingesteld overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 2.5.2.25.
Art. 2.5.2.46/2. Toepassingsgebied
§ 1. Deze afdeling is van toepassing op:
1° binnenschepen die de goederen bedoeld in paragraaf 2, vervoeren van of naar een havenfaciliteit;
2° terminals gelegen in het binnenland en langs een bevaarbare waterloop waar de goederen bedoeld in paragraaf 2 zonder verdere overslag worden ontvangen of geladen om naar havenfaciliteiten via binnenschepen te worden vervoerd of tijdelijk worden opgeslagen.
§ 2. Deze afdeling is van toepassing op containers of voedsel verpakt als stukgoed of in bulk.
De koning kan de lijst van goederen bedoeld in het eerste lid uitbreiden na advies van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/3. Samenhang met artikel 2.5.2.28
Een terminal gelegen in het binnenland die voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling, kan zeeschepen ontvangen onder de voorwaarden omschreven in artikel 2.5.2.28. Zodra een terminal gelegen in het binnenland meer dan 10 zeeschepen per jaar of andere goederen dan vermeld in artikel 2.5.2.28 ontvangt, moet de terminal gelegen in het binnenland voldoen aan de voorwaarden opgelegd aan een havenfaciliteit.
Art. 2.5.2.46/4. Uitvoering van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Het LCMB in wiens gebied de terminal gelegen in het binnenland zich bevindt, stelt een beveiligingsbeoordeling hiervan op, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning op advies van de NAMB.
De mogelijkheid om een beveiligingsbeoordeling meer dan één terminal gelegen in het binnenland te laten omvatten, kan enkel worden toegestaan na uitdrukkelijk voorafgaandelijk akkoord van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/5. Goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
De NAMB beslist binnen de dertig dagen nadat het LCMB de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland heeft overgemaakt aan de NAMB of deze wordt goedgekeurd of dat bijkomende actie vereist is.
Art. 2.5.2.46/6.Geldigheidsduur van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland
Elke beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland wordt minste eenmaal om de vijf jaar door het LCMB herzien.
Een beveiligingsbeoordeling van een terminal gelegen in het binnenland kan na de goedkeuring gedurende drie maanden gebruikt worden voor het opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland. Indien het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland niet binnen deze termijn is opgesteld of het plan vernieuwd moet worden, is een nieuwe beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland vereist.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het beveiligingsplan van terminal gelegen in het binnenland gewijzigd wordt overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10, tweede lid.
Art. 2.5.2.46/7. BFSO
Elke onderneming die een terminal gelegen in het binnenland exploiteert stelt een verantwoordelijk voor de beveiliging aan, hierna BFSO, en tenminste een plaatsvervanger aan, waarop de bepalingen van artikel 2.5.2.33 en 2.5.2.39 van toepassing zijn.
Art. 2.5.2.46/8. Opstellen van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert, stelt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland op.
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet opgesteld worden overeenkomstig de door de Koning vastgestelde normen op advies van de NAMB.
Art. 2.5.2.46/9. Goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
De BFSO legt het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland voor aan het betrokken LCMB ter goedkeuring binnen de drie maanden na de goedkeuring van de beveiligingsbeoordeling van de terminal gelegen in het binnenland. Binnen de dertig dagen geeft het betrokken LCMB een gemotiveerd advies aan de NAMB. De NAMB beslist binnen de dertig dagen over goedkeuring van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland.
De goedkeuring geldt voor vijf jaar waarna een nieuw beveiligingsplan moet worden opgesteld op grond van een vernieuwde beveiligingsbeoordeling.
Art. 2.5.2.46/10. Wijziging van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
Elke substantiële wijziging moet ook aan het betrokken LCMB en de NAMB worden voorgelegd ter goedkeuring. De Koning bepaalt, op advies van de NAMB, wat als substantiële wijziging dient te worden beschouwd. De geldigheidsduur bepaald overeenkomstig artikel 2.5.2.46/9, tweede lid, blijft onveranderd bij de goedkeuring van een substantiële wijziging.
Bij tijdelijke evenementen of voorvallen, kan de NAMB, op advies van het LCMB, het beveiligingsplan aanpassen voor de duur van het evenement of voorval.
Art. 2.5.2.46/11. Intrekking van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland kan door de NAMB worden ingetrokken ingeval:
1° de beveiliging in de terminal gelegen in het binnenland niet meer gegarandeerd kan worden met het goedgekeurde beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland;
2° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert heeft gehandeld in strijd met beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland, dit hoofdstuk of zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de onderneming die de terminal gelegen in het binnenland exploiteert geen gevolg geeft aan de in artikel 2.5.2.46/12 bedoelde instructies.
De intrekking kan enkel geheel zijn.
§ 2. Beroep tegen de intrekking kan worden ingesteld bij de minister binnen de tien dagen nadat de beslissing ter kennis werd gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de terminal gelegen in het binnenland en de NAMB gehoord te hebben.
Het beroep schorst de beslissing niet.
Art. 2.5.2.46/12. Tussentijdse evaluaties
§ 1. Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt door het LCMB geëvalueerd:
1° in de periode tussen de zesentwintig en vierendertig maanden na de goedkeuring;
2° indien de beveiliging van de terminal gelegen in het binnenland door één of meer ongeoorloofde acties niet meer kan gegarandeerd worden of er een vermoeden is dat deze niet meer gegarandeerd kan worden.
§ 2. Het LCMB maakt de evaluatie over aan de NAMB die op basis van deze evaluatie:
1° termijnen kan vaststellen waarbinnen een aanpassing van het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland moet worden ingediend overeenkomstig artikel 2.5.2.46/10;
2° het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland geheel kan intrekken overeenkomstig artikel 2.5.2.47/11;
3° het LCMB een nieuwe beveiligingsbeoordeling kan laten uitvoeren.
Art. 2.5.2.46/13. Oefening
Het beveiligingsplan van de terminal gelegen in het binnenland wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar getest door middel van een oefening waarvan de vereisten worden vastgelegd door de Koning.
De terminal gelegen in het binnenland bezorgt het verslag uiterlijk één maand na de oefeningen bedoeld in het eerste lid.
Art. 2.5.2.46/14. Verklaring van Goedkeuring
De NAMB reikt aan elke terminal gelegen in het binnenland waarvan het beveiligingsplan werd goedgekeurd een Verklaring van Goedkeuring uit.
De Verklaring van Goedkeuring bevat de volgende gegevens:
1° de terminal gelegen in het binnenland;
2° het feit dat de terminal gelegen in het binnenland voldoet aan de bepalingen van dit hoofdstuk en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de geldigheidstermijn van de Verklaring van Goedkeuring is maximaal vijf jaar en kan nooit langer zijn dan de geldigheidsduur van het beveiligingsplan.
Art. 2.5.2.46/15. Verplichtingen voor de binnenschepen
Binnenschepen die de goederen bedoeld in artikel 2.5.2.46/2, § 2, van of naar een havenfaciliteit vervoeren moeten:
1° ten alle tijden het AIS-systeem waarvan de technische kenmerken door het bevoegde gewest worden vastgesteld, geactiveerd houden;
2° de lijst van opvarenden actueel houden en ter beschikking stellen van de inspectiediensten en de PFSO en de BFSO.
De verplichtingen in het eerste lid gelden ook voor het transport naar of vanuit het buitenland zodra het vaartuig zich op de Belgische waterwegen bevindt.
Art. 2.5.2.46/16. Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de terminals gelegen in het binnenland voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen, waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 4/2. Beveiliging van de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging
Art. 2.5.2.46/17. Toepassingsgebied
Deze afdeling is van toepassing op vestigingseenheden die door hun werkzaamheden of ligging een impact kunnen hebben op de fysieke of digitale beveiliging van een haven, een havenfaciliteit of een terminal gelegen in het binnenland, evenals op Belgische schepen.
Het is niet noodzakelijk dat vanop deze vestigingseenheden maritieme activiteiten worden ontplooid.
Art. 2.5.2.46/18. Aanduiding
§ 1. Op advies van een LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of een vestigingseenheid een impact heeft op de maritieme beveiliging. Indien de NAMB van oordeel is dat er een impact is, wordt de exploitant van de vestigingseenheid hiervan ingelicht waarbij deze beschikt over een termijn van dertig dagen om eventuele opmerkingen over te maken.
Op basis van het evaluatierapport van de NAMB en de opmerkingen van de exploitant kan de koning, na advies van de NAMB, de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging aanduiden.
Deze aanduiding geldt voor een termijn van 5 jaar, waarna deze verlengd kan worden na evaluatie door de NAMB en advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Indien de exploitant van oordeel is dat zijn vestigingseenheid niet langer een impact heeft op de maritieme beveiliging, kan de exploitant de NAMB verzoeken om een evaluatie te maken. Na advies van het LCMB of de Cel Maritieme Beveiliging evalueert de NAMB of de vestigingseenheid al dan niet nog een impact heeft op de maritieme beveiliging.
De koning kan de aanduiding van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging intrekken.
Art. 2.5.2.46/19. Doelstellingen
Een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging moet ervoor zorgen dat:
1° onbevoegden geen toegang kunnen hebben tot die delen van de vestigingseenheid die de maritieme beveiliging kunnen bedreigen;
2° de informatica- en netwerksystemen op dermate wijze worden beveiligd dat onbevoegden geen toegang hebben tot de data die de maritieme beveiliging kan bedreigen.
De koning kan bij een Ministerraad overlegd besluit, na advies van de NAMB, bijkomende doelstellingen opleggen aan vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.
Art. 2.5.2.46/20. Beveiligingsplan
Om de doelstellingen in artikel 2.5.2.46/19 te bereiken stelt de exploitant van de vestigingseenheid een beveiligingsplan op dat aan de Cel Maritieme Beveiliging wordt overgemaakt.
De exploitant van de vestigingseenheid kan om de doelstellingen te bereiken gebruik maken van de biometrische gegevens bedoeld in artikel 2.5.2.84, na het uitvoeren van een effectbeoordeling inzake gegevensbescherming, zoals bedoeld in artikel 35 van de AVG.
Aan de hand van inspecties controleert de CMB of het beveiligingsplan voldoende is om de doelstellingen te bereiken. Indien dit niet het geval is kan de Cel Maritieme Beveiliging aan de NAMB voorstellen om bijkomende maatregelen op te leggen aan de vestigingseenheid.
Art. 2.5.2.46/21. Beroep
Beroep tegen de maatregelen vastgesteld door de NAMB, kan worden ingesteld bij de minister binnen de dertig dagen nadat de maatregelen per aangetekend schrijven ter kennis werden gebracht.
De minister neemt binnen de dertig dagen een beslissing, na de exploitant van de vestigingseenheid en de NAMB gehoord te hebben.
Art. 2.5.2.46/22.Onderrichtingen door de NAMB
De NAMB kan onderrichtingen geven aan de exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging voor de punten bedoeld in artikel 2.5.2.44.
De Koning kan de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden."
Art. 20. Dans le chapitre 2 du titre 5 du livre 2 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les sections 4/1 et 4/2, composées des articles 2.5.2.46/1 à 2.5.2.46/22, sont insérées après l'article 2.5.2.46 et rédigées comme suit:
"Section 4/1. Sûreté des terminaux intérieurs
Art. 2.5.2.46/1. Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté de l'article 2.5.2.24 s'appliquent par analogie aux terminaux intérieurs et sont fixés conformément à la procédure visée à l'article 2.5.2.25.
Art. 2.5.2.46/2. Champ d'application
§ 1er. La présente section s'applique:
1° aux bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées au paragraphe 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire;
2° aux terminaux intérieurs et situés le long d'une voie d'eau navigable où les marchandises visées au paragraphe 2 sont reçues ou chargées sans autre transbordement en vue de leur transport vers des installations portuaires par des bateaux de navigation intérieure ou de leur entreposage temporaire.
§ 2. La présente section s'applique aux conteneurs, aux denrées alimentaires en vrac ou isolées.
Le Roi peut étendre la liste des marchandises visées à l'alinéa 1er après avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/3. Lien avec l'article 2.5.2.28
Un terminal intérieur répondant aux conditions de la présente section peut accueillir des navires de mer aux conditions décrites à l'article 2.5.2.28. Dès qu'un terminal intérieur accueille plus de 10 navires de mer par an ou des marchandises autres que celles mentionnées à l'article 2.5.2.28, il doit respecter les conditions imposées à une installation portuaire.
Art. 2.5.2.46/4. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Le CLSM dans la zone duquel le terminal intérieur est situé élabore une évaluation de la sûreté du terminal intérieur, conformément aux dispositions fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
La possibilité qu'une évaluation de la sûreté couvre plus d'un terminal intérieur ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/5. Approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur à l'ANSM, si cette évaluation est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.
Art. 2.5.2.46/6. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Chaque évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté du terminal intérieur. Si le plan de sûreté du terminal intérieur n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté du terminal intérieur est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté du terminal intérieur est modifié conformément à l'article 2.5.2.46/10, alinéa 2.
Art. 2.5.2.46/7. BFSO
Chaque entreprise qui exploite un terminal intérieur nomme un responsable de la sûreté, appelé ci-après BFSO, et au moins un suppléant, auxquels s'appliquent les dispositions des articles 2.5.2.33 et 2.5.2.39.
Art. 2.5.2.46/8. Elaboration du plan de sûreté du terminal intérieur
L'entreprise qui exploite le terminal intérieur élabore le plan de sûreté du terminal intérieur.
Le plan de sûreté du terminal intérieur doit être élaboré conformément aux normes fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/9. Approbation du plan de sûreté du terminal intérieur
Le BFSO soumet le plan de sûreté du terminal intérieur à l'approbation du CLSM concerné dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté du terminal intérieur dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.46/10. Modification du plan de sûreté du terminal intérieur
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.46/9, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.46/11. Retrait du plan de sûreté du terminal intérieur
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur peut être retiré par l'ANSM dans le cas où:
1° la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté du terminal intérieur approuvé;
2° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur a agi en violation du plan de sûreté du terminal intérieur, du présent chapitre ou de ses arrêtés d'exécution;
3° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.46/12.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant du terminal intérieur et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.46/12. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur est évalué par le CLSM:
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation;
2° si la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut:
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté du terminal intérieur doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.46/10;
2° retirer le plan de sûreté du terminal intérieur totalement, conformément à l'article 2.5.2.47/11;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.
Art. 2.5.2.46/13. Exercice
Le plan de sûreté du terminal intérieur est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le terminal intérieur en remet le rapport au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er.
Art. 2.5.2.46/14. Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque terminal intérieur dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes:
1° le terminal intérieur;
2° le fait que le terminal intérieur satisfait aux dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté.
Art. 2.5.2.46/15. Obligations pour les bateaux de navigation intérieure
Les bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées à l'article 2.5.2.46/2, § 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire doivent:
1° maintenir en permanence activé le système AIS dont les caractéristiques techniques sont déterminées par la Région compétente;
2° tenir à jour la liste des personnes embarquées et la mettre à la disposition des services d'inspection, du PFSO et du BFSO.
Les obligations mentionnées à l'alinéa 1er s'appliquent également au transport à destination ou en provenance de l'étranger lorsque le bateau se trouve sur les voies navigables belges.
Art. 2.5.2.46/16. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux terminaux intérieurs pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.
Section 4/2. Sûreté des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime
Art. 2.5.2.46/17. Champ d'application
La présente section s'applique aux unités d'établissement qui, en raison de leur activités ou de leur localisation, sont susceptibles d'avoir un impact sur la sûreté physique ou numérique d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, ainsi qu'aux navires belges.
Il n'est pas nécessaire que des activités maritimes soient exercées à partir de ces unités d'établissement.
Art. 2.5.2.46/18. Désignation
§ 1er. Sur l'avis d'un CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si une unité d'établissement a un impact sur la sûreté maritime. Si l'ANSM considère qu'il y existe un impact, l'exploitant de l'unité d'établissement sera informé en conséquence et disposera d'une période de 30 jours pour soumettre ses commentaires éventuels.
Sur la base du rapport d'évaluation de l'ANSM et des commentaires de l'opérateur, après avis de l'ANSM, le roi peut désigner l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
Cette désignation est valable pour une durée de 5 ans, après quoi elle peut être renouvelée après évaluation par l'ANSM et sur avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Si l'exploitant estime que son unité d'établissement n'a plus d'impact sur la sûreté maritime, il peut demander à l'ANSM de procéder à une évaluation. Après avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si l'unité d'établissement a toujours un impact sur la sûreté maritime.
Le roi peut révoquer la désignation de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime.
Art. 2.5.2.46/19. Objectifs
Une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime doit s'assurer que:
1° les personnes non autorisées ne puissent avoir accès aux parties de l'unité d'établissement susceptibles de menacer la sûreté maritime;
2° les systèmes informatiques et de réseau soient sécurisés de manière à ce que les personnes non autorisées ne puissent accéder aux données susceptibles de menacer la sûreté maritime.
Le roi peut imposer des objectifs supplémentaires aux unités d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime par arrêté délibéré en conseil des ministres, après avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/20. Plan de sûreté
Pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.5.46/19, l'exploitant de l'unité d'établissement élabore un plan de sûreté qui est transmis à la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour atteindre les objectifs, l'exploitant de l'unité d'établissement peut utiliser les données biométriques visées à l'article 2.5.2.84 après avoir effectué une analyse d'impact relative à la protection des données, visée à l'article 35 du RGPD.
La CSM contrôle via des inspections si le plan de sûreté est suffisant pour atteindre les objectifs. Si tel n'est pas le cas, la Cellule de la Sûreté maritime peut proposer à l'ANSM d'imposer des mesures supplémentaires à l'unité d'établissement.
Art. 2.5.2.46/21. Recours
Un recours contre les mesures adoptées par l'ANSM, peut être introduit auprès du ministre dans les trente 30 jours à compter de la notification des mesures par courrier recommandé.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant de l'unité d'établissement et l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/22/art}. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires."
"Section 4/1. Sûreté des terminaux intérieurs
Art. 2.5.2.46/1. Niveau de sûreté
Les niveaux de sûreté de l'article 2.5.2.24 s'appliquent par analogie aux terminaux intérieurs et sont fixés conformément à la procédure visée à l'article 2.5.2.25.
Art. 2.5.2.46/2. Champ d'application
§ 1er. La présente section s'applique:
1° aux bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées au paragraphe 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire;
2° aux terminaux intérieurs et situés le long d'une voie d'eau navigable où les marchandises visées au paragraphe 2 sont reçues ou chargées sans autre transbordement en vue de leur transport vers des installations portuaires par des bateaux de navigation intérieure ou de leur entreposage temporaire.
§ 2. La présente section s'applique aux conteneurs, aux denrées alimentaires en vrac ou isolées.
Le Roi peut étendre la liste des marchandises visées à l'alinéa 1er après avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/3. Lien avec l'article 2.5.2.28
Un terminal intérieur répondant aux conditions de la présente section peut accueillir des navires de mer aux conditions décrites à l'article 2.5.2.28. Dès qu'un terminal intérieur accueille plus de 10 navires de mer par an ou des marchandises autres que celles mentionnées à l'article 2.5.2.28, il doit respecter les conditions imposées à une installation portuaire.
Art. 2.5.2.46/4. Mise en oeuvre de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Le CLSM dans la zone duquel le terminal intérieur est situé élabore une évaluation de la sûreté du terminal intérieur, conformément aux dispositions fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
La possibilité qu'une évaluation de la sûreté couvre plus d'un terminal intérieur ne peut être autorisée qu'avec l'accord exprès préalable de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/5. Approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
L'ANSM décide dans les trente jours à compter de la transmission par le CLSM de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur à l'ANSM, si cette évaluation est approuvée ou si des actions supplémentaires sont requises.
Art. 2.5.2.46/6. Durée de validité de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur
Chaque évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur doit être revue par le CLSM au moins une fois tous les cinq ans.
Une évaluation de la sûreté d'un terminal intérieur peut être utilisée pendant trois mois après son approbation pour l'élaboration du plan de sûreté du terminal intérieur. Si le plan de sûreté du terminal intérieur n'est pas élaboré pendant cette période, ou si le plan doit être renouvelé, une nouvelle évaluation de la sûreté du terminal intérieur est nécessaire.
L'alinéa 2 ne s'applique pas lorsque le plan de sûreté du terminal intérieur est modifié conformément à l'article 2.5.2.46/10, alinéa 2.
Art. 2.5.2.46/7. BFSO
Chaque entreprise qui exploite un terminal intérieur nomme un responsable de la sûreté, appelé ci-après BFSO, et au moins un suppléant, auxquels s'appliquent les dispositions des articles 2.5.2.33 et 2.5.2.39.
Art. 2.5.2.46/8. Elaboration du plan de sûreté du terminal intérieur
L'entreprise qui exploite le terminal intérieur élabore le plan de sûreté du terminal intérieur.
Le plan de sûreté du terminal intérieur doit être élaboré conformément aux normes fixées par le Roi sur avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/9. Approbation du plan de sûreté du terminal intérieur
Le BFSO soumet le plan de sûreté du terminal intérieur à l'approbation du CLSM concerné dans les trois mois suivant l'approbation de l'évaluation de la sûreté du terminal intérieur. Dans les trente jours, le CLSM concerné donne un avis motivé à l'ANSM. L'ANSM décide de l'approbation du plan de sûreté du terminal intérieur dans les trente jours.
L'approbation est valable cinq ans, après quoi un nouveau plan de sûreté doit être élaboré sur la base d'une nouvelle évaluation de la sûreté.
Art. 2.5.2.46/10. Modification du plan de sûreté du terminal intérieur
Toute modification substantielle doit également être soumise au CLSM concerné et à l'ANSM pour approbation. Le Roi détermine, sur l'avis de l'ANSM, ce qui doit être considéré comme une modification substantielle. La durée de validité déterminée conformément à l'article 2.5.2.46/9, alinéa 2, reste inchangée lors de l'approbation d'une modification substantielle.
Dans le cas d'événements ou d'incidents temporaires, l'ANSM peut, sur l'avis du CLSM, adapter le plan de sûreté pour la durée de l'événement ou de l'incident.
Art. 2.5.2.46/11. Retrait du plan de sûreté du terminal intérieur
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur peut être retiré par l'ANSM dans le cas où:
1° la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie avec le plan de sûreté du terminal intérieur approuvé;
2° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur a agi en violation du plan de sûreté du terminal intérieur, du présent chapitre ou de ses arrêtés d'exécution;
3° l'entreprise qui exploite le terminal intérieur ne suit pas les instructions visées à l'article 2.5.2.46/12.
Le retrait ne peut être que total.
§ 2. Un recours contre le retrait peut être introduit auprès du ministre dans les dix jours après la notification de la décision.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant du terminal intérieur et l'ANSM.
Le recours ne suspend pas la décision.
Art. 2.5.2.46/12. Evaluations intermédiaires
§ 1er. Le plan de sûreté du terminal intérieur est évalué par le CLSM:
1° dans la période comprise entre vingt-six et trente-quatre mois après l'approbation;
2° si la sûreté du terminal intérieur ne peut plus être garantie en raison d'une ou plusieurs actions illicites ou s'il existe un soupçon qu'elle ne peut plus être garantie.
§ 2. Le CLSM transmet l'évaluation à l'ANSM qui, sur la base de cette évaluation, peut:
1° fixer les délais dans lesquels une adaptation du plan de sûreté du terminal intérieur doit être soumise conformément à l'article 2.5.2.46/10;
2° retirer le plan de sûreté du terminal intérieur totalement, conformément à l'article 2.5.2.47/11;
3° faire procéder à une nouvelle évaluation de la sûreté par le CLSM.
Art. 2.5.2.46/13. Exercice
Le plan de sûreté du terminal intérieur est testé au moins une fois par année civile au moyen d'un exercice dont les exigences sont fixées par le Roi.
Le terminal intérieur en remet le rapport au plus tard un mois après les exercices visés à l'alinéa 1er.
Art. 2.5.2.46/14. Déclaration d'approbation
L'ANSM délivre une Déclaration d'approbation à chaque terminal intérieur dont le plan de sûreté a été approuvé.
La Déclaration d'approbation contient les données suivantes:
1° le terminal intérieur;
2° le fait que le terminal intérieur satisfait aux dispositions du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution;
3° la durée de validité de la Déclaration d'approbation est de cinq ans maximum et ne peut jamais dépasser la durée de validité du plan de sûreté.
Art. 2.5.2.46/15. Obligations pour les bateaux de navigation intérieure
Les bateaux de navigation intérieure transportant les marchandises visées à l'article 2.5.2.46/2, § 2, en provenance ou à destination d'une installation portuaire doivent:
1° maintenir en permanence activé le système AIS dont les caractéristiques techniques sont déterminées par la Région compétente;
2° tenir à jour la liste des personnes embarquées et la mettre à la disposition des services d'inspection, du PFSO et du BFSO.
Les obligations mentionnées à l'alinéa 1er s'appliquent également au transport à destination ou en provenance de l'étranger lorsque le bateau se trouve sur les voies navigables belges.
Art. 2.5.2.46/16. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux terminaux intérieurs pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.
Section 4/2. Sûreté des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime
Art. 2.5.2.46/17. Champ d'application
La présente section s'applique aux unités d'établissement qui, en raison de leur activités ou de leur localisation, sont susceptibles d'avoir un impact sur la sûreté physique ou numérique d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur, ainsi qu'aux navires belges.
Il n'est pas nécessaire que des activités maritimes soient exercées à partir de ces unités d'établissement.
Art. 2.5.2.46/18. Désignation
§ 1er. Sur l'avis d'un CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si une unité d'établissement a un impact sur la sûreté maritime. Si l'ANSM considère qu'il y existe un impact, l'exploitant de l'unité d'établissement sera informé en conséquence et disposera d'une période de 30 jours pour soumettre ses commentaires éventuels.
Sur la base du rapport d'évaluation de l'ANSM et des commentaires de l'opérateur, après avis de l'ANSM, le roi peut désigner l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
Cette désignation est valable pour une durée de 5 ans, après quoi elle peut être renouvelée après évaluation par l'ANSM et sur avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Si l'exploitant estime que son unité d'établissement n'a plus d'impact sur la sûreté maritime, il peut demander à l'ANSM de procéder à une évaluation. Après avis du CLSM ou de la Cellule de la Sûreté maritime, l'ANSM évalue si l'unité d'établissement a toujours un impact sur la sûreté maritime.
Le roi peut révoquer la désignation de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime.
Art. 2.5.2.46/19. Objectifs
Une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime doit s'assurer que:
1° les personnes non autorisées ne puissent avoir accès aux parties de l'unité d'établissement susceptibles de menacer la sûreté maritime;
2° les systèmes informatiques et de réseau soient sécurisés de manière à ce que les personnes non autorisées ne puissent accéder aux données susceptibles de menacer la sûreté maritime.
Le roi peut imposer des objectifs supplémentaires aux unités d'établissement ayant un impact sur la sécurité maritime par arrêté délibéré en conseil des ministres, après avis de l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/20. Plan de sûreté
Pour atteindre les objectifs visés à l'article 2.5.46/19, l'exploitant de l'unité d'établissement élabore un plan de sûreté qui est transmis à la Cellule de la Sûreté maritime.
Pour atteindre les objectifs, l'exploitant de l'unité d'établissement peut utiliser les données biométriques visées à l'article 2.5.2.84 après avoir effectué une analyse d'impact relative à la protection des données, visée à l'article 35 du RGPD.
La CSM contrôle via des inspections si le plan de sûreté est suffisant pour atteindre les objectifs. Si tel n'est pas le cas, la Cellule de la Sûreté maritime peut proposer à l'ANSM d'imposer des mesures supplémentaires à l'unité d'établissement.
Art. 2.5.2.46/21. Recours
Un recours contre les mesures adoptées par l'ANSM, peut être introduit auprès du ministre dans les trente 30 jours à compter de la notification des mesures par courrier recommandé.
Le ministre prend une décision dans les trente jours, après avoir entendu l'exploitant de l'unité d'établissement et l'ANSM.
Art. 2.5.2.46/22/art}. Instructions de l'ANSM
L'ANSM peut donner des instructions aux exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime pour les points visés à l'article 2.5.2.44.
Le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires."
Art. 21. In artikel 2.5.2.78 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden in de bepaling onder 9° de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten en de terminals gelegen in het binnenland";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden in de bepaling onder 17° de woorden "en CSO's" vervangen door de woorden ", CSO's, BFSO en exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
3° paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 18, luidende:
"18° het bijhouden van de lijst van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.";
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "16° " vervangen door het woord "18° ";
5° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "de Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten";
6° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "de Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten".
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden in de bepaling onder 9° de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten en de terminals gelegen in het binnenland";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden in de bepaling onder 17° de woorden "en CSO's" vervangen door de woorden ", CSO's, BFSO en exploitanten van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
3° paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 18, luidende:
"18° het bijhouden van de lijst van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging.";
4° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "16° " vervangen door het woord "18° ";
5° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "de Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten";
6° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "de Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten".
Art. 21. Dans l'article 2.5.2.78 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 9° du paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "et des installations portuaires" sont remplacés par les mots ", des installations portuaires et des terminaux intérieurs";
2° au 17° du paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "et les CSO" sont remplacés par les mots ", les CSO, les BFSO et les exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un 18° rédigé comme suit:
"18° la mise à jour de la liste des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "16° " est remplacé par le mot "18° ";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", de la police de la navigation" sont insérés entre les mots "de la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "et des services d'inspection";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots ", de la police de la navigation" sont insérés entre les mots "de la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "et des services d'inspection".
1° au 9° du paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "et des installations portuaires" sont remplacés par les mots ", des installations portuaires et des terminaux intérieurs";
2° au 17° du paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "et les CSO" sont remplacés par les mots ", les CSO, les BFSO et les exploitants d'unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un 18° rédigé comme suit:
"18° la mise à jour de la liste des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.";
4° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le mot "16° " est remplacé par le mot "18° ";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", de la police de la navigation" sont insérés entre les mots "de la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "et des services d'inspection";
5° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots ", de la police de la navigation" sont insérés entre les mots "de la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "et des services d'inspection".
Art. 22. In artikel 2.5.2.82 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "van havens of havenfaciliteiten" worden vervangen door de woorden "van havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"Camera's die geïnstalleerd worden door de havenkapiteinsdiensten moeten voldoen aan de bepalingen van het hoofdstuk 4 van deze titel.".
1° de woorden "van havens of havenfaciliteiten" worden vervangen door de woorden "van havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"Camera's die geïnstalleerd worden door de havenkapiteinsdiensten moeten voldoen aan de bepalingen van het hoofdstuk 4 van deze titel.".
Art. 22. Dans l'article 2.5.2.82 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "des ports ou des installations portuaires" sont remplacés par les mots ", des installations portuaires, des terminaux intérieurs ou des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
2° l'article est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit:
"Les caméras installées par les capitaineries des ports doivent être conformes aux dispositions du chapitre 4 du présent titre.".
1° les mots "des ports ou des installations portuaires" sont remplacés par les mots ", des installations portuaires, des terminaux intérieurs ou des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
2° l'article est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit:
"Les caméras installées par les capitaineries des ports doivent être conformes aux dispositions du chapitre 4 du présent titre.".
Art. 23. In artikel 2.5.2.83, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de woorden "exploitanten van havens en havenfaciliteiten" vervangen door de woorden "exploitanten van havenfaciliteiten of terminals gelegen in het binnenland".
Art. 23. Dans l'article 2.5.2.83, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les mots "exploitants des ports et des installations portuaires" sont remplacés par les mots "exploitants des installations portuaires ou des terminaux intérieurs".
Art. 24. In artikel 2.5.2.86 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden in de bepaling onder 1°, de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
2° in het eerste lid worden in de bepaling onder 4°, de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
3° in het eerste lid wordt de bepaling onder 8° aangevuld met de woorden "en de BFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.46/7";
4° in het tweede lid worden de woorden "van de Scheepvaartpolitie en" ingevoegd tussen de woorden "De gegevens van de leden" en de woorden "van de inspectiediensten".
1° in het eerste lid worden in de bepaling onder 1°, de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
2° in het eerste lid worden in de bepaling onder 4°, de woorden "en de havenfaciliteiten" vervangen door de woorden ", de havenfaciliteiten, de terminals gelegen in het binnenland en de vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging";
3° in het eerste lid wordt de bepaling onder 8° aangevuld met de woorden "en de BFSO's zoals bedoeld in artikel 2.5.2.46/7";
4° in het tweede lid worden de woorden "van de Scheepvaartpolitie en" ingevoegd tussen de woorden "De gegevens van de leden" en de woorden "van de inspectiediensten".
Art. 24. Dans l'article 2.5.2.86 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, au 1°, les mots "et les installations portuaires" sont remplacés par les mots ", les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
2° dans l'alinéa 1er, au 4°, les mots "et les installations portuaires" sont remplacés par les mots ", les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° dans l'alinéa 1er, le 8° est complété par les mots "et des BFSO tels que visés à l'article 2.5.2.46/7";
4° dans l'alinéa 2, les mots "de la Police de la navigation et" sont insérés entre les mots "Les données des membres" et les mots "des services d'inspection".
1° dans l'alinéa 1er, au 1°, les mots "et les installations portuaires" sont remplacés par les mots ", les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
2° dans l'alinéa 1er, au 4°, les mots "et les installations portuaires" sont remplacés par les mots ", les installations portuaires, les terminaux intérieurs et les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° dans l'alinéa 1er, le 8° est complété par les mots "et des BFSO tels que visés à l'article 2.5.2.46/7";
4° dans l'alinéa 2, les mots "de la Police de la navigation et" sont insérés entre les mots "Les données des membres" et les mots "des services d'inspection".
Art. 25. In artikel 2.5.2.87 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° worden tussen de woorden "van havenfaciliteiten" en de woorden "en de personeelsleden" de woorden ", van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
2° worden in de bepaling onder 2° de woorden "en SSO" vervangen door de woorden ", SSO en BFSO";
3° wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° leden van de Scheepvaartpolitie en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;".
1° in de bepaling onder 1° worden tussen de woorden "van havenfaciliteiten" en de woorden "en de personeelsleden" de woorden ", van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
2° worden in de bepaling onder 2° de woorden "en SSO" vervangen door de woorden ", SSO en BFSO";
3° wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° leden van de Scheepvaartpolitie en de inspectiediensten bedoeld in artikel 4.2.4.4;".
Art. 25. Dans l'article 2.5.2.87 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 1°, les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime" sont insérés entre les mots "des installations portuaires" et les mots "et les membres du personnel";
2° au 2°, les mots "et SSO" sont remplacés par les mots ", SSO et BFSO";
3° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° les membres de la Police de la navigation et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4;".
1° au 1°, les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime" sont insérés entre les mots "des installations portuaires" et les mots "et les membres du personnel";
2° au 2°, les mots "et SSO" sont remplacés par les mots ", SSO et BFSO";
3° le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° les membres de la Police de la navigation et des services d'inspection visés à l'article 4.2.4.4;".
Art. 26. In artikel 2.5.2.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin van paragraaf 1 worden tussen de woorden "van havenfaciliteiten" en de woorden "mogen de volgende" de woorden ", van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
2° in paragraaf 1 worden in de bepaling onder 8° tussen de woorden "de havenfaciliteit" en de woorden "binnen- en buitenrijden" de woorden ", de terminal gelegen in het binnenland en de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende:
"10° in voorkomend geval, de datum waarop het positief veiligheidsadvies overeenkomstig artikel 2.5.2.98 werd bekomen.";
4° in de inleidende zin van paragraaf 2 worden de woorden "en SSO" vervangen door de woorden ", SSO, BFSO en de exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging";
5° de bepaling onder 5° in paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden en "en BFSO's".
1° in de inleidende zin van paragraaf 1 worden tussen de woorden "van havenfaciliteiten" en de woorden "mogen de volgende" de woorden ", van terminals gelegen in het binnenland en van vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
2° in paragraaf 1 worden in de bepaling onder 8° tussen de woorden "de havenfaciliteit" en de woorden "binnen- en buitenrijden" de woorden ", de terminal gelegen in het binnenland en de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging" ingevoegd;
3° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende:
"10° in voorkomend geval, de datum waarop het positief veiligheidsadvies overeenkomstig artikel 2.5.2.98 werd bekomen.";
4° in de inleidende zin van paragraaf 2 worden de woorden "en SSO" vervangen door de woorden ", SSO, BFSO en de exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging";
5° de bepaling onder 5° in paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden en "en BFSO's".
Art. 26. Dans l'article 2.5.2.88 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans la phrase introductive du paragraphe 1er, les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime" sont insérés entre les mots "des installations portuaires" et les mots ", les données suivantes";
2° au paragraphe 1er, le 8° est complété par les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° le paragraphe 1er est complété par un 10° rédigé comme suit:
"10° le cas échéant, la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu conformément à l'article 2.5.2.98.";
4° dans la phrase introductive du paragraphe 2, les mots "et SSO" sont remplacés par les mots ", SSO, BFSO et l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
5° dans le paragraphe 2, le 5° est complété par les mots "et BFSO".
1° dans la phrase introductive du paragraphe 1er, les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime" sont insérés entre les mots "des installations portuaires" et les mots ", les données suivantes";
2° au paragraphe 1er, le 8° est complété par les mots ", des terminaux intérieurs et des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
3° le paragraphe 1er est complété par un 10° rédigé comme suit:
"10° le cas échéant, la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu conformément à l'article 2.5.2.98.";
4° dans la phrase introductive du paragraphe 2, les mots "et SSO" sont remplacés par les mots ", SSO, BFSO et l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime";
5° dans le paragraphe 2, le 5° est complété par les mots "et BFSO".
Art. 27. In artikel 2.5.2.89 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de woorden "de Scheepvaartpolitie," ingevoegd tussen de woorden "de Cel Maritieme Beveiliging," en de woorden "het openbaar ministerie".
Art. 27. Dans l'article 2.5.2.89 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les mots "de la Police de la navigation," sont insérés entre les mots "de la Cellule de la Sûreté maritime," et les mots "du ministère public".
Art. 28. Artikel 2.5.2.90 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022 wordt aangevuld met een vierde lid, luidende:
"De gegevens van de oefeningen die persoonsgegevens bevatten worden bewaard gedurende een maximale termijn van tien jaar."
"De gegevens van de oefeningen die persoonsgegevens bevatten worden bewaard gedurende een maximale termijn van tien jaar."
Art. 28. L'article 2.5.2.90 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit:
"Les données des exercices contenant des données à caractère personnel sont conservées pendant une période maximale de dix ans."
"Les données des exercices contenant des données à caractère personnel sont conservées pendant une période maximale de dix ans."
Art. 29. Artikel 2.5.2.91 eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, wordt aangevuld met de volgende zinnen, luidende:
"De exploitant van de terminal gelegen in het binnenland is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een terminal gelegen in het binnenland bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. De exploitant van de vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86."
"De exploitant van de terminal gelegen in het binnenland is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een terminal gelegen in het binnenland bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86. De exploitant van de vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens van de bezoekers van een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging bedoeld in artikel 2.5.2.88, § 1, die worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.2.86."
Art. 29. L'article 2.5.2.91, alinéa 1er du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, est complété par les phrases suivantes:
"L'exploitant du terminal intérieur est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'un terminal intérieur visé à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. L'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86."
"L'exploitant du terminal intérieur est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'un terminal intérieur visé à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86. L'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime est le responsable du traitement pour les données des visiteurs d'une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime visées à l'article 2.5.2.88, § 1er, qui sont traitées pour les finalités visées à l'article 2.5.2.86."
Art. 30. Hoofstuk 2 van titel 5 van boek 2 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 oktober 2022, wordt aangevuld met de afdeling 11 dat de artikelen 2.5.2.97 tot en met 2.5.2.100 omvat, afdeling 12 dat artikel 2.5.2.101 omvat en afdeling 13 dat de artikelen 2.5.2.102 en 2.5.2.103 omvat, luidende:
"Afdeling 11. Veiligheidsverificaties
Art. 2.5.2.97. Lijst van kritieke functies
Na het doorlopen van de procedure zoals vastgesteld door de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, bepaalt de NAMB de lijst van beroepen, functies en mandaten waarvoor een veiligheidsverificatie overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst vereist is. Deze lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en is bindend. Ter informatie zal de lijst op de website van het DG Scheepvaart worden bekendgemaakt.
De NAMB bepaalt bij elk beroep, functie, mandaat de overgangsperiode en modaliteiten waarbinnen iedereen die deze beroepen, functies of mandaten uitoefent de veiligheidsverificatie moet ondergaan hebben.
Art. 2.5.2.98. Veiligheidsadvies
Personen mogen enkel het beroep, functie of mandaat of werkzaam zijn op een locatie bedoeld in artikel 2.5.2.97 uitoefenen indien een positief veiligheidsadvies werd bekomen. In afwijking van artikel 22quinquies/1, § 3, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst wordt het ontbreken van een veiligheidsadvies niet als positief aanzien voor de beroepen, functies en mandaten, bedoeld in artikel 2.5.2.97.
Art. 2.5.2.99. Toegangsbadge
§ 1. De volgende gegevens van de persoon die een positief veiligheidsadvies heeft bekomen worden overgemaakt aan de veiligheidsofficier van de onderneming die de persoon tewerkstelt of waarvoor de persoon een functie of mandaat uitoefent:
1° de naam en voornaam;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° de datum waarop het positief veiligheidsadvies werd bekomen;
4° de geldigheidsduur van het veiligheidsadvies.
Het rijksregisternummer kan enkel worden doorgegeven aan andere entiteiten van de onderneming die de persoon tewerkstelt indien deze entiteit gevestigd is binnen de Europees Economische Ruimte of in een land waarvoor de Europese Commissie een in artikel 45 van de AVG bedoelde adequaatheidsbesluit werd genomen.
§ 2. De veiligheidsofficier stelt in overleg met de PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging een procedure op waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
1° de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en bewaard;
2° een procedure hoe de badge gedeactiveerd wordt na afloop van de termijn waarvoor het positief veiligheidsadvies geldt of dat het positief veiligheidsadvies onherroepelijk wordt ingetrokken.
De PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging neemt deze procedure op in het beveiligingsplan.
Op een toegangsbadge van een persoon waarvoor geen positief veiligheidsadvies werd afgegeven, moet door middel van de letters VA/AS op een rode of oranje achtergrond dit worden aangegeven.
Art. 2.5.2.100. Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen vaststellen voor:
1° de wijze waarop de veiligheidsverificatie moet worden aangevraagd;
2° het gebruik van de toegangsbadge.
Op advies van de NAMB kan de Koning de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid, bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 12. Integriteitsbeleid
Art. 2.5.2.101. Wet van 28 november 2022
De wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders op inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector is van toepassing op de bedrijven die havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland, vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging of Belgische schepen exploiteren, voor wat betreft het melden van mogelijke ongeoorloofde acties.
Afdeling 13. Meldingsplatform
Art. 2.5.2.102. Portwatch
Bij de Cel Maritieme Beveiliging wordt een meldplatform genaamd "Portwatch" opgericht waarbij burgers verdachte situaties in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging kunnen melden.
Het meldingsplatform moet toegankelijk zijn via het internet en moet zo ingericht worden dat anonieme meldingen mogelijk zijn waarbij na de sessie geen enkel gegeven kan terugleiden naar de melder.
Art. 2.5.2.103. Verwerking
De geanonimiseerde gegevens van de meldingen worden opgeslagen in het ISPS-Platform bij de relevante haven, havenfaciliteit, terminal gelegen in het binnenland of vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging.
De meldingen worden onmiddellijk doorgeleid naar de bevoegde politiediensten. De Cel Maritieme Beveiliging maakt hiervoor de nodige afspraken met deze diensten."
Art. 31. Titel 5 van boek 2 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een hoofdstuk 4, dat de afdeling 1, bestaande uit de artikelen 2.5.4.1 tot en met 2.5.4.11 omvat en afdeling 2 bestaande uit het artikel 2.5.4.12, luidende:
"Hoofstuk 4. Bijzondere regelingen voor de havens
Afdeling 1. Cameragebruik
Art. 2.5.4.1. Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's door de havenkapiteinsdienst binnen:
1° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de havenfaciliteit zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, tweede lid;
2° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de haven zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, derde lid.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders, die camera's in de haven of havenfaciliteit plaatsen of gebruiken, behalve voor wat betreft hun verplichting tot het delen van camerabeelden zoals bedoeld in artikel 2.5.4.9.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door een bijzondere wet, decreet of artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.
§ 4. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing op het plaatsen of gebruiken door de havenkapiteinsdienst van camera's in de havens of havenfaciliteiten die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's blijft van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders die camera's plaatsen in een haven of havenfaciliteit.
Art. 2.5.4.2. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elk observatiesysteem dat beelden verwerkt voor de doeleinden uit artikel 2.5.4.3, ongeacht of het observatiesysteem tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie beelden te verwerken, dan wel of het observatiesysteem tijdens de observatie kan worden verplaatst om vanaf verschillende plaatsen of posities beelden te verwerken, zoals observatiesystemen geïnstalleerd aan boord van een vervoermiddel van de havenkapitein of aan boord van een ander voertuig, vaartuig, vliegtuig of een onbemand luchtvaartuigsysteem (UAS);
2° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde camerabeelden al dan niet autonoom kan verwerken.
Art. 2.5.4.3. Doel
§ 1. De havenkapiteinsdienst kan in het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1, camera's plaatsen of gebruiken voor één of meerdere van de volgende doelen:
1° het voorkomen, vaststellen of opsporen en bestraffen van ongeoorloofde acties of misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die aanwezig zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
4° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
6° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
7° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
8° het vaststellen en onderzoeken van de veiligheid van vaarwegen, infrastructuur en kades;
9° het monitoren van de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied;
10° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van voorkomen van verontreiniging door emissies;
11° het uitvoeren van wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek in de zin van artikel 89 AVG;
12° het uitvoeren en verstrekken van de opleiding van personen met specifieke taken;
13° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen;
14° het vaststellen, onderzoeken en behandelen van averij;
15° het voeren van onderzoek naar de oorzaak van ongevallen overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2.
§ 2. Het gebruik van camera's die biometrische gegevens van personen kunnen verwerken, is enkel toegestaan wanneer dit noodzakelijk is om de doeleinden bedoeld in paragraaf 1 te bereiken, in het bijzonder om de aanwezigheid van personen vast te stellen binnen het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1. De noodzaak van dit gebruik dient voorafgaand in het havenbeveiligingsplan te worden aangetoond op basis van concrete elementen in de havenbeveiligingsbeoordeling.
Wanneer biometrische gegevens verzameld op basis van camera's zijn bedoeld om een persoon te identificeren, is dat enkel toegelaten voor de doeleinden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, worden aangewezen door de havenkapiteinsdienst met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de havenkapiteinsdienst ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit;
3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
4° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
5° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.
De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien.
§ 3. Verdere verwerking van de beelden en geluidsopnames is enkel toegelaten voor volgende doeleinden:
1° het beschikken over archieven met beeld- en geluidsmateriaal, nadat deze geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG, onverminderd de Archiefwet van 24 juni 1955;
2° voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de LCMB en NAMB nadat de beelden werden geanonimiseerd overeenkomstig artikel 89 van de AVG;
3° voor het sensibiliseren en informeren van de bevolking, nadat de beelden geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG.
Art. 2.5.4.4. Plaatsen en gebruik van camera's
§ 1. Voor camera's die zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, neemt de havenkapiteinsdienst het initiatief tot het plaatsen of gebruiken van een vaste camera of het gebruiken van een mobiele camera, al dan niet tijdelijk en al dan niet met registratie van geluid, in havens of havenfaciliteiten. Er wordt melding gemaakt van de bestaande camera's gemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Voor camera's die niet zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, dient de havenkapiteinsdienst een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging voor het plaatsen en gebruiken van één of meer vaste camera's of het gebruiken van één of meer mobiele camera's, al dan niet tijdelijk, in havens of havenfaciliteiten. Alvorens deze aanvraag in te dienen, vraagt de havenkapiteinsdienst een advies aan het bevoegde LCMB over de punten 1° tot en met 4° van paragraaf 3.
§ 3. De aanvraag bedoeld in paragraaf 2 bevat minstens de volgende zaken:
1° locatie van het plaatsen of het gebruik van de camera;
2° de perimeter waarbinnen de camera beelden kan verwerken;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de bewaringstermijn die de maximale duur zoals bepaald in artikel 2.5.2.90 niet te boven mag gaan;
6° de categorieën van ontvangers;
7° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt;
8° het gunstig advies van het bevoegde LCMB over punten 1° tot en met 4°.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
§ 4. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het bevoegde LCMB aan de minister die beslist over de plaatsing of het gebruik en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van vijf jaar waarna deze vernieuwd moet worden, tenzij de camera voor het aflopen van deze termijn is opgenomen in een havenbeveiligingsplan, zoals bedoeld in paragraaf 1. De beslissing van de minister wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 5. Camera's die onder dit hoofdstuk vallen mogen niet worden gericht op privéwoningen of -domeinen, ongeacht of die privéwoningen of -domeinen zich in de geografische gebieden bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1 bevinden. Indien er een reëel risico bestaat dat een camera die onder dit hoofdstuk valt een privéwoning of -domein zou kunnen filmen, dan dient de verwerkingsverantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen te treffen die dat verhinderen. Camerabeelden gemaakt in strijd met deze paragraaf, dienen door de verwerkingsverantwoordelijke te worden verwijderd.
§ 6. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt aan de politiediensten de lijst van camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel of overeenkomstig artikel 4.6.1.6, § 2.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt de beslissing van de minister, evenals de lijst van de camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel aan de gemeente waar de camera is geplaatst.
Art. 2.5.4.5. Intelligente Camera's
De havenkapiteinsdienst kan intelligente camera's inzetten voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3, op voorwaarde dat de plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan of er een aanvraag overeenkomstig artikel 2.5.4.4., § 2, wordt ingediend.
Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning of automatische herkenning van voertuigen of vaartuigen door de havenkapiteinsdienst is toegelaten. Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op gezichtsherkenning is niet toegelaten.
Het gebruik van individuele camera's zoals bepaald in artikel 25/2 van de wet op het politieambt door de leden van de havenkapiteinsdienst is niet toegelaten onder de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 2.5.4.6. Transparantieverplichtingen
§ 1. De havenkapiteinsdienst dient elke betrokkene die de haven of havenfaciliteit betreedt transparant te informeren over de aanwezigheid van camera's in de haven of de havenfaciliteit.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het land, maakt de havenkapiteinsdienst de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een pictogram bij deze toegangsweg. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van dit pictogram. Tevens wordt de locatie van de camera's gepubliceerd op de website van het DG Scheepvaart.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het water, maakt de exploitant van een haven of havenfaciliteit de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een Bericht aan Zeevarenden en vermelding op de website van het DG Scheepvaart.
§ 2. De havenkapiteinsdienst houdt een register bij met de lijst van camera's die zijn toegestaan, sinds wanneer en voor welke doeleinden, evenals alle beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid.
Voor elk gebruik worden de volgende gegevens opgenomen in het register:
1° de vermelding van de plaats;
2° het gebruikte type camera en hun plaats, desgevallend aangegeven op een plan;
3° de beschrijving van de bewaakte zones en de gebruiksperiodes;
4° de plaats waar de beelden worden verwerkt;
5° het feit dat het in real time of tijdens het incident bekijken van de beelden al dan niet wordt georganiseerd en, in voorkomend geval, de manier waarop dit wordt georganiseerd;
6° de personen die kennis hebben genomen van de beelden en geluidsopnames;
7° het ogenblik en de plaats van deze kennisneming;
8° de redenen van deze kennisneming;
9° de personen die toegang hebben gekregen tot het register.
Art. 2.5.4.7. Toegang tot de camerabeelden
§ 1. Toegang tot camerabeelden en geluidsopnames, al dan niet van derden overeenkomstig artikel 2.5.4.9, wordt enkel verkregen op grond van de wet of kan worden verleend door de bevoegde havenkapiteinsdienst onder de voorwaarden bepaald in dit artikel. De havenkapiteinsdienst is enkel bevoegd om toegang te verlenen tot camerabeelden en geluidsopnames van camera's die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Toegang betekent in dit artikel het bekijken, beluisteren en analyseren, al dan niet in real time, van camerabeelden en geluidsopnames. De toegang omvat ook het overdragen van camerabeelden en geluidsopnames zelf nadat deze gemaakt zijn.
§ 2. Onderstaande personen, diensten of entiteiten hebben in elk geval toegang tot de camerabeelden en geluidsopnames:
1° de personen, diensten of entiteiten bedoeld in artikel 4.2.4.4, in overeenstemming met de beperkingen daarin bepaald, om te kunnen ingrijpen bij een misdrijf, schade, overlast of een verstoring van de openbare orde;
2° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden of geluidsopnames in de haven of havenfaciliteit, in overeenstemming met de beperkingen en waarborgen bepaald in de bijzondere wetgeving.
§ 3. Aan personen, diensten of entiteiten die niet onder paragraaf 2 vallen, kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen indien onderstaande cumulatieve toegangsvoorwaarden vervuld zijn:
1° de toegang is noodzakelijk voor het uitvoeren van de wettelijke opdracht toegekend aan die persoon, dienst of entiteit; en
2° de persoon, dienst of entiteit streeft geen andere doeleinden na dan die bedoeld in artikel 2.5.4.3, tenzij die persoon, dienst of entiteit een wettelijke taak heeft; en
3° de bevoegde havenkapiteinsdienst heeft gecontroleerd dat er aan de toegangsvoorwaarden bedoeld in 1° en 2° is voldaan, behoudens in uitzonderlijke en dringende omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf 4.
§ 4. In uitzonderlijke en dringende omstandigheden kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen zonder de voorafgaande controle bedoeld in paragraaf 3, 3°. In dat geval, dient de havenkapiteinsdienst de controle ten laatste binnen 24 uren na het verlenen van de toegang uit te voeren. Indien de havenkapiteinsdienst bij deze controle vaststelt dat de toegangsvoorwaarden niet zijn vervuld of indien de havenkapiteinsdienst deze controle niet binnen 24 uren uitvoert, moet de toegang onmiddellijk worden ingetrokken.
§ 5. De bewakingsagenten die hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid kunnen enkel camerabeelden in real time bekijken, beluisteren of analyseren onder toezicht van de havenkapiteinsdienst opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde.
§ 6. De toegang bedoeld in de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien die persoon, dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden. Indien een persoon binnen een dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden, is die dienst of entiteit verantwoordelijk om de toegang van die persoon zelf in te trekken overeenkomstig deze paragraaf, dan wel de havenkapiteinsdienst hiervan onverwijld in te lichten zodat de havenkapiteinsdienst de toegang van die persoon kan intrekken. Deze intrekking gebeurt in elk geval zonder onredelijke vertraging en ten laatste binnen 1 maand nadat vast komt te staan dat de persoon, dienst of entiteit één of meerdere toegangsvoorwaarden niet meer vervult.
§ 7. De havenkapiteinsdienst kan uitzonderlijk de real time toegang van bepaalde personen, diensten of entiteiten tijdelijk opschorten indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van andere personen te waarborgen. Deze tijdelijke opschorting mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk.
Art. 2.5.4.8. Bewaartermijn
Niet-geanonimiseerde camerabeelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk.
Niet-geanonimiseerde camerabeelden worden niet langer dan strikt noodzakelijk bewaard en elk geval voor een maximum periode van 12 maanden. Indien de camerabeelden of geluidsopnames een onderdeel zijn van een juridische procedure of een geschil dat tot een juridische procedure kan leiden, mogen de camerabeelden of geluidsopnames uitzonderlijk langer bewaard worden tot op het moment van de beëindiging van het geschil of, in het geval van een juridische procedure, dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die juridische procedure.
De beelden en geluidsopnames worden door de havenkapiteinsdienst bewaard op een gegevensdrager die beveiligd is volgens de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen.
Art. 2.5.4.9. Delen van camerabeelden
De havenkapiteinsdienst kan te allen tijde de camerabeelden of geluidsopnames van camera's geplaatst of gebruikt door private ondernemingen in de haven of op een havenfaciliteit opvragen, al dan niet in real time, en dit voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3. Deze derden zijn verplicht om dergelijke camerabeelden of geluidsopnames op eerste verzoek van en kosteloos met de havenkapiteinsdienst te delen en er toegang toe te verlenen. In de mate dat deze derden gebonden zijn door de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, vormt deze paragraaf een uitzondering op artikel 9 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Deze gegevens worden uitgewisseld na het sluiten van een protocol zoals bedoeld in artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 2.5.4.10. Verwerking van persoonsgegevens
§ 1. De havenkapiteinsdienst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt en die, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen bepaalt voor de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in paragraaf 2 en 3 via camera's treedt op als verwerkingsverantwoordelijke.
§ 2. Van eenieder die een haven of havenfaciliteit betreedt, mogen camerabeelden of geluidsopnames worden verwerkt, alsook de persoonsgegevens die uit deze camerabeelden of geluidsopnames zouden blijken.
§ 3. Het verwerken van camerabeelden of geluidsopnames die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3.
§ 4. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de AVG, kan het recht op informatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 5. In afwijking van artikel 15 van de AVG, kan het recht op toegang, waaronder het recht op een kopie, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 6. In afwijking van artikel 16 van de AVG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 7. In afwijking van artikel 18 van de AVG, kan het recht op beperking van de verwerking geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 8. De beperkingen van de rechten bedoeld in de paragrafen 4 tot en met 7 kunnen worden ingeroepen door de havenkapiteinsdienst. Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 9. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke gebruik heeft gemaakt één van de uitzonderingen bepaald in de paragrafen 4 tot en met 7, en met uitzondering van de situaties bedoeld in paragraaf 10, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
§ 10. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Art. 2.5.4.11. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 2.5.4.1 tot 2.5.4.9 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die opzettelijk de beschikking heeft over of gebruik maakt van een beeld of geluidsopname terwijl de persoon wist of moest weten dat dit beeld of geluid verkregen werd met schending van deze artikelen.
Afdeling 2. Bijzonder strafregister
Art. 2.5.4.12.Wetboek van Strafvordering
Werkgevers die personen tewerkstellen in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging of aan boord van Belgische schepen mogen bij de aanwerving van deze persoon het uittreksel bedoeld in artikel 596bis van het Wetboek van Strafvordering opvragen voor de effectieve indiensttreding.
De werkgever moet de indiensttreding weigeren indien de persoon een effectief havenverbod heeft opgelegd gekregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat territoriaal van toepassing is op de plaats van tewerkstelling.".
"Afdeling 11. Veiligheidsverificaties
Art. 2.5.2.97. Lijst van kritieke functies
Na het doorlopen van de procedure zoals vastgesteld door de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, bepaalt de NAMB de lijst van beroepen, functies en mandaten waarvoor een veiligheidsverificatie overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst vereist is. Deze lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en is bindend. Ter informatie zal de lijst op de website van het DG Scheepvaart worden bekendgemaakt.
De NAMB bepaalt bij elk beroep, functie, mandaat de overgangsperiode en modaliteiten waarbinnen iedereen die deze beroepen, functies of mandaten uitoefent de veiligheidsverificatie moet ondergaan hebben.
Art. 2.5.2.98. Veiligheidsadvies
Personen mogen enkel het beroep, functie of mandaat of werkzaam zijn op een locatie bedoeld in artikel 2.5.2.97 uitoefenen indien een positief veiligheidsadvies werd bekomen. In afwijking van artikel 22quinquies/1, § 3, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst wordt het ontbreken van een veiligheidsadvies niet als positief aanzien voor de beroepen, functies en mandaten, bedoeld in artikel 2.5.2.97.
Art. 2.5.2.99. Toegangsbadge
§ 1. De volgende gegevens van de persoon die een positief veiligheidsadvies heeft bekomen worden overgemaakt aan de veiligheidsofficier van de onderneming die de persoon tewerkstelt of waarvoor de persoon een functie of mandaat uitoefent:
1° de naam en voornaam;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° de datum waarop het positief veiligheidsadvies werd bekomen;
4° de geldigheidsduur van het veiligheidsadvies.
Het rijksregisternummer kan enkel worden doorgegeven aan andere entiteiten van de onderneming die de persoon tewerkstelt indien deze entiteit gevestigd is binnen de Europees Economische Ruimte of in een land waarvoor de Europese Commissie een in artikel 45 van de AVG bedoelde adequaatheidsbesluit werd genomen.
§ 2. De veiligheidsofficier stelt in overleg met de PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging een procedure op waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
1° de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en bewaard;
2° een procedure hoe de badge gedeactiveerd wordt na afloop van de termijn waarvoor het positief veiligheidsadvies geldt of dat het positief veiligheidsadvies onherroepelijk wordt ingetrokken.
De PSO, PFSO, BFSO of exploitant van de vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging neemt deze procedure op in het beveiligingsplan.
Op een toegangsbadge van een persoon waarvoor geen positief veiligheidsadvies werd afgegeven, moet door middel van de letters VA/AS op een rode of oranje achtergrond dit worden aangegeven.
Art. 2.5.2.100. Onderrichtingen
De NAMB kan onderrichtingen vaststellen voor:
1° de wijze waarop de veiligheidsverificatie moet worden aangevraagd;
2° het gebruik van de toegangsbadge.
Op advies van de NAMB kan de Koning de onderrichtingen bedoeld in het eerste lid, bekrachtigen waardoor deze van dwingend recht worden.
Afdeling 12. Integriteitsbeleid
Art. 2.5.2.101. Wet van 28 november 2022
De wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders op inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector is van toepassing op de bedrijven die havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland, vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging of Belgische schepen exploiteren, voor wat betreft het melden van mogelijke ongeoorloofde acties.
Afdeling 13. Meldingsplatform
Art. 2.5.2.102. Portwatch
Bij de Cel Maritieme Beveiliging wordt een meldplatform genaamd "Portwatch" opgericht waarbij burgers verdachte situaties in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging kunnen melden.
Het meldingsplatform moet toegankelijk zijn via het internet en moet zo ingericht worden dat anonieme meldingen mogelijk zijn waarbij na de sessie geen enkel gegeven kan terugleiden naar de melder.
Art. 2.5.2.103. Verwerking
De geanonimiseerde gegevens van de meldingen worden opgeslagen in het ISPS-Platform bij de relevante haven, havenfaciliteit, terminal gelegen in het binnenland of vestigingseenheid met een impact op de maritieme beveiliging.
De meldingen worden onmiddellijk doorgeleid naar de bevoegde politiediensten. De Cel Maritieme Beveiliging maakt hiervoor de nodige afspraken met deze diensten."
Art. 31. Titel 5 van boek 2 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een hoofdstuk 4, dat de afdeling 1, bestaande uit de artikelen 2.5.4.1 tot en met 2.5.4.11 omvat en afdeling 2 bestaande uit het artikel 2.5.4.12, luidende:
"Hoofstuk 4. Bijzondere regelingen voor de havens
Afdeling 1. Cameragebruik
Art. 2.5.4.1. Toepassingsgebied
§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de plaatsing en het gebruik van camera's door de havenkapiteinsdienst binnen:
1° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de havenfaciliteit zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, tweede lid;
2° het geografische gebied dat overeenstemt met de coördinaten van de haven zoals vastgesteld door de Koning overeenkomstig artikel 2.5.2.4, § 2, derde lid.
§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders, die camera's in de haven of havenfaciliteit plaatsen of gebruiken, behalve voor wat betreft hun verplichting tot het delen van camerabeelden zoals bedoeld in artikel 2.5.4.9.
§ 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op camera's die toegelaten zijn door een bijzondere wet, decreet of artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.
§ 4. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's is niet van toepassing op het plaatsen of gebruiken door de havenkapiteinsdienst van camera's in de havens of havenfaciliteiten die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen. De wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's blijft van toepassing op derden, al dan niet concessiehouders die camera's plaatsen in een haven of havenfaciliteit.
Art. 2.5.4.2. Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° camera: elk observatiesysteem dat beelden verwerkt voor de doeleinden uit artikel 2.5.4.3, ongeacht of het observatiesysteem tijdens de observatie op een vaste plaats blijft om vanaf deze locatie beelden te verwerken, dan wel of het observatiesysteem tijdens de observatie kan worden verplaatst om vanaf verschillende plaatsen of posities beelden te verwerken, zoals observatiesystemen geïnstalleerd aan boord van een vervoermiddel van de havenkapitein of aan boord van een ander voertuig, vaartuig, vliegtuig of een onbemand luchtvaartuigsysteem (UAS);
2° intelligente camera: camera die ook onderdelen en software bevat die, al dan niet gekoppeld aan registers of bestanden, de verzamelde camerabeelden al dan niet autonoom kan verwerken.
Art. 2.5.4.3. Doel
§ 1. De havenkapiteinsdienst kan in het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1, camera's plaatsen of gebruiken voor één of meerdere van de volgende doelen:
1° het voorkomen, vaststellen of opsporen en bestraffen van ongeoorloofde acties of misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging in havens en de havenfaciliteiten;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die aanwezig zijn in de havens en de havenfaciliteiten;
4° het controleren van de naleving van het verbod opgelegd overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;
5° het controleren van de naleving van het verbod dat personen die krachtens hoofdstuk X van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, de voorwaarde om zich niet in een haven of havenfaciliteit te begeven opgelegd hebben gekregen;
6° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw- en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
7° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
8° het vaststellen en onderzoeken van de veiligheid van vaarwegen, infrastructuur en kades;
9° het monitoren van de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied;
10° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van voorkomen van verontreiniging door emissies;
11° het uitvoeren van wetenschappelijk, statistisch en historisch onderzoek in de zin van artikel 89 AVG;
12° het uitvoeren en verstrekken van de opleiding van personen met specifieke taken;
13° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen;
14° het vaststellen, onderzoeken en behandelen van averij;
15° het voeren van onderzoek naar de oorzaak van ongevallen overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2.
§ 2. Het gebruik van camera's die biometrische gegevens van personen kunnen verwerken, is enkel toegestaan wanneer dit noodzakelijk is om de doeleinden bedoeld in paragraaf 1 te bereiken, in het bijzonder om de aanwezigheid van personen vast te stellen binnen het gebied bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1. De noodzaak van dit gebruik dient voorafgaand in het havenbeveiligingsplan te worden aangetoond op basis van concrete elementen in de havenbeveiligingsbeoordeling.
Wanneer biometrische gegevens verzameld op basis van camera's zijn bedoeld om een persoon te identificeren, is dat enkel toegelaten voor de doeleinden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
Tijdens de in deze paragraaf bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens zijn de volgende waarborgen inzake bescherming van persoonsgegevens van toepassing:
1° de categorieën van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens, worden aangewezen door de havenkapiteinsdienst met een beschrijving van hun functie ten aanzien van de verwerking van de gegevens in kwestie;
2° de lijst van de aangewezen personen om de in deze paragraaf bedoelde gegevens te verwerken, stelt de havenkapiteinsdienst ter beschikking van de toezichthoudende autoriteit;
3° de aangewezen personen moeten, op grond van een wettelijke of statutaire verplichting, of een overeenkomstige contractuele bepaling, het vertrouwelijke karakter van de gegevens in kwestie in acht nemen;
4° er worden gepaste technische of organisatorische maatregelen getroffen om de persoonsgegevens tegen toevallige of niet-toegelaten vernietiging, tegen toevallig verlies of wijziging of elke andere niet-toegelaten verwerking van die gegevens te beschermen;
5° de verwerkingsverantwoordelijken vermelden in hun gegevensbeschermingsbeleid de te ondernemen acties om de verwerking van die gegevenscategorieën te beschermen en om de kwaliteit van de verwerkte gegevens te waarborgen, met name voor aspecten in verband met de beoordeling van de kwaliteit van de gegevens die in deze gegevensbestanden worden verwerkt, onder andere voor de aspecten in verband met de juistheid, volledigheid, betrouwbaarheid en de mate waarin zij actueel zijn. De bevoegde functionarissen voor gegevensbescherming zien erop toe dat dat beleid gevolgd wordt.
De Koning kan in andere gepaste aanvullende waarborgen voorzien.
§ 3. Verdere verwerking van de beelden en geluidsopnames is enkel toegelaten voor volgende doeleinden:
1° het beschikken over archieven met beeld- en geluidsmateriaal, nadat deze geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG, onverminderd de Archiefwet van 24 juni 1955;
2° voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van de opleiding van de LCMB en NAMB nadat de beelden werden geanonimiseerd overeenkomstig artikel 89 van de AVG;
3° voor het sensibiliseren en informeren van de bevolking, nadat de beelden geanonimiseerd werden overeenkomstig artikel 89 van de AVG.
Art. 2.5.4.4. Plaatsen en gebruik van camera's
§ 1. Voor camera's die zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, neemt de havenkapiteinsdienst het initiatief tot het plaatsen of gebruiken van een vaste camera of het gebruiken van een mobiele camera, al dan niet tijdelijk en al dan niet met registratie van geluid, in havens of havenfaciliteiten. Er wordt melding gemaakt van de bestaande camera's gemaakt aan de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 2. Voor camera's die niet zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan, dient de havenkapiteinsdienst een aanvraag in bij de Cel Maritieme Beveiliging voor het plaatsen en gebruiken van één of meer vaste camera's of het gebruiken van één of meer mobiele camera's, al dan niet tijdelijk, in havens of havenfaciliteiten. Alvorens deze aanvraag in te dienen, vraagt de havenkapiteinsdienst een advies aan het bevoegde LCMB over de punten 1° tot en met 4° van paragraaf 3.
§ 3. De aanvraag bedoeld in paragraaf 2 bevat minstens de volgende zaken:
1° locatie van het plaatsen of het gebruik van de camera;
2° de perimeter waarbinnen de camera beelden kan verwerken;
3° het doeleinde van het gebruik van de camera;
4° de specificaties van de camera;
5° de bewaringstermijn die de maximale duur zoals bepaald in artikel 2.5.2.90 niet te boven mag gaan;
6° de categorieën van ontvangers;
7° de wijze waarop de verwerking van de gegevens gebeurt;
8° het gunstig advies van het bevoegde LCMB over punten 1° tot en met 4°.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van het aanvraagformulier.
§ 4. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt het dossier samen met het advies van het bevoegde LCMB aan de minister die beslist over de plaatsing of het gebruik en de modaliteiten van de camera. De beslissing van de minister is geldig voor een termijn van vijf jaar waarna deze vernieuwd moet worden, tenzij de camera voor het aflopen van deze termijn is opgenomen in een havenbeveiligingsplan, zoals bedoeld in paragraaf 1. De beslissing van de minister wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de website van de Cel Maritieme Beveiliging.
§ 5. Camera's die onder dit hoofdstuk vallen mogen niet worden gericht op privéwoningen of -domeinen, ongeacht of die privéwoningen of -domeinen zich in de geografische gebieden bedoeld in artikel 2.5.4.1, § 1 bevinden. Indien er een reëel risico bestaat dat een camera die onder dit hoofdstuk valt een privéwoning of -domein zou kunnen filmen, dan dient de verwerkingsverantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen te treffen die dat verhinderen. Camerabeelden gemaakt in strijd met deze paragraaf, dienen door de verwerkingsverantwoordelijke te worden verwijderd.
§ 6. De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt aan de politiediensten de lijst van camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel of overeenkomstig artikel 4.6.1.6, § 2.
De Cel Maritieme Beveiliging bezorgt de beslissing van de minister, evenals de lijst van de camera's die zijn geplaatst of toegelaten overeenkomstig de paragrafen 1 en 4 van dit artikel aan de gemeente waar de camera is geplaatst.
Art. 2.5.4.5. Intelligente Camera's
De havenkapiteinsdienst kan intelligente camera's inzetten voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3, op voorwaarde dat de plaatsing en het gebruik zijn opgenomen in het havenbeveiligingsplan of er een aanvraag overeenkomstig artikel 2.5.4.4., § 2, wordt ingediend.
Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op de automatische nummerplaatherkenning of automatische herkenning van voertuigen of vaartuigen door de havenkapiteinsdienst is toegelaten. Het plaatsen en gebruik van intelligente camera's met het oog op gezichtsherkenning is niet toegelaten.
Het gebruik van individuele camera's zoals bepaald in artikel 25/2 van de wet op het politieambt door de leden van de havenkapiteinsdienst is niet toegelaten onder de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 2.5.4.6. Transparantieverplichtingen
§ 1. De havenkapiteinsdienst dient elke betrokkene die de haven of havenfaciliteit betreedt transparant te informeren over de aanwezigheid van camera's in de haven of de havenfaciliteit.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het land, maakt de havenkapiteinsdienst de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een pictogram bij deze toegangsweg. De Koning bepaalt de vorm en inhoud van dit pictogram. Tevens wordt de locatie van de camera's gepubliceerd op de website van het DG Scheepvaart.
Voor de toegangswegen tot de haven of havenfaciliteit via het water, maakt de exploitant van een haven of havenfaciliteit de aanwezigheid van camera's in de haven of havenfaciliteit bekend door middel van een Bericht aan Zeevarenden en vermelding op de website van het DG Scheepvaart.
§ 2. De havenkapiteinsdienst houdt een register bij met de lijst van camera's die zijn toegestaan, sinds wanneer en voor welke doeleinden, evenals alle beeldverwerkingsactiviteiten van de camera's uitgevoerd onder zijn verantwoordelijkheid.
Voor elk gebruik worden de volgende gegevens opgenomen in het register:
1° de vermelding van de plaats;
2° het gebruikte type camera en hun plaats, desgevallend aangegeven op een plan;
3° de beschrijving van de bewaakte zones en de gebruiksperiodes;
4° de plaats waar de beelden worden verwerkt;
5° het feit dat het in real time of tijdens het incident bekijken van de beelden al dan niet wordt georganiseerd en, in voorkomend geval, de manier waarop dit wordt georganiseerd;
6° de personen die kennis hebben genomen van de beelden en geluidsopnames;
7° het ogenblik en de plaats van deze kennisneming;
8° de redenen van deze kennisneming;
9° de personen die toegang hebben gekregen tot het register.
Art. 2.5.4.7. Toegang tot de camerabeelden
§ 1. Toegang tot camerabeelden en geluidsopnames, al dan niet van derden overeenkomstig artikel 2.5.4.9, wordt enkel verkregen op grond van de wet of kan worden verleend door de bevoegde havenkapiteinsdienst onder de voorwaarden bepaald in dit artikel. De havenkapiteinsdienst is enkel bevoegd om toegang te verlenen tot camerabeelden en geluidsopnames van camera's die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Toegang betekent in dit artikel het bekijken, beluisteren en analyseren, al dan niet in real time, van camerabeelden en geluidsopnames. De toegang omvat ook het overdragen van camerabeelden en geluidsopnames zelf nadat deze gemaakt zijn.
§ 2. Onderstaande personen, diensten of entiteiten hebben in elk geval toegang tot de camerabeelden en geluidsopnames:
1° de personen, diensten of entiteiten bedoeld in artikel 4.2.4.4, in overeenstemming met de beperkingen daarin bepaald, om te kunnen ingrijpen bij een misdrijf, schade, overlast of een verstoring van de openbare orde;
2° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden of geluidsopnames in de haven of havenfaciliteit, in overeenstemming met de beperkingen en waarborgen bepaald in de bijzondere wetgeving.
§ 3. Aan personen, diensten of entiteiten die niet onder paragraaf 2 vallen, kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen indien onderstaande cumulatieve toegangsvoorwaarden vervuld zijn:
1° de toegang is noodzakelijk voor het uitvoeren van de wettelijke opdracht toegekend aan die persoon, dienst of entiteit; en
2° de persoon, dienst of entiteit streeft geen andere doeleinden na dan die bedoeld in artikel 2.5.4.3, tenzij die persoon, dienst of entiteit een wettelijke taak heeft; en
3° de bevoegde havenkapiteinsdienst heeft gecontroleerd dat er aan de toegangsvoorwaarden bedoeld in 1° en 2° is voldaan, behoudens in uitzonderlijke en dringende omstandigheden zoals bedoeld in paragraaf 4.
§ 4. In uitzonderlijke en dringende omstandigheden kan de bevoegde havenkapiteinsdienst toegang verlenen zonder de voorafgaande controle bedoeld in paragraaf 3, 3°. In dat geval, dient de havenkapiteinsdienst de controle ten laatste binnen 24 uren na het verlenen van de toegang uit te voeren. Indien de havenkapiteinsdienst bij deze controle vaststelt dat de toegangsvoorwaarden niet zijn vervuld of indien de havenkapiteinsdienst deze controle niet binnen 24 uren uitvoert, moet de toegang onmiddellijk worden ingetrokken.
§ 5. De bewakingsagenten die hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid kunnen enkel camerabeelden in real time bekijken, beluisteren of analyseren onder toezicht van de havenkapiteinsdienst opdat de bevoegde diensten onmiddellijk kunnen ingrijpen bij misdrijf, schade, overlast of verstoring van de openbare orde.
§ 6. De toegang bedoeld in de paragrafen 2 en 3 wordt ingetrokken indien die persoon, dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden. Indien een persoon binnen een dienst of entiteit niet meer voldoet aan één of meerdere toegangsvoorwaarden, is die dienst of entiteit verantwoordelijk om de toegang van die persoon zelf in te trekken overeenkomstig deze paragraaf, dan wel de havenkapiteinsdienst hiervan onverwijld in te lichten zodat de havenkapiteinsdienst de toegang van die persoon kan intrekken. Deze intrekking gebeurt in elk geval zonder onredelijke vertraging en ten laatste binnen 1 maand nadat vast komt te staan dat de persoon, dienst of entiteit één of meerdere toegangsvoorwaarden niet meer vervult.
§ 7. De havenkapiteinsdienst kan uitzonderlijk de real time toegang van bepaalde personen, diensten of entiteiten tijdelijk opschorten indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van andere personen te waarborgen. Deze tijdelijke opschorting mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk.
Art. 2.5.4.8. Bewaartermijn
Niet-geanonimiseerde camerabeelden die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk.
Niet-geanonimiseerde camerabeelden worden niet langer dan strikt noodzakelijk bewaard en elk geval voor een maximum periode van 12 maanden. Indien de camerabeelden of geluidsopnames een onderdeel zijn van een juridische procedure of een geschil dat tot een juridische procedure kan leiden, mogen de camerabeelden of geluidsopnames uitzonderlijk langer bewaard worden tot op het moment van de beëindiging van het geschil of, in het geval van een juridische procedure, dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die juridische procedure.
De beelden en geluidsopnames worden door de havenkapiteinsdienst bewaard op een gegevensdrager die beveiligd is volgens de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen.
Art. 2.5.4.9. Delen van camerabeelden
De havenkapiteinsdienst kan te allen tijde de camerabeelden of geluidsopnames van camera's geplaatst of gebruikt door private ondernemingen in de haven of op een havenfaciliteit opvragen, al dan niet in real time, en dit voor de doeleinden bedoeld in artikel 2.5.4.3. Deze derden zijn verplicht om dergelijke camerabeelden of geluidsopnames op eerste verzoek van en kosteloos met de havenkapiteinsdienst te delen en er toegang toe te verlenen. In de mate dat deze derden gebonden zijn door de bepalingen van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's, vormt deze paragraaf een uitzondering op artikel 9 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's.
Deze gegevens worden uitgewisseld na het sluiten van een protocol zoals bedoeld in artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 2.5.4.10. Verwerking van persoonsgegevens
§ 1. De havenkapiteinsdienst die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt en die, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen bepaalt voor de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in paragraaf 2 en 3 via camera's treedt op als verwerkingsverantwoordelijke.
§ 2. Van eenieder die een haven of havenfaciliteit betreedt, mogen camerabeelden of geluidsopnames worden verwerkt, alsook de persoonsgegevens die uit deze camerabeelden of geluidsopnames zouden blijken.
§ 3. Het verwerken van camerabeelden of geluidsopnames die aanleiding geven tot een verwerking van persoonsgegevens is uitsluitend toegestaan voor de verwezenlijking van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3.
§ 4. In afwijking van de artikelen 13 en 14 van de AVG, kan het recht op informatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 5. In afwijking van artikel 15 van de AVG, kan het recht op toegang, waaronder het recht op een kopie, geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 6. In afwijking van artikel 16 van de AVG, kan het recht op rectificatie geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 7. In afwijking van artikel 18 van de AVG, kan het recht op beperking van de verwerking geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld en beperkt voor wat betreft de verwerkingen van de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 2 met het oog op de doelstellingen zoals bepaald in artikel 2.5.4.3. De in deze paragraaf bedoelde verwerkingen zijn deze die de voorbereiding, de organisatie, het beheer en de opvolging van de gevoerde onderzoeken, met inbegrip van gerechtelijke onderzoeken en de eventuele toepassing van een administratieve sanctie, tot doel hebben.
§ 8. De beperkingen van de rechten bedoeld in de paragrafen 4 tot en met 7 kunnen worden ingeroepen door de havenkapiteinsdienst. Deze beperkingen gelden gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, met inbegrip van de voorbereidende handelingen, en gedurende de periode die nodig is voor de vervolging, voor zover de uitoefening van de rechten afbreuk zou doen aan de behoeften van de controle, het onderzoek of de voorbereidende handelingen. De duur van de voorbereidende handelingen mag niet meer bedragen dan één jaar vanaf de ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG.
§ 9. Bij ontvangst van een verzoek overeenkomstig de artikelen 13, 14, 15, 16 of 18 van de AVG, bevestigt de verwerkingsverantwoordelijke de ontvangst hiervan.
De verwerkingsverantwoordelijke informeert de betrokkene schriftelijk, onverwijld, en in ieder geval binnen een termijn van één maand na de ontvangst van het verzoek over iedere weigering of beperking, alsook over de redenen voor deze weigering of beperking. De informatie over de weigering of beperking kan achterwege worden gelaten wanneer de verstrekking daarvan één van de doelstellingen bedoeld in artikel 2.5.4.3 zou ondermijnen. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van deze verlenging en van de redenen van het uitstel.
De verwerkingsverantwoordelijke licht de betrokkene in over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en om een beroep in rechte in te stellen.
De verwerkingsverantwoordelijke vermeldt de feitelijke of juridische redenen waarop zijn beslissing steunt. Deze inlichtingen worden ter beschikking gesteld van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke gebruik heeft gemaakt één van de uitzonderingen bepaald in de paragrafen 4 tot en met 7, en met uitzondering van de situaties bedoeld in paragraaf 10, wordt de uitzonderingsregel onmiddellijk opgeheven na de afsluiting van de controle of van het onderzoek. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte.
§ 10. Wanneer een dossier wordt overgemaakt aan de gerechtelijke overheid, worden de rechten van de betrokkene pas hersteld na machtiging door de gerechtelijke overheid of nadat de gerechtelijke fase is beëindigd en, in voorkomend geval, nadat de bevoegde dienst voor administratieve geldboeten een beslissing heeft genomen. Evenwel mogen inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste.
Art. 2.5.4.11. Strafbepalingen
Overtreding van de artikelen 2.5.4.1 tot 2.5.4.9 wordt gestraft met een geldboete van 100 euro tot 10.000 euro. Wordt gestraft met dezelfde geldboete, de persoon die opzettelijk de beschikking heeft over of gebruik maakt van een beeld of geluidsopname terwijl de persoon wist of moest weten dat dit beeld of geluid verkregen werd met schending van deze artikelen.
Afdeling 2. Bijzonder strafregister
Art. 2.5.4.12.Wetboek van Strafvordering
Werkgevers die personen tewerkstellen in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging of aan boord van Belgische schepen mogen bij de aanwerving van deze persoon het uittreksel bedoeld in artikel 596bis van het Wetboek van Strafvordering opvragen voor de effectieve indiensttreding.
De werkgever moet de indiensttreding weigeren indien de persoon een effectief havenverbod heeft opgelegd gekregen overeenkomstig artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, dat territoriaal van toepassing is op de plaats van tewerkstelling.".
Art. 30. Le chapitre 2 du titre 5 du livre 2 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, est complété par la section 11 comprenant les articles 2.5.2.97 à 2.5.2.100, la section 12 comprenant l'article 2.5.2.101 et la section 13 comprenant les articles 2.5.2.102 et 2.5.2.103, rédigées comme suit:
"Section 11. Vérifications de sécurité
Art. 2.5.2.97. Liste des fonctions critiques
Après avoir suivi la procédure établie par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'ANSM détermine la liste des professions, fonctions et mandats pour lesquels une vérification de sécurité est requise conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé. Cette liste est publiée au Moniteur belge et est contraignante. La liste sera aussi publiée sur le site web de la DG Navigation pour information.
Pour chaque profession, fonction, mandat l'ANSM détermine la période transitoire pendant laquelle toute personne exerçant ces professions, fonctions ou mandats doit avoir subi la vérification de sécurité.
Art. 2.5.2.98. Avis de sécurité
Les personnes ne peuvent exercer la profession, la fonction ou le mandat ou travailler à une location visés à l'article 2.5.2.97 que si un avis de sécurité positif a été obtenu. Par dérogation à l'article 22quinquies/1, § 3, de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'absence d'avis de sécurité n'est pas réputé positif pour les professions, fonctions et mandats, visés à l'article 2.5.2.97.
Art. 2.5.2.99. Badge d'accès
§ 1er. Les données suivantes de la personne qui a obtenu un avis de sécurité positif sont transmises à l'officier de sécurité de l'entreprise qui l'emploie ou pour laquelle elle exerce une fonction ou un mandat:
1° le nom et le prénom;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu;
4° la durée de validité de l'avis de sécurité.
Le numéro de registre national ne peut être transmis à d'autres entités de l'entreprise qui emploie la personne que si cette entité est située dans l'Espace économique européen ou dans un pays pour lequel une décision d'adéquation visée à l'article 45 de la RGPD a été prise par la Commission européenne.
§ 2. L'officier de sécurité élabore, en concertation avec le PSO, le PFSO, le BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, une procédure reprenant au moins les éléments suivants:
1° la manière dont ces données sont traitées et conservées;
2° une procédure de désactivation du badge après l'expiration de la période de validité de l'avis de sécurité positif ou le retrait irrévocable de l'avis de sécurité positif.
Le PSO, PFSO, BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime reprend cette procédure dans le plan de sûreté.
Les lettres VA/AS sur fond rouge ou orange sont indiquées sur le badge d'accès d'une personne pour laquelle aucun avis de sécurité positif n'a été donné.
Art. 2.5.2.100. Instructions
L'ANSM peut établir des instructions pour:
1° la manière dont la vérification de sécurité doit être demandée;
2° l'utilisation du badge d'accès.
Après avis de l'ASNM, le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.
Section 12. Politique d'intégrité
Art. 2.5.2.101. Loi du 28 novembre 2022
La loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé s'applique aux entreprises exploitant des ports, des installations portuaires, des terminaux intérieurs, des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou des navires belges, pour ce qui concerne le signalement d'éventuels actions illicites.
Section 13. Plateforme de signalement
Art. 2.5.2.102. Portwatch
Il est créé auprès de la Cellule de la Sûreté maritime une plateforme de signalement appelée "Portwatch" où les citoyens peuvent signaler des situations suspectes dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
La plateforme de signalement doit être accessible via l'internet et doit être conçue de manière à permettre des signalements anonymes où après la session aucune donnée ne peut permettre de retrouver l'auteur du signalement.
Art. 2.5.2.103. Traitement
Les données anonymisées des signalements sont sauvegardées dans la plateforme ISPS du port, de l'installation portuaire, du terminal intérieur ou de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime concernée.
Les signalements sont immédiatement transmis aux services de police compétents. La Cellule de la Sûreté maritime prend les dispositions nécessaires avec ces services à cet effet."
Art. 31. Le titre 5 du livre 2 du même Code est complété par un chapitre 4 composé de la section 1 comprenant les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.11 et d'une section 2 comprenant l'article 2.5.4.12, rédigés comme suit:
"Chapitre 4. Régimes particuliers pour les ports
Section 1re. Utilisation de caméras
Art. 2.5.4.1. Champ d'application
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras par la capitainerie du port:
1° de la zone géographique correspondant aux coordonnées de l'installation portuaire telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 2;
2° de la zone géographique correspondant aux coordonnées du port telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 3.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans le port ou l'installation portuaire, sauf pour ce qui concerne leur obligation de partager les images de caméras visées à l'article 2.5.4.9.
§ 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par une loi particulière, un décret particulier ou une règle particulière visée à l'article 134 de la Constitution.
§ 4. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas à l'installation ou à l'utilisation par la capitainerie du port de caméras dans les ports ou installations portuaires relevant du champ d'application du présent chapitre. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance reste d'applique aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans un port ou une installation portuaire.
Art. 2.5.4.2. Définitions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° caméra: tout système d'observation qui traite des images pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, que le système d'observation reste dans un endroit fixe pendant l'observation pour traiter les images de cet endroit, ou que le système d'observation puisse être déplacé pendant l'observation pour traiter des images de différents endroits ou positions, tels que les systèmes d'observation installés à bord d'un moyen de transport du capitaine du port ou d'un autre véhicule, navire, avion ou système aérien sans pilote (UAS);
2° caméra intelligente: caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies.
Art. 2.5.4.3. Finalités
§ 1er. La capitainerie du port peut, dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er, placer ou utiliser des caméras à une ou plusieurs des fins suivantes:
1° prévenir, constater ou détecter et sanctionner les actions illicites ou les délits contre les personnes ou marchandises;
2° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires;
3° garantir la sûreté des personnes présentes dans les ports et les installations portuaires;
4° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation;
5° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire;
6° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
7° garantir la sécurité de la navigation;
8° constater et examiner la sécurité des voies navigables, des infrastructures et des quais;
9° contrôler l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire;
10° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
11° mener des recherches scientifiques, statistiques et historiques au sens de l'article 89 du RGPD;
12° mener et assurer la formation des personnes à des tâches spécifiques;
13° conserver la biodiversité et les ressources vivantes;
14° constater, examiner et traiter une avarie;
15° mener des enquêtes sur la cause des accidents conformément au chapitre 7 du titre 7 du livre 2.
§ 2. L'utilisation de caméras capables de traiter les données biométriques des personnes n'est autorisée que lorsque cela est nécessaire pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, notamment pour constater la présence de personnes dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er. La nécessité de cette utilisation doit être démontrée au préalable dans le plan de sûreté portuaire sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté portuaire.
Lorsque les données biométriques recueillies par des caméras visent à identifier une personne, cela n'est autorisé que pour les finalités visées au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
Lors du traitement des données personnelles visé dans ce paragraphe, les garanties suivantes concernant la protection des données à caractère personnelles s'appliquent:
1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnelles sont désignées par la capitainerie avec une description de leur fonction au regard du traitement des données concernées;
2° la capitainerie met à la disposition de l'autorité de contrôle la liste des personnes désignées pour traiter les données mentionnées au présent alinéa;
3° les personnes désignées doivent, en vertu d'une obligation légale ou réglementaire, ou d'une disposition contractuelle correspondante, respecter le caractère confidentiel des données en question;
4° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnelles contre la destruction accidentelle ou non autorisée, la perte ou l'altération accidentelle ou tout autre traitement non autorisé de ces données;
5° les responsables du traitement indiquent dans leur politique de protection des données les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données et pour assurer la qualité des données traitées, notamment pour les aspects liés à l'évaluation de la qualité des données contenues dans ces bases de données sont traitées, y compris pour les aspects liés à leur exactitude, leur exhaustivité, leur fiabilité et leur actualité. Les délégués à la protection des données compétents veilleront au respect de cette politique.
Le Roi peut fournir d'autres garanties complémentaires appropriées.
§ 3. Le traitement ultérieur des images et du son n'est autorisé que pour les fins suivantes:
1° disposer d'archives visuelles et sonores, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives;
2° à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation du CLSM et de l'ANSM, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP;
3° pour sensibiliser et informer la population après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP.
Art. 2.5.4.4. Installation et utilisation de caméras
§ 1er. Pour les caméras reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port prend l'initiative d'installer ou d'utiliser une caméra fixe ou d'utiliser une caméra mobile, temporairement ou non, et en enregistrant ou non les sons, dans les ports ou les installations portuaires. Les caméras existantes sont signalées à la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Pour les caméras non reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port soumet à la Cellule de la Sûreté maritime une demande d'installation et d'utilisation d'une ou plusieurs caméras fixes ou d'utilisation d'une ou plusieurs caméras mobiles, temporairement ou non, dans les ports ou les installations portuaires. Avant de soumettre cette demande, la capitainerie de port demande l'avis du CLSM compétent sur les points 1° à 4° du paragraphe 3.
§ 3. La demande visée au paragraphe 2 comprend au moins les informations suivantes:
1° l'emplacement où la caméra sera installée ou utilisée;
2° le périmètre dans lequel la caméra peut traiter des images;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra;
4° les spécifications de la caméra;
5° le délai de conservation, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée à l'article 2.5.2.90;
6° les catégories des destinataires;
7° la manière dont les données sont traitées;
8° l'avis favorable du CLSM compétent sur les points 1° à 4°.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
§ 4. La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du CLSM compétent au ministre qui statue sur l'installation ou l'utilisation de la caméra et sur les modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée, sauf si la caméra est reprise dans un plan de sûreté portuaire visé au paragraphe 1er avant l'expiration de ce délai. La décision du ministre est publiée par extrait sur le site de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 5. Les caméras relevant du présent chapitre ne peuvent pas être dirigées vers des habitations ou des domaines privés, que ces habitations ou domaines privés soient ou non situés dans les zones géographiques visées à l'article 2.5.4.1, § 1er. S'il existe un risque réel qu'une caméra relevant du présent chapitre puisse filmer une habitation ou un domaine privé, le responsable du traitement doit prendre des mesures techniques et organisationnelles pour l'éviter. Les images de la caméra réalisées en violation du présent paragraphe doivent être supprimées par le responsable du traitement.
§ 6. La Cellule de sûreté maritime fournit aux forces de police la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article ou conformément à l'article 4.6.1.6, § 2.
La Cellule de la Sûreté maritime communique la décision du ministre, ainsi que la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article, à la commune où la caméra est installée.
Art. 2.5.4.5. Caméras intelligentes
La capitainerie du port peut utiliser des caméras intelligentes pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, à condition que leur installation et leur utilisation soient reprises dans le plan de sûreté portuaire ou qu'une demande soit introduite conformément à l'article 2.5.4.4, § 2.
L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation ou de la reconnaissance automatique des véhicules ou navires par la capitainerie du port est autorisée. L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance faciale n'est pas autorisée.
L'utilisation de caméras individuelles telle que visée à l'article 25/2 de la loi sur la fonction de police par les membres de la capitainerie du port, n'est pas autorisée en vertu des dispositions du présent chapitre.
Art. 2.5.4.6. Obligations de transparence
§ 1er. La capitainerie du port doit informer de manière transparente toute personne concernée entrant dans le port ou l'installation portuaire de la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire.
Pour les voies d'accès terrestres au port ou à l'installation portuaire, la capitainerie du port annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un pictogramme sur cette voie d'accès. Le Roi détermine la forme et le contenu de ce pictogramme. L'emplacement des caméras est également publié sur le site web de la DG Navigation.
Pour les voies d'accès navigables au port ou à l'installation portuaire, l'exploitant du port ou de l'installation portuaire annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un Avis aux navigateurs et par publication sur le site web de la DG Navigation.
§ 2. La capitainerie du port tient un registre contenant la liste des caméras autorisées, depuis quand et à quelles fins, y compris toutes les activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité.
Pour chaque utilisation, sont repris dans le registre:
1° l'indication du lieu;
2° le type de caméra utilisé, leur emplacement, le cas échéant indiqué sur un plan;
3° la description des zones surveillées et les périodes d'utilisation;
4° le lieu du traitement des images;
5° le fait qu'un visionnage en temps réel ou pendant l'incident est organisé ou non et le cas échéant, la manière dont il est organisé;
6° les personnes qui ont eu connaissance des images et des sons;
7° le moment et le lieu de cette prise de connaissance;
8° les motifs de cette prise de connaissance;
9° les personnes qui ont eu accès au registre.
Art. 2.5.4.7. Accès aux images des caméras
§ 1er. L'accès aux images des caméras et aux enregistrements sonores, de tiers ou non conformément à l'article 2.5.4.9, ne peut être obtenu qu'en vertu de la loi ou peut être accordée par la capitainerie du port compétente dans les conditions énoncées dans le présent article. La capitainerie du port n'est autorisée à accorder l'accès qu'aux images des caméras et aux enregistrements sonores des caméras sous sa responsabilité. Dans le présent article, on entend par accès le visionnage, l'écoute et l'analyse, en temps réel ou non, des images des caméras et des enregistrements sonores. L'accès comprend également le transfert des images de caméras et des enregistrements sonores après leur réalisation.
§ 2. Dans tous les cas, les personnes, services ou entités suivants ont accès aux images des caméras et aux enregistrement sonores:
1° les personnes, les services ou les entités visés à l'article 4.2.4.4, conformément aux limitations qui y sont énoncées, pour intervenir en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public;
2° les personnes, les services ou les entités ayant accès aux images des caméras ou aux enregistrements sonores dans le port ou l'installation portuaire en vertu d'une législation spéciale, conformément aux limitations et garanties énoncées dans la législation spéciale.
§ 3. Aux personnes, services ou entités ne relevant pas du paragraphe 2, la capitainerie du port compétente peut accorder l'accès si les conditions d'accès cumulatives suivantes sont remplies:
1° l'accès est nécessaire à l'exécution de la mission légale attribuée à cette personne, ce service ou cette entité; et
2° la personne, le service ou l'entité ne poursuit aucunes autres finalités que celles visées à l'article 2.5.4.3, à moins que cette personne, ce service ou cette entité n'ait une tâche légale; et
3° la capitainerie du port compétente a vérifié que les conditions d'accès visées aux 1° et 2° sont remplies, sauf circonstances exceptionnelles et urgentes visées au paragraphe 4.
§ 4. Dans circonstances exceptionnelles et urgentes, la capitainerie du port peut accorder l'accès sans le contrôle préalable visé au paragraphe 3, 3°. Dans ce cas, la capitainerie du port doit procéder au contrôle au plus tard dans les 24 heures suivants l'octroi de l'accès. Si, au cours de ce contrôle, la capitainerie du port constate que les conditions d'accès ne sont pas remplies ou si elle n'effectue pas ce contrôle dans les 24 heures, l'accès doit être retiré immédiatement.
§ 5. Les agents de gardiennage qui exercent leurs compétences conformément aux dispositions de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ne peuvent visionner, écouter ou analyser les images des caméras en temps réel que sous le contrôle de la capitainerie du port afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 2 et 3 est retiré si cette personne, ce service ou cette entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès. Si une personne au sein d'un service ou d'une entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès, il incombe à ce service ou à cette entité de retirer lui-même l'accès de cette personne conformément au présent paragraphe, ou d'en informer sans délai la capitainerie du port afin que celle-ci puisse retirer l'accès de cette personne. Ce retrait survient, dans tous les cas, sans retard déraisonnable et au plus tard dans un délai d'un mois après qu'il a été établi que la personne, le service ou l'entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès.
§ 7. La capitainerie du port peut exceptionnellement suspendre temporairement l'accès en temps réel de certaines personnes, services ou entités si cela est nécessaire pour assurer la sécurité d'autres personnes. Cette suspension temporaire ne doit pas durer plus longtemps que le strict nécessaire.
Art. 2.5.4.8. Durée de conservation
Les images non anonymisées de caméras donnant lieu à un traitement de données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire.
Les images non anonymisées de caméras ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire et en tout cas pendant une période maximale de 12 mois. Si les images de caméras ou les enregistrements sonores constituent un élément d'une procédure juridique ou d'un litige pouvant conduire à une procédure juridique, ils peuvent exceptionnellement être conservés plus longtemps, jusqu'à la fin du litige ou, en cas de procédure juridique, jusqu'à ce qu'il n'y ait plus aucun recours ordinaire ou extraordinaire ouvert contre la décision définitive dans le cadre de cette procédure juridique.
Les images et les sons sont conservés par le responsable du traitement sur un support de données qui est protégé conformément aux principes de protection des données dès la conception et de protection des données par défaut.
Art. 2.5.4.9. Partage des images de caméras
La capitainerie du port peut à tout moment demander les images de caméras ou les enregistrements sonores des caméras placées ou utilisées par des entreprises privés dans le port ou sur une installation portuaire, en temps réel ou non, pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3. Ces tiers sont tenus de partager et d'accorder l'accès à ces images des caméras ou enregistrements sonores à la première demande et gratuitement à la capitainerie du port. Dans la mesure où ces tiers sont liés par les dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, le présent paragraphe constitue une exception à l'article 9 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Ces données seront échangées après la conclusion d'un protocole visé à l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Art. 2.5.4.10. Traitement de données à caractère personnel
§ 1er. La capitainerie du port relevant du champ d'application du présent chapitre et qui, seul ou conjointement avec d'autres, détermine les objectifs et les moyens du traitement de données à caractère personnel visé aux paragraphes 2 et 3 au moyen de caméras agit en qualité de responsable du traitement.
§ 2. Des images de caméras de toute personne entrant dans un port ou une installation portuaire peuvent être traitées, de même que les données à caractère personnel qui apparaîtraient sur ces images.
§ 3. Le traitement des images de caméras qui donnent lieu à un traitement de données à caractère personnel est exclusivement autorisé pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3.
§ 4. Par dérogation aux articles 13 et 14 du RGPD, le droit à l'information peut être totalement ou partiellement différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 5. Par dérogation à l'article 15 du RGPD, le droit d'accès, y compris le droit d'un copie, peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 6. Par dérogation à l'article 16 du RGPD, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 7. Par dérogation à l'article 18 du RGPD, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 8. Les limitations des droits visées aux paragraphes 4 à 7 peuvent être invoquées par la capitainerie du port. Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 9. Dès réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, sans tarder et en tout cas dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.4.3. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque le responsable du traitement a fait usage d'une des exceptions telles que déterminées aux paragraphes 4 à 7, et à l'exception des situations visées au paragraphe 10, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
§ 10. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 2.5.4.11. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.9 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une même amende, la personne qui dispose ou fait usage intentionnellement d'une image ou d'un son qu' elle savait ou devait savoir que l'image ou le son a été obtenue en violation de ces mêmes articles.
Section 2. Casier judiciaire spécial
Art. 2.5.4.12.Code d'instruction criminelle
Les employeurs qui occupent des personnes dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou à bord de navires belges peuvent demander l'extrait visé à l'article 596bis du Code d'instruction criminelle lors du recrutement de cette personne avant son entrée en service effective.
L'employeur doit refuser l'entrée en service si la personne s'est vu infliger une interdiction portuaire effective conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48, § 4 du Code belge de la Navigation, qui s'applique territorialement au lieu d'occupation.".
"Section 11. Vérifications de sécurité
Art. 2.5.2.97. Liste des fonctions critiques
Après avoir suivi la procédure établie par la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'ANSM détermine la liste des professions, fonctions et mandats pour lesquels une vérification de sécurité est requise conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé. Cette liste est publiée au Moniteur belge et est contraignante. La liste sera aussi publiée sur le site web de la DG Navigation pour information.
Pour chaque profession, fonction, mandat l'ANSM détermine la période transitoire pendant laquelle toute personne exerçant ces professions, fonctions ou mandats doit avoir subi la vérification de sécurité.
Art. 2.5.2.98. Avis de sécurité
Les personnes ne peuvent exercer la profession, la fonction ou le mandat ou travailler à une location visés à l'article 2.5.2.97 que si un avis de sécurité positif a été obtenu. Par dérogation à l'article 22quinquies/1, § 3, de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, l'absence d'avis de sécurité n'est pas réputé positif pour les professions, fonctions et mandats, visés à l'article 2.5.2.97.
Art. 2.5.2.99. Badge d'accès
§ 1er. Les données suivantes de la personne qui a obtenu un avis de sécurité positif sont transmises à l'officier de sécurité de l'entreprise qui l'emploie ou pour laquelle elle exerce une fonction ou un mandat:
1° le nom et le prénom;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° la date à laquelle l'avis de sécurité positif a été obtenu;
4° la durée de validité de l'avis de sécurité.
Le numéro de registre national ne peut être transmis à d'autres entités de l'entreprise qui emploie la personne que si cette entité est située dans l'Espace économique européen ou dans un pays pour lequel une décision d'adéquation visée à l'article 45 de la RGPD a été prise par la Commission européenne.
§ 2. L'officier de sécurité élabore, en concertation avec le PSO, le PFSO, le BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, une procédure reprenant au moins les éléments suivants:
1° la manière dont ces données sont traitées et conservées;
2° une procédure de désactivation du badge après l'expiration de la période de validité de l'avis de sécurité positif ou le retrait irrévocable de l'avis de sécurité positif.
Le PSO, PFSO, BFSO ou l'exploitant de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime reprend cette procédure dans le plan de sûreté.
Les lettres VA/AS sur fond rouge ou orange sont indiquées sur le badge d'accès d'une personne pour laquelle aucun avis de sécurité positif n'a été donné.
Art. 2.5.2.100. Instructions
L'ANSM peut établir des instructions pour:
1° la manière dont la vérification de sécurité doit être demandée;
2° l'utilisation du badge d'accès.
Après avis de l'ASNM, le Roi peut ratifier les instructions visées à l'alinéa 1er, les rendant ainsi obligatoires.
Section 12. Politique d'intégrité
Art. 2.5.2.101. Loi du 28 novembre 2022
La loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé s'applique aux entreprises exploitant des ports, des installations portuaires, des terminaux intérieurs, des unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou des navires belges, pour ce qui concerne le signalement d'éventuels actions illicites.
Section 13. Plateforme de signalement
Art. 2.5.2.102. Portwatch
Il est créé auprès de la Cellule de la Sûreté maritime une plateforme de signalement appelée "Portwatch" où les citoyens peuvent signaler des situations suspectes dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime.
La plateforme de signalement doit être accessible via l'internet et doit être conçue de manière à permettre des signalements anonymes où après la session aucune donnée ne peut permettre de retrouver l'auteur du signalement.
Art. 2.5.2.103. Traitement
Les données anonymisées des signalements sont sauvegardées dans la plateforme ISPS du port, de l'installation portuaire, du terminal intérieur ou de l'unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime concernée.
Les signalements sont immédiatement transmis aux services de police compétents. La Cellule de la Sûreté maritime prend les dispositions nécessaires avec ces services à cet effet."
Art. 31. Le titre 5 du livre 2 du même Code est complété par un chapitre 4 composé de la section 1 comprenant les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.11 et d'une section 2 comprenant l'article 2.5.4.12, rédigés comme suit:
"Chapitre 4. Régimes particuliers pour les ports
Section 1re. Utilisation de caméras
Art. 2.5.4.1. Champ d'application
§ 1er. Le présent chapitre s'applique à l'installation et à l'utilisation de caméras par la capitainerie du port:
1° de la zone géographique correspondant aux coordonnées de l'installation portuaire telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 2;
2° de la zone géographique correspondant aux coordonnées du port telles que fixées par le Roi conformément à l'article 2.5.2.4, § 2, alinéa 3.
§ 2. Le présent chapitre ne s'applique pas aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans le port ou l'installation portuaire, sauf pour ce qui concerne leur obligation de partager les images de caméras visées à l'article 2.5.4.9.
§ 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux caméras autorisées par une loi particulière, un décret particulier ou une règle particulière visée à l'article 134 de la Constitution.
§ 4. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance ne s'applique pas à l'installation ou à l'utilisation par la capitainerie du port de caméras dans les ports ou installations portuaires relevant du champ d'application du présent chapitre. La loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance reste d'applique aux tiers, concessionnaires ou non, qui installent ou utilisent des caméras dans un port ou une installation portuaire.
Art. 2.5.4.2. Définitions
Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
1° caméra: tout système d'observation qui traite des images pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, que le système d'observation reste dans un endroit fixe pendant l'observation pour traiter les images de cet endroit, ou que le système d'observation puisse être déplacé pendant l'observation pour traiter des images de différents endroits ou positions, tels que les systèmes d'observation installés à bord d'un moyen de transport du capitaine du port ou d'un autre véhicule, navire, avion ou système aérien sans pilote (UAS);
2° caméra intelligente: caméra qui comprend également des composantes ainsi que des logiciels qui, couplés ou non à des registres ou à des fichiers, peuvent traiter de manière autonome ou non les images recueillies.
Art. 2.5.4.3. Finalités
§ 1er. La capitainerie du port peut, dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er, placer ou utiliser des caméras à une ou plusieurs des fins suivantes:
1° prévenir, constater ou détecter et sanctionner les actions illicites ou les délits contre les personnes ou marchandises;
2° garantir la sûreté maritime dans les ports et les installations portuaires;
3° garantir la sûreté des personnes présentes dans les ports et les installations portuaires;
4° vérifier le respect de l'interdiction imposée conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48 du Code belge de la Navigation;
5° vérifier le respect de l'interdiction imposée aux personnes qui, en vertu du chapitre X de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, ont reçu la condition de ne pas se rendre dans un port ou une installation portuaire;
6° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
7° garantir la sécurité de la navigation;
8° constater et examiner la sécurité des voies navigables, des infrastructures et des quais;
9° contrôler l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire;
10° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
11° mener des recherches scientifiques, statistiques et historiques au sens de l'article 89 du RGPD;
12° mener et assurer la formation des personnes à des tâches spécifiques;
13° conserver la biodiversité et les ressources vivantes;
14° constater, examiner et traiter une avarie;
15° mener des enquêtes sur la cause des accidents conformément au chapitre 7 du titre 7 du livre 2.
§ 2. L'utilisation de caméras capables de traiter les données biométriques des personnes n'est autorisée que lorsque cela est nécessaire pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, notamment pour constater la présence de personnes dans la zone visée à l'article 2.5.4.1, § 1er. La nécessité de cette utilisation doit être démontrée au préalable dans le plan de sûreté portuaire sur la base d'éléments concrets de l'évaluation de la sûreté portuaire.
Lorsque les données biométriques recueillies par des caméras visent à identifier une personne, cela n'est autorisé que pour les finalités visées au § 1er, 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
Lors du traitement des données personnelles visé dans ce paragraphe, les garanties suivantes concernant la protection des données à caractère personnelles s'appliquent:
1° les catégories de personnes ayant accès aux données à caractère personnelles sont désignées par la capitainerie avec une description de leur fonction au regard du traitement des données concernées;
2° la capitainerie met à la disposition de l'autorité de contrôle la liste des personnes désignées pour traiter les données mentionnées au présent alinéa;
3° les personnes désignées doivent, en vertu d'une obligation légale ou réglementaire, ou d'une disposition contractuelle correspondante, respecter le caractère confidentiel des données en question;
4° des mesures techniques ou organisationnelles appropriées sont prises pour protéger les données à caractère personnelles contre la destruction accidentelle ou non autorisée, la perte ou l'altération accidentelle ou tout autre traitement non autorisé de ces données;
5° les responsables du traitement indiquent dans leur politique de protection des données les actions à prendre pour protéger le traitement de ces catégories de données et pour assurer la qualité des données traitées, notamment pour les aspects liés à l'évaluation de la qualité des données contenues dans ces bases de données sont traitées, y compris pour les aspects liés à leur exactitude, leur exhaustivité, leur fiabilité et leur actualité. Les délégués à la protection des données compétents veilleront au respect de cette politique.
Le Roi peut fournir d'autres garanties complémentaires appropriées.
§ 3. Le traitement ultérieur des images et du son n'est autorisé que pour les fins suivantes:
1° disposer d'archives visuelles et sonores, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives;
2° à des fins didactiques et pédagogiques dans le cadre de la formation du CLSM et de l'ANSM, après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP;
3° pour sensibiliser et informer la population après anonymisation conformément à l'article 89 du RGDP.
Art. 2.5.4.4. Installation et utilisation de caméras
§ 1er. Pour les caméras reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port prend l'initiative d'installer ou d'utiliser une caméra fixe ou d'utiliser une caméra mobile, temporairement ou non, et en enregistrant ou non les sons, dans les ports ou les installations portuaires. Les caméras existantes sont signalées à la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 2. Pour les caméras non reprises dans le plan de sûreté portuaire, la capitainerie du port soumet à la Cellule de la Sûreté maritime une demande d'installation et d'utilisation d'une ou plusieurs caméras fixes ou d'utilisation d'une ou plusieurs caméras mobiles, temporairement ou non, dans les ports ou les installations portuaires. Avant de soumettre cette demande, la capitainerie de port demande l'avis du CLSM compétent sur les points 1° à 4° du paragraphe 3.
§ 3. La demande visée au paragraphe 2 comprend au moins les informations suivantes:
1° l'emplacement où la caméra sera installée ou utilisée;
2° le périmètre dans lequel la caméra peut traiter des images;
3° la finalité de l'utilisation de la caméra;
4° les spécifications de la caméra;
5° le délai de conservation, qui ne peut excéder la durée maximale énoncée à l'article 2.5.2.90;
6° les catégories des destinataires;
7° la manière dont les données sont traitées;
8° l'avis favorable du CLSM compétent sur les points 1° à 4°.
Le Roi détermine la forme et le contenu du formulaire de demande.
§ 4. La Cellule de la Sûreté maritime transmet le dossier avec l'avis du CLSM compétent au ministre qui statue sur l'installation ou l'utilisation de la caméra et sur les modalités de la caméra. La décision du ministre est valable pour un délai de 5 ans, après quoi elle doit être renouvelée, sauf si la caméra est reprise dans un plan de sûreté portuaire visé au paragraphe 1er avant l'expiration de ce délai. La décision du ministre est publiée par extrait sur le site de la Cellule de la Sûreté maritime.
§ 5. Les caméras relevant du présent chapitre ne peuvent pas être dirigées vers des habitations ou des domaines privés, que ces habitations ou domaines privés soient ou non situés dans les zones géographiques visées à l'article 2.5.4.1, § 1er. S'il existe un risque réel qu'une caméra relevant du présent chapitre puisse filmer une habitation ou un domaine privé, le responsable du traitement doit prendre des mesures techniques et organisationnelles pour l'éviter. Les images de la caméra réalisées en violation du présent paragraphe doivent être supprimées par le responsable du traitement.
§ 6. La Cellule de sûreté maritime fournit aux forces de police la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article ou conformément à l'article 4.6.1.6, § 2.
La Cellule de la Sûreté maritime communique la décision du ministre, ainsi que la liste des caméras installées ou autorisées conformément aux paragraphes 1er et 4 du présent article, à la commune où la caméra est installée.
Art. 2.5.4.5. Caméras intelligentes
La capitainerie du port peut utiliser des caméras intelligentes pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3, à condition que leur installation et leur utilisation soient reprises dans le plan de sûreté portuaire ou qu'une demande soit introduite conformément à l'article 2.5.4.4, § 2.
L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance automatique des plaques d'immatriculation ou de la reconnaissance automatique des véhicules ou navires par la capitainerie du port est autorisée. L'installation et l'utilisation de caméras intelligentes en vue de la reconnaissance faciale n'est pas autorisée.
L'utilisation de caméras individuelles telle que visée à l'article 25/2 de la loi sur la fonction de police par les membres de la capitainerie du port, n'est pas autorisée en vertu des dispositions du présent chapitre.
Art. 2.5.4.6. Obligations de transparence
§ 1er. La capitainerie du port doit informer de manière transparente toute personne concernée entrant dans le port ou l'installation portuaire de la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire.
Pour les voies d'accès terrestres au port ou à l'installation portuaire, la capitainerie du port annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un pictogramme sur cette voie d'accès. Le Roi détermine la forme et le contenu de ce pictogramme. L'emplacement des caméras est également publié sur le site web de la DG Navigation.
Pour les voies d'accès navigables au port ou à l'installation portuaire, l'exploitant du port ou de l'installation portuaire annonce la présence de caméras dans le port ou l'installation portuaire au moyen d'un Avis aux navigateurs et par publication sur le site web de la DG Navigation.
§ 2. La capitainerie du port tient un registre contenant la liste des caméras autorisées, depuis quand et à quelles fins, y compris toutes les activités de traitement d'images des caméras effectuées sous sa responsabilité.
Pour chaque utilisation, sont repris dans le registre:
1° l'indication du lieu;
2° le type de caméra utilisé, leur emplacement, le cas échéant indiqué sur un plan;
3° la description des zones surveillées et les périodes d'utilisation;
4° le lieu du traitement des images;
5° le fait qu'un visionnage en temps réel ou pendant l'incident est organisé ou non et le cas échéant, la manière dont il est organisé;
6° les personnes qui ont eu connaissance des images et des sons;
7° le moment et le lieu de cette prise de connaissance;
8° les motifs de cette prise de connaissance;
9° les personnes qui ont eu accès au registre.
Art. 2.5.4.7. Accès aux images des caméras
§ 1er. L'accès aux images des caméras et aux enregistrements sonores, de tiers ou non conformément à l'article 2.5.4.9, ne peut être obtenu qu'en vertu de la loi ou peut être accordée par la capitainerie du port compétente dans les conditions énoncées dans le présent article. La capitainerie du port n'est autorisée à accorder l'accès qu'aux images des caméras et aux enregistrements sonores des caméras sous sa responsabilité. Dans le présent article, on entend par accès le visionnage, l'écoute et l'analyse, en temps réel ou non, des images des caméras et des enregistrements sonores. L'accès comprend également le transfert des images de caméras et des enregistrements sonores après leur réalisation.
§ 2. Dans tous les cas, les personnes, services ou entités suivants ont accès aux images des caméras et aux enregistrement sonores:
1° les personnes, les services ou les entités visés à l'article 4.2.4.4, conformément aux limitations qui y sont énoncées, pour intervenir en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public;
2° les personnes, les services ou les entités ayant accès aux images des caméras ou aux enregistrements sonores dans le port ou l'installation portuaire en vertu d'une législation spéciale, conformément aux limitations et garanties énoncées dans la législation spéciale.
§ 3. Aux personnes, services ou entités ne relevant pas du paragraphe 2, la capitainerie du port compétente peut accorder l'accès si les conditions d'accès cumulatives suivantes sont remplies:
1° l'accès est nécessaire à l'exécution de la mission légale attribuée à cette personne, ce service ou cette entité; et
2° la personne, le service ou l'entité ne poursuit aucunes autres finalités que celles visées à l'article 2.5.4.3, à moins que cette personne, ce service ou cette entité n'ait une tâche légale; et
3° la capitainerie du port compétente a vérifié que les conditions d'accès visées aux 1° et 2° sont remplies, sauf circonstances exceptionnelles et urgentes visées au paragraphe 4.
§ 4. Dans circonstances exceptionnelles et urgentes, la capitainerie du port peut accorder l'accès sans le contrôle préalable visé au paragraphe 3, 3°. Dans ce cas, la capitainerie du port doit procéder au contrôle au plus tard dans les 24 heures suivants l'octroi de l'accès. Si, au cours de ce contrôle, la capitainerie du port constate que les conditions d'accès ne sont pas remplies ou si elle n'effectue pas ce contrôle dans les 24 heures, l'accès doit être retiré immédiatement.
§ 5. Les agents de gardiennage qui exercent leurs compétences conformément aux dispositions de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière ne peuvent visionner, écouter ou analyser les images des caméras en temps réel que sous le contrôle de la capitainerie du port afin que les services compétents puissent intervenir immédiatement en cas de délit, de dommage, de nuisance ou de trouble à l'ordre public.
§ 6. L'accès visé aux paragraphes 2 et 3 est retiré si cette personne, ce service ou cette entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès. Si une personne au sein d'un service ou d'une entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès, il incombe à ce service ou à cette entité de retirer lui-même l'accès de cette personne conformément au présent paragraphe, ou d'en informer sans délai la capitainerie du port afin que celle-ci puisse retirer l'accès de cette personne. Ce retrait survient, dans tous les cas, sans retard déraisonnable et au plus tard dans un délai d'un mois après qu'il a été établi que la personne, le service ou l'entité ne remplit plus une ou plusieurs conditions d'accès.
§ 7. La capitainerie du port peut exceptionnellement suspendre temporairement l'accès en temps réel de certaines personnes, services ou entités si cela est nécessaire pour assurer la sécurité d'autres personnes. Cette suspension temporaire ne doit pas durer plus longtemps que le strict nécessaire.
Art. 2.5.4.8. Durée de conservation
Les images non anonymisées de caméras donnant lieu à un traitement de données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire.
Les images non anonymisées de caméras ne sont pas conservées plus longtemps que la durée strictement nécessaire et en tout cas pendant une période maximale de 12 mois. Si les images de caméras ou les enregistrements sonores constituent un élément d'une procédure juridique ou d'un litige pouvant conduire à une procédure juridique, ils peuvent exceptionnellement être conservés plus longtemps, jusqu'à la fin du litige ou, en cas de procédure juridique, jusqu'à ce qu'il n'y ait plus aucun recours ordinaire ou extraordinaire ouvert contre la décision définitive dans le cadre de cette procédure juridique.
Les images et les sons sont conservés par le responsable du traitement sur un support de données qui est protégé conformément aux principes de protection des données dès la conception et de protection des données par défaut.
Art. 2.5.4.9. Partage des images de caméras
La capitainerie du port peut à tout moment demander les images de caméras ou les enregistrements sonores des caméras placées ou utilisées par des entreprises privés dans le port ou sur une installation portuaire, en temps réel ou non, pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3. Ces tiers sont tenus de partager et d'accorder l'accès à ces images des caméras ou enregistrements sonores à la première demande et gratuitement à la capitainerie du port. Dans la mesure où ces tiers sont liés par les dispositions de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance, le présent paragraphe constitue une exception à l'article 9 de la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance.
Ces données seront échangées après la conclusion d'un protocole visé à l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Art. 2.5.4.10. Traitement de données à caractère personnel
§ 1er. La capitainerie du port relevant du champ d'application du présent chapitre et qui, seul ou conjointement avec d'autres, détermine les objectifs et les moyens du traitement de données à caractère personnel visé aux paragraphes 2 et 3 au moyen de caméras agit en qualité de responsable du traitement.
§ 2. Des images de caméras de toute personne entrant dans un port ou une installation portuaire peuvent être traitées, de même que les données à caractère personnel qui apparaîtraient sur ces images.
§ 3. Le traitement des images de caméras qui donnent lieu à un traitement de données à caractère personnel est exclusivement autorisé pour les finalités visées à l'article 2.5.4.3.
§ 4. Par dérogation aux articles 13 et 14 du RGPD, le droit à l'information peut être totalement ou partiellement différé, limité ou exclu en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 5. Par dérogation à l'article 15 du RGPD, le droit d'accès, y compris le droit d'un copie, peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 6. Par dérogation à l'article 16 du RGPD, le droit de rectification peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 7. Par dérogation à l'article 18 du RGPD, le droit à la limitation du traitement peut être totalement ou partiellement différé et limité en ce qui concerne le traitement des données à caractère personnel visé au paragraphe 2 en vue de garantir les finalités énoncées à l'article 2.5.4.3. Les traitements visés au présent paragraphe sont ceux qui ont pour objectif la préparation, l'organisation, la gestion et le suivi des enquêtes effectuées, y compris les enquêtes judiciaires et l'application éventuelle d'une sanction administrative.
§ 8. Les limitations des droits visées aux paragraphes 4 à 7 peuvent être invoquées par la capitainerie du port. Ces limitations valent durant la période dans laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle ou d'une enquête, y compris les actes préparatoires à ceux-ci, et durant la période nécessaire aux poursuites, dans la mesure où l'exercice des droits porterait atteinte aux besoins du contrôle, de l'enquête ou des actes préparatoires. La durée des actes préparatoires ne peut excéder un an à partir de la réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP.
§ 9. Dès réception d'une demande conformément aux articles 13, 14, 15, 16 ou 18 du RGDP, le responsable du traitement en accuse réception.
Le responsable du traitement informe la personne concernée par écrit, sans tarder et en tout cas dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande, de tout refus ou de toute limitation d'information, ainsi que des motifs du refus ou de la limitation. Ces informations concernant le refus ou la limitation peuvent ne pas être fournies lorsque leur communication risque de compromettre l'une des finalités visées à l'article 2.5.4.3. Au besoin, ce délai peut être prolongé de deux mois, compte tenu de la complexité et du nombre de demandes. Le responsable du traitement informe la personne concernée de cette prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter de la réception de la demande.
Le responsable du traitement informe la personne concernée des possibilités d'introduire une réclamation auprès de l'Autorité de protection des données et de former un recours juridictionnel.
Le responsable du traitement consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Ces informations sont mises à la disposition de l'Autorité de protection des données.
Lorsque le responsable du traitement a fait usage d'une des exceptions telles que déterminées aux paragraphes 4 à 7, et à l'exception des situations visées au paragraphe 10, la règle de l'exception est immédiatement levée après la clôture du contrôle ou de l'enquête. Le responsable du traitement en informe la personne concernée sans délai.
§ 10. Lorsqu'un dossier est transmis à l'autorité judiciaire, les droits de la personne concernée ne sont rétablis qu'après autorisation de l'autorité judiciaire, ou après que la phase judiciaire soit terminée, et, le cas échéant, après que le service des amendes administratives compétent ait pris une décision. Toutefois, les renseignements recueillis à l'occasion de l'exécution de devoirs prescrits par l'autorité judiciaire ne peuvent être communiqués qu'avec l'autorisation expresse de celle-ci.
Art. 2.5.4.11. Dispositions pénales
Quiconque enfreint les articles 2.5.4.1 à 2.5.4.9 est puni d'une amende de 100 euros à 10.000 euros. Est puni d'une même amende, la personne qui dispose ou fait usage intentionnellement d'une image ou d'un son qu' elle savait ou devait savoir que l'image ou le son a été obtenue en violation de ces mêmes articles.
Section 2. Casier judiciaire spécial
Art. 2.5.4.12.Code d'instruction criminelle
Les employeurs qui occupent des personnes dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime ou à bord de navires belges peuvent demander l'extrait visé à l'article 596bis du Code d'instruction criminelle lors du recrutement de cette personne avant son entrée en service effective.
L'employeur doit refuser l'entrée en service si la personne s'est vu infliger une interdiction portuaire effective conformément à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou à l'article 4.1.2.48, § 4 du Code belge de la Navigation, qui s'applique territorialement au lieu d'occupation.".
Art. 32. In artikel 2.7.7.15, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden in de inleidende zin de woorden "de aangezochte onderzoeksrechter" vervangen door de woorden "de onderzoeksrechter of in zaken waarbij geen onderzoeksrechter werd aangesteld, het bevoegde openbaar ministerie of de betrokken politiediensten".
Art. 32. Dans la phrase introductive de l'article 2.7.7.15, alinéa 1er, du même Code, les mots "le juge d'instruction saisi" sont remplacés par les mots "le juge d'instruction ou, dans les cas où aucun juge d'instruction n'a été désigné, le ministère public compétent ou les services de police concernés".
Art. 33. In de Franse tekst van artikel 4.1.1.1, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement";
2° in het vijfde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement";
3° in het zesde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement".
1° in het vierde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement";
2° in het vijfde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement";
3° in het zesde lid worden de woorden "une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "un emprisonnement".
Art. 33. Dans le texte français de l'article 4.1.1.1, § 1er, du même Code, les modifications suivantes sont apportées:
1° au quatrième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement";
2° au cinquième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement";
3° au sixième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement".
1° au quatrième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement";
2° au cinquième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement";
3° au sixième alinéa, les mots "une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "un emprisonnement".
Art. 34. In artikel 4.1.2.48 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden in de bepaling onder 3° de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten";
2° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "uit het Strafwetboek" en de woorden "die hierop is gesteld" de woorden "of de bijzondere strafwetten" ingevoegd;
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. Personen die het verbod bedoeld in artikel 2.5.2.98 overtreden worden gestraft met een sanctie van niveau 4 en kunnen gestraft worden met het havenverbod overeenkomstig de nadere regels van artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Werkgevers die personen tewerkstellen in een beroep, functie of mandaat zoals bedoeld in artikel 2.5.2.97 zonder over een positief veiligheidsadvies te beschikken, worden gestraft met een sanctie van niveau 4."
1° in paragraaf 1 worden in de bepaling onder 3° de woorden ", de Scheepvaartpolitie" ingevoegd tussen de woorden "Cel Maritieme Beveiliging" en de woorden "en de inspectiediensten";
2° in paragraaf 2 worden tussen de woorden "uit het Strafwetboek" en de woorden "die hierop is gesteld" de woorden "of de bijzondere strafwetten" ingevoegd;
3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. Personen die het verbod bedoeld in artikel 2.5.2.98 overtreden worden gestraft met een sanctie van niveau 4 en kunnen gestraft worden met het havenverbod overeenkomstig de nadere regels van artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Werkgevers die personen tewerkstellen in een beroep, functie of mandaat zoals bedoeld in artikel 2.5.2.97 zonder over een positief veiligheidsadvies te beschikken, worden gestraft met een sanctie van niveau 4."
Art. 34. Dans l'article 4.1.2.48 du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, 3°, les mots ", à la Police de la navigation" sont insérés entre les mots "à la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "ou aux services d'inspection";
2° au paragraphe 2, les mots "ou les lois pénales spéciales" sont insérés entre les mots "le Code pénal" et les mots "ou d'une sanction de niveau 5";
3° l'article est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit:
" § 7. Les personnes qui enfreignent l'interdiction visée à l'article 2.5.2.98 sont punies d'une sanction de niveau 4 et peuvent être punies de l'interdiction portuaire conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
Les employeurs qui occupent des personnes dans une profession, une fonction ou un mandat visé à l'article 2.5.2.97 sans disposer d'un avis de sécurité positif sont punis d'une sanction de niveau 4."
1° au paragraphe 1er, 3°, les mots ", à la Police de la navigation" sont insérés entre les mots "à la Cellule de la Sûreté maritime" et les mots "ou aux services d'inspection";
2° au paragraphe 2, les mots "ou les lois pénales spéciales" sont insérés entre les mots "le Code pénal" et les mots "ou d'une sanction de niveau 5";
3° l'article est complété par un paragraphe 7 rédigé comme suit:
" § 7. Les personnes qui enfreignent l'interdiction visée à l'article 2.5.2.98 sont punies d'une sanction de niveau 4 et peuvent être punies de l'interdiction portuaire conformément aux modalités de l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
Les employeurs qui occupent des personnes dans une profession, une fonction ou un mandat visé à l'article 2.5.2.97 sans disposer d'un avis de sécurité positif sont punis d'une sanction de niveau 4."
Art. 35. In artikel 4.1.2.48, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 oktober 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "binnen een of meer havens of havenfaciliteiten" worden vervangen door de woorden "binnen de Belgische havens of havenfaciliteiten";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een tweede lid luidende:
"Elke overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met de straf bepaalt in artikel 4, § 5, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen."
1° de woorden "binnen een of meer havens of havenfaciliteiten" worden vervangen door de woorden "binnen de Belgische havens of havenfaciliteiten";
2° de paragraaf wordt aangevuld met een tweede lid luidende:
"Elke overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid wordt gestraft met de straf bepaalt in artikel 4, § 5, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen."
Art. 35. Dans l'article 4.1.2.48, § 4, du même Code, remplacé par la loi du 13 octobre 2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "dans un ou plusieurs ports ou installations portuaires" sont remplacés par les mots "dans les ports belges ou les installations portuaires";
2° le paragraphe est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit:
"Toute infraction à l'interdiction visée à l'alinéa 1er est punie d'une sanction visée à l'article 4, § 5, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes."
1° les mots "dans un ou plusieurs ports ou installations portuaires" sont remplacés par les mots "dans les ports belges ou les installations portuaires";
2° le paragraphe est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit:
"Toute infraction à l'interdiction visée à l'alinéa 1er est punie d'une sanction visée à l'article 4, § 5, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes."
Art. 36. In artikel 4.1.2.48/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022 worden de woorden "van een haven of havenfaciliteit bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4° en 5°, zonder toelating van de havenbeheerder of de havenfaciliteit" vervangen door de woorden "van een haven, een havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5° en 16°, zonder de toelating van de havenbeheerder of de exploitant van de havenfaciliteit of de terminal gelegen in het binnenland".
Art. 36. Dans l'article 4.1.2.48/1, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les mots "d'un port ou d'une installation portuaire visé à l'article 2.5.2.3, 4° et 5°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'installation portuaire" sont remplacés par les mots "d'un port, d'une installation portuaire ou d'un terminal intérieur comme visé à l'article 2.5.2.3, 4°, 5° et 16°, sans l'autorisation du gestionnaire du port ou de l'exploitant de l'installation portuaire ou du terminal intérieur".
Art. 37. In de Franse tekst van artikel 4.1.2.48/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 oktober 2022, worden de woorden "d'une peine d'emprisonnement" vervangen door de woorden "d'un emprisonnement".
Art. 37. Dans le texte français de l'article 4.1.2.48/2 du même Code, inséré par la loi du 13 octobre 2022, les mots "d'une peine d'emprisonnement" sont remplacés par les mots "d'un emprisonnement".
Art. 38. Artikel 4.2.1.11 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt:
"Art. 4.2.1.11. Borgsom bij aanhouding van het schip
Bij ernstige vermoedens van inbreuken als bedoeld in titel 1, kunnen de scheepvaartcontroleurs het schip aanhouden, tenzij als waarborg een geldsom wordt geconsigneerd bij de Deposito-en Consignatiekas, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito-en Consignatiekas, waarbij alle gebeurlijke kosten ten laste blijven van de vermoedelijke dader.
De hoogte van de borgborg wordt door de Scheepvaartcontrole vastgesteld. Dit bedrag mag de maximale geldboete voor de inbreuken, verhoogd met de opdeciemen, niet overschrijden.
Het ontvangstbewijs dat door de Deposito- en Consignatiekas wordt afgeleverd, geldt als rechtstitel tegenover de Deposito- en Consignatiekas en wordt onverwijld door de vermoedelijke dader als bewijs van betaling van de borgsom bezorgd aan de inspecteur die de overtreding vaststelde.
Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de Scheepvaartcontrole ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een "Protection and Indemnity Club".
De geldboete die is opgelegd door een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde of door een minnelijke schikking wordt, naar gelang van het geval, verhaald op de borgsom."
"Art. 4.2.1.11. Borgsom bij aanhouding van het schip
Bij ernstige vermoedens van inbreuken als bedoeld in titel 1, kunnen de scheepvaartcontroleurs het schip aanhouden, tenzij als waarborg een geldsom wordt geconsigneerd bij de Deposito-en Consignatiekas, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 2018 op de Deposito-en Consignatiekas, waarbij alle gebeurlijke kosten ten laste blijven van de vermoedelijke dader.
De hoogte van de borgborg wordt door de Scheepvaartcontrole vastgesteld. Dit bedrag mag de maximale geldboete voor de inbreuken, verhoogd met de opdeciemen, niet overschrijden.
Het ontvangstbewijs dat door de Deposito- en Consignatiekas wordt afgeleverd, geldt als rechtstitel tegenover de Deposito- en Consignatiekas en wordt onverwijld door de vermoedelijke dader als bewijs van betaling van de borgsom bezorgd aan de inspecteur die de overtreding vaststelde.
Het storten van de borgsom kan, zonder kosten voor de overheid, worden vervangen door een bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de Scheepvaartcontrole ontvankelijk verklaarde garantie getekend door een "Protection and Indemnity Club".
De geldboete die is opgelegd door een definitieve beslissing ingevolge administratieve vervolging, een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde of door een minnelijke schikking wordt, naar gelang van het geval, verhaald op de borgsom."
Art. 38. L'article 4.2.1.11 du même Code est remplacé comme suit:
"Art. 4.2.1.11. Cautionnement lors de l'immobilisation du navire
En cas de présomption sérieuse d'infractions telles que visées au titre I, les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser le navire, sauf si une somme d'argent est consignée à titre de garantie auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations, conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations, tous les frais éventuels restant à charge de l'auteur présumé.
Le montant du cautionnement est fixé par le Contrôle de la navigation. Ce montant ne peut pas excéder l'amende maximale pour les infractions, majorée des décimes additionnels.
Le récépissé délivré par la Caisse des Dépôts et Consignations forme titre envers la Caisse des Dépôts et Consignations et est communiqué sans délai par l'auteur présumé à l'inspecteur ayant constaté l'infraction à titre de preuve du cautionnement.
Le versement du cautionnement peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique ou par une garantie signée par un "Protection and Indemnity Club" et déclarée recevable par le Contrôle de la navigation.
L'amende imposée par une décision définitive consécutive à des poursuites administratives, une décision judiciaire coulée en force de chose jugée ou une transaction, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement."
"Art. 4.2.1.11. Cautionnement lors de l'immobilisation du navire
En cas de présomption sérieuse d'infractions telles que visées au titre I, les contrôleurs de la navigation peuvent immobiliser le navire, sauf si une somme d'argent est consignée à titre de garantie auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations, conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 2018 sur la Caisse des Dépôts et Consignations, tous les frais éventuels restant à charge de l'auteur présumé.
Le montant du cautionnement est fixé par le Contrôle de la navigation. Ce montant ne peut pas excéder l'amende maximale pour les infractions, majorée des décimes additionnels.
Le récépissé délivré par la Caisse des Dépôts et Consignations forme titre envers la Caisse des Dépôts et Consignations et est communiqué sans délai par l'auteur présumé à l'inspecteur ayant constaté l'infraction à titre de preuve du cautionnement.
Le versement du cautionnement peut, sans occasionner de frais pour l'autorité, être remplacé par une garantie bancaire, accordée par une banque établie en Belgique ou par une garantie signée par un "Protection and Indemnity Club" et déclarée recevable par le Contrôle de la navigation.
L'amende imposée par une décision définitive consécutive à des poursuites administratives, une décision judiciaire coulée en force de chose jugée ou une transaction, selon le cas, est récupérée sur le cautionnement."
Art. 39. Boek 4 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met titel 7 dat de artikelen 4.7.1.1 tot en met 4.7.2.5 omvat, luidende:
"Titel 7. Gegevensbescherming en gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 1. DG Scheepvaart
Afdeling 1. Handhaving
Art. 4.7.1.1. Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot de handhaving van dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten.
Art. 4.7.1.2. Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.4 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, vaststellen, opsporen, administratief of strafrechtelijke vervolgen en bestraffen van inbreuken op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° het bijhouden van de veroordelingen tot administratieve geldboetes door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het maken van statistieken om de trends, bedreigingen en evoluties bij de inbreuken op dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten op te maken.
Art. 4.7.1.3. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° iedereen die verdacht wordt of een inbreuk heeft gepleegd op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit Wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten.
Art. 4.7.1.4. Te verwerken gegevens
§ 1. Van de personen bedoeld in artikel 4.7.1.3, 1°, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de betrokkene herkenbaar is;
6° omschrijving van de uiterlijke kenmerken van de betrokkene op het ogenblik van de vermeende inbreuk;
7° resultaten van alcohol en drugstesten;
8° eerdere veroordelingen door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
§ 2. Van de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en al hun uitvoeringsbesluiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° e-mailadres.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel, worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken met toepassing van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 4.7.1.5. Toegang
De volgende diensten kunnen toegang hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4:
1° de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° het openbaar ministerie;
3° de onderzoeksrechters;
4° leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
5° de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma.
Art. 4.7.1.6. Bewaartermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4 worden bewaard tot:
1° maximaal het overlijden van de persoon indien er een effectieve inbreuk werd vastgesteld door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° één jaar nadat de persoon werd vrijgesproken door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° één jaar nadat de vermeende inbreuk werd geseponeerd door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
4° één jaar nadat het openbaar ministerie beslist heeft om de zaak zelf te behandelen of de zaak om constitutionele elementen te seponeren.
Art. 4.7.1.7. Verwerkingsverantwoordelijke
Het Directoraat-generaal Scheepvaart is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.
Afdeling 2. Meldplatform
Art. 4.7.1.8. Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot het meldplatform bedoeld in artikel 2.5.2.102.
Art. 4.7.1.9. Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.11 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging;
3° het opsporen van inbreuken op de maritieme beveiliging, de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de Schengengrenscode.
Art. 4.7.1.10. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de melders die niet anoniem wensen te blijven kunnen worden verwerkt.
Art. 4.7.1.11. Te verwerken gegevens
De volgende gegevens kunnen worden verwerkt:
1° naam en voornaam;
2° telefoonnummer;
3° e-mailadres;
4° locatie op moment van de melding;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de melder herkenbaar is.
Art. 4.7.1.12. Toegang
De Cel Maritieme Beveiliging, de politiediensten, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, het openbaar Ministerie en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10.
Art. 4.7.1.13. Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10 kunnen maximaal tot 1 jaar na de melding worden bewaard.
Art. 4.7.1.14. Verwerkingsverantwoordelijke
De Cel Maritieme Beveiliging is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.
Hoofdstuk 2. Het MIK+
Art. 4.7.2.1. Gegevensuitwisseling binnen MIK+
De partijen binnen het MIK+ mogen gegevens met elkaar uitwisselen, met inbegrip van alle persoonsgegevens, op voorwaarde dat het gebruik bij de ontvangende partner een van de bedoeld is voor één van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben voorrang op bijzondere wetgevingen.
Data kunnen enkel worden uitgewisseld met uitdrukkelijk akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
De ontvanger van de data mag deze niet doorgeleiden naar externe partners zonder het uitdrukkelijke akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
Art. 4.7.2.2. Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 mogen worden uitgewisseld voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, opsporen, vaststellen, vervolgen of bestraffen van misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de maritieme sector;
4° het verdedigen van de openbare orde en de nationale veiligheid;
5° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
6° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
7° het interveniëren bij noodgevallen;
8° het monitoren van de van het verkeer in de Belgische maritieme zones en havens;
9° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van het voorkomen van verontreiniging door emissies;
10° het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en de opleiding van personen met specifieke taken;
11° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen.
Art. 4.7.2.3. Bewaartermijn en verwerkingsverantwoordelijke
De uitgewisselde data mag niet langer worden bijgehouden dan de termijn van bewaring die geldt voor de broninformatie. De partner die de data ontvangt is verwerkingsverantwoordelijke voor de ontvangen data.
Art. 4.7.2.4. Overeenkomst
De partners binnen het MIK+ sluiten een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling van dit hoofdstuk."
Art. 4.7.2.5.MRCC
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 kunnen worden uitgewisseld met het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC) van het Vlaamse Gewest, onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De informatie kan enkel worden uitgewisseld na het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling, en onder de voorwaarde dat de gegevens niet verder worden doorgeleid zonder akkoord van de eigenaar van de brondata en de bewaring de maximale termijn zoals vastgesteld voor de brondata niet overschrijdt."
"Titel 7. Gegevensbescherming en gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 1. DG Scheepvaart
Afdeling 1. Handhaving
Art. 4.7.1.1. Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot de handhaving van dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten.
Art. 4.7.1.2. Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.4 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, vaststellen, opsporen, administratief of strafrechtelijke vervolgen en bestraffen van inbreuken op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° het bijhouden van de veroordelingen tot administratieve geldboetes door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° het maken van statistieken om de trends, bedreigingen en evoluties bij de inbreuken op dit wetboek, de scheepvaartwetten zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten en de uitvoeringsbesluiten op te maken.
Art. 4.7.1.3. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de volgende personen mogen verwerkt worden:
1° iedereen die verdacht wordt of een inbreuk heeft gepleegd op dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
2° de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit Wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten.
Art. 4.7.1.4. Te verwerken gegevens
§ 1. Van de personen bedoeld in artikel 4.7.1.3, 1°, mogen de volgende gegevens verwerkt worden:
1° naam en voornamen;
2° het rijksregisternummer of het bis-identificatienummer toegekend door de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid;
3° geboortedatum en adres voor niet-Belgen;
4° e-mailadres;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de betrokkene herkenbaar is;
6° omschrijving van de uiterlijke kenmerken van de betrokkene op het ogenblik van de vermeende inbreuk;
7° resultaten van alcohol en drugstesten;
8° eerdere veroordelingen door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten.
§ 2. Van de leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en al hun uitvoeringsbesluiten mogen de volgende gegevens worden verwerkt:
1° naam en voornamen;
2° identificatienummer gegeven door de overheidsdienst waarvoor de inspecteur werkt;
3° e-mailadres.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel, worden de verwerkers gemachtigd om het rijksregister te gebruiken met toepassing van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 4.7.1.5. Toegang
De volgende diensten kunnen toegang hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4:
1° de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° het openbaar ministerie;
3° de onderzoeksrechters;
4° leden van de autoriteiten belast met de handhaving van dit wetboek, de internationale en Unierechtelijke verdragen en akten betreffende de scheepvaart of de scheepvaartwetten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, en de uitvoeringsbesluiten;
5° de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van de uitvoering van het Crossborder programma.
Art. 4.7.1.6. Bewaartermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.1.7.4 worden bewaard tot:
1° maximaal het overlijden van de persoon indien er een effectieve inbreuk werd vastgesteld door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
2° één jaar nadat de persoon werd vrijgesproken door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
3° één jaar nadat de vermeende inbreuk werd geseponeerd door de door de Koning aangewezen bevoegde autoriteit overeenkomstig de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten;
4° één jaar nadat het openbaar ministerie beslist heeft om de zaak zelf te behandelen of de zaak om constitutionele elementen te seponeren.
Art. 4.7.1.7. Verwerkingsverantwoordelijke
Het Directoraat-generaal Scheepvaart is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.
Afdeling 2. Meldplatform
Art. 4.7.1.8. Toepassing
Deze afdeling is van toepassing op de gegevensbescherming en de gegevensuitwisseling met betrekking tot het meldplatform bedoeld in artikel 2.5.2.102.
Art. 4.7.1.9. Doel
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.11 mogen verwerkt worden voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen van ongeoorloofde acties;
2° het verhogen van de beveiliging in de havens, havenfaciliteiten, terminals gelegen in het binnenland of vestigingseenheden met een impact op de maritieme beveiliging;
3° het opsporen van inbreuken op de maritieme beveiliging, de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de Schengengrenscode.
Art. 4.7.1.10. Betrokken natuurlijke personen
De gegevens van de melders die niet anoniem wensen te blijven kunnen worden verwerkt.
Art. 4.7.1.11. Te verwerken gegevens
De volgende gegevens kunnen worden verwerkt:
1° naam en voornaam;
2° telefoonnummer;
3° e-mailadres;
4° locatie op moment van de melding;
5° eventuele foto's of bewegende beelden waarop de melder herkenbaar is.
Art. 4.7.1.12. Toegang
De Cel Maritieme Beveiliging, de politiediensten, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, het openbaar Ministerie en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10.
Art. 4.7.1.13. Bewaringstermijn
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.1.10 kunnen maximaal tot 1 jaar na de melding worden bewaard.
Art. 4.7.1.14. Verwerkingsverantwoordelijke
De Cel Maritieme Beveiliging is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking bedoeld in deze afdeling.
Hoofdstuk 2. Het MIK+
Art. 4.7.2.1. Gegevensuitwisseling binnen MIK+
De partijen binnen het MIK+ mogen gegevens met elkaar uitwisselen, met inbegrip van alle persoonsgegevens, op voorwaarde dat het gebruik bij de ontvangende partner een van de bedoeld is voor één van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben voorrang op bijzondere wetgevingen.
Data kunnen enkel worden uitgewisseld met uitdrukkelijk akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
De ontvanger van de data mag deze niet doorgeleiden naar externe partners zonder het uitdrukkelijke akkoord van de verwerkingsverantwoordelijke van de brondata.
Art. 4.7.2.2. Doeleinden
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 mogen worden uitgewisseld voor de volgende doeleinden:
1° het voorkomen, opsporen, vaststellen, vervolgen of bestraffen van misdrijven tegen personen of goederen;
2° het garanderen van de maritieme beveiliging;
3° het garanderen van de beveiliging van de personen die werkzaam zijn in de maritieme sector;
4° het verdedigen van de openbare orde en de nationale veiligheid;
5° het garanderen van de beveiliging van de haven, bouw en kunstwerken, kabels en pijpleidingen;
6° het garanderen van de scheepvaartveiligheid;
7° het interveniëren bij noodgevallen;
8° het monitoren van de van het verkeer in de Belgische maritieme zones en havens;
9° het beschermen van het mariene milieu, met inbegrip van het voorkomen van verontreiniging door emissies;
10° het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en de opleiding van personen met specifieke taken;
11° het behoud van de biodiversiteit en de levende rijkdommen.
Art. 4.7.2.3. Bewaartermijn en verwerkingsverantwoordelijke
De uitgewisselde data mag niet langer worden bijgehouden dan de termijn van bewaring die geldt voor de broninformatie. De partner die de data ontvangt is verwerkingsverantwoordelijke voor de ontvangen data.
Art. 4.7.2.4. Overeenkomst
De partners binnen het MIK+ sluiten een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling van dit hoofdstuk."
Art. 4.7.2.5.MRCC
De gegevens bedoeld in artikel 4.7.2.1 kunnen worden uitgewisseld met het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum (MRCC) van het Vlaamse Gewest, onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen bedoeld in artikel 4.7.2.2.
De informatie kan enkel worden uitgewisseld na het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de praktische afhandeling, en onder de voorwaarde dat de gegevens niet verder worden doorgeleid zonder akkoord van de eigenaar van de brondata en de bewaring de maximale termijn zoals vastgesteld voor de brondata niet overschrijdt."
Art. 39. Le livre 4 du même Code est complété par un titre 7 comprenant les articles 4.7.1.1 à 4.7.2.5, rédigé comme suit:
"Titre 7. Protection des données et échange de données
Chapitre 1er. DG Navigation
Section 1re. Mise en application
Art. 4.7.1.1. Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre du contrôle du respect du présent code, des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et des arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.2. But
Les données visées à l'article 4.7.1.4 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, constater, détecter, poursuivre administrativement ou pénalement et sanctionner les infractions au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° tenir à jour les condamnations à des amendes administratives par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° établir des statistiques pour dégager les tendances, menaces et évolutions concernant les infractions au présent code, aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et aux arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.3. Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées:
1° toute personne soupçonnée ou ayant commis une infraction au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.4. Données à traiter
§ 1er. Les données suivantes concernant les personnes visées à l'article 4.7.1.3, 1° peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° date de naissance et adresse pour les non-Belges;
4° adresse e-mail;
5° photos ou images en mouvement éventuelles sur lesquelles la personne concernée est reconnaissable;
6° description des caractéristiques externes de la personne concernée au moment de l'infraction présumée;
7° résultats des tests d'alcoolémie et de détection des drogues;
8° condamnations antérieures par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
§ 2. Les données suivantes concernant les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et de tous les arrêtés d'exécution peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° numéro d'identification attribué par le service public pour lequel l'inspecteur travaille;
3° adresse e-mail.
§ 3. Pour l'application du présent article, les sous-traitants sont autorisés à utiliser le registre national avec l'application de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
Art. 4.7.1.5. Accès
Les services suivants peuvent avoir accès aux données visées à l'article 4.1.7.4:
1° l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° le ministère public;
3° les juges d'instruction;
4° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution;
5° le Service public fédéral Justice dans la cadre de l'exécution du programme Crossborder.
Art. 4.7.1.6. Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.1.7.4 sont conservées:
1° au plus tard jusqu'au décès de la personne si une infraction réelle a été constatée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° jusqu'à un an après que la personne a été acquittée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° jusqu'à un an après que l'infraction présumée a été classée sans suite par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
4° jusqu'à un an après que le ministère public a décidé de traiter lui-même l'affaire ou de la classer sans suite pour des raisons constitutionnelles.
Art. 4.7.1.7. Responsable du traitement
La Direction générale Navigation est le responsable du traitement visé dans la présente section.
Section 2. Plateforme de signalement
Art. 4.7.1.8. Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre de la plateforme de signalement visée à l'article 2.5.2.102.
Art. 4.7.1.9. But
Les données visées à l'article 4.7.1.11 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir les actions illicites;
2° accroître la sûreté dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime;
3° détecter les infractions à la sûreté maritime, à la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et au Code frontières Schengen.
Art. 4.7.1.10. Personnes physiques concernées
Les données des auteurs de signalement qui ne souhaitent pas rester anonymes peuvent être traitées.
Art. 4.7.11. Données à traiter
Les données suivantes peuvent être traitées:
1° nom et prénom;
2° numéro de téléphone;
3° adresse e-mail;
4° la localisation au moment du signalement;
5° photos ou des images en mouvement éventuelles sur lesquelles l'auteur du signalement est reconnaissable.
Art. 4.7.1.12. Accès
La Cellule de la Sûreté maritime, les services de police, l'Administration générale des Douanes et Accises, le ministère public et les juges d'instruction ont accès aux données visées à l'article 4.7.1.10.
Art. 4.7.1.13. Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.7.1.10 peuvent être conservées jusqu'à maximum un an après le signalement.
Art. 4.7.1.14. Responsable du traitement
La Cellule de la Sûreté maritime est le responsable du traitement visé dans la présente section.
Chapitre 2. Le MIK+
Art. 4.7.2.1. Echange de données au sein du MIK+
Les parties au sein du MIK+ peuvent s'échanger des données, y compris toutes les données à caractère personnel, à condition que l'utilisation par le partenaire destinataire réponde à l'une des finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les dispositions du présent chapitre prévalent sur les législations spéciales.
Les données ne peuvent être échangées qu'après accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Le destinataire des données ne peut les transmettre à des partenaires extérieurs sans l'accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Art. 4.7.2.2. Finalités
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, détecter, constater, poursuivre ou punir les délits contre des personnes ou des marchandises;
2° garantir la sûreté maritime;
3° garantir la sûreté des personnes travaillant dans le secteur maritime;
4° défendre l'ordre public et la sécurité nationale;
5° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
6° garantir la sécurité de la navigation;
7° intervenir dans les cas d'urgence;
8° suivre le trafic dans les zones maritimes et les ports belges;
9° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
10° mener des recherches scientifiques et former des personnes à des tâches spécifiques;
11° conserver la biodiversité et les ressources vivantes.
Art. 4.7.2.3. Durée de conservation et responsable du traitement
Les données échangées ne peuvent être conservées plus longtemps que la durée de conservation applicable aux informations sources. Le partenaire qui reçoit les données est le responsable du traitement des données reçues.
Art. 4.7.2.4. Accord
Les partenaires au sein du MIK+ concluent un accord sur les modalités pratiques du présent chapitre."
Art. 4.7.2.5.RCC
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées avec le Centre de coordination et de sauvetage maritime (MRCC) de la Région flamande, à condition que cela soit nécessaire pour les finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les informations ne peuvent être échangées qu'après la conclusion d'un accord sur les modalités pratiques et à condition que les données ne soient pas transmises ultérieurement sans l'accord du propriétaire des données sources et que leur durée de conservation ne dépasse pas la période maximale fixée pour les données sources."
"Titre 7. Protection des données et échange de données
Chapitre 1er. DG Navigation
Section 1re. Mise en application
Art. 4.7.1.1. Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre du contrôle du respect du présent code, des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et des arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.2. But
Les données visées à l'article 4.7.1.4 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, constater, détecter, poursuivre administrativement ou pénalement et sanctionner les infractions au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° tenir à jour les condamnations à des amendes administratives par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° établir des statistiques pour dégager les tendances, menaces et évolutions concernant les infractions au présent code, aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation et aux arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.3. Personnes physiques concernées
Les données des personnes suivantes peuvent être traitées:
1° toute personne soupçonnée ou ayant commis une infraction au présent Code, aux traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou aux lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et aux arrêtés d'exécution;
2° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution.
Art. 4.7.1.4. Données à traiter
§ 1er. Les données suivantes concernant les personnes visées à l'article 4.7.1.3, 1° peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° le numéro de registre national ou son numéro d'identification bis attribué par la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale;
3° date de naissance et adresse pour les non-Belges;
4° adresse e-mail;
5° photos ou images en mouvement éventuelles sur lesquelles la personne concernée est reconnaissable;
6° description des caractéristiques externes de la personne concernée au moment de l'infraction présumée;
7° résultats des tests d'alcoolémie et de détection des drogues;
8° condamnations antérieures par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation.
§ 2. Les données suivantes concernant les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et de tous les arrêtés d'exécution peuvent être traitées:
1° nom et prénoms;
2° numéro d'identification attribué par le service public pour lequel l'inspecteur travaille;
3° adresse e-mail.
§ 3. Pour l'application du présent article, les sous-traitants sont autorisés à utiliser le registre national avec l'application de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
Art. 4.7.1.5. Accès
Les services suivants peuvent avoir accès aux données visées à l'article 4.1.7.4:
1° l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° le ministère public;
3° les juges d'instruction;
4° les membres des autorités chargées de contrôler le respect du présent Code, des traités et actes internationaux et de l'Union relatifs à la navigation ou des lois sur la navigation visées à l'article 2 de la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation, et des arrêtés d'exécution;
5° le Service public fédéral Justice dans la cadre de l'exécution du programme Crossborder.
Art. 4.7.1.6. Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.1.7.4 sont conservées:
1° au plus tard jusqu'au décès de la personne si une infraction réelle a été constatée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
2° jusqu'à un an après que la personne a été acquittée par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
3° jusqu'à un an après que l'infraction présumée a été classée sans suite par l'autorité compétente désignée par le Roi conformément à la loi du 25 décembre 2016 instituant des amendes administratives applicables en cas d'infractions aux lois sur la navigation;
4° jusqu'à un an après que le ministère public a décidé de traiter lui-même l'affaire ou de la classer sans suite pour des raisons constitutionnelles.
Art. 4.7.1.7. Responsable du traitement
La Direction générale Navigation est le responsable du traitement visé dans la présente section.
Section 2. Plateforme de signalement
Art. 4.7.1.8. Application
La présente section s'applique à la protection des données et à l'échange de données dans le cadre de la plateforme de signalement visée à l'article 2.5.2.102.
Art. 4.7.1.9. But
Les données visées à l'article 4.7.1.11 peuvent être traitées pour les finalités suivantes:
1° prévenir les actions illicites;
2° accroître la sûreté dans les ports, les installations portuaires, les terminaux intérieurs ou les unités d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime;
3° détecter les infractions à la sûreté maritime, à la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et au Code frontières Schengen.
Art. 4.7.1.10. Personnes physiques concernées
Les données des auteurs de signalement qui ne souhaitent pas rester anonymes peuvent être traitées.
Art. 4.7.11. Données à traiter
Les données suivantes peuvent être traitées:
1° nom et prénom;
2° numéro de téléphone;
3° adresse e-mail;
4° la localisation au moment du signalement;
5° photos ou des images en mouvement éventuelles sur lesquelles l'auteur du signalement est reconnaissable.
Art. 4.7.1.12. Accès
La Cellule de la Sûreté maritime, les services de police, l'Administration générale des Douanes et Accises, le ministère public et les juges d'instruction ont accès aux données visées à l'article 4.7.1.10.
Art. 4.7.1.13. Durée de conservation
Les données visées à l'article 4.7.1.10 peuvent être conservées jusqu'à maximum un an après le signalement.
Art. 4.7.1.14. Responsable du traitement
La Cellule de la Sûreté maritime est le responsable du traitement visé dans la présente section.
Chapitre 2. Le MIK+
Art. 4.7.2.1. Echange de données au sein du MIK+
Les parties au sein du MIK+ peuvent s'échanger des données, y compris toutes les données à caractère personnel, à condition que l'utilisation par le partenaire destinataire réponde à l'une des finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les dispositions du présent chapitre prévalent sur les législations spéciales.
Les données ne peuvent être échangées qu'après accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Le destinataire des données ne peut les transmettre à des partenaires extérieurs sans l'accord exprès du responsable du traitement des données sources.
Art. 4.7.2.2. Finalités
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées pour les finalités suivantes:
1° prévenir, détecter, constater, poursuivre ou punir les délits contre des personnes ou des marchandises;
2° garantir la sûreté maritime;
3° garantir la sûreté des personnes travaillant dans le secteur maritime;
4° défendre l'ordre public et la sécurité nationale;
5° garantir la sûreté du port, des ouvrages de construction et de génie civil, des câbles et des pipelines;
6° garantir la sécurité de la navigation;
7° intervenir dans les cas d'urgence;
8° suivre le trafic dans les zones maritimes et les ports belges;
9° protéger le milieu marin, y compris la prévention de la pollution due aux émissions;
10° mener des recherches scientifiques et former des personnes à des tâches spécifiques;
11° conserver la biodiversité et les ressources vivantes.
Art. 4.7.2.3. Durée de conservation et responsable du traitement
Les données échangées ne peuvent être conservées plus longtemps que la durée de conservation applicable aux informations sources. Le partenaire qui reçoit les données est le responsable du traitement des données reçues.
Art. 4.7.2.4. Accord
Les partenaires au sein du MIK+ concluent un accord sur les modalités pratiques du présent chapitre."
Art. 4.7.2.5.RCC
Les données visées à l'article 4.7.2.1 peuvent être échangées avec le Centre de coordination et de sauvetage maritime (MRCC) de la Région flamande, à condition que cela soit nécessaire pour les finalités visées à l'article 4.7.2.2.
Les informations ne peuvent être échangées qu'après la conclusion d'un accord sur les modalités pratiques et à condition que les données ne soient pas transmises ultérieurement sans l'accord du propriétaire des données sources et que leur durée de conservation ne dépasse pas la période maximale fixée pour les données sources."
Afdeling 7. - Wijziging van de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken
Section 7. - Modification de la loi du 23 avril 2021 relative à la mise en oeuvre de la Convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur
Art. 40. In artikel 7, § 3, van de wet van 23 april 2021 tot implementatie van het UNESCO-verdrag van 2 november 2001 ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water en de bescherming van waardevolle wrakken worden de woorden "in artikel 5bis, § 3, van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België" vervangen door de woorden "in artikel 24, § 3, van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden".
Art. 40. Dans l'article 7, § 3, de la loi du 23 avril 2021 relative à la mise en oeuvre de la Convention de l'UNESCO du 2 novembre 2001 sur la protection du patrimoine culturel subaquatique et la protection d'épaves de valeur les mots "à l'article 5bis, § 3, de la loi du 20 janvier 1999 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins sous juridiction de la Belgique" sont remplacés par les mots "à l'article 24, § 3, de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges".
Afdeling 8. - Wijziging van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden
Section 8. - Modification de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges
Art. 41. Artikel 3 van de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden wordt aangevuld met een lid 43°, luidende:
"43° zwaar ongeval: met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:
a) een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput; of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
b) een incident dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
c) elk ander incident leidend tot de dood of ernstige verwonding van vijf of meer personen die aanwezig zijn op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een offshore olie- of gasactiviteit in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur; of
d) ieder zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a), b) en c).
Met het oog op het vaststellen of een incident een groot ongeval vormt als bedoeld onder a), b) of d), wordt een installatie die normaliter onbemand is, beschouwd als een bemande installatie."
"43° zwaar ongeval: met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:
a) een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput; of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
b) een incident dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;
c) elk ander incident leidend tot de dood of ernstige verwonding van vijf of meer personen die aanwezig zijn op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een offshore olie- of gasactiviteit in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur; of
d) ieder zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a), b) en c).
Met het oog op het vaststellen of een incident een groot ongeval vormt als bedoeld onder a), b) of d), wordt een installatie die normaliter onbemand is, beschouwd als een bemande installatie."
Art. 41. L'article 3, de la loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges est complété par l'alinéa 43° rédigé comme suit:
"43° accident majeur dans le cadre d'une installation ou d'infrastructures connectées:
a) un incident impliquant une explosion, un incendie, la perte de contrôle d'un puits, ou une fuite de pétrole ou de gaz ou le rejet de substances dangereuses causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
b) un incident entraînant des dommages graves pour l'installation ou les infrastructures connectées, causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
c) tout autre incident entraînant le décès de cinq personnes ou plus ou causant des blessures graves à cinq personnes ou plus, qui sont présentes sur l'installation en mer où se situe la source du danger ou qui participent à une opération pétrolière ou gazière en mer en rapport avec l'installation ou les infrastructures connectées; ou
d) tout incident environnemental majeur résultant d'incidents visés aux points a), b) et c).
Aux fins de déterminer si un incident constitue un accident majeur au sens des points a), b) ou d), une installation qui est, en règle générale, laissée sans surveillance est réputée faire l'objet d'une surveillance."
"43° accident majeur dans le cadre d'une installation ou d'infrastructures connectées:
a) un incident impliquant une explosion, un incendie, la perte de contrôle d'un puits, ou une fuite de pétrole ou de gaz ou le rejet de substances dangereuses causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
b) un incident entraînant des dommages graves pour l'installation ou les infrastructures connectées, causant ou risquant très probablement de causer des décès ou des dommages corporels graves;
c) tout autre incident entraînant le décès de cinq personnes ou plus ou causant des blessures graves à cinq personnes ou plus, qui sont présentes sur l'installation en mer où se situe la source du danger ou qui participent à une opération pétrolière ou gazière en mer en rapport avec l'installation ou les infrastructures connectées; ou
d) tout incident environnemental majeur résultant d'incidents visés aux points a), b) et c).
Aux fins de déterminer si un incident constitue un accident majeur au sens des points a), b) ou d), une installation qui est, en règle générale, laissée sans surveillance est réputée faire l'objet d'une surveillance."
Art. 42. Artikel 31 van dezelfde wet, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
" § 4. In België geregistreerde bedrijven die zelf, of via een dochteronderneming, offshore olie- en gasactiviteiten verrichten buiten de Europese Unie, als vergunningshouder of exploitant, brengen op verzoek van de dienst Marien Milieu of de BMM verslag uit over de omstandigheden van elk zwaar ongeval waarbij zij betrokken waren. De dienst Marien Milieu of de BMM specificeert in het verzoek de gegevens die gevraagd worden."
" § 4. In België geregistreerde bedrijven die zelf, of via een dochteronderneming, offshore olie- en gasactiviteiten verrichten buiten de Europese Unie, als vergunningshouder of exploitant, brengen op verzoek van de dienst Marien Milieu of de BMM verslag uit over de omstandigheden van elk zwaar ongeval waarbij zij betrokken waren. De dienst Marien Milieu of de BMM specificeert in het verzoek de gegevens die gevraagd worden."
Art. 42. L'article 31 de la même loi, est complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit:
" § 4. Les entreprises enregistrées en Belgique et qui mènent elles-mêmes ou par l'intermédiaire de filiales des opérations pétrolières et gazières en mer hors de l'Union, en tant que titulaires d'une autorisation ou en tant qu'exploitants, font rapport, si elles y sont invitées par le service Milieu Marin ou l'UGMM, sur les circonstances de tout accident majeur dans lequel elles ont été impliquées."
" § 4. Les entreprises enregistrées en Belgique et qui mènent elles-mêmes ou par l'intermédiaire de filiales des opérations pétrolières et gazières en mer hors de l'Union, en tant que titulaires d'une autorisation ou en tant qu'exploitants, font rapport, si elles y sont invitées par le service Milieu Marin ou l'UGMM, sur les circonstances de tout accident majeur dans lequel elles ont été impliquées."
Art. 43. In artikel 44, § 1, 2°, van dezelfde wet worden de woorden "door artikel 31, § 1 en § 2, 1° tot en met 3° " vervangen door de woorden "door artikel 31, § 1, § 2, 1° tot en met 3°, en § 4".
Art. 43. Dans l'article 44, § 1er, 2°, de la même loi, les mots "par l'article 31, § 1er et § 2, 1° à 3° " sont remplacés par les mots "par l'article 31, § 1er, § 2, 1° à 3° et § 4".
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions finales
Art. 44. De LCMB's moeten uiterlijk 1 jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 2.5.4.46/6 van het Belgisch Scheepvaartwetboek een beveiligingsbeoordeling opmaken voor de terminals gelegen langs de binnenwateren.
Art. 44. Les CLSM doivent établir une évaluation de la sûreté des terminaux intérieurs au plus tard un an après l'entrée en vigueur de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 2.5.4.46/6 du Code belge de la Navigation.
Art. 45. De camera's die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 2.5.4.1 moeten uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met de bepalingen van deze wet worden gebracht. Tot die tijd blijft de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's van toepassing op deze camera's.
Art. 45. Les caméras entrant dans le champ d'application de l'article 2.5.4.1 doivent être mises en conformité avec les dispositions de la présente loi au plus tard un an après l'entrée en vigueur de la présente loi. Dans l'intervalle, la loi du 21 mars 2007 réglant l'installation et l'utilisation de caméras de surveillance continue à s'appliquer à ces caméras.
Art. 46. Voor alle personen die een functie, mandaat of beroep uitoefenen voor 1 januari 2025 waarvoor de NAMB overeenkomstig artikel 2.5.2.97 van het Belgisch Scheepvaartwetboek een veiligheidsverificatie vereist, wordt in afwijking van artikel 2.5.2.98 van het Belgisch Scheepvaartwetboek het ontbreken van veiligheidsadvies overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, gelijkgesteld met een positief advies. Deze maatregel geldt ook voor alle adviezen die niet uitdrukkelijk negatief zijn.
Functies, beroepen en mandaten die onder het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid vallen, kunnen niet eerder worden aangeduid overeenkomstig artikel 2.5.2.97 van het Belgisch Scheepvaartwetboek dan op een datum te bepalen door de Koning die evenwel niet meer dan drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet kan bedragen.
Functies, beroepen en mandaten die onder het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid vallen, kunnen niet eerder worden aangeduid overeenkomstig artikel 2.5.2.97 van het Belgisch Scheepvaartwetboek dan op een datum te bepalen door de Koning die evenwel niet meer dan drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet kan bedragen.
Art. 46. Pour toutes les personnes exerçant une fonction, un mandat ou une profession avant le 1er janvier 2025 et pour lesquelles l'ANSM exige une vérification de sécurité conformément à l'article 2.5.2.97 du Code belge de la Navigation, l'abstention d'un avis conformément à la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification, aux habilitations de sécurité, attestations de sécurité, avis de sécurité et au service public réglementé, est assimilé à un avis positif en dérogation à l'article 2.5.2.98 du Code belge de Navigation. Cette mesure s'applique également à tous les avis qui ne sont pas explicitement négatifs.
Les fonctions, professions et mandats visés par l'arrêté royal du 5 juillet 2004 relatif à la reconnaissance des ouvriers portuaires dans les zones portuaires tombant dans le champ d'application de la loi du 8 juin 1972 organisant le travail portuaire ne peuvent être désignés conformément à l'article 2.5.2.97 du Code belge de la navigation qu'à partir d'une date à déterminer par le Roi, qui ne peut toutefois être postérieure de plus de trois mois à l'entrée en vigueur de la présente loi.
Les fonctions, professions et mandats visés par l'arrêté royal du 5 juillet 2004 relatif à la reconnaissance des ouvriers portuaires dans les zones portuaires tombant dans le champ d'application de la loi du 8 juin 1972 organisant le travail portuaire ne peuvent être désignés conformément à l'article 2.5.2.97 du Code belge de la navigation qu'à partir d'une date à déterminer par le Roi, qui ne peut toutefois être postérieure de plus de trois mois à l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 47. Deze wet treedt in werking op 1 juni 2024.
Art. 47. La présente loi entre en vigueur le 1er juin 2024.