Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 MEI 2024. - Wet tot invoering van een Samenlevingsdienst (NOTA : bij arrest nr. 135/2025 van 23-10-2025 (2025-10-23/29, B.St. 14-11-2025, p. 87860), heeft het Grondwettelijk Hof deze wet vernietigd)
Titre
15 MAI 2024. - Loi instaurant un Service citoyen (NOTE : par son arrêt n° 135/2025 du 23-10-2025 (2025-10-23/29, M.B. 14-11-2025, p. 87860), la Cour constitutionnelle a annulé la présente loi)
Dokumentinformationen
Numac: 2024202866
Datum: 2024-05-15
Info du document
Numac: 2024202866
Date: 2024-05-15
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Definities
HOOFDSTUK 3. - Het Agentschap van de Samenlevin...
HOOFDSTUK 4. - De gastorganisaties
HOOFDSTUK 5. - De indiensttreding bij de Samenl...
HOOFDSTUK 6. - De duur van de Samenlevingsdienst
HOOFDSTUK 7. - Het statuut van de burger in dienst
HOOFDSTUK 8. - De driepartijenovereenkomst tuss...
HOOFDSTUK 9. - Samenlevingsgroep en burgerschap...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 12. - Evaluatie
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Définitions
CHAPITRE 3. - L'Agence du Service citoyen
CHAPITRE 4. - Les organismes d'accueil
CHAPITRE 5. - L'engagement dans le Service citoyen
CHAPITRE 6. - La durée du Service citoyen
CHAPITRE 7. - Le statut de citoyen en service
CHAPITRE 8. - La convention tripartite entre l'...
CHAPITRE 9. - La promotion citoyenne et les mod...
CHAPITRE 10. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 12. - Evaluation
Tekst (46)
Texte (46)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Definities
CHAPITRE 2. - Définitions
Art.2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
1° Samenlevingsdienst: regeling die burgers die in België verblijven in staat stelt zich gedurende een lange periode op substantiële wijze in te zetten voor een project van algemeen belang en waarbij hij een passende vergoeding ontvangt teneinde de burgerzin, de sociale diversiteit, de solidariteit en de individuele autonomie te bevorderen;
2° burger in dienst: elke persoon die zich vrijwillig engageert voor de Samenlevingsdienst, vanaf de eerste dag van zijn engagement tot het einde daarvan;
3° Agentschap: Agentschap van de Samenlevingsdienst;
4° gastorganisatie: een vooraf erkende dienst, instantie of vereniging die belast is met de ontvangst van burgers in dienst;
5° opdracht: activiteit van de burger in dienst bij zijn gastorganisatie, die gericht is op de verwezenlijking van een door deze organisatie nagestreefd doel van algemeen belang en wordt geregeld in een overeenkomst tussen de burger in dienst, de gastorganisatie en het Agentschap van de Samenlevingsdienst;
6° samenlevingsgroep: een gemengde groep waarin elke burger in dienst samen met andere burgers in dienst aan een aantal activiteiten deelneemt, met als doel sociale vermenging, uitwisseling tussen burgers en versterking van het gemeenschapsgevoel;
7° burgerschapsmodule: groepsactiviteit die plaatsvindt in het kader van de promotie van burgerschap en die de burger in dienst in staat stelt zich bewust te worden van de verschillende vraagstukken die de samenleving raken, teneinde zijn reflectie over zijn burgerzin te ontwikkelen;
8° Wetboek van vennootschappen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.
1° Samenlevingsdienst: regeling die burgers die in België verblijven in staat stelt zich gedurende een lange periode op substantiële wijze in te zetten voor een project van algemeen belang en waarbij hij een passende vergoeding ontvangt teneinde de burgerzin, de sociale diversiteit, de solidariteit en de individuele autonomie te bevorderen;
2° burger in dienst: elke persoon die zich vrijwillig engageert voor de Samenlevingsdienst, vanaf de eerste dag van zijn engagement tot het einde daarvan;
3° Agentschap: Agentschap van de Samenlevingsdienst;
4° gastorganisatie: een vooraf erkende dienst, instantie of vereniging die belast is met de ontvangst van burgers in dienst;
5° opdracht: activiteit van de burger in dienst bij zijn gastorganisatie, die gericht is op de verwezenlijking van een door deze organisatie nagestreefd doel van algemeen belang en wordt geregeld in een overeenkomst tussen de burger in dienst, de gastorganisatie en het Agentschap van de Samenlevingsdienst;
6° samenlevingsgroep: een gemengde groep waarin elke burger in dienst samen met andere burgers in dienst aan een aantal activiteiten deelneemt, met als doel sociale vermenging, uitwisseling tussen burgers en versterking van het gemeenschapsgevoel;
7° burgerschapsmodule: groepsactiviteit die plaatsvindt in het kader van de promotie van burgerschap en die de burger in dienst in staat stelt zich bewust te worden van de verschillende vraagstukken die de samenleving raken, teneinde zijn reflectie over zijn burgerzin te ontwikkelen;
8° Wetboek van vennootschappen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.
Art.2. Pour l'application de la présente loi, on entend par:
1° Service citoyen: dispositif visant à permettre à des citoyens vivant en Belgique de s'engager de manière conséquente sur une longue période dans un projet d'intérêt général, tout en lui assurant une indemnité adéquate afin de promouvoir l'engagement citoyen, la mixité sociale, la solidarité et l'autonomie individuelle;
2° citoyen en service: toute personne s'engageant librement dans le Service citoyen, du premier jour de son engagement jusqu'à la fin de celui-ci;
3° Agence: Agence du Service citoyen;
4° organisme d'accueil: service, organisme ou association, préalablement agréé, chargé d'accueillir des citoyens en service;
5° mission: activité du citoyen en service au sein de son organisme d'accueil, qui a pour objet l'accomplissement d'un but d'intérêt général poursuivi par ce dernier et est encadrée par une convention entre le citoyen en service, l'organisme d'accueil et l'Agence du Service citoyen;
6° promotion citoyenne: groupe mixte au sein duquel chaque citoyen en service participe à plusieurs activités en commun avec d'autres citoyens en service, dans un but de brassage social, d'échange entre citoyens et de renforcement d'un sentiment d'appartenance à la collectivité;
7° module de citoyenneté: activité de groupe menée dans le cadre de la promotion citoyenne et permettant d'éveiller le citoyen en service aux différents enjeux impactant la société, de manière à développer sa réflexion sur son engagement citoyen;
8° Code des sociétés: Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019.
1° Service citoyen: dispositif visant à permettre à des citoyens vivant en Belgique de s'engager de manière conséquente sur une longue période dans un projet d'intérêt général, tout en lui assurant une indemnité adéquate afin de promouvoir l'engagement citoyen, la mixité sociale, la solidarité et l'autonomie individuelle;
2° citoyen en service: toute personne s'engageant librement dans le Service citoyen, du premier jour de son engagement jusqu'à la fin de celui-ci;
3° Agence: Agence du Service citoyen;
4° organisme d'accueil: service, organisme ou association, préalablement agréé, chargé d'accueillir des citoyens en service;
5° mission: activité du citoyen en service au sein de son organisme d'accueil, qui a pour objet l'accomplissement d'un but d'intérêt général poursuivi par ce dernier et est encadrée par une convention entre le citoyen en service, l'organisme d'accueil et l'Agence du Service citoyen;
6° promotion citoyenne: groupe mixte au sein duquel chaque citoyen en service participe à plusieurs activités en commun avec d'autres citoyens en service, dans un but de brassage social, d'échange entre citoyens et de renforcement d'un sentiment d'appartenance à la collectivité;
7° module de citoyenneté: activité de groupe menée dans le cadre de la promotion citoyenne et permettant d'éveiller le citoyen en service aux différents enjeux impactant la société, de manière à développer sa réflexion sur son engagement citoyen;
8° Code des sociétés: Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019.
HOOFDSTUK 3. - Het Agentschap van de Samenlevingsdienst
CHAPITRE 3. - L'Agence du Service citoyen
Art.3. § 1. Het Agentschap is een vereniging zonder winstoogmerk, erkend bij koninklijk besluit en gesubsidieerd door de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Er kan een overeenkomst worden gesloten tussen de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en het Agentschap om de manier te ontwikkelen waarop het Agentschap zijn opdrachten vervult.
§ 2. Het Agentschap heeft rechtspersoonlijkheid.
§ 3. Het Agentschap kan gedecentraliseerde antennes oprichten voor een beter beheer van de Samenlevingsdienst. Deze antennes zijn tewerkstellingsstructuren van het Agentschap voor zijn personeel dat buiten de zetel van het Agentschap werkt. Zij hebben tot doel het Agentschap dichter bij de gastorganisaties en de burgers in dienst te brengen. Zij hebben geen rechtspersoonlijkheid. Hun taken moeten door het Agentschap duidelijk worden omschreven en mogen niet verder gaan dat de strikte toepassing van de beslissingen die het Agentschap neemt in uitvoering van zijn opdrachten.
Er kan een overeenkomst worden gesloten tussen de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en het Agentschap om de manier te ontwikkelen waarop het Agentschap zijn opdrachten vervult.
§ 2. Het Agentschap heeft rechtspersoonlijkheid.
§ 3. Het Agentschap kan gedecentraliseerde antennes oprichten voor een beter beheer van de Samenlevingsdienst. Deze antennes zijn tewerkstellingsstructuren van het Agentschap voor zijn personeel dat buiten de zetel van het Agentschap werkt. Zij hebben tot doel het Agentschap dichter bij de gastorganisaties en de burgers in dienst te brengen. Zij hebben geen rechtspersoonlijkheid. Hun taken moeten door het Agentschap duidelijk worden omschreven en mogen niet verder gaan dat de strikte toepassing van de beslissingen die het Agentschap neemt in uitvoering van zijn opdrachten.
Art.3. § 1er. L'Agence est une association sans but lucratif, agréée par arrêté royal et subsidiée par le Service public fédéral (SPF) Emploi, Travail et Concertation sociale.
Une convention pourra être conclue entre le Service public fédéral (SPF) Emploi, Travail et Concertation sociale et l'Agence afin de développer la manière dont l'Agence accomplit ses missions.
§ 2. L'Agence jouit de la personnalité juridique.
§ 3. Pour une meilleure administration du Service citoyen, l'Agence peut créer des antennes déconcentrées. Ces antennes sont pour les membres du personnel des structures de travail de l'Agence situées en dehors du siège de celle-ci. Elles visent à rapprocher l'Agence des organismes d'accueil et des citoyens en service. Elles ne disposent pas de la personnalité juridique. Leurs attributions doivent être clairement déterminées par l'Agence et ne peuvent dépasser la stricte application des décisions que celle-ci prend en exécution de ses missions.
Une convention pourra être conclue entre le Service public fédéral (SPF) Emploi, Travail et Concertation sociale et l'Agence afin de développer la manière dont l'Agence accomplit ses missions.
§ 2. L'Agence jouit de la personnalité juridique.
§ 3. Pour une meilleure administration du Service citoyen, l'Agence peut créer des antennes déconcentrées. Ces antennes sont pour les membres du personnel des structures de travail de l'Agence situées en dehors du siège de celle-ci. Elles visent à rapprocher l'Agence des organismes d'accueil et des citoyens en service. Elles ne disposent pas de la personnalité juridique. Leurs attributions doivent être clairement déterminées par l'Agence et ne peuvent dépasser la stricte application des décisions que celle-ci prend en exécution de ses missions.
Art.4. § 1. De opdrachten van het Agentschap zijn de volgende:
1° zorgen voor het gecentraliseerde en dagelijkse beheer van de Samenlevingsdienst, in zijn administratieve, financiële, operationele en programmatorische aspecten, in het bijzonder door een evenwichtige verdeling van burgers in dienst over de verschillende Gewesten;
2° ervoor zorgen dat het programma openstaat voor personen die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor laaggeschoolden;
3° erkennen van gastorganisaties die burgers in dienst zullen ontvangen;
4° centraliseren van de verzamelde informatie over de Samenlevingsdienst en deze overmaken aan de federale minister belast met Werkgelegenheid en Arbeid;
5° communiceren over de Samenlevingsdienst bij het publiek;
6° het jaarlijks organiseren van een jobbeurs in aanwezigheid van werkgevers uit de privé en de publieke sector;
7° toezien op de naleving van de bepalingen en de verplichtingen van deze wet.
§ 2. Voor zover zulks noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken, kan het Agentschap:
1° elke gastorganisatie verzoeken de nodige informatie ter beschikking te stellen;
2° de nodige studies en onderzoeken uitvoeren;
3° om hulp vragen bij elke federale overheidsinstelling, die deze zal verlenen binnen de grenzen van de beschikbare middelen.
§ 3. In het kader van zijn opdracht om te communiceren over de Samenlevingsdienst kan het Agentschap:
1° alle relevante informatie en documentatie opstellen, verstrekken en publiceren;
2° publiciteit maken over de Samenlevingsdienst bij privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke instellingen.
§ 4. De opdrachten en actiemiddelen, zoals opgesomd in de paragrafen 1 tot en met 3, kunnen worden aangevuld door de Koning.
§ 5. Het Agentschap dient jaarlijks een activiteitenverslag in bij de regering en de Kamer van volksvertegenwoordigers, dat alle informatie en publicaties bevat die nuttig zijn voor de evaluatie van zijn activiteiten. Het staat tevens ter beschikking van de regering om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie die nodig is voor een goed begrip van het verslag.
§ 6. Het Agentschap oefent zijn opdrachten uit in een geest van dialoog en samenwerking met de diensten, instanties en verenigingen die als gastorganisatie zijn erkend.
1° zorgen voor het gecentraliseerde en dagelijkse beheer van de Samenlevingsdienst, in zijn administratieve, financiële, operationele en programmatorische aspecten, in het bijzonder door een evenwichtige verdeling van burgers in dienst over de verschillende Gewesten;
2° ervoor zorgen dat het programma openstaat voor personen die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt, in het bijzonder voor laaggeschoolden;
3° erkennen van gastorganisaties die burgers in dienst zullen ontvangen;
4° centraliseren van de verzamelde informatie over de Samenlevingsdienst en deze overmaken aan de federale minister belast met Werkgelegenheid en Arbeid;
5° communiceren over de Samenlevingsdienst bij het publiek;
6° het jaarlijks organiseren van een jobbeurs in aanwezigheid van werkgevers uit de privé en de publieke sector;
7° toezien op de naleving van de bepalingen en de verplichtingen van deze wet.
§ 2. Voor zover zulks noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken, kan het Agentschap:
1° elke gastorganisatie verzoeken de nodige informatie ter beschikking te stellen;
2° de nodige studies en onderzoeken uitvoeren;
3° om hulp vragen bij elke federale overheidsinstelling, die deze zal verlenen binnen de grenzen van de beschikbare middelen.
§ 3. In het kader van zijn opdracht om te communiceren over de Samenlevingsdienst kan het Agentschap:
1° alle relevante informatie en documentatie opstellen, verstrekken en publiceren;
2° publiciteit maken over de Samenlevingsdienst bij privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke instellingen.
§ 4. De opdrachten en actiemiddelen, zoals opgesomd in de paragrafen 1 tot en met 3, kunnen worden aangevuld door de Koning.
§ 5. Het Agentschap dient jaarlijks een activiteitenverslag in bij de regering en de Kamer van volksvertegenwoordigers, dat alle informatie en publicaties bevat die nuttig zijn voor de evaluatie van zijn activiteiten. Het staat tevens ter beschikking van de regering om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie die nodig is voor een goed begrip van het verslag.
§ 6. Het Agentschap oefent zijn opdrachten uit in een geest van dialoog en samenwerking met de diensten, instanties en verenigingen die als gastorganisatie zijn erkend.
Art.4. § 1er. Les missions de l'Agence sont les suivantes:
1° assurer la gestion centralisée et journalière du Service citoyen, dans ses aspects administratifs, financiers, opérationnels et programmatiques en s'assurant notamment d'une répartition équilibrée des citoyens en service entre les différentes Régions;
2° veiller à inclure dans le programme des personnes présentant des difficultés à accéder au marché du travail, en se concentrant tout particulièrement sur les personnes peu qualifiées;
3° agréer les organismes d'accueil qui accueilleront des citoyens en service;
4° centraliser l'information recueillie à propos du Service citoyen et la transmettre au ministre fédéral en charge de l'Emploi et du Travail;
5° assurer la communication autour du Service citoyen auprès du public;
6° organiser annuellement une foire à l'emploi regroupant des employeurs du secteur privé et des services publics;
7° veiller au respect des dispositions et obligations de la présente loi.
§ 2. Dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de ses missions, l'Agence peut:
1° demander à tout organisme d'accueil de mettre à sa disposition les informations nécessaires;
2° effectuer les études et recherches nécessaires;
3° solliciter l'assistance de toute institution publique fédérale, qui la lui accordera dans la limite des moyens disponibles.
§ 3. Dans le cadre de sa mission de communication autour du Service citoyen, l'Agence peut:
1° produire, fournir et publier toute information et toute documentation utile;
2° organiser la publicité du Service citoyen au sein de personnes morales de droit privé et d'institutions de droit public.
§ 4. Les missions et moyens d'action de l'Agence, telles qu'elles sont énumérées par les paragraphes 1 à 3, peuvent être complétées par le Roi.
§ 5. L'Agence remettra annuellement un rapport d'activités au gouvernement et à la Chambre des représentants reprenant toutes les informations et publications utiles à l'évaluation de ses activités. Elle se tiendra également à la disposition du gouvernement pour répondre à toute demande d'information nécessaire à la bonne compréhension dudit rapport.
§ 6. L'Agence exerce ses missions dans un esprit de dialogue et de collaboration avec les services, organismes et associations agréés en tant qu'organisme d'accueil.
1° assurer la gestion centralisée et journalière du Service citoyen, dans ses aspects administratifs, financiers, opérationnels et programmatiques en s'assurant notamment d'une répartition équilibrée des citoyens en service entre les différentes Régions;
2° veiller à inclure dans le programme des personnes présentant des difficultés à accéder au marché du travail, en se concentrant tout particulièrement sur les personnes peu qualifiées;
3° agréer les organismes d'accueil qui accueilleront des citoyens en service;
4° centraliser l'information recueillie à propos du Service citoyen et la transmettre au ministre fédéral en charge de l'Emploi et du Travail;
5° assurer la communication autour du Service citoyen auprès du public;
6° organiser annuellement une foire à l'emploi regroupant des employeurs du secteur privé et des services publics;
7° veiller au respect des dispositions et obligations de la présente loi.
§ 2. Dans la mesure nécessaire à l'accomplissement de ses missions, l'Agence peut:
1° demander à tout organisme d'accueil de mettre à sa disposition les informations nécessaires;
2° effectuer les études et recherches nécessaires;
3° solliciter l'assistance de toute institution publique fédérale, qui la lui accordera dans la limite des moyens disponibles.
§ 3. Dans le cadre de sa mission de communication autour du Service citoyen, l'Agence peut:
1° produire, fournir et publier toute information et toute documentation utile;
2° organiser la publicité du Service citoyen au sein de personnes morales de droit privé et d'institutions de droit public.
§ 4. Les missions et moyens d'action de l'Agence, telles qu'elles sont énumérées par les paragraphes 1 à 3, peuvent être complétées par le Roi.
§ 5. L'Agence remettra annuellement un rapport d'activités au gouvernement et à la Chambre des représentants reprenant toutes les informations et publications utiles à l'évaluation de ses activités. Elle se tiendra également à la disposition du gouvernement pour répondre à toute demande d'information nécessaire à la bonne compréhension dudit rapport.
§ 6. L'Agence exerce ses missions dans un esprit de dialogue et de collaboration avec les services, organismes et associations agréés en tant qu'organisme d'accueil.
Art.5. Behoudens in spoedeisende gevallen, legt de bevoegde minister of iedere andere minister elk voorontwerp van wet of ontwerp van reglementair besluit tot wijziging van de wet- en regelgeving betreffende de Samenlevingsdienst voor advies voor aan het Agentschap.
Art.5. Sauf en cas d'urgence, le ministre responsable ou tout autre ministre soumet à l'avis de l'Agence tout avant-projet de loi ou projet d'arrêté réglementaire tendant à modifier la législation ou réglementation relative au Service citoyen.
HOOFDSTUK 4. - De gastorganisaties
CHAPITRE 4. - Les organismes d'accueil
Art.6. Kunnen worden erkend als gastorganisatie:
1° de instellingen van overheidssector met uitzondering van de instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen;
2° de federale instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
Kunnen eveneens worden erkend als gastorganisatie:
1° de verenigingen bedoeld in artikel 1: 2 van het Wetboek van vennootschappen;
2° de stichtingen bedoeld in artikel 1: 3 van het Wetboek van vennootschappen;
3° de feitelijke verenigingen bedoeld in artikel 1: 6 van het Wetboek van vennootschappen;
4° de coöperaties erkend als sociale onderneming in overeenstemming met artikel 8: 5 van vennootschappen.
1° de instellingen van overheidssector met uitzondering van de instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen;
2° de federale instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;
Kunnen eveneens worden erkend als gastorganisatie:
1° de verenigingen bedoeld in artikel 1: 2 van het Wetboek van vennootschappen;
2° de stichtingen bedoeld in artikel 1: 3 van het Wetboek van vennootschappen;
3° de feitelijke verenigingen bedoeld in artikel 1: 6 van het Wetboek van vennootschappen;
4° de coöperaties erkend als sociale onderneming in overeenstemming met artikel 8: 5 van vennootschappen.
Art.6. Peuvent être agréés comme organismes d'accueil:
1° les établissements du secteur public à l'exclusion des établissements exerçant une activité industrielle ou commerciale;
2° les organismes d'intérêt public fédéraux, au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public;
Peuvent également être agréés comme organismes d'accueil:
1° les associations visées par l'article 1: 2 du Code des sociétés;
2° les fondations visées par l'article 1: 3 du Code des sociétés;
3° les associations de fait visées par l'article 1: 6 du Code des sociétés;
4° les sociétés coopératives agréées comme entreprises sociales conformément à l'article 8: 5 du Code des sociétés.
1° les établissements du secteur public à l'exclusion des établissements exerçant une activité industrielle ou commerciale;
2° les organismes d'intérêt public fédéraux, au sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public;
Peuvent également être agréés comme organismes d'accueil:
1° les associations visées par l'article 1: 2 du Code des sociétés;
2° les fondations visées par l'article 1: 3 du Code des sociétés;
3° les associations de fait visées par l'article 1: 6 du Code des sociétés;
4° les sociétés coopératives agréées comme entreprises sociales conformément à l'article 8: 5 du Code des sociétés.
Art.7. De volgende persoonsgegevens worden doorgegeven aan de gastorganisatie waarbij de burger in dienst zijn opdracht uitvoert, met het oog op een goede begeleiding van de burger bij de uitvoering van zijn opdracht: naam en voorna(a)m(en); telefoonnummer, e-mailadres en/of domicilie of verblijfplaats in België; eventuele gezondheidsproblemen en bijhorende behandelingen; eventuele handicap.
Art.7. Les données personnelles suivantes sont transmises à l'organisme d'accueil auprès duquel le citoyen en service accomplit sa mission, en vue du bon encadrement de celui-ci dans l'exercice de cette dernière: nom et prénom(s); numéro de téléphone, adresse email et/ou domicile ou résidence en Belgique; problèmes de santés éventuels et traitements associés; handicap éventuel.
Art.8. § 1. Elke dienst, instantie of vereniging zoals bedoeld in artikel 6, die een burger in dienst wil ontvangen, moet vooraf door het Agentschap worden erkend. Zij dienst een aanvraag in en geeft daarbij aan hoeveel burgers in dienst zij wil ontvangen. Een dienst, instantie of vereniging die een aanvraag tot erkenning als gastorganisatie indient, mag pas burgers in dienst nemen nadat het Agentschap zijn goedkeuring heeft verleend.
§ 2. Binnen drie maanden na de aanvraag verleent het Agentschap de erkenning aan de kandidaat die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de dienst, de instantie of de vereniging moet over voldoende personeel en faciliteiten beschikken om een permanente omkadering voor de burgers in dienst te waarborgen;
2° de activiteit van de organisatie moet gericht zijn op het algemeen belang, in het bijzonder op de volgende domeinen:
a. sociale actie, sociale cohesie en solidariteit;
b. milieu, natuurbehoud, duurzame ontwikkeling, ecologische transitie, de strijd tegen de klimaatopwarming;
c. cultuur en het promoten van cultuur;
d. diensten voor gezondheidszorg en persoonlijke verzorging en gezondheidspromotie;
e. de promotie en beoefening van sport;
f. civiele bescherming;
g. onderwijs;
h. erfgoed en het promoten van erfgoed;
i. ontwikkelingssamenwerking;
j. justitie.
§ 3. In geval van een gezondheidscrisis of een ander geval van overmacht, kan het Agentschap zijn goedkeuring verlenen aan een zorginstelling met een andere rechtsvorm dan die bedoeld in artikel 6, totdat voornoemde situatie is opgelost.
§ 4. Bij een met redenen omkleed besluit kan het Agentschap de erkenning intrekken van elke gastorganisatie die niet langer voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in paragraaf 2, die zich schuldig heeft gemaakt aan het misbruiken van de opdracht van de samenlevingsdienst voor doeleinden die niet zijn voorzien voor de Samenlevingsdienst of de niet-naleving van driepartijenovereenkomst zoals bedoeld in artikel 22.
§ 5. Een gastorganisatie kan bij het Agentschap een verzoek indienen om tijdelijk niet beschikbaar te worden verklaard voor het ontvangen van burgers in dienst, waarbij de periode van onbeschikbaarheid pas ingaat na afloop van de opdracht van de burger(s) die door de gastorganisatie worden ontvangen. Het verzoek moet worden gerechtvaardigd door onmogelijke omstandigheden of ernstige tijdelijke materiële, morele of juridische problemen om burgers tijdens deze periode in dienst te nemen. De periode van onbeschikbaarheid mag niet langer duren dan één jaar. Indien de organisatie na die periode nog steeds niet in staat is burger van dienst te ontvangen, kan het Agentschap haar erkenning intrekken.
§ 6. Een gastorganisatie kan verzoeken om intrekking van haar erkenning. Deze intrekking kan pas ingaan na afloop van de opdracht van de burger(s) die door de gastorganisatie wordt/worden ontvangen. Met het oog op de voortdurende verbetering van de Samenlevingsdienst zal de gastorganisatie worden verzocht haar verzoek tot intrekking te motiveren. Weigering van de gastorganisatie om een dergelijke motivering te geven, kan er niet toe leiden dat de erkenning tegen haar wil wordt gehandhaafd.
§ 2. Binnen drie maanden na de aanvraag verleent het Agentschap de erkenning aan de kandidaat die aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° de dienst, de instantie of de vereniging moet over voldoende personeel en faciliteiten beschikken om een permanente omkadering voor de burgers in dienst te waarborgen;
2° de activiteit van de organisatie moet gericht zijn op het algemeen belang, in het bijzonder op de volgende domeinen:
a. sociale actie, sociale cohesie en solidariteit;
b. milieu, natuurbehoud, duurzame ontwikkeling, ecologische transitie, de strijd tegen de klimaatopwarming;
c. cultuur en het promoten van cultuur;
d. diensten voor gezondheidszorg en persoonlijke verzorging en gezondheidspromotie;
e. de promotie en beoefening van sport;
f. civiele bescherming;
g. onderwijs;
h. erfgoed en het promoten van erfgoed;
i. ontwikkelingssamenwerking;
j. justitie.
§ 3. In geval van een gezondheidscrisis of een ander geval van overmacht, kan het Agentschap zijn goedkeuring verlenen aan een zorginstelling met een andere rechtsvorm dan die bedoeld in artikel 6, totdat voornoemde situatie is opgelost.
§ 4. Bij een met redenen omkleed besluit kan het Agentschap de erkenning intrekken van elke gastorganisatie die niet langer voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in paragraaf 2, die zich schuldig heeft gemaakt aan het misbruiken van de opdracht van de samenlevingsdienst voor doeleinden die niet zijn voorzien voor de Samenlevingsdienst of de niet-naleving van driepartijenovereenkomst zoals bedoeld in artikel 22.
§ 5. Een gastorganisatie kan bij het Agentschap een verzoek indienen om tijdelijk niet beschikbaar te worden verklaard voor het ontvangen van burgers in dienst, waarbij de periode van onbeschikbaarheid pas ingaat na afloop van de opdracht van de burger(s) die door de gastorganisatie worden ontvangen. Het verzoek moet worden gerechtvaardigd door onmogelijke omstandigheden of ernstige tijdelijke materiële, morele of juridische problemen om burgers tijdens deze periode in dienst te nemen. De periode van onbeschikbaarheid mag niet langer duren dan één jaar. Indien de organisatie na die periode nog steeds niet in staat is burger van dienst te ontvangen, kan het Agentschap haar erkenning intrekken.
§ 6. Een gastorganisatie kan verzoeken om intrekking van haar erkenning. Deze intrekking kan pas ingaan na afloop van de opdracht van de burger(s) die door de gastorganisatie wordt/worden ontvangen. Met het oog op de voortdurende verbetering van de Samenlevingsdienst zal de gastorganisatie worden verzocht haar verzoek tot intrekking te motiveren. Weigering van de gastorganisatie om een dergelijke motivering te geven, kan er niet toe leiden dat de erkenning tegen haar wil wordt gehandhaafd.
Art.8. § 1er. Tout service, organisme ou association visé à l'article 6 qui souhaite accueillir des citoyens en service doit être préalablement agréé par l'Agence. Il fait acte de candidature en précisant le nombre de citoyens en service qu'il souhaite accueillir. Un service, organisme ou association candidat à l'agrément en tant qu'organisme d'accueil ne pourra accueillir de citoyens en service qu'après avoir reçu l'agrément de la part de l'Agence.
§ 2. Dans les trois mois suivant l'acte de candidature, l'Agence octroie l'agrément au candidat qui remplit les conditions suivantes:
1° le service, l'organisme ou l'association doit disposer d'un personnel et d'un cadre d'accueil suffisant pour assurer un encadrement permanent aux citoyens en service;
2° l'activité de l'organisme doit être orientée vers l'intérêt général, principalement vers les domaines suivants:
a. l'action sociale, la cohésion sociale et la solidarité;
b. l'environnement, la préservation de la nature, le développement durable, la transition écologique, la lutte contre le réchauffement climatique;
c. la culture et la promotion de la culture;
d. les services de santé et de soins aux personnes et la promotion de la santé;
e. la promotion et la pratique du sport;
f. la protection civile;
g. l'éducation;
h. le patrimoine et la promotion du patrimoine;
i. la coopération au développement;
j. la justice.
§ 3. L'Agence pourra, en cas de crise sanitaire ou d'autre cas de force majeure, octroyer son agrément pour un organisme de soins aux personnes instituée sous une autre forme sociale que celles prévues à l'article 6, jusqu'à la résolution de ladite situation.
§ 4. Par une décision motivée, l'Agence peut retirer son agrément à tout organisme d'accueil qui aurait cessé de remplir les conditions prévues au paragraphe 2, qui se serait rendu coupable de détournement de la mission du citoyen en service vers des buts non prévus par le Service citoyen ou de non-respect de la convention tripartite visée à l'article 22.
§ 5. Un organisme d'accueil peut demander à l'Agence d'être déclaré provisoirement indisponible pour accueillir des citoyens en service, la période d'indisponibilité ne pouvant débuter qu'après la fin de la mission du ou des citoyens accueillis par l'organisme d'accueil. La demande doit être justifiée par une impossibilité ou des difficultés majeures temporaires matérielles, morales ou juridiques à accueillir des citoyens en service pendant cette période. La période d'indisponibilité ne peut pas excéder un an. Si, après l'écoulement d'une telle période, l'organisme n'est toujours pas en mesure d'accueillir des citoyens en service, l'Agence peut lui retirer son agrément.
§ 6. Un organisme d'accueil peut demander le retrait de son agrément. Ce retrait ne pourra être rendu effectif qu'après la fin de la mission du ou des citoyens accueillis par l'organisme d'accueil. En vue d'une amélioration continue du Service citoyen, il sera demandé à l'organisme d'accueil de justifier sa demande de retrait. Le refus de la part de l'organisme d'accueil de fournir une telle justification ne peut entrainer le maintien contre son gré de l'agrément.
§ 2. Dans les trois mois suivant l'acte de candidature, l'Agence octroie l'agrément au candidat qui remplit les conditions suivantes:
1° le service, l'organisme ou l'association doit disposer d'un personnel et d'un cadre d'accueil suffisant pour assurer un encadrement permanent aux citoyens en service;
2° l'activité de l'organisme doit être orientée vers l'intérêt général, principalement vers les domaines suivants:
a. l'action sociale, la cohésion sociale et la solidarité;
b. l'environnement, la préservation de la nature, le développement durable, la transition écologique, la lutte contre le réchauffement climatique;
c. la culture et la promotion de la culture;
d. les services de santé et de soins aux personnes et la promotion de la santé;
e. la promotion et la pratique du sport;
f. la protection civile;
g. l'éducation;
h. le patrimoine et la promotion du patrimoine;
i. la coopération au développement;
j. la justice.
§ 3. L'Agence pourra, en cas de crise sanitaire ou d'autre cas de force majeure, octroyer son agrément pour un organisme de soins aux personnes instituée sous une autre forme sociale que celles prévues à l'article 6, jusqu'à la résolution de ladite situation.
§ 4. Par une décision motivée, l'Agence peut retirer son agrément à tout organisme d'accueil qui aurait cessé de remplir les conditions prévues au paragraphe 2, qui se serait rendu coupable de détournement de la mission du citoyen en service vers des buts non prévus par le Service citoyen ou de non-respect de la convention tripartite visée à l'article 22.
§ 5. Un organisme d'accueil peut demander à l'Agence d'être déclaré provisoirement indisponible pour accueillir des citoyens en service, la période d'indisponibilité ne pouvant débuter qu'après la fin de la mission du ou des citoyens accueillis par l'organisme d'accueil. La demande doit être justifiée par une impossibilité ou des difficultés majeures temporaires matérielles, morales ou juridiques à accueillir des citoyens en service pendant cette période. La période d'indisponibilité ne peut pas excéder un an. Si, après l'écoulement d'une telle période, l'organisme n'est toujours pas en mesure d'accueillir des citoyens en service, l'Agence peut lui retirer son agrément.
§ 6. Un organisme d'accueil peut demander le retrait de son agrément. Ce retrait ne pourra être rendu effectif qu'après la fin de la mission du ou des citoyens accueillis par l'organisme d'accueil. En vue d'une amélioration continue du Service citoyen, il sera demandé à l'organisme d'accueil de justifier sa demande de retrait. Le refus de la part de l'organisme d'accueil de fournir une telle justification ne peut entrainer le maintien contre son gré de l'agrément.
Art.9. § 1. Een kandidaat voor het statuut van burger in dienst kan uitzonderlijk zelf een persoonlijk initiatief voorstellen dat gezamenlijk gerealiseerd wordt met een dienst, een instantie of een vereniging die niet erkend is als gastorganisatie maar die de voorwaarden voor de toekenning van een erkenning bedoeld in de artikelen 6 en 8, § 2, naleeft.
§ 2. Het Agentschap zal eenzijdig en soeverein beslissen over de aanvaarding van een dergelijk voorstel, door zich te baseren op zijn uitvoerbaarheid en na zich verzekerd te hebben dat de voorwaarden voor de toekenning van een erkenning bedoeld in de artikelen 6 en 8, § 2, wel degelijk vervuld zijn. Indien het voorstel aanvaard wordt, zal aan de dienst, de instantie of de vereniging de erkenning toegekend worden om burgers in dienst te ontvangen binnen een termijn die dezelfde zal moeten zijn als de termijn van toekenning van een erkenning voor een gastorganisatie die erkend is krachtens artikel 8.
§ 2. Het Agentschap zal eenzijdig en soeverein beslissen over de aanvaarding van een dergelijk voorstel, door zich te baseren op zijn uitvoerbaarheid en na zich verzekerd te hebben dat de voorwaarden voor de toekenning van een erkenning bedoeld in de artikelen 6 en 8, § 2, wel degelijk vervuld zijn. Indien het voorstel aanvaard wordt, zal aan de dienst, de instantie of de vereniging de erkenning toegekend worden om burgers in dienst te ontvangen binnen een termijn die dezelfde zal moeten zijn als de termijn van toekenning van een erkenning voor een gastorganisatie die erkend is krachtens artikel 8.
Art.9. § 1er. Exceptionnellement, un candidat au statut de citoyen en service peut proposer lui-même une initiative personnelle réalisée en commun avec un service, un organisme ou une association qui n'est pas agréé en tant organisme d'accueil mais qui respecte les conditions d'octroi d'agrément visées aux articles 6 et 8, § 2.
§ 2. L'Agence décidera unilatéralement et souverainement de l'acceptation d'une telle proposition, en se basant sur sa faisabilité et après s'est assuré que les conditions d'octroi d'agrément visées aux articles 6 et 8, § 2, sont bien réunies. Si la proposition est acceptée, le service, l'organisme ou l'association se verra octroyer l'agrément pour accueillir des citoyens en service dans un délai qui devra être identique au délai d'octroi d'agrément pour un organisme d'accueil agréé en vertu de l'article 8.
§ 2. L'Agence décidera unilatéralement et souverainement de l'acceptation d'une telle proposition, en se basant sur sa faisabilité et après s'est assuré que les conditions d'octroi d'agrément visées aux articles 6 et 8, § 2, sont bien réunies. Si la proposition est acceptée, le service, l'organisme ou l'association se verra octroyer l'agrément pour accueillir des citoyens en service dans un délai qui devra être identique au délai d'octroi d'agrément pour un organisme d'accueil agréé en vertu de l'article 8.
HOOFDSTUK 5. - De indiensttreding bij de Samenlevingsdienst
CHAPITRE 5. - L'engagement dans le Service citoyen
Art.10. De Samenlevingsdienst is toegankelijk voor iedere persoon die in België verblijft en die de volgende voorwaarden vervult:
1° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt tot de volle leeftijd van vijfentwintig jaar;
2° zich niet bevinden in één van de uitzonderingsgevallen bepaald in artikel 11.
1° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt tot de volle leeftijd van vijfentwintig jaar;
2° zich niet bevinden in één van de uitzonderingsgevallen bepaald in artikel 11.
Art.10. Le Service citoyen est accessible à toute personne résidant en Belgique, qui remplit les conditions suivantes:
1° être âgé de dix-huit ans accomplis à vingt-cinq ans accomplis;
2° ne pas se trouver dans un des cas d'exclusion prévus par l'article 11.
1° être âgé de dix-huit ans accomplis à vingt-cinq ans accomplis;
2° ne pas se trouver dans un des cas d'exclusion prévus par l'article 11.
Art.11. § 1. Iedere persoon die reeds in dienst was getreden bij de Dienst Collectief Nut of de Samenlevingsdienst ingevoerd door de wet van 15 mei 2024 tot invoering van een Samenlevingsdienst, mag zich niet opnieuw kandidaat stellen.
§ 2. Iedere persoon die veroordeeld is tot een gevangenisstraf voor misdaden en wanbedrijven bepaald in de artikelen, 393 tot 397, 398 tot 410, 417/1 tot 417/64, 423 tot 433bis, 433quinquies tot 433novies, 433novies/2 tot 433novies/11, 434 tot 438bis, 442bis tot 442ter van het Strafwetboek, is uitgesloten van de Samenlevingsdienst.
§ 3. Het Agentschap kan een uitzonderlijke mogelijkheid toestaan om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst, voor een persoon die uitgesloten is van de Samenlevingsdienst in toepassing van de § § 1 en 2.
Een persoon die uitgesloten is in toepassing van § 2, moet zijn gevangenisstraf uitgezeten hebben of veroordeeld zijn geweest tot een straf bepaald in artikel 37ter, 37quinquies of 37octies van het Strafwetboek. Het Agentschap kan aan zijn beslissing de voorwaarden toevoegen die het Agentschap noodzakelijk acht voor de goede uitvoering van de Samenlevingsdienst. In alle gevallen waarin een mogelijkheid om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst toegekend zal worden aan een persoon die normaal uitgesloten is, zal het Agentschap de gastorganisatie verwittigen waarnaar het Agentschap de burger in dienst verwezen zal hebben, van de eventuele gerechtelijke antecedenten van deze en van de eventuele bijzondere voorwaarden die aan zijn beslissing toegevoegd worden.
§ 4. Iedere persoon die veroordeeld is tot een gevangenisstraf voor misdaden zoals bepaald in de artikelen 375 tot 379 en 393 tot 397 van het Strafwetboek, zal niet kunnen genieten van de uitzonderlijke mogelijkheid om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst.
§ 2. Iedere persoon die veroordeeld is tot een gevangenisstraf voor misdaden en wanbedrijven bepaald in de artikelen, 393 tot 397, 398 tot 410, 417/1 tot 417/64, 423 tot 433bis, 433quinquies tot 433novies, 433novies/2 tot 433novies/11, 434 tot 438bis, 442bis tot 442ter van het Strafwetboek, is uitgesloten van de Samenlevingsdienst.
§ 3. Het Agentschap kan een uitzonderlijke mogelijkheid toestaan om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst, voor een persoon die uitgesloten is van de Samenlevingsdienst in toepassing van de § § 1 en 2.
Een persoon die uitgesloten is in toepassing van § 2, moet zijn gevangenisstraf uitgezeten hebben of veroordeeld zijn geweest tot een straf bepaald in artikel 37ter, 37quinquies of 37octies van het Strafwetboek. Het Agentschap kan aan zijn beslissing de voorwaarden toevoegen die het Agentschap noodzakelijk acht voor de goede uitvoering van de Samenlevingsdienst. In alle gevallen waarin een mogelijkheid om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst toegekend zal worden aan een persoon die normaal uitgesloten is, zal het Agentschap de gastorganisatie verwittigen waarnaar het Agentschap de burger in dienst verwezen zal hebben, van de eventuele gerechtelijke antecedenten van deze en van de eventuele bijzondere voorwaarden die aan zijn beslissing toegevoegd worden.
§ 4. Iedere persoon die veroordeeld is tot een gevangenisstraf voor misdaden zoals bepaald in de artikelen 375 tot 379 en 393 tot 397 van het Strafwetboek, zal niet kunnen genieten van de uitzonderlijke mogelijkheid om in dienst te treden bij de Samenlevingsdienst.
Art.11. § 1er. Toute personne ayant déjà été engagée dans un Service d'Utilité Collective ou dans le Service citoyen instauré par la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen, ne peut se porter à nouveau candidate.
§ 2. Toute personne condamnée à une peine de prison pour des crimes et délits prévus aux articles 393 à 397, 398 à 410, 417/1 à 417/64, 423 à 433bis, 433quinquies à 433novies, 433novies/2 à 433novies/11, 434 à 438bis, 442bis à 442ter du Code pénal est exclue du Service citoyen.
§ 3. L'Agence peut accorder une possibilité exceptionnelle d'être engagée dans le Service citoyen à une personne exclue du Service citoyen par application des paragraphes 1er et 2.
Pour une personne exclue par application du paragraphe 2, celle-ci doit avoir déjà purgé sa peine de prison ou avoir été condamnée à une peine prévue à l'article 37ter, 37quinquies ou 37octies du Code pénal. L'Agence peut adjoindre à sa décision les conditions qu'elle jugera nécessaire à la bonne réalisation du Service citoyen. Dans tous les cas où une possibilité de s'engager dans le Service citoyen sera accordée à une personne normalement exclue, l'Agence avertira l'organisme d'accueil vers lequel elle aura orienté le citoyen en service des éventuels antécédents judiciaires de celui-ci et des éventuelles conditions spéciales qu'elle aura adjointes à sa décision.
§ 4. Toute personne condamnée à une peine de prison pour des crimes tels que prévus aux articles 375 à 379 et 393 à 397 du Code pénal, ne pourront bénéficier de la possibilité exceptionnelle de s'engager dans le Service citoyen.
§ 2. Toute personne condamnée à une peine de prison pour des crimes et délits prévus aux articles 393 à 397, 398 à 410, 417/1 à 417/64, 423 à 433bis, 433quinquies à 433novies, 433novies/2 à 433novies/11, 434 à 438bis, 442bis à 442ter du Code pénal est exclue du Service citoyen.
§ 3. L'Agence peut accorder une possibilité exceptionnelle d'être engagée dans le Service citoyen à une personne exclue du Service citoyen par application des paragraphes 1er et 2.
Pour une personne exclue par application du paragraphe 2, celle-ci doit avoir déjà purgé sa peine de prison ou avoir été condamnée à une peine prévue à l'article 37ter, 37quinquies ou 37octies du Code pénal. L'Agence peut adjoindre à sa décision les conditions qu'elle jugera nécessaire à la bonne réalisation du Service citoyen. Dans tous les cas où une possibilité de s'engager dans le Service citoyen sera accordée à une personne normalement exclue, l'Agence avertira l'organisme d'accueil vers lequel elle aura orienté le citoyen en service des éventuels antécédents judiciaires de celui-ci et des éventuelles conditions spéciales qu'elle aura adjointes à sa décision.
§ 4. Toute personne condamnée à une peine de prison pour des crimes tels que prévus aux articles 375 à 379 et 393 à 397 du Code pénal, ne pourront bénéficier de la possibilité exceptionnelle de s'engager dans le Service citoyen.
Art.12. § 1. Iedere persoon die in dienst wenst te treden bij de Samenlevingsdienst stelt zich kandidaat voor het statuut van burger in dienst bij het Agentschap, door tussen de beschikbare opdrachten drie opdrachten aan te duiden in orde van voorrang.
§ 2. De kandidaat zal persoonlijke gegevens verstrekken aan het Agentschap om er verwerkt te worden. Deze gegevens worden opgesomd in de volgende paragrafen. Ze zullen bewaard worden gedurende een periode van drie jaren.
§ 3. Voor de identificatie en de selectie zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: naam en voorna(a)m(en); geslacht; geboortedatum; rijksregisternummer; nationaliteit.
§ 4. Om hem te contacteren zal de burger in dienst één of meerdere van de volgende gegevens verstrekken: telefoonnummer; e-mailadres; woon- of verblijfplaats in België.
§ 5. Om hem medisch te begeleiden en een redelijke inrichting te bezorgen indien dit nodig is, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: eventuele gezondheidsproblemen en bijhorende behandelingen; eventuele handicap.
§ 6. Om hem de vergoeding bepaald in artikel 19 te betalen, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: socio-professioneel statuut; familiale situatie; bankrekeningnummer waarop de vergoeding zal gestort worden.
§ 7. Om artikel 11, § § 2 tot 4, na te leven, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: eventuele gerechtelijke antecedenten.
§ 8. Om de verstrekte inlichtingen te bewijzen, kan aan de kandidaat gevraagd worden om de volgende documenten te bezorgen:
1° zijn identiteitskaart;
2° een uittreksel van het strafregister.
§ 2. De kandidaat zal persoonlijke gegevens verstrekken aan het Agentschap om er verwerkt te worden. Deze gegevens worden opgesomd in de volgende paragrafen. Ze zullen bewaard worden gedurende een periode van drie jaren.
§ 3. Voor de identificatie en de selectie zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: naam en voorna(a)m(en); geslacht; geboortedatum; rijksregisternummer; nationaliteit.
§ 4. Om hem te contacteren zal de burger in dienst één of meerdere van de volgende gegevens verstrekken: telefoonnummer; e-mailadres; woon- of verblijfplaats in België.
§ 5. Om hem medisch te begeleiden en een redelijke inrichting te bezorgen indien dit nodig is, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: eventuele gezondheidsproblemen en bijhorende behandelingen; eventuele handicap.
§ 6. Om hem de vergoeding bepaald in artikel 19 te betalen, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: socio-professioneel statuut; familiale situatie; bankrekeningnummer waarop de vergoeding zal gestort worden.
§ 7. Om artikel 11, § § 2 tot 4, na te leven, zal de kandidaat de volgende gegevens verstrekken: eventuele gerechtelijke antecedenten.
§ 8. Om de verstrekte inlichtingen te bewijzen, kan aan de kandidaat gevraagd worden om de volgende documenten te bezorgen:
1° zijn identiteitskaart;
2° een uittreksel van het strafregister.
Art.12. § 1er. Toute personne souhaitant s'engager dans le Service citoyen fait acte de candidature au statut de citoyen en service auprès de l'Agence, en précisant, parmi les missions disponibles, trois choix de missions, par ordre de priorité.
§ 2. Le candidat devra fournir des données personnelles à l'Agence afin qu'elles soient traitées par elle. Ces données sont énumérées aux paragraphes suivants. Elles seront conservées pendant une période de trois ans.
§ 3. Afin de l'identifier et de le sélectionner, le candidat fournira les données suivantes: nom et prénom(s); sexe; date de naissance; numéro de registre national; nationalité.
§ 4. Afin de le contacter, le citoyen fournira une ou plusieurs des données suivantes: numéro de téléphone; adresse email; domicile ou résidence en Belgique.
§ 5. Afin de l'encadrer médicalement et de prévoir un aménagement raisonnable en cas de besoin, le candidat fournira les données suivantes: problèmes de santés éventuels et traitements associés; handicap éventuel.
§ 6. Afin que lui soit versée l'indemnité prévue à l'article 19, le candidat fournira les données suivantes: statut socio-professionnel; situation familiale; numéro de compte en banque sur lequel sera versée l'indemnité.
§ 7. Afin de respecter l'article 11, § § 2 à 4, le candidat fournira les données suivantes: antécédents judiciaires éventuels.
§ 8. Afin de prouver les informations fournies, il peut être demandé au candidat de fournir les documents suivants:
1° sa carte d'identité;
2° un extrait du casier judiciaire.
§ 2. Le candidat devra fournir des données personnelles à l'Agence afin qu'elles soient traitées par elle. Ces données sont énumérées aux paragraphes suivants. Elles seront conservées pendant une période de trois ans.
§ 3. Afin de l'identifier et de le sélectionner, le candidat fournira les données suivantes: nom et prénom(s); sexe; date de naissance; numéro de registre national; nationalité.
§ 4. Afin de le contacter, le citoyen fournira une ou plusieurs des données suivantes: numéro de téléphone; adresse email; domicile ou résidence en Belgique.
§ 5. Afin de l'encadrer médicalement et de prévoir un aménagement raisonnable en cas de besoin, le candidat fournira les données suivantes: problèmes de santés éventuels et traitements associés; handicap éventuel.
§ 6. Afin que lui soit versée l'indemnité prévue à l'article 19, le candidat fournira les données suivantes: statut socio-professionnel; situation familiale; numéro de compte en banque sur lequel sera versée l'indemnité.
§ 7. Afin de respecter l'article 11, § § 2 à 4, le candidat fournira les données suivantes: antécédents judiciaires éventuels.
§ 8. Afin de prouver les informations fournies, il peut être demandé au candidat de fournir les documents suivants:
1° sa carte d'identité;
2° un extrait du casier judiciaire.
Art.13. Het Agentschap komt tegemoet aan de in de kandidaatstelling uitgedrukte wensen binnen de mate van de beschikbare opdrachten of van elk ander criterium dat verbonden is met de goede werking van de Samenlevingsdienst, door eventueel deelnemingsvoorwaarden op te leggen aan de gastorganisaties om tegemoet te komen aan de behoeften van de kandidaten, in het bijzonder deze die behoren tot de categorieën vermeld in artikel 22, § 1, 8°.
Indien het Agentschap niet in staat is om tegemoet te komen aan de in de kandidaatstelling uitgedrukte wensen, kan de kandidaat vragen om ingeschreven te worden op een prioritaire reservelijst met het oog op een toekomstige indiensttreding bij de Samenlevingsdienst.
Indien het Agentschap niet in staat is om tegemoet te komen aan de in de kandidaatstelling uitgedrukte wensen, kan de kandidaat vragen om ingeschreven te worden op een prioritaire reservelijst met het oog op een toekomstige indiensttreding bij de Samenlevingsdienst.
Art.13. L'Agence rencontre les souhaits exprimés dans l'acte de candidature dans la mesure des missions disponibles ou de tout autre critère lié au bon fonctionnement du Service citoyen, en imposant éventuellement des conditions de participations à l'organisme d'accueil afin de respecter les besoins des candidats, notamment ceux relevant des catégories mentionnées à l'article 22, § 1er, 8°.
Si l'Agence n'est pas en mesure de rencontrer les souhaits exprimés dans l'acte de candidature, le candidat peut demander à être inscrit sur une liste de réserve prioritaire en vue d'un futur engagement au sein du Service citoyen.
Si l'Agence n'est pas en mesure de rencontrer les souhaits exprimés dans l'acte de candidature, le candidat peut demander à être inscrit sur une liste de réserve prioritaire en vue d'un futur engagement au sein du Service citoyen.
Art.14. § 1. De mogelijkheid voor een burger in dienst om een opdracht te vervullen in de schoot van een gastorganisatie die gevestigd is in een andere taalregio moet worden aangemoedigd.
§ 2. In de mate van het mogelijke stelt het Agentschap voor dat minstens één persoon per Samenlevingsgroep een dienst verricht in een ander Gewest.
Na de evaluatie, bepaald in artikel 33, kan de Koning bepalen dat minstens één persoon per Samenlevingsgroep moet dienstdoen in een ander Gewest.
§ 2. In de mate van het mogelijke stelt het Agentschap voor dat minstens één persoon per Samenlevingsgroep een dienst verricht in een ander Gewest.
Na de evaluatie, bepaald in artikel 33, kan de Koning bepalen dat minstens één persoon per Samenlevingsgroep moet dienstdoen in een ander Gewest.
Art.14. § 1er. La possibilité pour un citoyen en service d'accomplir une mission au sein d'un organisme d'accueil localisé dans une autre région linguistique doit être encouragée.
§ 2. Dans la mesure du possible, l'Agence propose qu'au moins une personne par promotion citoyenne accomplisse un service dans une autre Région.
Après l'évaluation, prévue à l'article 33, le Roi peut prévoir qu'au moins une personne par promotion citoyenne doit accomplir un service dans une autre Région.
§ 2. Dans la mesure du possible, l'Agence propose qu'au moins une personne par promotion citoyenne accomplisse un service dans une autre Région.
Après l'évaluation, prévue à l'article 33, le Roi peut prévoir qu'au moins une personne par promotion citoyenne doit accomplir un service dans une autre Région.
Art.15. De Koning kan bijkomende maatregelen aannemen betreffende het indienen van kandidaturen en de selectieprocedure van de kandidaten.
Art.15. Le Roi peut adopter des mesures supplémentaires relatives à l'introduction des candidatures et à la procédure de sélection des candidats.
HOOFDSTUK 6. - De duur van de Samenlevingsdienst
CHAPITRE 6. - La durée du Service citoyen
Art.16. § 1. De duur van de Samenlevingsdienst mag niet minder zijn dan zes maanden en niet meer dan een jaar. Hij is niet hernieuwbaar.
§ 2. De burger in dienst heeft het recht om zijn prestaties in het kader van de Samenlevingsdienst te schorsen, ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat, gedurende twintig dagen, door hem te kiezen binnen vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.
De burger in dienst geniet de beschermingen bepaald door hoofdstuk IV van de arbeidswet van 16 maart 1971.
§ 3. De duur van de Samenlevingsdienst wordt geschorst door de arbeidsonderbreking zoals bedoeld in § 2 of Hoofdstuk IV van de arbeidswet van 16 maart 1971.
§ 2. De burger in dienst heeft het recht om zijn prestaties in het kader van de Samenlevingsdienst te schorsen, ter gelegenheid van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs zijn zijde vaststaat, gedurende twintig dagen, door hem te kiezen binnen vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling.
De burger in dienst geniet de beschermingen bepaald door hoofdstuk IV van de arbeidswet van 16 maart 1971.
§ 3. De duur van de Samenlevingsdienst wordt geschorst door de arbeidsonderbreking zoals bedoeld in § 2 of Hoofdstuk IV van de arbeidswet van 16 maart 1971.
Art.16. § 1er. La durée du Service citoyen ne peut être inférieure à six mois ni excéder un an. Il n'est pas renouvelable.
§ 2. Un citoyen en service a le droit de suspendre ses prestations dans le cadre du Service citoyen à l'occasion de la naissance d'un enfant dont la filiation est établie avec lui, pendant une durée de 20 jours, à prendre, au choix, dans un délai de quatre mois à compter du jour de l'accouchement.
Le citoyen en service bénéficie des protections prévues par le chapitre IV de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
§ 3. La durée du Service citoyen est suspendue par l'arrêt des prestations visé au § 2 ou au chapitre IV de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
§ 2. Un citoyen en service a le droit de suspendre ses prestations dans le cadre du Service citoyen à l'occasion de la naissance d'un enfant dont la filiation est établie avec lui, pendant une durée de 20 jours, à prendre, au choix, dans un délai de quatre mois à compter du jour de l'accouchement.
Le citoyen en service bénéficie des protections prévues par le chapitre IV de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
§ 3. La durée du Service citoyen est suspendue par l'arrêt des prestations visé au § 2 ou au chapitre IV de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
HOOFDSTUK 7. - Het statuut van de burger in dienst
CHAPITRE 7. - Le statut de citoyen en service
Art.17. Het statuut van burger in dienst wordt toegekend aan iedere persoon die in dienst treedt bij de Samenlevingsdienst, vanaf de eerste dag van zijn indiensttreding tot aan het einde ervan.
Art.17. Le statut de citoyen en service est octroyé à toute personne engagée dans le Service citoyen, du premier jour de son engagement jusqu'à la fin de celui-ci.
Art.18. Het statuut van burger in dienst is verschillend van dat van de werknemer, de zelfstandige, de ambtenaar en de vrijwilliger.
De activiteiten die aangeboden worden aan de burgers in dienst in het kader van hun opdracht, mogen niet overeenstemmen met vaste jobs die geregeld worden door de statuten van het openbaar ambt, noch met jobs die noodzakelijk zijn voor de normale werking van de gastorganisatie en die kunnen ingenomen worden door werknemers met een arbeidsovereenkomst, noch met activiteiten die overeenstemmen met deze die gewoonlijk uitgevoerd worden door zelfstandigen bij de gaststructuur.
De activiteiten die aangeboden worden aan de burgers in dienst in het kader van hun opdracht, mogen niet overeenstemmen met vaste jobs die geregeld worden door de statuten van het openbaar ambt, noch met jobs die noodzakelijk zijn voor de normale werking van de gastorganisatie en die kunnen ingenomen worden door werknemers met een arbeidsovereenkomst, noch met activiteiten die overeenstemmen met deze die gewoonlijk uitgevoerd worden door zelfstandigen bij de gaststructuur.
Art.18. Le statut de citoyen en service est distinct de celui de travailleur, d'indépendant, de fonctionnaire et de volontaire.
Les activités offertes aux citoyens en service dans le cadre de leur mission ne peuvent correspondre ni à des emplois permanents régis par les statuts de la fonction publique, ni à des emplois nécessaires au fonctionnement normal de l'organisme d'accueil et pouvant être pourvus par des salariés sous contrat de travail, ni encore à des activités correspondant à celles remplies ordinairement par des indépendants auprès de la structure d'accueil.
Les activités offertes aux citoyens en service dans le cadre de leur mission ne peuvent correspondre ni à des emplois permanents régis par les statuts de la fonction publique, ni à des emplois nécessaires au fonctionnement normal de l'organisme d'accueil et pouvant être pourvus par des salariés sous contrat de travail, ni encore à des activités correspondant à celles remplies ordinairement par des indépendants auprès de la structure d'accueil.
Art.19. § 1. De burger in dienst zal vanwege het Agentschap een vergoeding ontvangen die in verhouding is met het aantal dagen besteed aan de Samenlevingsdienst. Dit bedrag is niet inbegrepen in de afrekening van de werkloosheidsuitkering, de inschakelingsuitkering, het leefloon, en de uitkering vervangingsinkomen.
§ 2. De Koning stelt, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vergoeding vast, evenals een billijk inkomensplafond waarboven de vergoeding bepaald in § 1 niet zal uitgekeerd worden aan de burger in dienst.
§ 2. De Koning stelt, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vergoeding vast, evenals een billijk inkomensplafond waarboven de vergoeding bepaald in § 1 niet zal uitgekeerd worden aan de burger in dienst.
Art.19. § 1er. Le citoyen en service recevra de la part de l'Agence une indemnité proportionnelle au nombre de jours passés en Service citoyen. Cette somme n'est pas comprise dans le décompte de l'allocation de chômage, de l'allocation d'insertion, du revenu d'intégration sociale et de l'allocation de remplacement de revenus.
§ 2. Le Roi prévoit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant de l'indemnité et un plafond de revenu équitable au-delà duquel l'indemnisation prévue au paragraphe 1er ne sera pas versée au citoyen en service.
§ 2. Le Roi prévoit, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant de l'indemnité et un plafond de revenu équitable au-delà duquel l'indemnisation prévue au paragraphe 1er ne sera pas versée au citoyen en service.
Art.20. § 1. Het statuut van burger in dienst en de voorziene uitkering kunnen worden gecumuleerd met de sociale rechten die de burger in dienst geniet, zoals de werkloosheidsuitkering, het leefloon en de inkomensvervangende tegemoetkomingen.
§ 2. De dienstdagen vervuld in het kader van de samenlevingsdienst worden in aanmerking genomen voor het doorlopen van de wachttijd bedoeld in artikel 36, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
§ 2. De dienstdagen vervuld in het kader van de samenlevingsdienst worden in aanmerking genomen voor het doorlopen van de wachttijd bedoeld in artikel 36, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Art.20. § 1er. Le statut de citoyen en service et l'indemnité prévue sont cumulables avec les droits sociaux dont jouit le citoyen en service, tels que l'allocation de chômage, le droit à l'intégration sociale et les allocations de remplacement de revenus.
§ 2. Les journées de service accomplies dans le cadre du Service citoyen sont prises en compte pour l'accomplissement du stage visé à l'article 36, § 1er, 4° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
§ 2. Les journées de service accomplies dans le cadre du Service citoyen sont prises en compte pour l'accomplissement du stage visé à l'article 36, § 1er, 4° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Art.21. Behalve in geval van bedrog, zware fout of eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte fout van de burger in dienst, is deze, behalve als het om schade gaat die hij zichzelf toebrengt, niet burgerlijk aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt bij het uitoefenen van zijn opdracht. Het Agentschap sluit tot dekking van de risico's verbonden aan de samenlevingsdienst een verzekering die de burgerlijke aansprakelijkheid van de burger in dienst dekt.
Art.21. Sauf en cas de dol, de faute grave ou de faute légère présentant dans le chef du citoyen en service un caractère habituel plutôt qu'accidentel, celui-ci n'est pas, sauf s'il s'agit de dommages qu'il s'occasionne à lui-même, civilement responsable des dommages qu'il cause dans l'exercice de sa mission. L'Agence contracte une assurance couvrant la responsabilité civile des citoyens en service, afin de couvrir les risques liés au Service citoyen.
HOOFDSTUK 8. - De driepartijenovereenkomst tussen het Agentschap van de Samenlevingsdienst, de gastorganisatie en de burger in dienst
CHAPITRE 8. - La convention tripartite entre l'Agence du Service citoyen, l'organisme d'accueil et le citoyen en service
Art.22. § 1. De door de burger in dienst bij de gastorganisatie uitgevoerde opdracht maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst tussen de burger in dienst, de gastorganisatie en het Agentschap. Deze overeenkomst moet inzonderheid de volgende vermeldingen bevatten:
1° de begin- en einddatum van de door de burger in dienst bij de gastorganisatie uitgevoerde opdracht;
2° de duur van de uitgevoerde opdracht per week van zeven dagen, die maximaal achtentwintig uur bedraagt met minstens één dag zonder activiteit;
3° de duur van de uitgevoerde opdracht per dag, die niet meer dan negen uur mag bedragen, behoudens overmacht;
4° de vermelding van het aanspreekpunt van de burger in dienst bij de gastorganisatie, zijnde een personeelslid van deze laatste dat belast is met het goede verloop van de opdracht van de burger in dienst, de verbinding tussen deze laatste en het team waarbinnen hij zijn opdracht uitvoert, het toezicht op de opdracht en de omkadering ervan en voor het Agentschap de contactpersoon vertegenwoordigen in de gastorganisatie;
5° de wederzijdse verplichtingen van de partijen met betrekking tot de organisatie van de uitgevoerde opdracht;
6° de voorwaarden voor de beëindiging van de overeenkomst, in geval van onmogelijkheid om de opdracht verder uit te voeren, inzonderheid de duur van de opzeggingstermijn, die in geval van een ontslag gegeven door de gastorganisatie niet korter mag zijn zeven kalenderdagen wanneer de burger minder dan 3 maanden in dienst is, en veertien kalenderdagen wanneer de burger minstens 3 maanden in dienst is;
7° de mogelijkheid voor de burger in dienst die dat wenst om tijdens zijn opdracht op persoonlijke wijze begeleid te worden door een deskundige op psychosociaal gebied;
8° de redelijke aanpassingen om de uitvoering van de opdracht te vergemakkelijken voor burger in dienst met bijzondere noden, inzonderheid personen met een handicap, personen die een medische behandeling ondergaan, die niet minstens één van de drie landstalen voldoende beheersen, die onder de armoedegrens leven, die geen vaste verblijfplaats hebben, die aan een verslaving lijden of die één of meerdere personen ten laste hebben, zwangere vrouwen, studenten, vluchtelingen, personen met een grote psychologische kwetsbaarheid.
§ 2. De Koning kan andere vermeldingen bepalen die verplicht in de overeenkomst moeten worden opgenomen.
§ 3. De burger in dienst kan een opdracht uitvoeren in twee gastorganisaties, op voorwaarde dat hij de wekelijkse opdrachtduur van 28 uren niet overschrijdt, met inbegrip van de eventuele reistijd tussen de gastorganisaties waar op dezelfde dag een opdracht wordt uitgevoerd.
1° de begin- en einddatum van de door de burger in dienst bij de gastorganisatie uitgevoerde opdracht;
2° de duur van de uitgevoerde opdracht per week van zeven dagen, die maximaal achtentwintig uur bedraagt met minstens één dag zonder activiteit;
3° de duur van de uitgevoerde opdracht per dag, die niet meer dan negen uur mag bedragen, behoudens overmacht;
4° de vermelding van het aanspreekpunt van de burger in dienst bij de gastorganisatie, zijnde een personeelslid van deze laatste dat belast is met het goede verloop van de opdracht van de burger in dienst, de verbinding tussen deze laatste en het team waarbinnen hij zijn opdracht uitvoert, het toezicht op de opdracht en de omkadering ervan en voor het Agentschap de contactpersoon vertegenwoordigen in de gastorganisatie;
5° de wederzijdse verplichtingen van de partijen met betrekking tot de organisatie van de uitgevoerde opdracht;
6° de voorwaarden voor de beëindiging van de overeenkomst, in geval van onmogelijkheid om de opdracht verder uit te voeren, inzonderheid de duur van de opzeggingstermijn, die in geval van een ontslag gegeven door de gastorganisatie niet korter mag zijn zeven kalenderdagen wanneer de burger minder dan 3 maanden in dienst is, en veertien kalenderdagen wanneer de burger minstens 3 maanden in dienst is;
7° de mogelijkheid voor de burger in dienst die dat wenst om tijdens zijn opdracht op persoonlijke wijze begeleid te worden door een deskundige op psychosociaal gebied;
8° de redelijke aanpassingen om de uitvoering van de opdracht te vergemakkelijken voor burger in dienst met bijzondere noden, inzonderheid personen met een handicap, personen die een medische behandeling ondergaan, die niet minstens één van de drie landstalen voldoende beheersen, die onder de armoedegrens leven, die geen vaste verblijfplaats hebben, die aan een verslaving lijden of die één of meerdere personen ten laste hebben, zwangere vrouwen, studenten, vluchtelingen, personen met een grote psychologische kwetsbaarheid.
§ 2. De Koning kan andere vermeldingen bepalen die verplicht in de overeenkomst moeten worden opgenomen.
§ 3. De burger in dienst kan een opdracht uitvoeren in twee gastorganisaties, op voorwaarde dat hij de wekelijkse opdrachtduur van 28 uren niet overschrijdt, met inbegrip van de eventuele reistijd tussen de gastorganisaties waar op dezelfde dag een opdracht wordt uitgevoerd.
Art.22. § 1er. La mission effectuée par le citoyen en service au sein de l'organisme d'accueil fait l'objet d'une convention écrite entre le citoyen en service, l'organisme d'accueil et l'Agence. Celle-ci doit notamment contenir les mentions suivantes:
1° la date de début et de fin de la mission accomplie par le citoyen en service au sein de l'organisme d'accueil;
2° la durée de la mission effectuée par semaine de sept jours, qui est de vingt-huit heures maximum avec au moins un jour sans activité;
3° la durée de la mission effectuée par jour, qui ne peut être supérieure à neuf heures, sauf force majeure;
4° la mention de la personne référente du citoyen en service au sein de l'organisme d'accueil, membre du personnel de ce dernier chargé de veiller au bon déroulement de la mission du citoyen en service, de faire le lien entre ce dernier et l'équipe au sein de laquelle il effectue sa mission, d'assurer le suivi de la mission et son cadre et de représenter pour l'Agence la personne de contact au sein de l'organisme d'accueil;
5° les obligations réciproques des parties en matière d'organisation de la mission effectuée;
6° les conditions de résiliation de la convention, en cas d'impossibilité de continuer leur mission, notamment la durée du préavis de résiliation, qui ne pourra, en cas de congé donné par l'organisme d'accueil, pas être inférieure à sept jours calendriers lorsque le citoyen est en service depuis moins de 3 mois et quatorze jours calendriers lorsque le citoyen est en service depuis au moins 3 mois;
7° la possibilité pour le citoyen en service qui le souhaite d'être accompagné pendant sa mission, de manière personnalisée, par une personne compétente dans le domaine psycho-social;
8° les aménagements raisonnables destinés à faciliter la réalisation de leur mission par les citoyens en service qui ont des besoins spécifiques, notamment les personnes qui sont en situation de handicap, qui suivent un traitement médical, qui ne maîtrisent pas suffisamment au moins l'une des trois langues nationales, qui vivent sous le seuil de pauvreté, qui sont sans domicile fixe, qui souffrent d'une addiction ou qui ont une ou plusieurs personnes à charges, les femmes enceintes, les étudiants, les réfugiés, les personnes en grande fragilité psychologique.
§ 2. Le Roi peut imposer d'autres mentions devant être obligatoirement contenues dans la convention.
§ 3. Le citoyen en service pourra accomplir une mission dans deux organismes d'accueil, à condition qu'il ne dépasse pas vingt-huit heures de durée de mission hebdomadaire, cette durée comprenant le trajet éventuel entre les organismes d'accueil au sein desquels une mission est effectuée sur une même journée.
1° la date de début et de fin de la mission accomplie par le citoyen en service au sein de l'organisme d'accueil;
2° la durée de la mission effectuée par semaine de sept jours, qui est de vingt-huit heures maximum avec au moins un jour sans activité;
3° la durée de la mission effectuée par jour, qui ne peut être supérieure à neuf heures, sauf force majeure;
4° la mention de la personne référente du citoyen en service au sein de l'organisme d'accueil, membre du personnel de ce dernier chargé de veiller au bon déroulement de la mission du citoyen en service, de faire le lien entre ce dernier et l'équipe au sein de laquelle il effectue sa mission, d'assurer le suivi de la mission et son cadre et de représenter pour l'Agence la personne de contact au sein de l'organisme d'accueil;
5° les obligations réciproques des parties en matière d'organisation de la mission effectuée;
6° les conditions de résiliation de la convention, en cas d'impossibilité de continuer leur mission, notamment la durée du préavis de résiliation, qui ne pourra, en cas de congé donné par l'organisme d'accueil, pas être inférieure à sept jours calendriers lorsque le citoyen est en service depuis moins de 3 mois et quatorze jours calendriers lorsque le citoyen est en service depuis au moins 3 mois;
7° la possibilité pour le citoyen en service qui le souhaite d'être accompagné pendant sa mission, de manière personnalisée, par une personne compétente dans le domaine psycho-social;
8° les aménagements raisonnables destinés à faciliter la réalisation de leur mission par les citoyens en service qui ont des besoins spécifiques, notamment les personnes qui sont en situation de handicap, qui suivent un traitement médical, qui ne maîtrisent pas suffisamment au moins l'une des trois langues nationales, qui vivent sous le seuil de pauvreté, qui sont sans domicile fixe, qui souffrent d'une addiction ou qui ont une ou plusieurs personnes à charges, les femmes enceintes, les étudiants, les réfugiés, les personnes en grande fragilité psychologique.
§ 2. Le Roi peut imposer d'autres mentions devant être obligatoirement contenues dans la convention.
§ 3. Le citoyen en service pourra accomplir une mission dans deux organismes d'accueil, à condition qu'il ne dépasse pas vingt-huit heures de durée de mission hebdomadaire, cette durée comprenant le trajet éventuel entre les organismes d'accueil au sein desquels une mission est effectuée sur une même journée.
HOOFDSTUK 9. - Samenlevingsgroep en burgerschapsmodules
CHAPITRE 9. - La promotion citoyenne et les modules de citoyenneté
Art.23. § 1. Iedere burger in dienst is verbonden aan een samenlevingsgroep.
§ 2. Aan elke samenlevingsgroep moet een geografisch gebied en een datum worden toegekend, zodat bekend is in welk deel van het grondgebied de burger in dienst die er deel van uitmaken in het kader van hun samenlevingsdienst actief zullen zijn en wanneer hun inzet begint.
§ 3. Elke samenlevingsgroep moet streven naar socio-demografische representativiteit. Het Agentschap moet de verschillende burgers in dienst zo goed mogelijk verdelen om dit doel te bereiken. In dit kader kan zij de indiensttreding van een kandidaat uitstellen indien de deelname van een andere kandidaat aan de volgende samenlevingsgroep dit doel beter zou benaderen. De kandidaat waarvan de indiensttreding werd uitgesteld zal overgedragen worden naar een volgende groep, zo dicht mogelijk bij de door de burger in dienst gekozen begindatum.
§ 2. Aan elke samenlevingsgroep moet een geografisch gebied en een datum worden toegekend, zodat bekend is in welk deel van het grondgebied de burger in dienst die er deel van uitmaken in het kader van hun samenlevingsdienst actief zullen zijn en wanneer hun inzet begint.
§ 3. Elke samenlevingsgroep moet streven naar socio-demografische representativiteit. Het Agentschap moet de verschillende burgers in dienst zo goed mogelijk verdelen om dit doel te bereiken. In dit kader kan zij de indiensttreding van een kandidaat uitstellen indien de deelname van een andere kandidaat aan de volgende samenlevingsgroep dit doel beter zou benaderen. De kandidaat waarvan de indiensttreding werd uitgesteld zal overgedragen worden naar een volgende groep, zo dicht mogelijk bij de door de burger in dienst gekozen begindatum.
Art.23. § 1er. Chaque citoyen en service est rattaché à une promotion citoyenne.
§ 2. A chaque promotion citoyenne doit être assignée une zone géographique et une date, permettant de connaître la partie du territoire sur laquelle les citoyens en service la composant vont opérer dans le cadre de leur Service citoyen, ainsi que le début de leur engagement.
§ 3. Chaque promotion citoyenne doit tendre vers une représentativité sociodémographique. L'Agence doit répartir au mieux les différents citoyens en service dans le but d'atteindre cet objectif. Dans ce cadre, elle peut retarder l'engagement d'un candidat, si la participation d'un autre candidat à la prochaine promotion citoyenne permettait de se rapprocher de ce but. Le candidat dont l'engagement a été retardé sera reversé dans une promotion ultérieure, la plus proche possible de la date de commencement choisie par le citoyen en service.
§ 2. A chaque promotion citoyenne doit être assignée une zone géographique et une date, permettant de connaître la partie du territoire sur laquelle les citoyens en service la composant vont opérer dans le cadre de leur Service citoyen, ainsi que le début de leur engagement.
§ 3. Chaque promotion citoyenne doit tendre vers une représentativité sociodémographique. L'Agence doit répartir au mieux les différents citoyens en service dans le but d'atteindre cet objectif. Dans ce cadre, elle peut retarder l'engagement d'un candidat, si la participation d'un autre candidat à la prochaine promotion citoyenne permettait de se rapprocher de ce but. Le candidat dont l'engagement a été retardé sera reversé dans une promotion ultérieure, la plus proche possible de la date de commencement choisie par le citoyen en service.
Art.24. § 1. Naast de opdracht uitgevoerd in een gastorganisatie, neemt de burger in dienst deel aan burgerschapsmodules in zijn samenlevingsgroep, ten belope van vijftien tot vijfentwintig dagen, gelijkmatig verdeeld over de totale duur van de samenlevingsdienst. Als deel van deze modules, vangt de burger in dienst de samenlevingsdienst aan met een module ontmoetingsdagen en beëindigt hij deze met een slotmodule omtrent burgerschap.
§ 2. De burgerschapsmodules behandelen noodzakelijkerwijs, maar zonder zich daartoe te beperken, de volgende onderwerpen:
1° de democratische waarden en instellingen;
2° de milieu- en klimaatuitdagingen;
3° het maatschappelijk samenleven;
4° eerste hulp.
§ 3. De Koning kan de lijst met onderwerpen opgenomen in paragraaf 2 verduidelijken en aanvullen.
§ 2. De burgerschapsmodules behandelen noodzakelijkerwijs, maar zonder zich daartoe te beperken, de volgende onderwerpen:
1° de democratische waarden en instellingen;
2° de milieu- en klimaatuitdagingen;
3° het maatschappelijk samenleven;
4° eerste hulp.
§ 3. De Koning kan de lijst met onderwerpen opgenomen in paragraaf 2 verduidelijken en aanvullen.
Art.24. § 1er. En plus de la mission effectuée au sein d'un organisme d'accueil, le citoyen en service prend part à des modules de citoyenneté au sein de sa promotion citoyenne, à concurrence de quinze à vingt-cinq jours répartis régulièrement sur toute la durée du Service citoyen. Parmi ces modules, le citoyen en service débutera le Service citoyen par un séjour d'intégration et le terminera par une synthèse citoyenne.
§ 2. Les modules de citoyenneté abordent nécessairement, mais sans s'y limiter, les thèmes suivants:
1° les valeurs et institutions démocratiques;
2° les enjeux environnementaux et climatiques;
3° le vivre-ensemble;
4° les premiers secours.
§ 3. Le Roi peut préciser et compléter la liste des thèmes énumérés au paragraphe 2.
§ 2. Les modules de citoyenneté abordent nécessairement, mais sans s'y limiter, les thèmes suivants:
1° les valeurs et institutions démocratiques;
2° les enjeux environnementaux et climatiques;
3° le vivre-ensemble;
4° les premiers secours.
§ 3. Le Roi peut préciser et compléter la liste des thèmes énumérés au paragraphe 2.
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions modificatives
Art.25. In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt een artikel 94ter ingevoegd, luidende:
"Art. 94ter. De volledig werkloze die een samenlevingsdienst verricht in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst kan tijdens de periode die begint de dag waarop hij het statuut van burger in dienst geniet en die eindigt de laatste dag van de laatste week waarin hij dit statuut niet meer geniet, op zijn vraag worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.
De vrijstelling wordt toegekend voor maximaal de duur van de periode bedoeld in het eerste lid.
De vraag om vrijstelling moet op het werkloosheidsbureau toekomen binnen de termijnen vastgelegd krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
De aanvraag om vrijstelling moet een verklaring bevatten van het Agentschap van de Samenlevingsdienst dat de werkloze geniet van het statuut bedoeld in het eerste lid en dat de toegekende materiële of financiële voordelen zijn bepaald conform voormelde wet.
De werkloze kan tijdens de periode van vrijstelling enkel uitkeringen genieten voor de maanden waarin hij bij zijn controlekaart een maandelijks attest toevoegt, afgeleverd door het Agentschap voor de Samenlevingsdienst, waaruit blijkt dat hij op regelmatige wijze de activiteiten uitvoert, opgelegd door de samenlevingsdienst bedoeld in het eerste lid.
De werkloze en het Agentschap van de Samenlevingsdienst moeten het werkloosheidsbureau onmiddellijk verwittigen indien de samenlevingsdienst bedoeld in het eerste lid vroegtijdig wordt stopgezet tijdens de periode bedoeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt gebruik gemaakt van de formulieren opgesteld door de Rijksdienst en goedgekeurd door het Beheerscomité.
De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling.".
"Art. 94ter. De volledig werkloze die een samenlevingsdienst verricht in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst kan tijdens de periode die begint de dag waarop hij het statuut van burger in dienst geniet en die eindigt de laatste dag van de laatste week waarin hij dit statuut niet meer geniet, op zijn vraag worden vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58.
De vrijstelling wordt toegekend voor maximaal de duur van de periode bedoeld in het eerste lid.
De vraag om vrijstelling moet op het werkloosheidsbureau toekomen binnen de termijnen vastgelegd krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, voor de aangifte van een wijzigende gebeurtenis.
De aanvraag om vrijstelling moet een verklaring bevatten van het Agentschap van de Samenlevingsdienst dat de werkloze geniet van het statuut bedoeld in het eerste lid en dat de toegekende materiële of financiële voordelen zijn bepaald conform voormelde wet.
De werkloze kan tijdens de periode van vrijstelling enkel uitkeringen genieten voor de maanden waarin hij bij zijn controlekaart een maandelijks attest toevoegt, afgeleverd door het Agentschap voor de Samenlevingsdienst, waaruit blijkt dat hij op regelmatige wijze de activiteiten uitvoert, opgelegd door de samenlevingsdienst bedoeld in het eerste lid.
De werkloze en het Agentschap van de Samenlevingsdienst moeten het werkloosheidsbureau onmiddellijk verwittigen indien de samenlevingsdienst bedoeld in het eerste lid vroegtijdig wordt stopgezet tijdens de periode bedoeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt gebruik gemaakt van de formulieren opgesteld door de Rijksdienst en goedgekeurd door het Beheerscomité.
De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling.".
Art.25. Dans l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, il est inséré un article 94ter, rédigé comme suit:
"Art. 94ter. Le chômeur complet qui effectue un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen peut pendant la période qui débute le jour où il bénéficie du statut de citoyen en service et qui prend fin le dernier jour de la dernière semaine au cours de laquelle il cesse de bénéficier de ce statut, être dispensé à sa demande de l'application des articles 51, § 1er, alinéa 2, 3° à 6°, 56 et 58.
La dispense est accordée au maximum pour la durée de la période visée à l'alinéa 1er.
La demande de dispense doit parvenir au bureau du chômage dans les délais fixés en vertu de l'article 138, alinéa 1er, 4°, pour la déclaration d'un événement modificatif.
La demande de dispense doit contenir une déclaration de l'Agence du Service citoyen que le chômeur bénéficie du statut visé à l'alinéa 1er et que les avantages matériels ou financiers octroyés sont fixés conformément à la loi précitée.
Le chômeur peut uniquement bénéficier des allocations pendant la période de la dispense pour les mois pendant lesquels il joint une attestation mensuelle, délivrée par l'Agence du Service citoyen, à sa carte de contrôle, dont il ressort qu'il suit régulièrement les activités imposées par le Service citoyen visé à l'alinéa 1er.
Le chômeur et l'Agence du Service citoyen doivent avertir le bureau du chômage s'il est, pendant la période visée à l'alinéa 1er, mis fin prématurément au Service citoyen visé à l'alinéa 1er.
Pour l'application des alinéas précédents, il est fait usage des formulaires établis par l'Office et approuvés par le Comité de gestion.
La dispense n'empêche pas que les articles mentionnés à l'alinéa 1er peuvent être appliqués, si cette application est basée sur des faits qui se sont produits avant la date de début de la dispense.".
"Art. 94ter. Le chômeur complet qui effectue un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen peut pendant la période qui débute le jour où il bénéficie du statut de citoyen en service et qui prend fin le dernier jour de la dernière semaine au cours de laquelle il cesse de bénéficier de ce statut, être dispensé à sa demande de l'application des articles 51, § 1er, alinéa 2, 3° à 6°, 56 et 58.
La dispense est accordée au maximum pour la durée de la période visée à l'alinéa 1er.
La demande de dispense doit parvenir au bureau du chômage dans les délais fixés en vertu de l'article 138, alinéa 1er, 4°, pour la déclaration d'un événement modificatif.
La demande de dispense doit contenir une déclaration de l'Agence du Service citoyen que le chômeur bénéficie du statut visé à l'alinéa 1er et que les avantages matériels ou financiers octroyés sont fixés conformément à la loi précitée.
Le chômeur peut uniquement bénéficier des allocations pendant la période de la dispense pour les mois pendant lesquels il joint une attestation mensuelle, délivrée par l'Agence du Service citoyen, à sa carte de contrôle, dont il ressort qu'il suit régulièrement les activités imposées par le Service citoyen visé à l'alinéa 1er.
Le chômeur et l'Agence du Service citoyen doivent avertir le bureau du chômage s'il est, pendant la période visée à l'alinéa 1er, mis fin prématurément au Service citoyen visé à l'alinéa 1er.
Pour l'application des alinéas précédents, il est fait usage des formulaires établis par l'Office et approuvés par le Comité de gestion.
La dispense n'empêche pas que les articles mentionnés à l'alinéa 1er peuvent être appliqués, si cette application est basée sur des faits qui se sont produits avant la date de début de la dispense.".
Art.26. De Koning kan de bij artikel 25 ingevoegde bepaling opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
Art.26. Le Roi peut abroger, compléter, modifier ou remplacer la disposition insérée par l'article 25.
Art.27. Artikel 22, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie wordt aangevuld met een bepaling onder u), luidende:
"u) de vergoeding toegekend aan de burger in dienst voor het uitvoeren van zijn samenlevingsdienst in de zin van artikel 19 van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
"u) de vergoeding toegekend aan de burger in dienst voor het uitvoeren van zijn samenlevingsdienst in de zin van artikel 19 van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
Art.27. L'article 22, § 1er, de l'Arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l'intégration sociale, est complété par un u), rédigé comme suit:
"u) de l'indemnité versée au citoyen en service pour l'accomplissement de son Service citoyen, au sens de l'article 19 de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
"u) de l'indemnité versée au citoyen en service pour l'accomplissement de son Service citoyen, au sens de l'article 19 de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
Art.28. Artikel 9bis, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratie-tegemoetkoming, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De vergoeding verworven krachtens artikel 19 van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst door de persoon met een handicap wordt vrijgesteld.".
"De vergoeding verworven krachtens artikel 19 van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst door de persoon met een handicap wordt vrijgesteld.".
Art.28. L'article 9bis, § 1er, de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration, est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
"L'indemnité acquise en vertu de l'article 19 de la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen par la personne handicapée est immunisée.".
"L'indemnité acquise en vertu de l'article 19 de la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen par la personne handicapée est immunisée.".
Art.29. In de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt een artikel 1/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 1/2. Deze wet vindt eveneens toepassing op de personen die een samenlevingsdienst uitvoeren in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
"Art. 1/2. Deze wet vindt eveneens toepassing op de personen die een samenlevingsdienst uitvoeren in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
Art.29. Dans la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, il est inséré un article 1er/2, rédigé comme suit:
"Art. 1er/2. La présente loi est également applicable aux personnes qui effectuent un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
"Art. 1er/2. La présente loi est également applicable aux personnes qui effectuent un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
Art.30. Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende:
"8° aan de personen die een samenlevingsdienst uitvoeren in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
"8° aan de personen die een samenlevingsdienst uitvoeren in de zin van de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
Art.30. L'article 2, § 1er, alinéa 1er, des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970, est complété par un 8°, rédigé comme suit:
"8° aux personnes qui effectuent un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
"8° aux personnes qui effectuent un Service citoyen au sens de la loi du 15 mai 2024 instaurant le Service citoyen.".
Art.31. Artikel 569 (Federaal), eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met de bepaling onder 46°, luidende:
"46° van vorderingen ingesteld krachtens de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
"46° van vorderingen ingesteld krachtens de wet van 15 mei 2024 tot invoering van de Samenlevingsdienst.".
Art.31. L'article 569 (Fédéral), premier alinéa, du Code judiciaire, est complété par un point 46°, rédigé comme suit:
"46° des demandes introduites en vertu de la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen.".
"46° des demandes introduites en vertu de la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen.".
Art.32. Artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wordt aangevuld met een f), luidende:
"f) de burgers in dienst bedoeld door de wet van 15 mei 2024 tot invoering van een Samenlevingsdienst.".
"f) de burgers in dienst bedoeld door de wet van 15 mei 2024 tot invoering van een Samenlevingsdienst.".
Art.32. L'article 2, § 1er, de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail est complété par un f), rédigé comme suit:
"f) les citoyens en service visé par la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen.".
"f) les citoyens en service visé par la loi du 15 mai 2024 instaurant un Service citoyen.".
HOOFDSTUK 11. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 11. - Entrée en vigueur
Art.33. Deze wet treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art.33. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 12. - Evaluatie
CHAPITRE 12. - Evaluation
Art. 34. Deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten zal worden geëvalueerd. Deze evaluatie zal gebeuren vóór 31 december 2026.
Art. 34. La présente loi et ses arrêtés d'exécution sera évaluée. Cette évaluation sera réalisée avant le 31 décembre 2026.