Artikel 1. In artikel 5, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 2007 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 september 2008, 10 juli 2017, 29 augustus 2019 en 6 oktober 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de inleidende zin worden de woorden "de master in de militaire ingenieurswetenschappen, van" ingevoegd tussen de woorden "De cijfers van" en de woorden "de master in politieke en militaire wetenschappen", en worden de woorden "bijlage B" vervangen door de woorden "bijlagen B en C";
b) het lid wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende:
"3° voor de master in de militaire ingenieurswetenschappen:
a) wordt een cijfer toegekend voor de cursusgroep "gespecialiseerde techniek";
b) wordt een globaal cijfer toegekend voor de masterproef die bestaat uit het opstellen en de mondelinge verdediging van een onderzoekswerk in een technisch domein dat overeenstemt met de gekozen oriëntatie;
c) is het onderling gewicht van de toegekende cijfers voor de vakken die deel uitmaken van de cursusgroep bedoeld in a) opgenomen in de bijlage C aan dit besluit;
d) is het onderling gewicht van het toegekende cijfer voor de cursusgroep bedoeld in a) en voor de masterproef bedoeld in b) opgenomen in de bijlage C aan dit besluit;
e) wordt voor de cursusgroep bedoeld in a) of voor de masterproef bedoeld in b) een cijfer lager dan 50% beschouwd als een uitsluitingscijfer.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 AUGUSTUS 2025. - Koninklijk besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de voortgezette vorming van officieren
Titre
7 AOUT 2025. - Arrêté royal modifiant diverses dispositions relatives à la formation continuée des officiers
Dokumentinformationen
Info du document
Inhoud
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School
CHAPITRE 1er. - Modification de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire
Article 1er. Dans l'article 5, alinéa 3, de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire, inséré par l'arrêté royal du 20 décembre 2007 et modifié par les arrêtés royaux des 1er septembre 2008, 10 juillet 2017, 29 août 2019 et 6 octobre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
a) dans la phrase liminaire, les mots "le master en sciences de l'ingénieur militaire, pour" sont insérés entre les mots "Les notes pour" et les mots "le master ès arts en sciences politiques et militaires", et les mots "à l'annexe B" sont remplacés par les mots "aux annexes B et C" ;
b) l'alinéa est complété par le 3° rédigé comme suit :
"3° pour le master en sciences de l'ingénieur militaire :
a) une note est attribuée pour le groupe de cours "technique spécialisée" ;
b) une note globale est attribuée au mémoire de fin d'études qui consiste en la rédaction et la défense orale d'un travail de recherche dans un domaine technique correspondant à l'orientation choisie ;
c) la pondération respective des notes attribuées aux matières qui font partie du groupe de cours visé en a) est reprise en annexe C du présent arrêté ;
d) la pondération respective de la note attribuée pour le groupe de cours visé en a) et pour le mémoire de fin d'études visé en b) est reprise en annexe C du présent arrêté ;
e) pour le groupe de cours visé en a) ou pour le mémoire de fin d'études visé en b), une note inférieure à 50% est considérée comme une note d'exclusion.".
a) dans la phrase liminaire, les mots "le master en sciences de l'ingénieur militaire, pour" sont insérés entre les mots "Les notes pour" et les mots "le master ès arts en sciences politiques et militaires", et les mots "à l'annexe B" sont remplacés par les mots "aux annexes B et C" ;
b) l'alinéa est complété par le 3° rédigé comme suit :
"3° pour le master en sciences de l'ingénieur militaire :
a) une note est attribuée pour le groupe de cours "technique spécialisée" ;
b) une note globale est attribuée au mémoire de fin d'études qui consiste en la rédaction et la défense orale d'un travail de recherche dans un domaine technique correspondant à l'orientation choisie ;
c) la pondération respective des notes attribuées aux matières qui font partie du groupe de cours visé en a) est reprise en annexe C du présent arrêté ;
d) la pondération respective de la note attribuée pour le groupe de cours visé en a) et pour le mémoire de fin d'études visé en b) est reprise en annexe C du présent arrêté ;
e) pour le groupe de cours visé en a) ou pour le mémoire de fin d'études visé en b), une note inférieure à 50% est considérée comme une note d'exclusion.".
Art. 2. In artikel 14, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 augustus 2006, worden de woorden "het brevet van ingenieur van het militair materieel," ingevoegd tussen de woorden "houder zijn van" en de woorden "het hogere stafbrevet".
Art. 2. Dans l'article 14, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 10 août 2006, les mots "du brevet d'ingénieur du matériel militaire," sont insérés entre les mots "être titulaire" et les mots "du brevet supérieur d'état-major".
Art. 3. In artikel 16, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2014, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° per taalstelsel, drie vertegenwoordigers van alle stagiairs, verkozen door en uit de stagiairs die de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, de hogere stafopleiding en de hogere opleiding voor militair administrateur volgen;".
"3° per taalstelsel, drie vertegenwoordigers van alle stagiairs, verkozen door en uit de stagiairs die de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, de hogere stafopleiding en de hogere opleiding voor militair administrateur volgen;".
Art. 3. Dans l'article 16, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 22 juillet 2014, le 3° est remplacé par ce qui suit :
"3° par régime linguistique, de trois représentants de tous les stagiaires, élus par et parmi les stagiaires suivant le cursus pour ingénieur du matériel militaire, le cursus supérieur d'état-major et le cursus supérieur d'administrateur militaire ;".
"3° par régime linguistique, de trois représentants de tous les stagiaires, élus par et parmi les stagiaires suivant le cursus pour ingénieur du matériel militaire, le cursus supérieur d'état-major et le cursus supérieur d'administrateur militaire ;".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 26 december 2013 betreffende de vervolmakingscursussen van de beroepsmilitairen van het actief kader van de Krijgsmacht, het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor en het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté royal du 26 décembre 2013 relatif aux cours de perfectionnement des militaires de carrière du cadre actif des Forces armées, à l'épreuve d'accession au grade de premier sergent-major et à l'examen de qualification au grade d'adjudant-chef
Art. 4. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 december 2013 betreffende de vervolmakingscursussen van de beroepsmilitairen van het actief kader van de Krijgsmacht, het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor en het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2022, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende:
"4° de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, ter ontwikkeling van de competenties bedoeld in artikel 111, eerste lid, 4°, van de wet.".
"4° de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, ter ontwikkeling van de competenties bedoeld in artikel 111, eerste lid, 4°, van de wet.".
Art. 4. L'article 2 de l'arrêté royal du 26 décembre 2013 relatif aux cours de perfectionnement des militaires de carrière du cadre actif des Forces armées, à l'épreuve d'accession au grade de premier sergent-major et à l'examen de qualification au grade d'adjudant-chef, modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2022, est complété par le 4°, rédigé comme suit :
"4° le cursus pour ingénieur du matériel militaire, destiné au développement des compétences visées à l'article 111, alinéa 1er, 4°, de la loi.".
"4° le cursus pour ingénieur du matériel militaire, destiné au développement des compétences visées à l'article 111, alinéa 1er, 4°, de la loi.".
Art. 5. In artikel 9, § 1, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden ", georganiseerd in een instelling van Defensie," opgeheven;
b) de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende:
"4° in functie van de kaderbehoeften en op voorstel van de DGHR, de kandidatuur aanvaarden van een officier van niveau A, die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bedoelde voorwaarden voldoet, voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°. ".
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden ", georganiseerd in een instelling van Defensie," opgeheven;
b) de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende:
"4° in functie van de kaderbehoeften en op voorstel van de DGHR, de kandidatuur aanvaarden van een officier van niveau A, die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bedoelde voorwaarden voldoet, voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°. ".
Art. 5. Dans l'article 9, § 1er, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
a) au 2°, les mots ", qui est organisé dans une institution de la Défense" sont abrogés ;
b) le paragraphe est complété par le 4°, rédigé comme suit :
"4° en fonction des besoins d'encadrement et sur la proposition du DGHR, agréer la candidature d'un officier du niveau A, satisfaisant aux conditions visées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er, pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°. ".
a) au 2°, les mots ", qui est organisé dans une institution de la Défense" sont abrogés ;
b) le paragraphe est complété par le 4°, rédigé comme suit :
"4° en fonction des besoins d'encadrement et sur la proposition du DGHR, agréer la candidature d'un officier du niveau A, satisfaisant aux conditions visées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er, pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°. ".
Art. 6. In artikel 11 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Iedere officier bedoeld in artikel 9, § 1, 3° en 4°, kan verzaken aan het aanvangen of het verderzetten van de hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waarvoor zijn kandidatuur werd aanvaard.";
2° in het tweede lid worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "na drie jaar werkelijke dienst".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Iedere officier bedoeld in artikel 9, § 1, 3° en 4°, kan verzaken aan het aanvangen of het verderzetten van de hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waarvoor zijn kandidatuur werd aanvaard.";
2° in het tweede lid worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "na drie jaar werkelijke dienst".
Art. 6. A l'article 11 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Chaque officier visé à l'article 9, § 1er, 3° et 4°, peut renoncer à commencer ou à poursuivre le cursus supérieur ou le cursus pour ingénieur du matériel militaire pour lequel sa candidature a été agréée." ;
2° dans l'alinéa 2, les mots "trois ans" sont remplacés les mots "après trois ans de service actif".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Chaque officier visé à l'article 9, § 1er, 3° et 4°, peut renoncer à commencer ou à poursuivre le cursus supérieur ou le cursus pour ingénieur du matériel militaire pour lequel sa candidature a été agréée." ;
2° dans l'alinéa 2, les mots "trois ans" sont remplacés les mots "après trois ans de service actif".
Art. 7. In artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2022, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden ", of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4° ".
Art. 7. Dans l'article 12 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2022, l'alinéa 1er est complété par les mots ", ou du cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4° ".
Art. 8. Artikel 13 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juli 2022, wordt vervangen als volgt:
"Art. 13. § 1. Wanneer een militair, aangeduid voor de verplichte deelneming aan de vervolmakingscursussen in het kader van de overplaatsingen bedoeld in de artikelen 40, tweede lid, en 41, tweede lid, van de wet, of aanvaard voor het volgen van een hogere opleiding bedoeld in artikel 2, 3°, of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, zijn vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel niet kan aanvangen of wanneer een stagiair deze moet onderbreken, wegens ernstige gezondheidsredenen, wegens ernstige sociale redenen of dwingende dienstredenen die worden beoordeeld door de DGHR, wordt hij van rechtswege aangehecht, naargelang het geval, aan de eerstvolgende gelijkaardige vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel die wordt georganiseerd nadat de oorzaak van het niet aanvangen of de onderbreking een einde heeft genomen.
Wanneer het een vervolmakingscursus, een hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in een extern vormingsorganisme betreft, en wanneer het niet meer mogelijk is om de betrokken militair of stagiair aan te hechten om, naargelang het geval, dezelfde vervolmakingscursus, dezelfde hogere opleiding of dezelfde opleiding voor ingenieur van het militair materieel later te volgen, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, wordt de militair of de stagiair van rechtswege aangehecht aan een gelijkaardige, naargelang het geval, vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel georganiseerd in een vormingsorganisme van Defensie nadat de oorzaak van het niet aanvangen of de onderbreking een einde heeft genomen.
§ 2. De officier die, zonder verzaakt te hebben, of de militair die niet deelneemt aan, naargelang het geval, de vervolmakingscursus, de hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waaraan hij werd aangehecht bij toepassing van de bepalingen bedoeld in paragraaf 1, wordt beschouwd als definitief mislukt te zijn voor deze vervolmakingscursus, deze hogere opleiding of deze opleiding voor ingenieur van het militair materieel en verliest, in voorkomend geval, van rechtswege de hoedanigheid van stagiair.".
"Art. 13. § 1. Wanneer een militair, aangeduid voor de verplichte deelneming aan de vervolmakingscursussen in het kader van de overplaatsingen bedoeld in de artikelen 40, tweede lid, en 41, tweede lid, van de wet, of aanvaard voor het volgen van een hogere opleiding bedoeld in artikel 2, 3°, of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, zijn vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel niet kan aanvangen of wanneer een stagiair deze moet onderbreken, wegens ernstige gezondheidsredenen, wegens ernstige sociale redenen of dwingende dienstredenen die worden beoordeeld door de DGHR, wordt hij van rechtswege aangehecht, naargelang het geval, aan de eerstvolgende gelijkaardige vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel die wordt georganiseerd nadat de oorzaak van het niet aanvangen of de onderbreking een einde heeft genomen.
Wanneer het een vervolmakingscursus, een hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in een extern vormingsorganisme betreft, en wanneer het niet meer mogelijk is om de betrokken militair of stagiair aan te hechten om, naargelang het geval, dezelfde vervolmakingscursus, dezelfde hogere opleiding of dezelfde opleiding voor ingenieur van het militair materieel later te volgen, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, wordt de militair of de stagiair van rechtswege aangehecht aan een gelijkaardige, naargelang het geval, vervolmakingscursus, hogere opleiding of opleiding voor ingenieur van het militair materieel georganiseerd in een vormingsorganisme van Defensie nadat de oorzaak van het niet aanvangen of de onderbreking een einde heeft genomen.
§ 2. De officier die, zonder verzaakt te hebben, of de militair die niet deelneemt aan, naargelang het geval, de vervolmakingscursus, de hogere opleiding of de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waaraan hij werd aangehecht bij toepassing van de bepalingen bedoeld in paragraaf 1, wordt beschouwd als definitief mislukt te zijn voor deze vervolmakingscursus, deze hogere opleiding of deze opleiding voor ingenieur van het militair materieel en verliest, in voorkomend geval, van rechtswege de hoedanigheid van stagiair.".
Art. 8. L'article 13 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 juillet 2022, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 13. § 1er. Lorsqu'un militaire, désigné pour la participation obligatoire aux cours de perfectionnement dans le cadre des transferts visés aux articles 40, alinéa 2, et 41, alinéa 2, de la loi, ou agréé pour suivre un cursus supérieur visé à l'article 2, 3°, ou le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, ne peut pas commencer son cours de perfectionnement, son cursus supérieur ou son cursus pour ingénieur du matériel militaire ou lorsqu'un stagiaire doit interrompre ceux-ci, pour des raisons de santé graves, pour des raisons sociales graves ou des raisons impérieuses de service à apprécier par le DGHR, il est rattaché de plein droit, selon le cas, au premier cours de perfectionnement, cursus supérieur ou cursus pour ingénieur du matériel militaire similaire organisé après que la cause de non commencement ou d'interruption ait pris fin.
Lorsqu'il s'agit d'un cours de perfectionnement, d'un cursus supérieur ou du cursus pour ingénieur du matériel militaire dans un organisme de formation externe et lorsqu'il n'est plus possible de rattacher le militaire ou le stagiaire concerné pour suivre ultérieurement, selon le cas, le même cours de perfectionnement, le même cursus supérieur ou le même cursus pour ingénieur du matériel militaire, conformément aux dispositions de l'alinéa 1er, le militaire ou le stagiaire est rattaché de plein droit, selon le cas, à un cours de perfectionnement, à un cursus supérieur ou à un cursus pour ingénieur du matériel militaire similaire organisé dans un organisme de formation de la Défense, après que la cause de non commencement ou d'interruption ait pris fin.
§ 2. L'officier qui, sans avoir renoncé, ou le militaire qui ne participe pas, selon le cas, au cours de perfectionnement, au cursus supérieur ou au cursus pour ingénieur du matériel militaire, auquel il a été rattaché en application des dispositions visées au paragraphe 1er, est considéré comme ayant définitivement échoué dans ce cours de perfectionnement, dans ce cursus supérieur ou dans ce cursus pour ingénieur du matériel militaire et perd, le cas échéant, de plein droit la qualité de stagiaire.".
"Art. 13. § 1er. Lorsqu'un militaire, désigné pour la participation obligatoire aux cours de perfectionnement dans le cadre des transferts visés aux articles 40, alinéa 2, et 41, alinéa 2, de la loi, ou agréé pour suivre un cursus supérieur visé à l'article 2, 3°, ou le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, ne peut pas commencer son cours de perfectionnement, son cursus supérieur ou son cursus pour ingénieur du matériel militaire ou lorsqu'un stagiaire doit interrompre ceux-ci, pour des raisons de santé graves, pour des raisons sociales graves ou des raisons impérieuses de service à apprécier par le DGHR, il est rattaché de plein droit, selon le cas, au premier cours de perfectionnement, cursus supérieur ou cursus pour ingénieur du matériel militaire similaire organisé après que la cause de non commencement ou d'interruption ait pris fin.
Lorsqu'il s'agit d'un cours de perfectionnement, d'un cursus supérieur ou du cursus pour ingénieur du matériel militaire dans un organisme de formation externe et lorsqu'il n'est plus possible de rattacher le militaire ou le stagiaire concerné pour suivre ultérieurement, selon le cas, le même cours de perfectionnement, le même cursus supérieur ou le même cursus pour ingénieur du matériel militaire, conformément aux dispositions de l'alinéa 1er, le militaire ou le stagiaire est rattaché de plein droit, selon le cas, à un cours de perfectionnement, à un cursus supérieur ou à un cursus pour ingénieur du matériel militaire similaire organisé dans un organisme de formation de la Défense, après que la cause de non commencement ou d'interruption ait pris fin.
§ 2. L'officier qui, sans avoir renoncé, ou le militaire qui ne participe pas, selon le cas, au cours de perfectionnement, au cursus supérieur ou au cursus pour ingénieur du matériel militaire, auquel il a été rattaché en application des dispositions visées au paragraphe 1er, est considéré comme ayant définitivement échoué dans ce cours de perfectionnement, dans ce cursus supérieur ou dans ce cursus pour ingénieur du matériel militaire et perd, le cas échéant, de plein droit la qualité de stagiaire.".
Art. 9. In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 1/1 ingevoegd, die de artikelen 22/1 tot 22/10 bevat, luidende:
"Afdeling 1/1. - De opleiding voor ingenieur van het militair materieel
Art. 22/1. Naargelang de behoeften van de Krijgsmacht kan de opleiding voor ingenieur van het militair materieel jaarlijks worden georganiseerd met als doel bij de stagiair de vereiste competenties te ontwikkelen in een gespecialiseerd technisch domein.
De in het eerste lid bedoelde opleiding voor ingenieur van het militair materieel wordt onderwezen in de KMS, of in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool voor zover deze erkend is als zijnde gelijkwaardig aan de opleiding voor ingenieur van het militair materieel onderwezen in de KMS, en loopt over een academiejaar.
Naargelang de behoeften van de Krijgsmacht en op voorstel van de DGHR kan de minister een officier die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bedoelde voorwaarden voldoet, aanduiden om een opleiding te volgen in een buitenlandse militaire instelling.
De in het derde lid bedoelde opleiding moet erkend zijn geweest als een opleiding van ten minste een gelijkwaardig niveau met de opleiding bedoeld in het eerste lid.
Art. 22/2. § 1. De lager officier die aan de volgende voorwaarden voldoet, kan zijn kandidatuur indienen om de opleiding, bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, te volgen:
1° beroepsofficier van niveau A zijn;
2° niet meer de hoedanigheid van kandidaat-militair bezitten;
3° de vorming kandidaat hoofdofficier, bedoeld in artikel 2, 2°, nog niet met succes hebben gevolgd;
4° tijdens een periode van maximum tien opeenvolgende kalenderjaren, niet meer dan vijfmaal zijn kandidatuur voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel gesteld hebben;
5° geen houder zijn van het brevet van ingenieur van het militair materieel;
6° de basis stafvorming met succes gevolgd hebben of gelijkwaardige beroepservaring op stafniveau kunnen aantonen;
7° houder zijn van een master of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift in een technisch of wetenschappelijk domein;
8° niet definitief verzaakt hebben tijdens een vroegere opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, overeenkomstig artikel 11, of niet definitief verzaakt hebben tijdens een vroegere opleiding van een ten minste gelijkwaardig niveau met de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, in een buitenlandse militaire instelling;
9° geslaagd zijn voor de test betreffende de kennis van het Engels bedoeld in artikel 5, § 3, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren.
De periode van maximum tien kalenderjaren bedoeld in het eerste lid, 4°, vangt aan op 1 januari van het jaar waarin hij zich voor de eerste maal kandidaat stelt om de opleiding voor ingenieur van het militair materieel te volgen. Na deze periode komt zijn kandidatuur niet meer in aanmerking.
De DGHR spreekt zich uit over de gelijkwaardigheid van de beroepservaring bedoeld in het eerste lid, 6°, en de gelijkwaardigheid van het diploma bedoeld in het eerste lid, 7°.
§ 2. Bij het indienen van zijn kandidatuur voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, georganiseerd in de KMS of in een Belgische universiteit of hogeschool, preciseert de officier in welke taal, het Nederlands of het Frans, hij deze opleiding wenst te volgen.
Indien de door de officier gekozen taal niet die van het taalstelsel is waartoe hij behoort, dient hij evenwel aan de vereiste taalcompetentie te voldoen.
Om aan de in het tweede lid bedoelde taalcompetentie te voldoen, dient de officier ten minste 70 procent behaald te hebben op het taalexamen bedoeld in artikel 3 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger.
§ 3. Betreffende de vereiste kennis van de taal waarin de opleiding zal worden onderwezen, kan de DGHR een specifieke taalcompetentie bepalen voor de officieren die hun kandidatuur ingediend hebben voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in het buitenland.
De aanvaarding van de officier voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, bedoeld in het eerste lid, in een andere taal dan deze van het taalstelsel waartoe hij behoort, kan door de DGHR worden ingetrokken indien de betrokken officier niet aan de vereiste taalcompetentie voldoet.
Art. 22/3. § 1. De minister bepaalt jaarlijks, naargelang de behoeften van de Krijgsmacht en op voorstel van de chef Defensie, het aantal officieren per specialiteit, die kunnen worden aanvaard in de hoedanigheid van stagiair voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel.
Een officier die aangehecht wordt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, wordt niet meegeteld in het aantal officieren, bedoeld in het eerste lid, voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waaraan hij aangehecht wordt.
§ 2. Het openstellen van de plaatsen wordt ter kennis gebracht van de potentiële kandidaten.
Art. 22/4. § 1. De voorwaarden om door de minister te kunnen worden aanvaard in de hoedanigheid van stagiair voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, zijn de volgende:
1° zijn kandidatuur ingediend hebben;
2° ingeschreven zijn op de lijst van de voorgedragen officieren opgesteld door de DGHR.
§ 2. De DGHR stelt deze lijst op, rekening houdend met:
1° de uitslagen behaald voor eerdere gevolgde vormingen;
2° de evaluatie van het potentieel;
3° de professionele competenties en het rendement in de als officier uitgeoefende functies;
4° de beoordelingen van zijn fysieke en medische geschiktheid;
5° de behoeften aan in te vullen functies binnen de organisatie;
6° het resultaat van een gestructureerd interview.
§ 3. Het gestructureerd interview bedoeld in paragraaf 2, 6°, wordt uitgevoerd door een adviescommissie. Tijdens dit gestructureerd interview wordt gepeild naar de vereiste voorkennis, de geschiktheid voor de functie van ingenieur van het militair materieel in de gekozen specialiteit en de motivatie van de kandidaat.
De adviescommissie bestaat uit ten minste twee leden aangeduid door de commandant van de KMS. De commandant van de KMS duidt de voorzitter aan onder de leden van de adviescommissie.
De adviescommissie maakt een rangschikking op van de kandidaten per specialiteit van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel.
De rangschikking opgemaakt door de adviescommissie is het resultaat van het gestructureerd interview, bedoeld in paragraaf 2, 6°.
§ 4. De DGHR maakt de in paragraaf 1, 2°, bedoelde lijst, alsook de lijst van alle officieren die hun kandidatuur ingediend hebben en die niet voorgedragen worden, over aan de chef Defensie.
De chef Defensie maakt deze lijsten, eventueel vergezeld met zijn advies, over aan de minister.
§ 5. De in paragraaf 1, 2°, bedoelde lijst wordt betekend aan elke officier die zijn kandidatuur heeft ingediend.
De kandidaat die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bepaalde voorwaarden voldoet en die niet op deze lijst is opgenomen, kan bij de minister een beroep aantekenen binnen de tien werkdagen die volgen op de betekening van deze lijst.
§ 6. De minister aanvaardt of weigert de kandidaturen ten laatste vier maanden vóór het begin van de cursus.
De weigering van de kandidatuur door de minister is definitief. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokken officier.
Art. 22/5. De opleiding voor ingenieur van het militair materieel bevat de module "gespecialiseerde techniek" van het gelijknamig domein.
Het domein stemt overeen met de cursusgroep bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, a), van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School.
Art. 22/6. Na afloop van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel geeft de commandant van de KMS, voor elke stagiair, een eindbeoordeling samengesteld uit:
1° de beoordeling van zijn professionele competenties, op basis van de cijfers toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, van het voornoemd koninklijk besluit van 26 september 2002;
2° de beoordeling van zijn gedragscompetenties bedoeld in artikel 8, eerste lid, 4° en tweede lid, 2°, van dit besluit.
Art. 22/7. De uitslagen bedoeld in artikel 22/6, 1°, worden bepaald door de lesgevers die de stof hebben onderwezen waarover de stagiair beoordeeld wordt, of door de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel als de test het strikte kader van een stof te buiten gaat.
De directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel raadpleegt, in voorkomend geval:
1° de lesgevers die de leerstof hebben onderwezen waarover de stagiair geëvalueerd wordt;
2° één of meerdere burgers of officieren die niet tot de KMS behoren, experts in de leerstof waarover de stagiair geëvalueerd wordt.
De directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel wijst de in het tweede lid, 2°, bedoelde experts aan en nodigt hen uit om de mondelinge tests bij te wonen.
Indien de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel niet de grondige kennis bezit van het Nederlands en het Frans, wijst de commandant van de KMS een hoofdofficier ingenieur van het militair materieel van hetzelfde taalstelsel als de stagiair aan, die tot de KMS behoort. Bij ontstentenis wordt een hoofdofficier ingenieur van het militair materieel die niet tot de KMS behoort door de DGHR aangewezen. De aangewezen officier oefent de competenties van de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uit, ten opzichte van de stagiairs eigen aan zijn taalstelsel.
De beoordeling bedoeld in artikel 22/6, 2°, wordt door de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel opgesteld.
Art. 22/8. Heeft met succes de opleiding voor ingenieur van het militair materieel gevolgd, de stagiair die geen enkel uitsluitingscijfer heeft behaald zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, e), van het voornoemd koninklijk besluit van 26 september 2002.
Wanneer de stagiair niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde voldoet of wanneer hij, zonder geldige reden, niet aan een proef heeft deelgenomen, worden zijn beoordelingen en, in voorkomend geval, de vaststellingen aan de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming voor officieren bedoeld in artikel 72, § 1bis, voorgelegd, die één van de beslissingen bedoeld in artikel 113/1 van de wet, neemt.
De cijfers bekomen voorafgaand aan de herkansing worden niet in rekening gebracht voor de beoordeling van het resultaat van de herkansing.
Art. 22/9. De stagiair die het geheel of een gedeelte van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel volgt in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool, anders dan de KMS, of in een buitenlandse militaire instelling, volgt het programma en de cursussen die voorzien zijn in deze instelling en legt er de voorziene examens af.
Indien een gedeelte van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool of in een buitenlandse militaire instelling wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van die instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of uitstel, de beoordeling, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen overeenkomstig artikel 113/2 van de wet.
Evenwel dienen aan het einde van de opleiding, de beoordelingen van de stagiair, bedoeld in het tweede lid, eveneens te worden voorgelegd aan de deliberatiecommissie van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de stagiair volgt een opleiding waarvan het programma van de bijkomende master wordt uitgedrukt in studiepunten;
2° de stagiair heeft het aantal studiepunten voorzien voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, niet behaald.
Art. 22/10. De DGHR verleent het brevet van ingenieur van het militair materieel aan de officier van de Belgische Krijgsmacht die met succes de opleiding bedoeld in artikel 9, § 1, 4° gevolgd heeft.".
"Afdeling 1/1. - De opleiding voor ingenieur van het militair materieel
Art. 22/1. Naargelang de behoeften van de Krijgsmacht kan de opleiding voor ingenieur van het militair materieel jaarlijks worden georganiseerd met als doel bij de stagiair de vereiste competenties te ontwikkelen in een gespecialiseerd technisch domein.
De in het eerste lid bedoelde opleiding voor ingenieur van het militair materieel wordt onderwezen in de KMS, of in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool voor zover deze erkend is als zijnde gelijkwaardig aan de opleiding voor ingenieur van het militair materieel onderwezen in de KMS, en loopt over een academiejaar.
Naargelang de behoeften van de Krijgsmacht en op voorstel van de DGHR kan de minister een officier die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bedoelde voorwaarden voldoet, aanduiden om een opleiding te volgen in een buitenlandse militaire instelling.
De in het derde lid bedoelde opleiding moet erkend zijn geweest als een opleiding van ten minste een gelijkwaardig niveau met de opleiding bedoeld in het eerste lid.
Art. 22/2. § 1. De lager officier die aan de volgende voorwaarden voldoet, kan zijn kandidatuur indienen om de opleiding, bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, te volgen:
1° beroepsofficier van niveau A zijn;
2° niet meer de hoedanigheid van kandidaat-militair bezitten;
3° de vorming kandidaat hoofdofficier, bedoeld in artikel 2, 2°, nog niet met succes hebben gevolgd;
4° tijdens een periode van maximum tien opeenvolgende kalenderjaren, niet meer dan vijfmaal zijn kandidatuur voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel gesteld hebben;
5° geen houder zijn van het brevet van ingenieur van het militair materieel;
6° de basis stafvorming met succes gevolgd hebben of gelijkwaardige beroepservaring op stafniveau kunnen aantonen;
7° houder zijn van een master of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift in een technisch of wetenschappelijk domein;
8° niet definitief verzaakt hebben tijdens een vroegere opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, overeenkomstig artikel 11, of niet definitief verzaakt hebben tijdens een vroegere opleiding van een ten minste gelijkwaardig niveau met de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in artikel 2, 4°, in een buitenlandse militaire instelling;
9° geslaagd zijn voor de test betreffende de kennis van het Engels bedoeld in artikel 5, § 3, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren.
De periode van maximum tien kalenderjaren bedoeld in het eerste lid, 4°, vangt aan op 1 januari van het jaar waarin hij zich voor de eerste maal kandidaat stelt om de opleiding voor ingenieur van het militair materieel te volgen. Na deze periode komt zijn kandidatuur niet meer in aanmerking.
De DGHR spreekt zich uit over de gelijkwaardigheid van de beroepservaring bedoeld in het eerste lid, 6°, en de gelijkwaardigheid van het diploma bedoeld in het eerste lid, 7°.
§ 2. Bij het indienen van zijn kandidatuur voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, georganiseerd in de KMS of in een Belgische universiteit of hogeschool, preciseert de officier in welke taal, het Nederlands of het Frans, hij deze opleiding wenst te volgen.
Indien de door de officier gekozen taal niet die van het taalstelsel is waartoe hij behoort, dient hij evenwel aan de vereiste taalcompetentie te voldoen.
Om aan de in het tweede lid bedoelde taalcompetentie te voldoen, dient de officier ten minste 70 procent behaald te hebben op het taalexamen bedoeld in artikel 3 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger.
§ 3. Betreffende de vereiste kennis van de taal waarin de opleiding zal worden onderwezen, kan de DGHR een specifieke taalcompetentie bepalen voor de officieren die hun kandidatuur ingediend hebben voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in het buitenland.
De aanvaarding van de officier voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, bedoeld in het eerste lid, in een andere taal dan deze van het taalstelsel waartoe hij behoort, kan door de DGHR worden ingetrokken indien de betrokken officier niet aan de vereiste taalcompetentie voldoet.
Art. 22/3. § 1. De minister bepaalt jaarlijks, naargelang de behoeften van de Krijgsmacht en op voorstel van de chef Defensie, het aantal officieren per specialiteit, die kunnen worden aanvaard in de hoedanigheid van stagiair voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel.
Een officier die aangehecht wordt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, wordt niet meegeteld in het aantal officieren, bedoeld in het eerste lid, voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel waaraan hij aangehecht wordt.
§ 2. Het openstellen van de plaatsen wordt ter kennis gebracht van de potentiële kandidaten.
Art. 22/4. § 1. De voorwaarden om door de minister te kunnen worden aanvaard in de hoedanigheid van stagiair voor het volgen van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, zijn de volgende:
1° zijn kandidatuur ingediend hebben;
2° ingeschreven zijn op de lijst van de voorgedragen officieren opgesteld door de DGHR.
§ 2. De DGHR stelt deze lijst op, rekening houdend met:
1° de uitslagen behaald voor eerdere gevolgde vormingen;
2° de evaluatie van het potentieel;
3° de professionele competenties en het rendement in de als officier uitgeoefende functies;
4° de beoordelingen van zijn fysieke en medische geschiktheid;
5° de behoeften aan in te vullen functies binnen de organisatie;
6° het resultaat van een gestructureerd interview.
§ 3. Het gestructureerd interview bedoeld in paragraaf 2, 6°, wordt uitgevoerd door een adviescommissie. Tijdens dit gestructureerd interview wordt gepeild naar de vereiste voorkennis, de geschiktheid voor de functie van ingenieur van het militair materieel in de gekozen specialiteit en de motivatie van de kandidaat.
De adviescommissie bestaat uit ten minste twee leden aangeduid door de commandant van de KMS. De commandant van de KMS duidt de voorzitter aan onder de leden van de adviescommissie.
De adviescommissie maakt een rangschikking op van de kandidaten per specialiteit van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel.
De rangschikking opgemaakt door de adviescommissie is het resultaat van het gestructureerd interview, bedoeld in paragraaf 2, 6°.
§ 4. De DGHR maakt de in paragraaf 1, 2°, bedoelde lijst, alsook de lijst van alle officieren die hun kandidatuur ingediend hebben en die niet voorgedragen worden, over aan de chef Defensie.
De chef Defensie maakt deze lijsten, eventueel vergezeld met zijn advies, over aan de minister.
§ 5. De in paragraaf 1, 2°, bedoelde lijst wordt betekend aan elke officier die zijn kandidatuur heeft ingediend.
De kandidaat die aan de in artikel 22/2, § 1, eerste lid, bepaalde voorwaarden voldoet en die niet op deze lijst is opgenomen, kan bij de minister een beroep aantekenen binnen de tien werkdagen die volgen op de betekening van deze lijst.
§ 6. De minister aanvaardt of weigert de kandidaturen ten laatste vier maanden vóór het begin van de cursus.
De weigering van de kandidatuur door de minister is definitief. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokken officier.
Art. 22/5. De opleiding voor ingenieur van het militair materieel bevat de module "gespecialiseerde techniek" van het gelijknamig domein.
Het domein stemt overeen met de cursusgroep bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, a), van het koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School.
Art. 22/6. Na afloop van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel geeft de commandant van de KMS, voor elke stagiair, een eindbeoordeling samengesteld uit:
1° de beoordeling van zijn professionele competenties, op basis van de cijfers toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, van het voornoemd koninklijk besluit van 26 september 2002;
2° de beoordeling van zijn gedragscompetenties bedoeld in artikel 8, eerste lid, 4° en tweede lid, 2°, van dit besluit.
Art. 22/7. De uitslagen bedoeld in artikel 22/6, 1°, worden bepaald door de lesgevers die de stof hebben onderwezen waarover de stagiair beoordeeld wordt, of door de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel als de test het strikte kader van een stof te buiten gaat.
De directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel raadpleegt, in voorkomend geval:
1° de lesgevers die de leerstof hebben onderwezen waarover de stagiair geëvalueerd wordt;
2° één of meerdere burgers of officieren die niet tot de KMS behoren, experts in de leerstof waarover de stagiair geëvalueerd wordt.
De directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel wijst de in het tweede lid, 2°, bedoelde experts aan en nodigt hen uit om de mondelinge tests bij te wonen.
Indien de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel niet de grondige kennis bezit van het Nederlands en het Frans, wijst de commandant van de KMS een hoofdofficier ingenieur van het militair materieel van hetzelfde taalstelsel als de stagiair aan, die tot de KMS behoort. Bij ontstentenis wordt een hoofdofficier ingenieur van het militair materieel die niet tot de KMS behoort door de DGHR aangewezen. De aangewezen officier oefent de competenties van de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uit, ten opzichte van de stagiairs eigen aan zijn taalstelsel.
De beoordeling bedoeld in artikel 22/6, 2°, wordt door de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel opgesteld.
Art. 22/8. Heeft met succes de opleiding voor ingenieur van het militair materieel gevolgd, de stagiair die geen enkel uitsluitingscijfer heeft behaald zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, 3°, e), van het voornoemd koninklijk besluit van 26 september 2002.
Wanneer de stagiair niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde voldoet of wanneer hij, zonder geldige reden, niet aan een proef heeft deelgenomen, worden zijn beoordelingen en, in voorkomend geval, de vaststellingen aan de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming voor officieren bedoeld in artikel 72, § 1bis, voorgelegd, die één van de beslissingen bedoeld in artikel 113/1 van de wet, neemt.
De cijfers bekomen voorafgaand aan de herkansing worden niet in rekening gebracht voor de beoordeling van het resultaat van de herkansing.
Art. 22/9. De stagiair die het geheel of een gedeelte van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel volgt in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool, anders dan de KMS, of in een buitenlandse militaire instelling, volgt het programma en de cursussen die voorzien zijn in deze instelling en legt er de voorziene examens af.
Indien een gedeelte van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel in een Belgische of buitenlandse universiteit of hogeschool of in een buitenlandse militaire instelling wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van die instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of uitstel, de beoordeling, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen overeenkomstig artikel 113/2 van de wet.
Evenwel dienen aan het einde van de opleiding, de beoordelingen van de stagiair, bedoeld in het tweede lid, eveneens te worden voorgelegd aan de deliberatiecommissie van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de stagiair volgt een opleiding waarvan het programma van de bijkomende master wordt uitgedrukt in studiepunten;
2° de stagiair heeft het aantal studiepunten voorzien voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, niet behaald.
Art. 22/10. De DGHR verleent het brevet van ingenieur van het militair materieel aan de officier van de Belgische Krijgsmacht die met succes de opleiding bedoeld in artikel 9, § 1, 4° gevolgd heeft.".
Art. 9. Dans le chapitre 4 du même arrêté, il est inséré une section 1/1, comportant les articles 22/1 à 22/10, rédigée comme suit :
"Section 1/1. - Le cursus pour ingénieur du matériel militaire
Art. 22/1. En fonction des besoins des Forces armées, le cursus pour ingénieur du matériel militaire peut être organisé annuellement afin de développer chez le stagiaire les compétences requises dans un domaine technique spécialisé.
Le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'alinéa 1er est enseigné à l'ERM, ou dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère pour autant que celui-ci soit reconnu comme équivalent au cursus d'ingénieur du matériel militaire enseigné à l'ERM, et s'étend sur une année académique.
En fonction des besoins des Forces armées et sur la proposition du DGHR, le ministre peut désigner un officier satisfaisant aux conditions visées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er afin de suivre un cursus dans une institution militaire étrangère.
Le cursus visé à l'alinéa 3 doit avoir été reconnu comme un cursus d'un niveau au moins équivalent au cursus visé à l'alinéa 1er.
Art. 22/2. § 1er. L'officier subalterne qui satisfait aux conditions suivantes peut poser sa candidature pour suivre le cursus visé à l'article 9, § 1er, 4° :
1° être officier de carrière du niveau A ;
2° ne plus avoir la qualité de candidat militaire ;
3° ne pas avoir suivi avec succès la formation pour candidat officier supérieur, visé à l'article 2, 2° ;
4° pendant une période de maximum dix années calendriers consécutives, ne pas avoir posé sa candidature plus de cinq fois pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire ;
5° ne pas être détenteur du brevet d'ingénieur du matériel militaire ;
6° avoir suivi avec succès la formation de base d'état-major ou être en mesure de démontrer une expérience professionnelle équivalente au niveau d'état-major ;
7° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent dans un domaine technique ou scientifique ;
8° ne pas avoir renoncé définitivement lors du cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, conformément à l'article 11, ou ne pas avoir renoncé définitivement lors d'un cursus antérieur d'un niveau au moins équivalent au cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, dans une institution militaire étrangère ;
9° avoir réussi le test relatif à la connaissance de l'anglais visé à l'article 5, § 3, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière.
La période de maximum dix années calendriers visée à l'alinéa 1er, 4°, débute le 1er janvier de l'année au cours de laquelle il pose sa candidature pour la première fois pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire. Après cette période sa candidature n'est plus recevable.
Le DGHR se prononce sur l'équivalence de l'expérience professionnelle visée à l'alinéa 1er, 6°, et sur l'équivalence du diplôme visée à l'alinéa 1er, 7°.
§ 2. En posant sa candidature pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire, organisé à l'ERM ou dans une université ou une école supérieure belge, l'officier mentionne la langue, le néerlandais ou le français, dans laquelle il souhaite suivre ce cursus.
Toutefois, si la langue choisie par l'officier n'est pas celle du régime linguistique auquel il appartient, il doit satisfaire à la compétence linguistique exigée.
Pour satisfaire à la compétence linguistique visée à l'alinéa 2, l'officier doit avoir obtenu au moins 70 pourcent à l'examen linguistique visé à l'article 3 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée.
§ 3. En matière de connaissance exigée de la langue dans laquelle le cursus sera enseigné, le DGHR peut fixer une compétence linguistique spécifique pour les officiers qui ont introduit leur candidature pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire à l'étranger.
L'agrément de l'officier pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire, visé à l'alinéa 1er, dans une autre langue que celle du régime linguistique auquel il appartient, peut être retirée par le DGHR si l'officier concerné n'a pas satisfait à la compétence linguistique exigée.
Art. 22/3. § 1er. En fonction des besoins des Forces armées et sur la proposition du chef de la Défense, le ministre détermine annuellement le nombre d'officiers par spécialité, qui peuvent être agréés en qualité de stagiaire pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Un officier rattaché conformément aux dispositions de l'article 13 n'est pas comptabilisé dans le nombre d'officiers visé à l'alinéa 1er pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire auquel il est rattaché.
§ 2. L'ouverture des places est portée à la connaissance des candidats potentiels.
Art. 22/4. § 1er. Les conditions pour pouvoir être agréé par le ministre en qualité de stagiaire pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire, sont les suivantes :
1° avoir posé sa candidature ;
2° être inscrit sur une liste des officiers proposés établie par le DGHR.
§ 2. Le DGHR établit cette liste en tenant compte :
1° des résultats obtenus pour les formations précédentes suivies ;
2° de l'évaluation de potentiel ;
3° des qualités professionnelles et du rendement dans les fonctions exercées en tant qu'officier ;
4° des appréciations de son aptitude physique et médicale ;
5° des besoins en fonctions à remplir au sein de l'organisation ;
6° du résultat d'un entretien structuré.
§ 3. L'entretien structuré visé au paragraphe 2, 6°, est mené par une commission consultative. Au cours de cet entretien structuré, les connaissances préalables requises, l'aptitude à la fonction d'ingénieur du matériel militaire dans la spécialité choisie et la motivation du candidat sont évaluées.
La commission consultative est composée d'au moins deux membres désignés par le commandant de l'ERM. Le commandant de l'ERM désigne le président parmi les membres de la commission consultative.
La commission consultative établit un classement des candidats par spécialité du cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Le classement établi par la commission consultative est le résultat de l'entretien structuré, visé au paragraphe 2, 6°.
§ 4. Le DGHR transmet au chef de la Défense la liste visée au paragraphe 1er, 2°, ainsi qu'une liste de tous les officiers qui ont introduit leur candidature et qui ne sont pas proposés.
Le chef de la Défense transmet au ministre ces listes, éventuellement accompagnées de son avis.
§ 5. Il est donné notification de la liste visée au paragraphe 1er, 2°, à chaque officier qui a posé sa candidature.
Le candidat qui satisfait aux conditions fixées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er, et qui n'est pas repris sur cette liste, peut introduire un recours auprès du ministre dans les dix jours ouvrables qui suivent la notification de cette liste.
§ 6. Le ministre agrée ou refuse les candidatures au plus tard quatre mois avant le début du cours.
Le refus de la candidature par le ministre est définitif. La décision est notifiée à l'officier concerné.
Art. 22/5. Le cursus pour ingénieur du matériel militaire comprend le module "technique spécialisée" du domaine homonyme.
Le domaine correspond au groupe de cours visé à l'article 5, alinéa 3, 3°, a), de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire.
Art. 22/6. A l'issue du cursus pour ingénieur du matériel militaire, le commandant de l'ERM émet une appréciation finale à l'égard de chaque stagiaire, constituée de :
1° l'appréciation de ses compétences professionnelles, fondée sur les notes attribuées selon les dispositions visées à l'article 5, alinéa 3, 3°, de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 précité ;
2° l'appréciation de ses compétences comportementales visées à l'article 8, alinéa 1er, 4° et alinéa 2, 2°, du présent arrêté.
Art. 22/7. Les résultats visés à l'article 22/6, 1°, sont fixés par les enseignants ayant enseigné les matières dans lesquelles le stagiaire est évalué, ou par le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire lorsque le test dépasse le cadre strict d'une matière.
Le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire consulte, le cas échéant :
1° les enseignants ayant enseigné les matières dans lesquelles le stagiaire est évalué ;
2° un ou plusieurs civils ou officiers n'appartenant pas à l'ERM, experts en la matière dans laquelle le stagiaire est évalué.
Le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire désigne les experts visés à l'alinéa 2, 2°, et les invite à assister aux tests oraux.
Lorsque le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire ne possède pas la connaissance approfondie du français et du néerlandais, le commandant de l'ERM désigne un officier supérieur ingénieur du matériel militaire du même régime linguistique que le stagiaire, qui appartient à l'ERM. A défaut, un officier supérieur ingénieur du matériel militaire n'appartenant pas à l'ERM est désigné par le DGHR. L'officier désigné exerce les compétences du directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire visées aux paragraphes 1er et 2, à l'égard des stagiaires de son régime linguistique.
L'appréciation visée à l'article 22/6, 2°, est établie par le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Art. 22/8. A suivi avec succès le cursus pour ingénieur du matériel militaire, le stagiaire qui n'a obtenu aucune note d'exclusion visée à l'article 5, alinéa 3, 3°, e), de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 précité.
Lorsque le stagiaire ne satisfait pas à la condition visée à l'alinéa 1er, ou lorsqu'il n'a pas participé à une épreuve sans raison valable, ses appréciations et, le cas échéant, les constatations sont soumises à la commission de délibération de la formation continuée pour officiers visée à l'article 72, § 1erbis, qui prend une des décisions visées à l'article 113/1 de la loi.
Les notes obtenues antérieures au repêchage ne sont pas prises en compte pour l'appréciation du résultat du repêchage.
Art. 22/9. Le stagiaire qui suit tout ou une partie du cursus pour ingénieur du matériel militaire dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère, autre que l'ERM, ou dans une institution militaire étrangère, suit le programme et les cours prévus dans cet établissement et y présente les examens prévus.
Si une partie du cursus pour ingénieur du matériel militaire est suivie dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère ou dans une institution militaire étrangère, il est tenu compte, pour cette partie, du régime de cet établissement quant à l'octroi d'une dispense ou d'un ajournement, l'appréciation, l'organisation et le fonctionnement de la commission de délibération et quant aux mesures à prendre par cette commission conformément à l'article 113/2 de la loi.
Toutefois, à la fin du cursus, les appréciations du stagiaire visées à l'alinéa 2, doivent également être présentées devant la commission de délibération du cursus pour ingénieur du matériel militaire, s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° le stagiaire suit un cursus pour lequel le programme de master complémentaire est exprimé en crédits ;
2° le stagiaire n'a pas obtenu le nombre de crédits prévu pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Art. 22/10. Le DGHR confère le brevet d'ingénieur du matériel militaire à l'officier des Forces armées belge qui a suivi avec succès le cursus visé à l'article 9, § 1, 4°. ".
"Section 1/1. - Le cursus pour ingénieur du matériel militaire
Art. 22/1. En fonction des besoins des Forces armées, le cursus pour ingénieur du matériel militaire peut être organisé annuellement afin de développer chez le stagiaire les compétences requises dans un domaine technique spécialisé.
Le cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'alinéa 1er est enseigné à l'ERM, ou dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère pour autant que celui-ci soit reconnu comme équivalent au cursus d'ingénieur du matériel militaire enseigné à l'ERM, et s'étend sur une année académique.
En fonction des besoins des Forces armées et sur la proposition du DGHR, le ministre peut désigner un officier satisfaisant aux conditions visées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er afin de suivre un cursus dans une institution militaire étrangère.
Le cursus visé à l'alinéa 3 doit avoir été reconnu comme un cursus d'un niveau au moins équivalent au cursus visé à l'alinéa 1er.
Art. 22/2. § 1er. L'officier subalterne qui satisfait aux conditions suivantes peut poser sa candidature pour suivre le cursus visé à l'article 9, § 1er, 4° :
1° être officier de carrière du niveau A ;
2° ne plus avoir la qualité de candidat militaire ;
3° ne pas avoir suivi avec succès la formation pour candidat officier supérieur, visé à l'article 2, 2° ;
4° pendant une période de maximum dix années calendriers consécutives, ne pas avoir posé sa candidature plus de cinq fois pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire ;
5° ne pas être détenteur du brevet d'ingénieur du matériel militaire ;
6° avoir suivi avec succès la formation de base d'état-major ou être en mesure de démontrer une expérience professionnelle équivalente au niveau d'état-major ;
7° être titulaire d'un master ou d'un diplôme ou certificat équivalent dans un domaine technique ou scientifique ;
8° ne pas avoir renoncé définitivement lors du cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, conformément à l'article 11, ou ne pas avoir renoncé définitivement lors d'un cursus antérieur d'un niveau au moins équivalent au cursus pour ingénieur du matériel militaire visé à l'article 2, 4°, dans une institution militaire étrangère ;
9° avoir réussi le test relatif à la connaissance de l'anglais visé à l'article 5, § 3, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 7 avril 1959 relatif à la position et à l'avancement des officiers de carrière.
La période de maximum dix années calendriers visée à l'alinéa 1er, 4°, débute le 1er janvier de l'année au cours de laquelle il pose sa candidature pour la première fois pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire. Après cette période sa candidature n'est plus recevable.
Le DGHR se prononce sur l'équivalence de l'expérience professionnelle visée à l'alinéa 1er, 6°, et sur l'équivalence du diplôme visée à l'alinéa 1er, 7°.
§ 2. En posant sa candidature pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire, organisé à l'ERM ou dans une université ou une école supérieure belge, l'officier mentionne la langue, le néerlandais ou le français, dans laquelle il souhaite suivre ce cursus.
Toutefois, si la langue choisie par l'officier n'est pas celle du régime linguistique auquel il appartient, il doit satisfaire à la compétence linguistique exigée.
Pour satisfaire à la compétence linguistique visée à l'alinéa 2, l'officier doit avoir obtenu au moins 70 pourcent à l'examen linguistique visé à l'article 3 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée.
§ 3. En matière de connaissance exigée de la langue dans laquelle le cursus sera enseigné, le DGHR peut fixer une compétence linguistique spécifique pour les officiers qui ont introduit leur candidature pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire à l'étranger.
L'agrément de l'officier pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire, visé à l'alinéa 1er, dans une autre langue que celle du régime linguistique auquel il appartient, peut être retirée par le DGHR si l'officier concerné n'a pas satisfait à la compétence linguistique exigée.
Art. 22/3. § 1er. En fonction des besoins des Forces armées et sur la proposition du chef de la Défense, le ministre détermine annuellement le nombre d'officiers par spécialité, qui peuvent être agréés en qualité de stagiaire pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Un officier rattaché conformément aux dispositions de l'article 13 n'est pas comptabilisé dans le nombre d'officiers visé à l'alinéa 1er pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire auquel il est rattaché.
§ 2. L'ouverture des places est portée à la connaissance des candidats potentiels.
Art. 22/4. § 1er. Les conditions pour pouvoir être agréé par le ministre en qualité de stagiaire pour suivre le cursus pour ingénieur du matériel militaire, sont les suivantes :
1° avoir posé sa candidature ;
2° être inscrit sur une liste des officiers proposés établie par le DGHR.
§ 2. Le DGHR établit cette liste en tenant compte :
1° des résultats obtenus pour les formations précédentes suivies ;
2° de l'évaluation de potentiel ;
3° des qualités professionnelles et du rendement dans les fonctions exercées en tant qu'officier ;
4° des appréciations de son aptitude physique et médicale ;
5° des besoins en fonctions à remplir au sein de l'organisation ;
6° du résultat d'un entretien structuré.
§ 3. L'entretien structuré visé au paragraphe 2, 6°, est mené par une commission consultative. Au cours de cet entretien structuré, les connaissances préalables requises, l'aptitude à la fonction d'ingénieur du matériel militaire dans la spécialité choisie et la motivation du candidat sont évaluées.
La commission consultative est composée d'au moins deux membres désignés par le commandant de l'ERM. Le commandant de l'ERM désigne le président parmi les membres de la commission consultative.
La commission consultative établit un classement des candidats par spécialité du cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Le classement établi par la commission consultative est le résultat de l'entretien structuré, visé au paragraphe 2, 6°.
§ 4. Le DGHR transmet au chef de la Défense la liste visée au paragraphe 1er, 2°, ainsi qu'une liste de tous les officiers qui ont introduit leur candidature et qui ne sont pas proposés.
Le chef de la Défense transmet au ministre ces listes, éventuellement accompagnées de son avis.
§ 5. Il est donné notification de la liste visée au paragraphe 1er, 2°, à chaque officier qui a posé sa candidature.
Le candidat qui satisfait aux conditions fixées à l'article 22/2, § 1er, alinéa 1er, et qui n'est pas repris sur cette liste, peut introduire un recours auprès du ministre dans les dix jours ouvrables qui suivent la notification de cette liste.
§ 6. Le ministre agrée ou refuse les candidatures au plus tard quatre mois avant le début du cours.
Le refus de la candidature par le ministre est définitif. La décision est notifiée à l'officier concerné.
Art. 22/5. Le cursus pour ingénieur du matériel militaire comprend le module "technique spécialisée" du domaine homonyme.
Le domaine correspond au groupe de cours visé à l'article 5, alinéa 3, 3°, a), de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire.
Art. 22/6. A l'issue du cursus pour ingénieur du matériel militaire, le commandant de l'ERM émet une appréciation finale à l'égard de chaque stagiaire, constituée de :
1° l'appréciation de ses compétences professionnelles, fondée sur les notes attribuées selon les dispositions visées à l'article 5, alinéa 3, 3°, de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 précité ;
2° l'appréciation de ses compétences comportementales visées à l'article 8, alinéa 1er, 4° et alinéa 2, 2°, du présent arrêté.
Art. 22/7. Les résultats visés à l'article 22/6, 1°, sont fixés par les enseignants ayant enseigné les matières dans lesquelles le stagiaire est évalué, ou par le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire lorsque le test dépasse le cadre strict d'une matière.
Le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire consulte, le cas échéant :
1° les enseignants ayant enseigné les matières dans lesquelles le stagiaire est évalué ;
2° un ou plusieurs civils ou officiers n'appartenant pas à l'ERM, experts en la matière dans laquelle le stagiaire est évalué.
Le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire désigne les experts visés à l'alinéa 2, 2°, et les invite à assister aux tests oraux.
Lorsque le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire ne possède pas la connaissance approfondie du français et du néerlandais, le commandant de l'ERM désigne un officier supérieur ingénieur du matériel militaire du même régime linguistique que le stagiaire, qui appartient à l'ERM. A défaut, un officier supérieur ingénieur du matériel militaire n'appartenant pas à l'ERM est désigné par le DGHR. L'officier désigné exerce les compétences du directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire visées aux paragraphes 1er et 2, à l'égard des stagiaires de son régime linguistique.
L'appréciation visée à l'article 22/6, 2°, est établie par le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Art. 22/8. A suivi avec succès le cursus pour ingénieur du matériel militaire, le stagiaire qui n'a obtenu aucune note d'exclusion visée à l'article 5, alinéa 3, 3°, e), de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 précité.
Lorsque le stagiaire ne satisfait pas à la condition visée à l'alinéa 1er, ou lorsqu'il n'a pas participé à une épreuve sans raison valable, ses appréciations et, le cas échéant, les constatations sont soumises à la commission de délibération de la formation continuée pour officiers visée à l'article 72, § 1erbis, qui prend une des décisions visées à l'article 113/1 de la loi.
Les notes obtenues antérieures au repêchage ne sont pas prises en compte pour l'appréciation du résultat du repêchage.
Art. 22/9. Le stagiaire qui suit tout ou une partie du cursus pour ingénieur du matériel militaire dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère, autre que l'ERM, ou dans une institution militaire étrangère, suit le programme et les cours prévus dans cet établissement et y présente les examens prévus.
Si une partie du cursus pour ingénieur du matériel militaire est suivie dans une université ou une école supérieure belge ou étrangère ou dans une institution militaire étrangère, il est tenu compte, pour cette partie, du régime de cet établissement quant à l'octroi d'une dispense ou d'un ajournement, l'appréciation, l'organisation et le fonctionnement de la commission de délibération et quant aux mesures à prendre par cette commission conformément à l'article 113/2 de la loi.
Toutefois, à la fin du cursus, les appréciations du stagiaire visées à l'alinéa 2, doivent également être présentées devant la commission de délibération du cursus pour ingénieur du matériel militaire, s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° le stagiaire suit un cursus pour lequel le programme de master complémentaire est exprimé en crédits ;
2° le stagiaire n'a pas obtenu le nombre de crédits prévu pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire.
Art. 22/10. Le DGHR confère le brevet d'ingénieur du matériel militaire à l'officier des Forces armées belge qui a suivi avec succès le cursus visé à l'article 9, § 1, 4°. ".
Art. 10. In artikel 38, derde lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "koninklijk besluit van 26 september 2002 betreffende de organisatie van de Koninklijke Militaire School" vervangen door de woorden "voornoemd koninklijk besluit van 26 september 2002".
Art. 10. Dans l'article 38, alinéa 3, du même arrêté, les mots "de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 relatif à l'organisation de l'Ecole royale militaire" sont remplacés par les mots "de l'arrêté royal du 26 septembre 2002 précité".
Art. 11. In artikel 72 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 juni 2016 en 20 juli 2022, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1, is de deliberatiecommissie van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel samengesteld uit de volgende leden of hun plaatsvervanger aangewezen door de voorzitter:
1° de commandant van de KMS, voorzitter;
2° de directeur van het academisch onderwijs;
3° de directeur van de voortgezette vorming;
4° tenminste één van de volgende departementshoofden:
a) het departementshoofd wiskunde;
b) het departementshoofd chemie;
c) het departementshoofd fysica;
d) het departementshoofd mechanica;
e) het departementshoofd communicatie- en informatiesystemen en sensoren;
f) het departementshoofd wapensystemen en ballistiek.
5° wanneer de voorzitter dit nodig acht en naargelang het geval:
a) de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel;
b) de arbeidsgeneesheer van de eenheid van de militaire instelling waar de stagiair zijn vorming volgt.".
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1, is de deliberatiecommissie van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel samengesteld uit de volgende leden of hun plaatsvervanger aangewezen door de voorzitter:
1° de commandant van de KMS, voorzitter;
2° de directeur van het academisch onderwijs;
3° de directeur van de voortgezette vorming;
4° tenminste één van de volgende departementshoofden:
a) het departementshoofd wiskunde;
b) het departementshoofd chemie;
c) het departementshoofd fysica;
d) het departementshoofd mechanica;
e) het departementshoofd communicatie- en informatiesystemen en sensoren;
f) het departementshoofd wapensystemen en ballistiek.
5° wanneer de voorzitter dit nodig acht en naargelang het geval:
a) de directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel;
b) de arbeidsgeneesheer van de eenheid van de militaire instelling waar de stagiair zijn vorming volgt.".
Art. 11. Dans l'article 72 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 6 juin 2016 et 20 juillet 2022, il est inséré un paragraphe 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. En dérogation du paragraphe 1er, la commission de délibération du cursus pour ingénieur du matériel militaire est composée des membres suivants ou leur remplaçant désigné par le président :
1° le commandant de l'ERM, président ;
2° le directeur de l'enseignement académique ;
3° le directeur de la formation continuée ;
4° au moins un des chefs des départements suivants :
a) le chef du département mathématique ;
b) le chef du département chimie ;
c) le chef du département physique ;
d) le chef du département mécanique ;
e) le chef du département systèmes de communication et d'information et capteurs ;
f) le chef du département systèmes d'armes et balistique.
5° lorsque le président le juge nécessaire et selon le cas :
a) le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire ;
b) le médecin du travail de l'établissement militaire où le stagiaire suit sa formation.".
" § 1erbis. En dérogation du paragraphe 1er, la commission de délibération du cursus pour ingénieur du matériel militaire est composée des membres suivants ou leur remplaçant désigné par le président :
1° le commandant de l'ERM, président ;
2° le directeur de l'enseignement académique ;
3° le directeur de la formation continuée ;
4° au moins un des chefs des départements suivants :
a) le chef du département mathématique ;
b) le chef du département chimie ;
c) le chef du département physique ;
d) le chef du département mécanique ;
e) le chef du département systèmes de communication et d'information et capteurs ;
f) le chef du département systèmes d'armes et balistique.
5° lorsque le président le juge nécessaire et selon le cas :
a) le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire ;
b) le médecin du travail de l'établissement militaire où le stagiaire suit sa formation.".
Art. 12. In artikel 73, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "De directeur" vervangen door de woorden "De directeur van de opleiding voor ingenieur van het militair materieel, de directeur".
Art. 12. Dans l'article 73, alinéa 2, du même arrêté, les mots "Le directeur" sont remplacés par les mots "Le directeur du cursus pour ingénieur du matériel militaire, le directeur".
HOOFDSTUK 3. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et finales
Art. 13. In afwijking van artikel 22/4, § 6, van het koninklijk besluit van 26 december 2013 betreffende de vervolmakingscursussen van de beroepsmilitairen van het actief kader van de Krijgsmacht, het examen voor overgang naar de graad van eerste sergeant-majoor en het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef, ingevoegd door artikel 9 van dit besluit, wordt de termijn voor de aanvaarding van de kandidaturen door de minister, voor de opleiding voor ingenieur van het militair materieel voor het academiejaar 2025-2026, verkort tot één maand voor het begin van de opleiding.
Art. 13. En dérogation à l'article 22/4, § 6, de l'arrêté royal du 26 décembre 2013 relatif aux cours de perfectionnement des militaires de carrière du cadre actif des Forces armées, à l'épreuve d'accession au grade de premier sergent-major et à l'examen de qualification au grade d'adjudant-chef, inséré par l'article 9 du présent arrêté, le délai pour l'agrément des candidatures par le ministre, pour le cursus pour ingénieur du matériel militaire pour l'année académique 2025-2026, est réduit à un mois avant le début du cursus.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 18 augustus 2025.
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le 18 août 2025.
Art. 15. De minister bevoegd voor Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Le ministre qui à la Défense dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.